The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Jan Toonen, 2022-04-12 13:35:35

deel 3

Keywords: Heemkunde Geleen

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 51

”zuijmigheid (= in verzuim blijven) van laeden en aflaeden en nimmer tot kunstmatige verbetering van eenen weg,
van zijne karre” moest hij dat nog diezelfde dag aan de meier waarop tollen mogten worden daargesteld”. Deze clausule
melden. Deed hij dit niet, dan was hij zelf voor ”het defaut” had betrekking op wegen waarvoor het rijk of de provincie
(= de tekortkoming) verantwoordelijk. verantwoordelijk was.
(7) Degenen die ondanks voornoemde kennisgeving niet ”Overwegende dat er een algemeen erkende noodzakelijk-
zouden komen opdagen, zouden terstond door anderen heid bestaat de ingezetenen dezer gemeente in de gelegen-
worden vervangen en zouden een boete moeten betalen, te heid te stellen zich van het hen eventueel benodigde zand te
weten, ”voor daggeld van elken arbeider eenen franc en voor kunnen voorzien”, kocht de gemeente Geleen op 29 oktober
ieder eenspannige karre drij francs, voor een tweespannige 1858 ”een perceel heide of onbebouwde grond, groot vijf en
karre vijf en voor een drij, vier of vijfspannige kar zes francs”. twintig roeden negentig ellen gelegen in de Danikerberg”,
De vermelding van ”drij, vier of vijfspannige” karren houdt dus binnen de gemeente Schinnen, omdat dit perceel ”aller-
in dat in dit verband soms zeer zware vrachten werden geschik(t)st is om tot gemeentezandkuil te worden inge-
vervoerd. Sedert hij in 1818 ’schout’ (= burgemeester) was richt”. Het bevond zich aan de noordzijde van het
geworden, zorgde ook Lemmens ervoor dat de buurtwegen Danikerbos, waar de Koolweg uit Puth naar beneden liep en
jaarlijks met steengruis werden bestrooid. aansloot op Daniken. Wegens het veelvuldig afgraven van
zand en kiezel ontstond ter plekke de grote kom waar de
Vergoedingen voor het ’botten’ (1825-1855) Geleense burgerwacht later schietoefeningen hield.

Op 27 april 1825 besloot de gemeenteraad om aan iedereen ’Botten’ weer als belasting ’in natura’
die in verband met het onderhoud en de reparatie van de (vanaf 1856)
buurtwegen hand- of spandiensten verleende, per dag zestig
cent en in geval van karrenvrachten bovendien voor elk In verband met de artikelen 232, 233, 239, 257, 264, 265
paard een gulden en zestig cent uit te keren. Een voerman en 266 van de gemeentewet besloot de Geleense overheid op
ontving derhalve voor zijn persoon, zijn paard en zijn kar 21 september 1855 het reglement betreffende het toezicht
een totaalbedrag van twee gulden en twintig cent. Die op de buurtwegen en de waterlozing als volgt naar de lokale
tarieven werden op 21 april 1826 herhaald en die regeling situatie te regelen (de hier gegeven nummering wijkt enigs-
zou daarna gedurende 29 jaren van kracht blijven. zins af van de oorspronkelijke):
”(1) Er zal te beginnen met den 1en Januarij 1856 van de
De ’Botberg’ (1852) en de Danikerberg (1858) inwoners dezer gemeente worden geheven eene belasting in
natura of verpligting tot het leveren van hand- en span-
Bij de verdeling van de Graetheide (rond 1820) <Deel I, 106- diensten ten behoeve van de in deze gemeente bestaande
120> waren de Welschen heuvel en de ernaast gelegen buurtwegen en waterlossingen, waarvan het onderhoud
Heksenberg - samen in de volksmond ook ’Botberg’ komt ten laste van de gemeente.
genoemd - waar sommige aangrenzende gemeenten hun (2) Deze belasting zal worden omgeslagen over de hoofden
kiezel haalden, buiten schot gebleven. Circa 1852 werd - als der huisgezinnen tot (collectief) hoogstens 1800 dagen
voorlopige maatregel - de noordelijke sector van dit gebied handdiensten, 1000 dagen spandiensten.
aan Sittard, de zuidelijke aan Geleen en de westelijke of (3) Voor de omslag der belasting wordt tot grondslag aan-
’middenste’ aan Limbricht toegewezen, terwijl Urmond genomen: voor de handdiensten het vermoedelijk inkomen,
tijdelijk het recht behield om van de aldaar aangetroffen benevens de meerdere of mindere bij de inwoners in gebruik
kiezelvoorraden gebruik te maken. Tevens werd toen voor- zijnde bouw- en weilanden; voor de spandiensten: het getal
gesteld om uit vertegenwoordigers van de vier betrokken trek- of werkpaarden en werkossen, door hen gehouden
gemeenten een commissie te vormen teneinde tot een defini- wordende.
tieve verdeling van die ’Kiezelkuil’ te komen. (4) De diensten strekken zich uit tot het onderhoud en de
In de Geleense raadsvergadering van 8 december 1852 werd verbetering van bestaande, alsmede tot het aanleggen van
betoogd dat een definitieve verdeling van de Welschen nieuwe buurtwegen en waterlossingen.
heuvel en de Heksenberg niet mogelijk was zonder mede- (5) Van de handdienst worden vrijgesteld de vrouwen, die
werking van alle gemeenten die eertijds ten aanzien van de geheel onvermogend zijn, alsmede de onvermogende
Graetheide bepaalde rechten hadden gehad. Men was bereid mannen, die, hetzij omdat zij den ouderdom van 65 jaren
een afgevaardigde naar een gezamenlijk overleg te sturen, hebben bereikt, of uit hoofde van ziekte, ziels- of ligchaams-
maar met de uitdrukkelijke opdracht niet in enige verdeling gebreken, tot den arbeid ongeschikt zijn. (...) (Bovendien
toe te stemmen, tenzij tegelijk expliciet werd bedongen ”dat worden) als onvermogend beschouwd, de vrouwen, mitsg-
geene der contracterende gemeenten den in het aan hun aders (= alsook) de niet tot arbeid geschikte mannen, wier
respectievelijk voorloopig toegedeelde perceel zich bevinden- vermoedelijk jaarlijksch inkomen niet meer dan ƒ 100 (=
de kiezel tot een ander einde zal mogen gebruiken dan tot 100 florins = gulden) bedraagt of die uit de openbare armen-
onderhoud en verbetering der eigenlijk gezegde buurtwegen fondsen ondersteuning genieten.

51

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 52

(6) De oproeping der dienstplichtigen geschiedt bij ter gemeente secretarie, tijdens de betrekkelijke rol van
aanzegging aan derzelver huizen door den veldwachter of omslag ter inzage ligt, aangifte doen en acht dagen nadat
beëedigden gemeentebode. dezelve door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd, de ver-
(7) De tijd gedurende welken dienst moet worden verrigt, schuldigde som, tegen kwitantie, in handen van den
zal, in gewone omstandigheden, niet langer zijn dan 10 uren Gemeente Ontvanger storten.
’s daags. (19) Van de nalatige of onwillige dienstpligtigen wordt
(8) Plaatsvervanging, mits door geschikte personen, en nauwkeurige aanteekening gehouden, en onmiddellijk na
behoorlijk bruikbare paarden of ossen, een en ander ter den afloop der werkzaamheden door Burgemeester en
beoordeling van Burgemeester en Wethouders, is geoor- Wethouders eene lijst opgemaakt, met vermelding van het
loofd. bedrag der verbeurde dagloonen. De invordering daarvan
(9) De regeling der dagen en uren, waarop moet worden geschiedt ten spoedigste.”
gearbeid, geschiedt door Burgemeester en Wethouders. Op 2 november 1865 formuleerde de gemeenteraad de
(10) De tot de werkzaamheden opgeroepen dienstpligtigen voorschriften betreffende ”de heffing eener betaling in
of die, welke zij in hunne plaats zenden, moeten bij den natura of verpligting tot het leveren van hand- en span-
arbeid voorzien zijn van de voer- en werktuigen door of van diensten ten behoeve der buurtwegen” andermaal en wel in
wege Burgemeester en Wethouders bij de oproeping te artikelen die nagenoeg identiek met die van 1855 waren.
bepalen. Van 15 januari 1867 dateert deze notitie: ”Overwegende dat
(11) Elk met paard of os bespannen voer- of werktuig moet het op het kohier van omslag der hand- en spandiensten ten
worden begeleid door een geschikten voerman. behoeve der buurtwegen en waterlossingen uitgetrokken
(12) De handarbeiders moeten zijn bekwame personen, ter cijfer in overeenstemming is met het in deze gemeente aan-
beoordeeling van Burgemeester en Wethouders. wezige getal paarden en dat het getal handdiensten in ver-
(13) Vóór of bij de uitvoering der werken wordt door houding is met het vermogen der aangeslagenen en het
Burgemeester en Wethouders, naar gelang van den te berij- geheel voldoende is voor de uitvoering der begonnen kunst-
den afstand, bepaald het getal der door elken voerman per matige verbetering der wegen” wordt het aantal (collectieve)
dag te doene vrachten of de hoeveelheid der te vervoeren dagen als volgt vastgesteld: handdiensten: 943; spandiensten
aard- of andere specien. De door de arbeiders te verwerken met één paard: 320; spandiensten met twee paarden: 115.
hoeveelheid aardspecien kan eveneens worden bepaald. De Elk jaar werd de ”rol van omslag van de hand- en span-
dienstpligtigen moeten zich gedragen naar de aanwijzingen diensten” vastgesteld. Daarbij varieerden de cijfers van jaar
en bevelen van gemeld Collegie (van B. en W.) of van den tot jaar. Zo vermeldde die rol in februari 1876 deze aantal-
door hetzelve te stellen opzigters. len: handdiensten 1.291 dagen; spandiensten met een os:
(14) Zoo veel zulks mogelijk en billijk is, worden ieders 630; spandiensten met één paard: 590; spandiensten met
diensten gevorderd aan die buurtwegen en waterlossingen, twee paarden: 120. In 1887 zag dit lijstje er aldus uit: hand-
welke het naast (= dichtst) bij zijne woning zijn gelegen; diensten: 1.499 dagen; spandiensten met een os: 188; span-
echter zonder dat daardoor de algemeene evenredigheid in diensten met één paard: 650; spandiensten met twee paar-
de verdeeling der diensten verbroken worde. den: 120. En in april 1900 besloeg die lijst: handdiensten:
(15) Zij welke niet op den bepaalden dag en uur verschijnen, 1.369 dagen; spandiensten met een os: 192; spandiensten
die vóór den bepaalden tijd het werk verlaten of gedurende met één paard: 586; spandiensten met twee paarden: 110.
den arbeid in het oog loopende blijken geven van onwil,
traagheid, onverschilligheid of ongehoorzaamheid, alsmede Kantonniers
degene welke niet voorzien zijn van de aangewezen voer- of
werktuigen, zullen verbeuren het dagloon. Bij wettige Daar de verplichting tot ’botten’ jaarlijks slechts gedurende
afwezigheid of ingeval van bekende of bewezen ongesteld- korte tijd gold, terwijl het onderhoud van de buurtwegen en
heid, kan hun door Burgemeester en Wethouders, tot het later van de ’kunstwegen’ ook in andere seizoenen nodig
verrigten van den vereisten arbeid uitstel worden verleend. bleek, werden er kantonniers aangesteld, d.w.z. arbeiders die
(16) Het bedrag van het door de nalatige of onwillige men dagelijks met deze werkzaamheden kon belasten. Op 6
dienstpligtigen verschuldigd dagloon, wordt voor elken dag november 1874 bepaalden Provinciale Staten dat een
vastgesteld als volgt: voor handdienst op vijftig cents, voor gemeente slechts op een onderhoudssubsidie mocht rekenen
spandienst met een paard op drie gulden, met een os op twee als voor elke 5 à 6 km ’kunstweg’ een kantonnier beschik-
gulden. baar was. Maar aanvankelijk was de situatie eenvoudiger.
(17) Een ieder kan zich van den arbeid afkoopen, mits hij Over het optreden van Geleense kantonniers hebben de ons
voor elken dagdienst, waarvoor hij is aangeslagen, in de beschikbare archieven slechts fragmentarische inlichtingen
gemeentekas storte: voor handdienst veertig cents, voor verschaft. De vroegste ons met naam bekende kantonnier
spandienst met een paard twee gulden, met een os een was Jan Willem Keulen uit Krawinkel (*31-8-1756, † 9-11-
gulden 25 cents. 1834), die in 1824 en 1826-1828 als zodanig vermeld werd.
(18) Hij die zich van den arbeid wil afkoopen, moet daarvan Hij was gehuwd met Anna Elisabeth Jeurissen. Tevens

52

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 53

Kantonniersinsigne nr. 9 uit de 19de eeuw (12 cm hoog, 9 cm was getrouwd, als collega toegewezen. Evenals Keulen en
breed). Het opschrift luidt: ”Kantonnier der Buurtwegen. Bruls kwam ook Brauers reeds onder het kopje
Buurtwegen Inspectie” <In bezit van de vroegere Lutterader familie ”Hulpveldwachters” ter sprake <Deel II, 37-38>. De uit Stein
Ramaekers; foto G.H. Maassen>. stammende (*10-9-1818) en te Krawinkel wonende
Christiaan op den Camp werd in zijn overlijdensakte († 22-
fungeerde hij als hulpveldwachter. Hij blijkt nog als kanton- 4-1858) eveneens ’kantonnier’ genoemd, maar het is ons
nier gewerkt te hebben nadat hij de 70 al gepasseerd was. In niet bekend wanneer hij als zodanig fungeerde.
1829 werd de te Neerbeek geboren (31-5-1810) en te Na de dood van Bruls (21-12-1875) werd Brauers geassis-
Krawinkel woonachtige Jan Bruls, wiens vader uit Meeswijk teerd door Jan Gerard Bronnenberg uit Krawinkel (*12-8-
(B.) stamde en wiens moeder uit Hillensberg (D.) afkomstig 1835). Zij waren toen echter niet de enige Geleense kanton-
was, als kantonnier en hulpveldwachter genoemd; hij was niers, want pas in december 1877 nam een andere uit
gehuwd met Maria Elisabeth Houben. Geleen stammende collega, met name Hubert Baggen (*25-
Op 27 december 1845 werd door de inspecteur der buurt- 4-1849) ontslag. Laatstgenoemde vestigde zich in Varik
wegen bepaald dat Bruls, met ingang van 1 januari 1846, op (Gld.), waar hij postbode werd. Op 10 maart 1883 overleed
woensdag en donderdag in de gemeente Spaubeek werkzaam hij tijdens een verblijf in zijn geboorteplaats.
zou zijn en gedurende de overige vier werkdagen van de Op 19 januari 1878 werd opgemerkt dat Brauers zich
week aan de wegen in de gemeente Geleen zou besteden. gedurende het jaar 1877 ”door bijzonderen ijver in het ver-
Maar op 2 januari 1846 pleitte de burgemeester van Geleen rigten zijner werkzaamheden heeft onderscheiden, waarvoor
ervoor dat Bruls zijn taak te Spaubeek op maandag en hij eene merkelijke verbetering in den toestand der wegen
dinsdag zou mogen verrichten. De burgemeester van tot zijnen werkkom behoorende heeft gebragt en het diens-
Spaubeek ging hiermee akkoord. In 1850 ontving die volgens billig is hem eene belooning (van 25 gulden) toe te
kantonnier een jaarloon van 70 gulden. kennen”. Op 16 augustus 1882 stelde men voor om de taak
Bruls kreeg Jan Willem Hubert Brauers (*Horbach, D., 6-1- van Brauers ten aanzien van het onderhoud der kunstwegen
1819), die met A.C. van de Wall (1818-1869) uit Lutterade uit te breiden en diens jaarwedde van 180 op 200 gulden te
brengen. Maar sommige raadsleden achtten de toen 63-
jarige Brauers niet geschikt om met extra arbeid te worden
belast; zij zouden liever zien dat diens jongere collega
Bronnenberg wat meer werkzaamheden kreeg toebedeeld.
Op 28 september 1882 werd evenwel besloten de opdracht
van Brauers per 1 oktober 1882 te verruimen en zijn jaar-
loon tot 200 gulden te verhogen. Tevens werd toen in over-
weging gegeven dat Brauers veldwachter Heuts tijdens diens
ziekte gedurende circa zes maanden had vervangen en dit na
diens overlijden als onbezoldigd veldwachter was blijven
doen; daarom werd hem een ’gratificatie’ van vijf gulden
toegekend.
In 1889 werd Pieter Willem Meeuwissen (*30-12-1848) als
derde kantonnier aangesteld. Betreffende zijn taakomvang
en betaling werd toen het volgende vastgelegd: Brauers zou,
voor een bedrag van 120 gulden op jaarbasis, te Oud-
Geleen, Meeuwissen eveneens voor 120 gulden te Lutterade
en Bronnenberg voor 60 gulden te Krawinkel werken.
Brauers en Meeuwissen moesten van 1 april tot 1 oktober
twee dagen per week beschikbaar zijn en van 1 oktober tot 1
april vier dagen per week, terwijl de taak van Bronnenberg
(† 31-1-1916) slechts de helft van die tijd in beslag nam.
Misschien stond dit laatste in verband met het feit dat
Bronnenberg toen tevens hulpveldwachter was.
In 1894 keerde Brauers naar zijn geboorteplaats terug en
bedankte ook Meeuwissen als kantonnier. Op 2 maart van
dat jaar werden Adam Storcken (*14-9-1850, † 7-9-1925)
en Jan Renier Raeven (*27-2-1838, † 14-2-1914) tot hun
opvolgers benoemd. Ofschoon zijn jaarwedde, die 210
gulden bedroeg, op 14 april 1905 met 15 gulden was ver-
hoogd, nam Storcken op 24 juni 1907 ontslag ”wegens te

53

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 54

lage bezoldiging”. In verband hiermee werd op 9 juli 1907 de weer was. Op 14 april 1905 kreeg Dohmen 10 gulden
in de gemeenteraad opgemerkt dat een dagloon van een opslag, op 5 oktober 1907 werd zijn jaarwedde van 100 op
gulden voor een kantonnier beslist niet te veel was; daarom 120 gulden gebracht, op 9 december 1909 werd dit bedrag
werd de jaarwedde van de te Krawinkel wonende Jan Willem nogmaals met 10 gulden verhoogd en op 4 april 1913 werd
Heutmekers (*Limbricht 8-2-1868), die op deze zelfde het op 182,50 gulden vastgesteld. Hierbij dient evenwel te
datum de functie van Storcken overnam, op 275 gulden worden opgemerkt dat Dohmen tevens een kleine boerderij
vastgesteld. Op 4 april 1913 zou dit 365 gulden worden en bezat. Hij bleef tot september 1920 in functie. Zoals wij
met ingang van 1 januari 1918 kwam daar nog eens 100 zullen zien, zorgde This Dohmen ook voor het ontsteken en
gulden bij. doven van de petroleumlantaarns in Oud-Geleen.
Op 5 juni 1896 werd Jan Renier Raeven door Jan Mathijs Volgens de mondelinge overlevering was de in het eerste
(This) Dohmen (*15-8-1853, † 20-9-1928) opgevolgd. Als kwart van de 20ste eeuw te Lutterade en Krawinkel werk-
tweede kantonnier werkte hij slechts gedurende de laatste zame lampenist Peter Schreurs (*7-5-1855, † 3012-1939)
drie dagen van de week; bijgevolg was zijn loon aanmerke- eveneens kantonnier (zie onder nr. 9).
lijk lager dan dat van zijn collega, die zes dagen per week in
Aspecten van de werkzaamheden van kantonniers
Kantonnier-lampenist Jan Mathijs (This) Dohmen (1853-
1928) en zijn echtgenote Anna Catharina van de Wall (1860- Op 11 december 1847 werd in de gemeenteraad de mening
1933). geuit dat er niet genoeg kantonniers in dienst waren geno-
men. En dit werd als volgt toegelicht: ”De ondervinding
heeft bewezen, dat een kantonnier, ook met den besten wil,
nauwlijks zes maanden in het jaar met vrucht werken kan en
inderdaad wat kan hij doen wanneer s’zomers alle wegen
droog en effen zijn ? Wat kan hij doen als de grond hard
bevroren of met sneeuw bedekt is ? Wat kan hij eindelijk
doen, wanneer het soms wekenlang gedurig regent ?
Volstrekt niets of iets onbeduidends, gevolgelijk is de bezol-
diging van 150 gulden veel te hoog. Om dit nu, zooveel
mogelijk te verhelpen en de gemeenten in staat te stellen
deze hooge jaarwedde te kunnen voldoen, heeft men - op
voorstel van Gedeputeerde Staten - slechts een kantonnier
voor twee, drie, vier of vijf gemeenten aangesteld; met dit
noodzakelijk gevolg dat hij, wanneer het werk dringend is,
het weder goed is, veel meer te doen heeft dan hij verrigten
kan, waaruit dan volgt dat zij te weinig in getal zijn. Om
deze redenen vermeenen wij dat elke gemeente een kanton-
nier hebben moet.”
Verder werd erop aangedrongen dat in gemeenten van
minder dan 1.000 zielen de kantonniers tevens ”als hulp-
veldwachters benoemd en beëdigd worden, zonder nog-
thans, wat kleeding, wapening en pensioensfonds betreft, te
vallen in de termen van het reglement op de dienst der veld-
wachters”. Ten slotte reageerde de gemeenteraad aldus op
een bepaald voorschrift van Gedeputeerde Staten: ”Wij
kunnen niet inzien waarom de kantonniers ten minsten een
geheel jaar vóór hunne benoeming binnen de gemeente
gehuisvest moeten zijn geweest.”
Dat sommige kantonniers hun taak niet steeds tot volle
tevredenheid van de bevolking en de overheid uitoefenden,
blijkt uit het feit dat de opzichter van Provinciale Waterstaat
zich op 16 februari 1884 bij zijn superieur beklaagde over
een kantonnier die zich de laatste maanden niet of althans
zeer weinig om de kunstweg door Spaans-Neerbeek zou
hebben bekommerd; de kiezel, die vóór de winter had
moeten worden gespreid, lag immers nog steeds onaan-
geroerd langs de straat <Hamers, M., 30>.

54

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 55

Volgens de instructies van 9 december 1889 moesten de van de toenmalige Steeg(straat) gegeven en tot in de jaren
kantonniers te allen tijde voorzien zijn van de noodzakelijke vijftig van de 20ste eeuw bleef dat zo. In 1954-56 werd de
gereedschappen, zoals schoppen en een lijn met ijzeren Steegstraat in Norbertijnenstraat omgedoopt en werd bij
pennen. Hun werkdagen waren in het warme deel van het deze naam ook het zojuist genoemde zuidelijke gedeelte
jaar nogal lang; ze duurden van 6.00 uur ’s morgens tot inbegrepen. Toen werd met de naam Beekhoverstraat (met
19.30 uur ’s avonds, met rustpauzen van 8.00 tot 8.30 uur, r) zowel het verloop van de vroegere Beekhovenweg alsook
van 12.00 tot 13.30 uur en van 16.00 tot 16.30 uur. In het het daarbij aansluitende oostelijke verlengde vanaf de
winterseizoen werd er gewerkt zolang het daglicht dit toeliet, Keutelbeek tot aan de Irenelaan-Pieterstraat aangeduid <Deel
dus van zonsopgang tot zonsondergang, met een pauze van I, 75>. Men zei dat de verandering van Beekhovenstraat (met
12.00 tot 13.30 uur. n) in Beekhoverstraat (met r) werd gekozen om aldus te ver-
De hoofdtaak van de kantonniers bestond in het regelmatig mijden dat ze in de volksmond Beethovenstraat (met t) zou
verspreiden van de onderhoudsmaterialen over de wegen. worden genoemd. (Zie ook onder Groenstraat.)
Mochten zij dit werk een enkele keer redelijkerwijze niet
alleen kunnen uitvoeren, dan zouden B. en W. op kosten Beekstraat
van de gemeente ’buitengewone’ arbeiders huren om hen te
assisteren. Als wegens vorst of sneeuw de normale activi- Eeuwenlang liep de noordelijke tak van de Peschstraat tot
teiten onmogelijk waren, moesten zij ”zich dien tijd onledig aan de Geleenbeek en werd de daarop aansluitende ooste-
houden met het stukslaan van keien tot steenslag”. Naast lijke voortzetting als ”het pad naar Puth” aangeduid. In de
hun salaris ontvingen de Geleense kantonniers jaarlijks ”een tweede helft van de 19de eeuw werd dit pad verbreed en met
nieuwe pet volgens op te geven model”. kiezel tot een ”kunstweg” gemaakt. In 1924 werd de weg
Een niet onbelangrijk aspect van het wegenonderhoud was vanaf het spoor tot aan de grens met Schinnen officieel
het ziften van de kiezel. Maar dit schijnt niet de taak van de Beekstraat genoemd. Op 23 november 1966 werd de aldus
kantonniers te zijn geweest. In het najaar van 1911 werd genoemde straat ingekort; toen werd het gedeelte tussen het
door een raadslid gevraagd de zevers te gelasten om half spoor en de Geleenbeek officieel als een onderdeel van de
december met hun werk te beginnen, zodat de kiezel Bergstraat aangeduid.
ongeveer medio mei van het volgende jaar gereed zou liggen.
Ook drong hij erop aan van elke ploeg minstens ”250 m” Bergstraat
(allicht m3) gezifte kiezel te eisen en voor elke (kubieke)
meter minder 15 cent op het loon in te houden. Het middenstuk van de huidige Bergstraat dateert uit circa
1896. Het ontstond als parallelweg bij de aanleg van de
5. Traditionele straat- en wegnamen spoorlijn Heerlen-Sittard (zie onder hfdst. VIII, nr. 9) en
tezamen met het door dit spoor afgesneden oostelijke gedeel-
Over de aanleg, functie en naamsoorsprong van veel recente te van de zuidelijke tak van de Peschstraat werd het genoemd
straten en wegen zijn details uit archieven of publicaties te naar de tussen dat spoor en de Geleenbeek gelegen landrug,
achterhalen. Datzelfde geldt voor de nieuwe namen voor die in de volksmond ”de Berg” werd genoemd. Zoals wij
oude straten en wegen. Maar ten aanzien van oude straat- en zojuist zagen, werd in 1966 ook het door het spoor afgesne-
wegnamen is dat niet het geval. Sommige van deze zijn vrij
doorzichtig, terwijl bij andere de betekenis en functie pas na
een geschiedkundige en/of taalkundige analyse aan het licht
komt. Menige oude straat- en wegnaam blijkt met de ont-
wikkeling en/of de geschiedenis van Geleen in verband te
staan. (Zie GelEeuw I, 80 en vv.)

Beekhovenweg, Beekhovenstraat (met n) en Het complex Clerkx lag eerst aan de noordelijke tak van de
Beekhoverstraat (met r) Peschstraat en vervolgens aan de Beekstraat, maar ligt thans
aan de Bergstraat.
Deze versies herinner(d)en aan het vroegere kleine gehucht
Beekhoven, dat gelegen was op de westelijke oever van de
Keutelbeek tussen de huidige Beekhoverstraat en Van
Itersonstraat. Daar woonde in de 17de eeuw o.a. de land-
meter Jan Bollen de oude. Op een oude plattegrond liep de
Beekhovenweg in het verlengde van de Groenstraat tot aan
de Keutelbeek <Deel I, 58-59>. Later werd de naam
Beekhovenstraat (met n) tevens aan het zuidelijk gedeelte

55

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 56

den vroegere oostelijke stuk van de noordelijke tak van de Dorpstraten te Lutterade, Krawinkel,
Peschstraat - dat toen een onderdeel van de Beekstraat was - Oud-Geleen en Spaans-Neerbeek
aan de Bergstraat toegevoegd.
Aanvankelijk was dorpstraete geen specifieke eigennaam,
Biesender Lindeweg (thans Spaubeeklaan) d.w.z. geen echt toponiem, maar veeleer een soortnaam, die
op elke in of door een dorp lopende straat toepasselijk was.
In een vroegere periode, toen hij nog aanzienlijk smaller was, De vrij frequente uitdrukking gemeyne dorpstraete gaf aan dat
werd de weg naar Sint-Jansgeleen en Spaubeek als Biesender die straat tot het gemeyn behoorde, m.a.w. gemeenschappe-
Lindeweg aangeduid. Die naam werd ontleend aan de linde- lijk, openbaar, publiek was. Al moge de aanduiding ’dorp-
boom die op een hoek bij de zijweg naar de Biesenhof en straat’ in sommige plaatsen vele generaties lang in de volks-
Sweikhuizen (thans Biesenweg) stond. Op een oude platte- mond hebben geleefd, als echt toponiem, d.w.z. als officiële
grond wordt die boom afgebeeld en ’Biesender Linde’ benaming van een specifieke straat, is die aanduiding niet
genoemd. In onze tijd werd de hoofdverbinding met oud. Die naam werd doorgaans aan de z.g. hoofdstraat
Spaubeek verbreed en kreeg ze de officiële naam gegeven. Derhalve bestaat de historische waarde van die
Spaubeeklaan. Op Spaubeeker grondgebied heet haar ver- naam vaak hierin dat hij de eertijds centrale of voornaamste
lengde Geleenderweg. straat in de bewoonde kom aangeeft (aangaf), waarover veel-
al het doorgaand verkeer passeerde. In menige Limburgse
Daalstraat plaats heeft de Dorpstraat een andere naam gekregen en in
sommige gevallen werd die naamsverandering als een zoge-
Aangezien uit oude kaarten blijkt dat de vroegste Daalstraat naamde ’veredeling’ beschouwd, omdat het eerste lid Dorp
slechts tot aan de Keutelbeek liep, is ze oorspronkelijk een als iets minderwaardigs werd aangevoeld. (Zie ”Veredeling’
drenkstraat geweest, d.w.z. dat daarover de inwoners van van straatnamen” onder nr. 6.). In de gemeente Geleen
Krawinkel eeuwenlang water kwamen halen. Bovendien lagen niet minder dan vijf ’Dorpstraten’ en na verloop van
voerden zij er hun vee naar toe om het aldaar te laten tijd kreeg elk van deze een andere naam.
drinken. Wel liep vanaf de oostelijke oever van het beekje
een voetpad in de richting van de Sint-Janskluis. Het is Bovenste Dorpstraat (Lutterade) Dorpstraat
duidelijk dat dit pad aan de bewoners van dat uit 1699 date- Tunnelstraat
rende gebouw toegang tot dit stroompje gaf. Daaruit volgt De volledige Dorpstraat van Lutterade begon oorspronkelijk
echter niet noodzakelijkerwijze dat dit voetpad zijn ontstaan aan de Heide en liep tot aan het noordwestelijke begin van
aan bewoners van de Kluis zou te danken hebben. Het kan de Eindstraat <Deel I, 75-76. - GOA III, 19-21>. Het gedeelte van de
immers voordien reeds door inwoners van Krawinkel zijn Heide tot aan de Linde werd in de volksmond Bäövesjte
gebruikt om hun granen op de rug van een paard of een os Dörpsjtraot (= Bovenste Dorpstraat) genoemd, terwijl de
naar de molens van Daniken en/of Sint-Jansgeleen te noordoostelijke voortzetting als Ungesjte Dörpsjtraot (=
brengen <Deel I, 61 en 79>. Onderste Dorpstraat) werd aangeduid.
Toen de aanleg van waterputten in Krawinkel het water- De adjectieven Onderste en Bovenste bij verschillende onder-
halen of drenken van vee aan het beekje overbodig had delen van die straat sloegen op hun respectieve noordooste-
gemaakt, geraakte de Daalstraat toch niet in onbruik, zoals lijke en zuidwestelijke ligging ten opzichte van elkaar. In
dit met het oostelijke stuk van de Groenstraat (thans gedeel-
telijk Beekhoverstraat genoemd) het geval was. Er werden De Lutterader Dorpstraat dicht bij de spoorwegovergang in
steeds meer huizen en boerderijen gebouwd, terwijl de aan- westelijke richting in 1912. (Zie ook deel I, 76.)
leg van de vrij brede brug over de beek op doorgaand verkeer
en vervoer wijst.
Omdat het westelijke, d.w.z. het oudste gedeelte van de
Daalstraat duidelijk omlaag loopt, m.a.w. ’daalt’, zal men
allicht geneigd zijn haar naam daaraan toe te schrijven. Doch
aangezien alle wegen of straten van de (Oude) Maastrichter-
weg naar de Keutelbeek ’afdaalden’, was er geen speciale
reden om alleen die weg of straat daarnaar te noemen. Uit de
meetboeken van de landmeters Bollen blijkt dat het terrein
ten oosten van de Keutelbeek eertijds De Dael heette;
vandaar de door hen gebruikte aanduidingen Dael-Crawinkel
(= Oost-Krawinkel) en Dael-Neerbeck (= Spaans-Neerbeek)
<Deel I, 81>. Derhalve ligt het voor de hand om in het eerste lid
van Daalstraat de naam van dat terrein te zien en het geheel
als ”de straat naar de Dael (of Daal)” te verklaren.

56

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 57

1874 werden de benamingen Bovenste en Onderste want hij, die praktisch zijn hele leven in het later aldus
Dorpstraat nog in een officiële wegenoverzicht gebruikt, genoemde ’Drossaardhuis’ aan de Onderste Dorpstraat door-
maar sindsdien werd de eerste kortweg Dorpstraat genoemd, bracht, zou ongetwijfeld tegen die officiële naamsverande-
terwijl de tweede grotendeels als Geenstraat werd aangeduid ring hebben geprotesteerd. Uit zijn tijd is dan ook nergens
en het meest noordoostelijke gedeelte van de oude route een officiële mededeling te vinden dat zijn woning aan de
(H)Ongerstraat werd genoemd (zie hieronder). Toen werd Geenstraat lag.
ook het oostelijke verlengde van de (Bovenste) Dorpstraat
tot aan de spoorweg - waar voordien de Esschenpoel lag - Onderste Dorpstraat (ten dele) (H)Ongerstraat
daarbij inbegrepen. Het resterende gedeelte van de Dorp- Ridder Vosstraat
straat die circa 1930 - bij de aanleg van de Julianatunnel De spelling Hongerstraat, die reeds rond 1700 in Geleense
(onder genoemde spoorweg) - gedeeltelijk werd opgeheven, archiefstukken voorkwam, heeft zich vrij lang gehandhaafd.
kreeg de nieuwe naam Tunnelstraat. Op het eerste gezicht doet ze wellicht denken aan
’Hongarenstraat’, zoals elders gelegen Hongerstraten werden
Onderste Dorpstraat (grotendeels) Geenstraat geïnterpreteerd, omdat daar zigeuners, ook wel Hongaren
De Geenstraat is sinds het laatste kwart van de 19de eeuw genoemd, hadden gekampeerd <NGN IX (1949), 79-87>. Maar
een straat zonder eigenlijke naam. Vroeger vormde ze een dat is hier niet van toepassing. In 1924 schreef burgemeester
onderdeel van de Onderste Dorpstraat. Die straat zette zich Damen dat men oude straatnamen diende te eerbiedigen.
vroeger onder die naam ten westen van de spoorlijn voort en Hij wenste echter een uitzondering te maken voor de
kwam via een bocht aan ’de Linj’ in de Bovenste Dorpstraat Lutterader Koestraat, die voortaan Burgemeester Lemmens-
uit. Bij de aanleg van de spoorlijn Maastricht-Sittard <Deel II, straat zou heten, en voor de ”z.g. Hongerstraat of Onder-
141-147> werd ze doorsneden, maar werd aldaar een overgang straat (welke de juiste naam is, is niet uit te maken)”. Dit
gelaten. Doch bij de latere opheffing van die overweg werd had de minder gelukkige keuze van ”Ridder Vosstraat” tot
deze straat op die plaats afgesloten. gevolg (zie ”Veredeling’ van straatnamen” en ”Officiële
In 1822 werd door een landmeter een nieuwe plattegrond vergissingen” onder nr. 6).
van de gemeente Geleen gemaakt. Hij was blijkbaar niet met
de Geleense straatnamen vertrouwd en moest derhalve aan
de omwonenden vragen hoe de door hem in kaart gebrach-
te straten en wegen heetten. Op zijn vraag hoe de straat
vanaf het centrum van Lutterade naar de Vuling heette,
heeft hij wellicht ”Gen Sjtraot” als antwoord gekregen, want
op zijn kaart noteerde hij de ’verhollandste’ versie ”Geen
Straat”. Ofschoon in een wegenoverzicht uit 1874 nog
steeds de naam Onderste Dorpstraat werd gebruikt, hebben
latere vroede vaderen die blijkbaar niet met die oorsprong
vertrouwd waren, genoegen genomen met de door een land-
meter ingevoerde naam Geenstraat. Dit zal pas na het over-
lijden van burgemeester Lemmens (1870) zijn gebeurd,

De Geenstraat gezien vanaf de spoorweg in oostelijke richting in
de jaren twintig van de 20ste eeuw <Tekening P.A. Schols>.

De Lutterader Dorpstraat vanaf de spoorwegovergang in weste- Als die burgemeester beter met de geschiedenis van Geleen
lijke richting in de jaren twintig van de 20ste eeuw. Vooraan vertrouwd zou zijn geweest, zou hij hebben beseft dat de
links, achter het spoor, begon de Schoolweg. <Fotoarchief HVG> spelling Hongerstraat aan een vergissing was toe te schrijven
en dat hij zich op zijn beurt aan een nieuwe vergissing
schuldig maakte. Als men ziet dat een der landmeters Bollen
(ca. 1700) het (latere) huis Gadé ”op de Vuling” aan de
Hongerstraat plaatste en men daarbij bedenkt dat genoemd
huis aan de Onderste Dorpstraat lag, kan men moeilijk
ontkomen aan de conclusie dat Òngersjtraot de dialectversie
van Onderste Dorpstraat weergaf. Ter verduidelijking zij nog

57

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 58

gekruist. In 1920 werd van overheidswege het oostelijke
gedeelte tot Spoorstraat en het westelijke gedeelte tot
Kloosterstraat omgedoopt <Deel I, 79>. De huidige
Cornelisstraat neemt een gedeelte van de vroegere
Spoorstraat in. Ze werd genoemd naar de H. Cornelius, een
in Lutterade-Krawinkel speciaal vereerde heilige.

De Krawinkeler Kloosterstraat vanaf de Kloosterdwarsstraat in
oostelijke richting (naar het spoor toe) circa 1910. Het lande-
lijke aspect wordt geaccentueerd door het ontbreken van electri-
citeitspalen. Geheel links het huis Storcken en daarnaast het
huis Wauben. Voor dit laatste staan Hubertina Drossaert en
Elisabeth Wauben - McKina.

Zicht op de vroegere situatie in de Ridder Vosstraat <Tekening P.A. De naam Kloosterstraat en de aan een zijstraat gegeven naam
Schols>. Kloosterdwarsstraat werden ontleend aan de kadastrale
benaming Op het Klooster (zie ”Op het Klooster” onder nr.
toegevoegd dat de Ridder Vosstraat slechts een klein gedeelte 7). Omdat de gronden ten zuiden van die straat behoorden
van de vroegere Onderste Dorpstraat of Ongerstraat bij de aan de Keutelbeek gelegen hoeve van het klooster van
inneemt. Villers (B.) <Deel I, 89-92>, konden daar geen privé-huizen
worden gebouwd. En hierop is het gezegde ”In Kraonkel
Dorpstraat (Krawinkel) Spoorstraat en Kloosterstraat wurd ’t broad maer aan eine kantj gaar” gebaseerd. Het
De Dorpstraat in de wijk Krawinkel, die vanaf de Rijksweg meest westelijke gedeelte van de Kloosterstraat heette eertijds
westwaarts liep, werd door de spoorlijn Maastricht-Sittard (Krawinkeler) Koestraat.

Het noordoostelijke einde van de vroegere Onderste Dorpstraat, Gedeelte van de Kloosterstraat in oostelijke richting circa 1928-
later (H)Ongerstraat en vervolgens Ridder Vosstraat in westelij- 1929. Op de achtergrond doemt de grote gashouder op als een
ke richting gezien. Hier werd na de kermis het ”kirmeskiendje” dreigend symbool voor de op handen zijnde afbraak van niet
van Oud-Geleen verbrand <Foto door de auteur>. minder dan 29 woningen en boerderijen aan de noordelijke
(linker)zijde van deze straat. Geheel links is al afbraak te zien.

58

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 59

Tengevolge van de uitbreiding van de Staatsmijn Maurits en patroonheiligen van de oudste parochie, die ook in het
haar nevenbedrijven werden circa 1930 alle huizen en boer- gemeentewapen van Geleen stonden. Hij wilde daarmee
derijen aan de noordzijde van die straat afgebroken. Daar voorkomen dat een der oudste en meest historische Geleense
kwam een ’blinde’ muur <GOA III, 80-92>. En wegens de latere straten, waaraan zijn geboortehuis is gelegen en waar hij
uitbreiding van het DSM-bedrijf werden in 1972-1979 alle (tussen kerk en school) zijn prille jeugd doorbracht, een
woningen en boerderijen aan de zuidzijde afgebroken en weinig toepasselijke naam zou krijgen. Reeds op 1 februari
werd de straat zelf in 1979 opgeheven. Hetzelfde lot onder- 1954 reageerde de burgemeester op dit voorstel in een
ging toen de Kloosterdwarsstraat. schrijven aan B. en W. Aangezien dit college daaraan zijn
goedkeuring hechtte, kreeg genoemde straat al heel spoedig
officieel de naam Marcellienstraat. Die naam lijkt nog des te
toepasselijker te zijn, omdat de kerk van de HH. Marcellinus
en Petrus aan die straat is gelegen en men desgewenst de
andere patroonheilige in de naam van de - in het verlengde
van de Marcellienstraat gelegen - Pieterstraat kan zien.
Hierbij mag niet onvermeld blijven dat de auteur adviseerde
om niet de versie ’Marcellijnstraat’ te kiezen, want die zou in
de volksmond maar al te licht tot ’Marsepijnstraat’ ver-
basterd kunnen worden.

Dorpstraat (thans Marcellienstraat) te Oud-Geleen circa 1920
gezien in de richting van het centrum.

Dorpstraat (Oud-Geleen) Marcellienstraat Het bovenstuk van de Dorpstraat (thans Marcellienstraat)
De route vanaf het centrum van Oud-Geleen tot aan de plek gezien vanaf de driesprong met de Jodenstraat en de Eindstraat
waar de Eindstraat en de Jodenstraat samenkwamen, heeft in 1930. Links de bierbrouwerij ”De Kroon”. In het midden
nog lang officieel Dorpstraat geheten <Deel I, 64, 71-72 en 108>. liggen het woonhuis, het café en de tuin van Jan Janssen (*20-
Maar omdat vrij veel naoorlogs personeel op het gemeente- 11-1855, † 13-4-1931). De draad boven dat gebouw duidt
huis een dergelijke naam in het steeds meer verstedelijkte erop dat zijn aldaar eveneens wonende schoonzoon Harie
Geleen al te ’dorps’ vond, werd er herhaaldelijk op aan- Greymans (1898-1983) toen al over een radiotoestel beschikte.
gedrongen om deze door een meer ’steedse’ naam te Rechts staat de werkplaats van Lambert Lemmens (*22-10-
vervangen. De auteur heeft in een brief van 25 januari 1954 1852, † 28-1-1931), waar hij o.a. doodskisten vervaardigde.
aan de toenmalige burgemeester Van Banning erop aan- In zijn woning (geheel rechts) hield hij eerst café en daarna
gedrongen om deze straat te noemen naar een van de winkel <Deel II, 185>. Ter plaatse van die gebouwen ligt thans het
Brouwersplein <Tekening P.A. Schols>.

Gedeelte van de oostzijde van de Dorpstraat (= Marcellien- Dorpstraat (Neerbeek) Spaans Neerbeek
straat) in 1930 <Tekening P.A. Schols>. Na de nagenoeg volledige verwoesting van Spaans-Neerbeek
(1966-1969) kreeg de vroegere grotendeels gespaard geble-
ven Dorpstraat officieel de in de volksmond ontstane wijk-
naam ’Spaans-Neerbeek’ <Deel I, 80>. Daarop werd aan de in
haar zuidelijk verlengde onder Beek gelegen Dorpstraat
officieel de naam ’Hollands- Neerbeek’ toegewezen. Doch
na protesten van de bewoners van de laatstgenoemde straat

59

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 60

<DeLimb 8-12-1981> werd die verandering ingetrokken. Thans als Aan het Einde, Bij het Einde en Aan gen End vermeld.
loopt daar de ’Neerbeekerstraat’. Landmeter Jan Bollen de oude vermeldde in 1676 een
”straet gaende naer het einde”. Daarna schreef men soms
”Duuster Sjteegske” Geneindestraat. In het plaatselijke dialect wordt die straat
Gen Ènj genoemd en hier verwees het lidwoord Gen (= Het
Deze vanuit de vroegere Jorisstraat in noordelijke richting of De) aanvankelijk naar die plek. Gezien de zojuist vermel-
tussen weiden en akkers lopende weg kreeg die naam allicht de aanduidingen lijdt het immers geen twijfel dat Gen Ènj
wegens het feit dat erover hangende takken hem ”duister” oorspronkelijk identiek was met het in oude archiefstukken
maakten. Om diezelfde reden werd een weg van vermelde Einde. Dit toponiem wordt in Limburg en naaste
Sweikhuizen naar het Danikerbos ”duuster” genoemd. omgeving vrij frequent aangetroffen, maar het werd door
latere generaties meestal verkeerd geïnterpreteerd.
Eggelspoelderweg:
zie Exelsboom en Exelspoel onder nr. 7.

Eindstraat (dialect: Gen Ènj of Genènj)

De Eindstraat liep oorspronkelijk vanaf de samenkomst van
de Dorpstraat (= Marcellienstraat) en de Jodenstraat tot aan
de (Oude) Maastrichterweg <Deel I, 57 en 72>. Nadat de
Rijksweg was aangelegd, kreeg ze aan die kant een heel
kleine verlenging. Thans bestaat nog slechts het noordweste-
lijke gedeelte van die straat. En daar is de oorsprong van haar
naam te zoeken.

Het vroegere huis Kuiper aan de Eindstraat. De opvallend hoge
ramen zijn een herinnering aan het feit dat de Eindstraat ooit
een holle weg was. Dit gebouw lag tegenover de woning van de
zadelmaker Pit Heijnen <Deel II, 187>.

Het vroegere zuidoostelijke gedeelte van de Eindstraat vanaf de Allereerst valt op te merken dat elders meervouds- en
weg (links) naar het (nieuwe) kerkhof in 1972 <Foto door de verkleiningsvormen van het toponiem Einde voorkomen.
auteur>. Welnu, als dit laatste zonder meer ’uiteinde’ zou hebben
betekend, zouden die vormen geen zin hebben gehad. Ook
De populaire verklaring hiervan is dat daar vroeger het einde hebben de Limburgse dialectversies ènj en inj niet dezelfde
van de nederzetting Oud-Geleen zou zijn geweest. Doch dat betekenis als het niet-Limburgse eng of enk, dat bouwland of
kan niet de oorspronkelijke betekenis zijn, want uit de lokale grasland aanduidt. En zij werden dan ook niet met deze
archieven blijkt dat de bebouwde kom van Oud-Geleen in laatste betekenis tot einde ”verhollandst”, zoals DORREN
de Middeleeuwen aan het zuidoostelijke begin van de beweerde <Dorren, 87>. Ook KREKELBERG schreef ten
Eindstraat ophield; daar lag immers het Dorpsputvalderen, onrechte: ”De volksetymologie maakte het onbegrepen ing
dat ’s nachts de toegang tot het dorp afsloot <Deel I, 120>. tot einde, en zoo ontstond hier en daar een Eindestraat”
Het ’Einde’, waarnaar die straat werd genoemd, moet vlak- <LimDag 24-6-1933 en 16-6-1934>.
bij haar andere ’einde’ worden gelokaliseerd, namelijk waar Daarentegen stond ons Einde waarschijnlijk in taalkundig
ze de (Oude) Maastrichterweg bereikte. Die plek werd in de verband met heinde in de betekenis van dicht(bij) - vergelijk
eerste helft van de 17de eeuw door pastoor Leurs Aen het de uitdrukking ’van heinde en ver’ - en van omheining in de
Eijnde genoemd en in de lokale archieven staat ze eveneens betekenis van afsluiting. In een archiefstuk van Opgrimbie
(B.) uit 1376 werd de Latijnse zinsnede limites, polos seu
terminos, ter aanduiding van de grenzen van een jurisdictie,

60

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 61

Lage huizen ongeveer halverwege de noordzijde van de Westelijk einde van de Eindstraat gezien vanaf de Rijksweg
Eindstraat in 1962 <Tekening P.A. Schols>. (d.w.z. vanaf ongeveer de plaats, waar in de Middeleeuwen een
”einde” stond) in 1973 <Foto J.R. Hermens>.
in het Nederlands als ”reijnen, paelen ende einden” weer-
gegeven. Elders aan gene zijde van de Maas werd een ver- en bij het tweede het lidwoord de werd gebruikt <BrH 25 (1983),
band van valderen met eind(e) gesuggereerd; zo was er te 97-103; 27 (1985), 80-86>.
Maasmechelen een valderen aan het Boscheijnde <Limburg 1 TIMMERS was van mening dat die einden niet zozeer
(1946), 138 en 157>. Derhalve was een eind(e) geen ’plaats’, maar dienden om vreemde indringers te weren dan wel om te
een voorwerp of constructie. Ook de identificatie van hecken voorkomen dat het eigen vee de gewassen op de akkers zou
met yndpost (= eindpost) <Welters, H. II, 116> wijst daarop. beschadigen. In de Middeleeuwen werden in de dorpen veel
’veekeringen’ opgericht <Hillegers, 26>. VAN BERKEL die
Westelijk einde van de Eindstraat gezien in de richting van de ’Eind’ in toponiemen als ”uiteinde” beschouwt <Berkel 1989,
Rijksweg in 1979 <Foto J. Maas>. 55>, observeert: ”In Brabant gaat het vaak om een op de rand
van de cultuurgrond, aan de overgang naar de woeste grond
De Noord-Brabantse historicus J. TIMMERS die de ver- gelegen nederzetting, waarbij de aard van de woeste grond
meldingen van eind(e), eynd(e) of ynde in de archieven van vaak in het 1e deel van de samenstelling (van het toponiem
zijn regio bestudeerde, heeft materiaal ter bevestiging van op -einde) wordt uitgedrukt” <Berkel 1995, 57>. Welnu, als men
deze laatste zienswijze aangevoerd. Op grond van de uit- bedenkt dat in de Middeleeuwen nogal wat kleinvee los door
drukking de ynde oft hecken, de vermelding van posten of de straten liep, lijkt een vergelijkbare toepassing ook te
palen, waaraan die ynden hingen, en de voorschriften tot Geleen voor de hand te liggen, namelijk dat men wilde voor-
onderhoud van die constructies kwam hij tot de conclusie komen dat enerzijds het eigen vee ’verloren’ zou lopen en dat
dat daarmee ”een hek aan een invalsweg van een dorp of anderzijds over de interlokale weg tussen Maastricht en
gehucht” werd aangeduid. Ook in Noord-Brabant sprak Sittard passerend vee de (verkeerde) richting naar de
men van ing. Genoemde auteur voerde tegen de interpreta- bebouwde kom zou inslaan.
tie van einde als ’uiteinde’ en ten gunste van de betekenis ’af- Genoemde Noord-Brabantse auteur stelde vast: ”Aan het
sluithek’ tevens aan dat bij het eerste steeds het lidwoord het eind van de zeventiende eeuw verdwijnt het woord ynde en
ten slotte herkent men het woord als zodanig niet meer” <BrH
25 (1983), 99>. Datzelfde heeft kennelijk ook in ons Limburg
plaatsgehad, maar als toponiem is dat woord blijven voort-
bestaan <Deel I, 121>.

D’Eulesjtraot

Een groot deel van de vroegere Jorisweg of Jorisstraat (ten
noordoosten van de Jodenstraat, waarvan de huidige St.-
Jorisstraat een klein overblijfsel is) werd in de volksmond
d’Eulesjtraot genoemd. In feite leek dat toponiem tevens de
langs die weg gelegen gronden te omvatten. De juiste schrijf-
wijze en betekenis ervan heeft ons lang geïntrigeerd. Na
diverse tentatieve verklaringen te hebben overwogen en afge-

61

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 62

Geleenderweg (dialect: Glaenderwaeg)

Dit was gedurende lange tijd de naam van de veldweg uit
Oud-Geleen naar Ophoven-Sittard. Bij de aanleg van de
spoorweg Sittard-Heerlen kwam hij grotendeels ten oosten
van dat spoor te liggen.

Gedeelte van ”d’Eulesjtraote” vanaf de spoorweg in oostelijke Gisekoelstraat: zie Giesekoel onder nr. 7.
richting in 1980. Op de achtergrond, aan de overkant van de
Geleenbeek, is Huize Koekamp te zien <Foto J.R. Hermens>. Groensey(c)kerweg of -straat en Tomei(c)kerweg
of -straat
wogen, geven wij de voorkeur aan d’Heulesjtraot als de (ver-
onderstelde) originele versie, waarvan het eerste deel Heule Met haar vroegere westelijke verlengde de Groens-
de betekenis ’hol’ had. Aan de hoge taluds langs het west- ey(c)kerweg vertegenwoordigt de Groensey(c)kerstraat een
oost lopende hoofdgedeelte viel te zien dat dit reeds vóór de geografische, historische en toponymische parallel met de
aanleg van het spoor een naar de beek aflopende holle weg Tomeyckerweg of Tomeikerstraat; derhalve dienen deze
was. In onze tijd wordt ’hol’ in het plaatselijke dialect als samen te worden besproken. De Groenseykerstraat heette
haol weergegeven, maar de plantnaam (h)eulenteul (= vlier- oorspronkelijk Groenseyckerweg en werd door de land-
boom of -struik) suggereert dat men ooit de versie heul in die meters Bollen in 1676 en 1706 als Gruenseyckerweg, in de in
zin heeft gebruikt. In Valkenburg zegt men Heulentèèr het Duits opgestelde Gulikse grensbeschrijving van de
<Dorren, 82>, welke versie dichter bij het Duitse Holunder Graetheide uit 1775 <Deel I, 269> als Grün Eicker weeg en op
staat; dit laatste betekent ”holle boom” en die benaming is de plattegrond van Geleen uit 1822 als Groens-Eyckerweg
toe te schrijven aan het feit dat de stam en de takken van de aangeduid.
vlier, die vroeger op praktisch elk boerenerf groeide, een Tot 31 december 1981 vormde de Tomeikerweg de grens
zachte kern bevatten die er gemakkelijk uit kan worden tussen de gemeenten Beek en Geleen. Dat dit reeds sedert de
verwijderd om van het harde gedeelte een fluit of een ’klap- Middeleeuwen het geval was, blijkt uit een Geleense wegen-
bus’ te maken; dit laatste heeft menige Gelener in zijn jeugd beschrijving uit de 16de eeuw. Daarin staat o.a. ”den Tom
gedaan. Eycker wegh, die uyt Nierbeeck naer de (Graet)heyde gaet,
tusschen de Lemiten (= grenzen) der hoffbanck (= hoofd-
Het begin van de Groenstraat vanaf de spoorweg in oostelijke bank) van Beeck, ende der banck Opgeleen” <Msg 1911, 34>.
richting circa 1912. Genoemde landmeters schreven Tom Eyckerwegh (1676) en
Tommeeyckerstraet (1696). In een Beekse grensbeschrijving
uit 1758 staat ”den Tomp-Eijkerweg, lopende van het dorp
Neerbeek door het Stokkendervelt tot op de (Graet)heyde”
<Msg 1969, 63>. In 1775 schreef men in een Duitse tekst
Thumeickerweeg en op de Geleense plattegrond uit 1822
staat Tomeyckerstraat.
Beide wegen of straten lopen oost-west. Het is niet zonder
meer duidelijk of ze allebei aanvankelijk aan de Keutelbeek
uitkwamen, maar het lijdt geen twijfel dat ze oorspronkelijk
in het westen op de scheidingslijn tussen het reeds in cultuur
gebrachte terrein en de nog onontgonnen heide eindigden.
Welnu, uit oude documenten blijkt dat op elk van die
westelijke eindpunten een eikenboom stond, die een speci-
fieke naam kreeg; de eik aan het einde van de ene weg stond
op een tom, tomme of tomp, d.w.z. heuveltje, en werd daar-
om Tomeyck genoemd, terwijl de eik aan het einde van de
andere weg op een groense of grasplek stond en daarom als
Groenseyck werd aangeduid.
In 1676 werd een terrein ontrint (= omtrent) die Tom Eyck
en bij de Tom Eycker wegh gelokaliseerd; in 1696 werd het
vermeld als gelegen aen die tomme eyck en langs (een sijde) de
Tommeeyckerstraet. In 1676 was er ook sprake van een stuk
land ontrint de Gruenseyck, langs de Gruenseyckerwegh en
tegen de Graethey, terwijl datzelfde stuk in 1696 als gelegen

62

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 63

tegen (ander hooft) de Graetheide werd vermeld. Ter plekke
van de Groenseik werd in 1884 het ”Kapelke van Biesjtandj”
opgericht <TsHKVGel 1983, nr. 1, 7-11>. (Zie onder hfdst. X, nr.
2.)

”Achter de Heggen” <Tekening P.A. Schols>.

Het begin van de Groenstraat aan de Rijksweg in de jaren (Oude) Haezetpaed en (nieuwe) Haesselderstraat
dertig van de 20ste eeuw.
Op de huidige Hazenpadsweg liep in 1623 het Hasepedigen
Groenstraat (= Hasepaadje), in de 18de eeuw Haesenpaedt, in het begin
van de 19de eeuw Haezetpaed en in 1822 Haase Pad, (dialect
Deze straat en haar oorspronkelijk oostelijk verlengde, dat 20ste eeuw: d’n Hazepaad). Maar die naam heeft niets met
thans onderdeel van de Beekhoverstraat uitmaakt, was snelvoetige langoren uit te staan. Aangezien de Hazepaad
eeuwenlang voor veel inwoners van Lutterade de recht- door het Haeset liep, kan er geen twijfel over bestaan dat de
streekse verbinding met de nu overkluisde Keutelbeek, waar oorspronkelijke versie Haesetpaet of Haesetpaad heeft geluid.
men water kwam halen en het vee liet drinken <Deel I, 58-59, 77 De vrij recente Haesselderstraat bevat de veldnaam Haesselt
en 336>. Aldus was die straat zowel wat het gebruik betreft als of Haesseldt en het ligt voor de hand dat die een samen-
geografisch een parallel van de oorspronkelijke Daalstraat. stelling was van Haesetveld. (Voor Haeset: zie onder nr. 7.)
Op de plek waar de (later aldus genoemde) Groenstraat het
beekje bereikte, lag in onze jeugd een voetbrugje, maar die Hegstraat
straat zette zich aan de oostzijde van de Keutelbeek niet als
zodanig voort. De aanduiding ”groen” sloeg oorspronkelijk Deze naam is al vrij oud; hij werd reeds in 1676 door land-
ongetwijfeld op de begroeiing met gras en onkruid. Dat dit meter Jan Bollen de oude vermeld. Die straat was van ouds-
al vroeg het geval zal zijn geweest, zou men wellicht kunnen her een onderdeel van de (Oude) Maastrichterweg. De soms
afleiden uit het feit dat reeds in 1378 te Geleen een ”groene gegeven verklaring dat het eerste deel ’heg’ naar een haag op
straat” werd vermeld <Jansen, 27>, maar wij weten niet met een landweer zou verwijzen, lijkt niet toepasselijk, want een
voldoende zekerheid of daarmee de huidige Groenstraat dergelijke plek in het midden van Geleen kwam niet voor
werd aangeduid. Dat was echter wel het geval met de door een landweer in aanmerking. Wel lijkt die verklaring ten
pastoor Leurs in de eerste helft van de 17de eeuw aldus dele in de juiste richting te wijzen. Aangezien de vlak ten
genoemde straatnaam. noorden van en parallel met de Eindstraat aangelegde
De vergroening werd allicht bevorderd nadat in de 17de en middeleeuwse landweer in de volksmond ”Achter de Hègke”
18de eeuw te Lutterade een aantal waterputten was aan- (= Achter de Heggen) werd genoemd en in de Hegstraat het
gelegd, zodat aan de Keutelbeek steeds minder water werd toponiem ”Veldje” (zie onder Valderen(s)straat) voorkwam,
gehaald en aldaar minder vee werd gedrenkt <Deel I, 58 en 76>. dringt zich de vraag op of ook hier, wellicht aan het begin
Men vindt in Limburg verscheidene ’Groenstraten’, die van een zijweg, ooit een ”veldjer”, d.w.z. klein valderen,
grotendeels verlaten straten zijn. Men dient echter onder- heeft gestaan. Het noordoostelijke stuk van de huidige
scheid te maken tussen Groenstraten en Groene wegen, Hegstraat dat aan de Rijksweg uitkomt, maakte daar
want veel van deze laatste zijn slechts veldwegen <M’geleen, 89- oorspronkelijk geen deel van uit.
93>. (Zie ook Napoleon(s)baan.)
Heidestraat

Deze straat in Lindenheuvel bewaart in haar naam de herin-
nering aan de Graetheide.

63

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 64

Sittard als Jans Kamperweg aangeduid. Deze naam werd
kennelijk ontleend aan een door een zekere Jan aangelegde
’kamp’ of veldtuin. Wellicht was hij de eerste die daartoe in
het Haeset overging. (Zie Haeset en Kamp onder nr. 7.)

Zicht in de Putstraat (abusievelijk Heidestraat genoemd) in Jodenstraat (Achter de kerk) en Jorisstraat
1931, toen ze nog tot Lutterade behoorde <Tekening P.A. Schols>.
Het westelijke gedeelte van de huidige Jodenstraat is ont-
Heigraaf (Onderste en Bovenste) staan als de verbindingsweg van de middeleeuwse Hanenhof
- waarvan de locatie door de spoorlijn Heerlen-Sittard werd
Voorheen werd de noordelijke helft van de huidige Heide- doorsneden - met de vroegere hoofdroute Dorpstraat (=
straat Onderste (= Noordelijke) Heigraaf genoemd. De thans Marcellienstraat)-Eindstraat door Oud-Geleen. RUSSEL
verdwenen Bovenste (= Zuidelijke) Heigraaf liep ter plaatse vermeldde in 1860 dat in zijn tijd in de toen in haar ooste-
en in het zuidelijk verlengde van de Ringovenstraat door de lijk verlengde gelegen weide - ten westen van de latere spoor-
plek waar later de Steenfabriek Maurits zou komen. De lijn - resten van bestrating werden gevonden <Russel 1860, 36>.
naam Ringovenstraat bewaart de herinnering aan die fabriek Die verschillend gespelde naam werd niet steeds op dezelfde
(ringoven = steenfabriek). Beide Heigraven waren blijkbaar gedeelten toegepast. In 1585 werd vermeld dat weiden van
overblijfsels van de rond 1500 aangelegde landweer <Deel I, de Hanenhof aan de Jodenstraat lagen <LvO nr. 1263>. Pastoor
122-123>. (Zie ook Landgraaf. Voor het woord graaf: zie Leurs schreef in 1637 Judenstraet. Circa 1700 gaven de land-
onder nr. 3.) meters Bollen de naam Joedenstraet slechts aan het oostelijk
gedeelte vanaf de (thans aldus genoemde) Leursstraat, terwijl
ze het westelijk gedeelte tot aan de Eindstraat ”Achter de
kerk” noemden. Ook in een document uit 1785 werd
vermeld dat het complex Luijten (thans huis Dohmen)
”Achter de Kerk” lag. In het wegenoverzicht uit 1874 werd
die straat zelfs over haar gehele (toenmalige) lengte als
”Straat achter de kerk” aangeduid, terwijl daarin helemaal
geen sprake van Jodenstraat was.
De naam Jodenstraat komt ook in een aantal andere

Hofstraat Het vroegere oostelijke einde van de Jodenstraat. Links (thans
tussen Bosbeek en Oranjelaan) begon de weg door ”d’Eule-
De huidige Hofstraat heeft een bijna geheel ander verloop sjtraote” en rechts (thans tussen Penrisstraat en Oranjelaan)
dan de vroegere straat van die naam. Eertijds liep deze ten voerde een voetpad naar de Peschstraat. Ter plekke van de hier
westen van de Rijksweg slechts tot aan de Keerstraat, terwijl duidelijk zichtbare driehoek was eertijds een poel die door de
ze ten oosten van die interlokale route - waar de Flinckstraat langs de Jodenstraat lopende vloedgraaf werd gevoed. Achter de
een gedeelte van haar vroeger traject inneemt - zelfs de weg heg in het midden lag voorheen de westelijke buitengracht van
van Oud-Geleen naar Spaans-Neerbeek kruiste. Zij ontleen- de Hanenhof <Deel I, 124>. Tussen de twee grote bomen staat (op
de haar naam aan de rond het midden van de 13de eeuw een paal) een Mariakapelletje <Tekening P.A. Schols>.
door monniken uit de abdij van Villers bij Brussel (B.)
gestichte hoeve, die in 1714 afbrandde <Deel I, 89-92>. Ten
oosten van de Keutelbeek werd aan weerszijden van die weg
een uitgebreid terrein kadastraal als Aan den Hoof vermeld.
Daaruit blijkt dat de plaatselijke bevolking dit ’Aan d’n
Haof’ noemde en dat die straat in de volksmond
’Haofsjtraot’ zal zijn genoemd. In 1874 had de Hofstraat een
lengte van 860 meter.

Janskamperweg - Janskamperstraat

Het noordelijke verlengde van de Oude Maastrichterweg
werd eertijds zowel Sittarderweg als Janskamperweg
genoemd. Hiervan werd het verlengde onder Ophoven-

64

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 65

Limburgse plaatsen voor. HENK DE JONG publiceerde de kerk van Oud-Geleen (…) is dit begrijpelijk. Vanaf de
een artikel met als titel: ”Straatnamen weerspiegelen kerke- zevende tot en met de tiende eeuw is er sprake van een rede-
lijk leven”, waarin hij een foto van de Geleense Jodenstraat lijk goed contact tussen Joden en Christenen. De verdraag-
opnam en dat o.a. de volgende passage bevatte: ”Te zaamheid van de Karolingische vorsten, waarachter ook
Maastricht en Venlo heeft de Jodenstraat wel iets met de politieke en financiële motieven lagen, bezorgde de Joden
synagoge te maken; in de andere limburgse plaatsen Geleen voordelen als gelijkberechtiging met Christenen, bescher-
en Susteren weer niet. Waarschijnlijk zijn in de Jodenstraat ming en beroepsmogelijkheden. De relatie tussen Joden-
aldaar eertijds enkele joodse mensen gevestigd geweest” straat en kerkterrein dat als Karolingisch goed werd opgevat,
<Uitkijk april 1964, 328-3331>. Ingeval dit laatste inderdaad op is daarmee eveneens in perspectief geplaatst” <Rackham, 28>. Al
Geleen van toepassing mocht zijn, zou het - gezien de verdient die benadering ernstige overweging, toch is er
vroegst bekende vermelding - op een bewoning door joden misschien het bezwaar dat sommige vermeldingen sugge-
vóór 1585 dienen te slaan, want naar ons weten is tot in de reren dat de naam Jodenstraat oorspronkelijk niet op het
20ste eeuw nooit sprake van in Geleen wonende joden. later langs het Oud-Geleense kerkbezit lopende gedeelte van
Hierbij valt tevens op te merken dat er in die straat tot het toepassing was. Bijgevolg dringt zich de vraag op of er een
begin van de 19de eeuw slechts een paar huizen lagen. Het andere verklaring mogelijk is.
vroegste ons bekende huis aldaar was een vakwerkhuisje dat RUSSEL gaf de volgende verklaring: ”Jodenweg genoemd
in de eerste helft van de 17de eeuw dicht bij de Kalverweiden wijl geene joden over het kerkhof mogten gaan, en dezen
van de Hanenhof stond; later werd het afgebroken en aan de weg nemen moesten om uit Geleen naar Sittards zijde te
Peschstraat weer opgebouwd <LvO nrs. 1309 en 1312>. In de twee- komen. Namen zij eenen anderen weg zoo deed men hun
de helft van de 17de eeuw werd aan de zuidzijde van de tolregt betalen” <Russel 1860, 36 voetnoot>. Deze verklaring werd
Jodenstraat, vrij dicht bij de huidige Leursstraat - waar- in onze jeugd nog door oudere Geleners gedeeld, maar het
schijnlijk door een lid van de familie Hagens - een groot blijft mogelijk dat onze zegslieden dit aan het boekje van
stenen gebouw opgetrokken, dat daarna door Jan Bollen de Russel ontleenden. In de archieven is echter niets te vinden,
jonge werd bewoond. De best bekende oude constructie aan waarop die bewering kan steunen. De tollen lagen op de weg
de Jodenstraat was het 18de-eeuwse complex Luijten aan de Maastricht-Sittard. Wel was vroeger sprake van een zekere
noordzijde (zie hfdst. IX A, nr. 4). graad van antisemitisme. Zo werd in 1749 aan joodse slagers
verboden om hun vleeswaren op de Geleense kermis te ver-
kopen <Deel I, 249>. Het is echter niet duidelijk of dat verbod
slechts gold voor de kermis, in oorsprong een kerkelijk feest.
Aangezien het op een keizerlijk voorschrift berustte, valt
louter op grond van dat verbod niet te concluderen dat dit
de houding van de meerderheid der Geleners ten opzichte
van joden weergaf.

De noordzijde van de Jodenstraat in 1934. Dit is het oudste
bewoonde gedeelte. Ertegenover lag eertijds de pastoorswei <Ons
Zuiden 22-12-1934>.

Vrij recentelijk werden in verband met de Geleense De vroegere ten oosten van de huidige Leursstraat bebouwde
Jodenstraat de volgende interessante opmerkingen gemaakt: zuidzijde van de Jodenstraat. Eertijds lagen voor deze gebouwen
”Dit toponiem duidt op een hoge ouderdom zoals uit een brugjes over de aldaar lopende vloedgraaf. Het eerste complex
vergelijking met andere plaatsen blijkt. De sporen van joods was de woning van burgemeester P.M. Göbbels en daarachter
leven in Limburg gaan terug tot de middeleeuwen. In lag diens leerlooierij <Deel II, 26-27 en 188>. Thans komt hier de
Maastricht bestond al vóór 1295 een synagoge (…), gelegen Penrisstraat op de Jodenstraat uit.
in de Platea Judeorum (de Jodenstraat). (…) Als gevolg van
pogroms verdwenen de Jod(a)en uit Limburg. (…) De
Joodse gemeenschap te Oud-Geleen heeft waarschijnlijk al
in de veertiende eeuw opgehouden te bestaan. Aangenomen
mag worden dat de kleine nederzetting, net zoals in bijvoor-
beeld Echt, aan de Jodenstraat op het grondgebied van de
kerk zal zijn gevestigd. Vanuit de Karolingische stichting van

65

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 66

Kampstraat naam, die eertijds vanaf de vroegere Kapellerstraat, bij de
ingang tot het latere Burgemeester Damenpark, waar thans
De naam van deze straat te Lindenheuvel bewaart de herin- de Hendriklaan zich van de Irenelaan afsplitst, langs de
nering aan een of meer vlak ten westen van het oude Smythegge en via ’t Ritske(n) liep. Te Beekhoven (latere
Lutterade gelegen ’kampen’. De vroegere Kampstraat te Norbertijnenstraat) stak deze weg de Keutelbeek over <Deel I,
Krawinkel heet thans Keerstraat (zie Kamp onder nr. 7). 74-75>, doorkruiste diagonaal de Geleender Kamp (later
Patersveld), doorsneed verderop de Hoog Steeg (= Pastoor
Keerstraat en Straat aan de Keer of Op de Keer Vonckenstraat), liep achter het hoekhuis-café en kwam
tussen de Hoog Steeg en de Eindstraat op de Rijksweg uit.
De huidige Keerstraat heette eertijds Kampstraat en de Dit hele traject kreeg in de 19de eeuw de naam Kinkenweg,
vroegere Straat aan de Keer of Op de Keer maakt thans het maar werd door menigeen nog lang met de oudere naam
grootste gedeelte van de Hofstraat uit (zie aldaar). Voor ”Gallingwaeg” aangeduid, omdat daarover tot eind 18de
Keer: zie Keerland of Keerweide onder nr. 7. eeuw de veroordeelden vanuit de kerkers te Sint-Jansgeleen
naar de gerechtsplaats in de Raadskuil werden gevoerd <Deel
Kapellerstraat (thans Irenelaan en Kluis) I, 252>. In 1874 werd zijn totale lengte door Geleen als 970
en Kapellerweg meter opgegeven en zijn wettelijke breedte op 4,55 meter
gesteld, maar hieraan werd toen toegevoegd dat de feitelijke
In de 17de eeuw stond langs de weg van Oud-Geleen naar breedte 3 à 4 meter bedroeg. Zoals zal blijken, gold die
Neerbeek, waar de wegen naar Ten Eijsden en naar Sint- breedte-opgave echter niet voor het hele traject door Geleen.
Jansgeleen zich afsplitsten, een veldkruis dat volgens een Het resterend gedeelte dat thans Kinkenweg heet, werd
document van 10 november 1675 kort vóór die datum door eertijds ook Molenweg genoemd, omdat het een voort-
een kapelletje was vervangen (zie onder hfdst. X, nr. 2). zetting was van de via de Geleender Kamp (het Patersveld)
Sedertdien ontstond in de volksmond de aanduiding ”aen de lopende Molenweg uit Lutterade en aansloot bij de weg naar
Capel” of ”aen het Capelleke”. In 1679 sprak men nog van Daniken (zie Molenweg).
een ”stuck lants int Gasthuysvelt ontrint het Capelleke”. De In de jaren dertig van de 20ste eeuw werd het korte gedeel-
benaming Gasthuisveld waarmee het gebied tussen Oud- te van de Kinkenweg achter genoemd café tussen de Pastoor
Geleen en Neerbeek eeuwenlang was aangeduid, werd gelei- Vonckenstraat en de Rijksweg opgeheven. En in de jaren
delijk aan door de nieuwe naam Capelderveld verdrongen. veertig werd die weg nog verder ingekort door de aanleg van
Dat is geenszins te verwonderen, als men bedenkt dat ener- de Eloystraat en de Antoniusstraat. Bij de uitbreiding van
zijds het oude gasthuis (aan het toenmalige einde van de het zogenaamde ’Sportpark’ (thans Burgemeester Damen-
Pieterstraat) rond diezelfde tijd werd opgeheven en dat park) naar het noordwesten werd weer een stuk uit die weg
anderzijds destijds langs de weg van Oud-Geleen naar genomen, terwijl het zuidoostelijke deel de naam
Neerbeek geen ander gebouw dan dit kapelletje lag (zie Hendriklaan kreeg. De Geleense Kinkenweg heeft in Zuid-
Kapellerveld onder nr. 7). Limburg en omgeving menige naamgenoot.
Nadat in 1699 vlak ten noorden van die veldkapel een groter
gebouw was opgetrokken, dat kort nadien waarschijnlijk een Kinkenwegen naar koren- en/of kolenkinken genoemd
bidkapel bevatte (zie onder hfdst. X, nr. 1), zeiden de In zijn boek over de bokkenrijders, waarvan de eerste druk
Geleners aanvankelijk dat dit gebouw ”aen de Capel in het rond het midden van de 19de eeuw verscheen, schreef
Capelderveld” lag. Maar de volgende generaties, die mis- ECREVISSE: ”De Kolenkinken zijn menschen, die in de
schien niet meer wisten dat de uitdrukking ”aen de Capel” omstreken van Kerkraad t’huis behooren. Zij winnen den
naar aanleiding van het kleine kapelletje was ontstaan, meen- kost met een armzalig paardje en eene karre, waarmede zij
den wellicht dat daarmee naar het nieuwere en grotere kolen van de Kerkraadsmijnen naar Sittard en omstreken
gebouw uit 1699 werd verwezen; bijgevolg ging men dit vervoeren om ze te verkoopen. Het woord kinken behoort
laatste ”de Capel” noemen. Toch werd in 1771-1774 nog tot den Limburgschen tongval. (...) Kinken wil doorgaans
opgemerkt: de Eremite Clous improprie de Capelle, d.w.z. ”de
Eremietenkluis onjuist de Capelle (genoemd)” <Kluis, 12 en 88.
- GOA II, 93>. Nog lang nadat dit gebouw de naam ’Kluis’ had
gekregen, bleef de weg tussen Oud-Geleen en de Kluis
Kapellerstraat en haar zuidelijke verlengde tot Spaans-
Neerbeek Kapellerweg heten.

Kinkenweg

Bij de Norbertijnenstraat ligt een korte straat die Kinkenweg
heet. Dit is een overblijfsel van een veel langere route van die

66

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 67

zeggen: merken, ter merkt dragen. Op de kolenvervoer toe- Kinkenwegen door Sweikhuizen, Spaubeek en Geleen
gepast zegt men: kolenkinken. Deze menschen winnen zeer Naar de hoogbejaarde heer Joep Boyens ’met de baard’
weinig; hunne paarden leven van de granen en klavers, die (1865-1953) uit Sweikhuizen ons vele jaren geleden vertel-
langs de weg groeien. Van daar komt het spreekwoord: op de, zouden de korenkinken wel 300 kilo in zakken op de rug
eenen stap breedte van den weg, groeit het graan voor de van elk paardje hebben geladen en dan drie of vier van deze
kolenkinken” <Ecrevisse 1884, deel I, 139, voetnoot>. lastdieren achter en aan elkaar gebonden over vrij smalle
Doch die beschrijving gold niet voor de korenkinken. Zij paden hebben geleid; aangezien die paardjes geen karretjes
vervoerden hun granen immers niet per kar maar in zakken trokken, kon elke gewenste route worden gekozen. Zo
op de ruggen van een aantal paardjes, die ze in een rij achter verwees hij naar de route die via het Kinkepaedje en het
elkaar vastbonden, zodat alleen het voorste paard begelei- Maaseiker voetpad de Dorpstraat te Sweikhuizen had
ding nodig had en de andere in diens voetstappen moesten gekruist. Zelf had hij die route niet meer in gebruik gezien,
volgen. LEMMERLING schreef: ”In kleine karavanen maar zijn vader (1829-1907) had hem verteld dat deze
trokken ze voort, zowel over stoffige veldwegen als over paden onderdelen waren van een oude route die van
doorweekte beemdweggetjes en smalle bospaden. Naast of Maaseik - via Valkenburg - naar Aubel (B.) had gelopen.
achter de karavaan liep de toezichthoudende voerman, toen- Vandaar dat die route ten zuiden van Sweikhuizen het
tertijd de ’kinker’ genoemd. Met zwaar beslagen schoeisel, Valkenburger pad heette.
leren beenkappen en in degelijke kleding gehuld stapte hij Bovenstaande verhalen van de heer Boyens worden ten dele
voort, vaak gesteund door de toen algemeen bekende door een authentiek Geleens document bevestigd. Op 20
’mespelaer’ <Deel II, 395>. Als regel was de kinker vergezeld van september 1845 schreef burgemeester Lemmens dat de
een of twee honden, die uiteraard een voor hem bescher- Geleense Kinkenweg pas sedert ongeveer 20 jaren aldus werd
mende taak hadden, want veilig waren toentertijd de wegen genoemd, ”omdat de graankopers van de omstreken van
allerminst” <Lemmerling nr. 7, 23-25>. Aubel, die men Kinken noemt, en die sedert eenige jaren
Ook DORREN vermeldde verschillende soorten kinken. zeer veel graan te Sittard koopen, volstrekt geenen anderen
Na een ’kink’ te hebben gedefinieerd als een ”reizend koop- weg gebruiken: een bewijs dat hij de kortste en de beste is”.
man, die zijn waar per paard of per kar meevoerde en ruil- Tevens voegde hij hieraan toe dat wegen uit Limbricht en
handel dreef”, merkte hij op: ”Men had kaolekinke, vruch- Sittard op de Geleense Kinkenweg uitkwamen en dat deze
tenkinke (= korenkinken) enz.” <Dorren, 97>. Zijn suggestie laatste zijn zuidelijke voortzetting vond in de route die langs
dat het Franse woord quincaillerie uit kink zou zijn de Sint-Janskluis naar Spaubeek en verder via Schimmert
ontstaan, brengt ons op het juiste spoor, al had die afleiding naar Valkenburg voerde. Hieraan kan nog worden toe-
in omgekeerde richting plaats. Het Franse quincaillerie is, in gevoegd dat de gebruikers van de route door Sweikhuizen
de betekenis van ’handel in kleine metaalwaren’ enige tijd als desgewenst - langs de hoeve Ten Eijsden - eveneens op de
kinkelerie in de Limburgse volksmond blijven voortleven. Geleense Kinkenweg konden aansluiten.
Het woord kinker, dat uit quincaillier ontstond, verloor de
specifieke betekenis van ’kleinhandelaar in metaalwaren’ en
is eerst in het algemeen een ’met een of meer paardjes rond-
trekkende kleinhandelaar’ en daarna specifiek een ’kolen- of
korenkink(er)’ gaan aanduiden. SCHELBERG schreef in
1979: ”Kinke werden vroeger de graankopers genoemd, die
van Wylre en omstreken naar Sittard kwamen om de
gekochte granen te vervoeren. Zij laadden 8 vat (een Sittards
vat voor granen is 28 liter) op het zgn. ’kinkepaerdje’, een
klein paard of grote pony, en brachten dit naar Aubel e.o. (=
en omgeving). (...) De laatste ’kinke’ werden hier voor plm.
150 jaar geleden gezien” <Schelberg, 2de druk (1979), 177>. Deze
datering was blijkbaar te vroeg.

Het westelijke begin (bij de Rijksweg) van de Pastoor
Vonckenstraat circa 1932. Rechts ziet men het meest noord-
westelijke gedeelte van de vroegere Kinkenweg dat schuin achter
het hoekhuis-café naar de Rijksweg (vóór 1845 de Maas-
trichterweg) liep.

67

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 68

De Geleense Kinkenweg met de Janskamperweg verward Zoals wij uit de klacht van de burgemeester vernamen,
Wel vergiste de burgemeester zich, toen hij hier de Geleense besloot het gemeentebestuur de Kinkenweg te verbeteren en
Kinkenweg met ”de Sittarder weg van der Kluizen” identifi- waar nodig te verbreden. Dat was evenwel niet naar de zin
ceerde. Hij verwarde immers de in de 16de eeuw vermelde van sommige Geleners, zoals de oude en populaire koster
Cluyse, d.w.z. de enge en bewaakte doorgang in de landweer Lambert Meys. Op 15 augustus 1845 dienden zij een protest
tussen Geleen en Sittard <Deel I, 123>, met de veel latere Kluis in, waarin zij niet alleen verklaarden dat de Kinkenweg hele-
van Krawinkel. Op grond van die verwarring was hij van maal geen ’communale’ weg van 4 à 5 meter breedte doch
mening dat de Kinkenweg ”van onbedenkelijke tijden af een slechts ”een enkele veldweg” was, maar er bovendien op
ware communale weg” van 16 voet of 4,55 el breedte zou wezen dat die weg alle ”vreemdelingen langs de gemeente”,
zijn geweest en dat het gemeentebestuur, dat deze weg tot d.w.z. om de bebouwde kom heen, voerde.
zijn (zogenaamde) oorspronkelijke breedte wenste terug te De burgemeester leverde op dit laatste als commentaar: ”Zij
brengen, ”hier geen nieuwigheid invoert, maar zich integen- willen enkel zeggen langs de hoofdplaats”. Verder voerde hij
deel stiptelijk aan het oude houdt”. Bijgevolg schreef hij de aan dat ”twee hoofdmannen van de reklaame (= het protest)
op sommige plaatsen geringe breedte van die weg abusieve- te (Oud-) Geleen, in de Dorpstraat, ieder een huis bezitten,
lijk toe aan ”onrechtmatige naasting (= toe-eigening)” door alwaar men herberg houdt, en dat zij met twee of drie
Geleners die gronden langs die weg bezaten. Toen burge- mede(onder)teekenaars op den Kinkenweg gronden hebben,
meester Lemmens dit schreef, was de Nuuje Waeg (= waaraan zij gaarne de helft van den weg zouden winnen (aan
Rijksweg) tussen Beek en Sittard zo goed als voltooid. hun eigendom toevoegen)”. Derhalve verklaarde hij dat hun
Derhalve gaven de korenkinken uit de streek van Aubel (B.) motief om te protesteren tegen de geplande verbreding van
sindsdien allicht de voorkeur aan deze nieuwe weg vanaf genoemde weg niets anders dan ”het vuile eigenbelang” was.
Geleen naar het noorden. Wellicht heeft het gemeentebestuur van Geleen rond 1845
van sommige Geleners geëist dat ze stroken grond langs de
Kinkenweg zouden afstaan, omdat zij zich die volgens dat
bestuur ten onrechte zouden hebben toegeëigend. In dat
geval is die overdracht niet van blijvende aard gebleken,
want in onze jeugd was de Kinkenweg vanaf de Kapeller-
straat tot aan ’t Ritske(n) niet alleen een smalle veldweg,
maar werd hij ook door de boeren die daar hun akkers
bewerkten, elk jaar geheel of gedeeltelijk omgeploegd. Dat
nam echter niet weg dat voetgangers er een ’gerechtigheid’
op eisten en dit pad bleven gebruiken <TsHKVGel 1982, nr. 2, 81-
91; 1983, nr. 2, 62>.

Koeweg en Koestraat

De vroegere Lutterader Koeweg of Koestraat liep ter plaatse
van de huidige Burgemeester Lemmenstraat. Het verlengde
van die straat op Sittards grondgebied heeft de oude naam
nog lang bewaard. Ook het westelijk deel van de
Krawinkeler Kloosterstraat heette voorheen Koeweg of
Koestraat. Die namen duidden erop dat eertijds het vee over
deze wegen naar de Graetheide werd gevoerd.

De weg uit het bos richting Daniken in 1977 <Foto J.R. Hermens>. Koolweg door Daniken
Op de achtergrond, vlak voor de witte woning, ziet men het
wegkruis tussen bomen <Deel I, 96>. De tamelijk geïsoleerde straat door Daniken is thans vooral
de route naar de tot een nieuwe bestemming ingerichte
vroegere steenfabriek en naar het bos. Maar in vroeger
eeuwen maakte die straat een onderdeel uit van twee inter-
lokale routes. Zo passeerde daar in de 18de eeuw het vracht-
vervoer tussen Maastricht en Heinsberg <Deel I, 271> en
werden daarover later kolen uit Kerkrade via Geleen naar
Urmond vervoerd. Op een oude plattegrond van de gemeen-
te Schinnen vindt men tweemaal de vermelding Koolweg,
nl. tussen Puth en het Danikerbos en tussen dat bos en

68

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 69

Daniken. Volgens onze hierboven genoemde zegsman, de LEMMENS verhaalde dat de ”kaolejitse” (jits = gids), zoals
heer Boyens, bewaarden die namen de herinnering aan het die kolenvervoerders in de streek van Kerkrade werden
transport van steenkool op karren. genoemd, bij praktisch elke herberg stopten en dan soms de
Aangezien het Danikerbos tegen een vrij steile helling ligt en door hen genoten drank met een gedeelte van hun lading
de weg door dat bos bovendien hol was, konden daar karren betaalden. Tot dat doel werd bij het opladen op de mijn een
uit tegengestelde richtingen elkaar niet passeren. Daarom extra toegift gedaan <Lemmens 1936, 31-32>.
werd geregeld dat de bergafroute rechtdoor zou lopen, maar Die kolenvervoerders leidden hun paarden en karren door
dat de bergoproute een bochtige en meer geleidelijk stijgen- de Danikerstraat naar Geleen en verder. Volgens de over-
de zijweg zou volgen. Via die langere weg konden degenen levering zouden zij die steenkool naar Urmond hebben
die uit Daniken kwamen, gemakkelijker boven geraken, gebracht, waar ze in schepen zou zijn geladen. In dat
terwijl tevens werd vermeden dat twee karren elkaar zouden verband dient hier te worden opgemerkt dat schepen uit het
ontmoeten. Hieraan valt nog toe te voegen dat de schellen Waalse eeuwenlang in de Maashaven van Urmond Naamse
aan de bovenkant van de paardenhamen tot doel hadden de steen, mergel, ijzerwaren, steenkool en andere materialen
komst van een kar aan te kondigen en aldus eventuele tegen- aanvoerden <Overmunthe, 231>. Ook inwoners van Geleen
liggers tijdig te waarschuwen. Ofschoon die zijweg intussen gingen daar in de 18de eeuw steenkool halen <Deel I, 270>. En
grotendeels met bomen begroeid is, kan men zijn vroegere nog in de 19de eeuw werden er de kolen voor bierbrouwerij
verloop nog duidelijk ter plaatse zien. De rechtstreekse weg ”De Kroon” gehaald. Derhalve lijkt het voor de hand te
bergaf werd later door uitgravingen van zand en kiezel liggen dat de per kar uit de streek van Kerkrade via Geleen
onderbroken. naar Urmond gebrachte steenkool daar zal zijn overgeladen
op schepen, die ze verder naar het noorden vervoerden.

Kloosterstraat en Kloosterdwarsstraat

In de volksmond lagen de gebouwen aan de noordoostzijde
van de Kloosterstraat ”op de Hei”, terwijl die aan de zuid-
westzijde kant van die straat en aan de Kloosterdwarsstraat
volgens het kadaster ”op het Klooster” lagen.

Zie hiervoor Dorpstraat te Krawinkel
en ”Klooster, Op het” in nr. 7.

”Kruutsberg, Kleine”

Wegens de lichte daling-stijging in de Rijksweg tussen
Ophoven-Sittard en Geleen werd dat gedeelte eertijds in de
volksmond als ”Kleine Kruutsberg (= Kruisberg)” aan-
geduid. Dit was een verwijzing naar de ”Groate Kruutsberg”,
bij Bunde.

Kummekerstraat

Deze tussen de Rijksweg en de vroegere Dorpstraat van
Spaans-Neerbeek lopende straat werd vroeger als
Krijgsmansstraet (1565), Kigmansstraet (1589), Kijrckmans-
straet (1615-25), Kickmansstraet (1637), Keumekerstraet
(1696) en Coemeker Straet (1736) aangeduid <Deel I, 81>. Het
lijkt voor de hand te liggen om in de vroegst bekende naam
een in de volksmond ontstane verwijzing naar een bewoner
van die straat ofwel een zich aldaar afgespeelde gebeurtenis
te zien. Als de latere, daar sterk van afwijkende spellingen
geen verbasteringen zijn, vallen ze moeilijk te verklaren. In
de volksmond van de inwoners van Neerbeek was dit ’t
Sjträötje. Bij de modernisering van Geleen-Zuid werd de
Kummekerstraat opgeheven; een klein restant heet sinds
1966 Weberstraat.

Paardenhaam met bel <Foto J. Diederen>.

69

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 70

stehendes (steinernes) Wohngebäude” <Jellinghaus, 85>. Zo lag
in de Middeleeeuwen een kasteel Kemenade bij Rimburg.
In de archieven treft men naast de versies Kamenaden,
Kemmenode, Kemmenaeten, Commenade, Kommenade,
Comenaden, Camenae, Commeneau en Cummenaen ook de
spelling Kemmenauwen aan. Wellicht was de laatste een
overgangsvorm tot de dialect-uitspraak ’t Kam(m)enaol. In
de 19de eeuw schreef men officieel Kummenaanderstraat.
Tot de eerste decennia van de 20ste eeuw was dit een holle
weg <Deel I, 59>.

De straatgevel van een voormalige keuterboerderij in haakvorm Kwaad Gat
aan de Kummekerweg. Oorspronkelijk lijkt dit gebouw in vak- (naar de vroegere graanmolen te Daniken)
werk te zijn opgetrokken. maar in de 18de eeuw werd de straat-
gevel door een topgevel van baksteen en mergelstenen speklagen De vanuit de (hierna te bespreken) ”Meulewaeg” (de zuide-
en hoekblokken vervangen en werden de zijmuren in baksteen lijke tak van de Peschstraat) ten oosten van het spoor naar de
opgetrokken, terwijl de achterkant in vakwerk behouden bleef Danikermolen lopende zijweg werd in 1722 Quaet gaet <LvO
<MGKZL I, 169. - Deel I, 8>. nr. 1316>, in 1724 quaet gat <PAG>, in 1822 Quaet Gadt <GAG>
en in 1844 Quaet of Kwaad Gat <GAG> genoemd. De schrijf-
Kummenaedestraat (dialect: ’t Kummenaol) wijze quaet of quaat voor ’kwaad’ was vroeger vrij algemeen
gebruikelijk. In oude geschriften treft men nogal eens woor-
Het eerste deel van de officiële naam en de versie in de den aan die met qu- beginnen; in die gevallen dient de uit-
autochtone Geleense volksmond zijn verbasteringen van spraak kw- te zijn, want men volgde daarbij niet de huidige
Kemenade. Dit was de naam van de aldaar aan de Keutelbeek Franse maar de klassieke Latijnse uitspraak. Dit wordt
gelegen grote hoeve <GelEeuw II (1989), 87. - Deel I, 86-89>. Soms trouwens in dit geval door de dialectversie Kaod Gaat beves-
wordt het woord kemenade als ’vrouwenvertrek’ in een tigd.
middeleeuws kasteel verklaard; doch dat blijkt slechts een In onze dagelijkse omgang wordt het woord kwaad soms in
secundaire aanduiding te zijn geweest, die via de originele de zin van ’slecht, verkeerd’ gebruikt (dialect: get kaods = iets
betekenis ’verwarmde kamer’ ontstond. Evenals het Franse slechts). Vroegere generaties gebruikten het bijna uitsluitend
cheminée (= schoorsteen) en het daaruit ontstane in die zin en pasten het o.a. ook op wegen toe. Zo sprak men
Nederlandse kemeneye werd kemenade ontleend aan het van ’quaede’ straten of wegen, omdat die moeilijk begaan-
populair-Latijnse woord caminata, dat op zijn beurt uit baar waren. In die zin dient ook het Geleense ’Kwaad Gat’
caminus (= oven, fornuis) was ontstaan en een haard met een te worden verstaan.
schoorsteen aanduidde <Oudemans III, 306 en 353-354. - Stallaert II, De reden voor het aldus aanduiden van die zijweg blijkt uit
52>. Die benaming werd blijkbaar overgedragen op sommige een verslag van de gemeenteraad van 6 juli 1844. Personen
woningen, waar zich zo’n haard en schoorsteen bevonden. die daar vlakbij weiden bezaten, hadden bij de commissaris
Volgens JELLINGHAUS was een kemenate een ”nur für sich van het district Maastricht een beklag over de slechte toe-
stand van die weg ingediend. Teneinde de nodige kracht bij
te zetten aan hun argument dat de gemeente Geleen ver-
plicht zou zijn deze ’openbare’ weg te onderhouden, hadden
zij tevens aangevoerd dat hij voor de inwoners van Daniken
een ’kerkweg’ zou zijn. Op 18 juni 1844 stuurde de
commissaris die klacht door naar het gemeentebestuur van
Geleen. Doch tijdens de raadszitting van 6 juli 1844 kwam
aan het licht dat men de situatie bij de commissaris niet
geheel accuraat had voorgesteld. Allereerst werd opgemerkt
dat de weg genaamd Kwaad Gat niet langs de Geleenbeek
maar langs de afslag van de Danikermolen liep. In vroeger
tijden was het inderdaad een openbare weg geweest, maar de
gemeente had hem reeds meer dan zestig jaren geleden
”geheel en al” opgegeven, omdat hij geen algemeen belang
diende en het anderzijds - wegens voortdurende ”verveening,
kwelm genaamd” - bijna onmogelijk was gebleken hem in
bruikbare staat te houden.
Sindsdien hadden enige eigenaars van aanpalende grond-

70

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 71

stukken deze oude passage, ”die nu geen schijn van weg meest oostelijke en zuidelijke gedeelten van het (vroegere)
meer heeft”, als particuliere koedrift (koedreef) gebruikt en kerkhof als openbare voetpaden gingen dienen. Daarop
onderhouden. Maar nadat hierover tussen hen onenigheid werd het oostelijke pad en zijn noordelijke verlengde (tussen
was ontstaan, had men die weg volledig verwaarloosd; bij- de pastorie en de huizen Ramakers en Vroemen) officieel als
gevolg was de vervening zo sterk toegenomen dat er zelfs Kerkstraat aangeduid. In 1954 werd de Kerkstraat in
geen bruikbare koedrift meer bestond. Verder werd op- Leursstraat omgedoopt. (Voor pastoor Nicolaas Leurs: zie
gemerkt dat de omschrijving van die drift als ”eenen nodigen deel I, 67-165 en 180-185.
kerkenweg voor Daniken” niet met de waarheid strookte.
Vanuit dit gehucht liepen immers andere voetpaden en veld- Lieve Vrouwestraat: zie Levruike (Aan ’t) in nr. 7
wegen, ”die even na en veel beter zijn”, en die de inwoners en onder hfdst. X, nr. 4.
van Daniken ”zoo veele jaren zonder het minste bezwaar
gebruikt hebben”. Lindjesweg: zie Lindje, (Aan het) in nr. 7.
Om aan te tonen dat de tegenargumenten steekhoudend
waren, had het voltallige gemeentebestuur de inspecteur der Lyckwegske
buurtwegen naar het Kwaad Gat vergezeld. Daar had deze
laatste vastgesteld ”dat er geenen schijn van gemeente weg Aldus heette het voetpad dat eertijds ter plaatse van een deel
meer bestaat”. Derhalve bleef het gemeentebestuur bij het van de huidige straat Op de Veij liep. Het dankte die naam
standpunt dat die weg niet door een paar personen uit eigen- aan het feit dat overledenen uit het westelijke gedeelte van
belang als openbaar kon worden opgedrongen. Als die Krawinkel vóór 1862 daarover naar de kerk en het kerkhof
personen op verbetering van die weg bleven aandringen, te Oud-Geleen werden vervoerd. (Zie ook: ’t Straatje.)
zouden ze die op eigen kosten in bruikbare staat dienen te
brengen en te houden. (Oude) Maastrichterweg
In 1874 werd genoteerd: ”Kwaadgat (...) lang 275 meter;
langs dezen weg loopt de afslag van den Danekermolen. De Van de vroegere Maastrichterweg, d.w.z. de eeuwenlang
weg is door verveening onbenutbaar geworden” <Deel I, 74>. door het centrum van de gemeente lopende verbinding van
Maastricht met Sittard, die in 1377 als Maestrichter Strate
Landgraaf werd vermeld en waarvoor toen de breedte van een roede
werd opgegeven, zijn in Geleen nog slechts een paar stukken
Deze in een wijknaam veranderde wegnaam werd ontleend overgebleven. Het nog bestaan van die restanten is toe te
aan een aldus genoemd overblijfsel van de in circa 1500 schrijven aan het feit dat de oude weg nogal bochtig was,
vanaf de grens met Sittard (Land van Gulik) ten westen van terwijl in 1845 de Rijksweg bijna kaarsrecht werd aangelegd.
Lutterade en Krawinkel aangelegde landweer, die uit twee Wegens die nieuwe aanleg werd ”Oude” aan ”Maastrichter-
parallel lopende wallen en een daartussen gelegen gracht weg” toegevoegd.
bestond <Deel I, 122-123>. Deze landgraaf was rechtlijnig; Aangezien alle wegen en straten die van deze interlokale weg
derhalve is de verklaring als ”wallencomplex, waarbinnen de naar de Keutelbeek ’omlaag’ lopen en bijgevolg vroeger hol
gemeenschappelijke weidegronden liggen” <Berkel 1995, 131> waren, blijkt voor het verloop van de Maastrichterweg door
met de historische feiten in strijd. Voor de betekenis van Geleen de bovenrand van een plateau te zijn gekozen. Wijst
”graaf”: zie onder nr. 2. dit aspect reeds op een hoge ouderdom, het verdere verloop
werpt daar nog meer licht op. Zo blijkt uit een analyse van
Langstraat de prehistorische begraafplaatsen in het Geleenderveld of
Janskamperpark dat die weg eertijds aldaar omboog en bij de
De aldus genoemde straat liep ten westen van en parallel met vroegere kerkheuvel van Munstergeleen de Geleenbeek
de spoorweg Heerlen-Sittard in het veld tussen dat spoor en kruiste. En het mag zonder bezwaar worden aangenomen
de Kapellerstraat. Ze werd opgeslokt door de Frans dat hij vanaf de beek in de richting Tüddern (D.) liep, waar
Erenslaan en de Beatrixlaan. resten van uit de Romeinse tijd daterende specken
(= moerasbruggen) tot aan of bruggen over de Rode Beek
Leursstraat werden ontdekt <Deel I, 55-57>.
Uit genoemde opgravingen in het Geleenderveld is tevens
Aanvankelijk liep die straat slechts vanaf de Jodenstraat tot gebleken dat bij de doortrekking van die weg naar Sittard
aan het kerkhof en dit laatste strekte zich oorspronkelijk uit prehistorische graven werden geschonden. Derhalve moet
tot aan de lijn, waar rond het jaar 1600 huizen werden die doortrekking (aftakking) later zijn ontstaan. De (Oude)
gebouwd. De westelijke, d.w.z. de naar de kerk toe gekeer- Maastrichterweg verloor zijn traditionele functie groten-
de, gevels van die woningen waren gedurende lange tijd deels, toen circa 1800 ten westen van Lutterade de zoge-
blind. Naderhand werden daarin deuren en vensters aan- naamde Napoleonbaan werd aangelegd <Deel I, 56-58>.
gebracht en werd een kerkhofmuurtje aangelegd, waarbij de

71

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:50 Pagina 72

”Meulewaeg” of ”Meulesjtraot” de Geleenderkamp (later het Patersveld) in de richting van
(zuidelijke tak van de Peschstraat) Daniken voort. Het huidige gedeelte van de Kinkenweg
heette vroeger Molenweg, omdat het een onderdeel van de
Vóór de aanleg van de spoorweg Heerlen-Sittard - in de Lutterader Molenweg uitmaakte.
jaren negentig van de 19de eeuw - liep de zuidelijke tak van De naam van de huidige Lutterader Molenstraat is van
de Peschstraat tot aan de Geleenbeek. De opvallende ver- recentere datum en werd ontleend aan een in de 19de eeuw
breding van die weg aan de oever aldaar en zijn voortzetting aldaar gelegen molen.
aan de overkant als voetpad duiden op een vroegere ’drenk’
voor het vee. Of ter plekke ooit een molen heeft gelegen, Napoleon(s)baan (Noord en Zuid)
zoals wel eens - op grond van bij de kanalisatie in de jaren
dertig van de 20ste eeuw aldaar gevonden palen - werd Deze weg die vóór de aanleg van de Staatsmijn Maurits ten
gesuggereerd, is op grond van de beschikbare schriftelijke westen van Krawinkel en Lutterade vanaf de grens met Beek
gegevens niet uit te maken. Het feit dat die zuidelijke tak van onafgebroken tot aan de grens met Sittard liep, werd in 1822
de Peschstraat door vorige generaties Meulesjtraot werd ”Route de Maestricht à Sittard” genoemd, doch op Geleens
genoemd, kan hier niet als een afdoende bewijs worden aan- grondgebied is nog slechts een klein gedeelte overgebleven.
gevoerd, want van die zuidelijke tak uit liep een zijweg, het In haar naam bewaart die baan de herinnering aan haar
zogenaamde Kwaad Gat, naar de graanmolen van Daniken oorsprong. De beschikbare gegevens wijzen er immers op
<Deel I, 60>. dat die baan in de Franse Tijd (1794-1814) werd aangelegd,
want ze ontbreekt op de Ferrariskaart uit 1777, maar staat
Moelie- of Moljeweg wel op de Tranchotkaart uit 1804-1805. Op de plattegrond
(op de vroegere grens tussen Geleen en Sittard) van de gemeente Beek staat ze als ”Weg van Sittard naar
Elsloo” aangeduid. Dat lijkt erop te wijzen dat ze een schip-
Zoals wij zagen, werd in 1822 een nieuwe plattegrond van brug over de Maas bij Elsloo met Sittard verbond <Deel I, 411>.
de gemeente Geleen getekend <Deel II, 119>. Toen werd de weg Het is niet zeker of de naam Napoleon(s)baan in de plaatse-
die in het Geleenderveld, d.w.z. ten noorden van Oud- lijke volksmond is ontstaan, want de inwoners van
Geleen, ten dele de grens met de gemeente Sittard vormde, Krawinkel en Lutterade spraken zonder meer van ”de Baan”.
als Molenweg genoteerd. Wellicht op grond hiervan werd Wel doet die naam denken aan de ten westen van de Maas
beweerd dat die weg naar een watermolen zou hebben lopende grote Napoleonbaan die op bevel van Napoleon
gelopen <SV sept. 2004, 55>. Maar de naam van die weg had met door Spaanse krijgsgevangenen werd aangelegd.
een molen niets uit te staan. Evenmin was het eerste deel het In de eerste helft van de 19de eeuw was die baan een onder-
woord molus (= grenssteen) <Loc. cit.>. Die spelling was deel van de hoofdroute tussen Midden-Limburg en
immers een vergissing. Maastricht. Vandaar haar aanduiding als ”Route de
In de opmetingen door de landmeters Bollen uit 1676 en Maestricht à Sittard”. Maar de aanleg van de Rijksweg
1706 staat: ”de Moelie, t.welcke de Reijn (= grens) is midden door de gemeente Geleen (1845) had tot gevolg dat
tusschen Geleen ende t.land van Gulick, gaende van daer de Napoleon(s)baan haar vroegere functie grotendeels
tusschen den Bempt (= beemd) tot op die Meulenbeek (= verloor. Zo werd op 15 oktober 1852 in de gemeenteraad
Geleenbeek)”. Ook treft men de versie Moljeweg aan. Moelie opgemerkt ”dat de zoogenaamde Baan (...) welke vóór het
en Molje zijn Limburgse versies van ’molde’ in de betekenis daarstellen van gemelden Rijksweg de algemeen gebruikte
van baktrog <LimDag 18-10-1962>. Thans wordt die door
autochtone Geleners nog steeds moolj genoemd. Deze naam
werd kennelijk aan die veldweg gegeven, omdat hij over een
lang gedeelte hol was en dus aan een trog deed denken. Om
diezelfde reden vormde hij rond 1500 een onderdeel van het
landweerstelsel dat toen ten noorden en ten westen van het
kerspel Geleen - met inbegrip van Lutterade en Krawinkel -
werd aangelegd. Waar die Moljeweg de Sittarderweg kruiste,
werd een zogenaamde Cluyse (= verengde controleplek)
ingelast <Deel I, 122-123>.

Molenweg uit en Molenstraat in Lutterade Een reeds vroeg bebouwd gedeelte van de Napoleonbaan-Noord.

De Lutterader Molenweg begon ongeveer halverwege de
noordzijde van de Groenstraat en liep dan in een boog in de
richting van het (latere) patersklooster, stak er de (Oude)
Maastrichterweg en later de Rijksweg over en zette zich door

72

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 73

communicatieweg was tusschen Sittard en Maastricht, thans officiële gemeentefolder beweerd dat hij een rechtstreeks
geheel verlaten, zelfs met gras bewassen en uitsluitend en bewijs voor het verblijf van Romeinen ter plaatse was.
alleen voor den landbouw benoodigd is”. DITTMAIER, die o.a. de versies Päsch, Pasch en Peisch
Bijgevolg werd besloten om die weg als volgt aan de veran- opgaf, schreef: ”Hauptsächlich linksrheinisch von der Mosel
derde omstandigheden aan te passen: ”In aanmerking ab nordwärts (…). Bedeutung: Nach Landschaften verschie-
nemend, dat, indien de Baan, die thans een breedte heeft den. In der Eifel: eingezäumte ertragreiche Wiese beim
van 11 el 38 duim (= 11,38 m), wordt gebragt op die van 4 Haus; zwischen Bonn und Köln: mit Weidengebüsch
el 55 duim (= 4,55 m) - zijnde de breedte van meest al de bestandene Wiese. Im Norden: eingezäumte Wiese, Weide.
wegen der gemeente, welke van het ene dorp naar het andere In den Kreisen Kempen und Geldren: kleines, vereinzeltes
leiden - deze voor de behoefte ruimschoots voldoende zou Waldstück. Zu lat. pascuum = Weide (Waldweide).
wezen, en dus het belang der gemeente vordert, dat de over- Auffällend ist daß das Wort in dieser Form in der westlichen
vloedige breedte van dezen weg (...) wordt te nutte Romania zu keiner Zeit greifbar ist. Und trotzdem geht
gemaakt”. rhein. Pasch/Pesch wegen mask. Geschlechts wohl nicht auf
Door de aanleg van de Staatsmijn Maurits werd de die römische Zeit zurück, sondern stammt aus dem
Napoleon(s)baan onderbroken. Bijgevolg kwam er een Romanischen” <Dittmaier, 222-225>. Ook FRINGS en
Napoleon(s)baan Noord en een Napoleon(s)baan Zuid. MÜLLER schreven: ”Der Ortsname Pesch ist nicht in die
Maar ook in die verdeling kwam er verandering. Op 4 mei römische Zeit zurückzudatieren. (...) Das Wort ist ein
1953 stelde burgemeester Van Banning de volgende ”Nota Charakteristikum des Kölner und Trierer Raumes. Es ist zu
betreffende Napoleonsbaan Noord en Zuid” op: ”Door het rechnen mit einem Verbruch aus dem Kölnischen rhein-
ontstaan van de steenberg ligt een gedeelte van de abwärts (...) hat die Bedeutung ’fruchtbare, gut bewässerte
Napoleonsbaan Zuid ten Noorden en een deel ten Zuiden (oft eingezäunte) Wiese nahe dem Hause oder Dorfe. (...)
van die berg. Dit is verwarrend. Ik stel U daarom voor het Das Hauptverbreitungsgebiet (von Päsch) ist die Eifel”
deel ten Noorden van de steenberg ook Napoleonsbaan <Frings I, 173; II, 365-366>.
Noord te noemen”. Doch ook daar bleef het niet bij. Door
verdere uitbreiding van het DSM-bedrijf werd een aanzien-
lijk stuk van de Napoleon(s)baan Zuid opgeheven.

De vroegere noordzijde van de zuidelijke tak van de Peschstraat Gedeelte van de vroegere zuidzijde van de zuidelijke tak van de
gezien vanaf de splitsing in de richting van het spoor <Tekening Peschstraat gezien vanaf de splitsing <Tekening P.A. Schols>. Hier
Twan Scheepers>. wordt de oude Peschstraat door de nieuwe Oranjelaan gekruist.

Peschstraat (dialect: Op de Pesj) Ofschoon L. LIMPENS in zijn artikel over ”Paardenstraat
(en Peschstraat)” <HJLvZ 2009, 34-38> naar bovengenoemd werk
Het toponiem Pesch gaat terug op het Latijnse pascuum (= van DITTMAIER verwees, nam hij niet diens ontkenning
weideplaats voor vee). RUSSEL schreef dan ook terecht: van een Romeinse oorsprong van het toponiem Pesch over.
”Pesch beteekent grasplaats of plaats om vee te weiden” En nadat wij op zijn verzoek om advies (in privé-correspon-
<Russel 1860, 37>. dentie) commentaar op de oorspronkelijke versie van zijn
artikel hadden geleverd, waarin wij ook de opinie van
Het toponiem Pesch dateert niet uit de Romeinse periode FRINGS en MÜLLER citeerden, verklaarde LIMPENS in
Wegens die taalkundige oorsprong heeft deze straatnaam de nieuwe (gepubliceerde) versie o.a.: ”Ik wil hem
een geschiedkundige vraag opgeroepen. Zo werd ooit in een (Schrijnemakers) echter wijzen op het feit dat een onder-
worpen volk veel van de cultuur van de overheerser over-
neemt. En tot de cultuur hoort ook de taal. Veel woorden in
het moderne Nederlands zijn afkomstig uit de tijd van de

73

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 74

Romeinse overheersing (…). Op identieke wijze is nu ook
pesch vanuit het Latijn in onze taal terechtgekomen. En of
dat nu direct of via een omweg op een later tijdstip is
gebeurd, dat maakt in deze discussie niet(s) uit” <HJLvZ 2009,
37-38>.

De zuidelijke tak van de Peschstraat gezien vanaf de spoorlijn Twee achter elkaar, aan hetzelfde erf, gelegen woningen aan de
in 1973 <Foto door de auteur>. noordzijde van de noordelijke tak van de Peschstraat. Ook die
moesten wijken voor de naar het noorden doorgetrokken
Als reactie hierop kan allereerst worden gesteld dat er geen Oranjelaan.
enkel bewijs is dat de inheemse bevolking tijdens de Trajectum dateert uit de Middeleeuwen. De andere aan het
Romeinse bezetting Latijn zou hebben gesproken, zoals in Latijn ontleende Nederlands-Limburgse toponiemen
het door LIMPENS aan SPRONCK ontleende citaat werd werden na de Romeinse bezetting uit de Romaanse streken
beweerd. En al lijkt het voor de hand te liggen dat de cultuur ingevoerd. Zelfs de plaatsnamen Wylre of Wielder, die toch
en de taal van de bezetters destijds ook hier hun invloed duidelijk uit het Latijnse villare zijn ontstaan, dateren uit de
hebben doen gelden, toch dienen de eventuele overblijfsels Merovingische periode. En de plaatsnaam Vaals, oorspron-
van de toenmalige invloed in het licht van de erop volgende kelijk o.a. Vals (uit vallum = wal) is nog later uit het
Volksverhuizing te worden geëvalueerd. Moeselgebied naar de streek van Aken gebracht. Welnu,
Bovengenoemde uitspraak van LIMPENS dat de tijd en/of onder de categorie van later in deze contreien ingevoerde
de weg van ontlening van Nederlandse woorden uit het toponiemen van Latijnse oorsprong moet volgens deskun-
Latijn hier geen verschil zou maken, moge wellicht taal- digen ook pesch worden gerangschikt.
kundig aanvaardbaar zijn, doch toponiemen hebben ook een
historisch aspect, want ze zijn ten nauwste met de ontwik- Gedeelte van de noordelijke tak van de Peschstraat gezien vanaf
keling en vestigingsgeschiedenis van plaats en streek verbon- de splitsing in 1953 <Tekening P.A. Schols>.
den. Derhalve is de tijd van het ontstaan van de Limburgse
Pesch-namen van vrij groot belang. Welnu, in de context
van de Nederlands-Limburgse toponymie komt dit
probleem in een enigszins klaarder licht te staan.
Uit klassieke bronnen blijkt dat tijdens de Romeinse periode
versies van Blerick, Heerlen, Heel en Melick in gebruik
waren, maar ondanks hun uitgang -um waren de daarvoor
opgegeven vormen Blariacum, Coriovalium, Catualium en
Mederiacum geen uit het Latijn afgeleide toponiemen; de
meestal geciteerde en Latijns lijkende spelling Coriovallum
blijkt een kopieerfout voor Coriovalium te zijn geweest. Het
is overigens een vraag of die vormen aldus in de volksmond
leefden dan wel door die auteurs (in het Keltisch ?) waren
vertaald. Het enige hedendaagse uit het Latijn afkomstige
Nederlands-Limburgse toponiem dat waarschijnlijk in de
Romeinse periode is ontstaan, is het tweede lid van de plaats-
naam Maastricht (trajectum = veerpont). De versie Mosae

74

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 75

De aan het begin van dit artikel door RUSSEL aan onze
Pesch gegeven betekenis is zeer wel van toepassing, want de
Peschstraat liep (met haar noordelijke tak) over haar gehele
lengte langs de Keutelbeek. Aangezien er tot in de 18de eeuw
gewande van de middeleeuwse Hanenhof langs de noorde-
lijke oever van dat beekje als zodanig vermeld werden, mag
allicht worden aangenomen dat de Pesch aanvankelijk een
weideplaats voor het vee van die hoeve was en daarna ook
door de vlakbij wonende dorpelingen werd gebruikt. Maar
wij weten niet wanneer dat terrein door de plaatselijke bevol-
king als Pesch werd aangeduid. Dit toponiem komt evenens
o.a. onder Puth-Schinnen en onder Sweikhuizen voor. Ook
de Munstergeleense Peterstraat heette eertijds Peschstraat
<Limpens, 14>. In België drong dit woord als Pasch en Pesch
zelfs tot Vlaanderen door en in Nederland werd het door-
heen Limburg, Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel
verspreid <Schönfeld, 21-22>.

Het einde van de noordelijke tak van de Peschstraat vóór de Bij de kanalisatie van de Keutelbeek (1929-1930) werd een
vroegere spoorwegoverweg (rechts) gezien vanaf het spoor circa passage voor voetgangers onder het spoor aangebracht. Deze foto
1965. toont de in- en uitgang aan de Bergstraat.
kant van die straat wel eerder dan de noordelijke, d.w.z. op
De straten door de Pesch de noordelijke oever van het beekje, voor woningbouw in
De beide takken van onze Peschstraat zijn kennelijk ontstaan aanmerking zijn gekomen. De passage onder het spoor werd
om aldus aan de Oud-Geleners toegang tot de Geleenbeek te bij de kanalisatie van de Keutelbeek aangebracht. (Zie ook
verschaffen. Aan het einde van de zuidelijke tak lag later een Peschelke onder nr. 7.)
brugje dat aansloot op een voetpad naar Puth, terwijl de
noordelijke tak uitkwam bij de hoogstwaarschijnlijk door De in- en uitgang van de voetgangerstunnel onder het spoor aan
een bewoner van de Hanenhof aangelegde Koebrug. En de Peschstraat in 1936.
gezien het feit dat er ooit vlak bij die hoeve een watermolen
blijkt te hebben gelegen, kan de noordelijke tak wellicht ook
als molenweg zijn gebruikt. Nadat die molen was verdwenen
en te Daniken een nieuwe graanmolen was gebouwd, koos
men vanuit de zuidelijke tak een verbinding met deze laatste
(zie Kwaad Gat). Vandaar dat die tak in de volksmond
”Meulewaeg” of ”Meulesjtraot” werd genoemd <Deel I, 60>.
(Zie ook ”Meulewaeg” of ”Meulesjtraot”.)
Zowel omwille van de functie van de Pesch als weideplaats
alsook wegens de drassige ondergrond, die bij de kanalise-
ring van de Keutelbeek in 1929-1930 aan het licht kwam,
zullen de woningen langs de Peschstraat allicht later zijn
gebouwd dan die langs de Dorpstraat (= Marcellienstraat) en
de Pieterstraat. En om dezelfde redenen zal de zuidelijke

75

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 76

Pieterstraat (dialect: Piëtersjtraot) Raadskuilderweg

Deze straat die eertijds slechts tot aan het Gasthuisvalderen, Deze wegnaam komt als zodanig in de 16de-eeuwse wegen-
d.w.z. tot aan de huidige Dohmenstraat liep, werd in 1637 beschrijving voor. Aangezien zijn noordelijk verlengde op
door pastoor Leurs Peterstraat en in 1676 door landmeter vroeger Limbrichts grondgebied Trichterweg heet(te) en zijn
Jan Bollen de oude Petrusstraat genoemd. In het eerste lid zuidelijk verlengde in de (Oude) Maastrichterweg te Geleen
zou men desgewenst de naam van de tweede Geleense uitkwam, lijkt hij in de Middeleeuwen vooral voor inter-
patroonheilige kunnen zien <Rackham, 29>. Doch dit komt ons lokaal verkeer te zijn gebruikt. Maar voor veehouders en
niet als de oorspronkelijke naamgeving voor. Aangezien landbouwers had hij tevens een lokale functie. (Voor
oude straatnamen in de volksmond ontstonden, lijkt het Raadskuil zie onder nr. 7.)
nauwelijks twijfelachtig dat die naam aan een in die straat
wonende persoon werd ontleend <Deel I, 72 en 142>. Welnu, Reinweg
personen die Peter heetten, werden gewoonlijk naar de
apostel Petrus genoemd. De naam van deze weg werd ontleend aan de veldnaam De
Rein, die tussen de Janskamperweg en de Lindjesweg liep.
Die veldnaam duidde (naar zijn betekenis) de grens van een
of meer percelen aan.

Romaniestraat: zie Romanie onder nr. 7.

De nog grotendeels landelijke Pieterstraat circa 1910 vanaf het ”Sint Huibrechts voetpaet”
centrum in zuidelijke richting. Op de voorgrond loopt de
Keutelbeek, waarover rechts (grotendeels achter een boompje) de Het voetpad dat eertijds vanuit de Pieterstraat naar de
”Dörpsbrök” ligt. Steeg(straat), thans Norbertijnenstraat, liep en waar nu het
oostelijke deel van de Van Lennepstraat loopt, werd op 30
Portonnekuilsweg en Portonnekuilstraat april 1726 als Sint Huibrechts voetpaet aangeduid <LvO nr.
1316>. Wellicht bestond er een verband tussen die naam en
De Portonnekuilsweg liep ter plaatse van de huidige het (vroegere) Gasthuis waar dat pad begon en dat daarna
Portonnekuilstraat en haar verlengde, nl. de Hyacinthlaan, schuin langs de achterkant van dat gebouw passeerde.
tot aan de Lindenlaan (= vroegere Lintheuvelsweg). De
betekenis van Portonne is ons niet bekend. (Voor Portonne- ’t Straatje
kuil: zie Kuil-toponiemen onder nr. 7.)
Deze in het noordelijke verlengde van de Norbertijnenstraat
gelegen korte verbinding tussen de Pastoor Vonckenstraat en
de Dorpstraat (= Marcellienstraat) maakte oorspronkelijk
onderdeel uit van de ”Kraewinkels Lijckweg” (9-10-1719) of
”Lijckwegh van Krawinckel” (28-11-1722). De officiële

Putstraat en Putsteeg Gedeelte van ’t Straatje. Op de achtergrond het ”Huis Hoofs”
aan de Marcellienstraat.
Deze onderdelen van de kern van het oude Lutterade
werden naar aldaar aanwezige waterputten genoemd. De
Putstraat was een zijstraat aan de noordzijde van de
Dorpstraat (= Tunnelstraat). Er was zowel een Bovenste als
een Onderste Putsteeg en beide liepen parallel met de
Dorpstraat. De Onderste Putsteeg lag ten noorden van die
Dorpstraat, terwijl de Bovenste Putsteeg ten zuiden daarvan
liep. De put waarnaar de Bovenste Putsteeg werd genoemd,
stond op de hoek met de Waterstraat <Deel I, 276; II, 394>. Al
deze straten werden aan de modernisering van Geleen
opgeofferd.

76

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 77

aanduiding is eigenlijk geen echte naam, maar bevat wel een
verwijzing naar zijn beperkte lengte. Vorige generaties gaven
daaraan de naam ”Èngwaegesjträötje” naar een destijds op de
hoek (in de Dorpstraat) wonende familie Engwegen <Deel I,
62; II, 184>. (Zie ook Kummekerstraat, in de volksmond
„’t Sjträötje”.)

In de Pieterstraat, bij de hoek van het eerste huis rechts, waar
thans de Dohmenstraat begint, lag het middeleeuwse
”Veldje(r)”.

Het zuidelijke begin van ’t Straatje aan de Pastoor Valderen(s)straat, Vouersweg, Vouershof
Vonckenstraat <Tekening Beckers>. en ’t Veldje(r)

Tomeikerweg: zie Groensey(c)kerweg of -straat Te Lindenheuvel, d.w.z. op de westgrens van het vroegere
en Tomeikerweg of -straat. Lutterade, ligt de Valderen(s)straat, eertijds Valderensweg
genoemd en te Krawinkel vindt men zowel de Vouersweg als
Urmonder wegske de Vouershof, waar voorheen het uitgestrekte Valderensveld
lag. In de Oud-Geleense Pieterstraat, ter hoogte van de
Het verloop van die vroegere weg (naar Urmond) werd later Dohmenstraat, lag vroeger ’t Veldje(r) <Deel I, 120> en in de
ingenomen door de Borneostraat en de Kampstraat (te Hegstraat werd een toponiem ’t Veltje of Veldje vermeld.
Lindenheuvel). Op 9 november 1960 werd door B. en W. besloten dat de
Valderensstraat (met ss) voortaan Valderenstraat (met s) zou
heten. De Vouersweg heette eertijds officieel Valderensweg,
maar ter onderscheiding van de zojuist genoemde gelijk-
namige weg of straat werd ze sinds 1949 met de dialectversie
Vouersweg aangeduid. De naam Vouershof is vrij recent. De
Lutterader Valderensweg splitste zich vroeger op de plek,
waar de Irisstraat, Leliënsingel en Lobeliastraat samen-
komen, in twee veldwegen die elk 2,28 m. breed waren.
De versies vouwer of vauwer geeft de plaatselijke uitspraak
weer en veldjer was een diminutief (met umlaut) en bete-
kende dus: klein valderen. Het Oud-Geleense veldje(r)

Vaart, De Een door W.J. VROMEN beschreven <Vromen, W.J., 51-52> en
door PAULISSEN getekend <Paulissen, 26> 19de-eeuws
Deze zijstraat van de Geenstraat liep tussen de grote hoeve ”vau(w)ere”. Op het korte stuk van de hefboom ligt een grote
van Lutterade (hfdst. IX B, nr. 5) en de vroegere boerderij steen.
Frenken. In de Geleense volksmond was een ”vaart” de
privé-oprit langs een bedrijfsgebouw. Derhalve mag worden
verondersteld dat De Vaart te Lutterade de toegangsweg
naar de achterzijde van de grote hoeve of van de boerderij
Frenken dan wel van beide bedrijven was.

77

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 78

De hoek tussen het oude huis Pelssers (rechts) en het latere café valderen off de slaeghboomen” <LvO nr. 1273>. Over 19de- en
Pelssers (links) toont het verschil in breedte tussen het oudste 20ste-eeuwse vauere schreef W.J. VROMEN: ”Een vauere is
gedeelte van de Pieterstraat en haar zuidelijk verlengde. Het een zeer brede en lange afsluiting van een weide in hekvorm.
”Veldje(r)” lag aan het begin van dat verlengde. Deze foto toont ’t Is eigenlijk een soort hefboom, die zijn steunpunt (hier een
in die hoek een rustaltaar tijdens de H. Sacramentsprocessie. draaipunt) heeft op een dikke paal en waarvan de korte arm
bezwaard is met een zware steen als tegenwicht voor de
wordt in de archieven steeds Gasthuisvalderen genoemd. Het zwaarte van de lange arm met het hek” <Vromen, W.J., 51-52>.
kreeg zijn diminutieve versie in de volksmond allicht omdat Een valderen had dus ongeveer dezelfde structuur als de
het korter was dan de andere Geleense valderens. Ter plaat- latere slagbomen met aanhangend hek als afsluitingen bij
se valt thans nog aan de huizenbouw te zien dat die straat spoorwegovergangen.
zich daar versmalde. Ook onder Schinnen vindt men de De officiële Middelnederlandse spelling luidde valtere, van
Veltjerweg. In de latere volksmond, toen men blijkbaar de welk woord het tweede lid tere of ter een oud woord voor
betekenis niet meer begreep, werd de r doorgaans weggelaten boom was (Engels: tree) <Dorren, 186>. Onder ”D’Eulesjtraote”
en sprak men van ’t Veldje. En hiermee ging men het aldaar zagen wij dat het tweede lid van het Duitse Holunder (=
beginnende pad naar het station Geleen-Oost aanduiden. In vlierboom) eveneens boom betekent; derhalve blijkt het
de volksmond werd dit ook Meysveldje(r) genoemd naar een tweede lid van valder(en) daarmee overeen te komen. De
aldaar op de hoek wonende familie Meys. Dit pad werd door dialectversie vauwere is nog steeds gangbaar in de zin van
de Dohmenstraat vervangen. ’hek’.
Valderens waren oorspronkelijk slagbomen waarmee ’s nachts Reeds eerder werd over de diverse valderens in Oud-Geleen,
de toegangen tot de woonkernen werden afgesloten. In Lutterade, Krawinkel en Spaans-Neerbeek uitgeweid <Deel I,
vroeger eeuwen was een inwoner ermee belast om tegen het 119-124>. Daaraan kunnen nog verdere details worden toe-
vallen van de avond de slagboom van het dichtstbijzijnde gevoegd. Zo blijkt uit de vermelding van het Daalse vauwere
valderen niet alleen neer te laten maar ook met een slot in in 1682 dat men toen reeds de dialectversie gebruikte. In
die positie vast te leggen. 1687 was er sprake van het Stuckendervalderen, dat zich
In 1710 was er in een Geleens archiefstuk sprake van ”de blijkens de context bij het huis Gadé op de Vuling bevond
en door de bewoners van dat gebouw moest worden onder-
houden <LvO nr. 1266>. In 1686 werd het ”Ricken valderen” te
Lutterade vermeld dat op de grens van het Land van
Valkenburg en het hertogdom Gulik lag en waarop van
inkomende personen tol werd geheven <LvO nr.1266>.
Aangezien daarbij een ”graeff” werd vermeld, zal dat wel een
valderen in de landweer aldaar zijn geweest, waarvan in 1710
sprake was <LvO nr. 1273> en waaraan de Valderenstraat allicht
haar naam heeft ontleend.

Veij, Op de: zie onder nr. 7.

Vuling, Op de

Een gedeelte van de vroegere Lutterader Onderste
Dorpstraat (thans Geenstraat) werd reeds eeuwen geleden als
Vuling aangeduid en in onze jeugd werd dit nog door oudere
Geleners gedaan. Soms treft men de versie Vuiling aan, maar
die geeft de indruk van een poging tot vernederlandsing te
zijn. Er is ons trouwens geen enkele aanleiding bekend om
hier een verband met vuilnis te veronderstellen. Aangezien
het terrein ten westen van die straat aldaar grotendeels door
huisweiden van de grote hoeve Stucken werd ingenomen
<Deel I, 93-94>, zou men wellicht bij wijze van hypothese aan
”Veulenweide(n)” kunnen denken en dit toponiem in die
zin verklaren. Men vergelijke de huisweiden van de
Hanenhof, die als Kauverweie (= Kalverweiden) bekend
stonden.

78

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 79

aanvoelde. Er dient dan ook duidelijk onderscheid te
worden gemaakt tussen de oude naamgeving in de volks-
mond en het meer recente officieel toekennen van zo’n
namen door de plaatselijke overheid.

Rechts het oorspronkelijke puthuisje van een toen niet meer Spontane straatnaamgeving was functioneel
gebruikte put in de Lutterader Waterstraat in 1973 <Foto door de
auteur>. Dit was het laatste Geleense puthuisje <Deel I, 276; II, 394>. In vroeger eeuwen nam de plaatselijke overheid in de dorpen
slechts uiterst zelden het initiatief om namen aan straten en
Waterstraat wegen te geven. Dergelijke namen ontstonden spontaan in
de volksmond en werden dan later gewoonlijk door de
Deze zuidelijke zijstraat van de vroegere Lutterader administratie overgenomen; wel werd dan doorgaans de
Dorpstraat (= Tunnelstraat) heeft haar naam te danken aan dialectversie vernederlandst. Op het platteland bleef de
twee (eertijds daarin staande) waterputten, waarvan er nog volksmond in dat opzicht tot in de 19de eeuw domineren.
een over is <Deel I, 77 en 276; II, 394>. Aanvankelijk strekte deze Maar ook de officiële straatnamen in de middeleeuwse
straat met woningen zich aanzienlijk verder naar het zuiden steden waren hoofdzakelijk aan de volksmond ontleend.
uit. Door de uitbreiding van de Staatsmijn Maurits werd ze Bij het toekennen van die namen werden in het oog vallen-
zo sterk ingekort dat nog slechts een klein gedeelte overbleef. de kenmerken uitgedrukt, zoals hun aard, uiterlijk of func-
tie, zoals Peschstraat, Eindstraat, Groenstraat, Hoog Steeg,
”Wèntjeraak, Op de”: Kwaad Gat en Putstraat. In andere gevallen werd de richting
zie Wienlook en ”Wèntjeraak” onder nr. 7. van een straat of weg in de naam vastgelegd; zo werden
sommige wegen naar de kerk te Oud-Geleen ’Liekwaeg’
Wolfstraat (= Lijkweg of Begrafenisweg) genoemd en werden de wegen
naar de kerk en de school, die tussen Lutterade en Krawinkel
De Wolfstraat werd genoemd naar de kadastrale aanduiding lagen, van beide zijden respectievelijk als ’Kirkewaeg’ en
Op de Wolf (zie onder nr. 7). Volgens de lokale archieven ’Sjoalwaeg’ aangeduid. Tot deze categorie behoren ook
liep daar eertijds vanaf de (H)Ongerstraat (= Onderste Daalstraat, Groenseykerstraat en Tomeikerweg. In sommige
Dorpstraat, thans Geenstraat) een voetpad, dat aansloot aan gevallen werd een straat of steeg genoemd naar een aldaar op
de Hoog Steeg (= Pastoor Vonckenstraat). Derhalve lijkt dit de hoek wonende familie of persoon; zo werd ’t Straatje in
pad in vroeger tijden onderdeel van een kerkweg te hebben Oud-Geleen in de volksmond vrij lang ’Èngwaegesjträötje’
uitgemaakt. genoemd (zie aldaar in nr. 5). Op eenzelfde manier zullen
wel de namen Trienestraat (in Spaans-Neerbeek) en
6. Straatnaamgeving vroeger Keul(en)steeg (in Hollands-Neerbeek) zijn ontstaan. Hierbij
en in onze tijd viel in het oog dat die namen zinvol waren en in zekere zin
de identiteit van de betreffende straat, weg of steeg weer-
Ofschoon als hoofdthema van deel III ”aspecten uit de leef- gaven.
wereld van vroegere Geleners” werd opgegeven, kan hier De gemeentewet van 1851 verleende aan de gemeente-
eveneens over vrij recente straatnaamgeving worden uit- besturen de uitsluitende bevoegdheid tot het geven en wijzi-
geweid, omdat daarbij - evenals dit bij van hogerhand aan- gen van straatnamen. Doch het straatnamenregister van
gebrachte veranderingen in straatbeelden het geval was - menige Nederlands-Limburgse plaats dateert niet uit
maar al te vaak weinig of geen rekening werd gehouden met genoemd jaar of van kort nadien, maar uit het laatste kwart
de traditionele aspecten en bijgevolg de ”leefwereld” van van de 19de eeuw. En pas toen werd op het platteland voor
menige autochtone Gelener zo sterk veranderde dat hij dit het eerst overgegaan tot het aanbrengen van straatnaam-
als een zekere vervreemding van de eigen geboorteplaats bordjes. Hierbij werden in beginsel uitsluitend de traditio-
nele, op de volksmond gebaseerde benamingen in verneder-
landste spellingen aangehouden. Destijds was er nauwelijks
aanleiding om nieuwe straatnamen te geven en nog minder
om bestaande straatnamen te veranderen. De meest opval-
lende uitzondering was het noemen van straten of pleinen
naar leden van het Koninklijk Huis, zoals Wilhelminaplein
in 1897/98.
Dat neemt echter niet weg dat in dit opzicht de volksmond
tot in onze tijd creatief bleef. Omdat de Strensstraat door al
te veel hondenliefhebbers werd gebruikt om er die vier-
voeters hun behoeften te laten doen, werd door een protes-

79

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 80

terende Gelener aan het begin van die straat een bord deze benaming ook meestal tot buurtnaam zal uitgroeien”
geplaatst, waarop in fraaie letters ”STRONT-STRAAT” <Bronk 9 (1961), 84>. Een belangrijk aspect van het handhaven
stond <DeLim 12-3-1987>. Van een ’functionele’ straatnaam van oude plaatselijke benamingen werd door pater
gesproken ! MUNSTERS aldus onderstreept: ”Bovendien leven derge-
lijke oude namen werkelijk voort in oude eigendoms-
Zinvolle straatnamen geven de eigenheid van overdrachten, enz., zodat bij het verloren gaan van een oude
straten of woonplaatsen weer naam zulke stukken onverstaanbaar worden” <Msg 1948, 15>.
Al die adviezen benadrukten als eerste opgave het kiezen van
Rijksarchivaris M. SMEETS schreef in 1961: ”De straat- lokale toponiemen bij de straatnaamgeving. Het viel te ver-
naamgeving is in de jaren na de Tweede Wereldoorlog voor wachten dat bij een opvallend grote uitbreiding van de
verschillende instanties een waar probleem geworden. stratenaanleg het historische reservoir van de plaatselijke
Bestond voordien slechts bij een enkele gemeente inciden- toponymie en/of geografie niet toereikend zou zijn. Maar
teel de noodzakelijkheid om bij een enigszins omvangrijke een dergelijke situatie kan ons inziens niet als excuus worden
uitbreiding een aantal nieuwe straatnamen vast te stellen, aangevoerd om het beginsel van ’zinvolle’ straatnaamgeving,
thans ondervindt de woningbouw een dergelijke uitbreiding, waardoor de eigenheid van een plaats wordt aangeduid, te
dat zelfs de vroede vaderen van het kleinste dorp in ons laten varen en nog minder om het op grove wijze te
gewest bij tijd en wijle genoodzaakt zijn om zich te bezinnen schenden. Ook de (wereldlijke en kerkelijke) geschiedenis,
op het probleem der straatnaamgeving” <Bronk 9 (1961), 82>. de landbouw, de plaatselijke nijverheid, bepaalde persoons-
Het geven van straatnamen moge dan al het (voor)recht van en familienamen, gebruiken volgens de jaarkring, het
het gemeentebestuur zijn, dit college heeft tevens een verenigingsleven en historische gebouwen kunnen namen
verplichting ten opzichte van de inwoners, want dit aspect verschaffen die de traditionele aspecten van de plaatsen
van het dagelijkse leven raakt ons allemaal. MOLL schreef: weergeven.
”Wie straatnamen ontwerpt werkt in letterlijke zin aan de
weg, een ieders domein” <MeertMoll, 37>. RAEVEN benadruk- De Geleense straatnaamgeving van 1920 tot 1944
te: ”De bewoners hebben recht op een zinvolle straatnaam;
ze moeten er vaak hun hele leven mee doen” <Geul 5 (1984), 70>. De eerste golf van nieuwe straatnamen in Nederlands-
SCHÜMMER adviseerde in dit verband: ”Zo lang mogelijk Limburg was een gevolg van de vooroorlogse industrialisatie,
zullen onze Bestuurderen er bij het geven van nieuwe straat- vooral de opkomst van de kolenmijnen. Voor Geleen kwam
namen naar onze mening naar dienen te streven, dat er die verandering met de aanleg, opbouw en uitbreiding van
- evenals in de Middeleeuwen - logisch verband blijft bestaan de Staatsmijn Maurits, die vanaf circa 1917 tot een flinke
tussen de straat en haar naam” <Schümmer, 38>. De zojuist aanwas van de lokale bevolking leidden en derhalve de nood-
genoemde archivaris SMEETS specificeerde dit als volgt: zakelijkheid van het aanleggen van nieuwe straten mee-
”Zo mogelijk zoeke men namen, die karakteristiek zijn voor brachten.
de plaats of de streek”. En hij voegde hieraan toe: ”Het geven Aanvankelijk was de nieuwe straatnaamgeving nog vrij
van juiste en verantwoorde straatnamen is een belangrijke traditioneel. Maar waar geen kadastrale gegevens beschik-
zaak. Architectonische en aesthetische eisen worden bij baar waren, moest naar nieuwe namen worden gezocht. Zo
nieuwbouw hoog opgevoerd. De straatnamen echter, die kwam er vlakbij de mijn een woonbuurt waarvan de straten
thans worden gegeven, zullen vermoedelijk nog bestaan, als naar de grote eilanden van Nederlans-Indië (= Indonesië)
onze tegenwoordige bouwwerken reeds lang door andere werden genoemd en kreeg de wijk Lindenheuvel in het begin
zijn vervangen. Zorg en rijp beraad is in deze dus zeker op van de jaren twintig een aanzienlijk aantal naar bloemen en
zijn plaats” <Bronk 9 (1961), 84>. bomen genoemde straten. Met de latere toevoeging van
LEENEN adviseerde: ”Voor het benoemen van nieuwe nieuwe straten in die wijk zou ook het aantal van dergelijke
straten, vooral in nieuwe stadsgedeelten, ga men na of daar namen toenemen. Bij de bomengroep deed zich echter het
ter plaatse reeds voorkomende, overgeleverde namen van probleem voor dat langs die straten niet steeds de met hun
wegen, velden, enz. niet kunnen dienen en alzoo in het leven naam overeenkomende boomsoort werd geplant. Die tegen-
gehouden worden” <Leenen, 43>. MOLL viel hem daarin aldus strijdigheid werd door een journalist gehekeld met de leuze:
bij: ”Het eerste werk is steeds oude plattegronden van de ”Langs een Kastanjelaan moeten geen eiken staan” <LimDag
terreinen waar de nieuwe wijk zal verrijzen te raadplegen en 10-12-1988>.
zoveel mogelijk oude namen te gebruiken” <Meert-Moll, 40>. Ook werd in 1928 in Oost-Krawinkel een begin gemaakt
SMEETS bracht een speciaal aspect aldus onder de aan- met straten naar vogels te noemen, waarbij men doorgaans
dacht: ”Meestal zal echter een dergelijke oude benaming zich een keuze uit inheemse vogels maakte. Aan dit beginsel zou
uitstrekken over een ruimte, waarop thans wellicht een worden vastgehouden bij de aanzienlijke uitbreiding van die
dozijn nieuwe straten geprojecteerd worden. De oude buurt in 1947. Tevens besteedde men destijds aandacht aan
benaming wordt dan vastgelegd als naam voor een plein of de plaatselijke geschiedenis, zoals uit Graaf Huynlaan en
voor de voornaamste straat van de nieuwe buurt, waardoor Agnes Printhagenstraat blijkt. Maar in sommige gevallen

80

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 81

werd daar vrij sterk van afgeweken. Zo werden de Annastraat Krawinkeler Romanieveld, waar nieuwe straten door weiden
en Elisabethstraat naar naaste familieleden van burgemeester en velden waren aangelegd. De voorgestelde zinvolle namen
Damen genoemd. Lupine-, Tarwe-, Klaver-, Haver-, Rogge-, Gerst- en
Tijdens de oorlog (1940-1944) bleef men trouw aan het Boekweitstraat werden van de hand gewezen en in de plaats
weergeven van plaatselijke aspecten. Zo kregen in juni 1943 daarvan kwamen de in dat kader helemaal niet passende
straten in de nieuwe wijk bij de Ridder Vosstraat de namen namen van de planeten Jupiter, Mars, Mercurius, Neptunus,
van de Geleense drossaarden Van den Stock, Corten en Saturnus, Uranus en Venus. In 1954 zou men daaraan de
Strens. In 1952 zou - op verzoek van burgemeester Van even fantasieloze en nietszeggende Komeet-, Zon-, Maan-,
Banning - het woord ”Drossaard” vóór die namen vervallen, Meteoor-, Planeet- en Sterstraat toevoegen. Wat zouden
maar zou daaronder vermeld worden in welke jaren zij die dergelijke namen aan de identiteit van Geleen kunnen
functie hebben waargenomen. bijdragen ? Ze verrieden veeleer het gebrek aan inzicht en
In september 1943 werden een paar nieuwe straten in het initiatief van de naamgevers. Aangezien die nieuwe straten
’Patersveld’ eveneens naar lokale aspecten genoemd. Zo door de weiden en akkers van inwoners van Krawinkel
werden de in Oud-Geleen speciaal vereerde heiligen Eligius waren aangelegd, was het beter geweest als ze namen hadden
en Antonius van Padua in Eloystraat en Antoniusstraat gekregen, die de herinnering zouden hebben bewaard aan de
herdacht. Bovendien werden toen een paar andere straten, families die daar vele generaties lang hadden geleefd en
wegens de nabijheid van het patersklooster (aan de gewerkt. Dergelijke namen zouden daar nog des te beter
Rijksweg), respectievelijk Carmelietenstraat en - naar een hebben gepast, omdat men aan de nieuwe hoofdstraat door
heilige van die orde (Joannes van het H. Kruis) - dat terrein de met de namen van de daarop uitkomende
Joannesstraat genoemd. straten wel erg contrasterende dialectnaam ’Op de Kraonkel’
Op 4 februari en 8 april 1942 zag het gemeentebestuur zich gaf. Niet alleen zouden naar families genoemde straten
door de Duitse bezetters gedwongen om aan de naar leden hebben getuigd van een zekere piëteit ten opzichte van de
van het Koninklijk Huis genoemde straten andere namen te autochtone bevolking die haar vertrouwde gronden had
geven. Nadat die besluiten door de commissaris van de moeten prijsgeven, maar ook zouden ze in belangrijke mate
provincie waren goedgekeurd, werd Wilhelminastraat tot tot de identiteit van wijk en stad hebben bijgedragen, terwijl
Helenastraat, Julianastraat tot Mariastraat, Bernardstraat tot die, letterlijk ”uit de lucht gegrepen” kometen-, planeten- en
Brigittastraat en Beatrixlaan tot Parklaan omgedoopt. Op 20 sterrennamen daartoe absoluut niets hebben bijgedragen.
april van dat jaar werd om diezelfde reden de Irenelaan in de Bovendien zou een naamgeving naar de plaatselijke bevol-
Pieterstraat opgenomen. Van een andere naam voor het king de overgang naar een nieuwe periode minder scherp en
Wilhelminaplein in het centrum van Oud-Geleen blijkt minder pijnlijk hebben gemaakt.
toen geen sprake te zijn geweest. Op de dag van de bevrij- Voor menige autochtone Gelener was het grote aantal
ding door Amerikaanse troepen (18 september 1944) weinig of helemaal niet toepasselijke straatnamen wel erg
werden die ingrepen meteen ongedaan gemaakt. storend. Het toekennen van deze namen lijkt vooral te
moeten worden toegeschreven aan de grootsteedse aspiraties
De naoorlogse straatnaamgeving weerspiegelde de van naoorlogse gemeentebesturen. Zo begon men in 1951
mentaliteit van B. en W. de namen van ”grote staatslieden”, ”beroemde schilders” en
”grote dichters” van elders naar Geleen te slepen. Daaraan
In de meeste gemeenten worden nieuwe straatnamen door werden vervolgens o.a. ”beroemde (buitenlandse) componis-
de raad gekozen, maar in Geleen beging deze groep ver- ten” toegevoegd. En bij de toekenning van deze laatste ging
tegenwoordigers van de plaatselijke bevolking de onvoor- men met even weinig inzicht te werk als te Krawinkel het
zichtigheid om die taak uitsluitend aan burgemeester en wet- geval was geweest. Men kan zich immers moeilijk een
houders toe te vertrouwen. Dit college achtte het doorgaans minder logische situatie voorstellen dan de hoofdstraat
zelfs niet nodig om de raad of de inwoners van zijn besluiten aldaar Spaans Neerbeek te noemen en dan aan de zijstraten
over nieuwe straatnamen op de hoogte te stellen, laat staan de namen van de componisten Chopin, Gounod, Liszt,
daarvoor goedkeuring te vragen; het liet zonder meer naam- Mozart, Ravel, Schubert, Strauss, Verdi en Weber te geven !
bordjes in de nieuwe straten aanbrengen. In 1959 werd hier- Daarentegen zou men met het noemen van die zijstraten
over in een lokale krant geklaagd <MGBode 29-10-1959>, maar naar Spaans-Neerbeekse families niet alleen een harmonisch
dit bracht niet de gewenste verandering. Wel werd na ver- geheel hebben geschapen, maar zou men tevens aan de door
loop van tijd een adviescommissie voor straatnaamgeving het gemeentebestuur van huis en hof verdreven gezinnen
ingesteld. Doch, naar de resultaten te oordelen, werd ofwel enige compensatie hebben verschaft voor hetgeen zij hadden
het verschafte advies in de wind geslagen ofwel waren de moeten verduren. Dat dit zonder enig bezwaar zou hebben
commissieleden al even onkundig als B. en W. ten aanzien gekund, blijkt uit het feit dat dit systeem in Oud-Geleen wel
van de essentiële functie van straatnamen. werd toegepast. Daar werden immers nieuwe straten naar de
De eerste ons bekende naoorlogse misgreep in het geven van families Dohmen, Gadé, Knapen, Meijs en Willen
nieuwe straatnamen had in juli 1948 plaats in het genoemd, terwijl er de Penrisstraat de herinnering bewaart

81

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 82

aan de Geleense pater Renier Penris (1745-1820) die lange <Deel I, 220-221>. Wellicht wil men aanvoeren dat zich nogal
tijd in Italië, o.a. te Loreto en te Rome, verbleef <Russel 1860, veel uit Holland afkomstige personen in Geleen hebben
78. - Deel I, 315>. gevestigd en dat daarom die praktijk van naoorlogse
Buitenlandse staatslieden, wetenschappers, uitvinders, gemeentebesturen gerechtvaardigd zou zijn. Maar dat argu-
Nobelprijswinnaars, schrijvers, dichters, schilders e.d. waren ment is niet geldig. Als Limburgers zich in het noorden van
(zijn) ’vreemdelingen’ die geen enkele directe relatie met het land vestigen, zal het hun niet invallen om te eisen dat
Geleen hadden (hebben) en wier namen bijgevolg niet de daar nieuwe straatnamen naar hun geboortestreek worden
ware identiteit van die plaats of streek kunnen weergeven of genoemd. Zij blijven Limburgers maar passen zich bij hun
daartoe bijdragen; derhalve zijn deze op de hoeken van nieuwe ’Hollandse’ omgeving aan. Derhalve kan men rede-
Geleense straten niet op hun juiste plaats. Men dient aan die lijkerwijze verwachten dat Hollanders die naar het zuiden
personen het hun toekomende respect te betuigen, maar dat zijn afgezakt, zich aan hun nieuwe ’Limburgse’ omgeving
hoeft niet zo ver te gaan dat hun namen op Geleense bord- zullen aanpassen zonder te eisen dat deze laatste aan hen
jes worden vermeld. Een dergelijke beperking geldt echter wordt aangepast.
niet voor personen die - zij het soms in een ver verleden - een Pater W. SANGERS o.s.c. (1915-1987) zette de regionale
historisch verband met Geleen hadden, zoals de heren van identiteit als volgt in een klaarder licht: ”Wij zijn eigenlijk
Valkenburg, hertogen van Brabant en van Bourgondië en de één volk geweest, de beide Limburgen en het Rijnland, maar
geliefde keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk, aan wie door politieke omstandigheden (...) zijn wij in de hoek
Geleen onderhorig was en wier namen hier ontbreken. In geduwd. (…) Limburg heeft een eigen stukje kultuur, de
opvallend contrast met die niet toepasselijke namen zoekt Maas-Rijnlandse kultuur. (...) In de toekomst zullen de
men in Geleen tevergeefs naar een Walramstraat, ofschoon politieke grenzen langzaam verdwijnen en wat dan overblijft
toch zowel een Walram van Monschau als een naamgenoot is de kultuur. In deze regio spreken we immers dezelfde taal,
van Valkenburg belangrijke en weldadige besluiten voor hun hebben we dezelfde kunst en verhalen”. Op grond hiervan
Geleense tijdgenoten hebben genomen. insisteerde hij ”dat Limburg meer chauvinistisch dient te
Ook ten aanzien van sommige nationale figuren dient het zijn en zijn eigenheid meer moet benadrukken” <MslSpr X, 1
nodige onderscheid te worden gemaakt. Zo werd Thorbecke (sept. 1987) ,14, 25 en 28>.
ons inziens ten onrechte met een Geleense straatnaam Geleen ligt in Limburg en dat zou dus ook in de straatnamen
vereerd, want met zijn anti-katholieke maatregelen heeft hij in de nieuwe wijken tot uiting dienen te komen. Sommige
als minister-president de Limburgse bevolking heel wat last regionale sociaal-politieke figuren, zoals Dr. Nolens en Dr.
bezorgd <Deel II. 143>. Ook dient hier duidelijk onderscheid Poels, werden in Geleense straatnamen erkend. Hetzelfde
tussen ’Nederlandse’ en ’Hollandse’ figuren te worden geldt voor sommige Limburgse wetenschappers, schrijvers,
gemaakt. Het lijkt niet alleen aan de uit Holland afkomstige dichters en componisten. Op grond van de verwantschap
burgemeesters maar ook aan een aantal Geleense wethouders van de door hen gebruikte dialecten met het Geleens ’’plat”
en raadsleden te zijn ontgaan dat Hollandse geschiedenis kwamen ook de auteurs Dautzenberg, Endepols,
geenszins identiek is met vaderlandse geschiedenis. In dat Olterdissen, Jaspar en Seipgens terecht voor opname in
opzicht werden zij blijkbaar beïnvloed door de op de scholen Geleense straatnamen in aanmerking (1964). Maar de daar-
gevolgde methode, waarbij de geschiedenisboekjes uitvoerig voor gekozen lokatie, namelijk vrij dicht bij de Sint-
op de onmiskenbaar roemrijke geschiedenis van Holland Janskluis, was ons inziens niet optimaal; zij zouden beter
ingingen, maar nagenoeg niets over het verleden van Limburg verder van dit historische gebouw zijn geplaatst ter ver-
meedeelden. Een van de weinige uitzonderingen was de zege- vanging van in Geleen niet thuishorende namen van ’vreem-
vierende Maasveldtocht van de Hollandse prins Frederik delingen’. Het zou zinvoller zijn geweest om de nieuwe
Hendrik in 1632, die - zonder dat dit in die boekjes vermeld straten door de vroegere gewande van de hoeve Ten Eijsden
werd - heel wat onheil in deze contreien veroorzaakte. en van de Biesenhof naar bekende ’halfers’ van die eeuwen-
Tot 1815 had Geleen absoluut niets met Holland uit te oude boerderijen te noemen en in de namen van de straten
staan. Derhalve was het niet juist om Geleense straten naar vlakbij de Kluis de herinnering aan sommige markante
historische Hollandse figuren van vóór dat jaar te noemen. bewoners van dit unieke monument vast te leggen. Dit zou
Om welke goede reden zouden de overwinningen van de nog des te zinvoller zijn geweest, omdat de daarlangs lopen-
Hollandse zeehelden Tromp, Michiel de Ruyter en Piet de straat de naam Kluis kreeg. De enige in dit verband
Heyn op Spanje aanleiding kunnen geven om in Geleen gedane concessie werd vastgelegd in de naam St.-Janstraat,
straten naar hen te noemen ? De toenmalige inwoners van omdat St.-Jan de Doper vroeger in de Kluis speciaal vereerd
Geleen waren immers geen onderdanen van de Hollandse werd en wiens naam aan dat gebouw werd gegeven.
regering, maar erkenden de katholieke koning van Spanje als Toch dient men ook ten aanzien van namen uit de eigen
de hoogste wereldlijke autoriteit. Aan het einde van de regio het nodige onderscheid te maken. Bij gelegenheid van
Tachtigjarige Oorlog moeten zij dan ook - met hun graaf het gouden jubileum van de staatsmijnen (1952) verkoos het
Huyn - sterk opgelucht zijn geweest wegens de beslissing Geleense gemeentebestuur straten naar leidende figuren uit
(1661) om die staatkundige verhouding te laten voortduren de Limburgse mijnindustrie te vernoemen. Het was echter

82

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 83

niet op zijn plaats ook personenen die niet met de Staatsmijn namen te vermelden. Ware dit eerder gebeurd, dan zou er
Maurits verbonden waren met een straatnam te eren. Dit wellicht niet zoveel onheil zijn aangericht. Naar aanleiding
gold ook t.a.v. personen die een leidende rol in de Zuidoost- van de door ons op 24 november 1988, tijdens een spreek-
Limburgse mijnbedrijven hadden gespeeld voordat met de beurt tot de leden van de Heemkundevereniging, geleverde
Geleense mijn was begonnen. kritiek <MGBode 7-12-1988. - LimDag 10-12-1988> protesteerde het
Wel valt op te merken dat het zinvol was nieuwe straten PSP-gemeenteraadslid Jan Muijtjens tegen het vlak daarop
namen te geven van in de streek of ter plaatse uitgeoefende bekend gemaakte besluit van B. en W. om de nieuwe straten
beroepen. Zo werd aan het nieuwe plein bij de vroegere bier- in het voormalige Fortunapark naar staatslieden te noemen
brouwerij in de Marcellienstraat de naam Brouwersplein en aan de straten in de nieuwe woonwijk bij de
gegeven en werd een daarop uitlopende straat Brouwers- Maastrichterbaan geografische namen uit het noorden van
straat genoemd. En nieuwe straten in de Dassenkuil kregen het land, zoals de streeknaam Betuwe en de riviernaam
namen die de herinnering bewaren aan de beroepen akker- Merwede, over te hevelen. Hoe was het mogelijk dat die
man, ketelslager, klompenmaker, kramer, kuiper, lei(en)- bestuurders niet hebben ingezien hoe absurd hun besluit
dekker, looier, mulder, plekker, slot(en)maker, schrijn- was? Muijtjens stelde voor om in de nieuwe straatnamen het
werker en vilder. Geleense mijnverleden te gedenken. Ook dat protest en
Het behoeft geen betoog dat straatnamen de identiteit van voorstel werd via een krantenartikel kenbaar gemaakt <LimDag
een plaats weergeven, als ze naar lokale personen, feiten of 11-12-1988>. Dit protest tegen die nieuwe straatnamen, die
situaties verwijzen. Zoals wij reeds zagen, werd in sommige niets met het verleden of de identiteit van Geleen hadden uit
gevallen inderdaad getracht aspecten van de geschiedenis van te staan, had slechts gedeeltelijk succes. In de genoemde
Geleen tot hun recht te laten komen door straten naar leden nieuwe woonwijk kregen de straten door de Heemkunde-
van de adellijke (later grafelijke) familie Huyn, daarmee vereniging voorgestelde namen, die de herinnering aan het
verwante families, een drietal drossaarden en oude Geleense uit Geleen verdwenen mijnwerkersberoep bewaren, zoals
families te noemen. Ook werden de uit Geleen afkomstige Kompelstraat, Houwerstraat en Mijnlampstraat <Domein, 6-7>.
vicaris-generaal prof. mgr. dr. F. Feron en prof. dr. J. Keulers Maar voor de suggesties om in de straatnamen binnen het
in hun respectieve geboortewijken terecht met een straat- vroegere Fortunapark de herinnering aan de triomfen van de
naam herdacht. Bovendien was het zeer juist Geleense voetbalclub Fortuna vast te leggen, bleken de zogenaamde
oorlogshelden en slachtoffers van oorlogsgeweld in straat- ’vroede vaderen’ doof te zijn en zij handhaafden hun betreu-
namen te gedenken. renswaardige keuze van namen van staatslieden.
Na de publicatie van het boek Geleen. Van Dorp tot Er zou nog heel wat meer commentaar op de naoorlogse
Mauritsstad (1952), waarin de sectie ”Het oude Geleen” een Geleense straatnaamgeving geleverd kunnen worden, doch uit
serie namen verschafte van personen die belangrijke rollen in bovenstaand overzicht blijkt overduidelijk dat men daarbij
de geschiedenis van Geleen hadden gespeeld, werd daaruit nogal eens ondeskundig te werk is gegaan. Het resultaat is dan
bij het geven van nieuwe straatnamen af en toe geput. Toch ook een allegaartje van zeer wel, weinig en helemaal niet
is men in dat opzicht niet al te royaal te werk gegaan. Waar passende namen, waarin bovendien maar al te veel namen
zijn de naar de Geleense burgemeesters Luijten, Arnoldts, ontbreken, die met het volste recht aanspraak op opname
Göbbels, Kubben en Smeets en naar de notarissen Russel zouden kunnen maken. In dit verband valt het wel enigszins
genoemde straten ? En ofschoon men een paar pastoors met te betreuren dat Geleen praktisch van nieuwe straten en
straatnamen herdacht, werd het voorstel om in die lijst ook straatnamen werd voorzien voordat de delen I (1998) en II
de Oud-Geleense pastoors Clocken, Van Thurne en (2005) van de Geschiedenis van Geleen werden gepubliceerd.
Houbiers op te nemen afgeketst. Bovendien heeft men nog Zij zouden ongetwijfeld goede bronnen zijn geweest om
steeds tevergeefs gewacht op straatnamen, waarin de ver- nieuwe straten naar Geleense personen, feiten of situaties te
diensten van de niet alleen in West-Europa maar zelfs tot in noemen. Gezien de ’grootsteedse’ ambities van diverse
Amerika en Azië bekende beeldhouwers Henri en Mathieu gemeentebesturen blijft het echter wellicht een open vraag of
Ramakers <Deel II, 192-195. - Hfdst. IX A, nr. 2>, de lokale en regio- die publicaties het gewenste verschil zouden hebben gemaakt.
nale geschiedschrijvers Jos. Russel en pater Elisæus Aangezien het gemeentebestuur van Sittard-Geleen een
McKenna <Deel II, 364-369> en de zo talentvolle en verdienste- straatnamencommsie heeft opgericht, waarvan sommige
lijke architect-tekenaar-historicus Pierre Schols, welke laatste leden historici zijn, valt te verwachten dat voortaan de
talrijke oude Geleense plekken heeft vastgelegd, worden nieuwe straat-, weg- en steegnamen in Geleen toepaselijk
erkend. In aansluiting hierop kan tevens worden gewezen op zullen zijn, d.w.z. aspecten van de eigenheid van Geleen
de lange lijst van namen van autochtone Geleense families, zullen weergeven.
waarvan sommige ter plaatse tot in de Middeleeuwen
kunnen worden geverifieerd. Zogenaamde ’veredeling’ van straatnamen
Jammer genoeg heeft - naar ons weten - tot eind 1988
niemand openlijk geprotesteerd tegen die zo laakbare In sommige gevallen leek het de overheid wenselijk om een
praktijk om al te veel vreemdelingen in Geleense straat- gegeven straatnaam te veranderen. Nadat er ook in Oud-

83

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 84

Geleen een Stationstraat was gekomen, werd de Lutterader geschiedenis van Geleen te ontlenen, toch was dit een
naamgenoot in Minister Ruysstraat omgedoopt; aldus werd misgreep. Men ging het boekje De Heerlijkheid Geleen
een uit de regio afkomstige staatsman om zijn vele verdien- (1860) door J. RUSSEL raadplegen. Welnu, die auteur
sten voor Limburg geëerd. Hierbij valt niet te ontkennen dat beweerde dat het - in 1945 door een vliegende bom
de nieuwe naam ook fraaier klinkt dan de vorige. Gevallen verwoeste - ’Huis op de Berg’ in de Bergstraat door een
waarin verfraaiing het hoofdmotief voor de verandering van ridder Vos bewoond zou zijn geweest <Op. cit., 37>. Doch dat
straatnamen is, worden tot de categorie ’veredeling’ was in strijd met de bekende historische feiten (zie ”Het
gerekend. In Aken had zelfs een letterlijke ’veredeling’ plaats; Huis op de Berg” in hfdst. IX Bnr. 1).
daar werd de Eselstrasse tot Edelstrasse omgedoopt. Daarnaast zijn er een paar vergissingen in de spelling van
Van deze procedure is ook voor Geleen een aantal voorbeel- straatnamen te vermelden. Zo werd op Geleense straat-
den aan te halen. Wij zagen reeds dat de (H)Ongerstraat de naambordjes zowel de versie Patrijstraat (met één s) als de
beter luidende naam Ridder Vosstraat kreeg en de spelling Patrijsstraat (met ss) aangebracht. Nadat hierop de
Lutterader Koeweg voortaan met de meer respectabele naam aandacht was gevestigd, werd de fout (met één s) gecorri-
Burgemeester Lemmensstraat werd aangeduid. Als verdere geerd.
voorbeelden van ’veredeling’ kunnen de veranderingen van De versie Salmstraat bevat niet de volledige achternaam van
Hoog Steeg in Pastoor Vonckenstraat en van Steegstraat in een aan het geslacht Huyn verwante prinses Van Salm. Ook
Norbertijnenstraat worden beschouwd. Ook de nieuwe een andere straatnaam vertoont een aantal ’tekortkomingen’
namen voor de vier Geleense Dorpstraten kunnen onder in zijn spelling. Men plaatste bordjes waarvan het ene
deze categorie worden geplaatst (zie onder nr. 5). ’Ansumburgstraat’ en het andere ’Ansemburgstraat’ als
Te Lindenheuvel werd een nieuw bejaardenhuis aan de opschrift droeg. Daarna kregen beide eenzelfde opschrift:
Kerkhoflaan gebouwd. Toen enige bewoners van dat ’Ansemburgstraat’ <DeLim 4-8-1973>. Maar de familienaam van
complex in dit toponiem een onheilspellend voorteken de laatste bezitter van het graafschap Geleen was niet
meenden te zien, werd aan de plaatselijke overheid verzocht Ansemburg maar d’Ansembourg. Men kan beide fouten niet
het te veranderen. De vroede vaderen voldeden hieraan door aan de bordjesmaker toeschrijven, want in zijn officiële
aan die laan de opfleurende naam ’Bloemenhof’ te geven. opdracht werd het hem aldus voorgeschreven.
Die paste zeer wel in de Lindenheuvelse buurt waar de Ook de versie Van der Stockstraat is niet geheel juist. De
straten naar bloemen zijn genoemd. Doch nog geruime tijd achternaam van die drossaard luidde Van den Stock. De
nadat die maatregel was genomen, kon men het bord met de verkeerde spelling werd waarschijnlijk aan het hierboven
’sombere’ naam op zijn oude plaats zien staan. Er was een genoemde boekje van RUSSEL uit 1860 ontleend.
tweede protest nodig om dit door een bord met de ’mooie- Dat ook elders soms een dergelijke fout werd begaan, blijkt
re’ naam te doen vervangen <LimDag 24-6-1986 en 16-4-1987>. uit het feit dat de uit het huis Gadé op de Vuling stammen-
Blijkbaar waren ook de in 1970 opgelegde veranderingen de priester Jan Willem Keulers (1766-1814), die pastoor te
van de naam der oeroude Lutterader Putsteeg in Van Schaesberg was (1801-1814), in zijn standplaats werd
Galenstraat en van een nog resterend deel van de vroegere vereerd met de verkeerde spelling ’Pastoor Keulenstraat’ <LvH
Lutterader Dorpstraat, dat bij de Tunnelstraat was ingelijfd, 1977-29-30>.
in Houtmanstraat als ’veredelingen’ bedoeld. Aldus kwamen
Hollandse zeevaarders uit de 16de eeuw in het hartje van het
vroegere Lutterade terecht. Dat is volkomen onverdedigbaar!
Kan het nog erger ?

Officiële vergissingen

Wij zagen reeds hoe een landmeter in 1822 Geenstraat als de
(zogenaamde) naam van de vroegere Onderste Dorpstraat
noteerde en dat dit ongeveer een halve eeuw later als de
officiële naam van die straat werd gekozen. Op de kadaster-
kaart wordt de vroegere grensweg tussen de gemeenten
Geleen en Sittard ”Moolenweg” genoemd, maar hierboven
(onder nr. 5) werd uiteengezet dat dit een verbastering van
”Moeljeweg”, d.w.z. ”Holle weg”, is. Ook zagen wij dat de
naam Hazenpadsweg op de in de volksmond ontstane
samentrekking van Haesetpaad tot Hazepaad is gebaseerd.
Al werd het besluit van 1 juli 1924 om ’Ongerstraat’ of
’Hongerstraat’ in Ridder Vosstraat te wijzigen gemotiveerd
door de prijzenswaardige wens om de nieuwe naam aan de

84

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 85

7. Oude Geleense veld- Baand (2x)
en pleinnamen
Onder Geleen lagen twee terreinen die kadastraal Baand (=
De door vroegere Geleense generaties in hun eigen tongval beemd) heetten en in het dialect ”Baendj” werden genoemd.
aan hun veldtuinen, akkers, weiden en heidegrond gegeven Een van deze lag aan de Keutelbeek ten oosten van de
namen werden in de 19de en 20ste eeuw naar hun juiste huidige straat Op de Veij, ongeveer ter plaatse van het meest
ligging zowel kadastraal als op gemeentekaarten vastgelegd. westelijke deel van het latere Burgemeester Damenpark. In
Aldus zijn ze - zij het in veel gevallen in ’vernederlandste’ onze jeugd was dat terrein grotendeels met bomen begroeid.
versies - bewaard gebleven. Maar ten gevolge van de indus- De andere Baand lag ten noorden van de straat door
trialisatie en uitbreiding van Geleen sedert circa 1917 bleven Daniken. Hij stond vaak langdurig onder water. In de zomer
slechts weinig veldnamen, zoals b.v. Dassenkuil, als wijk- werden er door de jeugd salamanders gevangen en in de
namen gehandhaafd. De meeste zijn spoorloos verdwenen. winter werd er geschaatst. Later kwam daar een stortplaats
Derhalve dient hier ook aan dat aspect van de leefwereld van van de gemeente.
vroegere Geleners de nodige aandacht te worden besteed.
Van sommige kan geen duidelijke verklaring worden Borrekuil
geboden, omdat het nog niet gelukt is hun oorspronkelijke
spelling te achterhalen of met voldoende zekerheid daartoe Deze veldnaam werd soms ook als Bornkuil vermeld, maar
te reduceren. Desondanks achten wij het van belang ook de spelling Borrekuil lijkt de meest frequente te zijn geweest.
deze veldnamen aan de vergetelheid te ontrukken. Voor de Het lijkt voor de hand te liggen dat het eerste lid van deze
locatie van de meeste hieronder besproken veldnamen op veldnaam het dialect-werkwoord ”borre” (= branden) is.
plattegronden, zie: Geleen. Van dorp tot Mauritsstad (1952), Maar er zijn ons geen zekere aanwijzingen bekend ten aan-
246-247, en Geleen door de Eeuwen heen II (1990), 78-79. zien van hetgeen daar mocht zijn verbrand. In sommige
kuilen werd aan epidemieën gestorven vee begraven.
Adel, Op den Werden dergelijke kadavers hier verbrand ? Naar die veld-
naam werd de Borrekuilstraat genoemd. Voor het tweede lid
Het terrein tussen de spoorweg Heerlen-Sittard en de zie Kuil-toponiemen.
Geleenbeek, ten noorden van de vroegere Jorisstraat, staat
kadastraal vermeld als ”Op den Adel”. In dit verband Craveld
verwees KREKELBERG naar de Duitse onderzoeker
BESCHORNER, die in het toponymisch element Adel een Dit terrein ten zuiden van Ophoven-Sittard heet in het
verwijzing naar een Romeinse nederzetting meende te zien dialect Kraveldj. Ofschoon een kraai thans in het lokale
<LimDag 19-5-1934>. Ofschoon dichtbij de kerk van Oud- dialect krao wordt genoemd en de wijknaam Krawinkel in de
Geleen een Romeinse sarcofaag werd gevonden <Deel I, 43-44> plaatselijke tongval Kraonkel luidt, is men toch algemeen van
en ook in het gebied tussen die wijk en het oudste deel van oordeel dat het eerste lid van die veldnaam die vogel
Munstergeleen vondsten uit de Romeinse tijd werden aanduidt. KREKELBERG die deze mening eveneens was
gedaan, staan wij sceptisch tegenover de toepassing van die toegedaan en in dit verband op de talrijke kra(ai)-topo-
verklaring op het Geleense toponiem. Er is ons uit de niemen wees, achtte het zeer waarschijnlijk dat daar
Romeinse periode in deze contreien immers slechts de voorheen bomen stonden waarin zich vogels van die soort
plaatsnaam Teudurum (= Tüddern, D.) bekend, terwijl de ophielden en dat de naar aanleiding daarvan ontstane naam
versie Trajectum (= Maastricht) waarschijnlijk eveneens uit gehandhaafd bleef nadat die bomen geveld waren <LimDag 3-
die tijd stamt. Ofschoon sommige toponiemen oorspronke- 2-1934>. Gezien het feit dat het terrein van het Craveld ooit
lijk uit het Latijn afkomstige elementen bevatten, zijn ze een onderdeel van het Graetbos (zie aldaar) en daarna van
toch pas later ontstaan. Volgens BACH zou Adel op een het Haeset (zie aldaar) uitmaakte, lijkt die verklaring voor de
”feuchte Stelle” wijzen <Bach II, 1, 209>. In dat geval zal dit hand te liggen.
toponiem oorspronkelijk wel een laagte langs de Geleenbeek
hebben aangeduid. Het thans ”Op den Adel” genoemde De Daal
terrein ligt niet op de vroegere plaats van die naam.
Uit de meetboeken van de landmeters Bollen blijkt dat het
terrein ten oosten van de Keutelbeek bij Krawinkel eertijds
De Dael heette; vandaar de door hen gebruikte aanduidingen
Dael-Crawinkel en Dael-Neerbeck <Deel I, 81>. Met deze laatste
naam werd kennelijk Spaans-Neerbeek bedoeld. En het ligt
voor de hand dat de Daalstraat haar naam aan die veldnaam
heeft ontleend (zie aldaar onder nr. 5).

85

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 86

Dassenkuil zekerheid uit te maken of het veronderstelde Eikholt er toen
nog stond dan wel tot een enkele boom gereduceerd was.
Betreffende het eerste lid van deze vroegere veldnaam en
thans wijknaam werd ons de vraag gesteld of dit de familie- Gasthuisveld
naam Dassen zou vertegenwoordigen. Aangezien een aldus
genoemde familie naar ons beste weten eertijds niet in Tot ver in de 17de eeuw werd het hele terrein tussen Oud-
Geleen woonde, terwijl vroegere generaties, o.a. leden van de Geleen en Neerbeek als Gasthuisveld aangeduid. Toen was
familie Diederen uit Daniken <SchOA>, in de naaste omge- het buiten het valderen in de Pieterstraat gelegen Gasthuis
ving op de dassenvangst gingen <LimDag 4-4-1958>, valt er ons het meest zuidelijke gebouw van het dorp Geleen <Deel I, 142-
inziens niet aan te twijfelen dat hier een plaats aldus werd 143>. De door een auteur uit de uitgestrektheid van die veld-
aangeduid, omdat zich daar dassen ophielden. Het is echter naam getrokken conclusie dat het Gasthuis aanzienlijk
niet zeker of hier met -kuil een door deze dieren gegraven zuidelijker zou hebben gelegen, komt niet met de in oude
hol dan wel een natuurlijke inzinking in het landschap werd documenten vastgelegde historische feiten overeen.
bedoeld. Vroeger liep de Dassenkuilderweg tot aan de Evenmin kan uit die veldnaam worden geconcludeerd - zoals
(H)Ongerstraat (= Ridder Vosstraat). Zie onder Kuil-topo- een andere auteur voorstelde - dat daarmee de gewande (=
niemen. bedrijfsgrond) van het Gasthuis zouden zijn aangeduid.
Na de Middeleeuwen geraakte dit gebouw als tijdelijke
Driekantig ”Koolhofje” verblijfplaats van doortrekkende pelgrims of andere ”gasten”
in onbruik, terwijl de in circa 1675 gebouwde Sint-Rochus-
Deze met gras en bomen begroeide driehoek werd aan de kapel - tot aan de oprichting van de Sint-Janskluis (1699) -
oostzijde begrensd door de weg die in het verlengde van de het enige gebouw tussen Oud-Geleen en Neerbeek was.
Stationstraat lag. Langs de westzijde liep de weg vanuit de Vandaar de vervanging van Gasthuisveld door Kapellerveld
Pieterstraat naar de hoeve Ten Eijsden. Ondanks zijn naam (zie aldaar).
werd deze grond niet als ”koolhofje” gebruikt, maar diende
hij soms als weideplaats voor vee. ”Glaenderkamp” (= Oud-Geleense kamp)

Exelsboom en Exelspoel Het gebied tussen de Pastoor Vonckenstraat en de
Beekhoverstraat werd eeuwenlang in de volksmond
Ten westen van de Rijksweg-Noord, vrij dicht bij de Glaenderkamp genoemd. Oorspronkelijk strekte het aldus
vroegere grens tussen de gemeenten Sittard en Geleen, werd genoemde terrein zich nog ten westen van de (latere)
sinds eeuwen een terrein aangeduid waar zowel de Exelspoel Rijksweg uit, want de plek waar café Franssen tegenover het
lag alsook de Exelsboom(en) stond(en). Op een Sittardse (vroegere) klooster van de paters karmelieten lag, werd in
kaart staat de versie Eggelspoel; vandaar de Eggelspoelder- een koopakte als ’in de Geleenderkamp gelegen’ aangeduid.
weg. Reeds in 1637 gebruikte pastoor Leurs de versie Voor de betekenis van het tweede lid, zie onder Kamp.
Exelspoel. Later werd ook de Ekselsboom vermeld. De omvang van de Geleenderkamp duidt erop dat daar een
Klaarblijkelijk wegens de versie Eggelspoel werd aan het aantal veldtuinen bij elkaar zullen hebben gelegen. En het is
eerste lid de betekenis ”echel” (= bloedzuiger) gegeven. Doch best mogelijk dat sommige van deze tuinen door gemeen-
eggel in die betekenis zou een vreemde combinatie met schappelijke hagen werden omgeven. Na de stichting van
boom zijn geweest. Een andere auteur suggereerde voor het patersklooster aan de Rijksweg ging men het middenstuk
Ekselsboom de hypothese van een mogelijke aansluiting bij van de vroegere Geleenderkamp als Patersveld aanduiden.
de Belgisch-Limburgse plaatsnaam Eksel, waarvan het eerste De ligging van die kamp toont aan dat de middeleeuwse
lid ek als ”eik” wordt verklaard, terwijl voor het tweede lid sel inwoners van Oud-Geleen hun bewerkbare gronden niet
de betekenis ”loof” werd aangenomen. Het element boom zozeer in noordelijke richting zochten. Daar lag nog lang een
zou volgens die auteur de betekenis ”slagboom” kunnen groot ongecultiveerd deel van het Haeset en ten oosten daar-
hebben <TsHKVGel 1993, nr. 2, 33>. van lagen de gewande van de Hanenhof en van de hoeve
Die auteur wees ons inziens in de juiste richting. Het komt Heimstenrade. Maar zij veranderden veeleer de Graetheide
ons als vrij waarschijnlijk voor dat de enigszins vreemd aan- naar het zuidwesten toe in vruchtbare akkers en veldtuinen.
doende versies Exel en Eggel samentrekkingen in de volks- En het lijkt best mogelijk dat ook sommige inwoners van
mond waren, waarbij tevens een omzetting van de s plaats- Lutterade daarin een aandeel hadden.
had. Het lijkt ons dan ook niet al te gezocht om het in deze
contreien vrij frequent voorkomende Eikholt, Eichholt of Giesekoel
Ekholt (= Eikenbos) als de oorspronkelijke veldnaam en zijn
uitbreiding tot Eikholtspoel te veronderstellen, waarna de In 1589 was er sprake van Ghisen nieuwe valderen te
samentrekking Exelspoel zal zijn gevolgd. Aangezien derge- Lutterade <Deel I, 121>. Het eerste deel van die aanduiding was
lijke veldnamen in de volksmond ontstonden, valt niet met allicht identiek met dat van de aldaar gelegen veldnaam

86

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 87

Giesekoel of Giesekuil, zoals eertijds het hele gebied tussen de fout li grave>, terwijl dat terrein in 1271 zonder meer Grate
latere Markt en de spoorweg Maastricht-Sittard werd werd genoemd <Hennes II, 72>. Daar de versie van 1250 werd
genoemd. Dwars door dat terrein liep de Giesekoelderweg of voorafgegaan door het zeer zeldzame Middellatijnse lid-
Giesekuilderweg tussen Krawinkel en Lutterade. In 1925 woord li (= Franse le) en de i in Graite enkel de verlenging
werd hij ten dele opgeheven en werd de rest toen tot van de a aangaf, weten wij dat men reeds vroeg van de Grate
Mauritslaan omgedoopt. Op 20 januari 1961 besloten B. en sprak. Vandaar dat het 14de-eeuwse document over de
W. dat de naam van de korte straat, die het Jubileumplein rechten en plichten ten aanzien van dat bos ”Het Bescheyt
met de Parallelweg verbindt, voortaan officieel Giesekoel zou van den Graet” werd genoemd <Deel I, 102>. Uit het gebruik
luiden. van het lidwoord valt af te leiden dat Grate toen niet zozeer
KREKELBERG verwees in verband met het eerste lid naar een unieke naam maar veeleer een algemeen gebruikt woord
het woord gies, giese of gise, dat volgens sommige Duitse was; dat was immers met veel veldnamen (met het bepalend
onderzoekers het begrip water zou bevatten <LimDag 3-2-1934>. lidwoord) het geval.
Al moge de voor dat woord opgegeven betekenis wellicht JOS. HABETS meende in het eerste lid van Graetbos(ch)
juist zijn, toch achten wij dit hier niet van toepassing. Het het bijvoeglijk naamwoord ”groot” te zien <Habets, J.,
lijkt ons veeleer voor de hand te liggen daarin de persoons- Wijsdommen, 382>. Als reactie hierop schreef THURLINGS:
naam Gijs te zien, die vroeger als Gise nogal veel voorkwam ”Waar ook wel sprake is van ’graitz’ of ’graes’ is echter aan-
en aanleiding gaf tot de familienamen Gijsen en Gieskens. nemelijker dat de aanduiding wees op grasrijkdom” <Thurlings,
(Zie Kuil-toponiemen.) 219>. Al wees de laatstgenoemde auteur ons inziens in de
juiste richting, toch lijkt hij daarbij al te veel te zijn beïn-
Graetbos en Graetheide vloed door Grasbroek, de naam van een kasteel bij
Limbricht, die ook als Gratbroch, Graetbroch, Graetbreck,
In de geschiedenis van Geleen heeft het Graetbos, en na zijn Graidbroeck en Graitzbruch voorkwam, maar pas uit de 17de
ontbossing de Graetheide, gedurende vele eeuwen een eeuw blijkt te dateren <Born, 123-126 en 193-195. - HJLvZ 1980, 11-28.
belangrijke rol gespeeld <Deel I, 62-63, 101-103, 267-271 en 401-403>. - Castrum (1991), 47-48>; derhalve kan dat toponiem niet als
Het verlies van een groot deel van die weideplaats (circa verklaringsbasis van ons Grate worden aangevoerd.
1820) betekende dan ook een echte ramp voor de Geleners Het bovengenoemde gehucht Graet bij Borgloon werd
en vooral voor de inwoners van Krawinkel en Lutterade. Bij vroeger Geroede, Geroete (1297), Gerade en Gerathe (1364)
onze poging tot verklaring van deze veldnaam zullen tevens genoemd. Wegens het voorvoegsel Ge- zag FRANQUINET
verwante toponiemen onder de loep worden genomen. daarin ”eene vereeniging van rode’s, roede’s (...).
Dialectverschil heeft in de loop der tijden dat gerode tot
De toponiemen Grathem, Graet en Graat geroth, gerath, geraeth, graeth gemaakt” <Msg 1880, 226>. Zich
De huidige spelling van de nederzettingsnaam Grathem was kennelijk hierop baserend schreef KREKELBERG ten
ook in de Middeleeuwen de meest frequente <Habets, J., Thorn aanzien van de Graetheide: ”Dit prefix (Graet-) is niets
I, 13, 17, 19, 84, 242, 251, 315, 334, 364, 392, 431>. Daarnaast kwamen anders dan het in oude geschriften voorkomende geroete,
de versies Grathen, Graithem, Grahethym, Graethem, geroede, of gerathe, gerade, of door het voorgevoegde ge, een
Graetheim, Gratheym, Gratheim en Gratem voor <Op. cit. I, 20, samenligging van rade’s of rode’s, roede’s = uitgerooide
167, 266, 284, 314, 318, 339, 343, 350, 369, 416, 511>. Uit die varianten perceelen, eenvoudig beteeken(en)d het algemeen bekende
blijkt dat de a ook vroeger lang werd uitgesproken. rode. Evenals zoo vele woorden oudtijds werden vervormd,
Het in 1116 in verband met de Maastrichtse St.-Servaaskerk geschiedde zulks ook met gerode tot geroth of gerot, gerat,
vermelde Grathem <SS I, 33> werd met het Nederlands- graet of graat” <LimDag 12-8-1933>. Hier mag niet onvermeld
Limburgse Grathem geïdentificeerd <Lexicon, 153>. Maar het blijven dat de Sittardse stadsarchivaris JAC. OFFERMANS
lijkt waarschijnlijker dat hier veeleer het dichterbij gelegen in dit verband - zonder bronvermelding - schreef: ”Geriute
Belgisch-Limburgse Grat(h)em werd bedoeld, dat in 1404 (middel-Hoogduits) en gariuti (oud-Hoogduits) en garodi
als Gratem werd vermeld <Carnoy 1948/49, 263>. Ook vindt men (oergermaans) duidt aan een door roden van bomen in
bij de Belgische plaatsen Aubel, Borgloon en Kuttekoven het bouwland herschapen stuk grond” <Offermans ca. 1946, 52 en 86>.
toponiem Graat of Graet <Carnoy, loc. cit.>. Een dergelijke analyse lijkt op ons Graet echter niet van toe-
passing. Al wijzen de middeleeuwse gewande van de kloos-
Grate: een aantal roden, een heuvelkam of een weideplaats? terhoeve van Krawinkel en van de grote hoeve van Lutterade
Het is wel interessant vast te stellen dat de enkelvoudige op uitvoerige ontginningen, toch blijkt uit de voorschriften
versie soms met het lidwoord voorkwam. Zo was er in 1300 van ”Het Bescheyt van den Graet”, waarin herhaaldelijk van
sprake van curtem sitam zu der Grath in het ”Kirchspiel” het sprokkelen van hout en het kappen van bomen sprake is,
Rommerskirchen (D.) <Lac II, nr. 1062> en werd in 1358 opt dat ”de Graet” in de 14de eeuw nog steeds een uitgebreid
Graet te Swalmen vermeld <JPGL 1921, 115>. Dit was in 1250 terrein was, waar opstaand houtgewas domineerde. Ook is
ook het geval met het Graetbos dat toen als li graite werd ons geen enkele versie van onze Graet bekend die met Ge
aangeduid <AEB nr. 10969. f. 110ro. - Bij Ernst VI, 13: de kopieer- of druk- begon of een o bevatte, terwijl de spelling Graadheide ons

87

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 88

slechts van een gemeentekaart uit 1913 bekend is. Die auteur zocht in het eerste deel allereerst een verband met
Bovendien zijn in onze streek de toponiemen op -rade van hasal, hasel en hazel in de betekenis van hazelaar en sugge-
aanzienlijk latere datum dan die op -rode. En tenslotte zou reerde daarna dat de t wel eens op het woord ter, in de bete-
het tegenstrijdig zijn geweest om een gerooid terrein als kenis van boom, kon wijzen, zodat eigenlijk haselter zou zijn
Graetbos(ch) aan te duiden. bedoeld. Daarnaast achtte hij het ook mogelijk dat het eerste
DE VRIES meende in het eerste lid van het Limburgse deel de persoonsnaam Hasto of Haasto zou bevatten. En hij
Grathem de persoonsnaam Grato of Grado te zien <Vries 1962, eindigde zijn betoog met de opmerking: ”Wie het perceel in
66>. Doch waarschijnlijk zou men in dat geval een genitief-s oude tijden goed gekend heeft, zal hier wel de beste oplos-
(*Gratshem) hebben mogen verwachten. En het kan beslist sing kunnen vinden” <LimDag 3-2-1934>.
niet op onze Graet, een zo uitgebreid en door 14 kerspels De verklaring van dit toponiem dient ons inziens in een
benutte terrein, van toepassing zijn. Ook het gebruik van het andere richting te worden gezocht. Voor een taalkundige
lidwoord doet hier aan een persoonsnaam twijfelen. afleiding kan wellicht worden verwezen naar het Frankische
In verband met het Belgische Gratem merkte CARNOY op haisi, waarvan de betekenis door Duitse onderzoekers als
dat het Nederlandse woord graat de kam van een gebergte, ”niedriger Buchenwald, der auch als Viehwiede dient” werd
”pointes” (= scherpe hoogtepunten) of ”crêtes de collines” (= weergegeven <ZfRPh 57 (1937), 36>. Op grond hiervan zou men
heuvelkammen) aanduidde <VMKAWL 1948, 8. - Carnoy 1948/49, Haeset de betekenis ’bos van struikgewas’ of ’uitgedund bos’
263>, terwijl BACH in Grat o.a. een ”Bodenerhebung des kunnen toekennen. In dit verband kan worden verwezen
liegenden Prismas” wilde zien <Bach II, 2, 548>. KÜNZEL, naar het woord heester (hees-ter) dat hetzelfde grondwoord
BLOK en VERHOEFF vroegen zich af of het eerste lid van bevat en ’struikboom’ betekent. (Zie ook (Oud) Hazepad en
ons Grathem ”rug, hoogte” betekende <Lexicon, 153>. VAN (nieuw) Haesselderstraat onder nr. 5.)
BERKEL noemde Grathem een samenstelling van heem (=
woonplaats) en grat (= rug, hoogte) <Berkel 1989, 68; 1995, 75>. Heggen, Achter de
De opmerking van LINDEMANS dat een laagte tussen twee
bergen wel eens Graat werd genoemd <Lindemans 1925, 28>, is Het terrein vlak achter de tuinen en huisweiden van de aan
hier kennelijk niet van toepassing. Het Graetbos bedekte wel de noordzijde van de Eindstraat gelegen woningen en boer-
een verhoogd plateau tussen de dalen van de Maas in het derijen - met inbegrip van de parallel met die straat lopende
westen en van de Geleenbeek in het oosten, maar die was (is) weg - werd in de volksmond Achter de Hègke genoemd en
niet zo opvallend dat men met recht van een ”heuvelkam” was kadastraal als Achter de Heggen genoteerd. Dit toponiem
kon spreken. vond zijn verklaring in het feit dat in de late Middeleeuwen
Tenslotte kan hier worden verwezen naar het door BACH aldaar een landweer met opstaande hagen werd aangebracht
aangehaalde Middelnederduitse grêt, dat ”Wiese, <Deel I, 123>. Ofschoon later die hagen verwijderd en de wallen
Weideland” betekende <Bach II, 1, § 366>. Bij de diverse grotendeels geslecht werden, bleven tot in onze tijd restan-
vermeldingen van het Graetbos bleek het een bebost terrein ten zichtbaar. Bij de opoffering van dat gebied aan de stede-
te zijn waar vee werd geweid. Dat houdt niet per se in dat dit lijke uitbreiding kwamen nog meer duidelijke sporen van die
terrein toen reeds grotendeels gerooid zou zijn. Derhalve landweer aan het daglicht. (Zie ook Hegstraat onder nr. 5.)
lijkt die interpretatie in de historische context van ons Grate
- althans van de hierboven vermelde - nog de meest zinvolle Heijens(ch)e Put(h) en In het Heimstenraad(t)
en toepasselijke te zijn.
De veldnaam Heijens(ch)e Put lag in het veld ten zuiden van
Haeset of Haezet en Haes(s)elt of Haes(s)eld Ophoven-Sittard niet ver van de middeleeuwse hoeve
Heimstenrade. De veronderstelling dat het eerste lid een
De in de Geleense archieven vermelde veldnaam Haeset, of verwijzing naar ”heide” zou zijn, komt ons zowel wegens het
Haezet, die ook een onderdeel was van Haesetstegel, tweede lid Put alsook omwille van zijn locatie als weinig
Haesetvalderen, Haesetveld, Haezetpaed en Hazetweide, sloeg waarschijnlijk voor. Op grond van die locatie lijkt het ons
op een terrein ten noorden van Oud-Geleen. Aangezien het veeleer voor de hand te liggen dat dit woord oorspronkelijk
grondwoord Haeset of Haezet luidde, waren Haeselt en Heims(ch)e met de betekenis ”van Heimstenrade” heeft
Haeseld allicht samentrekkingen van Haesetveld. Indien de geluid.
recente keuze van De Haese als de naam van een woonwijk De veldnaam In het Heimstenraad(t) bewaarde de herinne-
bedoeld was om een oude veldnaam te doen voortleven, ring aan de middeleeuwse hoeve Heimstenrade die vrij dicht
moet die spelling als onjuist worden beschouwd. bij Munstergeleen en Ophoven, maar binnen de grenzen van
De door KREKELBERG genoemde versies Haestelerveld en het kerspel, de heerlijkheid en het graafschap Geleen lag.
Haasterveld hebben wij als zodanig niet in de Geleense (Voor de verklaring van dat toponiem: zie deel I, 85.)
archieven aangetroffen; misschien werden ze aan de volks-
mond ontleend. Wegens de t staan ze opvallend dichtbij wat
als een origineel Haeseterveld dient te worden beschouwd.

88

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 89

Helmstock opgravingen nog nooit in den steek heeft gelaten. In Stein
vonden wij de hutten op Loyens kamp, Achter den kamp enz.,
Een terrein tussen Lutterade en Krawinkel, ten westen van in Elsloo op den Schuttenkamp, in Urmond bij de Kampweg,
de spoorlijn Maastricht-Sittard, waar de oudste kern van de in Sittard bij den Engelenkamp en in Beek in de buurt van
Staatsmijn Maurits ontstond, werd vanouds Helmstock den Kamp” <Beckers, 144-145>.
genoemd. Het tweede lid stock wijst op een gekapt stuk bos Doch het middeleeuwse woord kamp, dat van het Latijnse
en gezien de locatie van die veldnaam zal dat een stuk van campus in de betekenis van ”vlak veld” was afgeleid, had in
het Graetbos zijn geweest. Het eerste lid Helm- is niet zo onze streek louter de betekenis van ”veldtuin,” waar
duidelijk. Wellicht werd daarmee naar een persoon verwezen groentesoorten, oliezaden, vlas, hop e.d. werden geteeld, en
die Wilhelmus heette; in onze jeugd werd een ons bekende die ter wering van schade door vee met hagen was omsloten.
aldus geheten Gelener in de volksmond ”Helmke” genoemd. Die tuinen werden niet aangelegd op plekken die reeds voor-
dien Kamp werden genoemd; integendeel, pas nadat die
Jeukewinkel tuinen waren ingericht, gaven zij aanleiding tot het toe-
kennen van die naam. Zoals uit de door de heren Beckers
Het tweede lid van deze veldnaam betekende hoek en veelal gegeven voorbeelden blijkt, werd in sommige gevallen de
driehoek (zie onder Winkel, Op de). De betekenis van het naam van de eigenaar in de benaming opgenomen. De aan-
eerste lid is niet zo duidelijk. Was dit welllicht het diminu- leggers van sommige veldtuinen kunnen er niet het minste
tief van de voornaam Tjeu (= Matthieu) ? vermoeden van hebben gehad dat in hun grond resten van
vroegere culturen verborgen lagen. Derhalve kan er ook geen
Kalverweiden rechtstreeks verband tussen die benaming en de later aldaar
gevonden prehistorische resten worden aangenomen.
Het door de spoorlijn Heerlen-Sittard doorsneden terrein
tussen de vroegere Jorisstraat en de huidige Bergstraat werd Kampen in het vroegere Geleen
nog in de 19de eeuw als Kalverweiden aangeduid. Het betrof Onder ”Glaenderkamp” zagen wij reeds dat vanuit Oud-
hier de weiden rond de vroegere Hanenhof. JOS. RUSSEL Geleen een grote kamp tussen de Hoog Steeg (= Pastoor
heeft de naam van die weiden als Auverweiden uit de volks- Vonckenstraat) en de Beekhoverstraat werd aangelegd. Het
mond opgetekend en er een verhaal over zogenaamde toponiem Janskamp duidt erop dat een zekere Jan een veld-
”Auvermenkes” (= ondergronds verblijvende kabouters) aan tuin ten noorden van de Eindstraat aanlegde.
verbonden (zie onder ”Huize Koekamp” in hfdst. IX A, nr. Vlak ten westen van het oude Krawinkel werden ontgonnen
8). In onze jeugd werden de destijds aldaar nog ten dele aan- delen van de Graetheide de Veusjte (= Voorste = Dichtstbije),
wezige, grotendeels uitgedroogde grachten, die oorspronke- de Bäövesjte (= Bovenste = Zuidelijke) en als d’n Ungesjte (=
lijk onderdeel van een middeleeuws verdedigingsstelsel Onderste = Noordelijke) Kamp aangeduid, terwijl inwoners
waren geweest <Deel I, 124>, door hoogbejaarde Geleners aan van Lutterade ten westen van dat dorp ontgonnen delen van
”Auvermenkes” toegeschreven. de Graetheide d’n Äövesjte (= Bovenste = Zuidelijke) en d’n
Ungesjte (= Onderste = Noordelijke) Kamp noemden. Aan
Kamp en Kempke deze laatste zal de Kampstraat wel de herinnering bewaren.
Huize ”Koekamp” werd genoemd naar de - destijds binnen
Het woord kamp, dat - vaak in samenstellingen - op talrijke de grenzen van Geleen gelegen - plek waar dit complex werd
plaatsen in Limburg als veldnaam voorkomt, werd soms opgetrokken. Daar lag eertijds een kamp, die tot de aan de
verkeerd verklaard. Taalkundig is het wel uit het Latijnse westzijde van de Geleenbeek gelegen Hanenhof behoorde en
campus ontstaan, maar dat houdt geenszins in dat het de van daaruit slechts via de Koebrug toegankelijk was. Die
herinnering aan een Romeins legerkamp zou bewaren. kamp lag bij de aan de oostzijde van die beek gelegen koe-
Evenmin is het een rechtstreekse aanduiding voor een weiden. Bij de grote hoeve van Krawinkel aan de Keutelbeek
prehistorische nederzetting of welk aspect uit de voor- <Deel I, 89-92> lag de Hofkamp en bij de hoeve Ten Eijsden lag
geschiedenis dan ook. de Eijsdener kamp.
De artsen-archeologen H. en G. BECKERS, die zoveel tot Ook kwam dit woord als diminutief voor. Zo lag tussen
onze kennis van de Limburgse prehistorie hebben bijgedra- Neerbeek en Krawinkel ’t Kempke. Deze veldnaam werd later
gen, schreven na opgravingen te Urmond: ”dat hier om zoo een buurtnaam en omvatte als zodanig de woningen aan de
te zeggen het onomstotelijk bewijs geleverd werd voor de Kummekerstraat en aan de weerszijden van Rijksweg-Zuid,
sinds jaren opgezette hypothese, dat in Zuid-Limburg de ten zuiden van de Hofstaat <TsHKVGel 1990, 38. - Deel II, 139>.
oude plaatsbenaming Kamp verband houdt met een praehis-
torische nederzetting (...) treffen wij het woord kamp, als Kapellerveld
plaatsnaam (d.w.z. veldnaam), ook aan in veel andere
dorpen van Zuid-Limburg. Dit argument mogen wij niet In 1679 was er nog sprake van een stuk land int Gasthuysvelt
onderschatten, daar deze aanwijzing ons tot nu toe bij onze ontrint het Capelleke, d.w.z. de ca. 1675 gebouwde Sint-

89

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 90

Rochuskapel, maar de aanduiding Gasthuisveld zou daarna
geleidelijk door Capellerveld of Capelderveld worden ver-
drongen. Nadat in 1699 even ten noorden van dit kapelletje
een groter gebouw, de latere Sint-Janskluis, was opgericht,
schreef men aanvankelijk dat dit laatste aen de Capel of in het
Capelderveld lag. Volgende generaties, blijkbaar niet wetend
dat die benamingen naar aanleiding van de kleine kapel
waren ontstaan, hebben gemeend dat daarmee naar het
gebouw uit 1699 werd verwezen. Gezien het feit dat dit een
kapel bevatte, was die betekenisverschuiving zinvol en dus
begrijpelijk. (Zie hiervoor Gasthuisveld nr. 5 Kapellerstraat
(thans Irenelaan en Kluis) en Kapellerweg.)

Keerland of Keerweide Aan de ”Kirkhal” <Tekening Harry Janssen>.

Onder nr. 5 werd zowel Keerstraat als Straat aan de Keer of straat) aangeduid. Dat was eeuwenlang het centrum van het
Op de Keer vermeld. Waar de uit Beek (in Hollands gemeenschapsleven en zelfs nog in het begin van de 20ste
Valkenburg) komende (Oude) Maastrichterweg - die in eeuw stonden daar met de kermissen en op 1 december, feest
1845 door de Rijksweg zou worden vervangen - Krawinkel van Sinteloa (= H. Eligius), kraampjes waar o.a. snuisterijen
bereikte, werd daarin een zogenaamde ”keer”, d.w.z. te koop waren. Het is niet zonder meer duidelijk wat met het
kronkel, aangebracht, waardoor het verkeer vertraagd werd tweede lid ”hal” werd bedoeld. In sommige steden was een
en aldus beter gecontroleerd kon worden. Vandaar dat dit hal(le) een gebouw waar handel werd gedreven; maar er is
wegstuk in de archieven als ”Straat aan de Keer” wordt aan- nergens enige aanwijzing dat vlakbij die plek ooit een derge-
geduid. Waar diezelfde weg uit Sittard (in het hertogdom lijk gebouw zou hebben gestaan. Derhalve lijkt ons de meest
Gulik) komend de Eindstraat naderde, bracht men eveneens waarschijnlijke verklaring dat met kerkhal de kerktoren werd
zo’n ”keer” aan; vandaar het Keerland of de Keerweide, welk aangeduid. Wellicht kreeg die toren deze naam, omdat hij
perceel aanvankelijk langs die weg lag en waarvan bij de oorspronkelijk als een toevluchtsgebouw voor tijden van
aanleg van de Rijksweg een gedeelte in de hoek met de gevaar was opgetrokken <Deel I, 117-119>.
(H)Ongerstraat (later Ridder Vosstraat) overbleef.
Op het eerste gezicht lijkt het voor de hand te liggen dat die Klooster, Op het
”keren” in verband stonden met veiligheidsmaatregelen. Een
eventueel verband van ”keer” met het heffen van tol mag Op het Klooster was de eeuwenoude benaming van de lande-
evenwel niet bij voorbaat worden uitgesloten. In de 18de rijen van de aan de abdij van Villers (B.) toebehorende hoeve
eeuw werd er immers langs de (Oude) Maastrichterweg van Krawinkel aan de Keutelbeek, die zich ten zuiden van de
en/of zijn noordelijk verlengde, de Janskamperweg, tol Krawinkeler Dorpstraat tot aan het Graetbos, later de
geheven. In 1768 werd vermeld dat sedert enige tijd op de Graetheide, uitstrekten <Deel I, 89-92>. In de 19de eeuw
weg Maastricht-Sittard een door de Oostenrijkse overheid werden hiernaar de (wegens uitbreiding van de industrie
gevestigd tolkantoor lag en dat de Geleners - ter vermijding opgeheven) Kloosterstraat en Kloosterdwarsstraat genoemd.
van die tol - hun weg over de Graetheide hadden gekozen
<HJLvZ 1986, 69>. De juiste locatie van een of meer tollen in die Koolhoven, Achter de
tijd is ons echter niet bekend. Onder Valderenstraat etc.
zagen wij dat bij het in 1686 vermelde Lutterader Ricken Het terrein onmiddellijk ten noorden van de tuinen en huis-
valderen, op de grens van Spaans Valkenburg en het hertog- weiden van de woningen en boerderijen die ten oosten van
dom Gulik, tol van de binnenkomers werd geheven (zie de spoorlijn aan de noordzijde van de Spoorstraat lagen,
onder nr. 5). In dit geval werd die tol door een inwoonster werd Achter de Koolhoven genoemd. Koolhof heeft in zijn
van die wijk geïnd. Zij deed dit allicht in naam van de over- dialectvorm Koalef de betekenis van tuin waar groenten
heid. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de naam worden gekweekt.
Kerensheide niet dit woord keer maar de familienaam
Kerens bevat(te).

Kerkhal, Aan de

Met deze in oude documenten vermelde en eertijds ook in
de volksmond als Kirkhal levende benaming werd het plein-
tje vóór het oude kerkof aan de Dorpstraat (= Marcellien-

90

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 91

Kuil-toponiemen westen de ”Geleenderweg” naar Ophoven kruist(e), stond
een lindeboom, die in de volksmond ’t Lindje werd
Het woord kuil, dat in een aantal Geleense veldnamen, zoals genoemd. Vandaar deze veldnaam.
Asselenkuil, Borrekuil, Dassenkuil, Giesekoel, Manskuilke,
Mergelkuil, Portonnekuil, Raadskuil en Taterskuil als twee- Linj, Aan de
de lid voorkomt, wijst niet op een kunstmatig aangelegde
diepte, maar op een natuurlijke inzinking in het landschap. De plek in het hartje van het vroegere Lutterade, waar de
Dokter Beckers senior uit Beek heeft sommige van die Onderste Dorpstraat in de Bovenste Dorpstraat uitkwam,
kuilen onderzocht en daarbij kwam hij tot de bevinding dat werd in de volksmond Aan de Linj genoemd <GOA III, 19. - Deel
alle menselijke sporen ontbraken en de grondlagen in het I, 76>. Het behoeft geen betoog dat die benaming naar een
centrum van die laagten identiek waren met die langs de (vroegere) linde aldaar verwees.
rand en in de naaste omgeving. Daaruit concludeerde hij dat
die verzakkingen waren toe te schrijven aan het door Lintheuvel of Lindheuvel
scheuren en spleten wegvloeien van ondergronds zand
<Nathist Mdbl 14 (1925), 125-126>. Die scheuren waren echter niet Op een gemeentekaart van 1913 staat in de noordwesthoek
aan de ondergrondse uitbreiding van de Staatsmijn Maurits van de toenmalige gemeente Geleen de veldnaam Lintheuvel,
- die zovele putten deed leeglopen - toe te schrijven, want die terwijl een erlangs lopende weg als Lindheuvelderweg wordt
veldnamen op -kuil dateerden van lang vóór het begin van aangeduid. Deze reeds in 1822 aldus genoemde weg liep ter
die mijn. plaatse van de huidige Lindenlaan tot aan haar (denkbeeldig)
verlengde de Valderenstraat. In een notariële akte van 31
Landgraaf, De maart 1905 leest men dat toen ”den Lintheuvel tusschen den
Boschweg en den Portoenekoelweg” lag. De Bos(ch)weg liep
Het toponiem Landgraaf dat thans zowel in een wijknaam in het verlengde van de Dassenkuilderweg in noordweste-
als in een wegnaam voortleeft, gaat tot de late Middeleeuwen lijke richting en kwam op de (vroegere) grens met Sittard uit
terug. Teneinde overvallen en vooral veeroof door (aan het op de Urmonderweg, terwijl de Portoenekoelweg ten zuiden
Land van Valkenburg) vijandelijke benden te bemoeilijken, van en parallel met die Bos(ch)weg liep. Die heuvel besloeg
werd circa 1500 vanaf het gebied van het tot het hertogdom een reeds vóór 1800 gerooid terrein van circa 68 hectaren,
Gulik behorende Sittard ten westen van Lutterade, dat sindsdien uit akkers en weiden bestond, die door
Krawinkel en Beek een uit twee wallen en een of meer droge inwoners van Lutterade werden gepacht.
grachten bestaande landweer opgeworpen <Deel I, 122-123>. In Aangezien deze veldnaam aanleiding tot de van overheids-
de volksmond werd een wal met de (bij zijn oprichting ont- wege ingevoerde wijknaam Lindenheuvel heeft gegeven (zie
stane) droge gracht ”graaf” genoemd (zie onder nr. 3). onder nr. 2b) en deze laatste sindsdien in de volksmond de
Vandaar dat deze landweer door de Geleners ”De Lèntjheuvel of de Lèndjheuvel wordt genoemd, weten wij dat
Landgraaf” werd genoemd. Zij blijkt vrij dicht bij de meest de veldnaam door autochtone Geleners eveneens aldus werd
westelijke woningen van Lutterade en Krawinkel te hebben aangeduid. Maar het is niet zonder meer duidelijk welke van
gelegen. In de 18de eeuw was ze nog intact, maar tengevol- deze twee versies de voorkeur verdient. Bovendien ontstond
ge van cultivering werd ze grotendeels genivelleerd <GelEeuw I, naar aanleiding van de nieuwe wijknaam de dialectversie
92-93>. Lènjenheuvel, waarvan het eerste lid - evenals dat van
Lindenheuvel - een meervoud aanduidt. Maar deze dialect-
”Levruike, Aan ’t” versie is te recent om ter verklaring van de veldnaam te
worden aangevoerd.
De veldnaam Aan ’t Levruike was een afkorting van Aan’t Het is een vraag of Lintheuvel wel Lindenheuvel betekende,
Leef Vruike (= Aan Onze Lieve Vrouw). Hij werd ontleend want de lindeboom wordt in het Geleens dialect linj en niet
aan een Mariabeeldje dat tot in de 20ste eeuw in een kapel- lènj genoemd. (Zie de onmiddellijk voorafgaande veld-
letje in een boom hing aan de noordzijde van de viersprong namen Aan ’t Lindje en Aan de Linj.)
Molenstraat-Mauritslaan-Groenseykerstraat <Deel II, 279>. De eerste auteur die een verklaring van dat toponiem zocht,
Vandaar de Lieve Vrouwestraat, zoals eertijds het oostelijke was KREKELBERG. In verband met de elders gelegen veld-
gedeelte van de huidige Mauritslaan (tussen de naam Lind schreef hij eerst dat Lint volgens FÖRSTE-
Groenseykerstraat en de Kummenaedestraat) heette <Aelfers I, MANN de betekenis ”bij een bos(ch)” had <LimDag 19-4-1934>.
43-44. - Wauben, 43>. (Zie ook hfdst. X, nr. 4.) Een maand later vermeldde die auteur onder de titel
”Lintheuvel” dat hij bij een bezoek aan Geleen ”bij dezen en
Lindje, Aan ’t genen poolshoogte nam over om die plaats gelegen namen”
en dat hij te horen kreeg dat in Zuid-Limburg een zoete
In het midden van het gebied tussen Oud-Geleen en appelsoort lint(e) werd genoemd, ”zodat men van de veron-
Ophoven-Sittard, waar de weg uit Munstergeleen naar het derstelling uitging, dat naar deze opvatting de bedoelde

91

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 92

hoogte wel die naam kon dragen”. Doch hierop liet hij bezwaar is wel dat dergelijke toponiemen in de volksmond
volgen dat verschillende bekende etymologen daarover een ontstonden, en bijgevolg door die verklaring verondersteld
andere opvatting hadden. Volgens een (zonder bronopgave wordt dat er een Geleens woord lèntj is geweest dat ”slang”
vermelde) auteur zou het hier om een met lindebomen of ”draak” betekende. Welnu, zo’n woord met die betekenis
begroeide hoogte gaan, want Lintelo onder Aalten en onder is noch in het dialect van Geleen noch in dat van enige plaats
Haaksbergen betekent lindebos <NGN III, 346>. Vervolgens in deze regio bekend. Ingeval die bewering niet als grap
vermeldde hij de opinie van ZIMMERMANN die het prefix bedoeld was, lijkt ze ons dan ook zo’n ver gezochte, zwak
lint met het Latijnse linter (= waterovergang of overvaart) in gefundeerde en onwaarschijnlijke ”draak” van een verklaring
verband bracht en dit ook op bergoversteekplaatsen wilde te zijn dat ze ons uitnodigt om er ”de draak mee te steken”.
toepassen. Maar KREKELBERG achtte die verklaring hier Aangezien lèntj het plaatselijke dialectwoord voor lint is, kan
niet toepasselijk en schreeef: ”M. i. moeten we hier niet zóó men zich afvragen of de naam Lintheuvel in de volksmond
ver gaan zoeken, daar er een ’lint’ bestaat, dat in evenveel aan een smalle langwerpige hoogte tussen twee parallel met
namen het bewijs levert te beduiden: ’gelegen bij een bosch’. elkaar lopende wegen werd gegeven. Men spreekt immers
Als dit dus voorheen met deze heuvel het geval was, lijkt mij ook van ”lintbebouwing”.
de oorsprong eenvoudig” <LimDag 19-5-1934>. Aangezien daar-
langs de Bosweg liep, lijkt deze verklaring op het eerste ”Manskuulke”
gezicht wel toepasselijk. Maar deze veldnaam werd (naar ons
weten) pas in de Geleense archieven vermeld nadat dit De spelling van deze ten westen van Rijksweg-Noord
gedeelte van het Graetbos of de Graetheide gerooid was. gelegen veldnaam lijkt op het eerste gezicht niet vast te staan,
Bovendien ontbreken verdere details. Derhalve kan die ver- want sommigen spraken van ”Molskuulke” - vandaar de
klaring moeilijk bevestigd worden. Volledigheidshalve zij Molskuilderweg - terwijl anderen de versie ”Manskuulke”
nog vermeld dat lint elders met linnen, lijnkoek, lijnzaad of prefereerden. Zowel op grond van het kadaster als van een
lijnolie in verband wordt gebracht <Peel, 48>. gemeentelijke plattegrond uit 1913 blijkt de laatstgenoemde
Vervolgens hebben ook wij op diverse plaatsen aandacht aan de meest waarschijnlijke versie te zijn. Derhalve kan ook het
het toponiem Lèndjheuvel of Lèntjheuvel besteed, waarbij naar verhaal dat hier ooit de Geleense kantonniers met hun
KREKELBERG werd verwezen, maar geen definitieve ver- schoppen hulpeloos zouden hebben gestaan tegenover een
klaring werd geboden. Daarna heeft H. KITZEN een over- leger van mollen <DeLim 6-6-1985> gevoegelijk naar het rijk der
zicht gegeven van de hem bekende pogingen tot verklaring fabelen worden verwezen.
van dit toponiem <TsHKVGel 29 (2008), nr. 3, 41-42>. En vrij recen- KREKELBERG baseerde zijn verklaring van deze veldnaam
telijk heeft L. LIMPENS zich daarmee beziggehouden. op de aan hem verschafte verkeerde versie ”Mangkuilen”.
Onder de titel ”Heeft Geleen zijn eigen Drachenfels?” Het eerste deel mang interpreteerde hij als ”mand” (dialect
kopieerde hij een groot gedeelte van het artikel van KITZEN ”mangel”). Daarmee kwam hij tot de betekenis ”plaats waar
en liet hij daarop volgen: ”Het etymologisch woorden(boek) manden werden gemaakt” of ”plaats waar het materiaal
van Franck - Van Wijk geeft voor het Middelnederlandse en waaruit manden werden gemaakt, groeide” <LimDag 19-5-1934>.
het Oud-Hoogduitse lint de betekenis slang. Hij legt tevens
verband met lintworm / lindworm dat in het Middel- Pastoorsboum
nederlands draak betekent. (…) Het lijkt met deze betekenis-
sen een aantrekkelijke verklaring als onze voorouders de Dit in sommige notarisakten voorkomende toponiem lag bij
Lindenheuvel beschouwden als gevaarlijk gebied waar zich in de vroegere grens van de gemeenten Geleen en Sittard ten
vroegere tijden veel slangen ophielden. Misschien hield er westen van de Rijksweg. Het sloeg allicht op een of meer
zich wel een draak op waartegen de mensen van Geleen zich bomen die aan de kerk te Oud-Geleen toebehoorde(n) en
te weer moesten stellen. Het is verleidelijk, zeker in combi- waarvan de pastoor gebruik kon maken. (Zie ook Exelspoel
natie met heuvel, te spreken van Drachenfels. (…) De dialec- en Exelsboom.)
tische uitspraak Lènjenheuvel biedt ons een betekenis die
waarschijnlijk meer recht doet aan het ontstaan van dit topo- Peschelke
niem, nl. Slangenheuvel of Drakenheuvel. En dialecten
hebben altijd gelijk” <HJLvZ 2009, 31-32>. Deze versie is een diminutief van Pesch (zie Peschstraat
Hiertegen kan echter allereerst worden aangevoerd dat onder nr. 5) en ze werd generaties lang als naam aan twee
Lènjenheuvel geen onder de Geleners gangbare spelling van aan de gemeente Geleen toebehorende en voor iedereen toe-
de veldnaam Lintheuvel is geweest, maar pas naar aanleiding gankelijke - met bomen begroeide - grasplaatsen langs de
van de circa 1920 door het gemeentebestuur ingevoerde Geleenbeek gegeven. Een Peschelke lag dicht bij de molens
wijknaam Lindenheuvel is ontstaan en deze laatste geen van Munstergeleen en het andere lag tussen de hoeve Ten
jongere versie van die veldnaam is (zie Lindenheuvel onder Eijsden en de Biesenhof. Circa 1700 werden ze door de
nr. 2b). Ook is het eerste deel van Lènjenheuvel een meer- landmeters Bollen Peschke genoemd. Dit toponiem komt in
voud, terwijl dat van Lintheuvel enkelvoudig is. Het grootste andere Limburgse plaatsen ook als Peschken voor.

92

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 93

Raadskuil en Raadskuilderveld deel van de Romanie uitmaakte dan wel of deze laatste
daarbij aansloot. De school van Lutterade-Krawinkel werd
Het toponiem Raadskuil kan op het eerste gezicht wellicht op een stuk van de Romanie gebouwd (1863-1866) <Deel II,
de gedachte opwekken dat daar ooit de vergaderplaats van de 252 vv.>. Naar de betekenis van dit toponiem zoekend zou
”raad” van Geleen zou zijn geweest. Die naam werd rond men zich misschien op de soms gebruikte versie Rommelije
1700 door de landmeters Bollen als Raets Coull vermeld. De kunnen baseren. Maar het feit dat zigeuners vroeger ook wel
door J. HABETS opgegeven (vernederlandste) spelling Romanen werden genoemd, zou wellicht kunnen suggereren
Radskuil <PSHAL 1884, 433> was wel naar haar betekenis juist, dat zich daar ooit leden van dit zwerversvolk ophielden en
maar vertegenwoordigde noch de officiële noch de in de aldus aanleiding tot die naamgeving zouden hebben
volksmond levende versie. De juistheid van die benaming gegeven.
blijkt uit 18de-eeuwse archieven over de terechtstellingen
van Geleense bokkenrijders. (Voor het tweede lid kuil zie Sleutel, Op de
onder Kuil-topniemen.)
Op een oude afbeelding staat ter plekke een op een staak Het terrein ten oosten van het huidige Burgemeester
geplaatst rad afgebeeld <Deel I, 251>. Derhalve zullen in vroeger Damenpark heette vroeger De Sleutel. Er is ons echter geen
eeuwen hierop executies zijn uitgevoerd zoals dit ook elders aanknopingspunt voor de ”ontsluiting” van die naamgeving
gebeurde. Nadat de veroordeelde op dat rad was vastgebon- bekend.
den, werden zijn armen en benen met ijzeren staven
gebroken; daarna werd hij ofwel onthoofd ofwel kreeg hij de Smijthegge, Aan de
’genadeslag’. Er zijn ook illustraties van radbraken elders
bewaard gebleven, waarbij een rad herhaaldelijk - van onder- Een gedeelte van het gebied tussen de vroegere Kapellerstraat
op te beginnen - verticaal op de op de grond liggende (thans Irenelaan) en de huidige Norbertijnenstraat werd
veroordeelde werd geworpen. circa 1700 met het toponiem Smijthegge aangeduid en later
Het rad stond echter niet in een kuil. Dit blijkt uit het in de volksmond Sjmiethègk genoemd. Derhalve blijkt de
protest over de schending van de Geleense gerechtsplaats dat soms gebruikte weergave als ”Smidshegge” niet geheel accu-
de drossaard van het graafschap Geleen circa 1790 bij zijn raat te zijn. Maar zonder verdere details lijkt zekerheid ten
Sittardse collega indiende. P. Hartmans uit Leyenbroek had aanzien van zijn oorsprong en betekenis buiten ons bereik te
zich namelijk verstout om de verhoging waarop eertijds het liggen.
rad en de galgen van Geleen stonden, af te graven en met de
begane grond gelijk te maken <Deel I, 265>. Taterskuil

Ritske, Op ’t Met de naam Taters werden eertijds rondreizende handels-
lieden van gene zijde van de Maas aangeduid. Maar er is ons
De hoek waar voorheen de Kinkenweg ten oosten van de geen historisch verband tussen dergelijke personen en die
Keutelbeek op de vroegere Danikerstraat uitkwam, werd in kuil bekend. Uit de Geleense archieven blijkt dat die kuil als
de volksmond Op ’t Ritske genoemd. Die plek werd vooral begraafplaats van aan besmettelijke ziekten gestorven vee
bekend wegens het aldaar in een boom ingegroeide crucifix werd gebruikt.
<Deel I, 62>. Toen dit toponiem aan KREKELBERG werd
voorgelegd, verwees hij naar Ries, Rieske en Riske, waarin hij Valderensveld, (later Vouersveld): voor de betekenis
een verwantschap met rijzen en rijzig zag; derhalve meende
hij op het Ritske een met rijshout begroeid perceel te kunnen van dit ten zuiden van Krawinel gelegen toponiem zie
plaatsen <LimDag 19-5-1934>. Genoemde folklorist zag daarbij Valderen(s)straat onder nr. 5.
echter over het hoofd dat er een t vóór de s stond en dat
Ritske geen lange ie bevatte. De vraag of het Ritske een dimi- Veij Op de
nutief van het dialectwoord ”reets” (= spleet, smalle opening)
was, kunnen wij niet beantwoorden, omdat ons geen details Deze vrij recente straatnaam was oorspronkelijk een veld-
over de oorspronkelijke situatie ter beschikking staan. naam. KREKELBERG heeft datzelfde uitdrukkelijk ten
aanzien van het Geleense Vey beweerd. Hij liet dit woord
Romanie, In de ontstaan uit een Latijns vibiscum dat de betekenis ”straten-
scheiding” of ”afbakening” zou hebben gehad. Bovendien
Het gebied met de veldnaam Romanie, waaraan de Romanie- zocht hij daarin een verband met een Keltisch vejo dat ”ik
straat haar naam heeft ontleend, strekte zich eertijds over een omhaag”, ”ik omhein” of ”ik maak een afscheiding” zou
aanzienlijk terrein ten noorden van de Krawinkeler hebben betekend. Derhalve beschouwde hij Veij als een hek,
Dorpstraat (Spoorstraat en Kloosterstraat) uit. Het is niet dat in het dialect ”vaeke” wordt genoemd <LimDag 3-2-1934>.
duidelijk of ”Achter de Koolhoven” (zie aldaar) een onder- Niet alleen lijkt een dergelijke verklaring al te ver in de tijd
terug gezocht te zijn, maar ook duidt het lidwoord erop dat

93

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 94

de betekenis van het hoofdwoord door vorige generaties van en de Hoog Steeg (later Pastoor Vonckenstraat) woonde,
Geleners werd begrepen. Bovendien gaf KILIAEN voor opperde rond die tijd het idee om dit nieuwe plein met
veken geheel andere Latijnse equivalenten op <Kiliaen, 562>. boompjes te beplanten. Ook werd toen voorgesteld om het,
Aangezien het woord veij als zodanig niet bekend is, zal het als blijvende herinnering aan de (op handen zijnde) troons-
allicht als de samentrekking van een langer woord dienen te bestijging van de jonge koningin ”Wilhelminaplein” te
worden beschouwd. Hier mag niet uit het oog worden ver- noemen. Het plan van Haerden werd op 10 januari 1898
loren dat zowel het voorzetsel op als het lidwoord de als inte- goedgekeurd. Tevens kreeg in dat jaar het plein zijn nieuwe
grale onderdelen van die veldnaam worden gebruikt. naam.
Derhalve werd hier een specifieke plek aangeduid die Niet lang nadat ze waren geplant, werden de jonge boompjes
omwille van haar uiterlijk of haar functie van de omliggen- geknakt door een verbolgen Oud-Gelener die zich had laten
de terreinen werd onderscheiden. Het meest voor de hand wijsmaken dat het plein zou zijn vernoemd naar zijn ’liefste’
liggende samengetrokken woord lijkt ’veewei’ te zijn. Zowel die Philomena heette, welke naam in het plaatselijke dialect
uit een oude plattegrond als uit een beschrijving van het tot Mina wordt verkort. Derhalve zijn de jonge boompjes op
verloop van de Keutelbeek uit 1889 (zie onder nr. 1) blijkt oude foto’s van het Wilhelminaplein waarschijnlijk niet de
dat de veldnaam ”Op de Veij” vlakbij de (vroegere) hoeve oorspronkelijke exemplaren.
Kemenade (Kummenade) op de westelijke oever van dat Bij de renovatie van het centrum van Oud-Geleen (1975-
beekje lag. Ook andere woorden werden samengetrokken. 1980) werd het plein versmald en werd zijn naam op-
Zo werd ”broewerie” (= brouwerij) tot ”broorie” en geheven. Voordien was reeds elders in Geleen een straat naar
”voor(d)erie” (= voerderij) tot ”vrie”. Derhalve lijkt de koningin Wilhelmina genoemd. Ter herinnering aan de
afleiding van Veij uit Veewei niet al te ver gezocht. vroegere situatie bleef een café bij de ingang van de
Peschstraat de naam ”Wilhelmina” dragen.
Veldje(r), Aan ’t (Oud-Geleen): zie Valderen(s)straat
Winkel, In de
onder nr. 5.
Deze veldnaam, die ook in het tweede deel van de wijknaam
Weijerkens, Aan de Krawinkel en in de veldnaam Jeukewinkel voorkomt, had de
betekenis van hoek en in veel gevallen van driehoek <Deel I, 78-
Dit kennelijk aan de volksmond ontleende toponiem (wieër 80>. Het lijkt voor de hand te liggen dat dergelijke drie-
= vijver; wieërke = vijvertje) duidde een terrein bij de hoeken in het landschap vooral door de langs die percelen
Groenseykerstraat aan. Vlak daarbij werd in 1862-1863 de lopende wegen werden gevormd.
kerk van Lutterade-Krawinkel gebouwd <Deel II, 343>.

”Wèntjeraak” en Wienlook Wolf, Op de

Het middengedeelte van de huidige Pieterstraat werd door Het toponiem Op de Wolf dat als zodanig herhaaldelijk in de
vorige generaties Op de Wèntjeraak genoemd, terwijl het ten lokale archieven wordt vermeld, lag tussen de Rijksweg en de
oosten daarvan gelegen gebied kadastraal als Wienlook Geenstraat en gaf zijn naam aan de Wolfstraat (zie aldaar
geregistreerd staat. Hierbij denkt men onwillekeurig aan het onder nr. 5). Het is niet zonder meer duidelijk of dit topo-
gehucht Windraak of Wintraak bij Munstergeleen dat in de niem naar een persoonsnaam dan wel naar de gevreesde vier-
volksmond eveneens Wèntjeraak wordt genoemd. Welnu, voeter met die naam verwijst, al lijkt het lidwoord de twee-
niet alleen werd in onze tijd tegen de helling van de de optie aannemelijker te maken. Dat er vroeger wolven in
Wintrakerberg een wijngaard aangelegd <HJLvZ 1999, 189>, deze contreien voorkwamen, blijkt uit het onder vroegere
maar ook werd voorgesteld om in het eerste lid van dat Geleners gangbare gezegde dat ze half maart liever een
toponiem Winzer (= druiventeler) te zien <Meded. 1958, 19, nota ”wouf” dan een paard in het veld zagen. De strekking hier-
14>. Gezien het toponiem Wienlook lijkt het niet al te van was dat een al te vroeg voorjaar nadelig kon zijn voor de
gewaagd om de vraag te stellen of er misschien oorspronke- al te vroeg ontluikende en groeiende veldgewassen, omdat
lijk een veldnaam Winzerlaok of een daarop lijkende versie in nog winterweer te verwachten was.
gebruik is geweest, waaruit de dialectversie Wèntjeraak is Het Geleense terrein Wolf was verdeeld in de Grote Wolf en
ontstaan <HJLvZ 1999, 85-88>. de Kleine Wolf. Dit sloeg niet op een volwassen en een jonge
wolf of welp, maar duidde op de verschillende afmetingen
Wilhelminaplein van twee aldaar gelegen percelen. Notaris Mélotte noemde
zijn op de hoek van de Wolfstraat en de Rijksweg gebouwde
Door de demping van de Dorpspoel tusen de Dorpstraat (= woning ”Huys Op de Wolf” <GOA II, 68 en 69. -, Deel II, 138>.
Marcellienstrat) en de Peschstraat in 1897 was er in het
centrum van Oud-Geleen een plein ontstaan. Gemeente-
raadslid Servaas Haerden, die op de hoek van de Pieterstraat

94

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 95

8. Veranderingen in straat- en Sittardse straat naar de in de volksmond levende aanduiding
dorpsbeelden door brand ’Op de Brand’ genoemd. In de ”Kroniek van Geleen van
1814 tot ca. 1920” werden tussen 1827 en 1915 niet minder
Een der voornaamste oorzaken van veranderingen in het dan veertig gevallen van brand vermeld <Deel II, 44-106>. Daarbij
straatbeeld waren de veelvuldige branden in woningen, betrof het zelden slechts één enkele woning, maar vielen door-
schuren en stallen. Soms waren rampzalige branden aan gaans tevens de huizen, schuren en stallen van de naaste buren
krijgsverrichtingen toe te schrijven. Zo werden Beek, aan het vuur ten prooi. Bij de grote brand van 20 september
Neerbeek en Oud-Geleen in 1505 door een Gelderse bende 1857 in Spaans-Neerbeek gingen zelfs negentien woningen
in de as gelegd en werd Sittard in 1676/77 door Franse met hun bijgebouwen verloren <Deel II, 63-64>. In verhouding
troepen voor driekwart platgebrand <Deel I, 136 en 225-226>. tot de omvang van de Geleense bevolking weerspiegelt het
Maar dat waren grote uitzonderingen. Huisbranden werden aantal in de 19de en het begin van de 20ste eeuw afgebrande
meestal door de bewoners, inclusief kinderen, of hun naaste woningen en boerderijen dan ook een serie rampen van uit-
buren veroorzaakt. In een paar gevallen was er sprake van zonderlijke proporties. Sommige gevallen waren bijzonder
opzettelijke brandstichting en het gebeurde uiterst zelden tragisch, omdat daarbij tevens doden te betreuren waren. Zo
dat blikseminslag brand veroorzaakte. verloor de 19-jarige Maria Catharina Maessen op 21 april
Wat ook de oorzaken geweest mogen zijn, de gevolgen 1858 bij een brand aan de Peschstraat het leven en werden op
waren doorgaans veranderingen in het straatbeeld, zoals b.v. 7 juli 1896 de drie zoontjes Hubert (7 j.), Willem (5 j.) en
de hele hoek Pieterstraat-Peschstraat <Deel I, 72>. Foto’s uit het Paul (3½ j.) van het echtpaar Bovens - Everts te Krawinkel in
begin van de 20ste eeuw laten voor die tijd verrassend veel hun bed op zolder gedood <Deel II, 66 en 94>.
baksteenbouw zien. Bij een vergelijking van die bakstenen Niet alle gedupeerden waren in staat om hun woning weer
bouwsels met de lokaties van de opvallend vele panden, die op te bouwen. Aangezien verzekering van have en goed tegen
in de 19de eeuw in vlammen opgingen, krijgt men de stellige brand slechts langzaam op gang kwam, zou het verlies van
indruk dat veel van die gebouwen in baksteen de plaats van huis en haard menigeen tot de bedelstaf hebben gedoemd,
afgebrande, in de meeste gevallen allicht in vakwerk als de gemeenschap hier geen helpende hand zou hebben
opgetrokken, voorgangers hebben ingenomen. geboden. Ter verlichting van de nood der getroffen niet-
verzekerden werden soms in Geleen en naburige gemeenten
Een in 1908 afgebroken (met brikken gerestaureerd) vakwerk- collectes gehouden.
huis met strooien dak te Munstergeleen. Zelfs in de 19de eeuw In de Geleense archieven van vóór de 19de eeuw is uiterst
moeten ook in Geleen nog vrij veel van zulke gebouwen hebben weinig over branden te vinden; maar daaruit mag niet
gestaan <Fotoarchief H. Maassen>. worden geconcludeerd dat vóór 1800 branden zeldzaam
zouden zijn geweest. Ondanks het ontbreken van daarop
Branden waren vaak grote rampen betrekking hebbende lokale documenten, zijn wij over
brand in vorige eeuwen niet zonder informatie. In dat
Evenals in Einighausen gaf ook te Sittard een grote brand aan- opzicht mogen wij in de gebeurtenissen in naburige kleine
leiding tot de naam Brandstraat. Na de ’annexatie’ van de steden een zekere parallel met de situatie op het platteland
vroegere gemeente Limbricht werd de aldus genoemde zien. R. DRIESSEN heeft uit de archieven van de stadjes
Stokkem, Maaseik, Stevensweert en Thorn een groot aantal
vermeldingen van brand sedert de Middeleeuwen opgediept
en onder verwijzing naar het gezegde ”Kleine oorzaken,
grote gevolgen” beschreven. Daarbij blijkt de door hem
eveneens aangehaalde uitdrukking ”als een lopend vuurtje”
terecht op de zo opvallend vlugge en ruime verspreiding van
zoveel branden van toepassing te zijn geweest. Die auteur
wees erop dat de voornaamste oorzaak voor het zo gemakke-
lijk ontstaan en het zich zo snel verspreiden van brand in de
constructie van de gebouwen lag. In de Middeleeuwen en
ook nog een tijd daarna waren praktisch alle woningen in
houten vakwerk opgetrokken, waarbij de ruimten in het
balkenskelet door met leem bestreken takken of stro waren
opgevuld. Ook hadden ze meestal strooien daken.
Bovendien lagen die gebouwen in de meeste gevallen vlak
tegen elkaar <Limburg 84 (2005), 57-90 en 97-169>.
Op het platteland waren in die tijd eveneens verreweg de
meeste woningen, schuren en stallen in vakwerk opgetrok-
ken en van strooien daken voorzien, terwijl zij in de woon-

95

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 96

centra vlak tegen elkaar lagen <Deel I, 278. - TsHKVGeleen 1998, nr. Het brandspuithuisje op de hoek van de Rijksweg-Beekhoven-
2, 3>. Ofschoon vanaf circa 1600 een geleidelijke ’verstening’ straat. In de linkerpoort staat het vat op een kar. De beide
bij huizenbouw plaatshad, bleven vakwerk en strooien daken poorten tonen dat er ruimte voor twee brandspuiten was. Uit
tot in de 19de eeuw domineren. En al kwamen dakpannen het ontbreken van veel dakpannen blijkt dat dit huisje toen in
rond 1800 wat de prijs betrof ook voor een grotere kring een verwaarloosde toestand verkeerde <Foto door Erkens 14-6-1922>.
beschikbaar, toch duurde het nog vrij lang voordat ze stro als
dakbedekking vervingen <Eggen, 51>. Naast pannen kwamen het gemeentelijk archief vinden wij de volgende opgaven. In
ook soms leien als dakbedekking in gebruik. Maar bij de 1823 waren er zeven brandmeesters aangewezen, die elk de
volkstelling van 1826-1828 gaven nog steeds vijf Geleners verantwoordelijkheid voor een zeker aantal huishoudens
’strodekker’ als hun beroep op. hadden en over een brandhaak beschikten. Tegen 1869 was
Er moest in de 19de eeuw dan ook nog vaak worden vast- dit aantal tot acht gestegen; toen werden van gemeentewege
gesteld dat niet alleen de constructie en de ligging van de ook acht brandladders vermeld. Diezelfde opgaven werden
woningen maar ook hun strooien daken belangrijke factoren in 1878 herhaald. Maar daarna had er - blijkbaar wegens de
bij branden waren geweest. Zo schreef burgemeester in 1852 in gebruik genomen brandspuit - een geleidelijke
Lemmens van Geleen op 19 september 1844 - naar aan- reductie in aantal plaats. In 1896 waren er acht ladders en
leiding van een in de schuur van Philip Meijs ontstane brand vier haken, in 1899 en 1900 vier ladders en vier haken en in
- dat in het centrum van Oud-Geleen ”alle huizen, meestal 1910 nog slechts vier haken.
met stroo gedekt in elkander vast getimmerd” waren en Een brandhaak was ”een zware ijzeren haak, met eventueel
noemde hij dat een ”hoogst ongunstige omstandigheid” <Deel aan de tegenzijde een soort breekijzer, gemonteerd op een
II, 56>. Het ligt derhalve voor de hand dat de rode haan ook lange steel” <Eggen, 51>. Die haken dienden om in lichtelaaie
in vroeger eeuwen menigmaal op een Geleens strooien dak
zal hebben gekraaid. staande daken omlaag
Tevens valt op te merken dat brand niet steeds aan een en/of brandende muren en
ongeluk maar soms aan kwaadwilligheid was toe te schrijven. wanden omver te halen
Zo werd in 1744 de ouderlijke woning van drossaard Reinier teneinde aldus het over-
Corten te Lutterade door misdadigers in de as gelegd <Deel II, slaan van de vlammen op
391-392>. Het nieuwe complex dat in 1751 ter plaatse werd belendende of naburige
gebouwd, was grotendeels, zo niet geheel, uit baksteen gebouwen zoveel mogelijk
opgetrokken <Deel I, 136 en 243-244>. Dat zich die plaag in de te voorkomen. In de steden
tweede helft van de 19de eeuw nog in Lutterade voordeed, was er ook sprake van offi-
blijkt uit de brandstichting door J. M. in de woning van zijn ciële uit leer vervaardigde
schoonvader J. W. Eummelen op 29 april 1878, ten gevolge brandemmers, maar in
waarvan twee huizen met de erbij behorende stallen afbrand- Geleen vonden wij die niet
den <Deel II, 78>. Twee maanden later berichtte een Sittardse vermeld.
krant: ”Lutterade-Geleen. Woensdag (25 juni) heeft het In geval van brand moest
Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan, in zake zich vanuit elke woning
tegen J. M. alhier; beklaagde schuldig verklaard aan opzette- een man met een (houten)
lijke brandstichting in een gebouw waar te voorzien was, dat emmer naar de ’plek des
menschenlevens in gevaar konden worden gebracht, en hem onheils’ begeven, waar de
veroordeeld tot 10 jaren tuchthuisstraf, met bevel dat een desbetreffende brandmees-
extract van dat vonnis zal worden aangeslagen te Maastricht, Brandhaak <Limburg 84 (2005), ter dan voor de coördinatie
’s-Hertogenbosch, Geleen en Broeksittard” <DLA 29-6-1878>. 81>. van de hulpverlening ver-
Bijna drie jaren later stond in die krant het volgende alar-
merende bericht: ”GELEEN (Lutterade-Krawinkel). In zeer
weinige jaren heeft men alhier verschillende branden te aan-
schouwen gehad. Naar men zegt, heeft men weer op
sommige plaatsen lonten gevonden. ’t Is derhalve meer dan
tijd, dat men ter dege ’t oog in ’t zeil houde, om de reeds zoo
dikwijls beproefde bewoners voor verdere onheilen te vrij-
waren” <DLA 19-3-1881>.

Primitieve middelen ter bestrijding van brand

Tot het midden van de 19de eeuw beschikte men te Geleen
slechts over primitieve middelen om brand te bestrijden. In

96

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 97

antwoordelijk was. Waarschijnlijk maakte de brandmeester er bij de schepenbank geklaagd dat een herbergier-brouwer
aan de westzijde van de Pieterstraat ”daegelijcks is brouwen-
gebruik van een grote ratel om alarm te slaan en aldus hulp de en niet sonder perickel (= gevaar) van brandt of afge-
brandt te worden”. En hieraan werd het verzoek toegevoegd
in te roepen <TsHKVGel 1998, nr. 1, 4>. Volgens de mondelinge dat de schepenbank dit geval door een timmerman, een
metselaar en een schepen zou laten controleren. Hierop
overlevering werd de elders gangbare gewoonte om bij brand volgde een onderzoek ter plaatse door twee timmerlieden en
een schepen. De kosten zouden ten laste komen van degene
de kerkklokken te luiden ook in Geleen en Lutterade- die in het ongelijk zou worden gesteld <TsHKVGel 2010, nr. 3,
112>.
Krawinkel toegepast. Op 20 mei 1809 verklaarde maire Luijten dat er in de laatste
drie maanden niet minder dan drie branden in het centrum
Wat het blussen betreft, van Oud-Geleen hadden plaatsgevonden. Dit was voor hem
dan ook de naaste aanleiding om - ingevolge de wet van 17
waren de emmers alleen november 1781 - voor te schrijven dat de schoorstenen vier-
maal per jaar ”gevaegd” dienden te worden en dat bij de
maar dienstig als er vol- reparatie van versleten schouwen - waarbij geen hout te pas
mocht komen - deze tot op minstens drie voet boven het dak
doende water kon worden dienden te worden verhoogd. Ook verbood hij ”met
brandende pijpen te gaen het sij met of sonder stupsels (=
aangedragen. In dat op- deksels) tabac te roucken ter plaetse waer hoij of stroij ligt of
daer in te gaen met ander luchten (= lantaarns) dan rondom
zicht hadden Oud-Geleen en wel en vast toe gemaeckt”. Overtreders zouden een boete
van 200 francs oplopen. Deze voorschriften werden zowel
en Neerbeek het voordeel door de bode omgeroepen als ”geafficheerd (= aangeplakt)
op dat niemand de onweetenheijt kan pretendeeren (= voor-
dat ze bij de Keutelbeek wenden)”. De Geleners kregen acht dagen de tijd om de
voorgeschreven maatregelen te nemen.
lagen. Ofschoon het beek- Op 15 december 1812 vond Luijten het andermaal nodig
dergelijke waarschuwingen te laten horen. Zo bracht hij de
water bij de grote brand wet in herinnering, waarbij het verboden was in de straten
op een afstand van 30 of minder passen van de huizen iets te
van Spaans-Neerbeek in verbranden. Ook herhaalde hij toen het verbod om met aan-
gestoken tabakspijpen stallen of schuren binnen te gaan,
1857 niet toereikend bleek waar zich stro, hooi of ander licht ontvlambaar materiaal
bevond. Aangezien men zich daar slechts met welgesloten
te zijn, heeft dat riviertje in lantaars mocht begeven, beval hij ieder gezinshoofd binnen
tien dagen zo’n lantaarn aan te schaffen. En de in 1809
het centrum van Oud- gegeven voorschriften betreffende schoorstenen herhalend,
voegde hij daar nog aan toe dat de schouwen van huizen,
Geleen ertoe bijgedragen brouwerijen, distilleerderijen, ovens, fabrieken (stroop-
stokerijen ?) en smidsen tweemaal per jaar, nl. op 15 april en
dat sommige branden 15 oktober, geïnspecteerd en zo nodig gerepareerd moesten
worden. De schoorstenen die in vervallen staat verkeerden,
beperkt bleven. West- moesten worden afgebroken om aldus zowel brand te voor-
komen alsook te vermijden dat voorbijgangers door vallend
Krawinkel en Lutterade gesteente zouden worden gekwetst <GAG nr. 22. - Deel I, 406. -
TsHKVGeleen 1991, nr. 1, 6-7; 1998, nr. 2, 4>.
konden bij brand lange tijd Al die richtlijnen ter voorkoming van brand bleven van
kracht nadat de gemeente Geleen in 1815 een onderdeel van
Lederen brandemmer <Limburg slechts uit door regenwater de Nederlandse provincie Limburg was geworden. Op 21
april 1826 besloot de gemeenteraad om aanvullende voor-
84 (2005), 81>. gevoede poelen scheppen; schriften uit te vaardigen. Ten eerste zouden vanaf 1 juli
geen ovens meer mogen worden gebruikt die niet minstens
na de aanleg van putten in 100 Nederlandse el van alle woningen en gebouwen ver-

die wijken werd de blussituatie iets gunstiger.

Voorschriften ter voorkoming van brand
(1809, 1812 en 1826)

Dat reeds drie eeuwen geleden in Geleen van hogerhand
controle op mogelijke brand veroorzakende situaties werd
gehouden, blijkt uit het volgende geval uit 1710. Toen werd

Gemeenschappelijke brandbestrijding in vroeger tijden.
Emmers worden in een poel met water gevuld en dan door-
gegeven naar een man op een ladder. Op de linker ladder
hanteert een man een brandhaak, terwijl in het midden nog
iemand met zo’n haak toesnelt. Rechts arriveert de door een
paard getrokken brandspuit <Tekening Harry Janssen>.

97

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 98

wijderd lagen en waarvan de eromheen gebouwde bakhuizen Toen de kwestie op 18 januari 1828 in behandeling werd
niet met leien of pannen gedekt waren. Ook werd verboden genomen, werd niet alleen nadrukkelijk op de nijpende
om boven op ovens die in bedrijf waren of op ”ongezolder- financiële situatie gewezen, maar werd bovendien de lauwe
de” bakhuizen enigerlei brandstof te bewaren of ”aan deze reactie van de raad als volgt gerationaliseerd. Aangezien in de
ovens eenige stroohagen tegen den wind te plaatsen”. uitgestrekte gemeente Geleen bijna overal gebrek aan water
Bovendien mochten ”graan-, stroo- of hooimijten” niet bestond, waren in de strijd tegen het vuur nog onlangs de
dichter dan 25 Nederlandse el bij zo’n bakoven worden brandhaken, waarover elke wijk beschikte, ”de noodigste en
opgericht. Verder was ”elken inwoner die beesten (= rund- doelmatigste bluschgereedschappen” gebleken. Hiermee had
vee) heeft, en gevolgelijk alle oogenblikken in den val (= men meer kunnen uitrichten dan met de aanwezige brand-
ingeval) kan zijn van met ligt (= licht) in de stallen te moeten spuiten, die men trouwens, indien onontbeerlijk, uit Sittard
gaan”, verplicht zich van een ”behoorlijke” (d.w.z. gesloten) en Limbricht kon laten komen. Derhalve werd Gedepu-
lantaarn te voorzien. ”Om alle bedrog voor te komen (= te teerde Staten verzocht de gemeente Geleen van genoemde
voorkomen) zouden deze lantaarns met het nummer der verplichting te ontheffen. Het zou nog ruim 24 jaar duren
huizen geteekend zijn”. voordat de plaatselijke autoriteiten tot het aanschaffen van
Tenslotte dienden de schoorstenen tweemaal per jaar, nl. in een brandspuit overgingen.
april en oktober, op rekening van de eigenaars te worden
geïnspecteerd en ”gevaagd”. Voor schoorstenen in huizen De eerste brandspuit (1852)
met slechts één verdieping zouden de kosten 10 cent
bedragen; voor hogere schoorstenen zou dit 15 cent zijn. De brand van 2 juli 1851 in de Eindstraat en die van 24
Voor behoeftigen waren die verrichtingen echter gratis. Een maart 1852 op de Vuling <Deel II, 59-60> waren voor het
schoorsteen die niet in goede staat werd bevonden, mocht gemeentebestuur blijkbaar de nodige stimulans om een dras-
niet worden gebruikt. Als de situatie na tien dagen niet tische maatregel te nemen. Op 16 april 1852 werd besloten
verbeterd mocht zijn, zou het achterstallige onderhoud op een brandspuit aan te schaffen en deze koop niet aan te
kosten van de eigenaar gebeuren. besteden maar met ”eenen bekwamen werkman” aan te
gaan. Op 11 juni 1852 bleek dat er toch een aanbesteding
had plaatsgehad; men was heel tevreden over de koopprijs.
Aan Gedeputeerde Staten werd later gemeld dat de gemeen-
te in 1852 voor 420 gulden een brandspuit had besteld.
Op 15 oktober van dat jaar werd, op voorstel van raadslid en
oud-burgemeester Lemmens, een speciale premie uitgeloofd
”aan dengenen, welke in (ge)val van brand binnen de
gemeente de gemeentespuit ter plaatse van het ongeluk zal
hebben aangevoerd”. Later zou blijken dat die beloning drie
gulden bedroeg.

De eerste Geleense motorbrandspuit. Nogmaals voorschriften ter voorkoming en ter
bestrijding van brand (1852)
Brandspuit van hogerhand voorgeschreven,
maar in Geleen niet aangeschaft (1827-28) Naar aanleiding van het aanschaffen van een brandspuit
voelde het gemeentebestuur de behoefte om oude voor-
Het Koninklijk Besluit van 29 augustus 1827, waarbij elke schriften ter voorkoming van brand te herhalen en nieuwe
gemeente de opdracht kreeg een brandspuit aan te schaffen, bepalingen voor het blussen uit te vaardigen. Op 15 oktober
werd op 27 september 1827 via Gedeputeerde Staten aan de 1852 stelde men niet minder dan 24 artikelen op, waarin
bestuurders van Geleen doorgegeven. Voor de laatstgenoem- o.a. het leggen van geheel nieuwe daken van stro werd
den kwam die verplichting echter ongelegen, want het verboden en voorschriften werden gegeven betreffende het
bouwen van een nieuwe school en het inrichten van de op- en inrichten van schoorstenen, het omgaan met
onderwijzerswoning kostten meer dan 4.000 gulden, zodat brandende of licht brandbare stoffen, het afschieten van
toen de gemeentekas geen andere grote uitgaven toeliet. vuurwerk en vuurwapens, het met strofakkels ontharen van
geslachte varkens en het plaatsen van graanmijten. Daaraan
werden de volgende richtlijnen voor het bestrijden van
brand toegevoegd:
”(25) Indien brand ontstaat, zullen de ingezetenen en alle ter
plaatse aanwezige personen zooveel mogelijk tot het blus-
schen de hand moeten leenen en gehouden zijn om de
bevelen, die hun te dien opzigte door of van wege de bij den

98

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 99

brand de directie hebbende personen worden gegeven, Bij de verbreding van de Beekhoverstraat in dat jaar werd het
stiptelijk op te volgen. gesloopt <Deel II, 61. - GOA II, 77>.
(26) Geene gebouwen of gedeelten van die zullen, tot beteu- Op 27 juni 1862 werd op de gemeentelijke begroting een
geling van den brand, mogen worden omvergehaald zonder bedrag van 30,69 gulden gereserveerd om daarmee de repa-
uitdrukkelijk bevel van dengenen, die bij den brand de ratie van de brandspuit door een Sittardse ”brandspuiten
directie heeft. fabrikant” te bekostigen. In 1868 werd in het jaarverslag
(27) De plaats alwaar de brand is ontstaan, zal door genoteerd dat er - volgens opdracht van het provinciaal
personen, door Burgemeester en Wethouders aangewezen, bestuur - drie oefeningen met de brandspuit waren gehou-
worden afgezet, ter voorkoming van dieverij, en opdat men den en dat alles zich ”in den besten staat” bevond. De
de middelen tot blussching van den brand aangewend, niet ”brandgasten” waren vrijwilligers.
belemmere, zal eenieder gehouden zijn van de afgezette
plaats te eerbiedigen. Beschrijving van de brandspuit en van een
(28) Nadat men de vlammen geheel is meester geworden, blussing naar ooggetuigen
doch de verbrande voorwerpen nog smeulende zijn, zullen
de spuiten met de daarbij behoorende manschappen aldaar Het tot in de 20ste eeuw gebruikte toestel werd door E.
tegenwoordig moeten blijven ten einde bij verdere uitbars- FIJTEN, volgens door hem van ooggetuigen vernomen
ting van de vlam bij de hand te zijn om water te geven en wel details, aldus beschreven: ”Op een soort boerenkar (’schlaag-
zoo lang tot dat men zich van de geheele blussching ver- kar’) stond een vat met een inhoud van enkele honderden
zekerd kan houden. liters. Dit reservoir was voorzien van twee wielen en ter
(29) Het zal een ieder vrijstaan de diensten waartoe hij, uit weerszijden waren twee handpompen aangebracht. De ene
kracht der art. 27 en 28 mogt worden opgeroepen, door pomp diende voor het aanzuigen van water uit ’de brandj-
eenen plaatsvervanger te doen waarnemen of voor geld af te pool’ (een grote kuil waarin zich meestal wel regenwater
koopen; wil iemand van dit laatste middel gebruik maken, bevond) en de andere pomp om dit aangezogen water uit de
dan zal hij dadelijk na de oproeping in de gemeentekas tank via de brandslangen te persen in de richting van de
storten vijftig cents voor elken dag arbeids, gedeelten van vuurhaard. Ter plaatse van de brand aangekomen werd deze
dagen voor geheele berekend. ’brandspuit’ van de kar gehesen en zo opgesteld dat er water
(30) Een ieder onder wiens bewaring, ter gelegenheid van kon worden aangezogen én het vuur kon worden bestreden.”
den brand, goederen zijn gekomen, zal gehouden zijn daar- Hierop liet die schrijver volgen: ”Wanneer er in vroeger
van binnen de 24 uren behoorlijk aangifte te doen bij het tijden brand gesignaleerd werd, waarschuwde de ontdekker
hoofd van het plaatselijk bestuur.” onmiddellijk iemand in de buurt (’oet de naoberschap’) die
In de hierop volgende laatste twee artikelen van die verorde- een paard bezat om hiermee de brandspuit te gaan halen in
ning werd het opsporen en bekend maken van overtredingen de Beekhoverstraat. Vervolgens werd zo snel mogelijk de
door de bevoegde autoriteiten vermeld en werden - al naar koster van de brand op de hoogte gebracht. Deze spoedde
gelang de ernst van de overtreding - boeten van één tot vijf zich dan naar de kerk en begon de brandklok te luiden (’ging
gulden in het vooruitzicht gesteld. Op 23 oktober 1861, 9 aan ’t zeil hangen’) (...). Al ras begaf men zich van her en der
oktober 1866 en 26 september 1886 zouden bijna al die naar de plek des onheils (...). Voordat de brandspuit arri-
voorschriften, met variaties in een paar onderdelen, worden veerde was de brand meestal reeds over het hoogtepunt heen
herhaald. en kon er hoogstens nog nageblust worden (...). Op het
ogenblik dat de brandspuit arriveerde, stonden mannen
Het ’brandspuitenhuisje’ (1853) klaar om de installatie van de kar te hijsen en de slangen uit
te leggen. Weer anderen begonnen onmiddellijk met
Op 12 augustus 1853 werd in de gemeenteraad vastgesteld pompen. Zaten er toevallig niet te veel gaten in de slangen
dat de brandspuit tot dan toe in een particulier gebouw was dan kon met het blussen worden begonnen. Was er geen
ondergebracht, maar dat de eigenaar dit niet langer ter water in de nabijheid dan moest dit van elders worden aan-
beschikking wilde stellen. En aangezien geen ander gebouw gevoerd met behulp van emmers. In zo’n geval stonden er
voor het opbergen van de spuit kon worden gevonden, soms wel 50 man op een rij om emmers water door te geven.
besloot het gemeentebestuur het voorstel van het raadslid Terwijl bepaalde mannen de spuit bedienden, hadden
Keulers aan te nemen om een gedeelte van een aan hem toe- anderen post gevat op de daken van de aangrenzende per-
behorende akker op de hoek van de Rijksweg en het ooste- celen om daar in het voorkomende geval met behulp van
lijke verlengde (thans Beekhoverstraat) van de Groenstraat ’zwiepen’ (flinke takken) de overslaande vonken te doven en
- sectie B Nº 1898 - tegen een redelijke som over te nemen zo deze panden te sparen. Weer andere mannen ’oet de
en daarop een brandhuisje te laten bouwen. Derhalve naober’ (= buurt) stonden klaar, gewapend met lange dunne
werden op genoemde datum 250 gulden tot dat doel uit- dennen staken, waaraan aan het uiteinde een zogenaamd
getrokken <TsHKVGel 1998, nr. 1, 6>. Het toen gebouwde ’brand- stootijzer bevestigd was om in geval van nood muren om te
spuitenhuisje’ heeft tot 1927 op die plek gestaan <Deel II, 61>. stoten of te trekken” <StMN 6-9-1963. - Fijten, 23-24>. Toen in

99

geschiedenis van Geleen deel 3:geschiedenis van Geleen deel 3 02-11-2011 16:51 Pagina 100

1921 een korps van vier politieagenten werd opgericht, werk heeten of geen voertuig met heet ijzer beslaan na
werden deze met aanrukken en bedienen van het brand- zonsondergang noch vóór zonsopgang, noch bij sterken
weermateriaal belast <TsHKVGeleen1998, nr. 1, 11>. wind.
(6) Indien brand bij nacht ontstaat, zijn de bewoners van de
Voorschriften ter voorkoming van brand uit de naburige huizen verplicht, vanwege den Burgemeester, door
politieverordening van 1898 de politie of door de brand- of spuitmeesters daartoe aan-
gemaand, hunne huizen te verlichten en omtrent het
De politieverordening die op 10 januari 1898 werd uit- aanvoeren van water de gegeven bevelen onverwijld op te
gevaardigd, telde 19 voorschriften, waaronder de volgende volgen”.
zes (officieel de nummers 12 t/m 17) ter voorkoming van
brand, die herhalingen van vroegere voorschriften waren: Nieuwe tijden en nieuwe bestrijdingsmethoden
”(1) Er zullen geene nieuwe daken of gevels van stroo of riet
mogen worden aangelegd. De daken of gevels, die bij de De oude brandspuit bleef ook gedurende de eerste twee
invoering dezer verordening nog van stroo of riet zijn ver- decennia van de 20ste eeuw in gebruik. Naar aanleiding van
vaardigd, mogen blijven bestaan, doch zij zullen noch geheel de brand in 1921 in de houtzagerij Kleinjans in de
noch gedeeltelijk worden vernieuwd zonder voorafgaande Lutterader Stationstraat (= Minister Ruysstraat), waarbij ook
vergunning van B. en W. de aangelegen woning Catsberg uitbrandde, werd een bedrag
(2) Er mag geen vuur gestookt worden dan op daartoe van 290 gulden aan nieuwe slangen besteed. In 1922 werd
geschikt gekeurde stookplaatsen, voorzien van eenen in een apart wagentje voor het transport van de brandspuit-
goeden staat verkeerende rookleiding, vervaardigd van ijzer slangen aangeschaft <TsHKVGel 1998, nr. 2, 11>. Doch daarna
of gemetseld van steen met kalk, cement of tras. In de komt dat oude materiaal niet meer in de inventaris van de
schoorsteenen mogen geene binten, balken of ribben gemeente voor; men was op modernere bestrijdingsmidde-
worden ingemetseld en daarop geene houten kappen worden len van brand overgeschakeld.
geplaatst. Afgezien van het feit dat de brandspuit zo versleten was dat
(3) Het is verboden: (a) tabak te rooken in stallen en ze niet meer kon worden gebruikt, was de situatie in de
schuren, op stroo- of hooizolders of op plaatsen waar voor- gemeente zo sterk aan het veranderen dat nieuwe bestrij-
raad van licht ontvlambare stoffen voorhanden is; (b) in dingsmiddelen van brand nodig bleken. De in aanbouw
stallen, schuren, zolders en andere plaatsen waar zich licht zijnde Staatsmijn Maurits bracht een sterke toename van de
ontvlambare stoffen bevinden, ander licht te gebruiken dan bevolking teweeg. In 1920 was er een nieuwe burgemeester
in eene gesloten lantaarn; (c) stroo, hooi of ander licht gekomen en in 1921 werd - zoals wij reeds zagen - een korps
ontvlambare stoffen te bergen op bovenkamers of zolders van vier politieagenten opgericht, aan wie de zorg voor de
waar schoorsteenen of kachelpijpen door gaan, tenzij zij ten bestrijding van brand werd toevertrouwd. Vooral burge-
minste twee meter daarvan verwijderd zijn; (d) uitgebrande meester Damen en agent Buskens drongen aan op de aan-
kolen en houtkolen anders te laten uitdoven dan in daarvoor schaf van een nieuw blusapparaat. In 1923-24 werd het aan-
ingerichte metalen trommels of gemetselde bakken; (e) bod van Maastricht in overweging genomen om tegen een
phosphorus-zwavelstokken (= lucifers) voorhanden te bepaalde vergoeding de automobiel-brandspuit van die stad
hebben waar kinderen zijn beneden de twaalf jaar oud bij brand in Geleen te laten aanrukken. Maar wegens het
anders dan in een afgesloten kast, of op zulke plaats, welke toen nog ontbreken van een waterleiding zou ook dat niet
de kinderen onmogelijk kunnen bereiken, alsmede in toereikend kunnen zijn.
schuren en stallen, op zolders en op plaatsen, waar zich licht In 1925-26 werd door de gemeente Geleen voor 4.875
vuurvattende goederen bevinden; (f) (geslachte) varkens te gulden een eigen ’automobiel-motorbrandspuit’ aan-
branden op mindere afstand dan veertig meters van huizen, geschaft. Deze was voorzien van een bel, een laddergestel,
gebouwen, graan-, stroo- of hooimijten en hooistapels; (g) twee slangenhaspels en een centrifugaalpomp met een capa-
krankzinnigen of onnoozele personen, alsmede kinderen citeit van 800 liter per minuut. Daaraan werden vier uit-
beneden de twaalf jaar oud, te laten zonder opzicht in schuifbare ladders toegevoegd. De gehele uitrusting werd in
gebouwen of plaatsen waar vuur of licht ontstoken is. het gemeentehuis gestationeerd <TsHKVGel 1998, nr. 2, 11-13>.
(4) Wanneer ongedorschen graan of hooi in de stapels of Daarmee begon een nieuwe periode in de plaatselijke brand-
schuren bevonden wordt in staat van broeiing te verkeeren, bestrijding.
zal het op daartoe door of vanwege B. en W. gegeven last Tegen die tijd had zich in dat verband nog een verandering
dadelijk door den eigenaar of bewaarder worden uitgehaald voorgedaan. Al ontstonden er ook daarna nog heel wat
en gespreid. branden, toch waren die - in verhouding tot de grootte van
(5) De kuipers, wagenmakers en wagensmeden moeten bij de bevolking - minder frequent en viel vooral op dat ze zich
het heeten (= heet maken), van vaat- en houtwerk of bij het minder vlug of ruim verspreidden dan vroeger het geval was
beslaan van voertuigen bij zich hebben een emmer of eene geweest. De voornaamste oorzaak hiervan was de geleidelijke
ton met water en eene dweil. Zij mogen geen vaat of hout- ’verstening’ van de woningen.

100


Click to View FlipBook Version