The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Jan Toonen, 2022-04-12 13:29:38

deel 1

Keywords: Heemkunde Geleen

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 401

wijd verspreide Napoleoncultus werd op 12 augustus 1857 4. Kroniek van 1802 tot 1813
door keizer Napoleon III van Frankrijk een herinnerings-
medaille ingesteld, die de beeltenis van Napoleon I droeg en Nadat de godsdienstvrijheid was hersteld, werd het leven te
genoemd werd naar het eiland waar hij had gevangen- Geleen op een min of meer normale voet hervat. Uit de
gezeten. In de Nederlandse Staatscourant van 16 augustus daaropvolgende jaren van de Franse periode vallen een aantal
1857 werd bekendgemaakt, dat oudgedienden van bijzonderheden over personen, gebeurtenissen en situaties in
Napoleon I deze medaille, onder overlegging van bewijs- en rond de commune Geleen te vermelden.
stukken, bij de gezant van Frankrijk in Den Haag konden
aanvragen. Voorschriften omtrent het gebruiken van de Graetheide
Te Geleen woonden minstens drie personen, die deze herhaald (mei 1802)
medaille ontvingen, nl. Jan Hendrik Penris uit Lutterade Na te hebben vastgesteld, dat verscheidene Geleners en ook
(*12-9-1787), zoon van Jan Egidius Penris en Maria personen uit andere gemeenten zo vermetel waren geweest
Gertrudis Recken, aan wie ze op 27 oktober 1858 werd om hun schapen in de koeweide van de gemeente Geleen te
verleend; de uit Beek afkomstige Jan Hendrik Boesten (*17- brengen, en anderen zich zelfs hadden verstout om delen van
11-1789), die zowel voor als na zijn legerdienst te Geleen de schaapsweide te ontginnen, d.w.z. in akkers te verande-
woonde, met Petronella Kleijnen trouwde en de medaille op ren, en zich aldus - tot nadeel van de gemeente - stukken
29 juli 1858 kreeg toegewezen <Bergen, 156 en 161>; en een Jan grond toe te eigenen, vaardigde maire Luijten een ordon-
Mathijs Penris, aan wie de medaille op 25 mei 1858 werd nantie uit om aan dergelijke ”misbruiken” een einde te
uitgereikt. Deze laatste was blijkbaar niet de op 10-6-1787 maken.
in Neerbeek geboren zoon van Dominicus Penris en Maria Allereerst werd benadrukt, dat het verboden was om schapen
Cornelia Dols <Bergen, 156>, maar veeleer degene, die op 9-5- in de koeweide te hoeden. De veldwachters dienden dan ook
1785 in de Daalstraat het levenslicht zag als de zoon van dagelijks toezicht te houden om dit te voorkomen. Schapen
Mathijs Penris en Cornelia Paes. De gedecoreerde zat een die in de koeweide zouden worden aangetroffen, moesten in
half jaar te Leipzig gevangen en mocht na zijn terugkeer met beslag worden genomen. De koeherders van Lutterade en
een briefje bij elke ”burgemeester” van Geleen gaan eten Krawinkel werd verzocht om de veld- en heidewachter in het
<LimTsGen 81-113/114>. ”schotten” [= wegvoeren] van ”gepande” [= in beslag
genomen] schapen te assisteren. Ingeval de herders wier
De ”St.-Helena- schapen in beslag werden genomen, zich mochten verzetten,
medaille” (3 x 5 cm), zouden die koeherders op hun horens dienen te blazen om
die volgens de familie- de andere inwoners van Lutterade en Krawinkel op te roepen
traditie aan de teneinde een ”behulpzaeme hand te leijsten” [= te bieden].
veteraan Jan Mathijs Tenslotte werd het verbod herhaald om stukken Graetheide,
Penris werd uitgereikt. die eigendom van de gemeente waren, te ontginnen. Wie dat
Zij werd circa 1910 toch had gedaan, zou die grond niet mogen bemesten,
door een nazaat, nl. bezaaien of gebruiken <GAG nr. 22. - GelEeuw II (1990), 73>.
schaapherder Penris uit
Krawinkel, aan Joseph Inbraak, diefstal en moord te Spaans-Neerbeek (14 febru-
Ramaekers van ari 1803)
Lutterade ter hand Op 14 februari 1803, tussen 10 en 11 uur ’s avonds, werd de
gesteld. Op de voorkant 64-jarige ongehuwde Herman Penris of Penners in zijn
staat het gelauwerde enigszins afgelegen huis te Spaans-Neerbeek vermoord. Het
hoofd van keizer slachtoffer scheen door zijn aanranders te zijn gekozen,
Napoleon in profiel, omdat hij betrekkelijk welgesteld leek te zijn. Zijn in een
met de tekst: ”Napoleon andere kamer slapende huishoudster, die niets had gehoord,
I Empereur”. Op de bleef ongedeerd <FA nr. 861. - LimDag 24-2-1954. - TsHKVGel 1991, 4-
keerzijde staat: ”A ses 5>.
compagnons de gloire,
sa dernière pensée, Ste Honden, hondsdagen en hondsdolheid (1803 en 1805)
Hélène 5 Mai 1821” Sedert de vroegste tijden is de hondsdolheid of razernij een
en daarom heen: van de meest gevreesde plagen van dier en mens geweest.
”Campagnes de 1792 à Ofschoon men van het grote besmettingsgevaar overtuigd
1815” <Origineel in bezit was, was men toch eeuwenlang van mening, dat razernij ook
spontaan kon ontstaan. Vooral de zogenaamde ”honds-
van de familie Ramaekers; foto dagen”, wanneer de hondsster Sirius tegelijk met de zon
opkomt (23 juli - 23 augustus) en er doorgaans de grootste
door G.H. Maassen>.

401

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 402

zomerhitte heerst, werd als een gevaarlijke periode gemeenteraad een verzoek tot de prefect van het
beschouwd. Ook de ”verlichte” Fransen hielden aan die departement om het gehucht Daniken in zijn geheel bij de
primitieve zienswijze vast. Op 2 juli 1803 stuurde de prefect parochie Geleen te laten. Als eerste argument voerden zij
van het departement van de Nedermaas een rondschrijven aan, dat dit gehucht, ”waarvan een dozijn armoedige huizen
aan de maires, waarin hij hen opdroeg in dit verband de tot de gemeente Schinnen behoorde” en de rest onder
nodige maatregelen te treffen. Geleen viel, sedert onheuglijke tijden in zijn geheel tot de
Bijgevolg vaardigde maire Luijten op 16 juli 1803 en ander- parochie Geleen had behoord. Ook lag het tot de gemeente
maal op 20 juli 1805 een verordening uit, waarin op de Schinnen behorende gedeelte niet alleen ver van de parochie-
eerste plaats werd bevolen om de honden gedurende de kerk van Schinnen verwijderd, maar werd het bovendien van
hondsdagen aan de lijn te houden en niet van het erf te laten. die plaats gescheiden door een berg, waarover slechts één
Vervolgens gaf hij aan de veldwachters en speciaal de ”bedel- enkele, nagenoeg onbegaanbare, weg liep. Anderzijds stond
voogd” de opdracht om alle honden, die zij loslopend op het gehucht Daniken door middel van drie houten en hoog
straat mochten aantreffen dood te slaan en aan de maire de liggende bruggen over de Geleenbeek met de nabij gelegen
namen van de eigenaars van die gedode honden op te geven, kerk van Geleen in verbinding. Die argumenten bleken
opdat deze volgens de wet zouden kunnen worden gestraft. doorslaggevend te zijn, zodat dit verzoek werd ingewilligd
Bovendien liet hij bekendmaken, dat de eigenaars van los- <GAG nr. 5>.
lopende razende honden aansprakelijk zouden blijven voor
de schade die door zulke dieren mocht worden veroorzaakt Plan voor een nieuwe molen niet uitgevoerd
<GAG nr. 22. - GelEeuw II (1990), 55-69>. Op 7 mei 1805 werd geprotesteerd ”tegen het aanleggen van
eene watermoolen, die Hendricus Limpens voornemens is te
Taks op het weiden van vee op gemeentegrond bouwen ter plaatse genaemt den Koykamp” <AKA>. Dit
(25 augustus 1803) protest heeft kennelijk gebaat, want van een molen ter
Op 22 juli en 27 december 1802 stuurde de prefect van de plekke in de Franse tijd is niets bekend.
Nedermaas een circulaire naar de maire van Geleen, waarin
hij hem opdroeg aan de gemeenteraad voor te stellen een Veldwachters en ”bedelvoogd” (1806-1808)
belasting te heffen op elk stuk vee, dat op de gemeen- Op 4 juli 1806 regelde de gemeenteraad van Geleen de
schappelijke gronden werd geweid, teneinde op die manier situatie van de veldwachters. Ter bestrijding van de schade,
de gemeenteschuld, die intussen tot ongeveer 15.000 gulden die door vee- en velddieven werd veroorzaakt, werd het
of 18.000 francs was opgelopen, te reduceren. Op 25 augus- noodzakelijk geacht om voor elke wijk een ”garde-
tus 1803 kwam de gemeenteraad bijeen om allerlei pro- champêtre” [= veldwachter] aan te stellen. Die benaming
blemen in verband met het gebruiken van het Geleense deel werd ook onder het volk gangbaar; tot in de twintigste eeuw
van de Graetheide te bespreken. zou het woord ”gard” door authentieke Geleners worden
Om te beginnen werd besloten de bestaande voorschriften te gebruikt. Zij zouden een jaarlijks traktement van 100 francs
handhaven. Ook werd bepaald dat eenieder die zich weder- ontvangen. Een van die veldwachters was tevens ”bedel-
rechtelijk gemeentegrond had toegeëigend, een pachtsom voogd”, d.w.z. hij had tot opdracht om bedelaars en
moest betalen. De meest omstreden beslissing zou het voor- verdachte vreemdelingen te arresteren en de paspoorten van
schrift zijn, dat voor het weiden op de Graetheide voor elk(e) reizenden te controleren.
rund, koe, paard, veulen of geit dertig centiemen en voor elk In 1808 werd naar het oude plaatselijke gebruik van betaling
schaap vijftien centiemen zou moeten worden betaald. in natura teruggegrepen, nl. elke veldwachter zou jaarlijks
Bovendien zou op elke boom, die particulieren op gemeente- van elke grondbezitter in zijn district een garve graan
grond hadden geplant, drie centiemen taks worden geheven. ontvangen; bovendien zou hij met vastenavond recht op een
Wie zou weigeren de opgelegde veetaks te betalen zou zijn hoeveelheid spek en met Pasen op een aantal eieren hebben
vee van alle gemeentegrond dienen weg te houden, terwijl de <GAG nr. 5. - TsHKVGel 1991, 5>.
weigeraars van de boomtaks de omstreden bomen dienden te
verwijderen. Ofschoon Luijten nog diezelfde dag een kopie Grote deining over het gebruik van de Graetheide
van die resolutie naar de prefect stuurde en deze laatste ze op (1806/07)
12 december 1803 goedkeurde, zou het nog twee jaar duren Toen de belastingontvanger de in 1803 opgelegde vee- en
alvorens die taks een officiële reactie van de Geleners zou boomtaks wilde innen, stuitte hij op fors verzet van de
uitlokken <GAG nr. 5. - GelEeuw II, 75-76>. bevolking. Haar verontwaardiging was zelfs zo groot, dat op
13 februari 1806 door 400 inwoners van de gemeente een
De parochiegrenzen in het geding (1804) protestbrief naar Maastricht werd gestuurd. Daarin werd de
Volgens het keizerlijk decreet van 31 mei 1804 dienden de prefect ”ad interim” verzocht om de door zijn voorganger
parochiegrenzen voortaan met de gemeentegrenzen samen te aan het gemeenteraadsbesluit van 25 augustus 1803
vallen. Aangezien het Schinnense gedeelte van Daniken tot verleende goedkeuring in te trekken en tevens te bevelen, dat
de parochie Geleen behoorde, richtten de maire en de het gebruiken van de Graetheide aan geen andere dan de

402

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 403

Het officiële zegel van de ”commune” Geleen onder een op 26 februari 1806 op de ”mairie” [= gemeentehuis] door maire
J. M. Luijten ondertekend document. Boven een driehoek - met op de zijkanten onleesbare woorden - zijn twee in elkaar grijpen-
de handen afgebeeld en daarboven is een Jacobijnenmuts geplaatst. De tekst luidt: COMMUNE DE GELEEN - ARROND-
[ISSEMENT] DE MAESTRICHT - DEP[ARTEMEN]T DE LA MEUSE IN[FÉRIEURE] <GAG>.

gewone grondbelasting onderhevig mocht worden gemaakt. ontvangen. Luijten liet er geen gras over groeien en ging op
Onder de bevolking was er zowel openlijk als anoniem 15 oktober en 15 november 1806 tot het verpachten van
verzet. Het eerste bestond in de weigering om die belasting dergelijke gronden over <FA nr. 3095. - GelEeuw II, 76-86>.
te betalen, terwijl het tweede in de vernieling van bomen in
weiden van de maire en andere functionarissen tot uiting Onderwijs (1807-1810)
kwam. Vrederechter W. J. Wulff uit Hoensbroek, die naar Ofschoon ook in de Franse tijd heel wat Geleners onderwijs
Geleen was gestuurd om poolshoogte van de situatie te moeten hebben genoten - want zij leerden lezen en schrijven -
komen nemen, stelde in zijn rapport van 15 maart 1806 staan uit die tijd toch slechts weinig gegevens ter beschik-
voor om de benodigde gelden voor het aflossen van de king. Tijdens het ”Ancien Régime” was de koster doorgaans
gemeenteschuld niet door het heffen van belasting op vee of tevens onderwijzer. Ook Lambert Meijs, die van 1787 tot
bomen maar door verkoop van gemeentegrond - incluis de 1863 koster was, heeft de functie van onderwijzer waar-
in de loop der tijden door particulieren ten onrechte genomen, maar hij was niet de enige.
genaaste publieke gronden - te verkrijgen. Op 10 januari 1807 werd Jan Jacob Helgers (*25-7-1760)
Het advies van Wulff vond zoveel bijval bij de prefect, dat van de hoeve Ten Eijsden ”instituteur élémentaire” [= onder-
deze het - zij het in gewijzigde vorm, nl. verpachten i.p.v. wijzer] genoemd <GAG nr. 23>. Hij werd ook veldwachter,
verkopen - aan Luijten doorgaf. Nochtans bleef de prefect maar het is niet duidelijk of hij beide functies terzelfdertijd
erbij, dat de belastingen op vee en bomen zouden worden heeft uitgeoefend. Hij overleed op 25 februari 1813 <GAG nr.
gehandhaafd, maar dat de eigenaars van bomen die op 5>. De uit zijn klooster verjaagde dominicaan Mathias
gemeentegrond stonden, enige vergoeding zouden Haerden kreeg op 1 mei 1810 van de gemeente een

De handtekening van maire J.M. Luijten en het gemeentezegel van Geleen onder een stuk van 27 januari 1807. Het gemeente-
zegel vertoont een gekroonde adelaar - symbool van keizer Napoleon - en daaromheen: MAIRIE DE GELEEN. ARR(ONDISSE-
MEN)T DE MAESTRICHT. [MEUSE-INFÉRIEURE.] <RAM, FA, nr. 2091>.

403

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 404

Briefhoofd - met het embleem van Napoleon - van een door maire J. M. Luijten op 1 augustus 1807 naar de prefect van het
departement van de Nedermaas gestuurde communicatie. Een open vizier, dat een keizerskroon draagt, staat boven een adelaars-
schild dat is omgeven met een keten van XVI adelaars, waaraan o.a. een kleine medaille met het hoofd van Napoleon in reliëf hangt.
Het schild is bevestigd aan twee kruiselings geplaatste lansen, waaraan ook een met hermelijn gevoerde keizersmantel hangt; het
lanseinde linksboven is een geopende rechterhand, terwijl dat rechtsboven een adelaar met gespreide vleugels voorstelt <RAM, FA, nr.
2091>.

vergoeding van 40 francs voor het geven van onderwijs aan stroomopwaarts te water was geraakt, lijkt het niet
arme kinderen. waarschijnlijk, dat hij in het donker verdwaalde en per
ongeluk in de beek terechtkwam. Doch zijn lijk had zolang
Een noodlottige ”verdwaling” in het water gelegen, dat het wellicht niet meer mogelijk was
Op 27 januari 1808 verliet de 53-jarige Lambert Haerden, vast te stellen of hij het slachtoffer van een misdrijf was
echtgenoot van Anna Elisabeth Sleijpen, een huis te Beek geweest.
- waar waarschijnlijk familie van zijn vrouw woonde - om
zich te voet naar zijn woning te Oud-Geleen te begeven. Grenswijzigingen (1808) en hun gevolgen
Daar zou hij echter nooit arriveren. Gedurende meer dan Bij keizerlijk decreet van 18 augustus 1805 werden de
twee maanden zouden zijn vrouw en kinderen in het onzekere grenzen tussen de departementen van Roer en Nedermaas
verkeren. Toen dit mysterie eindelijk werd opgeklaard, officieel vastgesteld <PSHAL 1903, 268>. Toen dit decreet in
werden hun somberste vermoedens bevestigd. 1808 werd uitgevoerd, werd de Geleenbeek vanaf de
Op 8 april 1808 verklaarde de in Daniken wonende dertig- Koebrug bij Huize Koekamp tot dicht bij Ophoven de grens
jarige Lambert Cuijpers, dat hij om 6 uur ’s morgens door de tussen Geleen en Munstergeleen. Bijgevolg ging het vroegere
Langwei van de hoeve Ten Eijsden gaande een lijk in de gebied van Munstergeleen ten westen van de Geleenbeek
Geleenbeek zag drijven, dat met zijn kleren in struikgewas voor die gemeente verloren. Maar zij werd voor dit verlies
was vastgeraakt. Daarop ging hij de 38-jarige Mathias vergoed door de toevoeging van Huize Koekamp en het
Luijten, die op genoemde hoeve als brandewijnstoker werk- gebied bij Watersleyde <PSHAL 1877, 364. - M’geleen, 176-177>.
zaam was, van zijn ontdekking op de hoogte stellen. Beide Die verandering in departements- en gemeentegrenzen
mannen begaven zich tezamen naar het lijk. Toen ze dit op bracht ook een verandering in diocesane en parochiële
het droge hadden getrokken, herkenden zij het als dat van grenzen mee. Munstergeleen lag immers in het Roer-
Lambert Haerden. departement en in het diocees Aken, terwijl Geleen in het
Daar de Geleenbeek zover van de gebruikelijke weg van Beek departement van de Nedermaas en in het bisdom Luik lag.
naar Oud-Geleen stroomde en Haerden allicht verder De parochiële en diocesane grenswijzigingen betroffen

404

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 405

enerzijds de bewoners van het ten oosten van de Geleenbeek Een ander gevolg van die grensverandering was het feit, dat
gelegen Huize Koekamp, die steeds in Geleen ter kerke zowel de Veeweyerbrug [dicht bij de kerk van Munster-
waren gegaan, en anderzijds die van de Munstergelener geleen] als de Koebrug [bij Huize Koekamp] op de grens van
graanmolen en vier eveneens ten westen van de Geleenbeek Geleen en Munstergeleen lagen en dientengevolge het
gelegen huizen, die sinds eeuwen tot de parochie Munster- onderhoud van die bruggen voortaan ten laste van beide
geleen hadden behoord. gemeenten kwam. Die samenwerking zou echter niet steeds
Op 12 april 1808 liet de bisschop van Luik weten, dat hij de naar wens verlopen. Toen de Veeweyerbrug herstel nodig
kerkelijke jurisdictie over de bewoners van Huize Koekamp had, wendde de onderprefect van het departement van de
aan de bisschop van Aken had overgedragen. Daaraan koppelde Roer te Aken - op verzoek van de maire van Munstergeleen
hij het verzoek, dat de bisschop van Aken de kerkelijke juris- - zich tot de prefect van het departement van de Nedermaas
dictie over de bewoners van de graanmolen en van de vier te Maastricht. Daarop gaf deze laatste in april 1811 aan
huizen ten westen van de Geleenbeek - bij wijze van compen- maire Luijten de opdracht om die brug in samenwerking
satie - aan hem zou overdragen. Maar hiertegen verzette zich met zijn collega van Munstergeleen te herstellen. Op 1 juli
blijkbaar de pastoor van Munstergeleen <PAG nr. 177. - FA nr. 2091>. 1811 kwamen de besturen van die twee gemeenten overeen
Daar volgens een vroeger decreet parochiegrenzen met om ieder de helft van de kosten te dragen.
gemeentegrenzen moesten samenvallen, was het verzoek van Ten aanzien van de Koebrug waren de rollen omgekeerd. Op
de Luikse bisschop zeker wettelijk. Doch, gezien de ligging 10 april 1813 liet maire Luijten van Geleen aan zijn collega
van de graanmolen en van die vier huizen zo dicht bij de van Munstergeleen weten, dat die brug, die ”den scheyt
parochiekerk van Munstergeleen was het noch praktisch tusschen onse Gemeentens maekt” en waarover o.a. steen-
noch redelijk. De bewoners van die gebouwen bleven dan kool uit de streek van Kerkrade [via Daniken] en kiezel uit
ook niet alleen te Munstergeleen ter kerke gaan, maar de Danikerberg werden vervoerd, dringend moest worden
werden daar ook gedoopt, getrouwd en/of begraven. gerepareerd; derhalve verzocht hij hem tot de reparatie van
De gevolgen van die grensveranderingen kwamen echter in de Koebrug bij te dragen. Maar de Munstergelener
een paar gevallen duidelijk tot uiting. Frans Meyer, de vader antwoordde ”mij dunckt dat de brugge mij niet aengaet
van de bouwer van Huize Koekamp, die aldaar op 21 vervolgens niet nodig sijnde van maatregels te nemen... Ik
februari 1809 overleed, werd op het kerkhof van Munster- hoope niet dat de commission van Aacken ons met de
geleen begraven. En nadat diens zoon Jan Joseph Frederik Koebrugge sal beswaeren want de municipal raad van
Meyer op 16 februari 1810 te Maastricht was overleden, Munstergeleen is der meynung dat deselve hun niet aengaet
werd hij - op zijn uitdrukkelijk verzoek - eveneens te voor eenigsints daermede te belasten”. Voor maire Luijten
Munstergeleen ter aarde besteld. De overgang van de van Geleen was dit des te vervelender, omdat men van
Munstergelener graanmolen naar de gemeente Geleen Maastricht uit op de reparatie van de Koebrug bleef
verklaart tevens waarom Andreas Houben, d.w.z. de later aandringen. Uiteindelijk heeft hij ze dan ook vermoedelijk
zalig verklaarde pater Karel van Sint-Andries, die op 11 zonder medewerking van Munstergeleen en uitsluitend op
december 1821 in die graanmolen werd geboren en nog Geleense kosten laten repareren <M’geleen. 169-173>.
diezelfde dag in de kerk van Munstergeleen werd gedoopt,
’s anderendaags door zijn vader bij de burgemeester van Opgaven over Geleense paarden (1808)
Geleen moest worden aangegeven. In september 1808 beantwoordde maire Luijten een stel
vragen die hem van hogerhand waren toegestuurd. Zij
Het geboortehuis van Andreas Houben, de graanmolen van sloegen voornamelijk op de in Geleen aanwezige paarden.
Munstergeleen op de westelijke oever van de Geleenbeek, naar De Geleners bezaten toen een totaal van 160 paarden, die
een reconstructie (uit 1923) door P.A. Schols. allemaal in de landbouw werden gebruikt en die als volgt
waren verdeeld: Oud-Geleen: 44, Lutterade: 43, Krawinkel:
30, Spaans-Neerbeek: 25, Daniken: 1 [dat zal wel een
molenpaard zijn geweest] en in de kleine groep huizen van
Munstergeleen [die wegens de grensregeling van dat jaar bij
Geleen was gekomen]: 4. Hierbij dient men niet uit het oog
te verliezen, dat menige Geleense boer geen paard bezat en
zich met een os moest behelpen.
Er werden noch paarden uit het buitenland ingevoerd noch
naar elders verkocht; bijgevolg was het ras gedurende de
laatste 40 jaar hetzelfde gebleven. Luijten voegde er nog aan
toe, dat de Geleense paarden doorgaans slechts een middel-
matige trekkracht bezaten, die toereikend was voor de land-
bouw, maar dat ze geen buitengewone vermoeienissen
zouden kunnen doorstaan; derhalve waren ze niet geschikt

405

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 406

om als krijgspaarden te worden gebruikt <FA nr. 2502. - GAG nr. van een roodgloeiend ijzer op de ”mèstem” [= mestvaalt] te
5. - TsHKVGel 1991, 3>. gooien. Niet alleen was die zeer droog maar bovendien stond
daarop een bos stro tegen de muur. Aldus kon het vuur vlug
Het pamflet van de excommunicatie van keizer Napoleon tot het strooien dak opklimmen. Spoedig stond dan ook het
(1810) woonhuis van Stas Demacker in lichtelaaie.
Jan Servaas Helgers, een halferszoon van Ten Eijsden, was in Als gevolg van de droogte, het vast tegen elkaar liggen van
de eerste helft van 1810 verminkt uit de Franse legerdienst de gebouwen en de grote afstand van bluswater werden ook
naar huis teruggekeerd; hij had allicht heel wat verhalen over de huizen, stallen en schuren met bijgebouwen en hun
zijn belevenissen als jager te paard te vertellen. Wellicht was inboedels van de landbouwers Pieter Feron, Stas Willen en
hij al even enthousiast voor de ”onoverwinnelijke” keizer als Jacob Willen [de laatstgenoemde was tevens slotenmaker],
dit bij zovele veteranen het geval was. Uit een voorval, dat de hoefsmid Jan Nijsten en de veldwachter Jacob Hermans
kort na zijn thuiskomst plaatshad, zou evenwel blijken, dat een prooi van de vlammen <GAG nr. 23>.
dit enthousiasme niet door alle Geleners werd gedeeld. Teneinde een herhaling van dergelijke rampen te voor-
Nadat Napoleon in juni 1809 aan paus Pius VII diens komen, bracht de meier op 15 december 1812 de wet in
gebieden had ontnomen, had deze laatste de keizer der herinnering, waarbij werd verboden om in de straten, op een
Fransen in de kerkelijke ban gedaan. Daarop had de keizer afstand van 30 of minder passen van de huizen, iets te
de paus met geweld uit het Vaticaan laten halen en naar verbranden. Ook herhaalde hij toen het verbod om met
Savona laten overbrengen. De verontwaardiging van vele aangestoken tabakspijpen stallen of schuren, waar zich stro,
katholieken over deze brutaliteit was dan ook niet zozeer hooi of ander licht ontvlambaar materiaal bevond, binnen te
tegen de Fransen - want ook vele Franse katholieken waren gaan. Men mocht daar geen ander licht gebruiken dan in
over dit optreden van hun keizer niet te spreken - maar tegen welgesloten lantaarns. Daarom beval hij ieder gezinshoofd
de keizer gericht. om binnen tien dagen zo’n lantaarn, die in goede conditie
Tijdens een wandeling die genoemde Helgers op zondag 1 juli was, aan te schaffen.
1810 tezamen met twee vrienden, onder wie ook de oudste Ook herinnerde hij toen aan de eerder uitgevaardigde
zoon van maire Luijten, maakte, viel te Lutterade hun oog op voorschriften betreffende schoorstenen. Daar voegde hij nog
een met de hand geschreven pamfletje. Zij raapten het op en aan toe, dat de schoorstenen van huizen, brouwerijen, distil-
stelden vast, dat er de volgende tekst op stond: ”Bonapart leerderijen, ovens, fabrieken en smederijen tweemaal per
keijser der franschen is in den Ban ofte geexcommuniceert jaar, nl. op 15 april en 15 oktober, moesten worden geïn-
van Paus Pius de VII”. Een van hen stak het op zak en over- specteerd en zo nodig gerepareerd <GAG nr. 22. - TsHKVGel 1991,
handigde het aan maire Luijten. Deze stuurde het naar de 6-7>.
prefect van het departement en beloofde alles in het werk te
stellen om de schrijver te identificeren en te arresteren. Dit Nieuwe voorschriften voor de nachtwacht
schijnt hem evenwel niet gelukt te zijn <Bergen, 153-154>. Rond nieuwjaar 1812 stelde maire Luijten vast, dat ”veel
wanorders en misbruijken in het houden der nachtwagt”
Een actieve schutterij plaatshadden. Daarom achtte hij het nodig een reglement op
Uit drie schuttersplaten valt te concluderen, dat op het einde te stellen, waarin o. a. de volgende voorschriften stonden.
van de Franse periode te Geleen een schutterij actief is De leden van de nachtwacht, die dienst hadden, moesten om
geweest. Twee platen met de jaartallen 1810 en 1811 werden 9 uur ’s avonds in het wachthuis aanwezig zijn. Om 10 uur
door de uit Krawinkel afkomstige en destijds te Meeswijk ging de eerste patrouille op ronde, d.w.z. de helft van de
(B.) wonende leerlooier Jan Gerard Vleugels geschonken, wacht ging gedurende een uur ”in stilte” door de wijk,
terwijl een derde naast het jaartal 1814 de initialen IFB - terwijl de andere helft in het wachthuis bleef. Daarna werden
MAW bevat <Msg 1909, 79>. Ook in naburige plaatsen valt in de taken gewisseld. De laatste groep moest eerst naar het
die tijd het heropleven van schutterijen te constateren wachthuis terugkeren alvorens kort na 4 uur ’s morgens naar
<HerHoog, 40-41>. Wellicht ging het initiatief van ex-militairen huis te mogen gaan <GAG nr. 22. - TsHLVGel 1991, 4>.
uit. Maar over een eventueel optreden van een Geleense
schutterij in die jaren zijn geen details bekend. Beperkt bezoek aan en vermaak in de herbergen (1810-
1812)
Grote brand te Krawinkel (18 maart 1811) Ter vermijding van buitensporigheden en wanordelijkheden,
De voorschriften die maire Luijten op 20 mei 1809 ter die o.a. naar aanleiding van nachtelijke samenkomsten in de
voorkoming van brand had uitgevaardigd, zouden niet door herbergen en op de straten hadden plaatsgehad, liet maire
iedereen voldoende in acht worden genomen. In de vroege Luijten op zondag 25 februari 1810 en de daaropvolgende
morgen van 18 maart 1811 waren Stas Demacker en Renier twee zondagen door veldwachter Helgers zowel in het Frans
Ronden, die beiden te Krawinkel het beroep van sloten- als in het Nederlands een aantal verordeningen afkondigen
maker uitoefenden, tezamen bezig in de werkplaats van de en aanplakken.
eerstgenoemde. Daarbij waren zij zo onvoorzichtig om vonken Op de eerste plaats mochten herbergiers na 10 uur ’s avonds

406

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 407

geen drank meer schenken; na dit uur mochten ze ook geen Voorschriften in verband met de landbouw en veeteelt
samenkomsten in hun huizen meer dulden. Wie zich daar Tenslotte gaf meier Luijten ook nog voorschriften, die op
niet aan zou storen, zou overeenkomstig de wet worden landbouw en veeteelt betrekking hadden. Elk jaar, vóór de
gestraft. Bovendien mochten er noch overdag noch in de eerste mei, moesten de rupsennesten uit bomen, hagen en
avonduren kansspelen in de herbergen worden gehouden. struiken worden verwijderd. Men mocht niet in het veld
Een speciaal probleem werd veroorzaakt door het feit, dat gaan ”zeumeren” [= aren lezen] vóór zonsopkomst of na
verscheidene herbergen vlak bij de parochiekerk in Oud- zonsondergang en evenmin van 12 tot 2 uur ’s middags, als
Geleen lagen, nl. een of twee huizen die vanaf de oostzijde de boeren hun traditionele ”unjere” [= middagrust] genoten,
van het kerkhof toegankelijk waren, het hoekhuis naast de en nooit eerder dan nadat de ”gerven” in hopen waren gezet.
ingang tot het kerkhof, twee huizen ten westen van het kerk- Wie in overtreding zou worden bevonden, zou door de veld-
hof en een huis tegenover de ingang tot het kerkhof. Daarom wachter ”met hun geseumerde vrugten” naar de meier
werd aan die herbergiers opgedragen om gedurende de gods- worden gebracht. Maar de veldboden zelf mochten ook
dienstige plechtigheden in hun herbergen geen muziek- slechts in aanwezigheid van de eigenaars de hun toekomende
instrumenten te laten bespelen en evenmin toe te staan, dat ”gerven” van de akkers nemen. Als zij zich niet aan dit
gedurende de mis luidkeels drink- of dansliederen zouden voorschrift mochten houden, zouden zijzelf als velddieven
worden gezongen, waardoor de kerkelijke dienst zou worden worden aangeklaagd en gestraft.
verstoord <GAG nr. 22. - TsHKVGel 1991, 5-6>. Ook mochten op de stoppelvelden geen dieren worden
geweid voordat de gehele oogst was binnengehaald. Men
Voorkomen van gevaren buitenshuis mocht trouwens gedurende geen enkel seizoen vee op ander-
Op 15 december 1812 vaardigde meier Luijten ook een aantal mans grond laten weiden, er vruchten en hout van de bomen
verordeningen ter bevordering van de veiligheid van zijn afslaan, kruiden of gras uittrekken of oprapen zonder daar-
medeburgers uit. Het was te allen tijde verboden om grote toe verlof van de eigenaars te hebben verkregen. Het hoorn-
honden of ”dogues” en andere dieren, die van nature gevaar- vee mocht niet los door het veld of langs buurtwegen naar de
lijk waren, op straten en publieke wegen te laten rondlopen. weideplaatsen worden geleid; de hoeders en herders mochten
Evenmin was het toegestaan om paarden en veulens door de hun kudden slechts via wegen van minstens zestien voet
straten te laten hollen of zonder begeleider naar de drenk- breedte voeren. En de voerlui mochten hun paarden niet
plaatsen te laten gaan. Daarheen mocht men trouwens nooit met andermans klaver voeden <TsHKVGel 1991, 7>. Dit laatste
meer dan twee paarden of veulens terzelfder tijd voeren. ging kennelijk tegen een oud en verankerd gebruik in, want
Bovendien moesten die drenkplaatsen vrij van afval of tot in onze tijd gingen de Geleense voerlui akkoord met de
rommel worden gehouden en mocht de zuiverheid van het traditionele gewoonte om bij veldarbeid hun paarden met de
water in drenkplaatsen, vloedgraven, beken en putten niet daar groeiende klaver van hun buren te voeden.
geschaad worden hetzij door daarin vlas te leggen hetzij door
er slijk, mest, kalkpuin of ander vuil in te werpen. Verder De burgemeestersinstallatie van 1813
werd voorgeschreven om de putten die aan de straten lagen, Een van de laatste documenten betreffende het bestuur van
niet onbedekt te laten. Waarschijnlijk voldeden daartoe de Geleen in de Franse tijd was tevens een van de merk-
deurtjes, die men op oude afbeeldingen van puthuisjes ziet. waardigste. De maires werden in die tijd klaarblijkelijk elk
Ook de straten zouden vrij van gevaren moeten blijven. Elke jaar opnieuw benoemd. Dat had Jan Mathias Luijten van
zaterdagnamiddag dienden de Geleners met bezems voor Geleen al zo vaak meegemaakt, dat het niet als iets nieuws
hun huizen te keren. Eenieder bleef aansprakelijk voor de kon worden beschouwd, toen de prefect van de Nedermaas
glibberige plekken vóór zijn woning. Als er ijzel was, moest hem op 16 september 1813 andermaal tot maire van Geleen
er zand worden gestrooid en bij dooi moest de straat worden benoemde.
schoongemaakt. Bovendien werden de Geleners aan- Het was evenwel een merkwaardige historische wending, dat
gemaand om alle stenen, leem, mest, kalkpuin, pleisterkalk, hij zijn ambtseed op 26 september 1813 op het kasteel van
modder, ijs, sneeuw, puin, schadelijke of kwalijk ruikende Amstenrade in handen van Jean-Baptiste de Marchant
stoffen vóór hun huizen te verwijderen. d’Ansembourg moest afleggen. Deze was immers de laatste
Omdat hij had vastgesteld dat op menige plaats de wegen vol bezitter van het graafschap Geleen geweest en was bij de
takken hingen en de karrensporen diep waren, vaardigde de komst van de Fransen in 1794 met zijn ouders uitgeweken.
meier ook een stel verordeningen uit om die situatie recht te Volgens de Franse wet van 25 juni 1794, die later ook hier
trekken. Zo beval hij, dat eerst de takken van bomen en van toepassing werd, had hij zijn adellijke titels verloren.
hagen, die over de nabuurwegen en voetpaden hingen, Doch niet alleen was hij als ”citoyen” [= burger] terug-
zouden worden gesnoeid - opdat die wegen en paden zouden gekeerd, maar ook was hij erin geslaagd om de meeste van
kunnen opdrogen - en dat de ”huijskeuters”, d.w.z. mensen, zijn geconfisqueerde bezittingen terug te krijgen. Toen hij
die geen paard hadden, ze met hun schoppen zouden voor militaire dienst werd opgeroepen, vond hij een remp-
repareren - o.a. de karrensporen opvullen - en met steengruis laçant in Jan Mathis Willems van Geleen <Bergen, 136>.
verharden <GAG nr. 22>. Hij tekende dan ook niet als ”Graaf”, maar als ”Monsieur”.

407

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 408

En al kon hij geen grafelijke rechten meer doen gelden, als betaling van dat bedrag te twijfelen. Toen waren immers
maire van Amstenrade zou hij wel ”baas in eigen huis” blijven. zowel de Franse ambtenaren als de Franse troepen in volle
Na de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden zou hij terugtocht; elke dag kon men de aankomst van de geallieer-
zijn grafelijke titel - zonder graafschap - terugkrijgen. de troepen verwachten. Derhalve lijkt het meer dan waar-
Maire Luijten van Geleen legde op 26 september 1813 in schijnlijk, dat de uitvoering van die opdracht door de feiten
handen van de maire van Amstenrade de volgende eed [in het werd achterhaald. In diezelfde richting wijst ook de aan-
Frans] af: ”Ik zweer gehoorzaamheid aan de wetten van het tekening in de marge, nl. ”non approuvée”, m.a.w. die
keizerrijk en trouw aan de keizer” <FA nr. 910>. Doch lang zou procedure werd niet goedgekeurd.
Luijten zich niet meer door die eed gebonden hoeven te
voelen, want nog geen maand later, op 18 oktober 1813, leed 5. De Fransen vertrekken voorgoed
de keizer bij Leipzig een beslissende nederlaag, die het begin (1813/14)
van het einde van het Franse keizerrijk zou blijken te zijn.

Voorbereidingen voor de verdeling van de Graetheide De Fransen op de terugtocht (najaar 1813)
(1812/13) Na de beslissende veldslag bij Leipzig (17, 18 en 19 oktober
Zolang het gebied van de Graetheide nog niet onder de 1813) verloren te hebben, trok het Franse leger zich
deelhebbende gemeenten was verdeeld, kon de grens tussen gedurende de laatste maanden van 1813 in de richting van
de departementen van de Nedermaas en de Roer door dat Frankrijk terug. De geregelde troepen werden door een grote
gebied niet worden vastgelegd. Van die gemeenten behoor- menigte van zieke, gewonde en verminkte soldaten
den er immers vijf tot het departement van de Nedermaas en voorafgegaan. Een inwoner van Beek schreef, dat zijn streek
zes tot het departement van de Roer. Daarom werden in het
najaar van 1812 voorbereidende maatregelen met het oog op
zo’n verdeling getroffen. Deze bestonden allereerst in het
tellen van het aantal ”haardsteden”, d.w.z. woningen, in elke
gemeente. Later zou blijken, dat de gemeente Sittard daarbij
een te groot aantal opgaf.
Op 5 juli 1813 beval de prefect van het departement van de
Nedermaas om tot het vastleggen van de departementale
grenzen over te gaan en tevens verdere stappen tot verdeling
van de Graetheide te nemen. Op 3 september 1813 viel hem
de prefect van de Roer daarin bij. Op 11 december 1813
werd zelfs een keizerlijk decreet uitgevaardigd, waarbij het
vastleggen van definitieve grenzen tussen beide departemen-
ten werd voorgeschreven en tevens uitdrukkelijk werd
bepaald, dat binnen drie maanden een verslag over de ver-
deling van de Graetheide tussen de aangrenzende gemeenten
zou worden geleverd <Habets 1891, 388. - Sassen, Précis, 8-9>. Maar
voordat die drie maanden waren verstreken, waren de
Fransen uit deze streken verdwenen. Toch zou men zich later
op de door hen genomen maatregelen beroepen.

Het laatste besluit te Geleen onder Frans bewind Een Silezische ulaan in 1813-1815. Hij draagt witte hand-
Op 27 december 1813 besprak de gemeenteraad van Geleen schoenen, een lichtblauwe broek en een donkerblauwe jas met
een verzoek van de Franse onderprefect om een lijst aan te rode kraag en rode mouweinden <Pericoli, nr. 136>.
leggen van de personen, die de bijdrage van 2.370 francs en
47 centiemen zouden verschaffen, welke aan de gemeente
Geleen in verband met het beleg van de stad Maastricht was
opgelegd. Die lijst werd inderdaad aangelegd; ze bevatte niet
minder dan 320 namen van Geleners.
Dit was blijkbaar een verzoek tot steun van de Franse
bezetting van Maastricht, die binnenkort een beleg door de
in aantocht zijnde geallieerde troepen verwachtte. Volgens
H. RUSSEL zou dit de laatste aanslag zijn geweest, ”die aan de
vreemde overheerschers zou betaald worden” <JPGL 1917, 102>.
Er blijken evenwel goede redenen te bestaan om aan de

408

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 409

genoten door medelijden bewogen niet alleen bij het transport
van die ongelukkigen hielpen maar hun ook onderdak en
verzorging verschaften <ACort>. In het kasteel van Limbricht
werd van 14 november 1813 tot 16 januari 1814 een veld-
lazaret ingericht. Van de 7000 daarheen vervoerde soldaten
overleden er 683; zij werden ter plaatse begraven <Born, 181-
184>. Maar de Fransen bleven voorlopig hardnekkig aan
sommige vestingen vasthouden. Einde 1813 en begin 1814
moesten de Geleners ”leverantien tot approvisionnement”
van de vestingen Maastricht, Venlo en Wesel (D.) doen.

Geallieerde troepen in deze contreien (voorjaar 1814) Pruisische huzaren - links: kapitein, rechts: soldaat - in 1813-
In de nieuwjaarsnacht 1813/14 stak het Silezische leger de 1815. De kapitein draagt een rode kraag, rode epauletten, een
Middenrijn over, terwijl terzelfder tijd de voorhoede van het rode streep langs de buitenkant van zijn broek en een rood einde
Russische legerkorps die rivier te Düsseldorf (D.) kruiste. van het loshangende deel van zijn rood-witte gordel. De soldaat
Op 5 januari 1814 begon de Franse generaal MacDonald de draagt een zwarte of donkerblauwe kraag, dito streep langs zijn
terugtocht in de richting Maastricht. Gedurende de eerste broek en dito gordel. Beide militairen dragen witte hand-
weken van januari vertrokken de Franse gendarmen en schoenen en hebben hun korte jas slechts over hun linker-
commiezen naar de westzijde van de Maas. Venlo en schouder gedrapeerd <Pericoli, nrs. 137 en 138>.
Roermond werden respectievelijk op 13 en 14 januari 1814
door de Fransen ontruimd. Maar de vestingen Gulik (D.) en werden te Overhoven en te Leyenbroek ingekwartierd.
Maastricht zouden nog geruime tijd door hun troepen bezet Daarna vervolgden zij hun tocht naar Venlo.
blijven. Op 11 juni trokken 400 soldaten van de Pruisische infante-
In de vroege namiddag van 14 januari kwamen acht rie met twee kolonels, een officier, zeven onderofficieren en
kozakken Sittard binnengestormd. Zij werden door de met drie paarden door Geleen; zij moesten van proviand worden
vaandels zwaaiende jonkheid verwelkomd. Nadat ze tot voorzien. Op 12 juni kwamen nog zeven Lüneburgse
voorbij de Steenweg [ten westen van het stadscentrum] huzaren met hun paarden naar Geleen; zij vertrokken al de
waren gereden, keerden ze naar Gangelt (D.) terug. Rond volgende dag.
het midden van januari werden enige zieke Franse soldaten Op 18 juni 1814 vertrokken de Saksische soldaten die op 17
van Sittard naar Beek en Geleen gebracht; een paar dagen mei waren gekomen, uit Geleen. Zij gingen waarschijnlijk
later keerden zij naar Sittard terug. naar Sittard, want op 19 juni vertrokken uit die plaats ook
Op 21, 22 en 23 januari 1814 verschenen weer kozakken te de Saksische troepen, die daar op 17 mei waren gearriveerd.
Sittard; sommigen trokken verder, terwijl anderen ter plaatse Omdat deze laatsten naar Koblenz vertrokken, zullen de te
bleven. Op 27 januari vertrokken deze laatsten, tezamen met Geleen gelegerde Saksische troepen zich ook wel in die
nieuw gearriveerde troepen, naar Valkenburg. Daar bleven ze richting hebben begeven. Op 29 juni 1814 kwamen
gedurende enige maanden liggen. De omliggende dorpen Hollandse troepen via Sittard naar Geleen en Munstergeleen
moesten vlees, haver, hooi, tarwe, rogge, gerst, stro etc. <DunckPot, 8797. - PSHAL 1900, 340 en 365>.
leveren. Volgens de plaatselijke overlevering zijn de kozakken Met de val van Parijs in maart 1814 en de overgave van
ook te Geleen verschenen. Vroegere generaties verweten hen Maastricht op 4/5 mei 1814 was er een einde aan de militaire
zelfs de ”fluughaver” [= haver zonder vaste korrel], die zij aan operaties gekomen. Uit de tweede helft van dat jaar zijn dan
hun paarden zouden hebben gevoerd, in de Geleense akkers ook geen plaatselijke gegevens in dat verband bekend. Men
te hebben verspreid. heeft toen waarschijnlijk wel af en toe feest gevierd.
In de tweede helft van maart 1814 arriveerde een contingent
van 2.200 man Pruisische troepen, dat verder zuidwaarts De Fransen dreigen terug te keren (eerste helft 1815)
trok. Op 16 mei 1814 trokken 600 Saksische infanteristen Op 26 februari 1815 ontsnapte Napoleon van Elba en op
vanuit Beek door Geleen en Sittard in de richting Heinsberg. 1 maart d.a.v. zette hij weer voet op Franse bodem. Daarop
’s Anderendaags lieten zich weer Saksische troepen zien. In
de gemeente Geleen werden toen 71 soldaten, negen onder-
officieren en één kolonel [met zijn paard] van de Saksiche
infanterie ingekwartierd.
Op 2 juni 1814 werden 83 ”rode” huzaren van Lüneburg,
die in Engelse dienst waren, met hun 89 paarden te Geleen
gelegerd. Dezen vertrokken weer op 8 juni. Op 10 en 11
juni 1814 trokken Hollandse troepen, die uit Maastricht
kwamen, door Geleen naar Sittard; sommigen van hen

409

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 410

Sittard. In deze laatste plaats werd hij o.a. door de pastoor en
door pater Severens - die tijdens de Franse geloofsvervolging
de zielzorg onder de Geleners had uitgeoefend - ver-
welkomd. De uit de Danikermolen afkomstige en uit zijn
Sittards klooster verjaagde dominicaan Hyacinthus Zelis
overhandigde de vorst bij die gelegenheid een petitie om
hem en zijn confraters toe te staan naar dat klooster terug te
keren. Die belofte werd door de koning wel gegeven maar
niet nagekomen.
De vrede was toen echter nog geenszins verzekerd. Op 15/16
juni 1815 werden de Pruisen bij Charleroi door Napoleon
verslagen. Van 18 t/m 22 juni arriveerden hier een vrij groot
aantal in die veldslag licht- en zwaargewond geraakte
Pruisische soldaten <Msg 1880, 319. - ACort>. Dezen hadden een
hoge dunk van de sterkte van het Franse leger. Toen wisten
noch die soldaten noch de bewoners van deze streken, dat op
18 juni de slag bij Waterloo had plaatsgehad en dat daarmee
een definitief einde aan de Franse dreiging was gekomen. Op
21 juni 1815 passeerden hier veel Saksische ulanen en
geharnaste kurassiers, die naar Roermond trokken. Op 31
juli 1815 lagen Pruisische troepen te Lutterade, die proviand
van de bevolking eisten. Nadat men van de overwinning van
Waterloo op de hoogte was gesteld, werd deze zowel
kerkelijk als wereldlijk gevierd <GAG nr. 5>.

Karabiniers van de Hollandse cavalerie - rechts: officier, links: De geallieerde troepen keren huiswaarts (december 1815)
soldaat - in 1813-1815. De officier draagt een witte broek en In de tweede helft van december 1815 kwamen andermaal
witte epauletten, terwijl de soldaat een lichtblauwe broek en vreemde krijgslieden naar deze streken. Hun aanwezigheid te
rode epauletten draagt. De jas van de soldaat is donkerblauw, Geleen kan aan de hand van de door hen aan de Geleense
terwijl die van de officier aan de voorkant rood is <Pericoli, nrs. 83 magistraten afgegeven bonnen voor leveringen worden
en 84>. nagegaan.
Op 17 december 1815 ontving de Geleense overheid een
raakten de geallieerde troepen in rep en roer. Op paaszondag bon voor 280 rantsoenen haver, 672 pond hooi en 896 pond
(26 maart) 1815 vertrokken de Pruisische soldaten, die 31 stro, en bovendien een bon voor 220 porties voor een
juli 1814 naar Sittard waren gekomen, via Luik en de regiment ulanen van de Silezische Landwehr, dat hier twee
Ardennen naar de grens van Frankrijk. dagen had gelogeerd. Op 18 december 1815 werd te Geleen
Op diezelfde dag, 26 maart 1815, kwamen troepen van een door kapitein Buddebraen een bon voor het leveren van
Pruisisch reserveregiment, o.a. bereden artillerie, en de vierde, proviand voor twee officieren en 194 soldaten van de tiende
vijfde en zesde kolonne van het derde ”corps d’armée”, in compagnie fusilliers van het eerste Oost-Pruisische infanterie-
Geleen liggen. Dezen moesten door de Geleners van levens- regiment afgegeven. Op die dag gaf diezelfde kapitein ook
middelen worden voorzien. Zij vertrokken weer op 6 april een bon voor ”dry complete rationen voor dry dienst-
1815, maar reeds op 9 april kwamen de vijfde en de zesde peerden”. Op 19 december 1815 werd te Geleen door
compagnie van de Saksische huzaren hun plaatsen innemen. kapitein von Schauroth een bon voor vier complete officiers-
Zij bleven tot 3 mei en stelden dezelfde eisen. Nadat zij in porties en 175 complete porties voor onderofficieren en
zuidelijke richting waren vertrokken, bleef het een dag of gewone soldaten verstrekt. Tevens gaf die kapitein een bon af
tien rustig. Maar op 12 en 13 mei 1815 lagen andermaal voor ”dry complete rationen fourage voor dry koninglyke
Saksische huzaren in Geleen, die eveneens moesten worden preusische dienstpeerden”. Op 20 december 1815 werd te
gevoed. [De door de Geleners ten behoeve van die vreemde Geleen door kapitein Tindartz een bon afgegeven voor 103
troepen gemaakte onkosten zouden in mei 1816 door de man soldaten en onderofficieren van een Oost-Pruisisch
overheid worden vergoed.] infanterieregiment van de Landwehr, dat te Lutterade was
Een week later werd publiek aangekondigd dat deze gelegerd en op gemeentekosten was gevoed. Tevens gaf die
contreien bij het Koninkrijk der Nederlanden waren kapitein toen een bon af voor ”dry complete rationen voor
ingelijfd. Gedurende de volgende dagen wapperden op dry dienstpeerden” <GAG nr. 5>.
sommige plaatsen oranjevlaggen. Op 7 juni 1815 kwam Blijkens Sittardse bronnen trokken ook gedurende de
koning Willem I uit Maastricht via Beek en Geleen naar daaropvolgende dagen Pruisische troepen met kanonnen en

410

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 411

”polverwagens” door deze streken. Ook verschenen toen veel vormde. Onder Beek werd die baan Elslooër weg genoemd.
”zwarte” huzaren. Maar geen van die doortrekkende troepen Ten noorden van Lutterade heeft men voor haar verloop de
hield zich blijkbaar lang genoeg te Geleen op om van de oude landweer gekozen. Gedurende ruim een eeuw werd die
bevolking de levering van proviand te eisen. weg in de volksmond Napoleonbaan genoemd. Pas in 1919
ging men er toe over dit officieel te maken <Bouten, 103>.
Het definitieve einde van de Franse periode Ofschoon die baan grotendeels aan de moderne industrie
Op 29 december 1815 kwam de gemeenteraad van Geleen werd opgeofferd, is die Franse weg met zijn historische naam
bijeen om over de omzetting van de bovengenoemde nog niet helemaal verdwenen.
ontvangen bonnen te beraadslagen. Toen de vraag werd
gesteld of men ze zou verkopen dan wel ”den inhoud 6. Parochie en geestelijkheid
derzelve in nature bij het magasyn te Maestricht zoude doen vanaf 1802
afhalen, om gedistribueert te worden” werd unaniem
besloten ze te verkopen, ”omdat aen de magasyn gemeyne- Na het door de paus en Napoleon op 15 juli 1801 gesloten
lyk verlies valt”. Bovendien helde de raad naar die oplossing en op 18 april 1802 afgekondigde concordaat werd het
over, omdat men het toen te gevaarlijk achtte om zich met parochieleven hersteld. Moge dit naar zijn uiterlijk een
karren en paarden naar Maastricht te begeven, want over die voortzetting van de traditie zijn geweest, in werkelijkheid
”baan” trokken dagelijks troepen, die karren en paarden in waren niet alleen de kerkelijke goederen het eigendom van
beslag namen en meevoerden. de staat maar waren ook de parochiegeestelijken in zekere zin
Daarop overhandigde de gemeenteraad die bonnen aan staatsambtenaren. Bovendien werd de parochie Geleen in
adjunct Godfried Baggen om ze te verkopen en de opbrengst 1801 (tot 1840) weer bij het bisdom Luik ingedeeld.
te overhandigen aan de uit Geleen afkomstige maar in
Sittard wonende koopman Theodoor Zelis ”in afkortinge Pastoor Arnold Edmond Nijbelen (1802/03)
van alsulcke 3.090 vaeten haever als denzelven in de maand Op 10 juni 1802 ondertekende Nijbelen een register als
laetstleden aan de gemeente geleverd heeft tot onderhoud A. E. Nijbelen, Deservitor altaris B. Mariae Virg. et S. Nicolai,
van de hier passeerende en cantonneerende cavellerie” <GAG d.w.z. ”A(rnold) E(dmond) Nijbelen, bedienaar van het
nr. 5>. Daarmee was een definitief einde aan de Franse periode altaar van O.-L.-Vrouw en van dat van Sint Nicolaas”.
gekomen. Misschien nam hij toen beide beneficies waar om als priester
met een inkomen te functioneren zonder het pastoorsambt
De Napoleonbaan te bekleden. Op 17 juni 1802 richtte hij zich - tezamen met
Een bepaald aspect van Geleen heeft tot op vandaag de enige andere priesters - tot de bisschop in verband met de
herinnering aan de Franse periode bewaard, nl. de door de wereldlijke overheid van hem gevraagde eed, die als
Napoleonbaan. Al zijn over haar aanleg geen schriftelijke een voorwaarde voor het aanvaarden van het pastoorsambt
gegevens bekend, toch kan er niet aan worden getwijfeld, dat werd gesteld <Bergen, 69>.
die in de Franse tijd plaatshad. Aan gene zijde van de Maas De reactie van de bisschop schijnt positief te zijn geweest,
loopt eveneens een Napoleonbaan, die door Franse want op grond van de verleende amnestie en het door
ingenieurs als een onderdeel van de grote weg van Parijs naar Napoleon met de paus gesloten concordaat legde de vroegere
Hamburg werd ontworpen en door Spaanse krijgs- onderpastoor van Geleen op 24 augustus 1802 te Brussel de
gevangenen werd aangelegd. volgende eed [in het Frans] af: ”Ik verklaar naar de republiek
In een vrij recente publicatie staat een kaart, waarop bij die terug te keren om er vreedzaam en gehoorzaam aan de
weg door een veel latere hand is geschreven: ”Verm[oedelijk] wetten en besluiten van de regering te leven en er de kerke-
1775” <B&MNOM 1988, 1, 36>. Welnu, dat kan niet kloppen. lijke bedieningen waar te nemen, die mij zullen worden
Naar de tijd van haar vroegst mogelijke bestaan zoekend kan toevertrouwd. Ik verklaar in gemeenschap met de bisschop-
men er van uitgaan, dat ze vóór 1794 nog niet bestond. Op pen van Frankrijk [waartoe ook Geleen behoorde] te staan
de eerste plaats werd ze vóór die tijd onder geen enkele naam overeenkomstig het concordaat, dat tussen de Franse
in enig Geleens archiefstuk vermeld. Ook in de regering en zijne heiligheid Pius VII werd gesloten. Ik zweer
”Beleydingen” van de Beeker limieten uit 1722 en 1786 trouw te zijn aan de op de grondwet gebaseerde regering en
werd er niet naar verwezen, terwijl in de gedetailleerde noch rechtstreeks noch onrechtstreeks enige verbinding of
beschrijving van de ”rondgang” om de hele Graetheide uit correspondentie met de vijanden van de staat te onder-
1775 eveneens elke aanduiding ontbreekt. Als de tijd van houden. Bovendien verklaar ik geen enkele titel, positie,
haar laatst mogelijke ontstaan geldt de z.g. ”Tranchotkaart” onderscheiding, traktement of pensioen van vreemde
uit de eerste jaren van de negentiende eeuw, waarop onze mogendheden te hebben ontvangen” <GAG nr. 23>.
Napoleonbaan duidelijk staat aangegeven. Op 17 juli 1803 tekende Nijbelen - die toen door de maire
Als reden voor de aanleg van die weg kan naar de in 1794 bij als ”gepensioneerde geestelijke” werd aangeduid - als ”curé”
Elsloo over de Maas gelegde schipbrug <VROA 1899, 9> worden [= pastoor] een document, waarbij hij verklaarde sedert de
verwezen, zodat hij een verbinding vanaf die plek met Sittard

411

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 412

opheffing van zijn klooster [Reichenstein] geen ander dat hij zelfs de jacht van Eys had gepacht; maar te
pensioen of traktement te hebben ontvangen. In een gelijk- Opgrimbie veroorloofden de kwalen van de oude dag, vooral
soortige verklaring van 30 september 1803 werd hij ook reumatiek in zijn benen, hem niet veel bewegingsvrijheid.
door de maire als ”curé” aangeduid. De kerkmeesters van Geleen kwamen hem tot driemaal toe
Toch was Nijbelen toen niet langer officieel pastoor van vragen om naar Geleen te komen. Aanvankelijk antwoordde
Geleen, want drie dagen tevoren was hij tot ”curé” van Salm, dat hij te oud was om de zielzorg van zo’n grote
Oirsbeek benoemd <GodsVriend dl. 87, 175>. Hij ontving die parochie - van 1500 communicerenden en 400 kinderen -
benoeming na het pastoraat van Schaesberg te hebben op zich te nemen en dat vooral zijn benen hem niet zouden
geweigerd. Zijn nieuwe woning was het gebouw, waar zijn toelaten om zo’n uitgestrekt gebied te bedienen.
vroegere Geleense buurman J. M. Luijten, als commissaris Nadat maire Luijten, de adjunct, een gemeenteraadslid en de
van het kanton Oirsbeek, in opdracht van de Franse over- drie kerkmeesters hem - volgens zijn zeggen - hadden
heid, menige maatregel tegen hem en zijn confraters had beloofd, dat hij naast een jaarlijks salaris van 1.200 francs
uitgevaardigd. ook de inkomsten van stichtingen en van de huwelijks- en
Hij werd echter niet kantonpastoor met de rang van deken; begrafenisdiensten zou ontvangen en bovendien de
die eer werd aan de pastoor van Schinnen toegekend, omdat assistentie van een of twee kapelaans zou krijgen, liet hij zich
diens parochie groter was. [In 1807 zouden de burgemeester overreden om naar Geleen te komen.
en de raadsleden van Oirsbeek tegen die regeling protesteren Op 24 Brumaire jaar XII (16 november 1803) besloot de
<Meulenberg, 71>.] Waarschijnlijk was het daaraan toe te gemeenteraad om de pastorie en vooral het dak, de deuren,
schrijven, dat Nijbelen op 8 januari 1804 op het priesterkoor vensters, pomp en bakoven te laten herstellen, ”aangezien
van de kerk van Schinnen geknield en met zijn rechterhand binnen eenige dagen de nieuwe pastoor hetzelve moet
op het evangelieboek, tijdens de mis, ten overstaan van maire komen bewonen en het soodanig delaboreert [= onder-
Knooren, een ambtseed aflegde, waarin hij beloofde komen] is dat hetselve onbewoonbaar is geworden” <GAG nr.
gehoorzaam en getrouw aan de regering te zijn, die op de 5>.
grondwet van de republiek was gebaseerd, niets tegen de Onder de uitgaven in verband met die reparaties staat o.a.
openbare orde te ondernemen etc. <Bergen, 69-71>. vermeld, dat Lambert Haerden uit de Pieterstraat naar Echt
Pastoor Nijbelen is op 4 augustus 1824 te Oirsbeek in de werd gestuurd om 400 dakpannen te halen. De lagere delen
leeftijd van ruim 61 jaren overleden. Zijn grafsteen bevond van het gebouw werden door een schrijnwerker, een
zich vroeger in een buitenmuur van de kerk aldaar; bij de ”glaesmaeker” en een pleisteraar onderhanden genomen.
bouw van de nieuwe kerk (1953) werd hij naar de crypte Daartoe werden door verscheidene Geleners o. a. planken,
verplaatst. grote ”naegels”, kalk, lakmoes en ”sweertsel” [= zwartsel]
bezorgd; in die kalk moest vijf pond haren worden verwerkt.
Conrad Steven Salm, de laatste norbertijner pastoor in Hendrik Henssen en Joannes Mathis Nijsten boorden tot de
Geleen (vanaf 1803) vereiste diepte en installeerden een nieuwe pomp. Maar
Pastoor Aussems van Meerssen werd tot opvolger van nergens staan enige uitgaven voor het repareren van de
Nijbelen te Geleen benoemd. Maar toen pastoor A. Somya bakoven vermeld.
van Spaubeek, die hem te Meerssen zou opvolgen, op 3 mei Wel kreeg het geheel een flinke poetsbeurt. Er werd 1/4
1803 overleed, ging die benoeming niet door. Bijgevolg pond ”zeijp” [= zeep] gekocht om ”de geschilderde [= geverf-
begon de Geleense overheid naar een andere parochieherder de] muuren van ’t kleen kamerke af te wasschen”. Daarnaast
te zoeken. Het is geenszins duidelijk waarom men de keus op moest aan de vrouw van Thomas Penris nog een hoeveelheid
de zeventigjarige, gebrekkige pastoor C. S. Salm van zeep worden gegeven om de deuren, vensters en trappen te
Opgrimbie (B.) liet vallen. Deze priester was op 29 augustus poetsen. Bovendien werd een ”dweijl” aangeschaft ”om de
1733 te Eupen geboren en was onder de kloosternaam pastorie te laeten wasschen en opneemen, boven en onder,
Leonard bij de norbertijnen te Beaurepart [Luik] ingetreden. welken arbeyd de naebueren gratis gedaen hebben, mits aen
Na zijn priesterwijding was hij als kapelaan naar Simpelveld hun gegeeven den caffée [= koffie] voor dit alles”. Tenslotte
gezonden. In 1773 werd hij pastoor te Rekem (B.) [pastor hanteerde Peter Renier Debets de witkwast om de buiten-
urbis Reckhemiensis] en in 1785 was hij in die functie naar muren een nieuwe laag kalk te geven.
Opgrimbie overgeplaatst <PSHAL 1881, 30>. Daar doorstond hij Pastoor Salm, die zichzelf Frater Leonardus alias Conradus
de vervolging door de Fransen. Stephanus Salm noemde, tekende aan, dat hij op 19
Zijn zusters Sybilla en Anna Catharina, die eertijds onder de december 1803 te Geleen de daadwerkelijke bediening had
religieuze namen Agnes en Maria priorinnen van respec- aanvaard. Maar volgens een andere aantekening van zijn
tievelijk de norbertinessenkloosters te Rekem (B.) en te Val- hand zou hij pas op 30 december 1803, tezamen met zijn
Saint-Bénoît (B.) waren geweest <PSHAL 1908, 271-281>, waren beide zusters, naar Geleen zijn gekomen. Alvorens zijn
door de Fransen uit hun kloosters verjaagd en deelden sinds- functie officieel te mogen aanvaarden, moest hij de eed van
dien de pastorie van Opgrimbie met hun heerbroer. Als trouw aan de Franse grondwet afleggen. Dit deed hij wellicht
kapelaan van Simpelveld was Conrad Salm zo actief geweest, tijdens zijn installatie kort na nieuwjaar 1804.

412

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 413

Gezien de gemeenterekening voor ”tart, eieren, geruikt Ofschoon de leden van het gemeentebestuur de zijde van de
[= gerookt] vlesch, boeter, witt en bruijn brood, vuijr en licht pastoor kozen, wilden zij toch ernstiger complicaties voor-
etc. etc.” tot een bedrag van negen gulden en twee stuivers, komen en zochten zij naar een vreedzame oplossing. Volgens
schijnt het er op die dag nogal feestelijk te zijn toegegaan. hen hadden de vijf priesters, die bleven weigeren om de door
Maar dat waren nog niet alle uitgaven van die dag, want de de pastoor gevraagde belangrijke dienst aan de gemeenschap
nieuwe pastoor maakte van de gelegenheid gebruik om alvast te bewijzen, tot dan toe ten laste en op kosten van de kerk-
een voorschot van 40 gulden op zijn salaris te vragen; wegens fabriek zowel op zondagen als op werkdagen in de parochie-
de feestelijke sfeer kon men hem dat allicht moeilijk kerk de mis opgedragen. Daar de kerk, de ornamenten, de
weigeren. Zijn zuster Sybilla overleed reeds op 3 april 1804 priesterlijke gewaden en andere voorwerpen het eigendom
en werd aan de rechterkant van het priesterkoor begraven. van de gemeenschap waren, mocht niemand zich zonder
vergoeding of wederdienst daarvan bedienen.
Pastoor Salm had op assistentie in de bediening gerekend De vijf weigerachtige priesters werden uitgenodigd om
Bijna vanaf het begin was men in de nieuwe parochieherder tezamen met meier Luijten over hun assistentie bij het
teleurgesteld. Hij bleek immers niet bereid om de laatste parochiewerk te beraadslagen en een geldelijke vergoeding
heilige sacramenten aan de zieken en stervenden in hun voor het gebruiken van de gewaden, brood, wijn en andere
huizen te gaan toedienen. Als reden gaf hij zijn hoge leeftijd eigendommen van de kerkfabriek vast te stellen. Zolang deze
en vooral zijn jichtpijnen op. Voor het bezoek aan de zieke kwestie niet zou zijn geregeld, zouden die priesters in de
en stervende parochianen had de pastoor op de assistentie parochiekerk geen mis mogen lezen. Aan koster Lambert
van een kapelaan gerekend. Maar toen men niet bereid bleek Meys werd opgedragen om de gewaden enz. in de sacristie
zo’n assistent aan te stellen, wist hij van de bisschop te achter slot en grendel of elders buiten het bereik van de
verkrijgen, dat een pater Janssen de parochiale functies genoemde geestelijken te houden. Mocht men hem daarbij
buiten de kerk zou waarnemen en bij hem in de pastorie enige moeilijkheden in de weg leggen, zo diende hij dit
kwam wonen. De ”maire” en de kerkmeesters weigerden onverwijld aan de overheid te melden. Waarschijnlijk
evenwel aan die pater een vast salaris uit te keren; daarom hebben de priesters daarna de gevraagde concessies gedaan
vertrok hij reeds na enkele maanden. <GAG nr. 5>.
Daarop vond de pastoor de te Geleen verblijvende priester
Jan Joseph Vroemen (*1767) gewillig om hem tegen een Het onderhoud van de parochiegeestelijkheid
jaarlijkse vergoeding van 300 Luikse gulden bij te staan. Op 1 februari 1806 stuurde de prefect van het departement
Maar toen de pastoor niet in staat bleek om hem de gehele van de Nedermaas een rondschrijven aan de gemeente-
beloofde som te betalen, was Vroemen niet langer bereid besturen, waarbij hij hen herinnerde aan zijn bevel van 17
hem die assistentie te verlenen. Fructidor jaar XIII (4 september 1805), nl. dat zij verplicht
Daarna wist pastoor Salm een zekere pater Modesta waren om in het levensonderhoud van de parochiegeeste-
Jerusalem, die de kerk van Sweikhuizen bediende, te over- lijken te voorzien. Omdat de gemeentekas als gevolg van de
reden om als kapelaan van Geleen op te treden en alle recente grote oorlogslasten leeg was, riep maire Luijten op 22
functies buiten de kerk waar te nemen, terwijl de pastoor zelf maart d.a.v. de gemeenteraad bijeen om - volgens het keizer-
alle diensten binnen de kerk zou verzorgen. Die pater schijnt lijke decreet van 26 december 1804 - het inkomen van de
toen bij de pastoor van Geleen zijn intrek te hebben pastoor en een kapelaan vast te stellen en over de middelen
genomen. tot dekking van die uitgaven te beraadslagen.
De kerkfabriek ontving jaarlijks in natura: 165 ”vaat” [= 3
Opdragen van de mis aan Geleense priesters geweigerd hectoliter, 84 liter en 45 centiliter] rogge, 201/2 ”vaat” [= 47
In de context van het voorafgaande moet het conflict worden liter en 76 centiliter] koolzaad, 8 ”vaat” [= 18 liter en 64
gezien, dat op zondag 22 Fructidor jaar XII (9 september centiliter] haver, een ”vaat” [= 2 liter en 33 centiliter] gerst,
1804) zijn hoogtepunt bereikte. Op die dag weigerde pastoor en vier pond was. De jaarlijkse inkomsten in geld waren: 8
Salm aan te Geleen verblijvende priesters, van wie sommigen francs en 36 centiemen in grondrenten, 554 francs en 6
uit hun kloosters waren verjaagd, nog langer toe te staan om centiemen aan interest van uitgeleend kapitaal [voor een
in de parochiekerk mis te lezen, omdat zij niet bereid bleken totale waarde van 11.328 francs en 67 centiemen], en 65
op zondagen te preken of catechismuslessen te geven. Het francs en 67 centiemen aan pacht voor drie bunder en 103
betrof speciaal de priesters J. M. Haerden, W. Sassen, kleine roede [= 2 hectaren, 62 aren en 60 centiaren].
R. Maes, J. J. Vroemen en R. Claessens. Legden deze vijf De inkomsten aan interest en pacht waren bestemd als
Geleners zich bij dit verbod neer, de meeste andere parochia- stipendia voor meer dan 100 leesmissen, waarvan er twee
nen accepteerden het geenszins en gingen op die zondag in wekelijks, twee op elk der feestdagen van St.-Eloy, nl. 25 juni
naburige plaatsen ter kerke. Het was een hele deining, die de en 1 december, en vier ter ere van O.-L.-Vrouw werden
openbare orde dreigde te verstoren. Men dient hier niet te opgedragen, en bovendien voor 92 gezongen jaardiensten
vergeten, dat de priesters onder de Geleners veel bloed- voor overledenen.
verwanten en vrienden telden. Het gemeentebestuur was van mening, dat de pastoor - naast

413

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 414

het vruchtgebruik van twee hectaren - met een jaarlijks hoogmis meer dan zes kaarsen aan te steken; ook mocht deze
inkomen van 1.350 francs genoegen diende te nemen. Dat bij begrafenissen geen wierook gebruiken. Het lukte pastoor
bedrag zou gedeeltelijk uit de offergaven [die op 600 francs Salm evenwel niet om zich van die kerkmeester te ontdoen.
per jaar werden geschat] en dergelijke bijdragen, en Rond nieuwjaar 1808 werd de oude pastoor zo ernstig ziek,
gedeeltelijk [nl. 600 francs] uit de grondrenten en kapitaal- dat hij niet meer in staat was om de diensten in de kerk waar
interest moeten voortkomen. Wat er daarna nog aan te nemen. Hij vond de te Geleen verblijvende dominicaner
grondrenten, interest e.d. zou overblijven, moest voor het pater Benedictus [Jan Mathias] Haerden bereid om bij hem
onderhoud van de kerk worden besteed. in de pastorie te komen wonen en de diensten zowel buiten
Daar er voor een kapelaan geen inkomen beschikbaar was, als binnen de kerk waar te nemen. Pastoor Salm overleed op
werd een beroep op vrijwillige bijdragen door de 26 juni 1808 en werd - als eerste van de Geleense pastoors -
parochianen gedaan. Deze laatsten zouden hem dienen op het kerkhof begraven.
tegemoet te komen voor het lezen van de wekelijkse mis ter
ere van St.-Nicolaas, het assisteren bij jaargetijden en andere
godsdienstoefeningen.
Maar de gestichte wekelijkse mis ter ere van de H. Anna zou
gecelebreerd blijven door de ”vroegmisheer” Renier Claessens;
deze geboren Gelener was ook vroeger de bedienaar van dat
beneficie geweest. Zijn vermelding als ”vroegmislezer”
duidde er waarschijnlijk op, dat deze vlak bij de kerktoren
wonende priester op zondagen een vroege leesmis opdroeg.

Klachten en protesten van pastoor Salm De voorzijde van een - kort na zijn overlijden - met de hand
Onder het verwijt dat pastoor Salm zijn taak niet volledig gemaakt gedachtenisprentje van pastoor Salm. Op het kruis
waarnam, en met de bewering dat de parochianen - tegen staat de volgende tekst: ”GOTT Allein zu Zeuge, J. C. Zum
betaling - priesters uit naburige parochies moesten laten Beispiel. Maria zu Unterstützung”. Rechts is een graftombe
komen om hun zieke en/of stervende familieleden bij te getekend met als aanhef van de [zogenaamde] tekst: DOM.
staan, reduceerden de maire en de kerkmeesters zijn
inkomen in aanzienlijke mate. De zich verongelijkt voelende
pastoor diende daarop protesten en verzoekschriften bij de
prefect van het departement in, teneinde de ”achterstallige”
gedeelten van zijn salaris uitbetaald te krijgen <FA nr. 2091>.
Hij was vooral verontwaardigd over het optreden van kerk-
meester Peter Linssen, die in de Kluis van Krawinkel woonde
en de functie van penningmeester waarnam. De pastoor
trachtte zich van hem te ontdoen door de overheid op een
aantal ”tekortkomingen” van die kerkmeester attent te
maken. Zo had Linssen een klok aangeschaft, die zo’n slechte
klank had, dat de maire verboden had ze te luiden en men
een nieuwe had moeten kopen. [Werd die slechte klok
daarna in het torentje van de Kluis gehangen ?] Ook had de
negenjarige zoon van de koster, die toen toevallig in de kerk
was, gezien hoe Linssen eens geheel alleen de ”offerstok”
[= offerblok] leegmaakte, terwijl er toch normaal drie
verschillende sleutels - in het bezit van drie verschillende
personen - nodig waren om die te openen.
Verder beklaagde de pastoor zich over de verwaarlozing van
de kerk en de pastorie. De meest noodzakelijke reparaties
hadden niet plaats. Op de pastorie waren pannen van het
dak gewaaid en verbrokkelden de muren. In de kerk waren
zelfs de altaren in verval geraakt. Penningmeester Linssen
was zo sterk op bezuiniging uit, dat hij slechts weinig voor
de kerk aanschafte. In de plaats van een mooi tinnen
processiekruis, zoals hij beloofd had, kocht hij een goedkoop
houten kruis. Hij verbood zelfs de koster om bij de
uitstelling van het H. Sacrament meer dan twee en bij een

414

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 415

de pastorie nam ze niet alleen de van haar broer geërfde
meubels mee, maar liet ze ook fruitbomen in de tuin uit-
graven en op een tweespannige wagen wegvoeren.
Toen ze hierover door maire Luijten werd lastiggevallen,
antwoordde zij, dat haar broer zaliger bij zijn komst naar
Geleen een pastoorstuin had aangetroffen, waarin zich geen
enkele fruitboom bevond. Daarom had hij zich verplicht
gevoeld een groot aantal fruitbomen langs de muren te
plaatsen en in de pastoorswei een hele allee aan te leggen.
Men zou derhalve dankbaar moeten zijn, dat zij nog zoveel
fruitbomen had laten staan.
Op de beschuldiging, dat zij en haar broer de pastorie
hadden laten onderkomen, antwoordde zij, dat de burge-
meester zelf - als vertegenwoordiger van het wereldlijk
bestuur - de verantwoordelijkheid had gehad om het
gebouw, de tuin en de wei te onderhouden. Maar gedurende
het verblijf van pastoor Salm had hij geen enkele reparatie
aan de pastorie aangebracht. Wel had hij - met toestemming
van de pastoor en onder de belofte van een nieuwe bakoven
te laten bouwen - de oude bakoven laten afbreken en de
materialen laten verkopen. Doch pastoor Salm had zich
gedwongen gezien een nieuwe bakoven op eigen kosten te
laten bouwen. De reactie van de prefect viel gunstig voor
haar uit. In zijn brief van 19 november 1810 aan de maire
van Geleen schreef deze, dat de burgemeester haar moest
betalen, maar dat hij de waarde van de weggevoerde fruit-
bomen van de uitkering mocht aftrekken <FA nr. 2091. -
TsHKVGel 1994, 4-8>.

De keerzijde van het met de hand gemaakte gedachtenisprentje H. W. Hons door de maire voorgesteld, maar door de
van pastoor Salm. Het jaartal 1798 lijkt een vergissing te zijn. bisschop geweigerd
Gezien de Duitse tekst werd het allicht niet door een Gelener of Op 4 juli 1808 stuurde maire Luijten een bericht aan de
Geleense gemaakt. Wegens de signatuur K.M. kan dit prentje prefect van het departement van de Nedermaas, waarin hij als
misschien worden toegeschreven aan zijn zuster Anna inleiding de pas overleden pastoor Salm in een ongunstig dag-
Catharina of Katharina, die de kloosternaam Maria had licht trachtte te stellen door die herder ervan te beschuldigen
gekozen <Het origineel werd door René Urlings uit Geleen mee naar Australië geno- hem onrecht en beledigingen te hebben aangedaan en met
men en werd door diens zoon Cyriel naar de schrijver te New York gestuurd>. zijn dwingende ideeën de aanstoker van ruzies met het
gemeentebestuur te zijn geweest. Daarom benadrukte hij, dat
Een pastoraal testament met een lange nasleep (1808) diens opvolger iemand met betere karaktertrekken diende te
In zijn testament, dat hij op 21 januari 1808 voor notaris zijn. Hij meende die persoon gevonden te hebben in Henricus
E. J. Lefebvre van Maastricht en in de aanwezigheid van Wilhelmus Hons. Deze priester was op 17 september 1763
koster Lambert Meys en pater Bernard Klinckenberg, geboren, had begin september 1798 het pastoraat van Sittard
bedrijfsleider te Abshoven, had gemaakt, had pastoor Salm aanvaard, was in mei/juni 1803 tot kantonpastoor [= deken]
zijn zuster Anna Catharina Salm tot zijn enige en algemene benoemd en had die functie begin november 1807 neer-
erfgename aangewezen. Zij nam een advocaat in de arm om gelegd. Hij is toen echter niet overleden, zoals sommige
te trachten de opgehoopte achterstallige salarisbetalingen auteurs hebben beweerd <DunckPot, 44. - SittardHG 406>.
aan haar heerbroer alsnog - liefst in de vorm van een jaarlijks Volgens Luijten was hij voor de Geleners geen onbekende,
pensioen van 500 francs - los te krijgen. Bij haar vertrek uit want tijdens de vierjarige periode, toen de parochiegeeste-
lijken van Geleen aan gene zijde van de Rijn verbleven, had
hij geheel belangeloos en ijverig zijn diensten aan de
Geleners bewezen. Waarschijnlijk bestonden die diensten
aan de Geleners toen in het beschikbaar stellen van de grote
kerk van Sittard. In een geschil met zijn Sittardse parochia-
nen zou hij volgens Luijten uit vredelievendheid zijn ontslag
hebben genomen. Teneinde zijn verzoek kracht bij te zetten

415

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 416

beweerde Luijten, dat de benoeming van Hons niet alleen De nieuwe pastoor voerde in 1809 een nieuwe devotie in,
door de deken van het kanton zou zijn aanbevolen maar dat die gedurende verscheidene Geleense generaties zou worden
daarop ook door de notabelen van Geleen werd aan- voortgezet. Sint-Nicolaas, wiens beeld eeuwenlang op het
gedrongen <FA nr. 2060>. oostelijke zijaltaar had gestaan, moest wijken voor de
Op 26 juli 1808 stuurde de prefect van de Nedermaas het H. Antonius van Padua, een ordegenoot van pastoor
verzoek van Luijten naar de bisschop van Luik. In zijn Voncken. Het beeld, dat in de eerste helft van de twintigste
antwoord van 1 augustus 1808 stelde deze laatste de priester eeuw op dat zijaltaar stond, nl. de H. Antonius met een boek
in een geheel ander daglicht. Zo schreef hij, dat hij uit in zijn hand, waarop het Kindje Jezus is gezeten, staat thans
gewetensplicht geen wolf in een schaapskooi kon plaatsen. achteraan in de kerk. Maar oorspronkelijk heeft op dat
De bisschop van Aken, onder wie de parochie Sittard zijaltaar waarschijnlijk het beeld gestaan, waarop naast die
ressorteerde, had Hons wegens zijn slecht gedrag niet alleen heilige een ezel knielt. Dit laatste werd tot in onze tijd elke
uit zijn ambt ontzet, maar zelfs uit zijn diocees verwezen. dinsdag - tijdens de hoogmis ter ere van St.-Antonius van
Ook beschouwde hij het geenszins als een aanbeveling, dat Padua - op een aparte voet midden achter de communiebank
Hons een vriend van maire Luijten van Geleen was, want geplaatst.
over het gedrag van die maire was de bisschop al evenmin te Op 26 oktober 1809 werd tevens de ”Broederschap van de
spreken. Een van zijn klachten was, dat hij als een ware tiran H. Antonius” opgericht. De twintig artikelen van de statuten
optrad en van de priesters jaarlijks 18 francs eiste voor de regelden de organisatie van deze broederschap en de
toelating om mis te mogen lezen <FA nr. 2060>. De kandi- plichten, rechten en voordelen van haar leden. Het bestuur
datuur van Hons maakte dan ook geen schijn van kans <FA bestond uit de president - welke functie steeds door de
nr. 2060. - Bergen, 71-72>. pastoor zou worden waargenomen - en twaalf broeder-
meesters. Nog verscheidene generaties later was het broeder-
Pastoor Thomas Voncken ofm (vanaf 1808) meesterschap een gezochte erefunctie onder de oudere
Wel gaf de bisschop zijn goedkeuring aan de uit zijn klooster Geleners. Aanvankelijk moesten de twee oudste broeder-
verdreven franciscaan Thomas Voncken. Deze was op 31 meesters elk jaar aftreden om door nieuw gekozenen te
december 1771 als zoon van Willem Servaas Voncken en worden vervangen. Maar na verloop van tijd werd hieraan
Maria Elisabeth Aussems te Ulestraten geboren, maar in niet meer de hand gehouden en bleven de eenmaal gekozen
1784 was dit gezin naar Bunde verhuisd. Hij trad in bij de broedermeesters die functie zolang waarnemen als zijzelf
franciscanen te Maastricht, waar hij in 1791 werd geprofest; verkozen.
op 14 juli 1796 werd hij te Keulen tot priester gewijd. Elke dinsdag zou aan het zijaltaar van de H. Antonius een
Toen de Fransen zijn klooster te Maastricht ophieven, keerde hoogmis ter ere van de heilige worden opgedragen. Vlak
hij naar zijn familie terug. Tijdens de godsdienstvervolging vóór de mis zou het H. Sacrament - onder begeleiding van
nam hij in die omgeving in het geheim de kerkelijke vier broedermeesters, die elk een flambouw droegen - van
bedieningen waar. Een van de plaatsen waar hij de mis las, het hoofdaltaar naar het zijaltaar worden gebracht. Op 13
was een onderaardse kapel te Geulhem; daar staat zijn naam juni, de feestdag van de H. Antonius van Padua, moesten
in de mergel gekrast. Maar hij oefende zijn zielzorg vooral in alle twaalf broedermeesters met hun flambouwen fungeren.
particuliere huizen uit. Een tijdgenoot schreef hierover: Tijdens de H. Sacramentsprocessies door de straten van de
”Men zag den Pater overal binnensluipen om een pas parochie flankeerden de broedermeesters met hun flam-
geboren kindje te heiligen, een arm huisgezin met troost en bouwen het baldakijn, waaronder een priester het
zich zelven onttrokken brood te voeden, eenen wegens Allerheiligste droeg.
hunnen naar het slagveld gesleepten, of bereids gesneuvelden In 1809 werden 573 broeders en zusters ingeschreven. Zij
zoon, hopeloozen vader en schreijende moeder op te beuren; betaalden per jaar vijf stuivers. Na het overlijden van een lid
eenen stervenden bij te staan en met de laatste H.H. zou een zielendienst worden opgedragen, terwijl jaarlijks een
Sacramenten uit te rusten, allen te helpen” <Godsd 1846, 104>. zielendienst voor alle afgestorven broeders en zusters zou
Op zijn gedachtenisprentje staat hierover: ”Onder strenge plaatshebben. Bij elk van die zielendiensten moesten alle
vervolging en gedurig gevaar van gevangenis ten tijde van de twaalf broedermeesters aanwezig zijn. Op aanvraag van
fransche republiek, verrigtte hij met twee andere Priesters de pastoor Voncken verleende de paus op 30 mei en 4 augustus
pastoreele functien in de parochie van Meerssen en de acht 1809 een aantal aflaten en indulten [= dispensaties] aan
omliggende parochieën met zulken zielenijver, dat niet één allen, die de heilige van Padua in de kerk van Geleen
kranke zonder Sacramenten stierf van 1797 tot 1801”. kwamen vereren.
Bij het herkrijgen van de godsdienstvrijheid (1802) ging Een stukje uit het kleed van de H. Antonius van Padua werd
Thomas Voncken te Bunde wonen. Begin 1803 ging hij als te Rome verkregen door toedoen van de uit Geleen
pastoor naar Ulestraten, waar hij een nieuwe kerk bouwde. afkomstige pater Renier Penris, conventueel, die zijn
In 1808 kwam hij in diezelfde functie naar Geleen. priesterleven grotendeels in Italië had doorgebracht. Op 27
Gedurende de eerste acht jaren van zijn pastoraat moest ook augustus 1812 werd die relikwie door de bisschoppelijke
hij het zonder de assistentie van een kapelaan stellen. commissaris goedgekeurd. In een in 1901 opgemaakte lijst

416

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 417

werd vermeld, dat zich onder de relieken van de Geleense kleindochter van landmeter Jan Bollen de jonge. Uit dit
kerk ook een stukje uit het gebeente van de H. Antonius zou huwelijk zijn acht kinderen bekend, nl. vijf meisjes en drie
bevinden. jongens. De zonen Peter Dionysius Frans Luijten (*9-3-
Pastoor Voncken bevorderde ook de traditionele parochie- 1788) en Lambert Antoon Luijten (*12-7-1791) komen niet
feesten. In 1812 stuurde hij een verzoek naar Rome om een alleen vaak als getuigen in akten van hun vader voor, maar
volle aflaat te verlenen aan allen, die in de kerk van Geleen hebben te Geleen ook respectievelijk de functies van notaris
het feest van de patroonheiligen [2 juni] en de beide feesten en gemeentesecretaris vervuld.
van Sint-Eloy [25 juni en 1 december] kwamen vieren. Op Het gebouwencomplex aan de Jodenstraat was reeds enkele
13 januari 1813 werd die gunst verleend aan de christelijke generaties lang in handen van de familie Luijten geweest.
gelovigen of ”penitenten”, die op die dagen - na eerst Het ouderlijke huis van Jan Mathijs Luijten lag achteraan
gebiecht en gecommuniceerd te hebben - de kerk van Geleen links van het erf. In de daaraan aan de westzijde grenzende
zouden bezoeken en daar enige tijd tot intentie van de paus vertrekken was eertijds de bierbrouwerij van Herman
vroom zouden bidden. Die aflaten zouden ook voor over- Luijten - oom, naamgenoot en buurman van zijn vader -
ledenen kunnen worden verdiend. Op 22 april 1813 werd gevestigd. J. M. Luijten kwam niet alleen in het bezit van
dit document te Maastricht door de vicaris-generaal capitu- zijn ouderlijk huis maar ook van dat van zijn oudoom. In dit
laris van het bisdom Luik goedgekeurd, waarna het naar laatste richtte hij zijn kantoor in. Zo werd dit het eerste
Geleen werd doorgestuurd <Hermans 1991, 56>. officiële gemeentebureau van Geleen. [Zie ”Het complex
Luijten-Dohmen-Meys in de Jodenstraat” in hoofdstuk X
7. Maires, municipale agenten over ”Historische gebouwen en hun bewoners” in deel II.]
en adjuncten De politieke loopbaan van notaris, maire en commissaris
Luijten werd in de voorgaande tekst vrij uitvoerig weer-
Jan Mathijs Luijten (1794-1818) gegeven. Begin oktober 1794 werd hij door de Geleners
Jan Mathijs Luijten werd op 21 oktober 1752 gedoopt als algemeen als hun leider aangesteld en op 21 november 1795
zoon van Herman Luijten, die aan de noordzijde van de werd hij tot ”maire der municipaliteit Geleen” benoemd.
Jodenstraat woonde. Zijn peetoom was Joannes Jessen, Toen hij op 13 januari 1796 commissaris bij het kanton
pastoor te Sint-Pietersvoeren, een verwant van de eerste Oirsbeek werd, legde hij zijn functie als maire van Geleen
vrouw van zijn grootvader. Hij was het vierde kind uit het neer. Op 17 augustus 1797 ondertekende hij de geboorte-
[tweede] huwelijk van zijn vader met Maria Penris. Naar een akte van zijn dochter Anna Margaretha als ”Commiss(aire)
beschrijving van 11 september 1805 zag hij er op bijna 53- Du D(irect)oire Ex(ecu)tif” van het kanton Oirsbeek. Op 9
jarige leeftijd als volgt uit: 1,77 m lang, blanke gelaatskleur, september 1801 nam hij het ambt van maire van Geleen
rond gezicht, hoog voorhoofd, bruine haren en wenk- weer op. In de tweede helft van 1803 werd hem de uit-
brauwen, blauwe ogen, lichtjes gebogen neus, middelmatige oefening van die functie door een oogziekte [”la maladie des
mond en ronde kin met een kuiltje. yeux”] bemoeilijkt, omdat zij hem belette te lezen en te
Hij was een ontwikkeld man, die de Franse taal beheerste. schrijven. Eind september van dat jaar liet hij weten, dat hij
Van 1782 tot 1785 nam hij de functie van schatheffer waar weer in zoverre was hersteld, dat hij kon schrijven. Hij zou
en van 1785 tot 1794 was hij landmeter. In 1788 treffen we zijn functie niet alleen tot aan het einde van de Franse
hem als burgemeester van de wijk Oud-Geleen aan. Op 14 periode maar ook tijdens de eerste jaren van het koninkrijk
december van datzelfde jaar werd hij tot schepen van het der Nederlanden blijven waarnemen [Zie verder ”Burge-
graafschap Geleen benoemd <PSHAL 1958/59, 422 en 449>; in meesters” in hoofdstuk VII ”Gemeente Geleen” in deel II.]
1789 tekende hij dan ook als scabinus. Op 13 juni 1794
werd hij in het doopregister als schepen en rijksontvanger Jan Lambert Göbbels (1796)
aangeduid. Reeds in 1777 oefende hij in zijn ouderlijk huis J. L. Göbbels werd op 20 maart 1769 in de Pieterstraat
het beroep van notaris uit. In 1791 en 1794 noemde hij zich geboren als zoon van Mathias Göbbels en Maria Sybilla
”Keyserlijken, Koninglijken en Apostolijcke Notaris bij Sijne Haerden. Ondanks zijn jeugdige leeftijd werd hij op 25
Majesteyts Souverainen Raede [van Brabant te Brussel] en november 1794 als een der adjuncten van maire Luijten
[bij] den H. Stoel van Roomen”. De eerste titulatuur verwees benoemd. Op 27 april 1795 ondertekende hij een akte als
naar de keizer van Oostenrijk, terwijl ”Apostolijcke” in ”officier municipal”, d.w.z. ”gemeentelijk hoofdambtenaar”.
verband met de r.k. kerk stond. Toen hij zich in een volgende Aldus zette hij een familietraditie voort; zijn beide ooms Jan
periode ”Keyserlijken” notaris noemde, sloeg dit op en Lambert Göbbels waren schepenen van het graafschap
Napoleon. Geleen geweest, terwijl hijzelf een oom was van de latere
Op 28 december 1785 huwde Jan Mathijs Luijten in de burgemeester Pieter Mathijs Göbbels. Hij bleef de functie
franciscanerkerk te Roermond met Anna Catharina Keulers. van adjunct gedurende 16 maanden waarnemen. Toen maire
De bruid was op 16 oktober 1757 te Geleen geboren als Luijten bij de administratieve herindeling van 13 januari
dochter van Pieter Keulers en Elisabeth Bollen; zij was een 1796 zijn ambt van municipale agent neerlegde, werd
Göbbels zijn opvolger. Reeds op 3 maart 1796 legde hij die

417

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 418

functie neer om ”commis van den secretaris” [J. H. van der agent op zich te nemen, was deze vreemdeling bereid een
Meer] te worden <FA nr. 4290>. dergelijke benoeming te aanvaarden. Hij bleek de Franse taal
Op 4 mei 1803 huwde hij te Rothem (B.) met Maria machtig te zijn, maar zijn vrouw kon niet eens haar eigen
Elisabeth Aerts uit Dilsen (B.). Het echtpaar bleef in Rothem naam schrijven.
wonen en stichtte er een tak van het geslacht Göbbels. Op 9 Tijdens hun verblijf te Geleen gingen zij een paar transacties
augustus 1844 overleed de vroegere Gelener in de Kerkstraat van goederen aan. Zo verwierven zij van Steven Sassen 100
aldaar; zijn echtgenote overleed op 4 maart 1848. roede heide boven Krawinkel en verkochten zij dat perceel
op 2 april 1797 voor 250 pond Frans geld aan Joannes
Lambert Keulers (1796) Reyner Maes en diens vrouw Anna Maria Nijsten. Op 20
Toen J. L. Göbbels de functie van municipale agent had juli 1797 kochten zij een ”huys, schuyr, stallen, weyde en
neergelegd, stemde Lambert Keulers - die tijdens het ”Ancien koolhoff groot alles te saemen seven en vyftig kleyne roeden”
Régime” schepen was geweest - er in toe om zijn opvolger te op de hoek van de Eindstraat en de Sittarderweg of [Oude]
worden <FA nr. 4290>. Hij was op 2 februari 1735 gedoopt als Maastrichterweg voor 984 pond en 12 stuivers Frans geld
zoon van Peter Keulers en Maria Haerden en was op 12 van Peter Mattis Haerden. Doch daarbij werd bepaald, dat
februari 1756 met Anna Margaretha Hamers getrouwd. Zij de koper dat bedrag ”niet sal gehouden syn eerder uyt te
werden de ouders van acht kinderen, van wie er twee of drie betaelen als immediaet naer dood syner schoonouders”,
jong stierven. Aanvankelijk woonden zij blijkbaar in de terwijl hij wel jaarlijks een interest van 5% aan de verkoper
Pieterstraat, maar op 27 april 1776 kochten zij het huis ”Op zou moeten betalen. Deze laatste zou ”sijn leven geduyrende
de Vuling” - waar de gezusters Gadé hadden gewoond - en eene camer voor sijne wooninge in gemeld huys” behouden.
verhuisden zij met hun kinderen daarheen. Zoon Jan Vlak daarna, op 25 juli 1797, verkochten Veldbrugge en zijn
Willem Keulers (*8-3-1766) werd priester en was van 1801 vrouw datzelfde goed voor hetzelfde bedrag aan de
tot 1814 pastoor te Schaesberg. veldwachter-onderwijzer Jan Jacob Helgers (*25-7-1760) en
Lambert Keulers werd zijn nieuwe taak al spoedig beu. Op 8 diens bruid Mechtildis Haerden; dit echtpaar beloofde de
juni 1796 stuurde hij een - door een kennis in het Frans koopsom binnen een jaar te betalen. Aldus wist Veldbrugge
vertaald - schrijven aan de administratie te Maastricht, door een handige manoeuvre een niet onbelangrijke geldsom
waarin hij verklaarde zijn opdracht als municipale agent in handen te krijgen.
wegens zijn gevorderde leeftijd [”grand age”], zwakke ogen In het begin wist de nieuwe municipale agent blijkbaar niet
[”la faiblesse de ses yeux”], slecht gehoor [”sa mauvaise goed weg met de nieuwe Franse kalender. Zo schreef hij: ”3
ouie”], een ernstige ziekte aan de blaas [”une maladie October 1796 of derden Vendémiaire 5e jaar”, terwijl 3
invétérée de vessie”] en het feit, dat hij geen woord Frans Vendémiaire jaar V in werkelijkheid op 24 september 1796
verstond [”n’entendant rien du tout à la langue Française”], viel. Overeenkomstig de nieuw ingevoerde nomenclatuur
niet te kunnen vervullen. Ter staving hiervan voegde hij er tekende hij vanaf 31 oktober 1797 als ”commissaire spécial”.
een in het Latijn opgesteld getuigenis van de Sittardse Hij zou die functie daarna nog slechts gedurende ruim vijf
geneesheer Mulckens dd. 7 maart 1796 aan toe, dat hij reeds maanden waarnemen. Begin maart 1798 legde hij ze neer en
verscheidene jaren last van die blaasziekte had gehad zonder op 12 maart 1798 zegde hij de huur van zijn huis op. Kort
dat de regelmatig genomen medicijnen hem daarvan hadden daarna is hij met zijn gezin uit Geleen naar Gronsveld
kunnen genezen en dat hij bovendien zwakke ogen had en teruggekeerd.
slechts met de grootste moeite kon horen [oculorum debilitas,
auditusque summa difficultas] <FA nr. 895>. Hij overleed in zijn Mathieu le Boulle of Leboulle (1798)
huis Op de Vuling op 26 mei 1806. Zijn echtgenote was Na de ontslagname van Veldbrugge werd Mathieu le Boulle
daar reeds op 25 maart 1800 overleden. tot ”commissaire spécial” van Geleen aangesteld. Hij was
geen onbekende, want in 1790 en 1791 was hij schepen van
Gerard Veldbrugge (1796-1798) het graafschap Geleen geweest. Hij was afkomstig uit het
Deze ”Hollander” was omstreeks 1760 te Delfshaven stadje Dalhem, hoofdplaats van het Oostenrijkse Land van
[Rotterdam] geboren. Na zijn huwelijk op 10 februari 1793 Dalhem, en was op 16 juli 1781 te Amstenrade gehuwd met
te Wyck-Maastricht met de vijf jaren jongere Maria Blonden Anna Catharina Rosenbaum.
uit Gronsveld bleef hij aanvankelijk in de laatstgenoemde Te Geleen trad hij in zijn nieuwe functie voor het eerst op 5
plaats wonen. Op 31 september 1795 huurden zij het huis maart 1798 op. Dit was evenwel louter een waarnemende
Dullens [later huis Eussen] aan de westzijde naast het functie, want hij woonde te Amstenrade en was tevens
kerkhof te Oud-Geleen, dat tevens een brouwerij omvatte; ”commissaire spécial” van die gemeente. Hij nam die functie
zij hielden er café. Volgens de volkstelling van 1796 hadden te Geleen slechts gedurende een paar maanden waar. Van
zij toen één kind, dat Houbert heette. Op 20 maart 1796 1807 tot 1817 was hij ook maire van Brunssum. Hij
werd te Geleen hun zoontje Gerard gedoopt. overleed te Amstenrade op 18 januari 1828 in de leeftijd van
Toen de overheid - na de ontslagname van Lambert Keulers 72 jaar. Soms schreef hij zijn naam als Leboulle; later werd
- geen Gelener kon vinden om de functie van municipale die in Lebouille veranderd.

418

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 419

Servaas Martijn Vroemen (1798) ? van de administratie van de gemeente Geleen. In september
De in de Jodenstraat wonende brouwer Servaas Martijn 1801 werd deze laatste functie door maire J. M. Luijten
Vroemen (*13-5-1752), zoon van de schepen Jacob Vroemen, overgenomen.
was via zijn moeder Ida Bollen een neef van de echtgenote Niet minder dan 20 jaren later wendde Knooren zich tot de
van notaris-maire J. M. Luijten. Deze laatste droeg hem op commissaris van het arrondissement Maastricht om zijn
9 mei 1798 voor als kandidaat voor het ambt van ”agent traktement als maire van Geleen gedurende het jaar IX
municipal” <Bergen, 44-46>. Misschien was hij toen bereid om (september 1800 - september 1801) van de Franse
Luijten uit de nood te helpen en de administratie van Geleen Republiek uitbetaald te krijgen. Hij beriep zich op het
voor zeer korte tijd waar te nemen <HJLvZ 1992, 76 en 79>, maar besluit van de prefect van het departement van de
er zijn ons geen gegevens bekend om dit te bevestigen. Wel Nedermaas dd. 19 Fructidor jaar VIII (6 september 1800),
werd hij op 22 augustus 1800 tot lid van de gemeenteraad waarbij hem als ”maire spécial” een salaris van 50 francs per
benoemd. maand werd toegekend. Op verzoek van de commissaris
nam het gemeentebestuur van Geleen die zaak op 30 april
Arnold Cremers (1798-1800) 1821 in behandeling. Toen Knooren verklaarde met 94
Deze Gelener, die ”op de Pesch” woonde, trad vanaf 30 juni gulden en 50 cent genoegen te nemen, kon ook de raad
1798 in functie als ”agent municipal” van zijn geboorte- daarmee akkoord gaan. Op 17 april 1837 is hij in zijn
plaats. Hij was op 20 juli 1731 geboren als zoon van Mathijs geboorteplaats overleden.
Cremers en Greetgen Proosten; op 20 juni 1756 was hij
gehuwd met Ida Notermans. In de jaren 1778-1782 was hij Godfried Baggen, adjunct
”collecteur”, d.w.z. ontvanger van belastingen. Zijn zonen Godfried Baggen was op 12 oktober 1765 te Lutterade
Hendrik en Mathis Servaas tekenden veel van de door hem geboren als zoon van Jan Baggen en Margaretha Proosten.
opgestelde akten als getuigen. Een ouder broertje, dat op 25 augustus 1764 was geboren,
Waarschijnlijk heeft de nieuwe administratieve regeling van maar kort daarop was gestorven, had eveneens Godfried
17 februari 1800, waarbij hij tot maire werd bevorderd en geheten. Op 7 juli 1793 huwde hij met Maria Catharina
Geleen weer een eigen gemeenteraad kreeg, ertoe geleid, dat Sassen (1767-1831). Dit echtpaar kreeg vier dochters en een
hij zijn taken wenste op te geven. Dit verklaart zijn afwezig- zoon Jan (*8-9-1797); deze laatste moet op jeugdige leeftijd
heid bij de officiële beëdiging van de nieuwe maires te zijn overleden. Anna Margaretha Baggen trouwde met
Oirsbeek op 30 mei 1800 en ook dat hij het proces-verbaal Hendrik Kallen uit Ophoven, Petronella Baggen trouwde
van zijn beëdiging tekende als ”ex-agent municipal”. Op 18 met Servaas Jozef Damoiseaux uit Schinnen, Maria Elisabeth
juni 1800 liet hij aan de overheid weten, dat hij het Baggen trouwde met Jan Hubert Kallen uit Ophoven en
gemeenteambt wegens zijn hoge leeftijd wenste neer te Maria Ida Baggen trouwde met Christiaan Custers uit
leggen. Zes dagen later schreef hij achter zijn naam: ”ex Ophoven.
agent [municipal], provijsoirlijck de functie van meijer der Naast landbouwer was Godfried Baggen tevens landmeter.
gemeente Geleen”. Daarna bleef hij nog een paar maanden Bij de komst van de Fransen in 1794 bleek hij gemeente-
in functie. Op 13 augustus 1800 stuurde hij een brief in het ontvanger te zijn. Bijna vanaf het begin van de Franse
Frans naar Maastricht, waarin hij nogmaals zijn ontslag gemeentelijke organisatie trad hij als adjunct op. Maar toen
aanbood; daarin verklaarde hij tevens, dat hij de Franse taal in de zomer van 1796 de wetten van de Franse overheid met
niet machtig was en dat hij voor zijn correspondentie een zijn geweten in strijd kwamen, weigerde hij die functie nog
vertaler nodig had <FA nr. 875>. In september 1800, d.w.z. bij langer uit te oefenen en einde augustus van dat jaar legde hij
het begin van het Franse kalenderjaar IX, liet hij die functie ze neer. Toch heeft Luijten hem blijkbaar weten over te halen
aan een niet-Gelener over. Op 28 september 1816 zou hij in om ze weer op te nemen, want op 28 januari 1797 tekende
de leeftijd van 85 jaar overlijden. hij andermaal als adjunct.
In 1803 werd hij als ”assessor” aangeduid; dit was toen het
Peter Mathijs Knooren (1800-1801) equivalent van schepen of wethouder. Op 20 juni 1804 werd
Van 21 september 1800 tot 15 september 1801 tekende hij bovendien ”percepteur des contributions” [= ”belasting-
P. M. Knooren in de registers van de burgerlijke stand van gaarder”] genoemd. Bij zijn herbenoeming als ”adjoint”
Geleen als ”maire” of ”meyer”, maar in de geboorte- en sterfte- legde hij de volgende eed van gehoorzaamheid aan de
registers tekende hij meestal slechts met zijn naam. Op het instellingen van het keizerrijk en van trouw aan keizer
”Tableau des maires et adjoints” van 23 september 1800 Napoleon af: ”Je jure obéissance aux constitutions de
wordt hij als maire van Geleen vermeld <FA nr. 917>. l’Empire et fidélité à l’Empereur”. Op 16 februari 1808 werd
Op 30 juni 1762 was hij te Puth-Schinnen geboren; zijn hij door maire Luijten bovendien als kerkmeester geïn-
moeder stamde uit de oliemolen van Munstergeleen. Hij stalleerd. Op 14 oktober 1814 werd hij nog steeds als
trouwde met Maria Elisabeth van de Bergh. Eerst was hij ”adjoint” aangeduid en in 1836 werd hij schepen genoemd.
adjunct, vervolgens agent en daarna maire van Schinnen. Hij overleed op 4 april 1840.
Gedurende bijna een heel jaar stond hij tevens aan het hoofd

419

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 420

Mathias Dols, adjunct
In het parochieel overlijdensregister staat onder 1 juli 1799:
Mathias Dols, maritus viduæ Wilms in cœmiterio, qui ante
morten suam se excusavit et cessavit a functione agentis in
cantone de Oorsbeek in mea præsentia revocavit juramentum
gallorum et se præparatum exhibuit ad omnia agenda et
persolvenda quæ ex parte ecclesiæ R[omanæ] capitis statueretur
contra juratores gallicos, d.w.z. ”Mathias Dols, echtgenoot van
de weduwe Willems in [het huis aan] het kerkhof, die
alvorens te sterven in woord en daad ontslag uit zijn functie
van agent in het kanton Oirsbeek heeft genomen, en in mijn
bijzijn de Franse eed heeft herroepen en zich bereid heeft
verklaard alles te doen en uit te voeren wat door het hoofd
van de r[oomse] kerk tegen degenen, die de Franse eed
aflegden, mocht worden voorgeschreven”. In het gemeente-
lijk archief staat, dat Joannes Mathias Dols op 13 Messidor
jaar VII (1 juli 1799) om 8 uur ’s morgens in de leeftijd van
40 jaar is overleden.
Mathias Dols was op 15 mei 1759 te Spaubeek gedoopt als
zoon van Jan Dols en Barbara Schurgers. Op 10 mei 1791,
toen hij in het Schinnense gedeelte van Daniken woonde,
ging hij met Anna Maria Trumpener, weduwe van Thomas
Willems, die het huis [met in ankers 1623] aan het kerkhof
bewoonde, voor notaris Luijten een huwelijkscontract aan.
Op 15 mei 1791 werd het kerkelijk huwelijk te Munster-
geleen ingezegend, waarna hij in het huis van zijn bruid ging
wonen. Zijn weduwe zou op 13 januari 1801 overlijden.
Ofschoon Mathias Dols in bovenstaande aantekening een
agent van het kanton Oirsbeek werd genoemd, is ons geen
akte bekend, waarin hij als zodanig optrad. Wel staat zijn
handtekening onder het tweetalige verzoek van 18 januari
1798 om de beëdigde priester Hinderik op den Dries tot
pastoor te Geleen te benoemen <Bergen, 62-63>. Daar hij in een
belastingregister ”adjoint” werd genoemd <FA nr. 4564>, zal hij
de functie van adjunct enige tijd hebben waargenomen.

420

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 421

Epiloog van het eerste
en proloog op het tweede deel

Aan het slot van de ”Kroniek van 1654 tot 1794” werd armbestuur verschuldigde tienden en/of cijnzen - althans ten
verhaald hoe in september 1794 de Oostenrijkers door de dele - weer opgelegd. In het dagelijkse leven van de Geleners
Franse troepen voorgoed uit deze streken werden verjaagd en werd de herinnering aan de Franse periode vooral bewaard
hoe daarmee een einde kwam aan het zogenaamde - in zijn door de geleidelijke overgang tot de lange broek en het
essentiële trekken nog middeleeuwse - ”Ancien Régime”. De gebruik van een aantal Franse woorden, die in voorafgaande
Fransen veegden niet alleen de geografische lappendeken van tijden slechts door degenen, die deze taal beheersten, bekend
heerlijkheden en graafschappen van de kaart en hieven alle waren.
feodale banden op maar voerden bovendien een nieuwe Geleen werd pas uit zijn isolement verlost door de aanleg van
bestuursadministratie in. Voortaan zouden er slechts burgers de Rijksweg van Maastricht naar Nijmegen (1839-1846) en
zijn, die allemaal dezelfde rechten hadden en in gemeenten van de spoorwegen Maastricht-Roermond (1862-1865) en
woonden, die tot kantons behoorden en in wijder verband Heerlen-Sittard (1890-1896). De grote baan werd midden
bij een departement werden ingedeeld. Aldus vormde de door de gemeente gelegd en liet de oude bevolkingscentra
Franse periode (1794-1814) een overgang tussen het ”graaf- praktisch onaangetast. Ook de spoorweg Heerlen-Sittard
schap” Geleen van het ”Ancien Régime” en de daarop- liep eigenlijk om Oud-Geleen heen. Maar de spoorweg
volgende periode, waarin de ”gemeente” Geleen een Maastricht-Sittard sneed de dorpen Krawinkel en Lutterade
onderdeel bleef uitmaken van de provincie Limburg in het middendoor. Desondanks ging het leven zijn gewone gang.
Koninkrijk der Nederlanden. Sommige ambachten, zoals het weven, werden evenwel na
In het tweede deel zal allereerst de eeuw vanaf het einde der verloop van tijd door de machinale concurrentie verdrongen,
Franse periode (1814) tot de aanleg van de staatsmijn terwijl andere - zoals de aanmaak en verkoop van cider -
Maurits (ca. 1920) onder de titel ”De Gemeente Geleen” wegens het verlies van het oude afzetgebied ten westen van
[hoofdstuk VII] worden behandeld. Ofschoon de Fransen de Maas ten onder gingen.
hier slechts twintig jaar lang de lakens hadden uitgedeeld, In de negentiende eeuw hadden er op het lokale niveau een
keerde na hun vertrek de politieke situatie niet in haar oude paar gebeurtenissen plaats, waarbij de gehele bevolking ten
vorm terug. De Geleners waren niet meer de onderdanen nauwste betrokken was en waardoor de gemoederen in
van Spaanse koningen of Oostenrijkse keizers, maar woon- heftige beroering werden gebracht. Een van deze was het van
den voortaan - evenals hun naaste buren te Beek, Munster- hogerhand ontnemen van grote stukken uit het traditionele
geleen en Sittard, van wie ze eeuwenlang door politieke Geleense aandeel in de Graetheide, wat voor vele Geleners
grenzen waren gescheiden - in de nieuwe provincie Limburg het verlies van hun weidegrond betekende. Een ander
onder een eigen nationale soeverein. belangrijk evenement was de oprichting van de parochie
Doch evenals zo menige andere vorst kon ook koning Lutterade-Krawinkel en de bouw van een kerk tussen beide
Willem I maar moeilijk de autocratische houding van weleer dorpen. Tijdens de daaraan voorafgaande verwikkelingen
laten varen, en mede daardoor ontstonden nieuwe politieke werd de traditionele rivaliteit tussen die wijken en Oud-
verwikkelingen. In 1830 werd Oost-Limburg bij het zich Geleen in een felle animositeit omgezet, die nog lang haar
van Noord-Nederland afscheidende België gevoegd, terwijl naklank heeft gehad.
het in 1839 definitief de elfde provincie van [Noord-] Met de aanleg van de staatsmijn Maurits (ca. 1920) begint
Nederland werd. In dit laatste jaar werd het tevens als tevens een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Geleen.
hertogdom in de Duitse Bond opgenomen. Deze twee- Beide parallel lopende ontwikkelingen zullen in de afzonder-
slachtige situatie zou in 1848 tot nieuwe deiningen leiden; lijke hoofdstukken van deel II, nl. ”Opkomst en ondergang
maar toen zou het niet tot een verandering van de grenzen van de Staatsmijn Maurits” [hoofdstuk VIII] en ”De
komen. Mijnstad Geleen” [hoofdstuk IX] worden behandeld. Die
Al werden die politieke wisselvalligheden ook op het plaatse- periode omvatte voor elk van die ontwikkelingen drie
lijke niveau gevoeld, toch wijst alles erop, dat na het vertrek etappes. Gedurende de vooroorlogse etappe van ruim een
van de Fransen het dagelijkse leven van de Geleners nog kwart eeuw bracht de opbouw en de uitbreiding van de mijn
generaties lang op nagenoeg de oude traditionele wijze werd en haar nevenbedrijven grote veranderingen van geografische
voortgezet. Geleen bleef een agrarische gemeente, waar de en sociale aard teweeg. Enerzijds werden aanzienlijke
beoefening van landbouw en veeteelt niet van de vroegere stukken van de dorpen Lutterade en Krawinkel aan de
werkwijze verschilde, terwijl ook de ambachten volgens de nieuwe industrie opgeofferd, terwijl anderzijds - wegens de
traditie werden uitgeoefend. Al keerde het leenstelsel niet komst van een groot aantal werknemers naar Geleen - niet
terug, toch werden de voorheen aan de kerk en het alleen de geheel nieuwe wijk Lindenheuvel uit de grond

421

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 422

werd gestampt, maar ook doorheen heel de gemeente een vanzelf, dat daarbij vooral aandacht aan hun bewoners zal
grote bouwactiviteit aan de dag werd gelegd. Reeds vroeg in worden besteed.
die periode werd de gemeentelijke administratie uit Oud-
Geleen naar een nieuw gemeentehuis in het centrum van de
gemeente verplaatst.
Met de inval van de Duitse legers (10 mei 1940) kwam de
uitbreiding van industrie en woningbouw praktisch tot
stilstand. Bij het tragische bombardement van 5/6 oktober
1942 vielen er veel slachtoffers en werden vooral de wijken
Lutterade en Krawinkel andermaal zwaar getroffen. Ook
verloor een aantal Geleners het leven als gevolg van andere
oorlogshandelingen. De bevrijding van Geleen op 18
september 1944 door Amerikaanse troepen bracht die
moeilijke en angstige tijd ten einde.
De naoorlogse etappe was er een van ongebreidelde groei.
De staatsmijn Maurits breidde zich steeds verder uit, de
ruimten tussen de wooncentra werden opgevuld, nieuwe
straten en wijken werden aangelegd en de huizenbouw had
met een tot dan toe ongekend koortsachtig tempo plaats.
Jammer genoeg werden aan die nieuwbouw zonder nood-
zaak aanzienlijke en historisch of cultureel belangrijke delen
van het oude Geleen opgeofferd. Geheel Spaans-Neerbeek
- met zijn waardevolle vakwerkschuren - werd van de kaart
geveegd, de Eindstraat - die een onderdeel van de oudste
bekende route door Geleen uitmaakte - werd grotendeels
opgeheven en het oudste vakwerkhuis van Geleen - dat
wegens het daarbij gebruikte systeem tot een der merk-
waardigste in Nederland behoorde - werd door een
wethouder met een bulldozer tegen de vlakte geworpen.
Deze laatste daad was symbolisch voor de toen heersende
officiële mentaliteit, dat Geleen tot iedere prijs een
”Waereldsjtad” moest worden en dat al wat aan zijn vroegere
landelijkheid herinnerde moest verdwijnen.
In de jaren zestig werd het steenkoolbedrijf stilgelegd, omdat
enerzijds de steeds grotere diepte van de kolenwinning niet
voldoende rendabel was en anderzijds het pas ontdekte
aardgas een goedkopere vervanging van steenkool vertegen-
woordigde. De mijn werd door het nog grotere DSM-bedrijf
vervangen en de huizenbouw bleef onverminderd doorgaan.
Bovendien had een nieuwe gemeentelijke herindeling plaats.
Maar de gebeurtenissen van de laatste dertig jaar liggen te
dicht bij het heden om als ”geschiedenis” te worden
beschouwd. Daarom zal het hoofdstuk over de ”Mijnstad
Geleen” met de sluiting van de mijn Maurits worden
beëindigd.
Dat kan echter geenszins het einde van het tweede deel van
de Geschiedenis van Geleen betekenen. Er zou immers een al
te grote lacune worden gelaten, indien niet een hoofdstuk
aan de Geleense ”Historische Gebouwen” [hoofdstuk X] zou
worden gewijd. Zowel op goede historische gronden alsook
uit piëteit voor het voorgeslacht zullen in dat hoofdstuk niet
alleen de weinige nog bestaande stenen getuigen uit vroeger
tijden worden besproken, maar zullen ook de in onze jeugd
nog aanwezige en sindsdien verloren gegane historische
gebouwen onder de loep worden genomen. Het spreekt

422

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 423

Glossarium

Zie o.a. Slanghen 1859. - Habets 1891. - Lindemans I en II. 5.300-4.400 tot ca. 4.900-4.000 v. Chr., die aldus worden
- Huygen, 122-123. - JanssenLimp 1965, 477-492; 1977, genoemd naar de op hun aardewerk aangebrachte ver-
656-680. - Verdam. De opgegeven muntwaarden varieerden sieringen.
zowel voor verschillende streken als voor verschillende Bank: hetzij als zodanig hetzij in de samenstellingen
tijden. De inhoudsmaten werden gedeeltelijk circa 1942 dingbank en schepenbank: rechtsgebied of jurisdictie, terwijl
opgetekend uit de mond van Geleners - de meeste van die de samengestelde woorden tevens de autoriteit binnen dat
maten waren in het begin van de twintigste eeuw nog rechtsgebied aanduidden.
algemeen in gebruik - en gedeeltelijk uit schriftelijke bron- Banmolen of dwangmolen: molen, waaraan voor omwonen-
nen overgenomen. In andere tijden en op andere plaatsen den de maalplicht was verbonden. Omdat een molen bijna
hebben sommige van deze maten andere inhouden gehad. steeds door een adellijk persoon werd opgericht, wilde deze
laatste het economisch voordeel daarvan verzekeren.
Aaks: grote bijl. Daarom deed hij een beroep op het z.g. banrecht en legde hij
Aaessack of aessac: spijszak, knapzak, tas, buidel. aan leden van een bepaalde gemeenschap de plicht op om
Aam [meervoud: amen]: grote ton met een inhoud van daar hun granen te laten malen. Zo waren de inwoners van
ongeveer 150 liter. Het woord aam werd door Geleners tot Beek en Spaubeek verplicht hun granen te brengen naar de
ver in de twintigste eeuw gebruikt; dit was vaak de ton bier, molen van Sint-Jansgeleen, die door een adellijk persoon uit
die aan herbergen werd geleverd. Beek - waartoe destijds Spaubeek behoorde - was gebouwd.
Albe: wit onderkleed (liturgisch gewaad). Ofschoon die banmolen later in het bezit van de Heer van
Aldegroot: munt ter waarde van twee stuiver of twee Geleen kwam, waren de inwoners van Oud-Geleen,
vleemsch [= vlaams]. Krawinkel, Lutterade en Geleens Neerbeek niet aan de maal-
Allodium [meerv.: allodia]: allodiaal, d.w.z. niet leenplichtig plicht aldaar onderhevig.
[feodaal], maar belastingvrij eigendom, ook ”eigengoed” Barensteel: verkorte dwarsbalk op geslachtswapen met drie
genoemd. of meer verbredingen aan de onderkant.
Alt moirken: koperen munt ter waarde van een oort. Bedelvoogd: bode (politieman) om bedelaars te arresteren
Ambtman(n): naam voor schout of drossaard in het hertog- en vreemdelingen naar hun paspoorten te vragen; soms
dom Gulik. - speciaal gedurende de hondsdagen (juli-augustus) - kreeg
Amende: boete. hij ook opdracht om loslopende honden dood te slaan.
Amfora: grote aarden pot - van Romeinse of Karolingische Beer [dialect: bèèr]: mannelijk varken.
oorsprong - met twee oren. Behalden: bewijzen, bevestigen.
Anachronisme: het in een verkeerde chronologische context Beleiding, beleyding, beleit: visitatie of rondgang en
- hetzij te vroeg hetzij te laat - plaatsen van een feit, persoon, onderzoek van grenzen, wegen, waterlopen e.d. door de
voorwerp, woord enz.; bij evalueren van vroegere feiten ook plaatselijke overheid.
het gebruiken van maatstaven, die in het verleden niet van Beneficie: kerkelijke functie met bepaalde verplichtingen,
toepassing waren. zoals het lezen van een aantal missen, waaraan vaste
Anker: kleine ton met een inhoud van 35 à 38 liter. Ook het inkomsten waren verbonden; de bezitter van zo’n beneficie
woord anker werd vroeger geregeld gebruikt; dit was meestal werd beneficiant genoemd. Zie stichtingen.
de ton bier, die een landbouwer tegen de oogsttijd bij de Beschudden: 1. beschutten, beschermen, behoeden,
brouwer kwam bestellen. beveiligen, verdedigen; 2. lossen van gepande goederen; 3.
Artefacten: letterlijk: kunstmatige poducten, in tegen- naasten, het naastings- of retractrecht uitoefenen. Zie
stelling tot natuurproducten; doorgaans: gebruiksvoor- naastingsrecht.
werpen in steen, brons e.d. van de voorhistorische mens. Beterie of beterij: eigenlijk alles waar het bouwland of de
Assignat: assignaat, een door de Fransen in 1790-1796 wei ”beter” van wordt, op de eerste plaats mest, maar ook
verspreid soort muntpapier. modder uit vijvers, poelen en sloten; later werd dit woord
Balije: provincie van de Duitse Ridderorde. De provinciale door ”vedding” vervangen.
bestuurders werden landcommandeurs genoemd. Een van Betimmert terrein: terrein waarop een gebouw staat.
de balijen van die orde was Alden Biesen bij Bilzen (B.), Bivanc of byvanck: de gehele omvang van een erf of het
waaraan twaalf commanderijen onderhorig waren. Zie volledige bij een dorp, stad of heerlijkheid behorend en in
commanderij en Duitse Orde. cultuur gebrachte gebied.
Bandkeramiekers: bewoners van deze streken van ca. Bode: gewoonlijk de gerechtsbode in dienst van de schepen-

423

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 424

bank, schout of drossaard. Vele Geleners duidden tot ver in opbrengst, welke levering vaak in het betalen van een
de twintigste eeuw een veldwachter of politieman als ”de geldbedrag werd omgezet. Een cijns was geen tiende.
bao” aan. Zo werd de politieman Xaverius Janssen (1858- Cisterciënzers: leden van de in de twaalfde eeuw gestichte
1923) door iedereen ”Vèèr de Bao” genoemd. Ook werd en naar Cîteaux bij Lyon in Frankrijk genoemde klooster-
door oudere Geleners vaak het woord ”gard” gebruikt. Dit orde; de cisterciënzerabdij van Val-Dieu [Godsdal] bezat de
was een afkorting van ”garde champêtre” [= veldwachter], hoeve Abshoven en de cisterciënzerabdij van Villers-la-Ville
welke uitdrukking sedert de Franse periode (1794-1814) bij Brussel bezat een hoeve te Krawinkel.
gebruikelijk was. Zie ook schut en schutbode. Collatierecht: zie patronaatsrecht.
Boesch of bousch: kleine Akense munt. Twee boeschen = Commanderij: een aan de Duitse Orde toebehorende burcht
een albus of wispenning; 21/2 boesch = een stuiver; vijf onder het beheer van een ridder van die orde, die de titel van
boeschen = drie vleemsch; 45 boeschen = een rijnsgulden. commandeur droeg. Zie ook balije en Duitse Orde.
Overdrachtelijk: kleine persoon: ”eine bausj”. Complice [Frans]: medeplichtige.
Borggraaf: geen ”graaf” maar een zaakwaarnemer. Sommige Comptoir [Frans]: bureau of kantoor, speciaal dat van de
halfers van de kasteelhoeve van Sint-Jansgeleen waren de ontvanger van de in- en uitvoerrechten te Geleen; eerst
”borggraven” namens de bezitters van het kasteel. gevestigd in de woning van Willem de Gavarelle aan het
Botten: op last van de overheid grondwerk verrichten. In kerkhof, daarna in de woning van Herman Luijten in de
Geleen was dit bijna steeds het op- en afladen en vervoeren Jodenstraat en vervolgens vlak bij de kerk in de Dorpstraat
van kiezel en het repareren van wegen. Bezettende troepen [Marcellienstraat] te Oud-Geleen.
riepen de bevolking soms op om elders graafwerk aan Consistorie of consistorium: vergadering van kerkelijke
versterkingen te verrichten; ook dat werd botten genoemd. (katholieke of protestantse) gezagsdragers.
In de archieven worden de botters, vooral de op- en afladers Conversus [Latijn, letterlijk: bekeerling]: in middeleeuwse
van kiezel e.d., soms ”pioniers” genoemd. oorkonden speciaal gebruikt ter aanduiding van een leken-
Botterkleuske of Botterclaeske: een in de achttiende eeuw broeder, die in veel gevallen op een kloosterhoeve werkte.
gangbare pasmunt van geringe waarde. Credens: 1. algemeen: tafel of onderstuk; 2. speciaal:
Brakelen: het breken van de houtpijpen in gedroogde aankleedtafel voor priesters in de sacristie, waaronder vaak
vlasplanten, doorgaans met een vlasbreek of -braak. Zie ook laden voor het opbergen van paramenten zijn aangebracht.
hekelen en vlasbreek. Cruijen: wieden, niet alleen onkruid uit de akkers plukken,
Bronk: H. Sacramentsprocessie. maar ook gewassen af- of uitrukken, die voor consumptie
Brugge: weegbrug, balans. van mens en dier bestemd zijn.
Bunder of bounder: oppervlaktemaat van vier zillen of 400 Curia [Latijn: hoeve]: meestal grote hoeve, die het
kleine roede [= 82 aren en 80 centiaren]. administratieve centrum van een uitgestrekt landbouw-
Burgemeesters (vóór 1794): door hun eigen wijkgenoten bedrijf vormde, ook meierhoeve, meierhof en honshof
gekozen vertegenwoordigers. In een zeventiende-eeuws genoemd.
Latijns Geleens document worden ze pagimagistri [= dorps- C 14 methode: dateringsmethode op basis van radioactieve
meesters] genoemd. Zo hadden Oud-Geleen, Lutterade en koolstof, die door de Amerikaan Willard F. Libby, professor
Krawinkel elk hun eigen burgemeester <Russel 1860, 45>; die aan de universiteit van Chicago, in 1952 voor het eerst werd
van Krawinkel oefende zijn functie ook in Geleens Neerbeek gepubliceerd. Koolstof in koolzuur uit de lucht is radioactief;
uit. Zij regelden allerlei aspecten van het dorpsleven - soms bijgevolg worden ook de planten, die koolzuur opnemen
waren zij tevens ontvangers en betaalmeesters <PSHAL 1915, radioactief. Koolstof verliest de helft van zijn radioactiviteit
317> - maar zij hadden geen bestuurs- of rechtsmacht. Met na 5570 jaar. Op grond hiervan kan worden berekend
hedendaagse burgemeesters hadden ze slechts de naam hoelang geleden organische stoffen ophielden koolstof uit de
gemeen. lucht op te nemen.
Capella: 1. als gebouw: kapel; 2. als parament: speciaal bij Dagwande: oppervlaktemaat: gewoonlijk een zil of 100
het dragen van het Allerheiligste gebruikte kapmantel of kleine roeden, maar soms 110 kleine roede.
schouderomslag, die tevens de armen en handen van de Denaris [Latijnse naam voor denarie of denier] = een
priester bedekt(e). penning = een aldegroot = een crompstart = elf Maastrichtse
Carde: zie kaarde. hallers of hellers.
Carmagnole: [Franse] revolutionaire zang en dans. Dertiendag of dartiendag: de dertiende [dialect: dartiënde]
Cautie: borgtocht, onderpand. dag van Kerstmis = 6 januari; vroeger werd op die dag het
Ciborie: metalen kerkelijk vaatwerk, bestaande uit voet, feest van de HH. Driekoningen gevierd.
middenstuk en cuppa [met deksel], voor het bewaren van Deservitor: bedienende priester van een kerk, meestal
het H. Sacrament. pastoor.
Cijns [Duits Zins = rente], ook erfpacht genoemd: op een Devotionalia: voorwerpen ter bevordering van devotie,
goed - meestal laatgoed - rustende erfelijke verplichting tot d.w.z. het beleven van de godsdienst of het vereren van
de jaarlijkse levering van een [meestal klein] gedeelte van de heiligen, zoals prentjes, beelden, kruisen, medailles enz.

424

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 425

Domestique [Frans]: dienstbode, bediende; dit woord werd Erfpastoor: pastoor, die niet in zijn parochie resideerde,
vroeger te Geleen geregeld in de omgangstaal gebruikt. maar de bediening tegen de vergoeding van een deel van de
Dominicanen: leden van de door St.-Dominicus in de inkomsten aan een andere priester overliet; hij werd ook wel
dertiende eeuw gestichte kloosterorde, ook predikheren ”persoon” genoemd.
genoemd. Exorcist [letterlijk: duivelbezweerder]: een van de vier lagere
Draf: overblijfsel van het graan waaruit bier werd gebrouwen geestelijke orden.
of jenever werd gestookt. Fascis: Latijn voor bundel roeden met in het midden een
Drossaard: oorspronkelijk een hofambtenaar van de hertog bijl; dit werd een symbool van rechtsmacht.
van Brabant, die toezicht op de hertogelijke tafel hield. Van Feodaal: leenroerig of leenplichtig; het tegenovergestelde
de functie ging de naam over op de oppergerechtsheer van van allodiaal.
het hertogdom Brabant. Vervolgens werd hij gegeven aan Fibula [Latijn]: Romeinse mantelspeld.
hoofdambtenaren van kleinere gebieden, die onder de hertog Fleguit: zie velguit.
stonden. Met de verheffing van de heerlijkheid Geleen tot Forfeyt [Frans: ”forfait”]: misdaad, misdrijf.
graafschap (1654) ging tevens een permanente promotie van Franse croon of kroon: munt ter waarde van soms 5 gulden
de schout tot drossaard gepaard. Die drossaard werd door de en soms 6 gulden en 12 stuiver.
eigenaars van het graafschap Geleen benoemd en zette de Gagel [Myrica gale]: myrte of gruit, een plant die aan het
vroegere functie van schout voort. Hij moest alle voorschrif- bier werd toegevoegd voordat hop werd gebruikt.
ten van de eigenaars en besluiten van de landsregering, die Gardiaan: overste van een franciscaner- of capucijner-
op de inwoners van het graafschap toepasselijk waren, klooster.
bekendmaken, uitvoeren en handhaven. Tevens was hij vaak Gasthuis: middeleeuws armenhuis in stad of dorp, waar
de hoogste rechter in zijn gebied. zowel door de geestelijke als door de wereldlijke overheid
Dubbele Philip: munt ter waarde van drie gulden. onderdak en onderhoud aan armen en daklozen werd
Duim: lengtemaat: 1/12 voet = 12 lijnen of strepen = verleend; dit woord had toen nog niet de betekenis van
variërend van ca. 2,2 cm tot ca. 2,77 cm. ziekenhuis.
Duitse Orde: tegen het einde van de twaalfde eeuw gestichte Geding: 1. gerechtszaak; 2. in algemene zin een vergadering
geestelijke orde van ridders, die - evenals andere geestelijke van vertegenwoordigers, waar bestuurs- en gerechtszaken te
ridderorden - haar oorsprong in de kruistochten had en in berde kwamen. De dorpsvergaderingen, die driemaal per
later eeuwen - in zekere zin als voortzetting daarvan - in jaar onder leiding van de voogd, schout of drossaard plaats-
Zuidwest-Europa aan de strijd van de keizer tegen de Turken hadden, werden ”voogdgedingen” genoemd, terwijl een
deelnam. Die orde bezat onder Geleen de Biesenhof en de vergadering van de 28 mannen, die de belangen van veertien
hoeven Stucken en Heimstenrade. Deze werden vanuit de dorpen ten aanzien van het Graetbos - later de Graetheide -
commanderij Nieuwen Biesen te Maastricht geadministreerd. behartigden, ”holtgeding” werd genoemd. De schepenbank
Zie ook balije en commanderij. werd ook als ”dingbank” aangeduid, maar voor de
Dukaat: oorspronkelijk uit Apulië afkomstige zilveren munt vergadering van de schepenen, die eigenlijk een geding was,
ter waarde van een patakon. werd later door hen bij voorkeur het woord ”genachting”
Duur [ook soms: doer]: stier. gekozen.
Èèsde en èèsdesjtein [dialect]: eestplaten en eeststenen voor Gefricheert: letterlijk ”braak liggend” [Frans ”friche” =
het drogen van ontkiemde gerst. braakland], maar uit de context, nl. de Graetheide, blijkt dit
Eest of este: droogoven. ”gebroken” [= ontgonnen] heide te zijn geweest.
In effigie [Latijn, letterlijk: in beeld] ophangen of Gehalt: pensioen, jaarwedde.
verbranden: een man van stro - in de regel gekleed met de Geheng of gehing: hengsel van deur, waarvan de duim
kleren van de voortvluchtige ter dood veroordeelde persoon ”teulder” werd genoemd.
- ophangen of verbranden <Pijls, 64>. Gemeinde: 1. gemeente of kerspel; 2. groep van gemeenten
El: lengtemaat gelijk aan de afstand van de schouder - via de of kerspels, die door een gemeenschappelijk belang met
”elleboog” - tot de hand. Een Brabantse el = 68 cm; een elkaar verbonden waren; 3. het gemeenschappelijke
Maastrichtse el = 67,2 cm. Na de Franse tijd (1794-1814) gebruiksgebied van verschillende gemeenten of kerspels.
werd el vaak officieel in de zin van ”meter” gebruikt, maar in Genachting: 1. vergadering van de schepenbank [zie
de onderlinge omgang bleven de Geleners aan de oude maat geding]; 2. rechtszitting; 3. termijn van twee weken tussen
vasthouden. Die dubbele betekenis van het woord el heeft twee gerechtsdagen.
bij het bepalen van de lengte van personen nogal eens tot Geprofest: aanduiding van een kloosterling(e), die de
verwarring geleid. plechtige gelofte(n) heeft afgelegd. Zie professie.
Epitaaf: opschrift, speciaal op een grafsteen. Gerfkamer [samentrekking van geriefkamer]: doorgaans ter
Epiloog: naschrift. zijde van het priesterkoor van een kerk; in sommige gevallen
Erfmangeling: ruil van onroerend goed. werd ook de daartegenover gelegen sacristie als gerfkamer
Erfpacht: zie cijns. aangeduid.

425

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 426

Geriefkamer: zie gerfkamer. bastaardgoederen en gevonden woorwerpen toe te eigenen,
Getijden: officiële kerkelijke gebeden, speciaal koorgebeden, e.d. Het belangrijkste was echter het recht van de hoge,
op vaste uren - vooral door kanunniken en leden van middele en/of lage justitie, waarbij de Heer zijn eigen
kloosterorden - [meestal gezamenlijk] gehouden. schout, drossaard en schepenen mocht benoemen, een
Gewande: volgens het Middelnederlands woordenboek: gevangenis en een galg oprichten, rechtspreken, vonnissen
1. landgoed; 2. goede gesteldheid, voorraad, rijkdom. Maar uitvoeren en boeten innen. De ”oude” heerlijkheden
in onze streken had dat woord geen van beide betekenissen; dateerden uit de vroege Middeleeuwen. Sommige van deze
hier werden daarmee de bij een grote boerderij behorende laatste waren ”rijksheerlijkheden”, omdat zij rechtstreeks aan
landerijen aangeduid [Duits: ”Gewanne”]. Oorspronkelijk de Duitse keizer leenroerig waren; hun bezitters waren van
zou het hebben betekend: ”de grenzen van een stuk land oudsher soevereine grondheren. De ”nieuwe” heerlijkheden
waar de ploeg gewend werd” <LD 3-2-1934 en 2-6-1934>. vonden voor het grootste gedeelte hun ontstaan door
Ofschoon dit woord doorgaans een meervoud aanduidde, toedoen van koning Filips II van Spanje en zijn opvolgers,
werd door sommigen de zogenaamde meervoudsvorm die dorpen of groepen van dorpen tot heerlijkheden
gewanden gebruikt. verhieven en de daaraan verbonden rechten tegen geld
Gichten: verkopen, overdragen van eigendom; dergelijke verpandden of verkochten.
overdrachten werden door de schepenbank in het gicht- Heimheischen [= heim-eisen]: verzoek of vordering door
register genoteerd. een niet-ingezetene van een bank, stad of land om een daar
Godsdracht: vroegere te Geleen gebruikte naam voor de tegen hem aanhangig gemaakt geding te verplaatsen naar het
H. Sacramentsprocessie. gerecht van zijn eigen woonplaats; bij het verbond van Aken
Godshalder, Godshelder of Godspenning: munt, die de in 1420 erkenden een aantal rechtsgebieden het onderlinge
koper aan de verkoper gaf om de koop te bezegelen; nu of wederzijdse recht van heimheischen.
mocht de verkoper zijn goed niet meer aan een ander Hekelen: de gezwingelde, d.w.z. van de gebroken hout-
verkopen, die meer geld zou bieden. pijpen ontdane, vlasvezels nog eens kammen; zie ook
Goudgulden: munt ter waarde van eerst 21, later 28 brakelen, roten, vlasbreek en zwingelen.
stuivers. Hemel: de in de H. Sacramentsprocessie meegedragen
Grangia [Latijn, letterlijk: schuur]: in de Middeleeuwen vierkante overkoepelende constructie, waaronder de priester
speciale naam voor cisterciënzerhoeven, die door hun het Allerheiligste draagt.
opvallend grote schuren werden gekenmerkt. Hofreijde of hoveryde: erf <Dorp, 17>.
Grangarius [Latijn]: de monnik of broeder [conversus], die Hofreijsinge of Hovereijs(s)inge: moestuin(en) <Msg 1933,
de leiding van een grangia had. 44>.
Grijp = munt ter waarde van tien stuiver Brabants. Holtgeding: zie geding.
Groot vleemsch: muntwaarde van zes aldegroot; 21/2 groot Hoorsaeten of hoerzaaien: bezaaien van braakliggende
vleemsch = 45 boeschen = een rijnsgulden. grond door een pachtboer of halfer voor eigen consumptie.
Grosche: munt ter waarde van zes cent. Hostat: hofstede, boerderij.
Gruit: zie gagel. Houtpijp: de stam van de vlasplant, waartegen de vezels met
Haagte: in de leem uitgegraven ondergrondse schuilplaats pectine zijn vastgelijmd.
met kruipgang(en). Hove: [gewoonlijk] 12 bunder grond.
Haal: ketelhaak, d.w.z. ijzeren ketting in een open haard, Inbelettering: toewijzing van huizen voor de inkwartiering
waaraan ketels werden gehangen. van troepen.
Halfer of halfwin [Latijn: villicus]: halfwinner, d.w.z. Infirmatorium [Latijn: infirmus = zwakke of zieke]: gebouw
winner of pachter, die de helft van de graanoogst als pacht voor zieken, ziekenzaal.
moest leveren. In een document uit 1382 staat dat een grote Jaargetijden: jaarlijkse missen voor de zielenrust van over-
hoeve ”ter halver winningen” werd verpacht. Hij werd ook ledenen, gewoonlijk op of nabij de verjaardag van hun over-
”wenne”, ”wijn” en ”winne” genoemd. Als meervoudsvorm lijden.
werd soms ”halffleuden” gebruikt. Jacobijnenmuts: rode muts, die de Jacobijnen tijdens de
Haller of heller: koperen muntje van zeer geringe waarde. Franse Revolutie droegen als symbool van de republikeinse
Hamel: gesneden, d.w.z. gecastreerde, bok. vrijheid.
Heerd: koeherder. Kaarde [Dipsacus fullorum]: de kaardenbol, het bijna een
Heergeweide: zie bij lenen. vuistdikke stekelige bloemhoofd van die plant, dat werd
Heerlijkheden: te onderscheiden in landsheerlijkheden [bv. gebruikt om uit wol geweven stoffen te kammen. Een
de heerlijkheid Sint-Jansgeleen] en rechtsheerlijkheden [bv. kaardenbol werd ook wel ”kem” genoemd. Kaardenbollen
de heerlijkheid Geleen]. Deze laatste waren goederen, wier behoorden soms tot de kleine tienden. Ulestraten bleef tot in
bezitters bijzondere rechten hadden, zoals tiendrecht, de negentiende eeuw een belangrijk centrum van de
collatierecht, jacht- en visrechten, maalrecht (ban- of dwang- kaardenteelt.
molen), recht van bomen langs de wegen te planten, zich Kamp of camp: omheinde veldtuin. Soms was dit de kamp

426

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 427

van één eigenaar, zoals de Koekamp. Maar in andere beschikkingsrecht over de opbrengst. Uit hun horigheid
gevallen, zoals de ”Geleendercamp”, d.w.z. de kamp van ontslagen laten waren lange tijd verplicht aan de Heer
Oud-Geleen [later: Patersveld] en de in 1549 vermelde cijnzen te leveren en/of karweiden voor hem uit te voeren,
”camp van Nyerbeeke” <AB nr. 672>, werd daarmee ofwel een terwijl hun opvolgers bij elke eigendomsoverdracht een
gemeenschappelijke veldtuin ofwel - wat waarschijnlijker keurmede moesten leveren. Bij de laatverhouding was er
lijkt - een stel bij elkaar gelegen afzonderlijke maar door een geen sprake van krijgsdienst of dergelijke verplichtingen, die
gemeenschappelijke haag omgeven veldtuinen aangeduid. oorspronkelijk aan het leenstelsel waren verbonden.
Kan [oude]: inhoudsmaat van 1,4865 liter. Laatgoed: de aan een laat ter exploitatie afgestane grond met
Kapoen of kapuin: gesneden, d.w.z. gecastreerde, haan. of zonder gebouw, waarop de verplichting van een cijns [erf-
Karweide [Frans: corvée]: [bijna steeds] gratis werken op pacht], karweide en/of keurmede rustte. Na verloop van tijd
last van de overheid, zoals het vervoeren van goederen, het werden de laten in feite eigenaars van die goederen.
onderhouden van wegen e.d. Laathoeve: door een laat bewoonde hoeve met bijbehoren-
Keer 1. pit van vrucht, bv. peer, appel [meerv.: keren]; 2. de grond.
zigzagdoorgang door een landweer, in Duitse bronnen ook Laathof: geen gebouw maar de georganiseerde administratie
Eselsrücken en Schwanenhals genoemd. van bij elkaar behorende laatgoederen, die door de gemach-
Kerf(stok): een door bakkers, winkeliers, herbergiers e.d. tigde van de oorspronkelijke eigenaar of diens opvolgers
gebruikte stok, waarop telkens een kerf werd gemaakt als een werd voorgezeten en vaak aan een ”vroenhof” als het
van hun klanten een gekocht, gegeten of gedronken voor- oorspronkelijke centrum was verbonden. Zie ophelder.
werp niet had betaald. Soms werden in plaats van kerven Landweer of landwering: een volledig of gedeeltijk rondom
strepen met krijt aangebracht; dit laatste ligt ten grondslag en op enige afstand van een nederzetting aangelegd
aan de uitdrukking ”in het krijt staan”. beveiligingsstelsel van (droge) grachten en aarden wallen,
Kerkfabriek: oorspronkelijk in eigenlijke zin de fondsen, waarop ondoordringbaar struikgewas stond met het doel
die bestemd waren voor de bouw en het materiële onder- plotselinge overvallen en vooral veeroof te beletten.
houd van het kerkgebouw, en in wijdere zin ook de fondsen Leenhof of mankamer: geen gebouw maar het college, dat
voor de eredienst. Sinds al die fondsen onder het beheer van de registratie van ’s lands lenen voerde. Hier moest de leen-
het kerkbestuur stonden [staan], is die naam ook op dat man zijn leen ”verheffen”. Zo’n hof werd voorgezeten door
bestuur overgegaan. de Heer, zijn stadhouder of zijn voogd. Meestal was de leen-
Kerspel of kirspel: samentrekking uit ”kerkspel” of hof ook het hoofdgericht voor burgerlijke zaken. Er waren
”kirkspel” [Duits: ”Kirchspiel”]. De oorspronkelijke verschillende soorten lenen, o.a.: 1. Achterleen: onrecht-
betekenis was parochie. Het kreeg reeds vroeg de betekenis streeks leenroerig, omdat het - wegens herbelening door een
van een met het gebied van de parochie samenvallend vazal - rechtstreeks aan een ondergeschikt particulier leenhof
wereldlijk bestuurs- en rechtsgebied. leenroerig was, bv. de hoeve Heimstenrade. 2. Buitenleen:
Keukelaar: goochelaar [Latijn: ioculator, Frans: jongleur]. buiten het gebied van de leenhof gelegen, zoals Abshoven.
Keurmede: recht van de oorspronkelijke eigenaar of diens 3. Grootleen, waaraan verplichting tot medehulp bij de
erfgenaam van een stuk grond en de daarop staande krijgsdienst (heergeweide) was verbonden, later vervangen
gebouwen op het beste stuk vee, dat bij verkoop of vererving door een bijdrage in geld. 4. Klein- of knuppelleen: geen
van dat goed door de nieuwe eigenaar moest worden volle he(er)geweide verschuldigd. 5. Vrijleen: van heer-
geleverd. In Latijnse stukken werd dit als cormeda weer- geweide ontslagen; men verhief alleen met de wijn,
gegeven. Zie laatgoed. respectievelijk met de tegenwaarde in geld. 6. Zonneleen:
Kint(g)en: inhoudsmaat van achttien liter. geen eigenlijk leen, maar - gezien in het systeem van het
Kop of cop: inhoudsmaat van zes liter. leenstelsel - een allodium, bv. het kasteel te Amstenrade.
Kruisdagen (de drie): maandag, dinsdag en woensdag vóór Leenroerig: zie feodaal, leenhof en verheffen.
het steeds op een donderdag vallende feest van Onze-Lieve- Lemijt pael: een ”grensafpaling”, die soms uit houten palen
Heer-Hemelvaart, nl. tien dagen vóór pinksterzondag. en soms uit ”paelstenen” [= grensstenen] bestond <Stallaert III,
Kwelm: drassige grond; het Kwaad Gat [weg uit Oud- 5-6>.
Geleen naar de vroegere graanmolen van Daniken] kreeg Lijnwaad: linnen goed.
zijn naam wegens de kwelm ter plaatse. Luif [dialect]: oorspronkelijk afdak, het vrij ver over de gevel
Laat [uit het Middellatijnse litus, letterlijk: gebondene]: vooruitspringende dak [= luifel] van een woning - meestal
oorspronkelijk ”horige” of ”halfvrije”, maar later zonder langs het binnenerf - waaronder zich de ingang bevond
meer iemand die laatgoed bezat. Het laatverband kon op <Dorren, 117>. Vervolgens werd dat woord vooral gebruikt voor
twee manieren ontstaan: ofwel liet een dorpsheer een deel het onder dat overhangende dak lopende verhoogde
van zijn grondgebied aan ”horigen” over om dit ten eigen gangpad <Schelberg, 224>. Daarnaast kreeg het ook soms de
bate te ontginnen en te bewerken ofwel stelden onafhanke- algemene betekenis van ”erf”. Een standaarduitdrukking
lijke boeren hun eigendom onder de bescherming van de was: ”Hèè kaom de luif op”, d.w.z. hij begaf zich vanaf de
dorpsheer en deden daarbij afstand van een deel van het straat door de poort naar het erf. Zie ook s(j)prunk.

427

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 428

Maatje: kleine inhoudsmaat: 1/10 liter. Monschau het patronaats- of collatierecht te Geleen. Af en
Malder: inhoudsmaat van zes vat of 1/4 mud(de). toe matigde de abt van Steinfeld, onder wie Reichenstein
Manse of mansus [Latijn]: oppervlaktemaat van ongeveer lange tijd ressorteerde, zich dit recht aan.
twaalf bunder; zie hove. Volgens DAUZAT zou mansus een door Octaaf: liturgische naam voor een over acht [octo] dagen
een enkele pachter bewerkt land aanduiden <Dauzat, 439>. verlengde viering van een kerkelijk feest.
Mansio [Latijn]: gebouw, woning. Offerman: koster. De familienaam Offermans heeft dezelfde
Maire [Frans]: burgemeester in de hedendaagse betekenis. betekenis als Custers en Kösters.
Marketenter: ontleend aan het Hoogduitse Marketender, Oort(je): munt ter waarde van vier bouschen of 1/4 stuiver.
dat uit het Italiaanse marcatante [= handelaar] was afgeleid. Ophelder: vertegenwoordiger van een groep laten, die
Hij was vaak een koopman, die zich bij een leger had aan- afzonderlijk en gezamenlijk verplichtingen aan een bepaalde
gesloten. Later werden marketensters officieel als cantine- persoon hadden; de ophelder was tevens de collecteur van de
houdsters bij legerkorpsen gevoegd. verplichte bijdragen. Zie laathof.
Meier, meijer of meyer: vóór 1794 vooral ten westen van de Orken: oorkonde, getuige.
Maas gebruikte aanduiding voor de vertegenwoordiger van Paasstijl: een uit de Middeleeuwen stammende datering,
de Heer, die in onze streken meestal ”scholtis” of ”schout” waarbij de eerste dag van het nieuwe jaar op de eerste paas-
werd genoemd. Na 1794 werd meier, meijer of meyer veelal dag valt. De paasstijl was in de zestiende eeuw nog aan het
gebruikt als het Nederlandse equivalent van het Franse hof van Brabant in gebruik.
”maire”, d.w.z. het hoofd van een gemeente. Paleolithicum: Oude Steentijd (ca. 250.000 - ca. 10.000 v.
Mesolithicum: Midden-Steentijd (ca. 10.000 - ca. 5.300 v. Chr.).
Chr.). Palm: lengtemaat: de breedte van een hand; na de Franse tijd
Mörg [dialect]: rijp. (1814) officieel op 1 dm of 10 cm bepaald.
Molster: volgens DORREN de kleinste korenmaat, nl. 1/4 Panden: 1. in beslag nemen van vee bij overtreding van
kop of 1/16 vat. weiderechten; 2. beslag leggen op roerend of onroerend goed
Molter [Latijn: molitura]: het maalloon voor de mulder, nl. ter uitvoering van een vonnis of tot verhaal van een
1/16 van het naar zijn molen gebrachte graan. opgelegde boete.
Momber: voogd in de hedendaagse betekenis van dat Pandhouder: iemand, die - gewoonlijk tegen geldlening -
woord, d.w.z. iemand aan wie de belangen van minder- iets in onderpand heeft ontvangen.
jarigen - gewoonlijk bloed- of aanverwante weeskinderen - Panhuis: bierbrouwerij. De brouwerij ”De Kroon”, het
officieel waren toevertrouwd. gebouw naast mijn geboortehuis, werd in mijn jeugd door
Montoer: vroeger speciaal een uniform; later zonder meer iedereen steeds als het ”pannes” aangeduid. De in Geleen
een kostuum. veel voorkomende familienaam Penris, Penners of Penders
Moor: waterketel. heeft dezelfde betekenis als Brouwers.
Morgen: oppervlaktemaat, waarvan de opgaven variëren van Paramenten: altaarkleden en/of liturgische gewaden van
vijf tot 71/2 grote roeden of van 100 tot 150 kleine roeden. priesters, diakens, subdiakens en misdienaars.
Mouton [Frans, letterlijk: schaap], in Nederlandse teksten Pascuagie: 1. het weiden van vee; 2. weideplaats.
ook ”motoen”: zilveren munt ter waarde van 62 denieren; Pascue(e)ren: het weiden van vee.
aldus genoemd wegens het erop afgebeelde ”Lam Gods”. Patakon: munt, soms 4 gulden en soms 21/2 gulden waard.
Mud of mudde: inhoudsmaat van vier malder of 24 vat. Patronaat of patrocinium: het bezit van het patronaats-
Naastingsrecht of retractrecht [jus retractus]: het aan de recht.
bloed- en aanverwanten of erfgenamen van de verkoper Patronaatsrecht en/of collatierecht: In de vroege
toekomende recht tot terugkoop van familiegoed tegen Middeleeuwen was de dorpsheer, die een kerk stichtte, haar
betaling van de koopsom aan de koper of diens erfgenamen. eigenaar. In de tweede helft van de twaalfde eeuw zette de
De prioriteit van dit recht gold in verhouding tot de graad kerkelijke overheid dit eigendomsrecht om in een
van bloed- en/of aanverwantschap. patronaatsrecht, waarbij de Heer ter compensatie van zijn
Neolithicum: Nieuwe of Jonge Steentijd (ca. 5.300 - ca. onderhoudsplicht tienden kon heffen. Dit hield toen tevens
1.700 v. Chr.). het collatierecht in, d.w.z. het recht om aan de bisschop een
Nère: gang in huis. priester ter benoeming tot pastoor voor te dragen. Ofschoon
Nomenclatuur: naamgeving, terminologie. de bisschop die benoeming zou kunnen weigeren, was hij
Norbertijnen: leden van de door St.-Norbert van Gennep in toch traditioneel praktisch gebonden ze toe te kennen. Later
de twaalfde eeuw gestichte kloosterorde voor mannen en werd het collatierecht van het patronaatsrecht gescheiden.
vrouwen. Naar het stamklooster te Prémontré bij Laon in Toen een Heer van Valkenburg het collatierecht van Geleen
Frankrijk namen zij tevens de naam premonstratenzers aan, aan het klooster van Reichenstein schonk, behield hij voor
terwijl zij wegens hun wit habijt ook witheren werden zichzelf het recht op de grote tienden. Anderzijds wordt het
genoemd. Van 1275 tot 1794 bezaten eerst de norber- collatierecht ook vaak zonder meer patronaatsrecht
tinessen en daarna de norbertijnen van Reichenstein bij genoemd.

428

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 429

Pectine: gomachtige stof, waarmee de vezels aan de houtpijp schadelijk optreden door andere troepen te beschermen.
van de vlasplant vastzitten. Zie ook roten. Scapulier(ken): symbool van een oorspronkelijk klooster-
Pint: variërende inhoudsmaat. kleed, bestaande uit twee kleine vierkante wollen lapjes, die
Pistolet: Spaanse munt ter waarde van dertien gulden. aan de bovenkant door twee linten met elkaar waren
Pitantie [Frans: ”pitance” = kost; ”pitancier” = pitantie- of verbonden en om de hals werden gedragen; in 1910 werd
schaftmeester in een klooster]: voedselvoorraad; de pitantie- door paus Pius X toegestaan de lapjes door een scapulier-
meester van Alden Biesen was verantwoordelijk voor de medaille te vervangen.
voedselvoorraad van die landcommanderij en het verschaf- Schaep [dialect: sjaap]: schapraai, provisiekast.
fen van de kost aan de daar verblijvende leden van de Duitse Schamppalen of schampstenen: langwerpige rechtopstaan-
Orde. de, aan één kant geronde, harde stenen, die op de hoeken
Plakkaten: officiële bekendmakingen van de overheid, vaak van poorten en bruggen werden geplaatst om daarop de
via aanplakbiljetten. raderen van de karren te laten ”afschampen”, d.w.z. ze ver
Poetsel: pootsel. genoeg van het metselwerk te houden om beschadiging van
Pond (oude): gewicht van zestien onsen of 32 lood. dit laatste te voorkomen.
Potstal: stal met uitgediepte bodem, die slechts aan het Schat: belasting. In mijn jeugd werd de belasting door
einde van het winterseizoen werd uitgemest. oudere Geleners ”de sjat” genoemd. Vgl. schatplichtig.
Prater of preter: 1. hulpveldwachter in de oogsttijd; 2. Schatheffer: belastingsontvanger.
boswachter. Schepel: inhoudsmaat voor droge waren: 1/10 hectoliter.
Primissarius [Latijn]: vroegmislezer, priester, die tot speciale Schepen: lid van het schepencollege of de schepenbank. In
taak had op zondagen de vroegmis [prima missa] te lezen. het dagelijks bestuur van Geleen werd de voogd, schout of
Het primissariaat was de al dan niet door een stichting drossaard bijgestaan door zeven schepenen, die aanvankelijk
gefundeerde functie van de primissarius. door de Heer van Valkenburg en later door de Heer en/of
Professie: 1. de bij de intrede in een geestelijke orde of graaf van Geleen uit gegoede ingezetenen werden benoemd.
congregatie afgelegde gelofte(n); 2. het afleggen van die Zij vergaderden om de twee weken ’s morgens op een werk-
gelofte(n). Er waren tijdelijke [voorlopige] en eeuwige dag; de notulen werden door de secretaris of zijn plaats-
[permanente] geloften. Zie ook geprofest. vervanger gemaakt. Zo’n vergadering, later in hun eigen
Propoas: vroeger veel gebruikte dialectvorm van propoost notulen ”genachting” genoemd, had doorgaans in de
[= gezegde, spreuk]. woning van een van hen plaats. Belangrijke vergaderingen
Rank [eigenlijk: buiging, kromming, ronding]: beschermend van de schepenbank werden door de voogd, schout of
rond scherm; op Kemenade stond in 1782 een houten rank drossaard bijgewoond. Naast het waarnemen van het eigen-
rondom de stoof. lijke bestuur regelden zij ook lange tijd veel ”notariswerk”,
Rein: grens, bestaande uit een gleuf, een diepe voor of een zoals het passeren van koopakten, testamenten, boedel-
klein grachtje tussen twee eigendommen. beschrijvingen e.d.
Remplaçant: vrijwilliger, die tegen betaling de legerdienst Schild: munt ter waarde van anderhalve oude daalder.
van een dienstplichtige vervulde. Schilling, schelling of schellinck: munt ter waarde van
Repelkam: grote kam om vlasplanten van hun zaden te [eerst] twee stuiver een oort, [daarna] vier stuiver.
ontdoen. Schout: dorpsoverste, die in naam van de landsheer of
Retabel: opstaand achterstuk van een altaar. dorpsheer en in samenwerking met het schepencollege in
Roede: 1. lengtemaat variërend van ca. 4,2 m tot ca. 4,6 m; bestuurs- en gerechtszaken optrad. Pastoor MOONEN van
een Sittardse roede = 4,553 m; 2. oppervlaktemaat: een grote Brunssum schreef: ”Zijn macht was zeer groot: hij oefende
roede = 20 kleine roede; een kleine roede = 16 voeten = ca. de functies uit van de tegenwoordige burgemeester,
20 m2. commissaris van politie, kantonrechter, officier van justitie
Rosenobel: Engelse munt ter waarde van ongeveer tien en inspecteur van belastingen” <Moonen, 237>. Zijn taken
gulden. werden later door de drossaard overgenomen.
Roten: het in water leggen van vlasplanten om de pectine, Schut en schutbode: naast de algemene betekenis van
waarmee de vezels aan de houtpijp van een vlasplant vast- schutter, d.w.z. lid van een schutterij, kreeg het woord schut
zitten, via bacteriën te verwijderen. Zie ook pectine. in onze streken tevens de specifieke betekenis van onder het
Rotmeester: officieel aangestelde aanvoerder van een groepje plaatselijk gezag staande handhaver van de orde. Schutten
lokale schutten, d.w.z. gewapende inwoners, in dienst van de waren landbouwers of ambachtslieden, die de rol van
plaatselijke overheid. ”schut” slechts vervulden als zij daartoe door de plaatselijke
Satrapa: Grieks woord voor stadhouder; in Latijnse tekst overheid werden opgeroepen. Dan traden zij in kleine
betreffende drossaard Nicolaas Strens. groepjes onder de leiding van een ”rotmeester” of korporaal
Sauvegarde: 1. vrijstelling van plundering, hetzij als gunst op. Daarnaast waren er ook schutboden, die in opdracht van
van hetzij tegen betaling aan vijandige troepen; 2. door de de overheid min of meer permanent toezicht op de veld-
bevolking uitgenodigde en betaalde troepen om haar tegen vruchten uitoefenden. Sommige Geleners gebruikten

429

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 430

vroeger - naast ”bao” [= bode] en ”gard” [= ”garde champêtre” Tirtaijen of teertei, dialect: ”teertejje” [Frans: ”tiretaine”]:
= veldwachter] - het woord ”sjöt” in de betekenis van stof geweven van half wol en half linnen. Vroeger droegen de
veldwachter of politieman. Het meervoud ”sjötte” sloeg vrouwen algemeen ”teertejje” rokken.
evenwel op leden van de schutterij. Zie ook bode, gard en Tonsuur: kruinschering, de eerste [laagste] van de vier lagere
veldwachter. geestelijke orden; bij de kruinschering werd iemand in de
Schutten: 1. beschutten, verdedigen, beschermen; 2. vangen geestelijke stand opgenomen.
en opsluiten van loslopend vee, dat schade aanricht aan Toparches: Grieks woord voor plaatselijke bestuurder, soms
andermans gewassen. Een schutstal was een pandstal, waarin ook toparcha geschreven; in de tweede naamval [toparchae]
gepand vee werd opgesloten. gebruikt in het Latijns grafschrift van Nicolaas (de) Willems.
Singhbanck [= zingbank]: bank ter zijde van het priester- Toponiem: plaatsnaam, d.w.z. de naam van een neder-
koor. Die uitdrukking werd nog in het begin van de zetting, straat of veld.
twintigste eeuw gebruikt. Torques: Romeins beensieraad van torque of metaaldraad.
S(j)maut, dialect: het in deze streken algemeen gebruikte Tortuur: foltering.
woord voor olie. Toust of tousting: (1) huur- of pachtcontract, ook pacht-
Sjouf, dialect: schoof (stro); omdat overledenen op stro cedel genoemd; (2) pachttermijn: drie, zes, negen of zelfs
werden gelegd, werd de periode tussen dood en begrafenis twaalf jaar.
aangeduid als: ”op ’t sjouf ligge”. Tumpen: zie tempen.
S(j)prunk, dialect: (in Geleen) de verhoogde gang naast de Tumulus [Latijn]: voorhistorische grafheuvel.
woning op het binnenerf van een boerderij, door sommigen Tutor [mannelijk] en tutrice [vrouwelijk]: doorgaans
ook luif genoemd; in Sittard: bron. voogd[es] in de hedendaagse betekenis van dat woord, maar
Stadhouder [letterlijke betekenis]: plaatsvervanger; dit was ook leraar[es] en opvoed[st]er, gouvernante.
eeuwenlang een geijkte uitdrukking voor personen, die Tweeschepige plattegrond: de plattegrond van een huis uit
bepaalde ambten of functies in naam van de Heer vervulden; de IJzertijd, waarbij twee rijen plaalgaten [van de staanders,
zie bij leenhoven. waarop het dak rustte] zichtbaar zijn.
S(j)tegel [van stijgen]: eigenlijk trapje of opstap om over een Ulanen of Uhlanen: lansiers - met lansen bewapende ruiters
omheining te komen; later algemeen toegepast op het - die als verkenningstroepen fungeren.
horizontaal op een paal van circa een meter geplaatst Unjere: rusttijd [”siesta”] in de zomermaanden [van 1 mei
kruisrad in een opening in een omheining of afrastering. tot 1 september] vlak na het middagmaal.
Stichting of fundatie: permanente beschikbaarstelling van Vaan [zie reglement schutterij 1639]: RUSSEL schreef: ”Eene
een geldbedrag, waarvan de interest tot een duidelijk vaan bier was zooveel als 4 kannen of 6 litres. Deze
omschreven doel, zoals de eredienst, het onderwijs of de benaming is gekomen van de wijze op welke de herbergiers
armenzorg moest worden aangewend. Sommige stichtingen dit aanteekenden”, d.w.z. de eerste vier kannen werden als
werden aan bepaalde altaren verbonden, d.w.z. de interest vier onder elkaar geplaatste horizontale strepen rechts van
diende als stipendium voor de priesters [beneficianten], die een verticale streep aangeduid [waardoor de figuur van een
daaraan missen lazen. Zie beneficie en stipendium. ”vaan” of vlag ontstond]; voor de volgende vier kannen
Stipendium: gift in geld, die aan een priester wordt gegeven werden vier horizontale strepen onder elkaar lager aan de
met de opracht een mis te lezen. Het is niet de ”prijs” van linkerkant van diezelfde verticale streep geplaatst etc. <Russel
een mis, want dat is volgens de kerkelijke wet verboden. Het 1860, 64 nota>.
stipendium is veeleer een bijdrage tot het levensonderhoud Vaatsmangel [vatsmand]: mand met de inhoud van een vat,
van de mislezer. d.w.z. een kwart hectoliter.
Tempen of tumpen: serie korte stoten met een lichte kerk- Valderen: Daar in Duitse teksten Fallgatter werd gebruikt en
klok [= tumpklokje of ”sonnette”] geven; op sommige in oorkonden van Belgisch Limburg valgader [Gatter, gader,
andere plaatsen werd dit ”trumpen” genoemd. gaar = hek] voorkomt, lijkt valderen een samentrekking van
Terra sigillata [Latijn]: van een stempel [sigillum] voorzien valgader te bevatten. De spelling valderen was echter geen
Romeins aardewerk. meervoudsvorm, want ook elders schreef men: het valderen;
Tienden: verplichte leveringen van - oorspronkelijk 1/10 - toch werd door sommigen de zogenaamde enkelvoudsvorm
van de opbrengst van een stuk grond. Zij werden hoofd- valder gebruikt. Een valderen was oorspronkelijk een
zakelijk in grote en kleine tienden verdeeld. De grote tiende - wegens zijn schuine opstelling of door eraan bevestigde
werd ook gaffel-, vruchten- of zaktiende genoemd, omdat zij gewichten - een zelfdichtklappend hek. In een latere fase
sloeg op alles wat halm of stengel had. De kleine tiende had werd ook een slagboom die een weg afsloot als valderen
betrekking op o.a. oliezaden, moeskruiden, vlas, hennep, aangeduid.
hop, kaardenbollen en wouw. Daarnaast waren er nog Vat: inhoudsmaat, gevuld met tarwe: 20 kg; gevuld met
lammer-, kapoen-, hoender-, zaad-, vlas- en wedetienden. rogge: 19 kg.
Tien(d)schuur: schuur, waar het tiende-aandeel van de Veldwachter [Frans: ”garde champêtre”]: aanvankelijk een
graanoogst werd geborgen. bewaker van veldvruchten en boomgaarden om diefstal

430

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 431

en/of beschadiging te voorkomen en overtreders te Wapenkoning: geen ”koning”, maar koninklijke, hertoge-
betrappen. Wegens de uitgestrektheid van de gemeente lijke of grafelijke heraut, boodschapper of diplomatieke
Geleen kon men niet met een enkele veldwachter volstaan. functionaris.
Later ging men onderscheid maken tussen de gemeente- Wede, koeckweide, ook pastel genoemd [Isatis tinctoria]:
veldwachter, die de functie van de vroegere bode overnam, tweejarige plant, waarvan de bladeren een blauwe verfstof
en de andere veldwachters, die doorgaans slechts gedurende afgeven. De kielen van boeren en arbeiders in de negen-
de zomer- en herfstmaanden patrouilleerden. In een tiende en in het begin van de twintigste eeuw waren meestal
volgende fase werd met veldwachter zonder meer de enige blauw geverfd.
plaatselijke politieman aangeduid. Zie ook bode, prater of Weetmoet: maat voor wede; niet te verwarren met ”weet” of
preter en schut. ”weit” [= wittebrood].
Velguit, vilguit, vilguit, vliguit of fleguit: klein koperen Wenne, winne of wijn: zie halfer.
Maastrichts muntje: 1/2 oort of alt moirken, 1/3 penning, Wouw [Reseda luteola]: tweejarige plant, die gele verfstof
3/8 schilling = 1/10 crompstart = 1/20 braspenning. Dit leverde. Geel was gedurende vele eeuwen de hoofdkleur van
muntje werd ook ”mijt” of ”myte” genoemd. de kleding van het arbeidende volk, vooral op het platteland.
Verheffen: het registreren - tegen betaling - van leengoed bij Wouw behoorde tot de kleine tiende.
het leenhof; dit was verplicht bij elke eigendomsoverdracht. Zaad of saet: raapzaad of koolzaad om olie te persen. In de
Volgens het feodale recht mochten er na het aanvaarden van zestiende eeuw werd raapzaad door koolzaad verdrongen.
een leengoed slechts één jaar en zes weken verstrijken Zachariaskruis: kruis met twee boven elkaar geplaatste
alvorens de leenverheffing werd gedaan <PSHAL 1904, 30>. dwarsbalken, ook Lotharings kruis genoemd. Zij werden
Vernaderen: zie beschudden en naastingsrecht. aldus genoemd, omdat de H. Zacharias, aartsbisschop van
Vlasbreek of -braak: instrument om de houtpijpen van vlas- Jeruzalem - volgens de legende: op Goddelijke inspraak - een
planten, die reeds van zaden en pectine zijn ontdaan, te serie gebeden ”tegen de pest” opstelde en te midden daarvan
brakelen, d.w.z. in stukken te breken. Zie ook brakelen en een kruis met twee dwarsbalken plaatste, waarop de
zwingelen. beginletters - incluis de ervoor geplaatste kruistekens (†) -
Voet: lengtemaat van twaalf duimen of 1/12 roede; aan- van elk dier gebeden waren aangebracht. Later werden de
vankelijk was de lengte ca. 28,435 cm; na de Franse tijd dubbelarmige kruisbeelden met die letters en tekens
(1814) officieel op 33,33 cm = 1/3 m bepaald. afzonderlijk, d.w.z. zonder de tekst van die gebeden, weer-
Voluten: spiraalvormige krullen, speciaal toegepast in de gegeven.
barok- en rococostijl. Zeumere(n) of someren: aren ”lezen” [= verzamelen] tussen
Voogd: eertijds had dit woord niet de specifieke heden- de schoven op gemaaide graanvelden.
daagse betekenis; daarvoor gebruikte men het woord Zil of sil: oppervlaktemaat: 1/4 bunder of 100 kleine
”momber”. In de Middeleeuwen werd het woord voogd roeden.
enerzijds gebruikt voor een beschermheer van geestelijke Zwingelen: hetzij met de hand, hetzij machinaal de in
goederen [zie voogdij], terwijl daarmee anderzijds de plaats- stukken gebroken houtpijpen uit het gebrakelde vlas
vervanger [advocatus] van de landsheer werd aangeduid. verwijderen, zodat slechts de vezels overblijven.
Later werd de laatstgenoemde vervangen door een schout
en/of drossaard.
Voogdgeding: zie geding.
Voogdij over geestelijke goederen: in de Frankische tijd
waren de gouwgraven ambtshalve de beschermers van de
geestelijke stichtingen in hun gebied. Aangezien monniken
en priesters ter verdediging van hun goederen en rechten niet
naar de wapens mochten grijpen, moesten die adellijke
voogden het kerkelijk bezit tegen vreemde aanvallers
verdedigen en recht spreken over horigen van geestelijke
stichtingen. Later kwam die functie ook aan landsheren van
lagere rang. Hun slot mocht niet binnen het gebied liggen,
waarover zij de voogdij uitoefenden.
Vrie: samentrekking van (dialect) ”voorerie” [= voerderij];
meestal was dit het met een houten schot afgemaakt gedeelte
van de paardenstal, waar de voerman of paardenknecht sliep.
Vroenhof of vroonhof [letterlijk: herenhof]: het oor-
spronkelijke centrum van een uitgestrekte agrarische
eenheid, later vaak de zetel van een laathof.
Wage [dialect: ”waog”]: weegschaal.

431

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 432

432

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 433

Bibliografie

AAK Aachener Ansichtskarten. Ein neuer AP Analecta Praemonstratensia
Rundgang durch die alte Stadt von HEINRICH
Aaken GANDELHEID (1987) APdL Annales Prince de Ligne (Beloeil, B.)
AAR H. VAN AAKEN, Flurnamen erzählen (1933)
Almanak van het Arrondissement Roermond APL Analecta Praehistorica Leidensia
Aarde (19de eeuw)
W. F. HEEMSKERK DÜKER en P. FELIX, Wat ArchBelg Archeologica Belgica
AB aarde bewaarde. Vondsten uit onze vroegste
ABVN geschiedenis (z.j.) ArchKorr Archäologisches Korrespondenzblatt (Mainz
ABeitr Archief Alden Biesen (in RAH)
Alden Biesen vroeger en nu (tijdschrift) a. Rhein)
Ablaing Aachener Beiträge, Heft II: Das Altaachener
Wohnhaus... von Prof. E. PH. ARNOLD (jrg. ArchLim Archeologie in Limburg. Uitgave van de
Abshoven 1930)
AC W. J. BARON D’ABLAING VAN GIESSENBURG, Archeologische Vereniging Limburg
A Cob De Duitsche Orde, of Beknopte geschiedenis,
A Cort indeeling en statuten der Broeders van het AS Acta Sanctorum, uitgegeven door de Bollan-
ADLL Duitsche Huis van St. Marie van Jerusalem
AEB (1857) disten (Antwerpen, 1643 vv.)
AEWK Gedenkschrift Abshoven 1901-1951 (1951)
L’Antiquité Classique (tijdschrift) ASM Aachen, St. Marien, zie NRhWfD
AHB Archief Cobben (in GAB)
AHEB Archief Corten (in GAB) ASV Archief schepenbank Venlo
Archives du Duché de Limbourg (te Luik)
AKA Archives ecclésiastiques de Brabant (in RAB) Bach A. BACH, Deutsche Namenkunde, II. Die
Akadem Allgemeine Encyklopaedie der Wissen-
AKB schaften und Künste I (Leipzig) deutschen Ortsnamen, 2 delen (1954)
AKH Het Algemeen Handelsblad
AKKN Analectes pour servir à l’histoire ecclésiastique Bacha E. BACHA (ed.), La Chronique Liégeoise de
de la Belgique
Alberts Archief kasteel Amstenrade 1402 (1900)
Akademiedagen 15 (Amsterdam 1963)
AM Archief kasteel Beloeil (B.) Bader K. S. BADER, Dorfgenossenschaft und Dorf-
ANA Archief kasteel Haag (bij Gelder, D.)
Archief voor de Geschiedenis van de Katho- gemeinde (1962)
ANB lieke Kerk in Nederland
Anholt JAPPE ALBERTS, Geschiedenis van de beide Bakel J. VAN BAKEL, Vlaamse soldatenbrieven uit de
Limburgen I (1972), II (1974)
Annalen Idem, Van Heerlijkheid tot Landsheerlijkheid Napoleontische tijd (1977)
(1978)
Anthrop Stadsarchief Monschau (D.) Bakels C. C. BAKELS, Four Linearbandkeramik
Archief van notaris A. J. Ansiaux in het bis-
schoppelijk archief te Luik settlements and their environment, Analecta
Annuaire de la Noblesse Belge
Bildersammlung S. D. Fürst zu Salm-Salm, Praehistorica Leidensia XI (1978)
Anholt, 4292 Rhede (D.)
Annalen des historischen Vereins für den BAR Bisschoppelijk archief Roermond, thans
Niederrhein
Anthroponymica - Onomastica Neerlandica grotendeels in RAM

BARB Bulletin de l’Académie Royale de Bruxelles

(B.)

BAU Beiträge zur Anthropologie und Urgeschichte

Bavegem J. B. VAN BAVEGEM, Het martelaarsboek of

heldhaftig gedrag der Belgische geestelijkheid

ten tijde der Fransche omwenteling op het

einde der achttiende eeuw (Gent, 1875)

Bax W. BAX, Het Protestantisme in het bisdom

Luik en vooral te Maastricht I (1937), II

(1941)

BCAL Bulletin de la Commission Royale pour la

publication des anciennes lois et ordonnance

de Belgique

BCH Bulletin de la Commission Royale d’Histoire

(B.)

BCRAA Bulletin de la Commission Royale d’Art et

d’Archéologie (B.)

Becha Becha. Kwartaaltijdschrift van de Heemkunde-

vereniging Beek

Beckers H. J. BECKERS en G. A. J. BECKERS, Voor-

geschiedenis van Zuid-Limburg (1940)

Beckers, Th. THEO BECKERS, Het Riddergeslacht Huyn

van Amstenrade en Geleen [”Oud Austroa”,

deel 3, 1998]

433

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 434

Behets J. BEHETS, De plattelandsgemeente in het Boileau A. BOILEAU, Enquête dialectale sur la topo-
graafschap Loon en het omliggende van de Bollen nymie germanique du nord-est de la province
Behn vroege middeleeuwen tot aan de Franse de Liège I (1954), II (1971)
Below Revolutie (1969) Bondois JAN BOLLEN sr., Medtboeck van de Herlicheijt
B&MNOM F. BEHN, Uit de Europese prehistorie. Born van Opgeleen (1676), RAM, LvO nr. 1347
Bergen Speurwerk met de spade (1964) Bosch JAN BOLLEN jr., Generaele meetinghe der
Bergner G. VON BELOW, Landtagsakten von Jülich- Boussel graafschappe Geleen (geactualiseerde versie
BIL Berg 1400-1610, 2 delen (1907) Bouten van het vorige uit 1706), RAM, LvO nr. 1348
BJ Bijdragen en Mededelingen van het Rijks- Brasch en GAG nr. 1.
BKNOB museum voor Volkskunde ”Het Nederlands BRGK M. BONDOIS, La Translation des saints
Blanchet Openluchtmuseum” BrH Marcellin et Pierre. Étude sur Einhard et sa
Blécourt W. H. VAN BERGEN, Geleen onder de Franse BRmnd vie politique de 827 à 834 (1907)
A. Blok bezetting, 1794-1814 [Geleen door de Bronk J. LEBENS e.a., Born, een koninklijk domein
eeuwen heen III, 1991] BronvB met een boeiend verleden (1978)
D. P. Blok H. BERGNER, Handbuch der bürgerlichen Brouwers J. W. H. BOSCH, Bijdrage tot de geschiedenis
BNB Kunstaltertümer in Deutschland (1906) BSSLL van Schinveld (1974)
B&T Bulletin de l’Institut liégeois BSVAH P. BOUSSEL, Manuel de la Superstition (1963)
Bodens Bonner Jahrbücher Buntinx J. BOUTEN, P. GEENEN en W. RUTTEN, Van
Boeren Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheid- Geleen via Lutterade/Krawinkel naar
Böhmer kundige Bond BurMag Lindenheuvel (1989)
A. BLANCHET, Les souterrains-refuges de la Byvanck R. BRASCH, Strange customs. How did they
Boeket France (1923) begin ? (1978)
W. DE BLÉCOURT en M. GIJSWIJT-HOFSTRA Cate Bericht der Römisch-Germanischen Kommis-
(Red.), Kwade mensen. Toverij in Nederland. CD sion
Volkskundig Bulletin 12, 1 (april 1986) Brabants Heem (tijdschrift)
ANTON BLOK, The Bokkerijders Bands 1726- Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom
1776. Preliminary Notes on Brigandage in Roermond, deel 4, uitg. door W. GOOSSENS
the Southern Netherlands. Papers on Euro- (1927) [zie Habets]
pean and Mediterranean Societies nr. 2 De Bronk (tijdschrift)
(Amsterdam, 1975) H. J. S. M. BROERS, W. J. MARTENS en
Idem, Over de beroepen van de Bokkerijders TH. RAETS, Heren van Brunssum, heren in
in de Landen van Overmaas, in: Tijdschrift Brunssum [Bron van Brunsham I, 1993]
voor Criminologie 20, nrs. 3-4 (mei/augustus E. BROUWERS, Duizend Jaar Klimmen 968-
1978) 1968 (1968)
Idem, De rol van vilders in de Bokkerijders- Bulletin de la Société scientifique et littéraire
benden, in: Volkskundig Bulletin 7 du Limbourg (Tongeren, B.)
(1981),nr. 2 Bulletin de la Société Verviétoise d’Archéo-
Idem, De Bokkerijders. Roversbenden en logie et d’Histoire (Verviers, B.)
geheime genootschappen in de Landen van J. BUNTINX en M. GYSSELING, Het oudste
Overmaas 1730-1774 (1991) goederenregister van Oudenbiezen (1280-
DIRK PETER BLOK, De Franken in Nederland 1344) [Nomina Geographica Flandrica,
(19742) Studien XII, 1965]
Biografie Nationale de Belgique Burlington Magazine (Engeland)
Boer en Tuinder (landbouwkundig blad) A. W. BYVANCK, De Voorgeschiedenis van
W. BODENS, Vom Rhein zur Maas. Deutsches Nederland (19422).
Grenzvolk im Westen erzählt (1936) Idem, Nederland in den Romeinschen Tijd I
P. C. BOEREN, De oudste oorkonden der en II (1945)
abdij Rolduc en de Annales Rodenses (1949) Idem, Excerpta Romana. De Bronnen der
J. F. BÖHMER, Acta Imperii selecta. Urkunden Romeinsche Geschiedenis van Nederland,
Deutscher Könige und Kaiser 928-1398 etc. Derde deel (1947)
(1870, Neudruck 1967) C. L. TEN CATE, Wan god mast gift... Bilder
Idem, Regesta Imperii. Die Regesten des aus der Geschichte der Schweinezucht im
Kaiserreichs unter Rudolf etc. Erste Abteilung Walde (1972)
(1898) Cartulaire de Diepenbeke (AEB in RAB: inv.
A. H. SIMONIS, Historisch Boeket (Sittard, z. j.) nr. 48)

434

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 435

CEA The Cambridge Encyclopedia of Archaeology DLV Domeinrekening Land van Valkenburg (in
Celt (New York, 1980) DNB RAB)
Ceyssens Celticum. Supplément à Ogam (Rennes, F.) Doorman De Nieuwe Bode, weekblad voor Geleen en
J. CEYSSENS, À propos de Val-Dieu au XIIIe Doorninck omstreken
ChrKon siècle. Notices historiques (overdruk uit Dorp G. DOORMAN, De Middeleeuwse brouwerij
Leodium, Luik, 1913) en de gruit (1955)
CLI G. AELFERS en J. SEGERS, Geschiedenis Dorren P. N. VAN DOORNINCK, Het oudste Leen-
Cock Christus Koningparochie Kluis Geleen, DOZA actenboek van Gelre 1326 (Haarlem, 1898)
1948-1988 (1988) Driessen R. C. HEKKER e.a., Dorp en stad in Limburg.
Conrads Commissie Limburgse Iconografie [LGOG] Drijver Ontstaan, ontwikkeling, bescherming en
A. DE COCK, Spreekwoorden en Zegswijzen DunckPot herstel van historische nederzettingen (1981)
Corstjens afkomstig van Oude Gebruiken en Volks- EC TH. DORREN, Woordenlijst uit het Valken-
zeden (19082) Ecrevisse burgsch plat (19282)
Cramignon J. CONRADS, Das Venndorf Kalterherberg mit Deutschordenszentralarchiv, Wenen
dem Kloster Reichenstein. Veröffent- EFF M. DRIESSEN, Zonnewijzers in Limburg (1979)
Crott lichungen des Bischöflichen Dözesansarchivs EindDag F. W. DRIJVER, Mozaïek (19254)
Aachen (1938) Endepols A. DUNCKEL en B.A. POTHAST, Kurze Chronik
Cumont J. CORSTJENS en B. SIMONS, Barbertje moet Eremit von Sittard etc. (1891)
DAA hangen !? De ”Bokkerijders” uit Groot-Bree Ernst Les Études Classiques (Belgisch tijdschrift)
Daghet (z.j.) Es, Rom P. ECREVISSE, De Bokkenrijders in het Land
Daniels Cramignon. Bijdragen tot de Limburgse Es, A&H van Valkenberg (1845, herdruk in twee delen
Danckert Volkskunde [Speciale uitgave van Nederlands ES & DB 1884; ook herdrukken o.a. in 1910, 1914,
Daris Volksleven (XX, nr. 1), 1970] Essen 1943 en 1969)
Dauzat JOS. CROTT, Bokkerijders in genealogisch Esser Idem, Het Meilief van Geleen. Limburgsche
perspectief. De vildersfamilie Ponts-Bemel- EurMoz zedenschets onder het Fransch beheer (1858)
Deductie mans uit Hoensbroek, in: MaasSprok, Nova Idem, De drossaert Clercx. Eene omwerking
Series, jrg. 12, nr. 1 (november 1990) FA van De Teuten in de Limburger Kempen.
De Laet F. CUMONT, Comment la Belgique fut Fabre Zedenschets uit de XVIIIe eeuw (1846)
romanisée (1919) H. DERWEIN (ed.), Eugen Fehrle Festschrift
DeLim Domarchiv Aachen (D.) zum 60. Geburtstag dargebracht (1940)
DG ’t Daghet in den Oosten (Vlaams tijdschrift) Eindhovens Dagblad
Dittmaier J. G. M. DANIELS en J. H. STRIJKERS, Daniels H. J. E. ENDEPOLS, Woordenboek of Dik-
familia Hillenbergensis (1986) sjenaer van ’t Mestreechs (1955)
W. DANCKERT, Unehrliche Leute. Die Der Eremit am hohen Venn. Mitteilungen
verfemten Berufe (1963) des Geschichtsvereins des Kreises Monschau
J. DARIS, Histoire du diocèse et de la princi- S. P. ERNST, Histoire du Limbourg, 7 delen
pauté de Liège 1724-1852, tome IV (1873) (1847)
A. DAUZAT et CH. ROSTAING, Dictionnaire W. A. VAN ES, De Romeinen in Nederland
étymologique des noms de lieux en France (19732)
(1963) W. A. VAN ES e.a., Archeologie en Historie
Deductie voor Heer Edmond Godefroy (1973)
Baron van Bocholtz, Duyts Ordens Ridder, Eigen Schoon en De Brabander (Belgisch
Landt-Commandeur der Ballien Biessen & c. tijdschrift)
teghens die Regeerders ende ghemeyne L. VAN DER ESSEN, De gulden eeuw onzer
Ingesetenen der Heerlyckheydt van Geleen, Christianisatie (1939)
Lande van Valckenborgh (na febr.1682) in Q. ESSER, Beiträge zur gallo-keltischen
NRhWfD, Mergentheimer Abgabe, Abt. III, Namenkunde (1884)
Nr. 139 Euregionaal Mozaïek. Voordrachten gehouden
S. J. DE LAET, The Low Countries [serie: op het Historisch Congres bij gelegenheid
Ancient Peoples and Places], deel 5 (1958) van ”Sittard 750 jaar Stad: 30.10.1993.”
Idem, Prehistorische kulturen in het Zuiden (1993)
der Lage Landen (Wetteren, 1972) Frans Archief (in RAM)
De Limburger (dagblad) A. FABRE, Pages d’art chrétien. Études d’ar-
Deutsche Geschichtsblätter chitecture, de peinture, de sculpture et
H. DITTMAIER, Rheinische Flurnamen (1963) d’iconographie (Parijs, 19202)

435

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 436

FaHayme Inventaris van het archief der familie de GGHvG M. J. H. A. SCHRIJNEMAKERS en J. J. CORSTJENS,
Graaf Godfried Huyn van Geleen, Keizerlijk
Hayme berustend op het Kasteel Nieuwen- GHK Veldmaarschalk en Landcommandeur te
Gies Alden Biesen [Geleen door de eeuwen heen,
burg (Neubourg) te Gulpen (1916) Giffen deel IV, 1993]
Gilissen Geldrischer Heimatkalender
Fahne A. FAHNE, Geschichte der kölnischen, jülich- Gimpel FRANCES & JOSEPH GIES, Cathedral, Forge
Glover and Waterwheel. Technology and Invention
sen und bergischen Geschlechter I (1848), II GOA in the Middle Ages (1994)
Godsd Een kwart eeuw Oudheidkundig Bodem-
(1853) Göbbels onderzoek in Nederland. Gedenkboek A. E.
Göhltal van Giffen (947)
Flament A. J. A. FLAMENT, Chroniek van Maastricht Gottschalk M. GILISSEN, Pastorie Mheer 1670-1970
Granvelle (1970)
van het jaar 70 na Chr. tot 1870 (1915) Grauwels J. GIMPEL, The Medieval Machine. The
Industrial Revolution of the Middle Ages
Franquinet G. D. FRANQUINET, Beredeneerde inventaris GrCalHerve (1976)
Grueles M. GLOVER, The Peninsular War 1807-1814.
der oorkonden en bescheiden van de abdij Guiley A concise military history (Londen, 1974)
GvL M. J. H. A. SCHRIJNEMAKERS, Geleen in
Kloosterrade (1869) Haas Oude Ansichten II (1979) en III (1981)
De Godsdienstvriend (Katholiek Nederlands
Idem, Beredeneerde Inventaris der Habets tijdschrift)
P. J. H. M. GÖBBELS, Kroniek van de Familie
Oorkonden en Bescheiden van het Kapittel Göbbels (1984)
Im Göhltal. Zeitschrift der Vereinigung für
van O.L. Vrouw te Maastricht - afgekort OLV Kultur, Heimatkunde und Geschichte im
Göhltal Kelmis, (B.)
- I (1870), II (1877) H. GOTTSCHALK, Der Aberglaube. Wesen
und Unwesen (1965)
Idem, Beredeneerde Inventaris der E. POULLET en CH. PIOT, Correspondance du
cardinal de Granvelle (1565-1583)
Oorkonden en Bescheiden van het Adellijk J. GRAUWELS, Limburgse soldaten van Napoleon
in Spanje. Mededelingen van het centrum
Klooster St. Gerlach (1877) voor studie van de Boerenkrijg nr. 53 (1964)]
Idem, Regestenlijst [= beknopte beschrijving
Freudenthal H. FREUDENTHAL, Das Feuer im Deutschen van de inhoud] der oorkonden van de land-
kommanderij Oudenbiezen [afgekort OB], 4
Glauben und Brauch (1931) delen (1966-1969)
Grand Calendrier de Herve
Friend J. NEWTON FRIEND, Demonology. Sympathetic Grueles, tijdschrift van de stichting ”Grueles”
(Gronsveld)
Magic and Witchcraft (1961) R. E. GUILEY, The Encyclopedia of Witches
and Witchcraft (1989)
Frmn E. FÖRSTEMANN, Altdeutsches Namenbuch, Gazet van Limburg (Nederlands dagblad)
J. A. HAAS, Inventaris van het archief van het
II. Orts- und sonstige geographische Namen Norbertinessenklooster van Sint-Gerlach
(1971)
(herdruk 1967) Idem, De verdeling van de Landen van
Overmaas 1644-1662 (1978)
GAB Gemeentearchief Beek Idem, Inventaris van de archieven en de
handschriften der abdij Kloosterrade (1986)
GAG G. J. A. PISTERS en J. TH. H. DE WIN, JOS. HABETS, Notice sur quelques découvertes
d’antiquité [overdrukken uit PSHAL] I
Inventaris van de archieven der gemeente (1865-1867), II (1881)

Geleen tot 1921 (1953)

Bev. Reg. = Bevolkingsregister

GAM Gemeentearchief Maastricht

Ganshof F. L. GANSHOF, Feudalism (New York, 19612)

Gaster The new golden bough. A new abridgment of

the classic work by Sir JAMES GEORGE

FRAZER, edited, and with notes and foreword

by DR. THEODOR H. GASTER (1959)

GE Geschichtliches Eupen (Belgisch tijdschrift)

Geerkens G. GEERKENS, Gronsfeldt, in: Liber Amicorum

Frans Vangronsveld (1993), 260-262

Geleen [Gedenkboek] Geleen van dorp tot Maurits-

stad (1952)

GelEeuw Geleen door de eeuwen heen [Gepubliceerd

door de Stichting Cultureel-Historische

Uitgaven Geleen] I (1989), II (1990), III

(1991), IV (1993)

Genealogieën E. M. A. H. DELHOUGNE e.a., Genealogieën

IV (1974)

GenMA Généalogie de la Famille de Marchant et

d’Ansembourg (Bruxelles, 1931) [Overdruk

uit Annuaire de la Noblesse Belge, Première

Partie, Années 1927 et 1928, publié en 1930

sous la direction de Mr. A. De Ridder]

Germ Germania (Duits tijdschrift)

GG Geschiedenis der Geneeskunde (Nederlands

tijdschrift)

436

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 437

Idem, Geschiedenis van het tegenwoordig Hillegers H. P. M. HILLEGERS, Heerdgang in Zuidelijk

bisdom Roermond, drie delen (1875, 1890 Limburg (1993)

en 1892). Voor het 4de deel zie BRmnd HistOpst Historische Opstellen over Roermond en

Idem, De archieven van het kapittel der omgeving (1951)

hoogadellijke Rijksabdij Thorn (1889) HJLvZ Historisch Jaarboek voor het Land van

Idem, Limburgsche Wijsdommen (1891) Zwentibold

HabNaP JOS. HABETS, Nagelaten Papieren HKJ Heimatkalender des Kreises Jülich

HAK Historisches Archiv Köln (Keulen) HKSK Heimatkalender des Selfkantkreises: Geilen-

HAL L’Hôtel d’Ansembourg (à Liège), Notice kirchen-Heinsberg

(1939) HOA Heerlen in oude ansichten (1969)

Hallema A. HALLEMA en J. A. EMMENS, Het bier en Hoensbroek J. M. VAN DE VENNE, J. TH. DE WIN en

zijn brouwers. De geschiedenis van onze P. A. H. M. PEETERS, Geschiedenis van

oudste volksdrank (1968) Hoensbroek (1967)

Hamers M. P. H. HAMERS e.a., Spaans Neerbeek, een Holtum A. M. P. P. JANSSEN, H. G. J. WAGEMANS en

oud en voormalig gehucht onder Geleen (1989) W. F. TH. E. M. WILLEMS, In honorem Sancti

Hampe TH. HAMPE, Die fahrenden Leute (1924) Martini - Sint-Martinus ter ere. Het kerkelijk

Hanssen H. HANSSEN, Die Rimburg (1912) verleden van Holtum (1987)

HBG Heimatblätter Geilenkirchen. Unpolitische Holroyd S. HOLROYD, Magic, Words and Numbers

Unterhaltungsbeilage der Geilenkircher (1975)

Zeitung Holwerda J. H. HOLWERDA, Nederlands Vroegste

Heelu JAN HEELU, Rijmkroniek etc. Geschiedenis (19252)

Heide G. D. VAN DER HEIDE, Archeologie der Lage HondEeuw Honderd Eeuwen Nederland, samengesteld

Landen (1963) onder redactie van J. E. BOGAERS,

Heimat Heimat. Monatschrift für Maasland, Eifel W. GLASBERGEN, P. GLAZEMA en H. T.

und Ardennen (tijdens de Duitse bezetting) WATERBOLK (19592).

HeimatH Die Heimat. Blätter für heimatliche Hove J. VAN DEN HOVE D’ERTSENRYCK, Histoire

Geschichte, Volks- und Naturkunde des Hove (Dinant, B., 1972)

(Heinsberg) Hübner J. HÜBNER, Genealogische Tabellen I (1757)

HeimatK Die Heimat. Veröffentl. des Heimatkreises Hugo CH. L. HUGO, Sacri et Canonici Ordinis

des Niederrheins in Krefeld Praemonstratensis Annales I. Pars prima

HeimatNrh Die Heimat. Zeitschrift für niederrheinische Monasteriologiam... complectens, II. Proba-

Heimatpflege tiones secundi monasteriologiae Praemon-

Hekker R. C. HEKKER, ”Onderaardse bouwkunst in stratensis (Nancy, 1734-35)

Zuid-Limburg” in: Opstellen voor H. van de Huyskens A. HUYSKENS, Aachener Heimatgeschichte

Waal [Leidse Kunsthistorische Reeks 1970], (1924)

p. 68-89 HWBDA Handwörterbuch des Deutschen Aber-

Helinium Helinium. Revue consacrée à l’archéologie glaubens, Bd. II (1929/30)

des Pays-Bas, de la Belgique et du Grand- IAM Inventaris van het archief der gemeente

Duché de Luxembourg (Wetteren, B.) Munstergeleen (1957/58)

Hennes J. HENNES, Codex diplomaticus Ordinis IB’s-G Iconografisch Bureau te ’s-Gravenhage

Sanctae Mariae Theutonicorum, II. IG L’intermédiaire des généalogistes

Urkundenbuch des Deutschen Ordens (1861) Jaarkring M. J. H. A. SCHRIJNEMAKERS, De Jaarkring in

Henrichs L. HENRICHS, Geschichte der Stadt und des het oude Geleen (extra nummer TsHKVGel

Landes Wachtendonk (1910, herdruk 1973) 1981)

Herckenrode L. DE HERCKENRODE, Collection de Tombes, Jager J. L. DE JAGER, Volksgebruiken in Nederland

Épitaphes et Blasons recueillis dans les églises (1981)

et couvents de la Hesbaye (1845) JaLim Jaarboekje voor Limburg (Maastricht)

HerHoog F. HERMANS en A. HOOGENBOOM, Oor- JaLimME Jaarboek Limburg van Mook tot Eijsden

sprong en geschiedenis van 350-jarig Jansen M. JANSEN, Inventaris van het Oud Archief

schutterswezen in Geleen (1987) der Gemeente Sittard (1878)

Hermans F. HERMANS, De parochie Geleen van 1605 Janssen H. J. H. JANSSEN, Beknopte historie over vier

tot 1654 (1990) Limburgen (1982)

Idem, Historische Opstellen over de parochie JanssenLimp K. J. TH. JANSSEN DE LIMPENS, Rechts-

HH. Marcellinus en Petrus te Geleen (1991) bronnen van het Gelders Overkwartier van

HGTs Historisch Geografisch Tijdschrift Roermond (1965)

437

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 438

Idem, Leen- en Laathoven in de Maaslandse religieuze voorwerpen uit het katholieke leven

Territoria vóór 1795 (1974) (1980)

Idem, Rechtsbronnen van het Hertogdom KnippenberghJ. KNIPPENBERGH, Historia Ecclesiastica

Limburg en de Landen van Overmaze (1977) Ducatus Geldriae (1719)

JanssenSang R. JANSSEN en W. SANGERS, De Bokkerijders Knuttel Woordenboek der Nederlandsche Taal,

tussen gisteren en morgen [Bendevorming in Supplement Eerste Deel, bewerkt door

Maas- en Rijnland in de Eeuw der Verlichting J. A. N. KNUTTEL en C. H. A. KRUYSKAMP

I] (1987) (1956)

Jappe Alberts Jappe Alberts 70. Bundel ter gelegenheid van Krahe H. KRAHE, Beiträge zur Namenforschung I

de zeventigste verjaardag van prof. dr. (1949-50)

W. Jappe Alberts bijzonder hoogleraar in de Kraus FR. KRAUS, Höhlenkunde - Wege und Zweck

interregionale geschiedenis van de Rijks- der Erforschung unterirdischer Räume

universiteit te Utrecht etc. (1970) (1894)

JBAA Journal of the British Archaeological Associa- Krauss J. KRAUSS, Vom Messen der Zeit im Wandel

tion der Zeiten (1950)

JCS Jaarboek van het bisschoppelijk college ”St. Kreijns H. C. J. M. KREIJNS, Uit het Duister van het

Joseph” te Sittard Verleden, deel A (19912)

JDMI Journal du Département de la Meuse Inférieure Krings W. KRINGS, Wertung und Umwertung von

Jellinghause H. JELLINGHAUS, Die westfälischen Orts- Allmenden im Rhein-Maas-Gebiet vom Spät-

namen nach ihren Grundwörtern (1896) mittelalter bis zur Mitte des 19. Jahrhunderts

JHS Jaarboek Historie Schinnen, vanaf 1995: (1976)

Historiek Kurthen J. KURTHEN, Zur Kunst der Steinfelder

Jonkergouw A. E. L. JONKERGOUW, Sittard Gulikse Stad Kreuzgangfenster (1941)

(1977) Kw.Eijs L. EIJSSEN, Kwartierstaat Eijssen, aanvulling

JPGL Jaarboek van het Provinciaal Genootschap op Genealogieën IV

”Limburg” (Roermond) Laan K. TER LAAN, Folkloristisch Woordenboek

JVAR Jahrbücher des Vereins für Altertums- van Nederland en Vlaams België (1949)

freunde im Rheinlande Lachouque J. TRANIE and J.-C. CARMIGNIANI, Napo-

JVNW Jaarboek Vereeniging Nederlandsche Wijn- leon’s War in Spain. The French Peninsular

handelaren Campaigns, 1807-1814, from the notes and

Kahlen L. KAHLEN, Übach-Palenberg in Vergangen- manuscripts of commandant Henry

heit und Zukunft (1967) Lachouque (Londen, 1982).

KapOLV Archief Maastrichts Kapittel van O. L. Vrouw Lac TH. J. LACOMBLET, Urkundenbuch für die

(in RAM) Geschichte des Niederrheins, 4 delen (1840-

Karak Karakteristiek Zuid-Limburg. Kunst, ambacht 1858, overdruk 1960)

en volksgebruik (1977) LDOBB M. VAN DER EYCKEN, U. ARNOLD en

Karner L. KARNER, Künstliche Höhlen aus alter Zeit J. MERTENS, Leden van de Duitse Orde in de

(1903) Balije Biesen [Bijdragen tot de geschiedenis

M. Kemp MATHIAS KEMP, Van den Grenskant (1937) van de Duitse Orde in de Balije Biesen 1,

Idem, Geschiedenis van Limburg (1946) 1994]

P. Kemp PIERRE KEMP, Limburgsch Sagenboek (1924, Leach M. LEACH (Ed.), Funk & Wagnals Standard

19412) Dictionary of Folklore, Mythology and

Kempers A. J. B. KEMPERS, Oliemolens (Het Neder- Legend, vol. I (1949)

lands Openluchtmuseum. Gebouwen en Leconte L. LECONTE, La révolution Brabançonne

Bedrijven, nr. 3, 1962) dans le Duché de Limbourg et les volontaires

Kerckhove R. P. A. VANDE KERCKHOVE, Histoire de Limbourgeois auxiliaires des troupes

l’abbaye cistercienne de Val-Dieu etc. (1939) Autrichiennes en 1790 et de 1792 à 1794

Kessen A. KESSEN, De historische schoonheid van (Brussel, 1938)

Maastricht (1947) Lefèvre PL. F. LEFÈVRE, La Liturgie de Prémontré.

Kiliaen C. KILIANUS, Dictionarium Teutonico-Latino- Histoire, formulaire, chant et cérémonial

Gallicum (1642) [Bibliotheca Analectorum Præmonstraten-

Kluis M. J. H. A. SCHRIJNEMAKERS, De Kluis van sium, Fasc. 1, 1957]

Krawinkel (1975) Lemborgh F. TH. W. SMEETS, A. B. J. M. GOOSEN en

Knippenberg W. H. TH. KNIPPENBERG, Devotionalia. P. M. LE BLANC, Lemborgh. Het Kasteel en

Beelden, prentjes, rozenkransen en andere zijn Sint Salviuskerk te Limbricht (1984)

438

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 439

Lemmerling H. W. A. LEMMERLING, Oet vreuger jaore, 10 Martène E. MARTÈNE en H. DURAND, Veterum scrip-
Lens delen (1978-1985) torum et monumentorum historicorum,
Leudal LENS, Armorial du Duché de Limbourg et des McKenna dogmaticorum, moralium amplissima collec-
Leufkens Pays d’Outremeuse (1947) Meded tio, 9 delen (Parijs 1724-1733)
LGOG Rondom het Leudal (tijdschrift) P. ELISAEUS MCKENNA, Het grafelijk geslacht
Libby F. J. LEUFKENS etc., Genealogie van het Melchior Huyn van Amstenrade en Geleen (1928)
LibFest geslacht Anstel (z.j.) Mestrom Mededelingen van de Vereniging voor Naam-
Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Meulenberg kunde te Leuven en de Commissie voor
Limburg Genootschap Meyer Naamkunde te Amsterdam
LimDag W. F. LIBBY, Radiocarbon Dating (1952) M’geleen J. MELCHIOR, De Bokkerijders. Feiten en
LimKoer Libellus Festivus. Een bundel historische MGbode Verhalen (19812)
LimLe opstellen aangeboden aan Joseph H. F. H. MGH P.TH.R. MESTROM, Uurwerken en Uurwerk-
Linssen bij gelegenheid van zijn 70ste verjaar- Migne makers in Limburg, 1367-1850 (1997)
LimTsGen dag (1964) M. MEULENBERG, De parochies Oirsbeek en
LimbVand Limburg [historisch tijdschrift, Maaseik, B.] MIM Doenrade van oude tijden tot heden (1955)
LimVerl Limburgs(ch) Dagblad K. F. MEYER, Aachensche Geschichten I
Limburger Koerier (dagblad) MM (1781)
Lindemans De Limburgse Leeuw. Orgaan ter bevorde- Moes Munstergeleen, een monografie over een
Loon ring van de studie der genealogie en heraldiek Limburgse gemeente (1965)
Loosjes in Limburg. Moonen Maas- en Geleenbode (weekblad)
Luyken Limburgs Tijdschrift voor Genealogie Moreau Monumenta Germaniae Historica
Limburg Vandaag (maandblad) SS = Scriptores
Luykx E. C. M. A. BATTA e. a., Limburgs Verleden. MPLim J. P. MIGNE, Patrologiæ cursus completus...
Geschiedenis van Nederlands Limburg tot Msb series secunda, in qua prodeunt Patres, Doc-
Luyn 1815, I (1960), II (1967) Msg tores, Sciptoresque Ecclesiæ Latinæ (Parijs, F.)
LvH P. LINDEMANS, Geschiedenis van de land- MSGoud Munsters in de Maasgouw. Archeologie en
LvO bouw in België, twee delen (1952) Munsters Kerkgeschiedenis in Limburg. Bundel aan-
MA Het Oude Land van Loon (Belgisch- Mzhw geboden aan Pater A. J. Munsters M.S.C. bij
MaasMel Limburgs tijdschrift) zijn tachtigste verjaardag door het Limburgs
A. LOOSJES, Limburg in Beeld (z.j.) Naamk Geschied- en Oudheidkundig genootschap
MaasSprok JAN LUYKEN, Spiegel van het Menschelijk (1986)
Macco Bedrijf (circa 1700), heruitgave als Maas en Mijn (Sittards weekblad)
MAGW Afbeelding der Menschelyke Bezigheden (z.j.) E. W. MOES en K. SLUITERMAN, Neder-
Mariën TH. LUYKX, Op de drempel der geschiedenis landsche kasteelen en hun historie, drie delen
van het Vlaamsche volk. De Germanen en (1912-1915)
Marlot hun expansie in onze gewesten (1944) W. MOONEN, Brunssum de Eeuwen door
P. B. N. VAN LUYN, Stadt Sittardt, een grens- (1952)
overschrijdend verleden (1993) E. DE MOREAU s. j., L’Abbaye de Villers-en-
Land van Herle (tijdschrift) Brabant aux XIIe et XIIIe siècles (1909)
Archief Landen van Overmaas (in RAM) Idem, Histoire de l’Église en Belgique des
Le Moyen Age (tijdschrift) origines aux débuts du XIIe siècle (1940,
Maaslands Mélange. Opstellen over Limburgs 19452)
verleden dr. P. J. H. Ubachs aangeboden bij Magazijnlijst Parochies in Limburg (in RAM)
gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag De Maasbode (dagblad)
(1990) De Maasgouw (Limburgs tijdschrift)
Maaslandse Sprokkelingen (Maaseik) M. KEMP (ed.), Mijn en Spoor in Goud(1952)
H. F. MACCO, Aachener Wappen und A. MUNSTERS, Kasteelgids Stein (1946)
Genealogien I (1907) Idem, De Vadermoorder van Stein (1979)
Mittheilungen der Anthropologischen Gesell- G. H. MAASSEN, J. H. A. DORMANS,
schaft in Wien (Oostenrijk) M. J. H. A. SCHRIJNEMAKERS, Munstergeleen
M. E. MARIËN, Oud-België. Van de eerste zoals het was (1985)
landbouwers tot de komst van Caesar Naamkunde. Mededelingen van het Instituut
(Antwerpen, 1952) voor Naamkunde te Leuven en van het
G. MARLOT, Metropolis Remensis Historia P. J. Meertens-Instituut te Amsterdam
etc. II (1679) [vervolg van Mededelingen (Meded)]

439

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 440

NAJML Notariële Akten van Jan Mathijs Luijten (in Offermans J. OFFERMANS, Wo dan in Zitterd ? (1946)
NatHist RAM)
NBW Natuurhistorisch Maandblad (Maastricht) Oldenburg F. VAN OLDENBURG ERMKE, Limburg aan de
Ndms Nederlands Biografisch Woordenboek
NEB De Nedermaas (Limburgs tijdschrift) galg. De legende van de Bokkerijders en de
NedDag The New Encyclopædia Britannica
Nederw Nederlands Dagblad geschiedenis van hun lot (1966)
NedPat A. BRUEKERS, Nederweerts verleden, het dorp
Needham en zijn heerschappen I (1985) Ort J. A. ORT, Oude wegen en landweren in
Nettesheim Nederlands Patriciaat (tijdschrift)
Newell A book of country things, told by Walter Limburg en aangrenzende gewesten (1884)
Needham, recorded by Barrows Mussey (1965)
Nicolaij F. NETTESHEIM, Geschichte der Stadt und des Oudemans A. C. OUDEMANS, Bijdrage tot een Middel-
Nicolson Amtes Geldern (1863)
Niermeyer R. R. NEWELL, The Mesolithic affinities and en Oudnederlands Woordenboek, 7 delen
typological relations of the Dutch Band-
NKoer keramik flint industry (London, 1970) (1870-1880)
NLim F. NICOLAIJ, Histoire des croyances, super-
NMGKL stitions, mœurs, usages et coutumes (z.j.) Oud-Geleen Jongerenvereniging ”de Boew”, Oud-Geleen:
N. NICOLSON, Napoleon 1812 (New York,
NMijn 1985) verleden, heden, toekomst (1978)
NRA J. F. NIERMEYER en C. VERLINDEN, Frankische
NRC vestiging en taalgrens, Meded, Bijlage XLIX Overmunthe Overmunthe. Uit het rijke verleden van Berg
NRhWfD (1957)
Nieuwe Koerier (dagblad) en Urmond (1978)
NsStaO De Nieuwe Limburger (dagblad)
NTTC De Nederlandse Monumenten van Geschie- PAE Parochiearchief Einighausen
denis en Kunst, deel V: De provincie Limburg.
Nuutsb Geïllustreerde beschrijving uitgegeven van- PAG Parochiearchief HH. Marcellinus en Petrus te
NYT wege de Rijkscommissie voor de monumen-
OB tenbeschrijving Geleen [thans gedeeltelijk in Gemeente-
De Nieuwe Mijnstreek (Beeks weekblad)
Nieuwe Rechterlijke Archieven (in RAM) archief te Sittard]
Nieuwe Rotterdamse Courant - Handelsblad
Nordrhein-Westfälisches Hauptstaatsarchiv PAH Parochiearchief St. Pancratius te Heerlen
Düsseldorf (D.)
ASM = Aachen, St. Marien PalHist Palaeohistoria. Acta et Communicationes

Akt = Kapittelsprotokoll-Akten Instituti Bio-archaeologici Universitatis
RHs = Repertorium und Handschrift
Urk = Urkunden Groninganae
Merg. Abg. = Mergentheimer Abgabe
St. Abg. = Stuttgarter Abgabe Pama C. PAMA, Rietstap’s handboek der Wapen-
Reichstein = Reichenstein
CA = Copiae authenticae 1731 kunde (1961)
KP = Klosterprotokolle 1730, Bd II
Rep = Repertorium der Klöster im Parch Le Parchemin (Belgisch tijdschrift)
Herzogtum Jülich
Niedersächsisches Staatsarchiv te Osnabrück Peeters P. A. H. M. PEETERS, Hoensbroek (z.j.)
De naamkunde tussen taal en cultuur
[Cahiers van het P. J. Meertens-Instituut, nr. Pericoli U. PERICOLI, 1815. The Armies of Waterloo
1, 1988]
De Nuutsbaeker (Beeker maandblad) (New York, 1973)
The New York Times (dagblad)
Zie Grauwels, Regestenlijst etc., 4 delen Peters P. J. M. PETERS, Wandelingen in en om
(1966-1969)
Heerlen (1919)

Philippens H. J. J. PHILIPPENS, Houthems Verleden

(1983)

Idem, Ridderschap ”Van Hulsberg genaamd

Schaloen” (1987)

Pick R. PICK, Aus Aachens Vergangenheit (1895)

Piepers WILH. PIEPERS, Die Vor- und Frühgeschichte

des Selfkantkreises Geilenkirchen-Heinsberg

[doctoraal proefschrift Bonn, 1953]

Idem, Archäologie im Kreis Heinsberg. I.

Bodendenkmäler und Funde im ehemaligen

Kreis Geilenkirchen-Heinsberg (1989)

Pijls H. PIJLS, De Bokkenrijders met de doode

hand (1924)

Piot CH. PIOT, Cartulaire de l’Abbaye de Saint

Trond, 2 delen (1874)

Pisters G. J. A. PISTERS en J. TH. DE WIN, Inventaris

van de archieven der gemeente Geleen tot

1921 (1953). Zie ook GAG.

Pörtner R. PÖRTNER, Bevor die Römer kamen (1965)

Idem en B. T. SPORRY, De Romeinen op hun

weg naar de Lage Landen (1975)

Poncelet E. PONCELET, Inventaire analytique des

chartes de la collégiale de Sainte-Croix à Liège

I (1911)

Pontanus JOH. IS. PONTANUS, Historiae Gelricae Libri

XIV (1639)

440

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 441

PrM Archief Proosdij Meerssen (in RAM) Renfrew, C COLIN RENFREW, Archaeology and Language.
Prümmer H. PRÜMMER (red.), Das Monschauer Land The Puzzle of Indo-European Origins (New
PSHAL historisch und geographisch gesehen (1955) Renfrew, J York, 1988).
Pyne Publications de la société historique et archéo- Renier JANE M. RENFREW, Palaeoethnobotany
Querido logique dans le (duché de) Limbourg RheinMaas (Londen, 1973).
Raadt W. H. PYNE, Microcosm. Pictureque views of RhVjB J. S. RENIER, Historique de l’abbaye du Val-
RAB rural occupations in early nineteenth-century Rietstap Dieu etc. (1865)
England (1824) Rhein und Maas. Kunst und Kultur 800-
RAH A. QUERIDO, Godshuizen en Gasthuizen. Riland 1400 (Keulen, 1972)
RAM Een geschiedenis van de ziekenverpleging in Ritz Rheinische Vierteljahresblätter
West-Europa (1974) J. B. RIETSTAP, Armorial Général (herdruk
Ramaekers J. TH. DE RAADT, Sceaux armoriés des Pays- RJ 1965)
Rasch Bas et des Pays avoisinants etc. II (1897) Robbins Idem, De Wapens van den tegenwoordigen
RD Algemeen Rijksarchief te Brussel (B.) Rogers en den vroegeren Nederlandschen adel (1890)
Reichstein Rolduc G. RILAND, The new Steinerbooks Dictio-
Reintges AEB = Archives ecclésiastiques de Brabant Roosteren nary of the Paranormal (1980)
Rendier CD = Cartularium van Diepenbeek Roppe WILH. RITZ, Urkunden und Abhandlungen
Renes CdC = Chambre des Comptes of zur Geschichte des Niederrheins und der
[Brabantse] Rekenkamer Rousseau Niedermaas I (1824)
Cdds = Chartes diverses de la deuxième RRM Rolducs Jaarboek
section Ruffat R. H. ROBBINS, The Encyclopedia of
CFB = La cour féodale de Brabant Rummelen Witchcraft and Demonology (1959)
DLV = Domeinrekening Land van H.C.B. ROGERS, Napoleon’s Army (New
Valkenburg RusKerk York, 1982)
RD = Register Drossaard Russel Rolduc in woord en beeld (1902)
Rijksarchief te Hasselt (B.) R. JANSSEN e.a., Roosteren. Wie het reilde en
AB = Alden Biesen zeilde (1980)
Rijksarchief in Limburg te Maastricht L. ROPPE, G. W. A. PANFUYSEN en
AHC = Archief Hoog Cruts E. M. NUYENS, De Décadaire, resp. maande-
BAR = Bisschoppelijk Archief Roermond lijkse rapporten van de commissarissen van
FA = Frans Archief het directoire exécutif in het departement van
Hss = Collectie Handschriften de Nedermaas 1797-1800 (1956)
Kap OLV = Kapittel van O.L. Vrouw F. ROUSSEAU, La Meuse et le Pays Mosan en
(Maastricht) Belgique (1930)
LvO = Landen van Overmaas Raadsresoluties Maastricht
MPLim = Magazijnlijst Parochies Limburg A. RUFFAT, La superstition à travers les âges
NA = Notarieel Archief (1951)
NAJML = Notariële Archief Jan Mathijs E. H. VAN RUMMELEN, Overzicht van de
Luijten (Geleen) tusschen 600 en 1940 in Zuid-Limburg en
NRA = Nieuw Rechterlijk Archief omgeving waargenomen aardbevingen etc.
PAL = Provinciaal Archief in Limburg (1945)
PrM = Proosdij Meerssen Nalatenschap Russel in de gemeentebiblio-
G. RAMAEKERS en TH. PASING, De woeste theek te Kerkrade
avonturen van de Bokkerijders (1972) JOS. RUSSEL, De Heerlijkheid Geleen, hare
J. RASCH, Onze Seizoensfeesten. Hun oor- voormalige heeren, inwoners, geregt, gebuiken,
sprong en beteekenis (z.j.) enz. (1860)
Register Drossaard (in RAB) Idem, Kroniek of geschiedkundige beschrij-
Archieven betreffende het klooster Reichen- ving der stad en voormalige heerlijkheid
stein, zie NRhWfD Sittard (1863)
TH. REINTGES, Ursprung und Wesen der Idem, De Auvermannetjes. Historisch-roman
spätmittelalterlichen Schützengilden [Rheini- tisch verhaal uit de XVIIe eeuw (1863, 1878)
sches Archiv nr. 58, 1963] Idem, De Rooverbenden in de landen van
N. ARTS e.a., Rendierjagers. Prehistorische Overmaas, Brabant, Holland en aan den Rijn
tentenkampen nabij de Maas (1990) in de vorige en in het begin der tegenwoor-
J. RENES, De Geschiedenis van het Zuid- dige eeuw (1877)
limburgse Cultuurlandschap (1988)

441

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 442

Idem, De Driekoningenkoek. Geschied- Sjeem In de sjeem van de Kloes [Oud Austroa II,
kundige schets in romantisch kleed (1878)
W. R. M. RUTTEN, P. G. H. DORSSERS en Amstenrade 1972]
E. J. HENDRIKX, Lindenheuvel. Van bos en
Rutten hei tot woonwijk (1979) Slanghen EG. SLANGHEN, Het Markgraafschap
J. RUWET, Cartulaire de l’Abbaye Cister-
Ruwet cienne du Val-Dieu, XIIe-XIVe siècle (1955) Hoensbroeck (1859)
RvdMz Rijksdienst voor de Monumentenzorg
Sachs H. SACHS und J. AMMAN, Eygentliche Idem, Bijdragen tot de geschiedenis van het
SAM Beschreibung aller Stände auf Erden (1568)
SAS Stadsarchief Maastricht tegenwoordig hertogdom Limburg (1865)
N. G. H. M. EUSSEN en J. M.A. KREUKELS,
Sassen Het Stadsarchief van Sittard 1243-1794 Sleinada S. J. P. SLEINADA [= A. DANIELS], Oorsprong,
(1978)
ScAm J. J. SASSEN, Précis des faits relatifs au partage oorzaeke, bewys, en ondekkinge van een god-
Schelberg de la Bruyère dite Graatheide, Arrondisse-
Schmidt ment de Maestricht, Province de Limbourg looze bezwoorne bende, nagtdieven en kneve-
Schopp (z.j.)
Idem, Pièces relatives au partage de la laers binnen de landen van Over Maeze en
Schrijnen Graatheide (z.j.)
Schröder Scientific American (tijdschrift) aenpaelende Landstreeken (1779)
P. J. G. SCHELBERG, Woordenboek van het
Schwarz Sittards dialect etc. (19792) SLL S. BORMANS, E. SCHOOLMEESTERS en
J. H. SCHMIDT, Steinfeld, die ehemalige
Seppen Prämonstratenser Abtei (1951) E. PONCELET, Cartulaire de l’église Saint-
SFS W. SCHOPPMANN, La formation et le dévelop-
Shepard pement territorial du Duché de Limbourg du Lambert de Liège, 5 delen (1893-1913)
SHVIO XIe siècle jusqu’en 1288 [vertaling uit het
Sinninghe Duits - Entstehung und territoriale Entwick- Sloet L. A. J. W. SLOET, Oorkondenboek der graaf-
lung des Herzogtums Limburg vom 11. Jahr-
Simonis hundert bis zum Jahre 1288 - door schappen Gelre en Zutfen (1872-1876)
SittardBron F. PAUQUET, 1964]
SittardHG JOS. SCHRIJNEN, Nederlandsche Volkskunde I Smeets ”Van der Nyersen upwaert”, een bundel
(z.j.)
E. SCHRÖDER, Deutsche Namenkunde. opstellen over Limburgse geschiedenis aan-
Gesammelte Aufsätze zur Kunde deutscher
Personen- und Ortsnamen (1944) geboden aan drs. M. K. J. Smeets bij zijn
E. SCHWARTZ, Deutsche Namenforschung, I.
Ruf- und Familiennamen (1949). - II. Orts- afscheid als Rijksarchivaris in Limburg (1981)
und Flurnamen (1950)
G. SEPPEN en W. A. C. WALRAVEN, Stadjour Stadjournaal (Sittards weekblad)
Vreemdelingen en Grensbewaking I (1951)
Sächsischer Flurnamensammler [toelage bij: Stallaert K. STALLAERT, Glossarium van verouderde
Mitteldeutsche Blätter für Volkskunde]
L. SHEPARD, Encyclopedia of Occultism and rechtstermen, kunstwoorden en andere uit-
Parapsychology, 2 delen (1978)
Schriften des historischen Vereins für Inner- drukkingen uit Vlaamsche, Brabantsche en
Österreich
J. R. W. SINNINGHE, Limburgsch Sagenboek Limburgsche oorkonden I (A-H, 1890), II (I-
(1938)
Idem, Nederlands Sagenboek (1961) P, 1891-93); voortzetting P-W door
A. H. SIMONIS, De Windhoek van Gelre (1932)
Sittard, uit bronnen geput I en II (1993) F. DEBRABANDERE (1977)
A. H. SIMONIS e.a., Sittard, Historie en
Gestalte (1971) StdR Sittard tussen de Rails (maandblad voor de

wijk Sanderbout-Sittard)

Steenkool Steenkool (tijdschrift)

Steffens A. STEFFENS, Geschiedenis der aloude heer-

lijkheid en der heeren van ter Horst (1888)

St.Jansgel M. J. H. A. SCHRIJNEMAKERS, Sint-

Jansgeleen. Kasteel, hoeve en molens [Wat

Baek òs bud, nr. 9, 1985]

StMN Staatsmijnen Nieuws

Strijkers H. STRIJKERS, Zwerftochten door het Maas-

lands Verleden I (1982), II (1983), III (1987)

Idem, Feron is de naam. Drie eeuwen

familiegeschiedenis (1981)

Studio T. V. Studio (Vereniging Katholieke Radio

Omroep)

Sweykh F. HOOFS e.a., Sweykhuizen, dorp op de berg

(1989)

TA Trierisches Archiv (Trier, D.)

Tallman M. TALLMAN, Dictionary of American Folklore

(1959)

T&D Handelingen van de (Belgische) Koninklijke

Commissie voor Toponymie en Dialectologie

Tel De Telegraaf (dagblad)

Thieme Thiemes Künstlerlexikon

Thym Thymgenootschap (tijdschrift)

Tijd De Tijd (dagblad)

Toponymica Bijdragen en Bouwstoffen uitgegeven door

het Instituut voor Naamkunde te Leuven

442

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 443

[Onomastica Neerlandica] proces Antoon Fransen alias Van Heeswyck
(1995)
TrBGAS Transactions of the Bristol and Gloucester- A. VERKOOREN, Inventaire des Chartes et
Cartulaires des Duchés de Brabant et de
shire Archaeological Society Verkooren Limbourg, Partie I, 8 delen (1910-23), Partie
II, deel 2: 1312-1383; deel 3:1383-1395
Tromp De Trompetter (weekblad voor Sittard en VerledLand J. H. F. BLOEMERS, L. P. LOUWE KOOIJMANS
en H. SARFATIJ, Verleden Land. Archeo-
omgeving) Verlinden logische opgravingen in Nederland (Amster-
dam, 1981)
TsHKVGel Tijdschrift van de Heemkundevereniging Verwijs CH. VERLINDEN, Les origines de la frontière
VHVOR linguistique en Belgique et la colonisation
Geleen VL franque (1955)
VMKAWL E. VERWIJS en J. VERDAM, Middelnederlands
TsKNAG Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Woordenboek III (1894) en V (1910)
VMOVR Verhandlungen des historischen Vereins von
Aardrijkskundig Genootschap Oberpfalz und Regensburg
VO Le Vieux Liège (Belgisch tijdschrift)
TsMKSw Tijdschrift van het Mannenkoor St.-Caecilia, Voeten Verslagen en Mededelingen der Koninklijke
Akademie van Wetenschappen, afd. Letter-
Sweykhuizen VolkskBull kunde
Volkskr Verslagen en Mededelingen van de Vereniging
TsSG Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis Voorl.Lijst tot uitgaaf der bronnen van het Oud-vader-
landsche Recht
Tumler M. TUMLER, Der Deutschen Orden. Von Vries Verzamelde Opstellen (tijdschrift Hasselt, B.)
J. H. F. BLOEMERS e.a., Voeten in de aarde.
seinem Ursprung bis zur Gegenwart (1986) VROA Een kennismaking met de moderne Neder-
Vromen landse archeologie (1993)
Tummers P. L. M. TUMMERS, Romaans in Limburgse Wampach Volkskundig Bulletin
De Volkskrant (dagblad)
Aardrijkskundige Namen (1962) Waugh Voorloopige Lijst der Nederlandsche Monu-
WBDV menten van Geschiedenis en Kunst, 2 delen
Tunis E. TUNIS, Colonial living (1957) (1926)
Welters J. DE VRIES, Etymologisch woordenboek
TW M. GYSSELING, Toponymisch Woordenboek , (1958)
Idem, Woordenboek der Noord- en Zuid-
2 [doorlopend genummerde] delen (1960) Nederlandse plaatsnamen (1962)
Idem, Nederlands Etymologisch Woorden-
TwdEeuw A. BRUIJN en E. H. BUNTE, Tweeduizend boek (1963-1971)
Verslag van ’s Rijks Oude Archieven
eeuwen Nederland (Den Haag, 1961) W. J. VROMEN, Ernst en humor in het
Limburgse boerenleven (1948 en 1976)
UEV Uit Eijsdens Verleden (tijdschrift) C. WAMPACH, Urkunden- und Quellenbuch
zur Geschichte der altluxemburgischen Terri-
UKV Uit Kerkrade’s Verleden. Opstellen uit- torien bis zur burgundischen Zeit, 10 delen
(1935-1955)
gegeven bij gelegenheid van het 350-jarig A. E. WAUGH, Sundials. Their theory and
construction (1973)
bestaan der schuttersbroederschap St.- Wörterbuch der Deutschen Volkskunde,
begründet von O. A. ERICH und R. BEITL
Sebastianus (1967) (19813)
H. WELTERS. Limburgsche Legenden, Sagen,
Uitkijk De Uitkijk (Heerlens weekblad) Sprookjes en Volksverhalen I (1875), II
(1876)
Uyttenbroeck H. H. UYTTENBROECK, Bijdragen tot de Idem, Feesten, zeden, gebruiken en spreek-

geschiedenis van Venlo III. Het Dagboek of

De Kroniek (1912)

VATL Verslagen en Mededelingen van de Konink-

lijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letter-

kunde (Gent)

VdVen D. J. VAN DER VEN, De haard in ons volks-

leven (z.j.)

VdVenne J. M. VAN DE VENNE (ed.), Limburgse

Wapens (1925)

Idem, Geschiedenis van het Kasteel van

Valkenburg, zijn Heren en hun Drossaarden

(1951)

Veldeke Veldeke. [Aanvankelijk:] Orgaan van

V.E.L.D.E.K.E. Vereniging tot instandhouding

en bevordering der Limburgse dialecten.

[Thans:] Tijdschrift voor Limburgse Volks-

cultuur

Venken J. VENKEN, Het zwarte gild van de Bokke-

rijders (1981)

Venrooy J. W. VAN VENROOY en H. S.M. J. BROUWER,

De Landgraaf (1981)

Verbesselt J. VERBESSELT, Het parochiewezen in Brabant

tot het einde van de 13e eeuw I (1950)

Verdam J. VERDAM - C. H. EBBINGE WUBBEN,

Middelnederlandsch Handwoordenboek

(1961)

Verheyen H. VERHEYEN, Bokkerijders in Bree. Het

443

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 444

Welters A. woorden in Limburg (1877)
WFUB AD. WELTERS, Kluizenaars in Limburg
WH (1950)
Westfälisches Urkundenbuch
White Westerheem. Tweemaandelijks tijdschrift van
Willems de Archeologische Werkgemeenschap voor
Willemsen Nederland (Schagen)
LYNN WHITE, Jr., Medieval Technology and
Witkamp Social Change (1964)
Witte W. WILLEMS, De vóór-Romeinsche urnen-
velden in Nederland (1936)
Woonstede M. WILLEMSEN, Verhaal der Mirakelen van de
HH. Marcellinus en Petrus, Martelaren, door
Wouters de kanunniken van St. Servaas te Maastricht
ZAGV in het jaar 828 beschreven (1890)
ZCK P. H. WITKAMP, Aardrijkskundig Woorden-
Zinner boek van Nederland (z.j.)
F. WITTE, ”Van een Godlooze bezwoorne
bende nagtdieven en knevelaers”. Een anthro-
pologische studie van de bokkerijders-
processen in het 18de-eeuwse Limburg
[Doctoraal proefschrift, Amsterdam, 1985]
De woonstede door de eeuwen heen -
Maisons d’hier et d’aujourd’hui (Belgisch
tijdschrift)
H. H. E. WOUTERS, Grensland en Brugge-
hoofd (1970)
Zeitschrift des Aachener Geschichtsvereins
(Aken, D.)
Zeitschrift für Christliche Kunst (Düsseldorf,
D.)
E. ZINNER, Deutsche und Niederländische
Astronomische Instrumente des 11.-18.
Jahrhunderts (1972, unveränderter Nach-
druck der zweiten, ergänzten Auflage 1967)

444

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 445

Intekenlijst

Aalbregt, W.C.L.G. Nieuwstadt Cremers, J.R. Geleen
Aelfers, G.A. Geleen Cremers, J.W.M. Geleen
Adriaanse, J.M.J. Schinnen Cremers, P.T.M. Sittard
Aerssens, G.J. Geleen Cuypers, P.H.G.M. Geleen
Akker, R. Op den Maastricht Daemen, P. Geleen
Albert Schweitzer Scholengemeenschap Geleen Damoiseaux, M. Geleen
Aleman, P. Geleen Daniëls, P. Aachen (D.)
Archief Lindenheuvel Geleen Delarue, L.C.P. Geleen
Arets, J.M.H.J. Limbricht Deneer, H.H.M. Geleen
Baggen, H.M.G. Geleen Derhaag, F.J.M. Beek (L.)
Baggen, J.M.M. Sittard Dewaide, J.A. Susteren
Baggen, L.R. Geleen Didden-Thehu, G.L.M. Eijsden
Baggen, P.O. Geleen Dohmen, H.G. Geleen
Bakker, K.S. Geleen Dohmen, J.A.G. Geleen
Bartholomeus, P.H.J. Roden Dohmen, L. Munstergeleen
Beaumont, G.M.G. Geleen Dohmen, L.H. Oirsbeek
Beaumont, K.G.J. Rotterdam Dols, H.J. Geleen
Beks, C.J.G. Geleen Donners, J.C.M. Geleen
Bemelmans, A. Geleen Dorssers, G.J.M. Maastricht
Berendsen, B.C.M. Spaubeek Dorssers, P.G.H. Stein (L.)
Berg, D.I.L. van den Geleen Dortants, J.M.G. Oirsbeek
Beter Wonen, Stichting Geleen Dortants-Boshouwers, F. Oirsbeek
Openbare Bibliotheek Beek Beek (L.) Driesprong, B.S. De Geleen
Openbare Bibliotheek Schinnen Schinnen Driessen, R. Peer (B.)
Rijksdienst v.d. Monumentenzorg, Bibl. Zeist Drissen, P.L.M. Geleen
Bijlmakers, P.J.H. Sweikhuizen Duizendpoot , O.B.S. De Geleen
Birx, J. Geleen Edelhausen, R.L.M. Munstergeleen
Blezer BV Bouwbedrijf Geleen Eyssen, J.E.H. Geleen
Bloebaum, P.J.K. Merkelbeek Erkens, A.G. Geleen
Bonnet-Vugts, C.H.H.M. Maastricht Erkens, B. Geleen
Boom, Boekhandel & Antiquariaat Roermond Erkens, J.A. Geleen
Bos, A. Geleen Es, M.J.F.M. van Geleen
Boselie, drs. P.H.M. Sittard Eurlings, P. Grevenbicht
Brand, J. Brunssum Eussen, J.J.M. Geleen
Breikers, H. Geleen Eussen, L.F.M. Geleen
Broek, ing. H.J.G. Op ‘t Stein (L.) Even, L.J. Geleen
Broeks, F. Geleen Faessen-Diederen, A.L.J. Geleen
Bronneberg, J.J.M. Sittard Faust, R.H.M. Geleen
Brouns, L.J.F. Munstergeleen Feron, F.P.C. Spaubeek
Brouwer, A. Geleen Feron, J.E. Ontario (Can.)
Bruin, J.M. de Geleen Feron, J.F.D. Geleen
Buren, F.H. van Sweikhuizen Feulen, F.G. Maasmechelen (B.)
Burgers, W.S. Geleen Fleré, E.C.M. Geleen
Burlet, H.J. Geleen Franck, P.M.E. Landgraaf
Buskens, A.J.M. Geleen Franssen, J. Voerendaal
Buskens, J.A.G.M. Munstergeleen Fresen, R.P.A.M. Sittard
Buskens, W.J.G.M. Spaubeek Fritchy, G.J.M. Geleen
Cals, J.T.L. Spaubeek Gaans, B.G.M. van Sittard
Camp, mr. H.W.M. Op den Geleen Geel, van E.A. Geleen
Chorus, M.C.G.A. Urmond Geilen, L.G.A.J. Geleen
Clerkx, G.J.H. Geleen Gelissen, J.H.J. Schinnen
Cobben, H.P.M. Beek (L.) Gemeente Geleen Geleen
Cobben, J.J.P. Geleen Gem. Archiefdienst Sittard Sittard
Colaris, W.J.J. Epe Genders, H.M. Geleen
Corstjens, J Meeuwen-Gruitrode (B.) Geo Consult Holding Hoensbroek
Corten, A. Welten-Heerlen Geraerts, M.A. Puth
Corvers Geleen Gerwen, G.C.M.J. van Geleen
Coumans, H.J. Stein (L.) Geurts, A.F.M.P. Geleen
Coumans-Gielkens, ir. E. Nieuwerkerk a.d. IJssel Geurts, M.J. Geleen
Cremers, J.J.F. Sittard Geurts, P.H.W. Geleen

445

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 446

Gielen, K.L.H.J.M. Geleen Keulers, J.P. Munstergeleen
Gielkens, G. Geleen Keulers, P. Beek (L.)
Gielkens, I. Beets (N.H.) Keulers, P.C.G. Geleen
Gielkens, drs. J. Heerlen Keulers, P.J.A. Stein (L.)
Gielkens, ir. J.W. Geleen Keulers, W.J.M. Munstergeleen
Giesberts-Mulder, M.J.M. Geleen Kitzen, H.C. Geleen
Godschalk, P.C.E. Geleen Klaver, J.M. de Geleen
Goedkoop, M. Dordrecht Klaver-Ridders, F.W.M. de Geleen
Goessens, M.H.E.M. Geleen Klinkers, J.M.H.H. Geleen
Goffin, Th. Nijmegen Knarren, W.M.G. Schinnen
Gramtinne, A.J.A. Geleen Knops, P.W.K. Geleen
Habets, J.M. Spaubeek Kocken, H.P.T. Geleen
Halderit, H.C.M. Geleen Konings, W.F.L. Maurik
Hamers, J.H.H.M. Sittard Konings, W.H. Geleen
Hamers, J.H.M.G. Beek (L.) Korevaar, J.J. Geleen
Hamers, P.M.E. Geleen Koten, J.H.M. Sittard
Hamm-Rijsdijk, V.G.H.A. Geleen Koumans, W.C.J. Geleen
Hautvast, J.G.M. Spaubeek Kremers, F.A.E. Geleen
Heemkunde Vereniging Beek Beek (L.) Kubben, G. Munstergeleen
Heemkunde Vereniging Gaöl Geleen Kubben, J.C.P.M. Munstergeleen
Heffels, J.M. Geleen Kugler, R. Geleen
Heffels, M.L. Maastricht Kuizinga, drs. S.P. Baarn
Heijden, J.A. van der Geleen Kusters, J.G.M. Geleen
Heyen, J.P. Eckelrade Kuypers-Hoeberichks, S. Bunde
Heygelen-de Boer, A. Geleen Last, J.H.M. Heerlen
Heijnders, J.H.H. Geleen Lauwers, D.J.J. Sittard
Heijnen-Gorissen, M.Th.G. Geleen Lemans, J.M.J. Spaubeek
Heiligers, F. Geleen Lemmen, J.G. Geleen
Hendriks, J.M.E. Stein (L.) Lemmens, H.J.A. Geleen
Hendrix, L.J.M. Geleen Lemmens, L.A. Beek (L.)
Hennekens, J.M.J. Geleen Lemmens, L.L.M. Urmond
Hermens, P.A.J. Geleen Lemmens, W. Geleen
Hettinga, J.R. Geleen Lemmens, Z. Urmond
Heunks, A.M.A. Geleen Leufkens H. Geleen
Heunks, R.A. Geleen Leunissen-van Kempen, J.G.M. Geleen
Heur, L.M.J. van Geleen Liedekerken, L.G. Schinnen
Heusschen, W.A. Geleen Lienaerts, L.L. Geleen
Heutmekers, J.M. Beek (L.) Lieshout, A.M. van Geleen
Hinsberg, J.G. van Ulestraten Linde, W. van der Urmond
Hoen, J.H.M. Beek (L.) Linssen Geleen
Hoogenboom, H Geleen Linssen, dr. C.A.A. Groningen
Hoogenboom, J. Geleen Locke, J.H.A. te Geleen
Hoofs, E.J.M. Geleen Loo, A.J. Geleen
Hooft, M. Geleen Luyten, H.F.C. Geleen
Houben, G.J. Susteren Luyten-Grzempowski, A.V. Geleen
Hovens, F.E.R. Maastricht Maas, S. Geleen
Hovestreydt, G. Geleen Maaskentj De, Stichting Geschiedkunde Geulle
Hügel, L. Stein (L.) Maassen, G.H. Sittard
Huntjens, H.G. Beek (L.) Macco, dr. ir. A.A. Elsloo (L.)
Jacobs, A.P.J. Hoensbroek Masthoff, P.M.H.M. Geleen
Jacobs, H.L.J. Geleen Matthijsen, H.L.F. Geleen
Jacobs, J.W.H. Beek (L.) Meewis-Stans, E.J.L. Geleen
Jansen, T. Elsloo (L.) Meijs, A.H.M. Spaubeek
Janssen, A.M.P.T. Sittard Mengelers, J.F.M. Spaubeek
Janssen, J.A.W. Geleen Mennens, T. Beek (L.)
Janssen, L.M. Buchten Mevis, L.H.E. Spaubeek
Janssen, P.A.M. Geleen Mevis, W. Puth
Janssen, P.R. Beek (L.) Moers, J.J.M.P. Susteren
Janssen-Dieteren, J.E.H. Geleen Mooijman, J.W.M. Plasmolen
Kallen Raeven Groep Geleen Moorer, W.T. Brunssum
Kamp, H.J. Op den Munstergeleen Mourik, J. van Geleen
Kamp-Salden, P.M. Op den Geleen Muller-van Hinsberg, R. Ulestraten
Kerckhoffs, drs. J.H.H. Spaubeek Niederer, A.J.M. Geleen
Kerff, W.C. Geleen Niesten, J.M.V. Geleen
Kerkbestuur O.L.A.B. Geleen Nieuwhof, C.C.W. Geleen
Keulen, E.T.P. Geleen Nijssen, F. Maastricht
Keulers, J.E. Venlo Nijssen, R.J.M. Geleen

446

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 447

Nijsten, J.G. Wessem Sliepen, ing. W.L.A.G. Geleen
Nijsten, J.W. Geleen Slot, drs. A.J. Valkenswaard
Nillesen-Meertens, A.E.L. Eys Slot, R.J. Arensgenhout
Nohlmans, J.G.E. Sittard Stadsbibliotheek Maastricht Maastricht
Noteborn, J.M.M. Geleen Stals, J. Geleen
Nunen, W.H. van Geleen Stals, M. Geleen
Ottermans, R.J.E. Limbricht Stals-Faust, A.J.M. Belfeld
Oldenbeuving, G.L.J. Elsloo (L.) Stapelvoort, H.A. Geleen
Ortjens, W.J.H. Geleen Stevens, A.J.W. Maastricht
Paas, M.Chr.E. Munstergeleen Stevens, D.M.P.M. Geleen
Paes, J.M. Huy Stevens, H.J. Spaubeek
Paland, G.J.N. Emmen Stevens, J.J.M.H. Geleen
Patelski, A.S.M. Klimmen Stevens Kwaliteitsbakkerij Stein (L.)
Pauly, H.J.M. Geleen Stevens, W.G. Geleen
Paumen, M.S.L. Geleen St. Inst. voor Genealogie & Streekgesch. Roermond
Peeters, L. Munstergeleen Storms, F.J. Geleen
Penders, H.J. Geleen Strijdonk, P.P.C. Beek (L.)
Penders, H.J.G. Geleen Strijkers, J.H. Berg aan de Maas
Penders, J. Neerbeek Stroeks, A. Nieuwstadt
Penders, P.G.M. Buren (Gld.) Swilden, H.J. Geleen
Penners, L.G.M. Son en Breugel Thissen Installatie Techniek BV Geleen
Pepels Stein (L.) Tielens-Knoups, A. Sittard
Pepels-Heller, M. Geleen Tijssen, E. Geleen
Pernot, P.S. Den Haag Tillmans Geleen
Peters, M.G.J.M. Geleen Tuik, R. Geleen
Peters-Bijlmakers, drs. M.P. Geleen Tummers, J.J.G. Geleen
Petitjean-Boesten, J.M.J. Geleen Tummers, J.J.M. Puth
Pieters, F.A.J. Geleen Vandewal, Y. Zwevegem (B.)
Pijls, F.H.M. Gennep Velden, W.H.R. van der Geleen
Pinxt-Rutjens, H.C. Geleen Verboeket, P.J.H.M. Geleen
Polak, A.A. Roosendaal Verbruggen-Tegelaars, T. Geleen
Povsé & Partners BV Architektengroep Geleen Verhoef, W. Geleen
Prop, J.M.G. Geleen Verstegen, B. Sittard
Quadakkers, J.G.M. Munstergeleen Vesters, P. Geleen
Quix-Proosten, M.C.H. Geleen Visschers, drs. W.G.H. Geleen
Ramakers, F.H.M. Geleen Vleeshouwers, J.M.E. Munstergeleen
Ramakers, J.G.M. Geleen Vlugt, A. Geleen
Raven, P.J. Geleen Voets, E.J.H. Geleen
Richter, M.M.G.M. Linne Vossen, P.F.J. Geleen
Monumentenzorg, Rijksdienst Zeist Vrehen, J.H.H. Geleen
Rijs, Th.P.G. Geleen Vries, J.J. de Spaubeek
Roelofs, J. Beek (L.) Vroomen, H.W.J. Geleen
Römers, J.G. Geleen Vroomen, L.J. Geleen
Ronckaerts, J.J. Geleen Vroomen, R.J.P.M. Echt
Rutten, J.W.E. Geleen Waelpoel, B.L.M.A. Geleen
Salden, P.M.H. Geleen Wanders, J.W.M. Geleen
Salimans, W.H. Heerlen Wauben, J.L.G. Geleen
Scheer, dr. J.C. Geleen Wauben, P.J.G. Beek (L.)
Schenk, M.F.P.A. Geleen Weert, L.T.J. van Geleen
Schiffelers, J.H. Amstenrade Wiertz, J.F.G.M. Geleen
Schoenman-v. Lie, A.M. Geleen Willems, H.E.R.M. Maastricht
Schols-Kösters, M.A.H. Amstelveen Willems, H.H.M.G. Geleen
Schlösser, H.K. Geleen Willems, dr. J.H. Bilthoven
Schreurs, J.W.M.H. Geleen Willems, J.P.H.M. Geleen
Schröeder, H.A. Geleen Willems, P.G.M. Geleen
Segeren, J.G.M. Geleen Willems, P.H.A.M. Geleen
Sipkema, R. Geleen Wilms, H.L.P. Geleen
Smeets-Keulers, A. Geleen Wolters, A.J.N. Geleen
Smeets, J.F. Geleen Wolters, L.J.M. Rosmalen
Smeets, P.T.H. Geleen Woning, P.H. v.d. Geleen
Smeets & Zonen Orthopedie Schoentechniek Geleen Wouters, J.P.H. Voerendaal
Smits, J.J. Geleen Zinken, M.W.H. Sittard
Smulders, E.T. Geleen Zwart-Habets, C.F. Geleen
Sociaal Historisch Centrum voor Limburg Maastricht
Spanjaard Boekhandel BV Geleen
Spronck, L.S.J.M. Maastricht
Spronken, J.H. Geleen

447

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 448

COLOFON

”Geschiedenis van Geleen”, deel I, werd uitgegeven door de Stichting Cultuur-Historische Uitgaven Geleen.
Copyright tekst: prof. dr. M. J. H. A. Schrijnemakers

Eindredactie: redactiecommissie SCHUG, voorzitter H. Leufkens
Vignet stofomslag: J. A. Zwaan

Druk: drukkerij Econoom bv, Beek (L.)
Oplage: 1200 exemplaren

De Stichting Cultuur-Historische Uitgaven Geleen is dank verschuldigd aan de gemeente Geleen, DSM Limburg,
RABObank Geleen en Boekhandel Spanjaard bv voor hun financiële hulp bij het totstandkomen van het werk.

ISBN 90-73096-08-1
448


Click to View FlipBook Version