The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Jan Toonen, 2022-04-12 13:29:38

deel 1

Keywords: Heemkunde Geleen

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 101

24 december 1764 aan prins Claude Lamoral II de Ligne
verkochten <LvO nr. 933. - PSHAL 1885, 24-25>. De molen lijkt
echter nauwelijks de koopprijs van 6.300 gulden waard te
zijn geweest, want toen ze in 1776-1779 door prins Charles
de Ligne te koop werd aangeboden, stond in een van de
advertenties: ”Daer bevind sig op den selven waeterstroom
tot Daniken een bequaeme plaetse tot eenen Oliemolen, die
’t seder eenige jaeren niet en werkt” <LvO nr. 1227>.
Als gevolg van genoemde aankoop in 1764 hadden de olie-
molen en de graanmolen van Daniken sedertdien dezelfde
eigenaar. En dit vond zijn weerslag in het pachtcontract, dat
de weduwe van Gerard Zelis en haar zoon Jan Mathijs Zelis
ten aanzien van de graanmolen op 28 mei 1776 sloten;
daarin stond dat daarbij tevens waren inbegrepen ”de acker-
landen, weijden ende bempden, gaerden ende houtgewas
van de olie molen, daer neffens gelegen gelijck deselve altijt
annex sijn geweest aen voors[chreven] olie moelen” <AKA>.

3. Het Graetbos, later de Graetheide

Binnen de eigenlijke grenzen van het kerspel Geleen lag
slechts weinig gemeenschappelijke grond. Zo werden in
1555-1569 twee pesschelkens [= kleine grasplaatsen] vermeld,
die gemeyn, d.w.z. publiek bezit, waren. Een daarvan lag
langs de weg van Oud-Geleen naar Ten Eijsden en het
andere tussen die hoeve en de Biesenhof aan de Geleenbeek
<PSHAL 1898, 337>. Beide bleven tot in onze tijd bestaan; het
eerste werd door de Geleners ”Driekentjig köälefke”
[= Driekantig koolhofje] genoemd.

De ”gemeinde” Het zuidelijk deel van de Graetheide - tussen Beek, Geleen en
Sittard aan de oostzijde en Elsloo, Stein, Urmond en Berg aan
Reeds vroeg trokken Geleners grote delen van het woud de westzijde - circa 1800. Linksboven ligt de Wels(ch)en
tussen de Maas en de Geleenbeek - hetzij als bos hetzij in Heuvel, thans Heksenberg genoemd. In de late Middeleeuwen
ontgonnen toestand - binnen hun rechtsgebied. [Grote reikte de Graetheide tot bij de huizen van Krawinkel en
gedeelten van die ”genaaste” grond blijken later in het bezit Lutterade. De aanduiding ”Groenseykerweg” (in grote letters) is
van de Heren van Valkenburg te zijn.] Inwoners van niet geheel juist. Dat is de naam van de weg, die midden tussen
sommige naburige plaatsen deden hetzelfde. Doch ondanks de dorpen Krawinkel en Lutterade, parallel met hun
die toe-eigeningen van alle kanten, bleef er in het midden Dorpstraten, van oost naar west loopt en hier aan de Napoleon-
een uitgestrekt stuk woud liggen, dat aan geen enkel kerspel baan (”Chemin de Maesricht à Sittard”) uitkomt. Ter plaatse
toebehoorde, maar waarop alle omliggende kerspels gelijke van de vermelding ”Groenseykerweg” (in grote letters) kwam de
gebruiksrechten konden doen gelden. Dit ”niemandsland” Staatsmijn Maurits. De veldnaam Kievit (ten westen van
was het Graetbos. Crawinckel) is vermoedelijk een verbastering van Qui vit, een
Omwille van het gemeenschappelijk gebruik van dit centrale wachtwoord voor Franse militairen <Tranchotkaart>.
gedeelte werd het ook gemeinde genoemd. Dit woord werd
evenwel niet steeds in dezelfde zin gebruikt. Soms duidde bebost. Maar omdat men daaruit niet alleen dood doch ook
men daarmee zowel in de enkelvouds- als in de meervouds- heel wat levend hout weghaalde, werd de bebossing steeds
vorm de gezamenlijke veertien kerspels als deelgenoten in dunner. En toen die uitdunning een peil had bereikt, dat
het Graetbos aan. Zo was er b.v. sprake van het aanstellen men niet langer van een echt ”bos” kon spreken, ging men
van een boswachter door ”de ganze gemeinde van den XIV van Graetheide spreken. ”Heide” bevatte geen rechtstreekse
kirspelen” en van ”die rechten, die die gemeinden op den
bosch hebben”. Daarnaast werd met dat woord ook de
gemeenschappelijke weideplaats aangeduid. Hier zal het
slechts in deze laatste zin worden gebruikt.
Die gemeinde het Graetbos bleef tot in de Middeleeuwen

101

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 102

verwijzing naar heidestruiken, maar was een in deze streken halen. Wie zich op andere tijden met paard en kar naar het
gangbaar woord voor een sterk uitgedund bos, dat als weide- Graetbos begaf om daar hout op te laden, moest zijn
plaats voor vee werd gebruikt. aanwezigheid kenbaar maken, opdat de boswachters zich
De onjuiste bewering door R. C. HEKKER, dat de veertien daarvan bewust zouden zijn, nl. onder het kappen moest hij
kerspels rondom het Graetbos onderling door een soort ring- luid roepen, terwijl hij bezig was met opladen moest hij
weg verbonden zouden zijn geweest <Dorp, 22>, berust op een [luidop] bidden en als hij daarna met zijn vracht voortreed
verkeerde interpretatie van een welbekende kaart, die de moest hij fluiten (art. 5). Een huis, dat met uit het Graetbos
Sittardse archivaris J. OFFERMANS met een beetje te veel afkomstig hout was gebouwd, mocht niet worden afgebroken
fantasie had ”geadstrueerd”. en buiten de kerspels worden verkocht (art. 14). Zodra de
Heer van Born mocht zien of vernemen, dat het Graetbos
Het ”Bescheyt van den Graet” (veertiende eeuw) ”verfylt ofte schangen geyt”, d.w.z. vervalt of ernstig bescha-
digd [”versjangeleerd”] wordt, zou hij het - in overleg met de
De veertien omliggende kerspels bezaten en regelden het veertien kerspels - gedurende drie of vijf jaren ”te vreden
vrije en onafhankelijke gebruik van het Graetbos. In de loop leggen”, d.w.z. zou er gedurende die tijd geen hout mogen
der eeuwen waren daarover bepaalde tradities ontstaan en/of worden gehaald (art. 9, 10 en 11).
onderlinge afspraken gemaakt, die klaarblijkelijk van genera-
tie op generatie werden overgeleverd. Toen het bos dreigde te De hout- of bosgedingen
vergaan, werd een aantal rechten en plichten schriftelijk vast-
gelegd; daarin werd tevens bepaald, dat de Heren van Born In de artikelen 9 en 17 was er sprake van een zogenaamd
als het hoogste gezag de nodige maatregelen mochten ”houtgeding”. Ofschoon in het ”Bescheyt” hout als ”hout”
nemen, ”dat der bosch niet verganckelyck en worde”, d.w.z. en bos als ”bosch” werden aangeduid, was een ”houtgeding”
niet zou vergaan. toch een ”bosgeding”, d.w.z. een geding over het Graetbos;
Dat reglement staat als het ”Bescheyt van den Graet” ook nadat dit bos grotendeels of geheel was verdwenen, bleef
bekend. Op grond van een analyse van zijn inhoud en zijn men ”houtgedingen” houden. Bij sommige gelegenheden
context en een vergelijking met het ontstaan en de aard van werd het bos of de heide door achtentwintig mannen, nl.
”woudgenootschappen” te Echt, rond de Meinweg [ten twee uit elk der veertien kerspels, geïnspecteerd om te zien of
oosten van Roermond] en in de omgeving van Aken, kan men zich had gehouden aan het verbod van ontginnen en
worden geconcludeerd dat dit Bescheyt op zijn vroegst in de aan het voorschrift tot handhaven van de ”[hei]graven”, die
tweede helft van de veertiende eeuw werd opgesteld <HJLvZ op de grenzen van de diverse kerspels en het bos of de heide
1988, 116-120>. Deze conclusie wordt nog versterkt door het waren aangelegd.
feit, dat de ”Contschap van den Walt ende Broick tot Echt” De Geleense secretaris Sander van den Hove noteerde, dat in
[uit het midden van de veertiende eeuw] ten overstaan van het houtgeding elk kerspel door twee personen werd
”heren Walraven van Borne den drossit” [= drossaard van vertegenwoordigd; bijgevolg sprak hij van ”den XXVIIJ
Montfort] werd te boek gesteld <Habets 1891, 351>. Die gekoeren [= gekozen] mannen” of ”den XXVIIJ gedepu-
drossaard was immers niemand anders dan Walram van teerde mannen uuten XIIIJ kerspellen”, die onder het voor-
Valkenburg, die rond 1350 Heer van Born, Sittard en zitterschap van de ambtman [= drossaard] van Born de
Susteren was. gezamenlijke belangen ten aanzien van het Graetbos of de
Het oorspronkelijke Bescheyt bevatte twintig artikelen <Habets Graetheide bespraken. Op het houtgeding van 1566 werd
1891, 381-396>, waarvan de meeste het behoud van het bos, Geleen door genoemde Sander van den Hove en schepen
vooral de bescherming van keurhout, nl. eiken-, beuken- en Gielis Custers, halfer op de hoeve Kemenade, vertegen-
lindebomen, beoogden. Zelfs de Heer van Born mocht woordigd. Aanvankelijk hadden die bijeenkomsten plaats op
slechts ”kamerbrandt” voor zijn kasteel uit een klein de centraal gelegen Roorsack of Reursack <Habets 1891, 393. -
afgezonderd gedeelte, het zogenaamde Vrijbos, halen (art. 3). PSHAL 1898, 349-352>, die nadien Welschenheuvel werd genoemd
Elke parochiegeestelijke van de veertien kerspels mocht met en thans Heksenberg heet.
Pasen, Pinksteren, Allerheiligen en Kerstmis telkens een
wagen groen hout halen. Als dankbetuiging moesten zij elke Algemene koeweide,
zondag in de kerk voor de zielenrust van koning Sanderbout maar afzonderlijke schapenweiden
en diens echtgenote ”bidden ende doen bidden” (art. 4).
Eenieder, die in een van de veertien kerspels woonde, mocht Een gevolg van de ontbossing was een verandering in de
zich van hout voorzien; doch daarbij moest een stel voorschriften voor de ”beweiding”. Zolang er nog een
beperkende regels worden in acht genomen. Op de eerste voldoende aantal eiken- en beukenbomen hun vruchten
plaats mocht hij er geen keurhout halen. Verder was het afwierpen, konden de omwonenden aldaar in de herfst hun
verboden om op speciale tijden, zoals ”ten ontyt” [= bij varkens hoeden, juist zoals dit in het Echter bos het geval
onweer] (art. 8), ’s nachts of op zondagen en geboden was <Habets 1891, 353, 358-359 en 379>. Maar toen tussen die
[= verplichte] feestdagen (art. 13) enig hout uit het bos te bomen kale plekken ontstonden, kon daar gras en allerlei

102

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 103

gewas groeien en ontstonden weideplaatsen voor schapen en verzoek door de pastoors (Van) Gressenich en Van Antwilre
koeien. gezegeld.
Volgens een notitie van 29 juni 1536 was op het vorige
geding bepaald, dat elk kerspel een bepaald gedeelte van de Gipsafdruk van het schepen-
gemeinde voor het weiden van zijn eigen schapen moest zegel van Geleen aan een
afpalen en reserveren. Daardoor wilde men het jonge hout oorkonde uit 1503.
beschermen, want schapen, die alle groen afknabbelen, De twee ronde vormen zijn de
geven aan de boomscheuten geen kans <Habets 1891, 396-397>. hoofden van de patroon-
Die beperkingen golden echter niet voor het weiden van heiligen Marcellinus en Petrus
koeien. Dat werd circa 1544 nog eens uitdrukkelijk vast- <Grauwels, OB, nr. 498>.
gelegd. Op het houtgeding van 10 juni 1566 - niet 1556,
zoals EVERSEN schreef, want de Geleense secretaris, die dit De voogd of plaatsvervanger van de landsheer
feit optekende, vermeldde het jaar XVcLXVI - werd besloten Tijdens de periode van 1201 tot 1558 was de autoriteit van
om de vroeger aangebrachte afscheidingen, waarbinnen elk de Geleense schepenbank vrij beperkt. De rechtspraak was
kerspel zijn eigen schapen diende te hoeden, te handhaven toen in handen van de landsheer, die in heel zijn gebied
en ook de bepaling van circa 1544, waarbij het weiden van zowel de civiele als de criminele rechtspraak door zijn eigen
koeien door de inwoners van elk kerspel over het hele gebied vertegenwoordigers liet waarnemen <Habets 1891, 161-162>. In
werd toegestaan, opnieuw te bevestigen <PSHAL 1898, 349-350>. 1257 sprak Dirk II van Valkenburg van advocatus noster
[= onze voogd] te Geleen. Dit werd in diezelfde oorkonde
4. Plaatselijk bestuur en rechtspraak verklaard als qui ibidem villici vices gerit, d.w.z. ”die aldaar de
functies van de schout [= meier of plaatsvervanger] waar-
Bestuurlijke instellingen en functies neemt” <Ernst VI, 19-20. - Russel 1860, 108>.
Tot aan de overgang van het Land van Valkenburg aan de
Het tweede deel bank [Frans: banc] van schepenbank en hertog van Brabant bezaten de hoofdbanken de hogere
”denckbanck” [= dingbank] had de betekenis van rechts- justitie, d.w.z. de rechtspraak over zware misdrijven. Nadat
gebied of jurisdictie <Stallaert, 117>. het graafschap Valkenburg in de tweede helft van de veer-
tiende eeuw aan de hertog van Brabant was gekomen,
De schepenbank of dingbank Geleen verdeelde deze de taken, die de voogd tot dan toe had uit-
Het dagelijks bestuur van het kerspel Geleen was in handen geoefend. De titel van voogd gaf hij aan de ”stadhouder”, die
van zeven schepenen. De oorspronkelijke betekenis van het het leenhof presideerde; dit leenhof was het hof van appèl
woord schepen was ”rechter”; die functie werd in de zin van voor de banken in civiele zaken en leenzaken. Daarnaast
”bijzitter bij het gerecht” door Karel de Grote ingesteld <Vries stelde hij een hoogdrossaard aan, die de criminele justitie
1963-1971, 615>. De schepenen van Geleen werden door de waarnam; bedrijvers van zware misdrijven moesten voor deze
Heer van Valkenburg uit de gegoede ingezetenen benoemd. laatste terechtstaan <LimVerl II, 83-86>.
Daartoe kwamen zij niet alleen omwille van hun persoon- In een in het Frans opgestelde oorkonde uit 1478 is er sprake
lijkheid maar ook wegens hun bezittingen in aanmerking. van de ”maire et eschevins” [= meier en schepenen] van
Dit laatste aspect bood immers een grotere materiële waar- Geleen <ASM-Urk. 456>. Met ”maire” zal wel de voogd bedoeld
borg voor de gewetensvolle uitoefening van hun taken dan zijn geweest, want uit niets blijkt, dat Geleen toen een eigen
een minder bedeelde kon verschaffen, want bij misbruik kon ”meier” of schout had. In 1555 trad Johan Koecx als voogd
de overheid of de gemeenschap eventueel geleden schade op van Valkenburg te Geleen op. Hij woonde niet te Geleen en
hen verhalen. nam diezelfde functie ook in andere plaatsen in het Land van
De schepenen vergaderden eens in de twee weken ’s morgens Valkenburg waar <PSHAL 1898, 336>.
op een werkdag in de woning van een van hen. Zo’n
vergadering werd in hun eigen notulen genachting genoemd. Onderbanken en hoofdbanken
Naast het waarnemen van het eigenlijke bestuur regelden zij De schepenbanken waren in lagere banken of onderbanken
ook lange tijd veel ”notariswerk”, zoals het passeren van en hogere banken of hoofdbanken verdeeld. Het Land van
koopakten, testamenten, boedelbeschrijvingen e.d. Het Valkenburg bestond uit de vier hoofdbanken Meerssen,
schrijfwerk werd verricht door de secretaris, die doorgaans Heerlen, Klimmen en Beek. De hoofdbank Heerlen, die
tevens een van de zeven schepenen schijnt te zijn geweest. reeds vroeg haar eigen schout had, werd pas in de tweede
Ofschoon de voogd en [later] de schout ambtshalve voor- helft van de veertiende eeuw bij het Land van Valkenburg
zitter van de schepenbank waren, schijnen zij toch niet gevoegd <LvH 1995, 129>. Een Beekenaar sprak in 1467 van
steeds aan de genachtingen te hebben deelgenomen. Omdat ”die IIII heut [= hoofd] benck van den lande van
de Geleense schepenen in de veertiende eeuw nog geen eigen
zegel hadden, werden verscheidene documenten op hun

103

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 104

Valckenborch” <PSHAL 1870, 24>. Geleen was een onderbank rechtszaken werden behandeld. Vermoedelijk hadden ze
van Beek. De vrij recente gemeente Onderbanken bestaat uit - althans bij gunstig weer - vlak bij de parochiekerk in de
plaatsen, die eertijds - tezamen met andere plaatsen - tot de openlucht plaats. Alle bezitters van laatgoederen in de
onderbanken van de hoofdbank Heerlen behoorden. schepenbank Geleen - zelfs als zij buiten het Land van
Van Geleen uit ging men in civiele zaken bij de hoofdbank Valkenburg woonden - waren verplicht om elk voogdgeding
Beek in hoger beroep. Maar Beek was weer een onderbank in Geleen bij te wonen.
van Meerssen <Slanghen 1859, 249>. Toen Geleen in 1558 tot Na 1569 ontbreken gedetailleerde gegevens over voogd-
heerlijkheid werd verheven, werd het beroep van haar gedingen. De overgeleverde naamlijst van de meer dan zestig
inwoners rechtstreeks naar de hoofdbank Meerssen ver- personen, die het ”voogdgeding” van 26 juni 1715 bij-
schoven. In 1609 werd dit weer opgeheven en ging men van woonden <LvO nr. 1507>, kan de indruk geven, dat die traditie
de heerlijkheid Geleen rechtstreeks te Valkenburg in beroep. tot in de achttiende eeuw werd onderhouden. Maar het tot
dat jaar volledig ontbreken van gegevens over zulke officiële
Het hof- en bankrecht van de schepenbank Geleen vergaderingen schijnt erop te wijzen, dat later slechts een
”voogdgeding” werd gehouden als er een speciaal gemeen-
Op de eerste bladzijde van het nieuwe schepenboek schreef schapsbelang moest worden besproken. Trouwens, daar zo’n
secretaris Sander van den Hove op 18 januari 1550 het ”geding” sinds 1558 te Geleen niet meer door een ”voogd”
volgende rijm: werd voorgezeten, was daar de benaming ”voogdgeding”
vanaf dat jaar eigenlijk een anachronisme.
”Eet ende drenck
Godts gedenck Openingstoespraak van de voogd
ende bewaer dijn eer Bij de opening van zo’n geding hield de voogd een toespraak.
du en hebs niet meer De bovengenoemde secretaris heeft daarvan een versie
om ende aen opgetekend <Russel 1860, 111-114. - PSHAL 1898, 337-338>, die in
daer mit daer van. verkorte vorm en in hedendaags Nederlands ongeveer als
Richt recht nae recht volgt luidt: ”Op deze officiële gedingdag verklaar ik vrede in
want Godt is dijn Here de naam van God, van de H. Maria, van alle heiligen, van
ende niet dijn knecht” <LvO nr. 1307>. onze patronen de HH. Peter en Marcellien, en ook namens
onze Heer [Arnold II Huyn], verder namens de leden van
Ook noteerde hij in een register, dat hij in 1546 aanlegde, het gerecht [”vaigtsgerichten”] en allen, die enige rechterlijke
het ”Hoeffrecht inde [= en] bankrecht der banck van zeggenschap hebben. Niemand mag spreken en een verzoek
Opgeleen”, waarin de van generatie op generatie over- indienen zonder daartoe de toestemming van de voogd en
geleverde plaatselijke voorschriften en gebruiken voor de van zijn verdediger te hebben gekregen. Wel zullen de
rechtspraak waren vastgelegd <LvO nr. 1234, folio’s 25vo - 29vo en schepenen hun zetels mogen verlaten om onderling te
46vo. - PSHAL 1898, 331-339. - JanssenLimp 1977, 562-567>. beraadslagen, zo vaak dit nodig zal zijn.
Ofschoon sommige van die notities na 1558, d.w.z. na de De voogd ontbiedt de laten, onderzaten en allen, die
verheffing van Geleen tot heerlijkheid - waarbij de plaatse- verplicht zijn dit voogdgeding bij te wonen, op straffe van
lijke Heer de hoge, middelbare en lage justitie verwierf - boeten [bij afwezigheid], zoals die vanouds toepasselijk zijn,
werden gemaakt, hadden zij ook op de voorafgaande periode teneinde te beraadslagen over kwesties van straten, limieten
betrekking. Zo zullen de vermelde geldelijke ”straffen en [”reynen”], afpalingen, vechtpartijen [”slaen”], slechte
boeten”, die aan de Heer van Geleen toekwamen, vóór 1558 waren, valse gewichten, waterlopen, molens, dorpsrechten
allicht eerst aan de Heer van Valkenburg en daarna achter- en alles waarbij de belangen van de Heer en de welvaart van
eenvolgens aan de hertog(in) van Brabant, de hertog(in) van de gemeenschap betrokken zijn... De voogd garandeert aan
Bourgondië en de koning van Spanje, verschuldigd zijn eenieder de vrijheid voor dit gerecht te verschijnen om recht
geweest. Ook stond het ”voogdgeding” van Geleen na 1558 te geven of recht te nemen... Die waarborg wordt echter niet
niet meer onder leiding van de voogd, maar van de schout of verleend aan misdadige personen, die zich hebben schuldig
van de plaatselijke Heer zelf. gemaakt aan landverraad, brandstichting, straatschennis,
beroving van kerk of kluis, moord, diefstal, verkrachting of
De voogdgedingen dergelijke vergrijpen; die personen zullen eerst hun gerechte-
Driemaal per jaar had een ”voogdgeding” plaats. Te Geleen lijke straf moeten ondergaan.
werden die kort tevoren door de gerechtsbode in de kerk Eenieder, hetzij geestelijke of leek, rijke of arme, zal op
aangekondigd, nl. op de eerste zondagen na ”Darthiendach” grond van zijn aangeboren rechten rechtvaardigheid ervaren.
[= Driekoningen = 6 januari], na ”beloecken Paysdach” De schepenen zullen ervoor zorgen, dat iemand, die wegens
[= Beloken Pasen = eerste zondag na Pasen] en na ”Sinte armoede zijn rechten niet kan handhaven en om vrije assis-
Remeysdach” [= feest van de H. Remigius = 1 oktober]. Zo’n tentie vraagt, gratis zal gediend worden, opdat de arme man
voogdgeding was een vergadering, waartoe de voogd ”ons geen nadeel zal lijden”.
ganss gemeynten by eyn roepen” deed en waarop allerlei

104

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 105

Het voorbrengen van klachten grond bezat, was aan de bode één garve graan verschuldigd.
Na die openingstoespraak vroeg de voogd of iemand over de Daarnaast had de bode ook nog andere beroepsinkomsten.
straten, wegen, stegen of voetpaden te klagen had. Zijn vraag Als hij beslag legde op koeien, die schade aan het eigendom
betrof niet zozeer de toestand van die wegen etc., maar van een ander hadden toegebracht, was de eigenaar van dat
veeleer of iemand zich door hun verloop of breedte tekort vee aan de bode voor elke koe een oortje [= 1/4 stuiver]
gedaan voelde. Zulke vragen werden ook gesteld ten aanzien verschuldigd. Als hij binnen de bank van Geleen beslag op
van de vloedgraven. iemands goederen legde, moest die persoon hem een gulden
Daarna kwamen privé-zaken aan de orde. Wie een rechts- Brabants geven. Ingeval hij ambtshalve naar een plaats
kwestie met een laat mocht hebben te regelen, diende hem buiten Geleen moest gaan, werd zijn vergoeding naar het
bij zijn jasslip [”mit den slijp”] te nemen en te zeggen: ”Heer aantal afgelegde mijlen berekend. Als hij daarbij een man
voogd, laat mij deze man terecht staan”. Daarop zou de voor het gerecht daagde, kreeg hij tevens een oud velguyten
voogd hem terstond terecht doen staan. Men diende echter of fleguyt [= klein koperen muntje] om bier en brood te
ook orken [= oorkonden of getuigenissen], d.w.z. gedocu- kopen.
menteerde argumenten, te leveren, die volgens de voogd en
de schepenen geldige bewijsmiddelen waren. Alle betalingen Voordracht en benoeming van de koster
voor getuigenissen kwamen voor de helft aan de schepenen De offerman [= koster] werd eveneens door de schepenen, in
en voor de helft aan de voogd toe. Een verdediger [”voer- overleg met de gemeenschap, gekozen en door de pastoor
spreck”] kreeg een kwart bier [twee of drie pinten] tot loon. bevestigd. Maar als de keuze niet aan de pastoor beviel,
zouden de schepenen - andermaal in overleg met, maar niet
Straffen en boeten noodzakelijkerwijze met goedkeuring van, de gemeenschap -
Wie zijn mes trok en een noemenswaardige steekwonde drie andere kandidaten voorstellen, van wie de pastoor er een
toebracht, was aan de Heer en aan degene, die de steek had zou kiezen. De aldus aangestelde moest borg stellen om zijn
ontvangen, een grote boete schuldig. Zo’n boete bedroeg taak te mogen uitoefenen. Als inkomen had hij recht op de
zeven en een halve Rijnlandse gulden. Bovendien hadden de traditionele broden; volgens een latere bron zou hij jaarlijks
schepenen dan recht op een kleine boete, nl. negentien van elk huisgezin veertien pond brood hebben gekregen.
Vlaams [= veertien stuivers Brabants]. Bovendien moest elke parochiaan, die zoveel grond bezat,
In die tijd droeg elke weerbare man een mes of dolk bij zich. dat hij een tiende garve [aan de overheid] verschuldigd was,
Hij mocht dit wapen echter slechts voor zelfverdediging aan de koster een ”clockgerve” of ”luydegerve” geven. Dit
trekken. Wel kon hij als waarschuwingsteken de hand aan de was een vergoeding voor het luiden van de klokken bij
schede slaan; maar het verwijderen van het lemmet uit de onweer <Habets 1875, 307>. Destijds werden onweer en natuur-
schede werd mestrekken genoemd <Slanghen 1865, 20>. In rampen doorgaans aan de duivel toegeschreven en werd het
1526/27 werd aan schepen Lemmen Beltgens, halfer in de luiden van de kerkklokken als een christelijk afweermiddel
Hanenhof, een boete van twaalf stuivers opgelegd, omdat beschouwd.
”hy in dronkenschap syn mes heeft getrocken, sonder
iemand te slaen”. Toen werd tevens genoteerd: ”Item ein
kleine jongen tot Geleen die op einen anderen kleinen
jongen geheyten Hendrich Cremers... een brootmes
uytgetogen [= uitgetrokken]” <PSHAL 1885, 21>.
Wie een gevecht was begonnen, was zowel aan de Heer als
aan hem, die de slag(en) had gekregen, een kleine boete
schuldig; maar als de [eerst]geslagene had teruggeslagen, had
hij geen recht op een kleine boete. Bij het opleggen van een
kleine boete was het aandeel van de schepenen een alde groet
[= anderhalve stuiver Brabants].

Keuze, aanstelling en functies van de gerechtsbode Een door de familie Schepers (Pieterstraat) gebruikt korenvat. Op
De gerechtsbode of bode [= ”bao”], d.w.z. de handhaver van het plaatje aan de voorkant staat: 1/4 mudde I. P. MAAS-
de openbare orde, werd door de schepenen, in overleg met TRICHT. Het gevulde en glad gestreken vat bevatte twintig kilo
de gemeenschap, gekozen. Vóór 1558 heeft hem hoogst- rogge of tarwe, doch slechts twaalf kilo haver <Foto door de schrijver>.
waarschijnlijk de voogd, in naam van de landsheer, de eed
afgenomen, terwijl de gemeenschap zijn loon betaalde.
Ingeval de in eerste instantie gekozen persoon niet aan de
overheid mocht bevallen, stelden de schepenen drie kandi-
daten voor, van wie de voogd of landsheer degene, die hem
het best beviel, beëdigde. Wie drie of meer bunders

105

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 106

Maten en gewichten duidelijk of ze tienden dan wel cijnzen [= erflasten of
Te Geleen werden bij voorkeur Maastrichtse koersen, ”renten”] waren.
gewichten en maten gebruikt. De schepenen mochten de
weetmoet [= de maat voor het meten van ”weet” of ”wede”, De grote tiende
een plant waaruit een blauwachtige verfstof werd bereid] en De grote tiende, ook grove, gaffel-, vruchten- [= granen-] of
de wage [= weegschaal] door anderen laten gebruiken. Maar zaktiende genoemd, had betrekking op alles wat halm en
de brugge [= weegbrug] moest te Geleen blijven. Als de stengel had, d.w.z. op rogge, tarwe, haver, gerst, spelt, erwten,
schepenen van mening waren, dat die maten op onrecht- bonen, wikken e.d. De grote tiende van Geleen kwam tot
vaardige wijze waren gebruikt, moest degene, aan wie het 1609 voor 2/3 aan de Heren van Valkenburg en hun opvolgers
gebruik officieel was toegekend, voor hen verschijnen om de en vanaf dat jaar aan de eigenaars van de heerlijkheid en het
maat en de weegschaal door hen te laten ijken. graafschap Geleen, terwijl 1/3 aan de pastoor toeviel.
Het bezit van de grote tiende van Geleen moet op uit-
5. Het tiendenstelsel gebreide grondbezittingen van de Heren van Valkenburg in
dat kerspel worden teruggevoerd. Tegen het midden van de
Menige middeleeuwse Gelener had de verplichting om een dertiende eeuw schonken zij een deel van die bezittingen aan
deel van zijn landbouw- en/of veeteeltproducten aan de de abdij van Villers, die daarop de grote hoeve van Kra-
wereldlijke en/of geestelijke overheid af te staan. Daarnaast winkel bouwde. Ook de veertiende-eeuwse schenking van de
moesten vooral de gegoeden onder hen de door de landsheer grote hoeve van Lutterade aan het klooster van Reichenstein
voorgeschreven ”beden” of belastingen opbrengen. Tenslotte wijst op uitgestrekte bezittingen onder Geleen. Daarnaast
waren sommigen verplicht om gratis karweien uit te voeren. moeten zij er nog andere grote stukken grond hebben
bezeten, nl. de vier terreinen, waarvan zij later de grote
Allerlei tienden tiende inden: het Raadskuilderveld [ten noorden van
Lutterade en Oud-Geleen], het Gasthuisveld [tussen Oud-
De vroegste tienden ontstonden reeds vóór Karel de Grote. Geleen en Neerbeek/Spaubeek], de Rommelye of Romanie
Als de bezitter van een stuk bos aan iemand toestond dit te [tussen Krawinkel en Lutterade] en het Kleinveld [ten
ontginnen en ten eigen bate te gebruiken, eiste hij als tegen- noordwesten van Neerbeek].
prestatie een vaste jaarlijkse vergoeding, nl. een tiende van de Toen de hertogen van Brabant in de veertiende eeuw het
opbrengst van het op die grond geoogste gewas. Dit was de graafschap Valkenburg verwierven, kwamen zij tevens in het
z.g. novaaltiende [novale was een Latijnse uitdrukking voor bezit van de grote tiende van Geleen. Uit het jaar 1404 staan
”nieuw land”, d.w.z. ontgonnen terrein], ook wel rot- aantekeningen van de landsontvanger ter beschikking, die
[= rode-] of braaktiende genoemd. Waar bepaalde terreinen ons een idee geven van de tienden, die sommige Geleners
aan heffing van zulke tienden onderhevig waren, mag men toen aan de hertog of hertogin van Brabant verschuldigd
de oorsprong van die verplichting doorgaans aan hun waren <ADLL, Comptes nr. 220, folios 57-70>. Daar die ontvanger bij
ontginning - hetzij ontbossing hetzij verandering van weiden de uitvoering van zijn taak de medewerking van de
in akkers - toeschrijven. schepenen van Geleen nodig had, schonk hij voor die
Lijkt het voor de hand te liggen dat met een tiende van de verleende assistentie gewoontegetrouw ieder jaar op het feest
graanoogst ”de tiende” garve werd bedoeld, toch blijkt dat van St.-Stephanus [= 26 december] aan elk van hen twee
niet - of niet steeds - het geval te zijn geweest; in een stuivers en zes oort en werd hun bovendien gezamenlijk een
document van 1764 betreffende ”een stuck ackerlants mud uit de tarwetiende toegewezen.
geleegen aen den Haegendooren bij de Capelle” [= bij de Verscheidene inwoners van Geleen, van wie de goederen ter
Kluis], dat tot de gewande van de Biesenhof behoorde, staat: plaatse lagen, moesten op het feest van St.-Andries [= 30
”gevende tiende den eelfden schouff [= de elfde garve] waer november] gezamenlijk drie mud tarwe leveren. Anderen
van twee deel aen d’heer prins de Ligne, en het derde deel moesten op die dag voor hun aldaar gelegen goederen
aen den pastoor van Geleen” <AB>. Ook elders had de tiende- gezamenlijk ongeveer twintig mud rogge leveren.
heffer jaarlijks ”den elfden schoof op het veld” <PSHAL 1889, Vier in 1404 met naam genoemde Geleners, nl. Jutta Ghisen
16>. van Krawinkel, Stesken van Kemenade - ook Stesken van
Het woord tiende kreeg tevens de algemene betekenis van Daniken genoemd <ASM-Akt nr.54c> - Jan Valderman en Alart
verschuldigde bijdrage in natura. Maar vele tienden konden de smid, die op het feest van St.-Jan de Doper [= 24 juni]
door betaling van hun tegenwaarde in geld worden geleverd. 1404 de grote tiende van Geleen voor drie jaar hadden
De voornaamste van die verplichte leveringen waren de grote gepacht, moesten jaarlijks - naar het schijnt gezamenlijk -
en de kleine tienden; beide soorten tienden zullen hieronder zeventien mud rogge en achttien mud haver leveren; het
nader geanalyseerd worden. Daarnaast waren er o.a. lammer-, eerste jaar konden zij met zeventien mud haver volstaan. Van
kapoen-, hoender-, zaad-, vlas- en wedetienden. Bij de de zeventien mud rogge moest de landsheer een mud aan
opgaven van diverse leveringen is het echter niet steeds Ritzaert [of Richard] van de hoeve Ten Eijsden afstaan; deze
bleek daar erfelijk recht op te hebben.

106

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 107

De vier grote-tiendevelden op een kaart van circa 1800. Het Op 31 oktober 1414 schonk hertog Anthonis van Brabant
”Capeller Veld” (tussen Oud-Geleen en Spaans-Neerbeek) heette de grote tiende van Geleen aan Reinier van Hulsberg,
eertijds Gasthuisveld. Het ”Klein Veld” lag ten noordwesten genaamd Schaloen - die hoogstwaarschijnlijk in het bezit van
(links) van Spaans-Neerbeek. Linksboven (tussen ”Crawinckel” de heerlijkheid Daniken was - ”sijn leven lang”, omdat diens
en ”Lutteraed”) staat ”Rommelieveld” (= Romanieveld). oom Arnold van Hulsberg in de slag van Baesweiler (1371)
Middenboven (ten noorden van ”Lutteraeder Hoff”) staan de was gevangengenomen en zijn familie een losprijs van 1.000
eerste zes letters van ”Raetscuylerveld” <Tranchotkaart>. oude schilden had moeten betalen. In 1443 verklaarde
genoemde Reinier, dat Filips de Goede, hertog van
Daar uitdrukkelijk werd vermeld, dat de verplichtingen van Bourgondië, als hertog van Brabant, de door wijlen hertog
die vier personen op ”la disme de Gleene” [= de tiende van Anthonis aan hem gedane schenking van de grote tiende van
Geleen] waren gebaseerd, mogen we daarin de Raadskuilder-, Geleen voor de duur van zijn leven had bevestigd <RAB-CdC. -
Romanie-, Gasthuisveld- en Kleinveldtienden zien. Het PSHAL 1885, 29; 1931, 108. - Philippens 1987, 30>. Er staan geen
Gasthuisveld lag vrij gunstig voor een bewoner van de hoeve gegevens ter beschikking, waaruit zou blijken dat hij de hele
Kemenade, terwijl de tiende van de Romanie door Jutta tiende zelf inde dan wel naar ouder gewoonte aan Geleners
Ghisen van Krawinkel, de tiende van het Kleinveld door Jan verpachtte. Na de dood van die jonker (1457) viel die tiende
Valderman en de tiende van het Raadskuilderveld door Alart weer aan de hertog van Brabant terug.
de smid kunnen zijn gepacht. Dat die tienden door de Bij de verheffing van Geleen - met Spaubeek en Sint-
genoemde vier personen gepacht werden, blijkt uit de door Jansgeleen - tot heerlijkheid (1558) kwam Arnold II Huyn,
de landsontvanger gebruikte uitdrukking ”ont pris à ferme”, de eerste Heer van Geleen, niet in het bezit van de grote
want dat hield in dat de door hen aan de landsheer tiende. Dit valt te verklaren uit het feit, dat die heerlijkheid
verschuldigde leveringen in natura niet de opbrengst van die toen door de koning van Spanje slechts aan hem werd
tiende zelf waren, maar alleen de pacht voor het innen van verpand en hij niet haar eigenlijke bezitter werd. Pas in
2/3 van die tienden vertegenwoordigden. Dat kwam hierop 1609, toen dit pandschap in bezit werd omgezet, kenden de
neer dat zij zelf de eigenlijke tienden van de gebruikers van aartshertogen Albert en Isabella ”onze grote tiende in de
die terreinen inden en in hun eigen schuren opsloegen, heerlijkheid Geleen” uitdrukkelijk aan Arnold III Huyn,
terwijl zij aan de landsheer slechts het gedeelte afstonden, Heer van Geleen, toe.
dat in het pachtcontract was overeengekomen. Daarnaast Op 24 mei 1623 verpachtte Arnold IV Huyn, Heer van
moesten zij 1/3 van de grote tiende aan de pastoor overlaten. Geleen, de grote tiende van het ”Sitterder Veldt” [= Raads-
kuilderveld], de ”Rommelije” [= Romanie] en het Klein
Veldje voor drie jaar aan Peter Penris, genoemd Hardtboum
[= Haardboom]. De totale jaarlijkse pacht bedroeg 150
gulden, 54 malder rogge, 59 malder haver, drie malder
tarwe, vier malder gerst, vier malder spelt [soort tarwe], vier
vette hamels en een hoeveelheid suiker, die met het feest van
St.-Andries [= 30 november] moesten worden geleverd. Het
eerste jaar moest hij daar nog twee amen [= vaten van 140 à
150 liter] wijn voor een waarde van veertig rijksdaalders
aan toevoegen, terwijl hij eens in de drie jaren een
”rose(n)nobel” [= Engelse gouden munt ter waarde van circa
tien gulden] aan de kerk van Geleen en een dubbele Philip
[= munt ter waarde van circa drie gulden] aan de borggraaf
[in dit geval de halfer van de kasteelhoeve] van Sint-
Jansgeleen moest schenken.
De Gasthuistiende, die zeventig malder graan opbracht,
werd toen niet verpacht. Reinier Huntgens, de borggraaf en
halfer van Sint-Jansgeleen, kreeg de opdracht om die tiende
in de schuur van genoemd kasteel te voeren. Als vergoeding
”voer sijnen arbeydt” zou hij het kaf, het stro en het ”rouw-
voer” mogen houden, zoals hij dat reeds ”etliche [= ettelijke]
jaeren” had gedaan <Reichstein-KP II, folio’s 402vo - 403vo>.
Tot in het begin van de twintigste eeuw lag aan de kerkzijde
naast het huis Hoofs in de Dorpstraat [Marcellienstraat], de
zogenaamde ”tienschuur” of ”tiendschuur”; zij werd door de
timmer- en meubelfabriek Eussen vervangen. Uit oude
verkoopakten blijkt, dat die schuur in de achttiende eeuw in

107

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 108

De Dorpstraat [Marcellienstraat] circa 1900. Bij de dorpsbrug staat een paard ingespannen in een huifkar. Geheel links is een
gedeelte van de witte gevel van de ”tien(d)schuur” te zien. Zij werd later vervangen door de timmer- en meubelfabriek Math.
Eussen. Vooraan rechts is de ingang tot ”’t Straatje”; op beide hoeken liggen schampstenen. In het huis geheel rechts kwam later de
drogisterij van J. Cloots-Vijgen <Ansichtkaart>.

het bezit was van de afstammelingen van drossaard Jan van gulden dienen te ontvangen <Reichstein-KP II, folio 402vo>. Die
den Stock, die in de zeventiende eeuw in het huis Hoofs klacht blijkt gebaat te hebben, want in 1637 schreef de
woonde. Mogelijkerwijze werden in die schuur vóór 1609 de pastoor, dat hij voor die pacht jaarlijks ”liber ende vrye”
pachten van de grote tiende en de andere tienden voor de ontving: 32 malder rogge, acht malder tarwe, acht malder
Heer van Valkenburg geleverd. Doch daar in 1648 de gerst en twaalf malder haver. En daar hij opmerkte, dat van
Gasthuisveldtiende aan Jan van den Stock werd verpacht, 1623 tot 1648 de pacht van 2/3 van de grote tiende elke drie
valt er nauwelijks aan te twijfelen, dat hij 2/3 van die tiende jaar door de Heer van Geleen werd verhoogd, mag worden
in de schuur naast zijn huis opsloeg. verwacht, dat ook de pacht die de pastoor voor het andere
Over het aandeel van de Geleense geestelijkheid in de grote 1/3 deel ontving, gedurende die periode min of meer
tiende beginnen onze inlichtingen pas in het begin van de evenredig steeg <PAG>.
zeventiende eeuw; maar er kan gerust worden aangenomen,
dat ze in grote lijnen ook voor de daaraan voorafgaande Verplichtingen van de bezitters van de grote tiende
eeuwen hebben gegolden. Ofschoon het [latere] pastorie- Doorgaans had de bezitter van 2/3 van de grote tiende
complex te Geleen tevens een schuur en stallen omvatte, verscheidene verplichtingen tegenover de gemeenschap.
sloeg de pastoor daarin toch niet zijn 1/3 aandeel in de grote Deze golden op de eerste plaats het onderhoud van het schip
tiende op. Hij verpachtte dit aandeel aan de halfer van de van de parochiekerk vanaf de fundamenten tot het dak, de
grote hoeve te Lutterade, die het in ”des hoffs thiende levering van een grote klok en de bekostiging van een kelk,
schuir” aldaar borg. Als pachter van 1/3 van de grote tiende een missaal, paramenten [= altaarkleden en liturgische
leverde die halfer aan de pastoor vijftien mud graan, nl. acht gewaden] en alles wat voor de eredienst aan het hoofdaltaar
mud rogge, twee mud tarwe, twee mud gerst en drie mud nodig was. Bovendien moest hij ten behoeve van de vee-
haver. stapel van de dorpelingen ter plaatse een ”duur” [= stier] en
In 1626 werd geklaagd, dat de pacht die de pastoor voor 1/3 een ”beer” [= mannetjesvarken] ter beschikking stellen.
van de grote tiende ontving, in vergelijking met de door de Doch te Geleen rustten die verplichtingen later hoofd-
Heer van Geleen geïnde pacht, ”veel te wenig” was. Voor de zakelijk, zo niet uitsluitend, op de kloosterlingen van
verpachting van 2/3 van drie tiendevelden ontving de Heer Reichenstein bij Monschau (D.). In het visitatieverslag van
immers 133 malder graan, 150 gulden en andere leveringen, 7 mei 1669 staat, dat de grote tiende aan de graaf van Geleen
die tezamen ook nog 84 gulden waard waren. Naar toekwam, maar dat de abt van Steinfeld - wegens zijn
verhouding zou de pastoor voor de verpachting van 1/3 van [vermeende] autoriteit over het klooster van Reichenstein -
diezelfde tiendevelden minstens 67 malder graan en 116 verplicht was een stier en een mannelijk varken te houden.

108

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 109

Ook staat daarin, dat de toren door de gemeenschap moest bezitter van de grote tiende van Geleen stelde hij die
worden onderhouden maar dat de restauratie van het kerk- fokdieren aldaar ter beschikking. Welnu, het ligt voor de
gebouw en van het koor ad onus ecclesiæ, d.w.z ”ten laste van hand, dat de kloosterlingen van Reichenstein de verplichting
de kerk”, kwam. In het visitatieverslag van 26 september tot het houden van een ”duur” en een ”beer” overnamen,
1722 staat eveneens, dat het onderhoud van het schip en het toen hun die hoeve met de gewande - vrij van tiende of
koor ten laste van de kerk kwam <Habets 1892, 330-331>. Hier belasting - werd geschonken. Vandaar, dat de pachter van
kan met ”kerk” moeilijk iets anders dan de parochie- hun hoeve te Lutterade ”duyre ende biere” moest houden. In
geestelijkheid bedoeld zijn geweest. 1786 schreef de proost van Reichenstein uitdrukkelijk:
Al komt die situatie op het eerste gezicht vreemd over, toch ”Item incumbeert [= legt op] deze thiende den last van stier
mogen de heren, graven en/of bestuurders van Geleen er niet te houden”. Wegens de bevolkingstoename en de groei van
van worden beschuldigd zich onttrokken te hebben aan de de veestapel der Geleners nam die verplichting steeds grotere
taken waartoe zij verplicht zouden zijn geweest <TsHKVGel proporties aan. In 1786 moesten tot dat doel niet minder
1988, nr. 2, 51>. Zij kregen de grote tiende immers pas in 1609, dan vier stieren beschikbaar blijven, en zelfs ”eenen vijfden
d.w.z. lang nadat de kloosterlingen van Reichenstein op hun jongen stier, voor de gebreeken, die den eenen of anderen
hoeve te Lutterade fokvee ter beschikking stelden, en dit mogten overkomen”.
laatste kan allicht als volgt worden verklaard. Die hoeve heeft Toen hun die hoeve werd geschonken, zullen de klooster-
aanvankelijk aan de Heer van Valkenburg toebehoord, en als lingen ook wel de verplichting tot onderhoud van het schip
der parochiekerk hebben aanvaard. Niet alleen werden hun
toen de genoemde hoeve en haar gewande geschonken, maar
ook werden 33 bunder van die gewande aan de grote tiende
onttrokken; welnu, een dergelijke gunst kon slechts door de
landsheer, d.w.z. de bezitter van de grote tiende, worden
verleend.
Als ontvanger van 1/3 van de grote tiende was de pastoor
doorgaans verplicht om het koor van de kerk te onder-
houden. Maar in 1745 werd uitdrukkelijk verklaard, dat de
pastoor van Geleen zowel het dak van het schip als dat van
het koor moest onderhouden <BAR>. In de verkoopannonce
van het graafschap Geleen uit 1776 staat: ”Het overige derde
deel der voorseyde (grote) thienden behoort aen den Pastor
van Geleen, die gelast is met alle het Kerkelyk onderhoud”
<LvO nr. 1227>. Het is geenszins verwonderlijk dat die
verplichtingen op de pastoor vielen, want niet alleen had hij
de gebruikelijke verplichtingen van elke pastoor, maar ook
was hij de plaatselijke vertegenwoordiger van de monniken
van Reichenstein.

De nieuwe pastorie (geheel rechts) en de oude pastorie (achter- De kleine en andere tienden
grond rechts). Ter plaatse van het linker gebouw lag eertijds de De kleine tiende werd o.a. op oliezaden, moeskruiden, hooi,
schuur van de pastorie. Onder het lage dak (midden) waren vlas, hennep, hop, kaardebollen en wouw geheven. Bijna
vroeger stallen en later de ”zaal”. Toen de pastorie circa 1925 overal schijnt de pastoor de gehele kleine tiende te hebben
als zusterklooster ging dienen, werd in dat lage gedeelte een genoten <Habets 1875, 343>. In het visitatieverslag van 1722
kapel ingericht. In het geheel nieuwe opgetrokken linker gebouw staat: Decimae... minores ad monasterium de Reichsteyn, d.w.z.
werd een bewaarschool gevestigd; op de verdieping vergaderden ”de kleine tienden komen aan het klooster van Reichenstein
en werkten de leden van de missienaaikrans. Bij het bombar- toe” <Habets 1892, 330-331>. Doch hier werd kennelijk bedoeld,
dement van 5/6 oktober 1942 brandde dit gebouw uit; na de dat ze aan de uit dat klooster afkomstige pastoor van Geleen
oorlog werd het gerestaureerd <Tekening P.A. Schols, 1930>. toekwamen.
De notities van pastoor Leurs over zijn aandeel in de kleine
tiende zijn echter niet steeds met elkaar in overeenstemming.
Op een plaats schrijft hij, dat hij ”den cleynen thiende als
saet, vlas, carden, wouw, hoender ende lammer” geniet,
terwijl hij elders schrijft, dat hem slechts ”het dardedeyll van
die vlasthiende, saetthiende [= koolzaadtiende], lammer-
thiende ende rouckhoender” toekomt. Uit andere aan-
tekeningen van deze pastoor blijkt inderdaad, dat hem

109

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 110

slechts gedeelten van de lammer- en hoendertienden ”steen” vlas aan de landsheer moesten leveren. En in de
toevielen. verheffingsoorkonde van Geleen tot heerlijkheid uit 1558
In 1404 moest een aantal inwoners van Geleen op het feest staat, dat de nieuwe Heer van Geleen recht heeft op een
van St.-Thomas [= 21 december], voor hun aldaar gelegen jaarlijkse levering van dertien ”steen” vlas.
goederen, [gezamenlijk] 23 kapoenen aan de landsheer [de Tenslotte werd in 1404 door de landsheer van één Gelener
hertog van Brabant] leveren. Diezelfde tiende moest door een tiende van de wede of weide - een uit een plant,
andere Geleners in de vorm van geld, tot een totaalbedrag genaamd ”koeckweide”, bereide stof om een blauwachtige
van 36 stuiver en zeven penning, aan de landsheer worden verf te maken - ofwel de tegenwaarde in geld, nl. zes stuiver
voldaan. In de verheffingsoorkonde van de heerlijkheid en dertien oort, geëist.
Geleen (1558) stond o.a., dat de Geleners aan hun nieuwe
lokale Heer jaarlijks 37 kapoenen moesten leveren; dit waren De gebouwen van het vroegere klooster Reichenstein bij
kennelijk tiendeleveringen, die zij voorheen aan de landsheer Monschau (D.) liggen op een hoogte, die uit het dal van de Roer
verschuldigd waren geweest. oprijst <Foto door de schrijver, 1952>.
De laatstgenoemde verplichting was niet identiek met de
zogenaamde rouckhoen(der)tiende, die elk jaar op 30 Geleense tienden voor het klooster Reichenstein
november door alle Geleense gezinnen, die een huis met een
schoorsteen bewoonden, moest worden geleverd. In 1476 Lijkt de zienswijze, dat eeuwenlang vanuit Geleen een ”rijke
werd opgemerkt, dat een armzalige pul of haan, die amper oogst” naar Reichenstein is gegaan, al enigszins overdreven,
uit een ”vat” [= inhoudsmaat voor granen] kon springen, de bewering, dat als gevolg daarvan ”weinig geld overbleef
niet voldeed, en dat ”eyn redelick hoen” diende te worden voor de parochie” <Hermans 1990, 9>, wordt niet door de
geleverd, waaraan echt iets te smullen viel <PSHAL 1870, 53-54>. bekende historische feiten gestaafd. Dat klooster had immers
Volgens de statuten van het Land van Valkenburg kwam een geen inkomsten van de parochie en deelde ook niet in het
jonge pul of haan als ”rouckhoen” in aanmerking zodra ze inkomen van de pastoor, maar genoot slechts de opbrengst
niet langer door de broedhen beschermd werd. Wie een van de bezittingen en rechten te Geleen, die het door
tiendehoen verschuldigd was, kon door betaling van zes schenkingen had verkregen. In dat opzicht verkeerden de
”vilgueten Trichter peye” [= velguit van Maastrichtse geld- kloosterlingen van Reichenstein in dezelfde positie als de
waarde] aan die plicht voldoen <Habets 1891, 165>. andere grootgrondbezitters, wier eigendommen onder
Pastoor Leurs vermeldde de namen van 200 Geleners, die elk Geleen lagen.
jaar een ”rouckhoen” moesten afstaan. Van die 200 hoenders De Geleense gemeenschap genoot zelfs voordeel van die
moesten er 46 zonder meer aan de pastoor worden geleverd, bezittingen en rechten van Reichenstein, want daaraan
terwijl van de rest 1/3 aan hem en 2/3 aan de Heer van waren de verplichtingen verbonden fokvee ter beschikking te
Geleen toekwam. Ofschoon dat nogal veel kippen voor één stellen en een deel van de kerk te onderhouden, terwijl ook
pastoor lijken te zijn, dient men te bedenken, dat er soms een gedeelte van de opbrengst aan het levensonderhoud van
meer dan één priester in de pastorie woonde en dat veel de parochiegeestelijkheid werd besteed. De volledige
hoenderplichtigen hun bijdrage in geld leverden. opbrengst van de hoeve en de tienden ging trouwens niet als
Op 19 april 1476 werden in het kapittel van het dekenaat zodanig naar Reichenstein, maar werd door de halfer van de
Susteren, waaraan waarschijnlijk ook de pastoor van Geleen grote hoeve van Lutterade in zijn schuur gebracht, waar hij
deelnam, nadere voorschriften in verband met de lammer- ook het aan de pastoor toekomende derde deel van de grote
tiende, d.w.z. het tiende lam van schapenhouders, gegeven. tiende opsloeg. De pacht voor de door hem geïnde tienden,
Waar de geestelijkheid recht had op die tiende, zou dat lam die aan Reichenstein toekwamen, werd opgeteld bij de
niet later dan vijftien dagen na Pasen moeten worden pacht, die hij aan dat klooster voor de exploitatie van de
geleverd. Tevens werden toen richtlijnen gegeven voor de
selectie van voor die tiende in aanmerking komende
lammeren <PSHAL 1870, 53. - Habets 1875, 391-392>.
In de verkoopannonce van het graafschap Geleen uit 1776
staat, dat de bezitter van dat graafschap 1/3 van de lammer-
tiende van het kerspel Geleen had en ”d’ander twee derden
behooren aen den Heer Pastor”. In de Franse annonce van
1778 staat, dat 2/3 van de lammertiende aan de bezitter van
het graafschap toekwam, maar in de daarna gedrukte Franse
brochure staat weer, dat hij slechts 1/3 van die tiende genoot
<LvO nr. 1227>.
Ook de vlastiende blijkt de pastoor van Geleen niet ten volle
te hebben genoten. Uit aantekeningen van 1404 blijkt, dat
sommige Geleners op het feest van St.-Thomas anderhalve

110

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 111

hoeve verschuldigd was. In het begin van de zeventiende
eeuw noteerde de pachter Jan Mutzenich dit alles in ”een
aldt gleuffwerdigh [= geloofwaardig] boexken”. Bovendien
droeg Reichenstein vanaf 1671 voor zijn bezittingen bij in
de Geleense taks.

De hoofdgebouwen van het voormalige klooster Reichenstein
gezien vanaf de binnenplaats. Geheel links een gedeelte van de
vroegere kerk <Foto door de schrijver, 1952>.

De volle tiende van 66 bunder De kerk van het klooster Reichenstein, die in 1952 nog als
In 1626 schreef een kloosterling van Reichenstein: ”In dem schuur werd gebruikt, maar sindsdien werd gerestaureerd en
ersten sijn 33 boender van onsses hoeffs [te Lutterade] geen onderdeel meer van het landbouwbedrijf uitmaakt <Foto
Landerien, die den Cloester voll thiende gelden”. In 1637 door de schrijver, 1952>.
zou pastoor Leurs daaraan toevoegen: ”daer den Heere van
Geleen niet aen heefft”, d.w.z. deze laatste ontving geen 6. Allodiale en feodale goederen
tiende van die 33 bunder. Daaruit blijkt, dat bij de
schenking van de grote hoeve door de Heer van Valkenburg Goederen, die zonder enige verplichting in volle eigendom
de daarbij behorende gewande van de grote tiende werden aan hun eigenaars behoorden, werden allodia genoemd. In
ontheven. De daarbij gevoegde opmerking ”maecken 3 1666 werd gezegd, dat onder Geleen 565 bunder allodiaal
boender vrije” betekende, dat de tiende van de opbrengst goed lagen <PSHAL 1884, 165>. Sommige allodia, zoals het
van 33 bunder gelijk was aan de volle opbrengst van ruim kasteel van de Huyns te Amstenrade, werden als ”zonne-
drie bunder. Die kloosterlingen genoten te Geleen ook de lenen” aangeduid. In een oorkonde van 13 maart 1606 staat,
volle tiende van andere percelen akkerland, die tezamen dat de bij dit kasteel behorende ”vrij ridderlijcke go(e)den
eveneens ruim 33 bunder uitmaakten en waarvan er 23 tot voor alle menschen memorie metten huijze van Anstenrode
de gewande van de Hanenhof behoorden. syn ontfangen geweest aen [= van] Godt ende die Sonne”
<AKA, Charters, nr. 18>. Zonnelenen waren geen echte lenen; het
”Die darde garff” voornaamste daaraan verbonden recht was belastingvrijheid.
Bovendien had het klooster van Reichenstein te Geleen recht De bewering door F. J. LEUFKENS, dat Hendrik (Huyn) in
op de derde garve, d.w.z. 1/3 van de tiende, van ongeveer 56 1366 als bezitter der grondheerlijkheid Amstenrade leenman
bunder. Daarvan behoorden ongeveer 40 bunder, die van Brabant zou zijn geweest <Leufkens, 8>, wordt niet
grotendeels bij Krawinkel lagen, tot het San(c)temanstiende
<PSHAL 1885, 28>. Bij een stuk van zestien bunder werd
opgemerkt, dat ”die ander twee deyll”, d.w.z. 2/3 van de
tiende, door de halfer van de Biesenhof in zijn schuur
werden gebracht.

”Die drijendartigste garff”
Tenslotte hadden de kloosterlingen van Reichenstein te
Geleen nog recht op de 33ste garve van de oogst van ongeveer
54 bunder. Ook daarvan behoorden ruim 23 bunder tot de
Hanenhof <Reichstein-KP II, folio’s 400vo - 402vo. - PAG>.

111

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 112

bevestigd door de bronnen waarnaar hij verwijst en is met de Abshoven onder Munstergeleen, die sedert de tweede helft
authentieke archivalische gegevens in strijd. van de dertiende eeuw aan de abdij van Val-Dieu [Godsdal]
Grootgrondbezitters droegen vaak een deel van hun bezit (B.) toebehoorde, was een leen - later een buitenleen [omdat
aan anderen over. Dit gebeurde op twee manieren, nl. ofwel Munstergeleen toen tot Gulik behoorde] - van Valkenburg.
werd dit aan een vrije man voor het leven als leengoed over- Toen zij aan de monniken kwam, werd ze door de Heer van
gedragen, ofwel werd het aan een ”horige” of ”laat” blijvend Valkenburg ”gevrijd”, d.w.z. van de verplichting van het
in erfpacht als laatgoed toegewezen. Omtrent 1688 verklaar- ”heergeweide” ontslagen. Ze werd een ”vrijleen”, waarvan bij
den de schepenen en burgemeesters van Geleen, dat het de verheffing enkel het leveren van wijn werd geëist. Later
grondgebied van dat kerspel 1137 bunder leen- en laatgoed werd die levering in een geldswaarde omgezet en als leen-
omvatte, terwijl zij van allodia geen melding maakten. recht betaald <PSHAL 1884, 161>.
Volgens die opgave besloeg het leengoed 318 bunder, terwijl Bij de grote hoeve van Lutterade lag de situatie blijkbaar
de rest laatgoed was. Van dat laatgoed behoorden 95 bunder anders. Als eigendom van de Heer van Valkenburg was zij
aan de Duitse Orde en ongeveer 64 bunder aan prinses allicht geen leengoed van Valkenburg. Derhalve hoefde ze bij
Maria-Dorothea van Salm. Tevens werd toen opgemerkt, dat de schenking aan Reichenstein niet uit enig leenverband te
noch die orde noch die prinses op hun onder Geleen gelegen worden ontslagen. Wel bleef de verplichting van de halfer
eigendommen enige belasting aan de landsheer betaalden. van die hoeve om in tijd van oorlog een ”heerwagen” voor
De getallen, die de landmeters Bollen (circa 1700) opgaven de Heer van Valkenburg ter beschikking te stellen, gehand-
weken enigszins van de bovenstaande af. Volgens hen lagen haafd.
toen onder Geleen ruim 755 bunder laatgoed en ruim 320 Voor onze streken was het leenhof van Valkenburg het
bunders leengoed, waarover belasting moest worden betaald, belangrijkste. Daarnaast bestonden kleinere leenhoven, zoals
terwijl zij de ruim 65 bunder, die volgens hen aan de gravin die van Daniken, Sint-Jansgeleen, Schinnen en de Beeker
van Geleen toebehoorden, bij geen van beide categorieën Vroenhof, waarvan sommige op hun beurt lenen van
onderbrachten <GAG nr. 1>. Valkenburg waren. De van dergelijke kleinere leenhoven
afhankelijke lenen waren achterlenen of subalterne lenen van
Leenhoven en leengoederen Valkenburg. Boven dit laatste stond het leenhof van Brabant
te Brussel.
Het leenstelsel, dat tegen 1200 zijn hoogtepunt bereikte,
dateerde al van rond 700. Een vazal legde een belofte - later Illustratief voorbeeld van een leenritueel
een eed - van trouw aan zijn vorst af en ontving als beloning Bij de verheffing werd de leenman door de leenheer met zijn
zijn leven lang een belangrijke functie of het bestuur van een goed ”beleend”, d.w.z. rechtens in het bezit daarvan gesteld.
gebied. Oorspronkelijk werden die functies en posities Zo’n verheffing ging met enig ritueel of ceremonieel
slechts met het recht van gebruik en genot van opbrengst gepaard; gewoonlijk moest de beleende tevens een ver-
verleend; maar geleidelijk aan werden de goederen en goeding geven. Als een leen uit de leenband ontheven werd,
rechten als eigendom beschouwd. Ook werden die functies was dat ritueel iets uitgebreider. Ter illustratie moge een
en bezittingen mettertijd erfelijk. geval uit het midden van de dertiende eeuw dienen, dat op
In tweede instantie gingen de hertogen en graven, die de hoeve van de Heer van Valkenburg te Geleen - praktisch
koninklijke vazallen waren, ditzelfde systeem op hun eigen zeker de grote hoeve van Lutterade aan de [latere] Geenstraat -
onderdanen toepassen; aldus ontstond de klasse van onder- plaatshad.
vazallen. Deze laatsten deden op hun beurt hetzelfde met de Op 30 juni 1257 verklaarde Dirk II, Heer van Valkenburg,
vrije mannen, wier steun zij nodig hadden. dat voor hem en zijn leenmannen Zibrecht van Neerbeek,
Schaarden velen zich vrijwillig onder de krijgsbanier van een Willem van Pas [de Pesch ?] en Arnold van Beekhoven, zijn
invloedrijk Heer om langs die weg zijn gewaarborgde vazal ridder Hendrik van Brecht was verschenen en twee
bescherming van hun bezittingen te verkrijgen, daarnaast onder Geleen gelegen mansen [manse = ca. twaalf bunder]
trachtte ook menigeen zijn aanzien te bevorderen en zijn leengoed los en vrij, zonder enig recht erop te behouden
invloed uit te breiden door een belangrijke figuur als leen- [werpivit], ten behoeve van zijn zoon Alard in zijn [= Dirks]
heer te erkennen. Doorgaans werd een leenverband slechts handen had teruggebracht [reportavit]. Hij had dit op een
door de dood van de vazal beëindigd. Maar zijn erfgenaam symbolische wijze gedaan, nl. door een strohalm in stukken
was ten aanzien van de geërfde goederen weer aan datzelfde te breken [effestucavit]. Daarop had de Heer van Valkenburg
leenverband gebonden. Derhalve moest hij dit in een die twee mansen leengoed terstond aan Hendriks zoon Alard
verheffingsceremonie bevestigen <Ganshof, 16-36>. van Brecht in leen gegeven en had deze hem daarvoor de
Wegens de militaire verplichting, die aan bepaalde lenen gebruikelijke leenhulde [homagium] gebracht.
verbonden was, werden soms leengoederen die in handen Na deze ceremonie verklaarde genoemde Alard, dat hij - met
van geestelijke personen kwamen, door de leenheer uit het goedkeuring van zijn vrouw - elf bunder uit dat leengoed aan
leenverband ontheven. Dit was het geval met een deel van de de monniken van Villers had verkocht. Teneinde deze trans-
gewande van de kloosterhoeve van Krawinkel. De hoeve actie rechtsgeldig te maken nam Alard een strohalm, brak

112

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 113

hem in stukken en gooide deze weg. Daarmee had hij die elf uit 1776 staat: ”Den titel van dit Graefschap releveert van
bunder land, zonder er verder nog enige aanspraak op te Haere Majesteyts Leenhof van Brabant ende de Heerlyk-
maken, in handen van de leenheer teruggebracht. Vervolgens heden Geleen en Spaubeck releveren van het Leenhof
ontsloeg de leenheer die elf bunder ten behoeve van de Valckenborg” <LvO nr. 1227>. Geleen was een rechtsheerlijk-
monniken uit het leenverband. Wel legde hij er een jaarlijkse heid en Sint-Jansgeleen - oorspronkelijk als huis Spaubeek
cijns van zes Luikse denariën op <Ernst VI, 1820>. aangeduid - was een grondheerlijkheid.

De heerlijkheid en het graafschap Geleen Onder Geleen gelegen lenen van Valkenburg
leenroerig te Brussel Reeds lang voordat de heerlijkheid Geleen werd opgericht,
Het zover weg gelegen leenhof van Brabant te Brussel zou was het kasteel van Spaubeek, later genoemd Sint-Jansgeleen,
voor ons van geen belang zijn geweest, ware het niet dat de een leen van Valkenburg <PSHAL 1884, 430-431>, terwijl ook
heerlijkheid en het graafschap Geleen daar moesten worden binnen het kerspel Geleen een aantal goederen lagen, die
verheven. Bij de oprichting van de heerlijkheid Geleen in daar leenroerig waren. Het grootste van die lenen was de
1558 werd verordend, dat ze een leen van het leenhof van Hanenhof. Deze was eertijds een leen van Gelder en werd
Valkenburg zou zijn. Maar toen die heerlijkheid in 1609 van pas in 1455 als leen van Valkenburg vermeld. Ook de hoeve
pandschap in volle eigendom aan de Huyns van Geleen Ten Eijsden, die naar een van de vroegere bezitters soms
overging, werd bepaald, dat ze voortaan te Brussel moest Bagijnshof werd genoemd, was een Valkenburgs leen <PSHAL
worden verheven. 1885, 16 en 19>.
In de desbetreffende akte van 20 augustus 1609 staat o.a., Ten aanzien van Kemenade is het leenverband niet geheel
”dat de voorscreven heere ende vrouwe van Geleijn henne duidelijk. In de leenregisters van Valkenburg staat dat de
erffve ende naecommelingen... gehouden sullen zijn de voor- hoeve van die naam, die in het bezit van Gielis van de Weijer
screven Heerlicheijt van Geleijn van ons voirtaen te houden was, in 1381 werd verheven, maar is er geen sprake van de
in eenen vollen leene als hertogen van Brabant ende van onse hoeve Kemenade, die volgens het huwelijksverdrag van 1392
leenhove desselffs lants”. Bijgevolg werd de heerlijkheid na de dood van Goswijn Bagijns moeder, aan hem zou
Geleen door Arnold III Huyn op 10 oktober 1609 te Brussel komen. Wel staan daarin vanaf 1537 de verheffingen van
verheven. De heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum, die toen zijn opvolgers uit de geslachten Van Holzit, genaamd
eveneens in volle eigendom aan Werner Huyn van Amsten- Oosten Van Hulsberg, genaamd Schaloen. Daarnaast wordt
rade overgingen, bleven echter lenen van Valkenburg. in die registers als een apart groot leen van Valkenburg opge-
Merkwaardigerwijze zou de heerlijkheid Geleen daarna geven ”de hoef en goederen van Kemmenade toebehoorende
zowel te Brussel als te Valkenburg worden verheven. Zo liet den huize van Wijnantsraedt, welke in de XVIIe eeuw onder
Arnold III Huyn ze op 10 februari 1620 voor zijn zoon de naburen in erfpacht van rogge waren uitgegeven”. Dit
Arnold IV te Brussel verheffen, maar die zoon had ze reeds leen werd in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw
op 29 november 1619 te Valkenburg laten verheffen. Op 9 door de Heren van Wijnandsrade uit het geslacht Van den
september 1624 werd ze te Brussel in naam van Arnold V Bongard verheven <PSHAL 1885, 13-16>.
Wolfgang Huyn verheven; deze laatste liet ze pas op 17 Uit de meetboeken van Bollen (circa 1700) weten we waar
oktober 1642 te Valkenburg verheffen <PSHAL 1884, 282>. de ruim 55 bunder van de leenhoeve van Krawinkel lagen,
Bij de oprichting van het graafschap Geleen in 1654 werd doch nergens was toen van enig gebouw sprake <PSHAL 1884,
eveneens bepaald, dat dit te Brussel zou dienen te worden 339 en 425. - GAG nr. 1>. Hierover werd in een vorige paragraaf
verheven. Toen dit graafschap in 1663/64 met de heerlijk- uitgeweid. Ook Daniken, dat met de korenmolen, een
heden Oirsbeek en Brunssum werd uitgebreid, werd vast- aantal ”huijsplaetsen” en grond een leen van Valkenburg was
gelegd dat zij onderdelen van slechts één en ondeelbaar leen <PSHAL 1885, 22-25>, werd in het voorafgaande uitvoerig
van Brabant vormden, maar dat de drie heerlijkheden waar- besproken.
uit dit graafschap was samengesteld, elk op dezelfde wijze als De hoeve Heimstenrade, die rechtstreeks te Daniken leen-
voorheen zouden worden verheven. roerig was, was aanvankelijk slechts een achterleen van
Op 25 februari 1669 werd het graafschap Geleen te Brussel Valkenburg. Maar vanaf 1537 werd ze als een groot leen van
in naam van prinses Maria-Dorothea van Salm verheven. het laatstgenoemde leenhof vermeld. Wegens de nieuwe
Blijkbaar werd toen vergeten tevens de heerlijkheid Geleen bezitters werd dit ook het Mutzenichleen genoemd. In 1688
te verheffen. Toen genoemde prinses zich later op de regeling werden van dat leen nog slechts zestien bunder weide op-
uit 1609 beriep, oordeelde het hof van Brabant, dat Geleen gegeven <PSHAL 1885, 25-26. - Msg 1951, 42. - TsHLVGel 1992, nr. 2, 6-9>.
als graafschap te Brussel maar als heerlijkheid te Valkenburg Ook lag te Geleen een Valkenburgs leen, dat door HABETS
moest worden verheven. Bijgevolg liet genoemde prinses de foutief Sautermanstiende werd genoemd, maar in werkelijk-
heerlijkheid Geleen - tezamen met de heerlijkheden Oirsbeek heid San(c)termanstiende heette. Dit tussen Oud-Geleen en
en Brunssum - in 1695 te Valkenburg verheffen. Krawinkel gelegen goed dat 39 bunder besloeg, was zelf geen
Ook haar erfgenamen zouden dit blijven doen <PSHAL 1884, leen van Valkenburg; het leenverband sloeg slechts op de
282-290>. In de verkoopannonce van het graafschap Geleen tiende, waarmee die 39 bunder belast waren.

113

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 114

Verder lagen er binnen het kerspel Geleen nog kleinere lenen verbonden. Doch merkwaardigerwijze was zijn leenhuis of
van Valkenburg. Zo lag het Jan Rincx- of Ringhsleen, dat uit manhuis binnen de heerlijkheid Schinnen gelegen en
drie morgen beemd bestond, aan de Geleenbeek te Daniken. hadden (later) de ”genachtingen” van dit leenhof in het
De opgave uit circa 1688 dat dit leen drie bunder land zou kostershuis te Schinnen plaats <Msg 1912, 83>. Daarom kan
hebben beslagen <Msg 1951, 42> zal wel een vergissing zijn men redelijkerwijze veronderstellen, dat die lenen oorspron-
geweest, want in een meetboek van Bollen worden daarvoor kelijk hadden toebehoord aan leden van het riddergeslacht
slechts drie zillen en acht roeden opgegeven. Dan waren er Van Schinnen, die het kasteel van Spaubeek [Sint-
nog het Dries Custersleen van ruim drie bunder land, Jansgeleen] bezaten, en dat ze van hen op de latere bezitters
gelegen ”aen den Hartboem” [= Haardboom] ten westen van van dat kasteel overgingen. Op 14 juni 1418 werd ridder
Neerbeek, en het bij Oud-Geleen gelegen Claes Alarts- of Daniel Hoen van den Broeck als leenheer der manschappen
Erken Claessensleen, dat aanvankelijk acht bunder land en leengoederen van de heerlijkheid Spaubeek vermeld
besloeg, circa 1688 nog slechts vijf bunder omvatte en circa <Franquinet 1877, 108>. En uit een kopie van een zich te Beloeil
1700 tot vier bunder was geslonken <PSHAL 1885, 25-30. - Msg (B.) bevindend document blijkt, dat die lenen eerst van
1951, 42. - GAG nr. 1>. genoemde Daniel Hoen op ”Joncker van Rooden [van
Tenslotte mag niet onvermeld blijven, dat volgens de land- Opsinnich]” overgingen en in 1534 door deze laatste aan
meters Bollen ook ruim vier bunder van het Aldenhofleen, Arnold Huyn I van Amstenrade werden verkocht.
zes bunder van het Biesmansleen en negen bunder van het Dit leenhof stond onder de leiding van een ”stadhelder”
Beijensleen - alle drie grotendeels te Beek gelegen lenen van [= plaatsvervanger van de leenheer] en twee ”mannen van
Valkenburg - onder Geleen lagen <PSHAL 1884, 436-437. - GAG nr. leen”. Op 9 februari 1560 werd Aert Huyn van Amstenrade,
1>. natuurlijke zoon van Arnold I of Arnold II Huyn, als stad-
houder van de leengoederen van ”Herjansgeleyn” te
Het leenhof van de Beeker Vroenhof Spaubeek, toebehorende aan Arnold II Huyn van Amsten-
Aan de Vroenhof te Beek was een leenhof verbonden, dat rade, Heer van Geleen, vermeld <PSHAL 1880, 154-155>. In het
- evenals die Vroenhof zelf - aan de Duitse Orde toe- leenboek stonden 88 leenroerige goederen beschreven.
behoorde. In het ”Extract der Lehen in den Vroenhoff zu Daaronder bevonden zich verscheidene hoeven, o.a. ”den
Beeck gehörig” <RAH, AB nr. 572, 17>, staat als ”gross” leen gantzen alingen hoff van Stammen” te Sweikhuizen <AKB. -
vermeld: ”Hoff zu St. Johannes Geleen”, waarvoor de leen- VROA 1884, 86; 1897, 324; 1915 II, 387-392 en 404>.
man of leenvrouwe ofwel ”dass beste pferdt” ofwel vijftien Op 18 november 1601 riep Arnold III Huyn, Heer van
gouden Realen en de ”Kemmerlings gulden” moest leveren. Geleen, een aantal leenmannen, die door hun eed van trouw
Op 22 mei 1669 liet de douairière Maria Huyn ”Huijs ende en gehoorzaamheid aan hem gebonden waren, bijeen om het
Hoff van St. Johanns Geleen” in naam van haar kleindochter leenboek en de daarin vermelde lenen, die aan hem ”als leen-
Maria-Dorothea van Salm bij die Vroenhof verheffen <AB nr. heere des manhuys binnen Schinnen gelegen ende Zyn
539, 26-29>. Zoals wij zagen was dat kasteel met de kasteel- Edeler [= aan Arnold III] met den huyse van St. Jans Geleyn
boerderij een leen van Valkenburg. Het kasteel van Sint- wettelyck toebehoerende” nader te specificeren. Bij die
Jansgeleen was - juist zoals de oudere graanmolen aldaar - specificatie sloten ze nog een aantal uit de overlevering
gebouwd op een terrein, dat vóór 1558 blijkbaar tot Beek bekende rechten van de leenmannen ten aanzien van andere
had behoord. Derhalve zou het ”huijs” [= kasteel] van Sint- autoriteiten dan de leenheer in <JanssenLimp 1977, 640-642>.
Jansgeleen wellicht op die manier te Beek leenroerig kunnen Volgens JANSSEN DE LIMPENS zou dit leenhof een belangrijke
zijn geworden, maar hierover staan geen details ter beschik- uitbreiding hebben gekregen, toen de landsheerlijke helft
king. van Schinnen in 1609 aan Arnold III Huyn van Geleen
Overigens lijkt het vreemd, dat onder ”Hoff zu St. Johannes kwam <JanssenLimp 1974, 49>. Doch dat lijkt niet waarschijnlijk,
Geleen” in 1669 ”Huijs ende Hoff van St. Johanns Geleen” want in 1754 schreef R. CORTEN: ”het Leenhoff van Geleen,
werd verstaan. Het is trouwens geenszins duidelijk of met in ontrent de tachentig Relievementen [= te verheffen lenen]
”Hoff zu St. Johannes Geleen” oorspronkelijk de kasteel- bestaende” <Janssen,142-143>. Derhalve bleken toen niet meer
boerderij aldaar werd bedoeld dan wel de hoeve Genhoof lenen van dat leenhof afhankelijk te zijn dan vóór 1609 het
onder Spaubeek <St.Jansgel, 42-44> of een hoeve onder Beek, geval was geweest.
zoals ”De Hoef toekomende den Huize van Geleen”, welke In de verkoopannonce van het graafschap Geleen uit 1776
laatste een leen van Valkenburg was <PSHAL 1884, 426-427>. staat: ”Behoort aen de Heerlykheyd Geleen een Leenhof
Derhalve dient men er ons inziens rekening mee te houden, wanof gehouden zyn 88. achterleenen te weten: 44. groote
dat de in het leenregister van de Vroenhof vermelde ”Hoff zu die ’t elcke veranderinge [van eigenaar] schuldig zyn 15.
St. Johannes Geleen” later misschien verkeerd werd geïden- ducatons, ende 44. kleene die ter veranderinge schuldig syn
tificeerd <St. Jansgel, 40-44>. 3. ducatons boven de voordere ordinaire rechten”. In de
brochure van 1778 staat, dat men op drie verheffingen van
Het leenhof van Sint-Jansgeleen die lenen per eeuw kon rekenen, zodat de jaarlijkse
Aan het kasteel van Sint-Jansgeleen was eveneens een leenhof opbrengst 132 gulden bedroeg <LvO nr. 1227>.

114

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 115

Het leenhof van Schinnen zestien stuiver en drie oort, zes vat graan en vier kapoenen.
Aan het kasteel Terborg onder Schinnen was een leenhof Toen later die vaten graan en kapoenen in hun tegenwaarde
verbonden, dat circa 80 lenen bevatte; daaronder vielen ook in geld werden geleverd, bedroeg de jaarlijkse cijns ruim acht
een aantal te Geleen gelegen goederen, nl. het Beek- gulden.
hovenergoed ”aenhaldende 151/2 bonder lants mit de Bij de overdracht van die [ongeveer] 44 bunder ontving het
hovereijsinghe” [= moestuin], ongeveer vijftien bunder uit beneficie van O.-L.-Vrouw in de parochiekerk van Geleen
de gewande van Ten Eijsden, ruim acht bunder uit de een bunder, terwijl aan de eigenaars van de kloosterhoeve
gewande van de Hanenhof en vier bunder bij de Graetheide te Krawinkel niet minder dan dertien bunder werden
”genannt dat lant van Steen bij Geleene” <PSHAL 1929, 135, 147, afgestaan, de halfer van de Hanenhof acht bunder meer
158, 166 en 169-170>. onder de ploeg kreeg, de gewande van Ten Eijsden met zes
bunder werden uitgebreid, de ridders van de Duitse Orde
Het leenhof van Daniken twee bunder aan de gewande van de Biesenhof toevoegden
Tenslotte was aan de grondheerlijkheid Daniken een leenhof en de grote hoeve van Lutterade zeven zil overnam.
verbonden, waaraan de Geleense hoeve Heimstenrade leen- Daarnaast kwamen ook verschillende stukken grond in
roerig was. In 1472, 1473 en 1493 was jonker ”Reyner van handen van kleine boeren <Franquinet, OLV II, 298-300>. Die
Hulsberg alias Schaluin” leenheer van dat leenhof. In 1472 opgaven bleven echter niet constant. Ook is niet steeds
en 1473 werden Stas of Eustachius van Geleen als stad- duidelijk wie de cijns verschuldigd was. Ten aanzien van de
houder of plaatsvervanger van de leenheer en Claes kloosterhoeve van Krawinkel werd uitdrukkelijk bepaald,
Tymmerman en Claes van Abelen, alias inden Potte, als leen- dat hij door de mansionarii moest worden geleverd; aan dat
mannen vermeld. In 1493 was Hendrik Kerckhoff stad- woord werd doorgaans de betekenis ”laten” gegeven, maar
houder <Grauwels nrs. 436, 439, 440, 441 en 470>. later lijkt het de pachters van die hoeve aan te duiden
Daar de heerlijkheid Daniken een leen van Valkenburg was, <KapOLV nrs. 851-855>.
was de hoeve Heimstenrade onrechtstreeks te Valkenburg In de verkoopannonce van het graafschap Geleen uit 1776
leenroerig. Later werd echter ofwel dit hele leen ofwel een wordt een cijnskaart te Geleen vermeld, die elk jaar in geld
deel daarvan - onder de naam Mutzenichleen - als een recht- fl. 6-1-2 [= zes gulden, een stuiver en twee oort], 381/2
streeks groot leen van Valkenburg beschouwd <PSHAL 1885, 25- kapoen, vier vat tarwe, twee vat rogge, 22 vat haver en 61/4
26>. pond vlas, voor een totale waarde van fl. 51-5-2, opleverde.
In diezelfde annonce is ook sprake van ”De Hanenhofcarte”.
Laatgoederen, cijnzen en keurmeden Aangezien dit in het Frans als ”La carte censière dite
s’Hanens Hof Caert” werd weergegeven, was dit een cijns-
Als een vrije grondeigenaar onder bepaalde voorwaarden kaart op goederen van de [vroegere] Hanenhof. Zij hield een
goederen aan iemand schonk, werd deze laatste zijn ”laat” en jaarlijkse levering in van 141/16 vat rogge, vier vat haver, vier
werd het geschonken goed ”laatgoed” genoemd. Op de laat- en een vierde kapoen, een hoen, 2/32 pond vlas en vijf en
goederen, die het eigendom van de laten werden, rustten een half eieren voor een totaal bedrag van 27 gulden <LvO nr.
bepaalde verplichtingen, waarvan de meest algemene een 1227>. Volgens een andere opgave bracht ze in 1775 de som
erfpacht was. Erfgenamen van een laat konden de laat- van 54 Brabantse gulden en acht stuivers op <PSHAL 1885, 21>.
goederen onder elkaar verdelen, maar ook zij bleven aan de Omgekeerd genoot voorheen de eigenaar van de Hanenhof
oorspronkelijke voorwaarden gebonden <Slanghen 1859, 55. - zelf ook een cijns. Zo tekende de pastoor van Beek in 1474
Habets 1891, XIV, 172-173 en 201-203>. aan, dat hij twee en een half vat rogge en twaalf stuivers had
overhandigd aan ”Wilhelm Haenen, voogd des Jonkers
Cijnzen of ”renten” Godfried van Vlodorp... in des Haenenhof”. Verder had die
Als gevolg van het afstaan van een deel van zijn goederen aan pastoor een verplichting van vijftien Luikse penningen ”te
anderen als laatgoederen ontving de oorspronkelijke vrije Daniken in den hof” <Msg 1879, 34>.
eigenaar als compensatie voor zichzelf en zijn erfgenamen De eigenaar van het graafschap Geleen was ook in het bezit
een op die goederen erfelijk rustende jaarlijkse cijns in de van een ”Danikencaerte, geldende fl. 415 in geld, 11/2 hoen,
vorm van geld, landbouw- en/of veeteeltproducten. Het zou 291/2 capoenen, 25. vat haver en 7. pond vlas t’saement
te ver voeren alle ons bekende Geleense cijnzen in detail te uytbringende ontrent fl. 36-15-0” <LvO nr. 1227>.
vermelden; enige voorbeelden mogen volstaan.
Het Maastrichtse O.-L.-Vrouwekapittel had in 1225 zes Laathoven
mansi [= ca. 72 bunder] land tussen Neerbeek en Krawinkel Om het verloren gaan van die erfpachten of cijnzen te voor-
ten geschenke gekregen <Franquinet, OLV I, 16-17>. Uit een komen, werd vaak een laatbank of laathof opgericht. [In
document van 1377 blijkt, dat de kanunniken van dit tegenstelling tot ”het” leenhof, sprak men van ”de” laathof.]
kapittel ongeveer 44 bunder als laatgoed en cijnsland aan Dit was het gemeenschappelijk administratief centrum voor
anderen overdroegen. Daarvan inden zij elk jaar op het feest laten wonend op gronden die van eenzelfde laatheer
van St.-Thomas [= 21 december] een cijns van twee gulden, afkomstig waren. Zo’n laathof was uit enige laten samen-

115

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 116

gesteld. Een van hen werd tot secretaris aangesteld; zijn taak Sander van den Hove bevindt zich ook ”die oude maniere
was het bijhouden van het latenregister. Een goed voorbeeld van doene” bij de verdeling van beden of belastingen binnen
van deze laatste was de laathof Daniken, die reeds eerder ter de hoofdbank Beek, waartoe niet alleen Beek en Geleen
sprake kwam; ook aan het kasteel van Sint-Jansgeleen, de maar ook Schinnen, Berg [bij Terblijt] en Bemelen behoor-
Hanenhof en de hoeve Kemenade waren laathoven verbon- den. De beide laatstgenoemde plaatsen werden pas vrij laat
den <PSHAL 1884, 288; 1885, 15-16. - JanssenLimp 1974, 49, 56 en 73. - aan het Land van Valkenburg en aan de hoofdbank Beek
Janssen, 132, 135 en 141>. toegevoegd; toen de hertog van Brabant in 1439 een bede
Daarnaast had er ook soms een overdracht van een erfpacht uitschreef, waren zij nog niet bij die hoofdbank inbegrepen
of een cijns plaats, die moeilijk in de bekende situaties valt <PSHAL 1899, 60>.
in te passen. Zo verkoopt Jan van de Wyer op 26 februari
1597 voor schout en schepenen van Geleen de Leufkens De oude formule van ”smaeldeilen”
Caert aldaar ”met alle erffpacht, chijns ende gerechtigheyt” Bij de omslag over de diverse plaatsen binnen die hoofdbank
aan de Duitse Orde <LvO nr. 1263>. paste men de volgende formule van ”smaeldeilen” [de
oorspronkelijke betekenis van ”smael” is ”klein”] toe: ”ierst
Keuren en keurmeden aff te trecken een zeeste deil ende ’t selve zeesde deil dien van
Bij het overlijden van een laat of een ophelder had de Schynnen te senden, ende noch die helff van eynen zeesde
oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenaam recht op een deil dien van Berge ende Bemelen; ende van der resten
keur of keurmede in natura. Op 14 november 1571 bepaal- plegen die van Beke te zenden dien van Geleene eyn derde
de het ”gericht van Opgeleen”, dat de eigenaar of diens deil, dwelck zy plegen te betaelen; ende die van Beecke
opvolger ten aanzien van laatgoed, dat betimmert is [= waar- behielden dandere twee derde deelen van huen”. Die
op een gebouw staat], na de dood van de ophelder ”das formule zag er dus als volgt uit: Schinnen 1/6 [= 2/12], Berg
besten vee, ende oft daer egheen beesten [= koeien] en en Bemelen tezamen 1/12, Geleen 1/4 [= 3/12] en Beek 1/2
waeren salmen versoecken [= kiezen] die beesten die bennen [= 6/12].
jaers noch tras daerop gemaect hebben”. Op laatgoed dat In de aanslag van 1500 werd hieraan min of meer de hand
nyet betimmert is [= zonder gebouwen], diende na het over- gehouden. Tot onderhoud van de ruiters, die ter bescher-
lijden van de ophelder twee gulden Brabants te worden ming van het platteland waren aangeworven, moest de
betaald <Franquinet, OLV II, 63-64>. gehele bank van Beek in februari van genoemd jaar de som
De kanunniken van het Maastrichtse kapittel van O.-L.- van 125 Rijnse gulden leveren. Dat bedrag werd toen als
Vrouw pasten die regel stipt toe op de 44 bunder, die zij of volgt verdeeld: Beek 60 g., Opgeleyn 35 g., Schinnen 20 g.
hun voorgangers in laatgoederen hadden veranderd. en Berg en Bemelen [tezamen] 10 g. <Slanghen 1865, 54-55>.
Aangezien op acht bunder van de dertien, die aan de Maar in 1516 werd een variatie van die formule ten voordele
kloosterhoeve van Krawinkel waren gekomen, de boerderij van Beek en ten nadele van Geleen toegepast. Uit een door
van een zekere Elisabeth lag, eisten zij daarvan de paarden- Karel V aan het Land van Valkenburg opgelegde belasting
keurmede. Daar de dichtbij de oliemolen van Daniken van 1.000 goudgulden, en de daarbij gevoegde verterings-
gelegen woning van Jacob Tirtey [= het ”Nieuw Huis” ?] in kosten van een paar ambtenaren ten bedrage van 400 goud-
1615 op ongeveer een bunder grond stond, dat van het gulden, werd van de hoofdbank Beek en haar onderbanken
Maastrichtse kapittel afkomstig, waren zijn erfgenamen het vierde deel of een bedrag van ”vierdehalfhondert”
eveneens verplicht het beste stuk vee uit zijn nalatenschap als [= 350] goudgulden geëist. Die som werd toen als volgt
cijns te leveren <KapOLV nrs. 851-855>. verdeeld: Beek 145 g., Geleen 116 g. en 19 Brabantse
stuiver, Schinnen 58 g. en 10 st., Berg en Bemelen 29 g. en
Beden of belastingen en karweien 5 st. <Slanghen 1859, 235-236>. Die verandering van de ver-
delingsformule was het gevolg van de afspraak om de vereiste
Als een landsheer geld nodig had om zijn schulden te betalen, bedragen ”nae quantiteyt van den buenderen ende oick van
een nieuw gebied aan te kopen of een oorlog te bekostigen, den pachten ende renten, die onder elck dorp gelegen
legde hij zijn onderdanen ”beden” of belastingen op. waeren”, te berekenen. Maar volgens de Geleners zouden de
Beekenaren zich daarna niet strikt genoeg aan die afspraak
Verdeling van de beden in de hoofdbank Beek hebben gehouden.
De aan het hele Land van Valkenburg opgelegde beden
werden eerst in gelijke delen over de vier hoofdbanken De Geleners voelen zich benadeeld
omgeslagen en daarna onder de daartoe behorende plaatsen Toen het Land van Valkenburg in 1521 met 2.000 goud-
verdeeld. Bij die tweede verdeling hield men rekening met gulden werd belast en de hoofdbank Beek hiervan een vierde
het aantal inwoners en de uitgebreidheid van hun bezit- moest bijdragen, werd door die van Beek een voor hen wel
tingen. Aangezien het aantal inwoners en/of de omvang van erg voordelige verdelingsformule gebruikt. Zij eisten van
hun bezittingen niet constant waren, leidde dit soms tot Schinnen 104 g. en van Berg en Bemelen elk 26 g., maar
moeilijkheden. Onder de aantekeningen van secretaris lieten Geleen voor 208 g. opdraaien, terwijl zij zelf slechts

116

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 117

136 g. voor hun rekening namen <PSHAL 1885, 313-314>. In oorlogstijd moesten de onderdanen voor het transport
Een voor de Geleners nog nadeligere variant werd bij een van voorraden, wapentuig e.d. voor het leger van hun lands-
volgende aanslag van dezelfde keizer [vóór 1555] door die heer zorgen. Een van de bekendste gevallen was de veldtocht
van Beek aangewend. Doch toen klaagden de autoriteiten van hertog Wenceslaus van Brabant in 1371 tegen de hertog
van Geleen bij die verdeling ”te hoge gestelt en grotelick van Gulik, die te Baesweiler met de nederlaag van eerst-
gegraveert [= benadeeld] te zyn”. Zij waren immers meer genoemde eindigde <VdVenne, 116>.
belast dan ”nae advenant van den buenderen, pachten ende
renten onder die banck van Geleen gelegene”. Bovendien 7. Beveiligingssystemen op het
merkten zij op, dat die van Beek zich evenmin aan ”die oude platteland
maniere van doene... sy gewoenlick waeren van oude tyden”
hadden gehouden, want zij wilden die van Geleen ”tgeheel ”Le plat pays médiéval n’est pas cette zone ouverte
darde deel” doen betalen, d.w.z. ”sonder aff te trecken ’t que les armées traversent et désolent impunément
voerscr. zeesde deel [van Schinnen] ende twelfde deel [van comme à l’époque moderne... les populations
Berg en Bemelen]”. rurales furent en mesure de résister avec plus ou
Toen die van Geleen daarop bij de landelijke overheid in moins de succès aux invasions.” <C. Gaier in Le Moyen
beroep gingen, kwamen twee leden van de raad van Brabant
naar de stad Valkenburg, waar zich nog vier ”commissaris- Age 1963, 753>
sen” uit het Land van Valkenburg bij hen voegden, om de
argumenten van de afgevaardigden van beide plaatsen aan te In de Middeleeuwen waren de dorpen en gehuchten vaak
horen. Geleen werd door de vijf schepenen Hendrik het doelwit van plundertochten door legerbenden. Derhalve
Sgrooten, Lambrecht of Lemmen Beltgens, Jan Loer, Jan zochten de plattelanders zichzelf, maar vooral de ouder-
Renck en Gielis Custers vertegenwoordigd. De raadsheren lingen, vrouwen en kinderen, en hun have en goed met de
en commissarissen stelden Beek voor de keuze ofwel zich aan hun ter beschikking staande middelen zoveel mogelijk in
de met de Geleners gemaakte afspraak te houden ofwel naar veiligheid te brengen.
de traditionele formule terug te keren <PSHAL 1898, 339-341>. Reeds vrij vroeg maakten zij een stenen kerk met een hechte
Uit een verslag van enige jaren later blijkt, dat men voor de stenen toren en een ommuurd kerkhof tot het centrum van
tweede optie had gekozen <Janssen Limp 537-538>. In 1602 hun beveiligingssysteem. Om die reden kwamen de bouw en
werden Geleen en Spaubeek afzonderlijk voor respectievelijk het onderhoud van die toren en van de kerkhofmuur ten
300 gulden en 50 gulden aangeslagen, maar de bijdrage van laste van de gemeenschap. Aan die kern werd later een
Beek werd toen niet ingevuld. Als de 200 gulden, die uitgebreid systeem van
Schinnen moest opbrengen, 1/6 van de totale som was, kan landweren toegevoegd.
de Geleense bijdrage als 1/4 van het geheel worden Deze hadden vooral tot
beschouwd <Slanghen 1865, 86>. doel om veeroof te
In 1615/16 moest de hoofdbank Beek 3.378 gulden beletten.
opbrengen. Beek, Geleen, Schinnen en Spaubeek werden Wegens de ontoereiken-
toen respectievelijk voor ruim 1.474 gl. [= ruim 2/5], ruim de aanvalsmiddelen van
860 gl. [= ca. 1/4], ruim 516 gl. [= ca. 2/13] en 245 gl. de tegenstanders kon
[= ca. 1/14] aangeslagen <NRhWfD - Merg. Abg., St. Abg., Akten I, 14-16>. men zich tot circa 1500
achter stenen muren en
Karweien: hand- en spandiensten in stenen torens tame-
Naast het leveren van bijdragen in geld en goederen waren lijk veilig voelen. Maar
sommige onderdanen aan de landsheer ook nog hand- en nadat de invoering van
spandiensten verschuldigd. Die verplichtingen waren blijk- het buskruit die situatie
baar op de eerste plaats op de laten van toepassing. Zo’n had veranderd, legde
”karwei” werd in oude stukken corweyde of keurweyde [Frans: men ”schansen”, d.w.z.
corvée] genoemd. In een vijftiende-eeuws document staat: beschermde en enigs-
”Ouch syn noch corweyden in der dynckbanck van Geleene, zins verdedigbare ver-
alle die ghene die waege off perde houden, die sijn oick blijven voor mens en
schuldich te voeren die wijngarts stecken van [den] busch vee, in moeilijk toe-
[= bos] in den wijngart [te Valkenburg], also voele als men gankelijke terreinen aan
derre daertoe verorbert. Ouch syn sy schuldig te voeren dat en werden onder
myst [= mest], dat men in den wyngart behoeft. Mer en is vele huizen onderaardse De kerktoren van Oud-Geleen. De
dair eghein [= geen] wyngaert so syn sy schuldig dienst te gangenstelsels gegraven, hoge ingang en het ronde venster
doenn ende hout te voeren op ter borch gelyk den anderen die men haagten noem- zijn niet oorspronkelijk <Tekening
bencken” <PSHAL 1866, 387. - JVNW 1925, 6-7>. de. P.A. Schols, 1943>.

117

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 118

Versterkte kerken, kerktorens en kerkhoven maken de indruk in één campagne gebouwd te zijn. Vooral
de architectuur van de bovengeleding met spitsbogige galm-
”Das ruhsam Behütende, allem feindlichen gaten en herbezigde onderdelen van een gotisch driepasfries
Wehrende, findet Ausdruck in Lage und Form der strookt met... het jaartal 1504 (of 1514)” <NMGKL, afl 1, 159>.
Dorfkirche, die alle diese kleinen Häuser und Derhalve mogen we aannemen, dat de huidige [vaak geres-
Höfe in ihren sicheren Schutz zu nehmen taureerde] kerktoren van Oud-Geleen uit de eerste jaren van
scheint.” <Hilde von Beckerath, Das niederdeutsche Dorf, 13> de zestiende eeuw dateert.
In mijn jeugd spraken oudere Geleners nog steeds van de
Al zijn er heel wat publicaties over ”die Befestigung der kerkhal. Daarmee doelden zij uitdrukkelijk op de plek tussen
Dorfkirchen”, ”befestigte Kirchen”, ”die Dorfkirche als de huizen, die in de Dorpstraat [Marcellienstraat] aan weers-
Wehrbau”, ”Wehrkirchen”, ”wehrhafte Kirchen” en ”kirch- zijden van het oude kerkhof lagen. Aanvankelijk meende ik,
liche Wehrtürme” verschenen, toch werd van Duitse zijde dat daarmee oorspronkelijk de kerktoren zou zijn aangeduid
geklaagd, dat dit onderwerp bij de studie van historische en dat deze daarom als een ”halletoren” mocht worden
gebouwen erg stiefmoederlijk behandeld werd <ZCK 1901, beschouwd. Maar uit een aantekening van pastoor Leurs
205>, terwijl uit Frankrijk de opmerking kwam, dat ”des blijkt duidelijk, dat de plaats tussen de huidige
églises fortifiées” in dat land veel talrijker waren geweest dan Marcellienstraat en het toenmalige kerkhof reeds in 1637 als
algemeen werd aangenomen <Fabre, 73>. kerckhall werd aangeduid. In 1878 schreef ook J. RUSSEL:
De aanvechtbare bewering van H. BERGNER, dat versterkte ”Voor het kerkhof, aan de zoogenaamde Kerkhal” <Russel 1878,
kerken noch aan de Nederrijn noch in Westfalen zouden 19 en 45>.
voorkomen <ZCK 1901, 225 en 229>, is zeker niet op de Naar een verklaring van de naam ”kerkhal” zoekend, kan
Maasstreek van toepassing, zoals J. CEYSSENS <BCRAA 1924, 127- men wellicht denken aan
177> en C. GAIER <MA 1963, 753-772> hebben aangetoond. Wel kramen, die rondtrek-
adviseerde de laatstgenoemde auteur om de studie van de kende kooplieden bij
plattelandsversterkingen niet te verwaarlozen, want anders gemeenschapsfeesten ter
”on risque fort de laisser subsister une erreur de perspective plekke neerzetten; ”halle”
historique” <MA 1963, 753>. betekende immers ”over-
Sinds de vijfde eeuw gold voor kerken het asielrecht, d.w.z. dekte markt”.
de zich daar bevindende personen mochten noch door het Of misschien werd
gerecht noch door vijanden achtervolgd, gevangengenomen aldaar bij bepaalde
of gekwetst worden. Op schending van dit recht stonden gelegenheden, zoals het
zware straffen en tot de twaalfde eeuw werd daaraan ook vrij inhalen van een nieuwe
algemeen de hand gehouden. Maar sedertdien hadden er Heer of bij het houden
zoveel schendingen van het asielrecht plaats, dat de dorpe- van voogdgedingen, een
lingen een hecht kerkgebouw wensten, waar zij zich tegen overdekt podium opge-
schenders van dat recht konden beschermen <MA 1963, 754>. richt. Hier een vroeger
Naast het bouwen van kerken uit baksteen of natuursteen, permanent gebouw ver-
ging men er vanaf de elfde eeuw toe over om torens uit die onderstellen lijkt al te
materialen als speciale toevluchtsoorden op te richten. speculatief.
Daarvan getuigen de massieve torens van zovele middel- Omwille van de veilig-
eeuwse dorpskerken. Omwille van de veiligheid was zo’n heid bracht men in
verdedigingstoren geen onderdeel van de kerk <MA 1963, 758>. sommige torens aan-
In 1504 noteerde een streekgenoot, dat in dat jaar ”waert dee vankelijk geen vaste trap
nuwe kyrckthoren gemackt te Geleen by Syttart” <PSHAL 1870, vanaf de begane grond
121>, terwijl een veel latere aantekening in het parochie- aan, zodat men slechts
archief 1514 als het bouwjaar van een nieuwe toren opgeeft. via een losse en optrek-
Als dit laatste jaartal geen kopieerfout is, duidt het wellicht bare ladder toegang tot
op een restauratie. In 1926 schreef J.H.A. MIALARET, dat de de eerste en de volgende
eerste twee geledingen van de Geleense toren uit de tweede verdiepingen kon krijgen.
helft van de dertiende eeuw en de bovenste uit de eerste helft Wel schijnen reeds vroeg
van de veertiende eeuw zouden dateren <Voorl. Lijst I, 82>. Maar wenteltrappen van steen
in 1962 werd door W. MARRES en J.J.F.W. VAN AGT de te zijn aangebracht, die Doorsneden van de kerktoren met
volgende mening geuit: ”De toren... bestaat uit drie door doorgaans zo eng waren, de wenteltrap te Oud-Geleen:
versnijdingen gescheiden geledingen onder een ingesnoerde dat ze slechts ruimte (onder) vrij dicht bij de begane
spits met leien; de torenromp is op vele plaatsen hersteld in voor één persoon lieten. grond; (boven) ongeveer halfweg
baksteen en hardsteen... De drie geledingen van de toren Het feit, dat de nog de hoogte <NMGKL, afl. 1, 160>.

118

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 119

gedeeltelijk aanwezige wenteltrap te Geleen - althans Zij bleken vrij dicht bij de straat te liggen. Naar het nog
gedeeltelijk - tegen de buitenkant van de toren werd aan- bestaande restant van de vroegere kerkhofmuur achter de
gebracht, wijst er misschien op, dat hij niet uit 1504 dateert. Calvariekapel te oordelen moet het kerkhof eertijds door een
Pastoor Leurs noteerde in 1629, dat hij toen had ”laeten hoge en zware muur omgeven zijn geweest.
maacken den thooren met den windeltrap”. Vermoedelijk Zelfs lang nadat de kerk en de toren hadden opgehouden
moet dit in die zin te worden verstaan, dat die wenteltrap er toevluchtsoorden voor personen te zijn, bleef men die
reeds eerder was en dat hij in dat jaar - evenals de toren zelf gebouwen in tijden van gevaar als bergruimten voor goede-
- gerestaureerd werd. Beide waren immers aan slijtage onder- ren gebruiken. In de verdiepingen van de kerktoren werden
hevig, nl. de toren door weer en wind en de trap door veel- kisten met waardevolle voorwerpen geplaatst; de sleutels van
vuldig gebruik. die kisten werden door de eigenaars bewaard. De kerkruimte
In de Middeleeuwen werden ook veel kerkhoven versterkt. en de kerkzolder werden als opslagplaatsen voor allerlei
In buitenlandse publicaties wordt nogal eens melding goederen, o.a. levensmiddelen, gebruikt.
gemaakt van ”der mittelalterliche Dorfkirchhof als Ort der
Wehr”, ”befestigte Kirchhöfe”, ”befestigte Friedhöfe”, Valderens en ”einden” als straatafsluitingen
”Kirchhofsbefestigungen” en ”cimetières fortifiées”. De
vroegste vermelding van een versterkt kerkhof in onze De toegangswegen tot dorpen en gehuchten werden door
streken was dat van Brustem (B.) in 1171. Aanvankelijk z.g. valderens afgesloten. Reeds in 1382 was er sprake van ”te
werden de middeleeuwse kerkhoven omgeven door wallen, Glene by dat valderen” <PSHAL 1885, 2829>. Door sommigen
waarop levende heggen of palissaden werden geplaatst en werd dat woord als ”valdeur” verklaard, maar in vroeger
waarbuiten grachten werden aangelegd <MA 1963, 761>. eeuwen had ”valdeur” de betekenis van ”valluik” <Stallaert III,
Later werden de kerkhoven door stevige muren omringd en 498>. Daar in Duitse teksten Fallgatter werd gebruikt
in sommige gevallen werden deze laatste van schietgaten <HeimatNrh XIX (1940), 135> en in oorkonden van Belgisch
voorzien. Een verordening uit 1585 voor het hertogdom Limburg valgader [Gatter, gader, gaar = hek] voorkomt
Gulik luidde o.a.: ”in jedem dorf die kirchöve also gemacht, <Meded 1953, 33>, lijkt valderen een samentrekking van valgader
das sie ire gueter, welche in der kirchen gefleuchtet, darvon te bevatten. Nochtans was de spelling valderen geen meer-
verdedigen konnen” <Below II, 556>. Menigmaal werd in tijden voudsvorm; ook elders schreef men: ”het valderen”. Niet
van gevaar ook vee op het kerkhof ondergebracht; vandaar alleen leeft dat woord in het huidige Limburgse dialect als
dat men in de kronieken van sommige plaatsen in het vauwere voort, maar ook werd het al vele eeuwen geleden als
Maasgebied leest, dat op de kerkhoven stallen, schuren en zodanig in de volksmond gebruikt; zo komt in een Sittards
zelfs ”spijkers” of graantorens werden opgericht <MA 1963, document uit 1351 een vauerpost voor <PSHAL 1877, 365>.
759>. Thans wordt met vauwere meestal een groot vaeke [= hek]
Pastoor Leurs tekende aan: ”Anno 1628 heb ick die kerck- aangeduid, maar vorige generaties doelden daarmee op
hoffmuier laeten maecken, ende die naebueren hebben [wegens hun schuine opstelling of door eraan bevestigde
betalt”. Het lijdt m.i. weinig of geen twijfel, dat hier slechts gewichten] ”zelf dichtklappende” hekken. In een latere fase
van een reparatie sprake was. Niet alleen dient te worden werden ook slagbomen, die wegen afsloten, valderens
verondersteld, dat het kerkhof - omwille van de veiligheid - genoemd.
reeds eerder door een muur was omgeven, maar ook zouden Naargelang hun constructie hadden valderens verschillende
bij het optrekken van een geheel nieuwe kerkhofmuur functies. HEKKER schreef, dat de valderens vooral dienden
waarschijnlijk de niet onaanzienlijke kosten vermeld zijn om het uitbreken van vee te voorkomen en als tweede
geworden. functie een zekere bescherming tegen vreemden boden <Dorp,
Volgens de statuten van het aartsdiakonaat Kempenland 24>. Zo lezen wij in een document uit 1553, dat iemand
[= de binnen het uitgestrekte bisdom Luik opgerichte moest ”dat vauweren... gaende ende wervende [= draaiende]
administratieve eenheid van de tot het district Toxandria of onderhouden in sulcker maete om genoegsaem die beesten
Kempenland behorende dekenaten, o.a. het dekenaat van de velden te keren” <Loon 1946, 159-160>. In dat opzicht
Susteren, waartoe de parochie Geleen toen behoorde] kwam waren valderens praktisch identiek met ”einden”.
de omheining van het kerkhof ten laste van de gemeenschap Maar waar valderens slagbomen waren, die overdag open
<Habets 1875, 331>. Het door pastoor Leurs gebruikte woord bleven en ’s avonds werden neergelaten en gesloten, konden
”naebueren” betekende niet, dat de kosten slechts door vlak zij daar niet toe dienen. Omdat het kleinvee, dat door de
bij het kerkhof wonende personen zouden zijn gedragen; straten zwierf, door dergelijke slagbomen niet kon worden
destijds was dit een algemeen gangbaar woord voor tegengehouden en ook wegens het feit, dat ze overdag blijk-
”inwoners”, in dit geval ”parochianen”. baar open waren, moet aan die slagbomen primair een rol in
Het kerkhof werd ook aan de straatkant afgesloten. Bij de de beveiliging van de bewoonde kom worden toegekend.
plaatsing van het H. Hartmonument (1930) - dat later Op 28 mei 1687 verklaarde Hencken Guilckers, die aan het
verder naar achteren werd verschoven - werden fundamenten noordelijk begin van de Pieterstraat woonde, dat hij niet
van de vroegere kerkhofmuur aan de straatzijde blootgelegd. verplicht was het valderen - waarschijnlijk het Gasthuis-

119

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 120

De Pieterstraat vanaf ”het Veltje” - waar thans de Dohmen- Bij het vroegere zuidoostelijke begin van de Eindstraat sloot het
straat begint - in noordelijke richting in 1912. Ongeveer ter Dorpsputvalderen in de Middeleeuwen de toegang tot de oudste
plekke van de vrouw met de kruiwagen, werd de straat in de kern van Oud-Geleen af. Rechts, waar het kind staat, begon een
Middeleeuwen door het Gasthuisvalderen afgesloten. Geheel gang tussen twee woningen. Daarin stond in de eerste helft van
links springt de heg van de vroegere gasthuis(kool)hof vooruit. de twintigste eeuw een grote koperen pomp, die vermoedelijk
Daarnaast ziet men een gaslantaarn voor de straatverlichting met de vroegere dorpsput was verbonden. Het is evenwel niet
met zekerheid bekend aan welke kant van de straat de dorpsput
<Foto door Sybilla Ramaekers, die in 1879 met haar familie uit de Groenstraat naar lag <Foto Majolee, circa 1944> .

de staat Nebraska in de U.S.A. was geëmigreerd en in 1912 op bezoek kwam; door de

schrijver in Nebraska gevonden>.

valderen - te onderhouden, omdat secretaris Hagens dat eerste van die benamingen werd ontleend aan het toponiem
gedurende meer dan dertig jaar had gedaan. Daaruit blijkt, Haeset, waarmee het gebied ten noorden van Oud-Geleen
dat toen te Geleen valderens nog steeds in gebruik waren. vroeger werd aangeduid, terwijl de tweede benaming van de
vlakbij gelegen Hanenhof werd afgeleid. Later werd het
Valderens te Oud-Geleen Haesetvalderen door de Haeseltstegel vervangen. Zo’n stegel
Halverwege de huidige Pieterstraat, ter hoogte van de was vaak een trapje om over, en soms een horizontaal
Dohmenstraat, lag het Gasthuisvalderen; dit werd aldus draaiend balkenkruis om door, een omheining te geraken;
genoemd naar het gasthuis, dat iets ten zuiden daarvan aan dus wordt de indruk van een versperring door die benaming
de westzijde van die straat lag. De aanduiding ”in de nog versterkt.
Peterstraat aen het vauren” werd zelfs nog circa 1772 Dan was er te Oud-Geleen nog het door de landmeters
gebruikt. Vermoedelijk bewaarde de latere plaatsaanduiding Bollen vermelde Peschvalderen. Zijn locatie werd aangeduid
’t Veltje(r) aldaar een herinnering aan dat valderen, want in door de vermelding, dat daar een weg begon, die via het
die vorm en betekenis kwam dit woord ook in naburige Lintje [= Lindje] naar Sittard liep. Dat valderen kan niet
plaatsen voor <JPGL 1916, 160. - Pijls, 97. - Vromen 1948, 52>. halverwege de Peschstraat bij een brugje aan het begin van
Het Dorpsputvalderen sloot de Eindstraat aan haar [vroegere] het steegje [in noordelijke richting] hebben gelegen, want
zuidoostelijk begin af, nl. waar de Dorpstraat [Marcellien- wegens zijn geringe breedte liet dat steegje geen asverkeer toe
straat] en de Jodenstraat samenkomen. Het werd aldus en was er dus geen reden om daar een valderen te plaatsen.
genoemd wegens de daar gelegen dorpsput. Pastoor Leurs Hier lijkt slechts een plek vlak vóór de Koebrug in
sprak van ”den dorpput ende schlagboum”. Door hun aanmerking te komen. Ofschoon enerzijds die Koebrug
ligging geven valderens betrouwbare aanwijzingen over de oorspronkelijk door een eigenaar of een halfer van de
vroegere omvang van de bebouwde kom. En omdat daarbij Hanenhof zal zijn aangebracht om de ten oosten van de beek
de gehele Eindstraat eeuwenlang als woonstraat werd uit- gelegen delen van zijn gewande te bereiken, en er anderzijds
geschakeld, moet het Dorpsputvalderen reeds vrij vroeg op tot in de negentiende eeuw aan de overkant geen eigenlijke
die plek zijn aangebracht. aansluitende weg voor doorgaand asverkeer was, had men
Uit latere tijden is een valderen bij de Hanenhof bekend. blijkbaar toch besloten de toegang tot Oud-Geleen via de
Waar [ten westen van het spoor Heerlen-Sittard] uit de Koebrug te beveiligen door er een valderen te plaatsen,
vroegere Jorisstraat een veldweg, de z.g. Glèènderwèèg, naar waardoor eventueel verkeer over die brug aanstonds kon
Ophoven aftakte - ongeveer ter plekke van de worden opgevangen om het de toegang zowel tot de
Eppenbeek(straat) - lag eertijds het Haesetvalderen, dat ook Peschstraat als tot de weg om de Hanenhof heen te
’s Hanenhofsvalderen en Veldvalderen werd genoemd. De ontzeggen.

120

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 121

Valderens te Lutterade Valderen(s) te Neerbeek
In 1589 werden ook in het dorp Lutterade vier valderens In 1589 was er sprake van Nierbeeckervalderen mitter
vermeld. Het eerste was het Peerbooms valderen. De plek kigmans straet <Msg 1911, 33>. Zoals wij zagen was deze laatste
genaamd ”aen de Peere Boom” lag in de noordwesthoek van een zijstraat van de Neerbeeker Dorpstraat en kwam ze op
het dorp vlakbij de Graetheide. Daar liep ook ”het Peere ”den hehrweg naer Tricht”, d.w.z. de Oude Maastrichterweg,
Bomer weghsken”. Waarschijnlijk doelde pastoor Leurs op uit. Later heette ze Kummekerweg, terwijl ze in de volks-
dit valderen, toen hij in 1637 schreef: ”tot Lutterroede aen mond ’t Sjträötje [= het Straatje] werd genoemd. Derhalve
die Slaghboum aen die heyde”. De huidige Valderenstraat lag dit valderen ter plaatse waar die straat van de Dorpstraat
[te Lindenheuvel] lijkt de herinnering aan dit valderen te aftakte. Dat valderen heeft allicht de hoofdstraat afgesloten,
bewaren. maar wij weten niet of dit vlak ten noorden dan wel vlak ten
Het Conin(ck)x valderen lag aan de noordzijde van zuiden van de genoemde zijstraat lag.
Lutterade, waar een weg uit Einighausen en de Haesepaet uit In een der meetboeken Bollen (circa 1700) staat, dat het huis
Ophoven samenkwamen. Het moet naar een familie van Jaspar Dullens het laatste huis van Neerbeek [in de
Coni(n)gs zijn genoemd, want in 1555 werd vermeld, dat de richting Geleen] was en op de hoek van de Keumekerstraet
woning van Thijs Conigs dicht bij de Linde in de Bovenste lag. Op de huidige plattegrond van de gemeente Geleen is
Dorpstraat te Lutterade lag <LvO nr. 1307> en in 1777 was er dat ongeveer ter plaatse waar de Weberstraat van [de straat]
sprake van de Koningshof aldaar. De spelling Curinckx <Msg Spaans-Neerbeek aftakt. Ook spraken de landmeters Bollen
1911, 34> moet een kopieerfout zijn, want in 1637 schreef van het Daelscher valderen. Daar het door hen vermelde
pastoor Leurs: Coninx valderen. Daellerveldt aan de noordzijde van Neerbeek lag, kan men
Dan was er in 1589 nog sprake van Ghisen nieuwen valderen zich afvragen of het Daelscher valderen misschien identiek
en van een weg gaande van den valderen vuyt de Groensstraet met het Nierbeecker valderen is geweest.
<Msg 1911, 34>. Wellicht stond de naam van het eerste in Nergens is er in de archieven sprake van een valderen op de
verband met het toponiem Giesekoel, terwijl het tweede de grens van de gemeenten Beek en Geleen, d.w.z. waar Beeks
Groenstraat waarschijnlijk aan de oostzijde afsloot. Het lijkt Neerbeek eindigde en Geleens Neerbeek begon. Wel lag
voor de hand te liggen, dat ook de Onderste Dorpstraat daar een brug over de Keutelbeek.
[Geenstraat] aan de noordoostzijde door een valderen werd
afgesloten; doch daarover staan geen gegevens ter beschik- Het ”einde” bij de [Oude] Maastrichterweg te Oud-Geleen
king. Op veel plaatsen komt het toponiem (het) Einde - in het
dialect gen Ènj of gen Ing - voor. Men heeft vrij algemeen
Valderen(s) te Krawinkel aangenomen, dat daarmee uitdrukkelijk ”het einde” van de
In 1589 werd onder Krawinkel slechts het Keutensvalderen bewoonde kom werd aangeduid. Maar te Oud-Geleen
vermeld <Msg 1911, 34>. Volgens de daarbij verschafte plaats- eindigde de bebouwde kom eeuwenlang aan het [vroegere]
beschrijving lag het op of nabij de plek, waar de huidige zuidoostelijke begin van de Eindstraat, nl. bij het
Vouersweg aan de Spoorstraat-Hofstraat begint. In zeven- Dorpsputvalderen, terwijl het toponiem Einde op enkele
tiende-eeuwse documenten en op oudere kaarten wordt die honderden meters van die plek, nl. aan het noordwestelijke
straat Valderensweg genoemd. Ook het toponiem Vouers- begin van die straat, d.w.z. bij de kruising met de [Oude]
veld, dat eertijds Valderensveld heette, herinnert aan dit Maastrichterweg, ontstond. Op een gemeentekaart van 1913
valderen. Omstreek 1700 lag de ”huysplaetse” van Jan staat bij dat kruispunt: Aan Gen End, terwijl op diezelfde
Krekels ”tot Crauwinckel aen t. valderen”. De voorkant van kaart de [later aldus genoemde] Eindstraat en Marcellien-
zijn huis lag naar ”die Do(o)rpstraet gekeerd” en aan een straat tezamen als ”Dorpstraat” staan aangegeven.
zijkant liep ”den gemeijnen voetpaedt”. De juiste locatie is De Noord-Brabantse historicus J. TIMMERS heeft aan-
niet duidelijk, maar vermoedelijk was dit het boven- getoond, dat een ”einde” een soort hek was. Dat blijkt o.a.
genoemde valderen. uit de vermelding van posten of palen, waaraan zo’n ”einde”
Hier dringt zich de vraag op of de Oude Maastrichterweg, hing. Bovendien blijkt uit de onderhoudsvoorschriften, dat
die toch dwars door de oude kern van dat dorp liep, ze invalswegen van dorpen en gehuchten afsloten <BrH 1983,
niet werd afgesloten. Dat was inderdaad het geval, al noem- 97-103; 1985, 80-86>. Het Geleense ”einde” kan enerzijds hebben
de men die afsluiting toen niet valderen. De Keerstraat gediend om loslopend eigen vee ”binnen de perken” te
bewaart in haar naam de herinnering aan een zogenaamde houden en anderzijds om over de Oude Maastrichterweg
keer, d.w.z. een versperring in zigzagvorm. Dat woord kwam geleid vreemd vee uit de ”Eindstraat” te weren. Genoemde
reeds eeuwen geleden in de Geleense archieven als toponiem auteur schreef ook, dat dit woord na 1700 uit het [Noord-
ter plekke voor; op oude kaarten wordt de Keerstraat ”Straat Brabantse] spraakgebruik is verdwenen en later niet meer in
aan den Keer” genoemd. Ook de naam Hegstraat zijn oorspronkelijke betekenis is begrepen. Datzelfde blijkt
[”Hèksjtraot”], die een onderdeel van de Oude ook in Limburg te zijn gebeurd.
Maastrichterweg uitmaakte, kan aan een versperring voor
verkeer herinneren.

121

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 122

Landweer: twee met struikgewas begroeide wallen en drie droge grachten <Tekening H. Janssen naar opgave door de schrijver>.

Het systeem van landweren of landweringen In 1321 vermeldde de prins-bisschop van Münster (D.) in
een Latijns document het aanleggen van een versterking op
”Dorfbefestigungen sind begreiflicherweise nur het platteland, die in de volksmond lantwere werd genoemd,
selten und trümmerhaft überliefert. Aber aus alten waardoor de inwoners aan rovers en plunderaars, die hun
Zeugnissen geht hervor, daß die Dörfer überall, dorpen trachtten binnen te dringen, beter weerstand zouden
wo sich ein freier Bauernstand erhalten hatte, eine kunnen bieden <WFUB VIII, nr. 1518>. In 1454 beval de prins-
Umfriedung von Erdwällen und Gräben, bisschop van Luik om vanaf Huy noordwaarts langs de
Palisaden oder Gebückszäunen hatten.” <Bergner, westelijke grens van zijn gebied een lange landweer aan te
leggen <MA 1963, 767-768>. En op de Gulikse landdag van
136> Hambach (D.) in februari 1596 werd vastgesteld, ”daß sich
nach langer Erfahrenheit kein bequemeres Mittel offenbart
In het beveiligingssysteem van het laatmiddeleeuwse Geleen habe... um das tägliche Streuffen und Placken abzuwenden,
namen landweren een voorname plaats in. In Nederlands allenthalben im Lande Jülich... [als] an den Grenzen und
Limburg werd nog slechts weinig over landweren als zodanig innerhalb des Landes die unnötigen Wege zu vergraben,
gepubliceerd <Seppen, 283-306>. De interpretatie van de restan- Landwehren aufzurichten und die notwendige Pässe darin
ten van sommige middeleeuwse landweren als prehistorische mit Schanzen, Schlagbaüme... zu hemmen” <ZAGV 1939, 189-
werken <Ort - Beckers, 92-103. - Ndms 1941, 46-50. - TsKNAG 1946, 737- 199>. De landweer langs de westgrens van het hertogdom
Gulik sloot bij die van de stad Aken aan <Piepers 1989, 151-162>.
753; 1947, 151-152. - LvH 1952, 1-10; 1956, 91-92. - Moonen, 20-24. - Ook het Gulikse Sittard had een op ruime afstand van zijn
stadswallen gelegen landweer <Offermans, 46,47, 49, 66 en 90. -
Steenkool, jan. 1954, 12-13 en 20 - Venrooy> heb ik reeds in 1965 SittardHG, 116-117. - Jonkergouw, 111-114>.
bestreden <M’geleen, 23-26>. In tijden van gevaar diende de kerktoren als uitkijkpost; in
Dankzij de talrijke publicaties over middeleeuwse ”Orts- de toren van de grote kerk te Sittard was daartoe zelfs een
befestigungen, Landwehren, Warten und Paßsperren” in het speciaal ”tutershuske” aangebracht <Jansen, 18>. Zodra men
aangrenzende Duitse gebied, zijn wij over dat onderwerp vrij vijandelijke troepen zag naderen, werd de alarmklok geluid
goed ingelicht. Ook hebben studies over met landweren om zowel de wachtposten bij de landweren alsook de bevol-
verband houdende toponiemen <DG 1910, 140-141. - Heimat K king in het veld of in de huizen te waarschuwen. Op
1940, 125-257. - EFF, 10-18. - SFS 17 (1943), 65-68> onze kennis van dit sommige plaatsen werd een korf of mand uit de toren
fenomeen belangrijk uitgebreid. Daarom kan zelfs uit gehangen, die bij naderend gevaar werd binnengehaald, om
beknopte vermeldingen in de plaatselijke archieven, aange- aldus aan personen in het veld een duidelijk zichtbaar waar-
vuld met toponiemen en aspecten van het landschap, een schuwingsteken te geven.
ons inziens vrij betrouwbare reconstructie van het Geleense
middeleeuwse landweersysteem worden gemaakt. Het is De landweer ten westen van Lutterade, Krawinkel en
evenwel niet zeker, dat alle hieronder te bespreken onder- Neerbeek
delen van dat systeem terzelfdertijd werden aangelegd; In 1566 verklaarden enige bejaarde inwoners van Geleen,
vroegere constructies kunnen immers in latere systemen zijn ”dat sy gehoert hebben van honnen vooralderen [= hun
opgenomen. voorouders], dat der heygraff voermaels [= voorheen] durch
Landweren waren geen loopgraven voor gevechten van man grote beancxstonge, kriechshandelonge des lantz Gelre [ca.
tegen man en ook geen bolwerken ”om er achter te gaan 1500], opgegraven is.” Uit de bekende resten van die land-
liggen teneinde de vijand onder schot te nemen”. Zij weer blijkt, dat ze door de Geleners, tezamen met de
dienden hoofdzakelijk als ”moeilijk doorschrijdbare” hinder- Beekenaren, vanaf de grens met Sittard langs de westzijde
nissen voor benden, die op roof - vooral veeroof - belust van Lutterade, Krawinkel en Neerbeek tot op Beeker grond-
waren <TsKNAG 1936, 845-846>. Zelfs indien deze erin mochten gebied werd opgeworpen. Tevens verklaarden die bejaarde
slagen om die barrière te doorbreken, zou het hun toch nog Geleners, dat die heygraff geheel op Valkenburgs gebied lag
moeilijk vallen om er met het geroofde vee weer uit te en wel zover van de rand der heide, dat tussen die rand en de
geraken, want de met rieken en schoppen gewapende dorpe-
lingen liepen tezamen om de rovers hun buit afhandig te
maken.

122

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 123

graaf twee paarden naast elkaar op Valkenburgs gebied ”cluse, kluse, cluyse of kluyse” was: smalle doorgang,
konden lopen <PSHAL 1898, 352>. grensbewaking. Thans worden bergpassen in de Alpen nog
In latere bronnen was sprake van de ”alte doppelte land- ”Klausen” genoemd. De Geleense cluyse sloot zowel de uit
wehr”; daaruit blijkt, dat die landweer uit twee wallen - en Sittard komende Oude Maastrichter- of Sittarderweg naar
waarschijnlijk drie grachten - bestond. Door het uitgraven het Einde te Oud-Geleen alsook de naar Lutterade lopende
van de aarde - voor het ophopen van de wallen - ontstonden Haesepaet af <TsHKVGel 1983, nr.1, 12-19>.
zowel tussen die wallen als daarbuiten droge grachten. Een Het verdere westelijke verloop van die grens tot aan de
gedeelte van die landweer lag ongeveer ter plaatse van de Landgraaf heette de Haag. Die naam wees allicht op struik-
huidige Ringovenstraat en Heidestraat; tot in onze tijd gewas, dat eveneens een onderdeel van het beveiligings-
werden die straten door oudere inwoners van Lutterade systeem was. Zo wijst ook de Haagstraat ten zuiden van de
respectievelijk Bovenste en Onderste Heigraaf genoemd. Ook oude kern van Munstergeleen op een vroegere [uit de
het noordwestelijke verlengde van de Napoleonbaan bleef in archieven bekende] landweer aldaar.
de benaming Landgraaf de herinnering aan de vroegere Bij ’t Lintje [= Lindje], waar de veldweg van Ophoven naar
situatie bewaren. Oud-Geleen die oost-westweg uit Munstergeleen kruiste,
Op die wallen werd allerlei struikgewas, vooral doorn- werd waarschijnlijk eveneens een versperring aangebracht. In
struiken, geplant en de takken daarvan werden dooreen elk geval werd diezelfde weg dicht bij de Hanenhof door het
gevlochten om aldus een dikke ondoordringbare haag te bovengenoemde Haeset-, Hanenhofs- of Veldvalderen
vormen. Een gelijkaardige landweer bij Krefeld (D.) werd afgesloten. Dit valderen paste in de tweede oost-westlopen-
aldus omschreven: ”die met een drie dobbelen graft de linie dichter bij de bewoonde kom. Aangezien men hier
[= ’graaf’] en twee wallen tusschen beyden dicht met niet van de gesteldheid van het landschap kon profiteren,
eyckenstruycken bewassen was, dat ghen paerd daer door moest er met de spade een gracht- en walstelsel worden
konde” <Nettesheim, 218>. Ook was het de algemene gewoonte opgeworpen. Zowel uit de tot in onze tijd bewaard gebleven
om in tijden van gevaar sommige veldwegen door het graven begroeide walletjes als afbakeningen van tuinen of weiden
van diepe dwarssleuven onbruikbaar te maken en bij de ten noorden van de Jodenstraat en de Eindstraat alsook uit
plekken waar belangrijke wegen de landweren kruisten, de vroeger algemeen gebruikte benaming Achter de Hègge [of
wachtposten te plaatsen. Hèkke] voor de daar lopende weg wijzen er ons inziens op,
dat vanaf het Hanenhofsvalderen in westelijke richting een
Dubbel landweersysteem aan de noordzijde van landweer werd aangelegd, die parallel met de beide genoem-
Oud-Geleen de straten liep. In Duitsland wordt de veldnaam ”Hinter den
Daar het grootste gevaar uit het noorden dreigde en Geleen Hecken” eveneens als een aanduiding voor een vroegere
de noordelijkste plaats in het Land van Valkenburg was, landweer beschouwd <Aaken, 15>. In de nog in onze tijd
diende vooral die flank beveiligd te worden. Uit diverse duidelijk zichtbare en zelfs opvallende laagte van sommige
gegevens kan worden geconcludeerd, dat het aldaar aan- akkers en weiden langs de noordzijde van die weg Achter de
gelegde beveiligingssysteem uit twee oost-west, met elkaar Hègge zou men het restant van een vrij brede en diepe
parallel lopende, linies heeft bestaan. buitengracht kunnen zien. Die indruk werd nog versterkt
De noordelijke linie volgde de [grotendeels] holle weg die door het hoogteverschil in oude cultuurlagen van de grond,
vanaf de brug over de Geleenbeek bij de [vroegere] kerk van die - blijkens toen genomen foto’s - enkele decennia geleden
Munstergeleen naar de Graetheide liep en waarvan een bij machinale uitgravingen aan het licht kwamen. Ofschoon
gedeelte vele eeuwen lang de grens tussen Sittard en Geleen het pad tussen twee walletjes [waarvan er een in mijn jeugd
vormde; kadastraal staat die weg nog steeds als Moljeweg werd geslecht] langs de noordzijde van weiden aan de
bekend. Dat betekent niet ”weg naar de molen”, zoals Jodenstraat op een dubbele wal wezen, kan dit laatste toch
sommigen hebben verondersteld. Circa 1700 en in 1720 was niet met zekerheid voor de hele landweer worden geponeerd.
er sprake van ”de moelie ofte reijn” tussen Sittard en Geleen Op grond van de vrij dicht bij het westelijke einde van de
<GAG nr. 1. - Offermans, 49-50>. Een moelie of moolj is nog steeds Eindstraat gelegen vroegere kadastrale benamingen Keerland
de dialectnaam voor een baktrog; als veldnaam wordt dit en Keerwei, mogen wij aannemen, dat ter plekke waar de
woord door toponymisten als een langwerpige laagte of holle Oude Maastrichterweg die landweer doorsneed, het verkeer
weg met opgehoogde randen verklaard. Een dergelijk aspect gedwongen werd via een bewaakte keer of zigzag-doorgang -
in het landschap paste uitstekend in het Geleense in Duitsland ”Eselsrücken” of ”Schwanenhals” of ook wel
beveiligingssysteem. kortweg ”Esel” of ”Schwan” genoemd - te passeren.
Waar die oost-west lopende Moljeweg door de noord-zuid
lopende Oude Maastrichterweg werd gekruist, bracht men Een landweer ten noorden van Daniken?
een zogenaamde cluyse aan. Deze werd rond 1550 in een Hier lijkt de vraag gewettigd of in het ten oosten van de
opgave van wegen driemaal vermeld en de diverse ver- Geleenbeek en ten noorden van Daniken west-oostlopend
wijzingen laten geen twijfel over haar ligging bestaan. Sint-Hubertuspad een overblijfsel van een landweer ter
Welnu, een gangbare betekenis van het middeleeuwse woord bescherming van Daniken met zijn beide molens mag

123

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 124

Het Sint-Hubertuspad tussen begroeide walletjes, ten noorden Middeleeuwse verdedigingselementen te Oud-Geleen geproje-
van Daniken, in de jaren dertig <Foto’s door de schrijver>. ceerd op een plattegrond van 1887. Linksboven, parallel met de
Jodenstraat en de Eindstraat, liep een landweer (1). De vier-
kanten buiten- en binnengrachten (2 en 3) om de Hanenhof
(4), de ronde gracht (5) rond het huis ”Op de Berg” (6), aan-
sluitend bij de ronde gracht (7) om een wei ten zuiden van dat
gebouw, volgens overblijfsels, die in de jaren twintig en dertig
nog goed te zien waren, door de schrijver ter plekke genoteerd.
Geheel rechts, ongeveer tegenover de plek waar de zuidelijke tak
van de Peschstraat (Molenstraat, thans Bergstraat) de Geleen-
beek bereikt, begon het Sint-Hubertuspad (8). Halfweg de
Pieterstraat lag het Gasthuisvalderen (9). Aan het begin van de
Eindstraat, waar de Dorpstraat en Jodenstraat samenkomen,
lag het Dorpsputvalderen (10). Midden boven lag het Haeset-,
Hanenhof- of Veldvalderen (11). Vlak vóór de Koebrug (12)
lag het Peschvalderen (13).

worden gezien. Eertijds lagen aan weerszijden van dit pad Omgrachte gebouwen
- dat in vroeger eeuwen door inwoners van Puth werd
gebruikt om in Oud-Geleen te geraken - walletjes, die met Oud-Geleen was geografisch gezien aan de oostzijde het best
hoog hakhout waren begroeid. Sedert de jaren dertig van de beveiligd, want daar vormde de Geleenbeek een flinke
twintigste eeuw is de situatie ter plaatse echter zo grondig barrière. Langs die beek lagen dan ook de meest geschikte
veranderd, dat de vroegere toestand niet meer te herkennen plaatsen om een paar toevluchtsoorden voor mens en vee in
valt. te richten. Sedert het einde van de zestiende eeuw werden op
veel plaatsen in Midden- en Noord-Limburg z. g. ”schansen”
aangelegd. Dit waren door grachten omgeven en meestal
slechts via ophaalbruggen toegankelijke terreinen, die
tamelijk ver van de woonkernen waren gelegen <Loon 1947, 22>.
Maar in andere plaatsen waren dergelijke afgelegen plekken
ofwel niet beschikbaar ofwel niet tijdig bereikbaar. Zo
schijnen de Belgische Maasdorpen weinig of geen schansen
te hebben gekend. In tijden van gevaar dreven de bewoners
hun vee naar het kasteel of naar een hoeve met grachten
omgeven en brachten zij hun kostbaarheden naar de kerk
<Loon 1946, 153>. Dit moet ook te Geleen het geval zijn
geweest. Zowel de Hanenhof als het huis ”Op de Berg”

124

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 125

pasten met hun grachten zo volkomen in het grotere
beveiligingssysteem, dat men ze nauwelijks daaruit kan
wegdenken. Het is ons inziens dan ook meer dan waar-
schijnlijk, dat sommige van die grachten werden gegraven
toen de landweren werden aangelegd.

Laatste restanten van de grachten rond de Hanenhof. De bomen
staan op de rand van een der vroegere grachten. Rechts de spoor-
weg in de richting Sittard, die midden door de fundamenten
van die hoeve werd aangelegd <Foto door de schrijver, circa 1960>.

De Hanenhof De naar het westen gekeerde voorkant van het huis ”Op de
Om de Hanenhof heen groef men twee rechthoeken van Berg”. Duidelijk is te zien, dat dit gebouw op een hoogte lag
binnen- en buitengrachten, die met de vloedgraaf, de <Linosnede door J. van Hoof naar een tekening door P.A. Schols>.
Keutelbeek en de Geleenbeek in verbinding stonden. In de
tweede helft van de negentiende eeuw noteerde JOS. HABETS: Het huis ”Op de Berg”
”in de Kalverweiden vindt men schanswerken uit de 16e of De natuurlijke hoogte tussen de huidige spoorweg Heerlen-
17e eeuw, die 500 meter lang en 150 meter breed zijn” Sittard en de Geleenbeek heette eeuwenlang ”de Berg”. De
<HabNaP>. Gezien het ons bekende patroon heeft HABETS die aan de oostzijde langs het spoor lopende Bergstraat bewaart
500 meter waarschijnlijk langs de buitengrachten, die langs nog de herinnering aan de vroegere situatie en naamgeving.
de Jorisstraat lagen, afgestapt en heeft hij de binnengrachten ”Op de Berg” lag reeds vroeg een aanzienlijk gebouw in vak-
over een lengte van 150 meter gevolgd. werk. Bij en rond dit huis werd een dubbel rond grachten-
Ofschoon door de aanleg van het spoor in de jaren negentig stelsel in een 8-vorm aangelegd, dat in mijn jeugd nog zo
van de negentiende eeuw de situatie ter plaatse zwaar duidelijk zichtbaar was, dat ik het in kaart kon brengen. Het
verstoord werd, bleven de ondiepe buitengrachten tot aan de gebouw zelf werd door een ronde gracht omgeven, terwijl in
naoorlogse verlenging van de Jodenstraat goed zichtbaar en de ernaast gelegen weide een ronde gracht van grotere
waren in de jaren twintig van de twintigste eeuw ook nog afmetingen werd gegraven. In het parochiearchief wordt het
grote stukken van de diepere binnengrachten aanwezig. huis ”Op de Berg” ook der Wijerhoff [= vijverhoeve]
Omdat ze toen niet meer met de beide beken in verbinding genoemd.
stonden, waren deze laatste in de zomer meestal droog; maar Nog in de jaren twintig van deze eeuw werd in de winter
in de winter waren de laagste stukken doorgaans met water door de jeugd op de toegevroren gracht aan de zuidkant van
gevuld. In zijn jeugd heeft de schrijver eens visjes uit de dat gebouw ”gesjleerd” en geschaatst. Een van mijn vrienden
roeivijver van Ophoven in dat grachtwater geplaatst. brak zelfs bij het vallen op het ijs van die gracht een arm.
Die binnengrachten werden in onze tijd opgevuld, nl. in de Volgens RUSSEL zou aan de Peschzijde een ophaalbrug
jaren twintig ten dele met grond, die bij de overkluizing van hebben gelegen <Russel, Auverm. (1878), 11>, maar ook hier gaf hij
de Keutelbeek in het midden van de Peschstraat werd uit- geen bron op. Aangezien het 8-vormige grachtenstelsel van
gegraven en in de jaren dertig ten dele door een vuilnisbelt.
RUSSEL schreef, dat bij de Hanenhof een ophaalbrug had
gelegen <Russel, Auverm. (1878), 8>, maar hij gaf geen bron op.

125

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 126

het huis ”Op de Berg” er heel anders uitzag dan het Nog rond het midden van de achttiende eeuw werden
rechthoekige grachtenstelsel van de Hanenhof, zou het uit haagten in een paar bokkenrijdersprocessen vermeld <Pijls,
een andere tijd dan dit laatste kunnen dateren. Maar het 85>. Maar latere generaties moesten ze opnieuw ontdekken.
paste zo goed in het hele beveiligingssysteem, dat het Zo onderzocht Dirck Heutz te Kunrade in 1776 een ”holl of
ongetwijfeld ooit daarvan deel heeft uitgemaakt. Op het verbergenisse” onder zijn huis; daarbij vond hij ”dat onder
einde van de Tweede Wereldoorlog werd het imposante t’fundament van het huijs ter suijdsijde een gat was, daar een
eeuwenoude huis ”Op de Berg” door een vliegende bom mensch konde doorkruijpen, t’welk omtrent vijftien voeten
vernield. Een daarna ter plaatse gebouwd huis bewaart in schuijns af en om den muijr links omgaende, men quam in
zijn naam de herinnering aan zijn voorganger. een omtrent agt voet vierkant Holl, bijnae vier voet hoog,
waarinne sig nogtans niets bevonden heeft als een cooperen
De zuidkant van het huis ”Op de Berg”. Ook hier is duidelijk vrouwen oorijser” <LvO 1903. - Msg 1951, 48>. Ook te Beek,
te zien, dat het terrein rond dit gebouw lager was <Linosnede door Bemelen, Bingelrade, Bocholtz, Brunssum, Doenrade, Echt,
J. van Hoof, naar een tekening door P.A. Schols>. Geleen, Geverik, Groot-Genhout, Jabeek, Merkelbeek,
Neerbeek, Riemst (B.), Schinnen, Spaubeek, Stammenhof
Haagten: ondergrondse schuil- en bergplaatsen en Stein werden haagten ontdekt <Msg 1883, 835; 1890, 86-87; 1923,

Onze voorouders ontwierpen een stelsel van ondergrondse 34. - PSHAL 1929, 100; 1956/57, 30. - Ndms 1937/38, 6-7. - NLim 17-11-1965.
gangen en vertrekken, die voor rondzwervende legerbenden
praktisch onbereikbaar waren en waarin zij zowel hun kost- - Hekker, 68-74. - Oud-Geleen, 34-36. - Nuutsb. aug. 1978, 27; sept. 1978, 27-
baarheden konden bergen alsook zelf een veilige schuilplaats
konden vinden. Ofschoon men de mergelgroeven te 28; okt. 1978, 24-26. - ArchLimb mrt 1979, 6-9>.
Valkenburg en bij Maastricht en de steenkoolgroeven te Ofschoon JOS. RUSSEL het aanleggen van haagten geduren-
Kerkrade tot voorbeeld had, en ook onder menig kasteel een de de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) plaatste, mogen we
geheime onderaardse gang met verblijfplaats bestond - in het de daaraan voorafgaande jaren van de Tachtigjarige Oorlog
Frans ”la bôme” genoemd <VL 1934, 226-227> - lijkt dit systeem (1568-1648) niet zonder meer uitsluiten. Die auteur schreef:
toch geen Limburgse ”uitvinding” te zijn geweest, want ”waren de inwoners van ons land vooral blootgesteld aan de
”Erdställe” of ”Hauslöcher” werden o.a. in Hongarije, de hebzucht en de wreedheden der oorlogsvoerende partijen...
Tsjechische Republiek, Oostenrijk, Zuid-Duitsland en de Wegens het niet bestaan van groote bosschen of ongenaak-
Elzas op grote schaal gedolven <BAU 1879, 146-178; 1887, 93-129. - bare bergen, in welke zij zich konden schuil houden...
MAGW 1879/80, 18-29, 289-349; 1882, 113-169. - Karner>, terwijl er ook hadden de Limburgers zich schuilhoeken weten te ver-
in Noord-Frankrijk en in de Haspengouw (B.) al eeuwen schaffen, in welke zij, bij het doortrekken der vijandelijke
geleden ”souterrains-refuges” of ”muches” werden aangelegd legers, zich tijdelijk konden verbergen. Er was bijna geen
<Kraus, 182-183. - Blanchet - Rousseau, 22. - VL 1934, 226-228>. dorp meer, waar men er niet op bedacht was... onder-
Werd dit systeem in Zuid-Duitsland reeds in de dertiende aardsche gangen daar te stellen... Elk aanzienlijk huis had
eeuw toegepast <VHVOR 1879, 261-262>, de vroegste vermelding zoodanigen gang, wiens opening in den kelder op eene of
van het woord haagt of aecht in onze streken dateert pas uit andere verborgene of duistere plaats was aangebracht. Deze
1514/15 <Msg 1920, 57>. Maar van de later ontdekte haagten in werd zoodanig gegraven, dat er steeds ééne zijde in ver-
Zuid-Limburg schijnen de vroegste hoogstens tot de tweede binding stond met een waterput, uit welken het noodige
helft van zestiende eeuw terug te gaan, terwijl de meeste water kon genomen worden. In deze gangen konden
waarschijnlijk uit de zeventiende eeuw dateren. minstens de beste zaken verborgen worden, en de inwoners
vonden er in tijd van nood een toevluchtsoord, om zich voor
een zekeren dood te redden... Te Geleen en op andere
plaatsen bestonden dan ook verscheidene onderaardsche
reddingsoorden...” <Russel, Auverm. (1878), 14-15>.
De door die schrijver opgegeven locatie van sommige
gangenstelsels schijnt hij niet uit eigen waarneming maar uit
de volksmond te hebben opgetekend, want diezelfde ver-
halen deden te Geleen ook nog een paar generaties later de
ronde. Het is hoogst twijfelachtig dat de door hem vermelde
gang tussen de Groenstraat en de Geenstraat ooit heeft
bestaan. Wel voegde hij er terecht aan toe, dat die onder-
aardse schuilplaatsen door de bevolking van deze streek
haagten werden genoemd. Andere auteurs schreven aagten of
aachten.
De etymologie van het woord haagte is een onderwerp van
controverse gebleken. Volgens één zienswijze is het een
samentrekking van hagedochte in de betekenis van locus
subterraneus [= onderaardse plek] <Kiliaen> of ”onderaardse

126

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 127

geheime gang” <Verwijs III, 24-25. - Knuttel I (1956), 1>. Daarbij heb Plattegrond (bovenaanzicht) van dezelfde haagte. De stippellijn
ik mij reeds in 1963 aangesloten, omdat het eerste lid hage in het eerste vertrek (vloer b) geeft een bank tegen de achter-
in de betekenis van ”geheim” ook in andere samenstellingen, wand aan <Schets door P.A. Schols, naar opmetingen door P. J. Wynans en
zoals b.v. haagaltaar [= verboden altaar], hagemunt [= valse J. Salden, LvH 1958>.
munt], haagtap [= heimelijke kroeg] voorkomt <Oudemans III,
2-4 en 15. - Verwijs V, 1341. - Veldeke nov-dec. 1963, 91-94>. Anderen
leiden haagte uit het Latijnse aquaeductus [= waterleiding] af
en vereenzelvigen dat woord met aducht, aafdocht, aeth of
ath [= ondergronds waterkanaal, goot].

Verticale doorsnede (zijaanzicht) van een haagte. De punten a, wezig was, verschafte mij in 1944 de volgende beschrijving:
b, c en d liggen op de respectieve diepten van 2,65 m, 5 m, 5,95 ”Een kruipgang leidde uit de kelder van mijn huis - in de
m en 4,77 m. De stippellijn in het eerste vertrek (vloer b) geeft richting van de straat - naar een onderaards in leem uit-
een nis in de achterwand aan <Schets door P.A. Schols, naar opmetingen gestoken vertrek, waar namen en jaartallen in de wanden
door P. J. Wynans en J. Salden, LvH 1958>. waren gekrast. Vanuit dit vertrek leidde weer een kruipgang
van 50 cm doorsnee [zuidwaarts] naar een tweede vertrek
Zich grotendeels op het door J. SALDEN opgemeten en in met een gotisch gewelf, waar in de leem zitplaatsen waren
tekening gebracht stelsel van [soms met elkaar verbonden] uitgespaard en reliëfafbeeldingen waren aangebracht. Vanuit
haagten te Jabeek baserend, schreef P.A. SCHOLS: ”Het is een dat tweede vertrek leidde een derde kruipgang naar de water-
geheimzinnige kruipgang uit een tijd, toen de mens veilig- put, die in de wei aan de zuidkant van de straat lag.” Later
heid zocht diep onder de grond. Zo’n gang is in de leem uit- werd die wei de speelplaats van de meisjesschool en deze
gestoken en zo nauw, dat iemand er slechts kruipend op laatste lag met haar achterkant aan het kermisplein, later
knieën en ellebogen door kan. Een wat dik persoon heeft Knapenstraat en Schuttersplein genoemd. Volgens pastoor
moeite zich er doorheen te werken. Slechts weinigen hebben Nijssen werden toen ook scherven van aardewerk in die
nu de moed er een tiental meters in door te dringen. Men haagte gevonden <JPGL 1910, 183-184>.
krijgt er engtevrees, temeer daar men niet weet, waar de gang Omdat het huis Maes, het huis Hoofs en het huis in de
heenvoert. Gewoonlijk is er echter na een tiental meters een Eindstraat, waar de hierboven beschreven haagte lag, door
ruimte, waar men rechtop kan staan en ook kan gaan zitten. bokkenrijders werden bewoond en bovendien een kruipgang
Van hieruit gaan meestal twee smalle kokers links en rechts in het huis van de bokkenrijder J. Raets in de Pieterstraat
naar boven. Zij kunnen alleen dienst hebben gedaan voor werd ontdekt, kon gemakkelijk de indruk van een speciaal
ventilatie en misschien ook om verbinding te krijgen met de verband tussen leden van die bende en het aanleggen van
buitenwereld. Die schuin naar boven lopende kokers zullen haagten worden gewekt. Doch al moge de een of andere
wel uitgemond hebben in de schuur of schop achter de bokkenrijder ze misschien hebben gebruikt om aan een
stallen, waarschijnlijk op ruime afstand van elkaar. Sommige arrestatie te ontsnappen, er werden ook haagten gevonden,
aachten stonden voor dit doel in verbinding met een in de waar nooit bokkenrijders woonden.
nabijheid gelegen waterput” <LvH 1958, 40>. Volgens een ooggetuige was tot 1927 in de gewelfde kelder
Een vroegere bewoner van het huis Hoofs aan de oostzijde onder de schuur van boerderij Sassen, de zogenaamde
van de Marcellienstraat heeft mij verzekerd, dat van daaruit Koningshof, aan de Linde in de Lutterader Bovenste
een haagte in de richting van het huis Maes [1623] aan het Dorpstraat [aan de noordzijde van de Tunnelstraat vlak
kerkhof liep, terwijl een vroegere bewoner van het laatst- achter het station] de opening van een haagte te zien. Er is
genoemde huis meedeelde, dat daaronder een haagte in de geen reden om aan de juistheid van dat bericht te twijfelen.
richting van het huis Hoofs zou hebben gelopen. Beide Maar de suggestie, dat die haagte in het laatste kwart van de
woningen behoorden in de zeventiende en achttiende eeuw achttiende eeuw door de gemeenschap van Lutterade naar
aan de familie Van den Stock en haar erfgenamen. een langs de muur staande put zou zijn aangelegd <Bouten, 20-
In 1909/10 werd in de Eindstraat - ongeveer ter plaatse waar 21>, verdient geen geloof. Afgezien van het feit, dat - buiten
die straat thans in oostelijke richting eindigt - een haagte de mergelgrotten in Valkenburg en omgeving - door de
ontdekt, waarin toen o.a. de Oud-Geleense kapelaan gemeenschap aangelegde haagten in onze streken onbekend
Creusen is afgedaald. Christiaan Hendriks, die aan de zijn - haagten waren trouwens ”geheime” gangen - schijnt
noordzijde van die straat woonde en bij die ontdekking aan- die put ook niet zo oud te zijn. Volgens een betrouwbare
overlevering van de aldaar gewoond hebbende familie Sassen
werd die put bij de muur pas aangelegd nadat de in 1777/78
op het erf van de Koningshof gegraven put <TsHKVGel 1996, nr.
3, 44> was ingestort en met aarde was gevuld.
Eind oktober 1950 kon ik de bij de afbraak van de grote
hoeve van Lutterade zwaar beschadigde resten van een

127

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 128

a. b.

Gemetselde ingang (a) van een haagte in de kelder en doorsnee
(b) van de kruipgang (75 cm hoog, 68 cm breed) <Naar opmetin-
gen door P. J. Wynans en J. Salden>.

haagte onderzoeken en uit de mond van de werklieden een Overblijfsel van een doorgesneden kruipgang in de haagte van
beschrijving van de reeds verloren gegane delen optekenen. de grote hoeve in de Geenstraat te Lutterade <Foto door de schrijver,
Aan de noordoostzijde van de vroegere woning liep vanuit de 1950>.
kelder een 12 m lange, 1 à 1,20 m hoge en 80 cm brede,
langzaam afdalende kruipgang, die naar een in de leem - in verondersteld, dat zij in veel gevallen niet door de eigenaars
de vorm van een grote ronde bijenkorf - uitgestoken holte van die woningen werden gegraven, maar door vaklui die
met een gotisch gewelf voerde. De vloer van die holte, die zich daarin hadden bekwaamd.
een doorsnede van circa drie meter had, lag ongeveer zeven
meter onder de begane grond en de ruimte was hoog genoeg 8. Kroniek van 1201 tot 1558
om een volwassene rechtop te laten staan. De werklieden
vertelden, dat vanuit het midden van dat gotische gewelf Vanaf het begin van de dertiende eeuw tot 1558 zijn slechts
luchtpijpen recht omhoog hadden gelopen. In de wand was weinig gebeurtenissen in en om Geleen bekend. Over die
een nis uitgestoken, waarin een kaars of kleine luchter kon periode kan dan ook geen doorlopende kroniek worden
worden geplaatst. Recht tegenover de opening van de zojuist opgesteld; wij zullen ons met een aantal fragmenten dienen
genoemde kruipgang [uit de kelder van de woning] begon tevreden te stellen.
een andere kruipgang, die ongeveer tien meter rechtdoor
liep, dan naar links [d.w.z. van de Geenstraat afgekeerd] Vroegst vermelde pastoor van Geleen (1201)
omboog, nog drie meter horizontaal liep en vervolgens naar
boven helde om in de tuin aan de oppervlakte uit te komen. De kroniek begint op 1 april van het jaar 1201, omdat dan
Mijn vriend en medewerker Gerard Ramaekers, die de voor het eerst een pastoor van Geleen wordt vermeld; zijn
situatie aldaar blijkbaar in een vroeger stadium van afgraving naam luidt Henricus <Lac I, 3>. Ofschoon er reeds eeuwen
onderzocht, is met een zaklantaarn door de tweede gang
omhoog gekropen totdat hij een spleet zonlicht zag. Wegens
de verregaande vernieling kon niet worden vastgesteld of dit
gangenstelsel nog verder vertakt was.
Bij de hoeve Krekelberg onder Schinnen bevonden zich twee
door kruipgangen met elkaar verbonden onderaardse
vertrekken in de vorm van bijenkorven, waarin nissen voor
het plaatsen van lichten waren aangebracht en waaruit lucht-
pijpen omhoog liepen <Msg 1890, 86-87>.
Bovendien werd van andere huizen in Geleen gezegd, dat
zich daar onderaardse gangen zouden bevinden, zo b.v. in
het huis Ruers aan de Rijksweg, dicht bij de Eindstraat. Dit
werd niet nader onderzocht. De in september 1953 in het
huis Marcellienstraat 4 ”ontdekte” gang <GvL 5-9-1953> was
echter geen haagte doch een, in een negentiende-eeuwse
verkoopakte uitdrukkelijk als zodanig vermelde, onder het
erf doorlopende vrij hoge gemetselde verbinding tussen de
kelders van twee huizen, die eertijds dezelfde eigenaar
hadden.
Zowel wegens de vaardigheid, die de aanleg van haagten
vereiste, alsook omwille van de opvallende onderlinge over-
eenkomst van de onderzochte haagten, mag worden

128

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 129

vroeger priesters te Geleen verbleven, die de parochiekerk de kopie uit 1731 vermelde personen en jaartallen zijn met
bedienden, is hij de eerste, die we in de geschreven bronnen de historische gegevens in strijd.
als zodanig aantreffen. Dit impliceert het bestaan van de Op de eerste plaats werd het klooster Reichenstein reeds
parochie en het kerspel Geleen. vóór 1200 gesticht <Eremit 1938, 161-173>. Bovendien bekriti-
seerde LACOMBLET de kopie uit 1731 terecht, omdat de
Verkeerd gedateerde schenkingen aan Reichenstein daarin genoemde Walram met een latere naamgenoot werd
verward en diverse schenkingen van goederen en/of rechten
Volgens een in 1731 uit het dodenregister van het klooster te Lutterade en te Geleen aan dat klooster volgens betrouw-
Reichenstein gemaakte kopie zouden Walram, hertog van bare documenten op andere data hadden plaatsgehad <Lac II,
Limburg, Heer van Monschau en Valkenburg, en zijn vrouw 205, voetnoot. - HJLvZ 1981, 26-29>. De uit authentieke oorkonden
Jutta dat klooster rond 1210 hebben gesticht en zouden zij bekende schenkingen zullen onder de jaartallen 1252, 1275,
daaraan Lutteradt cum decimis et jure patronatus in Geleen, 1306 en 1314 worden besproken.
d.w.z. ”Lutterade met de tienden en het patronaatsrecht in
Geleen”, hebben geschonken, terwijl in een vijftiende-eeuws Schenking aan het Maastrichtse
document staat, dat de stichting in 1205 zou hebben plaats- O.-L.-Vrouwekapittel (1225)
gehad en dat diezelfde Walram de tienden van Opgeleen
tijdens een ziekte in 1211 zou hebben geschonken <Ernst VI, Op 6 februari 1225 schonken Arnold van Born, proost van
170-172>. het St.-Gereonkapittel te Keulen en van het O.-L.-Vrouwe-
ERNST schreef, dat de geschonken tienden op de hoeve van kapittel te Maastricht, en diens neef Gozewijn van Born, tot
Lutterade betrekking hadden <Ernst IV, 5-6 nota 1; VI, 171, notas 1 en hun eigen zieleheil en dat van hun voorouders, zes mansi
5>. Zich o.a. op beide genoemde stukken baserend, schreef [circa 72 bunder] land met al hun toebehoren uit hun eigen-
RUSSEL, dat Walram III van Limburg en zijn echtgenote in dom in het dorp [villa] Neerbeek aan het kapittel van O.-L.-
1205 ”den hof en de tiende te Lutterade” aan Reichenstein Vrouw te Maastricht <Franquinet, OLV I, 16-17>. Uit een
zouden hebben geschonken en daaraan in 1211 nog de document van 1377 blijkt, dat de kanunniken van O.-L.-
tienden van Geleen zouden hebben toegevoegd <Russel 1860, 10 Vrouw ongeveer 44 bunder als laat- en cijnsgoed aan
en 106-107>. anderen overdroegen <Op. cit. II, 63 en 298-300>. [Zie hierboven
Die berichten blijken in zoverre met de werkelijkheid over- onder ”Laatgoederen, cijnzen en keurmeden”.]
een te stemmen, dat het patronaatsrecht van Geleen door
een Heer van Valkenburg aan Reichenstein werd over- Stichting van de kloosterhoeve te Krawinkel
gedragen en dat daarna ook de hoeve van Lutterade - met (1250-1257)
vrijstelling van de aan haar gewande verbonden tienden -
door een latere Heer van Valkenburg aan dat klooster werd Zoals wij zagen, schonken Dirk II, Heer van Valkenburg, en
geschonken. Maar de in het stuk van de vijftiende eeuw en zijn vrouw Bertha in augustus 1250 aan de cisterciënzers van

Oorkonde van de schenking van
tienden te Geleen door Walram
van Monschau, zijn moeder
Elisabeth en zijn vrouw Jutta
van Ravensberg aan Reichen-
stein uit 1252 <Stadsarchief
Monschau. - Foto B. Erkens, Monschau>.

129

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 130

Villers [Villers-la-Ville bij Brussel] een plaats te Krawinkel ist kaum glaubwürdig. Man darf mit anderen Geschichts-
om een hoeve te bouwen, kochten die monniken in juli en kennern annehmen, daß die Überlassung des Zehnten in
augustus 1252 ongeveer zestig bunder en voegden zij in Geleen mit der Begründung gewährt worden ist, daß dem
1257 nog dertien bunder daaraan toe <CD fol. 10vo - 12vo en 24ro Kloster dadurch die Kosten für die gastliche Aufnahme und
- Ernst VI, 13-14 en 18-19>. De hoeve werd aan de Keutelbeek Verpflegung von fremden Reisenden vergütet werden
gebouwd. [Zie hierboven onder 2 van dit hoofdstuk sollten” <Conrads, 1938, 71 vv.>. HERMANS sloot zich hierbij aan
”Alleenliggende grote boerderijen”.] <Hermans 1991, 26>.
Doch dat lijkt ons een al te vrije vertaling en interpretatie
Een ”tiende” aan Reichenstein geschonken (1252) van de hierboven geciteerde Latijnse tekst uit die oorkonde,
waarin toch uitdrukkelijk van cervisia [= bier] sprake is.
Reeds eerder werd vermeld, dat Walram van Monschau, zijn Trouwens, niet alleen was bier in de Middeleeuwen de volks-
moeder Elizabeth en zijn echtgenote Jutta op 10 mei 1252 drank bij uitstek, maar ook had de vroegste ontplooiing van
decimam curie in Keleneke militis Reinhardi eiusdem ville in de brouwnijverheid in de middeleeuwse benedictijner- en
Keleneke, d.w.z. ”de tiende van de hoeve in Geleen van cisterciënzerkloosters plaats <Hallema, 7 en 33>. [Zie ook hoofd-
ridder Reinhard in datzelfde dorp Geleen” aan het klooster stuk III, onder 1 en 5.]
Reichenstein schonken <Lac II, 204-205>.
Hun motief was: ”opdat uit de voorzegde tiende het bier De grote hoeve bij Sweikhuizen - later de
[cervisia] van het genoemde convent - ter bevordering van Biesenhof - aan de Duitse Orde (1259)
het lichamelijk welzijn van de dienaressen Gods - een voed-
zamere inhoud zou krijgen [in crassitudine substantie Zoals reeds bericht, schonk Aleidis, weduwe van Willem van
aucmentetur]”. Beekhoven [onder Beek], in 1259 ongeveer acht bunder
Met cervisia of cervesia werd destijds met gruit gebrouwen akkerland met een daarbij behorende mansio [= hoeve] aan
bier aangeduid <MA 1970, 460>. de ridders van de Duitse Orde te Alden Biesen <Hennes II, nrs.
78, 131, 133 en 144>. Die gewande werden door andere
MATHAR vatte dit in 1955 letterlijk als volgt op: ”auf daß schenkingen nog verder uitgebreid. Spoedig daarna werd er
den Dienerinnen Gottes zur leiblichen Stärkung ein fetteres een commanderij gevestigd, waar ridders van die orde
Bier gebraut werden könne” <Prümmer, 30-31>. CONRADS verbleven. Daarnaast werd ook het landbouwbedrijf door
schreef daarentegen: ”Ob freilich der Zweck dieser Stiftung halfers voortgezet. Naar hun eigenaars zou die hoeve
darin zu sehen ist, wie manche meinen, daß bloß für die gedurende eeuwen Kleine Biesen worden genoemd; thans
Dienerinnen Gottes ein besseres Bier gebraut werden könne, staat zij als Biesenhof bekend.
[Zie ”De alleenliggende grote boerderijen” onder 2 van dit
hoofdstuk , ”Kroniek” onder 1468 en hoofdstuk X van deel
II.]

Patronaatsrecht van Geleen aan Reichenstein
(1275)

In mei-juni 1275 verzochten Walram de Rosse van
Valkenburg en zijn vrouw Philippa van Gelder aan de
bisschop van Luik om hun schenking van het patronaats-
recht - dat tevens het collatierecht, d.w.z. het recht om de
pastoor voor te dragen, omvatte - te Upglene aan de norber-
tinessen van Reichenstein goed te keuren. Op 9 juli van dat
jaar verklaarde de bisschop zich daarmee akkoord <Hugo II, 418.
- Lac II, nr. 674>. [Zie hoofstuk III, onder 9.]

Zegel van Jutta van Ravensberg, echtgenote van Walram van Geleen als weduwgift aan Philippa van Gelder
Monschau, onder een oorkonde van 20 april 1252 <NsStaO-Rep. (1276/77)
8, nr. 23>.
In 1276/77 schonk Walram de Rosse van Valkenburg de
plaatsen Geleen, Pronsfeld [bij Prüm, D.], Limbach
[bij Saarlouis, D.] en Weiswambach [in het hertog-
dom Luxemburg] en de burcht van Bütgenbach [B.] aan zijn
echtgenote Philippa van Gelder als weduwgift of lijftocht
<Pontanus VI, 156. - Ernst V, 289. - Wampach IV, 525-527>.

130

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 131

Oorkonde van de goedkeuring
door de bisschop van Luik van
de schenking van het patro-
naatsrecht van Geleen door
Walram de Rosse van Valken-
burg en zijn echtgenote Philippa
van Gelder aan Reichenstein uit
1275 <Hist. Archiv Köln, HVA nr.
410a>.

Geleen aan de hertog van Namen in leen gegeven schijnlijk hield dit in, dat de monniken die hoeve met eigen
(1285) personeel, d.w.z. lekenbroeders, exploiteerden. Later werd
die hoeve aan een halfer verpacht, die ander personeel in
Op 13 december 1285 gaf keizer Rudolf I zijn goedkeuring dienst nam en in een nog later stadium werd een monnik
aan een transactie, waarbij Walram de Rosse van Valkenburg van Godsdal naar Abshoven gestuurd om er als bedrijfsleider
drie plaatsen voor een jaarlijks bedrag van 100 Luikse te fungeren.
marken aan de graaf van Vlaanderen, in diens hoedanigheid
van graaf van Namen, overdroeg en weer van hem in leen Tijdelijk 30 malder rogge per jaar aan
ontving. Het betrof hier de dorpen Brunssum [Brunsham] en Reichenstein (1306)
Jabeek [Iabeke] met al zijn rechten aldaar en het dorp Geleen
met de hoge en lage jurisdictie, de daar verblijvende leen- Op 28 juli 1306 kende Reinoud, Heer van Valkenburg,
mannen, beambten en cijnsmannen, de akkers, weiden, jaarlijks dertig malder rogge Valkenburgse maat te Geleen
cijnzen en alle andere rechten en inkomsten, die hij in aan het klooster van Reichenstein toe als compensatie voor
genoemd dorp had, de tiende nochtans uitgezonderd: villam de 74 Keulse marken, die zijn vader Walram de Rosse en zijn
de Glenne cum iurisdictione seu iustitia tam alta quam bassa, broer Dirk III aan dat convent waren schuldig gebleven.
cum hominibus etiam feodalibus, ministerialibus et censualibus Deze malder moesten elk jaar op het feest van Maria
ad dictam villam pertinentibus, agriculturam, prata, census Lichtmis [= 2 februari] worden geleverd totdat - volgens de
cum universis aliis iuribus et redditibus quos habet in dicta prijs van die rogge ten tijde van de aflossing - de gehele
villa, decima dumtaxat excepta <Böhmer 1870-1967, nr. 450; 1898, nr. schuld zou zijn voldaan <Ritz I, 89. - Ernst VI, 46>.
1956>. Voor de Geleners schijnt die transactie geen merkbare ERNST, die deze oorkonde naar het origineel weergaf,
gevolgen te hebben gehad. Ook is niet bekend hoelang deze schreef: [in curti:] de Geleyne apud Sittert, d.w.z. in de hoeve
regeling van kracht is gebleven. van Geleen bij Sittard. RUSSEL vertaalde in curti verkeerd
door ”in het dorp” <Russel 1860, 104>. Daar een kopie van die
Cisterciënzermonniken te Abshoven (1299) oorkonde in het archief van Reichenstein de tussen haakjes
geplaatste tekst niet bevat <Reichstein, KP II, 420vo>, zal [in curti:]
In 1283 hadden de cisterciënzers van Val-Dieu (Godsdal) de door ERNST zijn toegevoegd. Die toegevoegde tekst lijkt
hoeve Abshoven van de Heer van Born gekocht. Toen de evenwel met de geschiedkundige feiten overeen te komen.
Heer van Valkenburg hun op 31 mei 1299 een daar lopend Dertig malder was immers meer rogge dan de Heer van
wegje [parvam viam] schonk, noemde hij Abshoven curtem Valkenburg uit de grote tiende van Geleen ontving.
Monachorum ibidem commorantium, d.w.z. de hoeve van de Derhalve ligt het voor de hand, dat die hoeveelheid graan uit
er verblijvende monniken <Ernst VI, 37-38 en 42>. Er zijn geen de hem toebehorende grote hoeve van Lutterade moest
verdere details over hun verblijf aldaar bekend, maar waar- worden geleverd.

131

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 132

Schenking van grond te Geleen aan Reichenstein van Baesweiler (D.), die voor de hertog van Brabant op een
(1314) geduchte nederlaag uitliep.
De drossaard, die de hertog in het Land van Valkenburg
Op Palmzondag 1314 vermaakte zuster Lysa van Pruntheim vertegenwoordigde, was verplicht zijn Heer in diens krijgs-
(?) te Reichenstein drie in het kerspel Upgleyne gelegen verrichtingen bij te staan. Bijgevolg beval hij de bewoners
jurnales [= dagwanden], die in de volksmond bunre [= bunder] van zijn gebied om voorraden, wapentuig e.d. voor diens
werden genoemd, en een gedeelte, dat in de volksmond sill leger te vervoeren. Zulke vrachten werden door de inwoners
[= zil] heette, allodiaal akkerland aan dat klooster. De pacht van Brunssum, Geleen, Heerlen, Klimmen, Meerssen en
van de geschonken grond, die haar elk jaar met St.-Remigius Oirsbeek vanuit Valkenburg en Maastricht gedaan <VdVenne
[= 1 oktober] tot aan haar dood zou blijven toekomen, zou 1951, 116>.
ze naar eigen keuze kunnen gebruiken. Na haar dood zou die Reeds in 1370, toen de veldtocht naar het oosten nog in
pacht in natura naar de schuur van Reichenstein moeten voorbereiding was, moesten de Geleners bijdragen leveren.
worden gebracht; de opbrengst zou voor het branden van Kort na Driekoningen [= 6 januari] 1372 verklaarden de
een luchter in haar klooster worden aangewend. Mocht de schepenen van Geleen, dat zij tot dan toe aan de drossaard
pachter de verplichte hoeveelheid graan niet leveren, dan van Valkenburg 67 oude schilden als belasting en dertig
zouden de zusters hem die grond ontnemen <Reichstein, KP II, gulden voor de kosten van provisietransporten naar
402vo - 421ro. - Ritz, 89>. Friesheim (D.), Brachelen (D.), Maastricht, Herzogenrath
Later blijkt de halfer van de hoeve van Lutterade een stuk (D.) en het legerkamp bij Baesweiler (D.) hadden over-
van ongeveer vier bunder tussen Oud-Geleen en Munster- handigd. Doch daar bleef het niet bij. Op 6 januari 1373
geleen onder de ploeg te hebben, waarvoor hij elk jaar twee lieten de schepenen weten, dat Geleen in augustus 1372
pond kaarsenwas en negen stuivers aan de kerk van Geleen zeventien kleine moutons had moeten afstaan aan Matthias
verschuldigd was. Misschien was dit de in 1314 geschonken van der Borch, alias Tysken van Schinnen, die de strijd tegen
grond. de hertog van Brabant was blijven voortzetten <Verkooren, nrs.
2897 en 2943>.
Goederen van de Duitse Orde ten onrechte in de
belastingen aangeslagen (1369) Geleners andermaal de dupe (1376-1385)

In een oud document lezen wij ”Dat zynde den Heere Lant- De nederlaag van Baesweiler (D.) kon de drang van de
Commandeur ende sijne Confreers [= confraters] in den jare hertog van Brabant naar het oosten niet stuiten. Wel zag hij
1369 [door de Geleners] inde possessie van Vrydom ende van krijgsgeweld af en gaf hij voorlopig de voorkeur aan het
Exemptie [van belastingen] gheturbeert geworden ten aankopen van gebieden. De rekeningen voor die
regarde van de twee Pachthoeven,... waer van den eenen financiële transacties werden aan zijn onderdanen gepresen-
wort genoemt, den Hoef te Biessen, ende den anderen, den teerd. Tussen 1376 en 1385 kwam de drossaard van
Hoef te Stucken,... Wenceslaus als Hertoge van Brabant Valkenburg elk jaar de Geleners met belastingen voor de
ende Limborch, inden selven jare bevolen ende geordon- hertog van Brabant lastigvallen. Tegen 1 oktober 1376
neert heeft gehadt aen Reyner van Berne [= Bernau], alsdoen kwam hij een bedrag van 42 oude schilden halen en nauwe-
sijnen Borchgrave [= drossaard] van Valkenborch, dat hy den lijks een half jaar later, nl. op 24 april 1377, kwam hij terug
Commandeur vanden Biessen ende den Duytschen Heeren om nog 22 oude schilden te innen. Nog anderhalf jaar later,
soude hebben weder te geven ende restitutie te doen van nl. tegen 1 oktober 1378, kwam hij weer opdagen om een
alsulcke Peerden ende schaden, als sy hun genomen ende bijdrage van twintig oude schilden te eisen <Verkooren, nrs. 5074
gedaen hadden, ’Want wy hun dat willen weder gegheven en 5345>.
hebben, ende bevelen u, dat ghy dat alsoo beschickelijck Op 7 december 1378 kocht de hertog de Wickrather bezit-
ende volkomentlijck doet, ist van de Hoeven van Geleen, oft tingen te Heerlen <Msg 1948, 85-88> en ook die werden door
van andere’...” <Deductie, 15>. belastingen betaald. In de loop van het jaar 1379 kwam de
drossaard 52 oude schilden van de Geleners eisen. Tegen
De slag van Baesweiler (D.) (1371) en zijn 1 oktober 1380 kwam hij terug en inde hij 27 schilden. Op
gevolgen voor de Geleners 1 oktober 1382 getuigden de schepenen van Beek, dat de
drossaard van Valkenburg hen onlangs in naam van de
Toen de hertog van Brabant zijn gebied en zijn politieke hertogin van Brabant voor een som van 55 schilden had
invloed naar het oosten wilde uitbreiden om aldus de getaxeerd. De schepenen van Geleen verklaarden rond
handelsroute van de Vlaamse steden, via Maastricht, dezelfde tijd 34 oude schilden te hebben moeten betalen. De
Valkenburg, ’s-Hertogenrade [= Herzogenrath, D.] en Gulik Beekenaar Jan Rosen van Printhagen zegelde die dubbele
[= Jülich, D.], naar Keulen zoveel mogelijk onder zijn verklaring op verzoek van de schepenen van beide plaatsen
controle te brengen, werd hem door de hertog van Gulik de <Verkooren, nrs. 5671, 5803 en 5907>.
pas afgesneden. Dit conflict culmineerde in 1371 in de slag Op 30 november 1383 verklaarden de schepenen van

132

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 133

Geleen, dat de drossaard van Valkenburg hun - op bevel van verpanden. Teneinde zich daarvan te ontlasten, schreef hij in
de hertog van Brabant - tegen het voorafgaande feest van 1438 een belasting van 20.000 Rijnlandse goudgulden uit.
Allerheiligen [= 1 november] een taks van 48 oude schilden In de hoofdbank Beek werden de daaronder ressorterende
had opgelegd. En op 12 maart 1385 verklaarden zij aan dorpen en gehuchten pondsgewijze aangeslagen <PSHAL 1899,
diezelfde drossaard voor hun aandeel in de betaling van de 60>. Toen de Geleners de monniken van Villers voor hun
reiskosten voor de ridders en schildknapen van het Land van hoeve te Krawinkel in die aanslag wilden doen delen, deden
Valkenburg, die zich naar Brabant hadden begeven om bij deze laatsten een beroep op hun landsheer. Op 10 januari
het sluiten van de vrede tussen hertogin Johanna van 1439 vaardigde hertog Filips een oorkonde uit, waarin hij
Brabant en de Heer van Heinsberg te assisteren, tien gulden die kloosterlingen, ”liggende hebben in onsen lande van
te hebben moeten betalen <Verkooren, nr. 6042; II, nr. 3>. Valkenborch, sekere goeden, geheiten den Hof te
Crawynkel” van die aanslag onthief. Tevens bepaalde hij dat
Eind veertiende en begin vijftiende eeuw: ook de opvolgers van die monniken van toekomstige aan-
woelige tijden slagen vrijgesteld zouden blijven <ASM-Urk 368>.

Aangezien de hertogen van Bourgondië, die het hertogdom Belasting op geestelijke goederen (1441)
Brabant en de Landen van Overmaas hadden verworven, de
drang naar het oosten van hun voorgangers voortzetten, was Toen de hertog van Bourgondië, met toestemming van paus
ook het laatste stuk van de veertiende en het begin van de Eugenius IV, in 1441 een belasting op geestelijke goederen
vijftiende eeuw voor deze streken een onrustige tijd. Rond uitschreef, moesten de pastoor van Geleen en de beneficiant
1 september 1406 werd Claes Hoen van Hoensbroek door van het O.-L.-Vrouwealtaar elk vijftien stuiver bijdragen
de hertog opgedragen om zich op zondag na O.-L.-Vrouwe <Habets 1875, 379 en 381>.
Geboorte [= 8 september] met twintig [mannen met] lansen
te Vilvoorde [bij Brussel, B.] bij hem te vervoegen. Hoen Kloosterhoeve van Krawinkel aan het
verzamelde vijftien lansiers, die op donderdag vóór dat feest Münsterstift te Aken verkocht (1465)
in Gangelt (D.) logeerden en daags daarna in Geleen
arriveerden. Daar vernam hij, dat hij te Maastricht niet zou In 1465 verkochten de cisterciënzers van Villers hun klooster-
kunnen passeren, omdat de waterstand van de Maas te hoog hoeve van Krawinkel voor 3.150 Rijnlandse goudgulden aan
was. Doch hij wilde niet in Geleen blijven wachten tot het het kapittel van O.-L.-Vrouw, d.w.z. het Münsterstift, te
peil zou zijn gezakt; hij begaf zich met zijn mannen naar Aken. [Zie ”De alleenliggende grote boerderijen” onder 2
Havert (D.) <RusKerk, boek 21, blz. 42. - BCH 32, 347 vv.>. van dit hoofdstuk.]

Het verbond tot ”heymheysschen” [= heim-eisen] Commanderij van Kleine Biesen [= Biesenhof]
(1420) opgeheven (1468)

In 1420 sloten de hertogdommen Gulik en Limburg, de In 1468 vertrokken de ridders van de Duitse Orde, die tot
Landen van Dalhem, ’s-Hertogenrade, Wassenberg, Millen en dan toe op de commanderij Kleine Biesen hadden verbleven
Born, de steden Aken, Gangelt, Geilenkirchen en Sittard, de <PSHAL 1931, 110>. Sindsdien was dit enkel een pachthoeve van
heerlijkheden Elsloo, Eys, Hoensbroek, Limbricht, Stein, de landcommanderij Alden Biesen, die vanuit de Maas-
Strucht en Oud-Valkenburg en [in het graafschap Valken- trichtse commanderij Nieuwen Biesen werd beheerd. [Zie
burg] de banken Beek, Brunssum, Geleen, Haeren, Heerlen, ”De alleenliggende grote boerderijen” onder 2 van dit hoofd-
Geulle, Itteren, Klimmen, Meerssen en Oirsbeek een verbond stuk.]
van ”heymheyschen”. Een inwoner van een van die gebieden
zou bij arrestatie in een der andere gebieden op geen vragen Een lang proces tegen een vermeende erfgenaam
moeten antwoorden maar zou een brief mogen overleggen, van Heimstenrade (1472-1493)
waarin het gerecht van zijn woonplaats verklaarde de gearres-
teerde heim [= thuis] te eisen, zodat de aanklager hem in zijn Nadat Dirk van Havert de hoeve Heimstenrade - in de
woonplaats kon komen vinden om zijn recht te verkrijgen noordoosthoek van het kerspel Geleen gelegen - in 1472 aan
<Ernst V, 204-205. - Slanghen 1859, 40-41. - JanssenLimp 1977, 599-600>. de Duitse Orde had geschonken, kwamen sommige ver-
meende erfgenamen daartegen in verzet. De actiefste onder
Belasting tot ontlasting van verpanding en protest hen was Gijsbert van Eyl, die probeerde via de leenhoven van
door monniken van Villers (1438/39) Daniken en Valkenburg met dit goed beleend te worden.
Rond de jaarwisseling 1473/74 ging hij zelfs zover om zich
Wegens geldgebrek - veroorzaakt door langdurige oorlogen - bij de halfer van Heimstenrade als de rechtmatige bezitter te
zag hertog Filips de Goede van Bourgondië zich gedwongen presenteren en hem - als onderdeel van de pacht - een varken
om het Land van Valkenburg aan de Heer van Meurs te afhandig te maken.

133

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 134

Maar toen de landcommandeur van Alden Biesen zich tot de en de leden van die hertogelijke raad aan de Geleners de
hogere geestelijke en wereldlijke autoriteiten wendde, opdracht om genoemd kapittel voortaan in het ongestoorde
stelden die hem in het gelijk. Op 14 april 1474 kreeg bezit van hun goederen en inkomsten te Geleen te laten en
Gijsbert van Eyl bevel om niet alleen ”dat voirscreven verken de bijdrage, die ze van hun halfer op de hoeve te Krawinkel
weder te restabliren, dat willich hee ewech geleit heeft”, maar hadden afgedwongen, terug te geven.
ook de landcommandeur voortaan in het ongestoorde bezit Doch de Geleners wierpen tegen, dat het algemeen bekend
van Heimstenrade te laten. Na de dood van genoemde was, dat die goederen reeds sinds mensenheugenis - evenals
Gijsbert (1492/93) werd dit geding door zijn erfgenamen de andere onder Geleen gelegen goederen - aan belastingen
aan een scheidsgerecht voorgelegd; het oordeel viel ook deze onderhevig waren en dat daartegen nooit was geprotesteerd.
keer ten gunste van de landcommandeur uit <Grauwels, OB, nrs. De hoeve van Krawinkel behoorde trouwens niet tot de
stichting van het Akense kapittel, maar was door dit laatste
313, 434-437, 439-441, 444, 459-460, 464 en 469. - BCAL 26 (1973-74), 193- ongeveer tien jaar eerder van de cisterciënzers van Villers in
Brabant gekocht. Tussen die kloosterlingen en de autori-
201. - TsHKVGel 1992, 6-9>. teiten van Geleen was reeds eerder een conflict ontstaan
[zie onder 1438/39]. En ondanks de bewering van die
Mislukte en bestrafte poging tot verkrachting monniken, dat hun hoeve te Krawinkel vrij van alle
(1476/77) belastingen zou zijn, waren de Geleners blijven doorgaan van
de verscheidene pachters dezelfde bijdragen te eisen en te
Op een avond waren de Geleense ”gesellen” Lensken innen, die andere inwoners van Geleen moesten opbrengen.
Beickers en Heyntghen Pelsers met hun vriend Johan Welnu, die pachters hadden die bijdragen zonder protest of
Reintgens van Abshoven aan de zwier. In een herberg trok weigering geleverd. Derhalve bleven zij ook in de loop van
een jonge ”frauwen mynsche” [= ”vroumesj”] hun speciale dit proces bijdragen van de pachters van het Akense kapittel
aandacht. Eerst trachtten zij haar te overreden om met hen eisen.
naar buiten te gaan. Maar toen zij dit afwees, brachten zij Doch dit kapittel stelde, dat die argumentatie niet geldig
haar tegen ”hoeren [= haren] wille ende danck” naar een was. Dirk II van Valkenburg had immers aan de klooster-
plaats, waar zij probeerden ”honnen wille mit hoere [= haar] lingen van Villers vrijstelling van belasting verleend, toen hij
te doene”. Doch nadat zij had ”gekrieten” en geroepen wist hun in 1250 een stuk grond te Krawinkel schonk. Bijgevolg
ze te ontsnappen, waarop zij een aanklacht bij de overheid waren de Geleners verplicht geweest de van de halfer van de
indiende. kloosterhoeve te Krawinkel afgedwongen bijdrage terug te
Toen die drie ”gesellen” vernamen, dat de drossaard van geven. Bovendien hadden de andere pachters geen belasting
Valkenburg hen wilde ”vangen ende aentasten”, kwamen op de van die monniken gepachte goederen maar slechts op
hun vrienden bij hem pleiten en om genade vragen. Zij hun eigen bezittingen betaald.
verklaarden, dat de aangeklaagden nog slechts ”jonge Terwijl het proces tussen de Geleners en het kapittel van
knechten” waren, die niet voornemens waren geweest om Aken aansleepte, overleed Karel de Stoute (1477). En daar
iets te ”missdoen”. Daarop nam de drossaard met een kort nadien de hertogelijke raad van Maastricht werd
gezamenlijke boete van 24 Rijnlandse gulden genoegen <RAB, opgeheven, moest het proces voor de raad van Brabant
CdC, DLV 1476/77>. worden voortgezet. Deze raad bevestigde de uitspraak van de
raad van Maastricht en stelde de Geleners andermaal in het
Verloren proces tegen het Münsterstift van Aken ongelijk. Aan deze laatsten werd opgedragen om de kanun-
(1478) niken van Aken in het ongestoorde bezit en het genot van
hun eigendommen en inkomsten te Krawinkel te laten en
Op 22 juni 1478 vaardigden hertog Maximiliaan van hen schadeloos te stellen voor hetgeen reeds van hen was
Oostenrijk en zijn echtgenote Maria van Bourgondië een in afgedwongen. De hertogen Maximiliaan en Maria bevestig-
het Frans gestelde lange oorkonde uit, waarin een proces den die uitspraak <ASM-Urk 456>.
tussen de Geleners en het kapittel van O.-L.-Vrouw te Aken De bewering, dat aan die vrijstelling de voorwaarde zou zijn
werd beschreven. Nadat dit kapittel de hoeve Krawinkel [in verbonden geweest, dat het Münsterstift elk jaar aan het
1465] van de abdij van Villers had gekocht, werd het door kapittel van O.-L.-Vrouw te Maastricht een paardenkeurmede
de autoriteiten van Geleen wegens dat bezit aangeslagen in zou moeten geven <HJLvZ 1993, 87>, is niet juist. Niet alleen
de belasting, die hertog Karel de Stoute aan zijn onderdanen werd geen enkele voorwaarde gesteld, maar ook lag die keur-
had opgelegd. mede reeds vóór 1377 op de dertien bunder land, die de
Het Akense kapittel ging echter bij de door de laatst- abdij van Villers van het Maastrichtse O.-L.-Vrouwekapittel
genoemde hertog opgerichte raadkamer te Maastricht in had overgenomen en in 1465 aan het kapittel van Aken had
beroep. Het beriep zich niet alleen op zijn keizerlijke overgedragen. Bovendien moest die keurmede niet jaarlijks
stichting, die volkomen vrijstelling van elke belasting doch slechts na de dood van de ophelder worden geleverd
inhield, maar ook legde het documenten over, waarbij o. a. <Franquinet, OLV II, 298. - KapOLV, nrs. 851 en 855. - DAA-XA 30>.
hertogen van Brabant, Karel de Stoute incluis, die vrijstelling
hadden bevestigd en herhaald. Daarop gaven de stadhouder

134

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 135

Later blijken de uitspraken van de raden van Maastricht en Geleen, Beek, Schimmert en Meerssen en ”rouffden inde
Brussel niet meer van kracht te zijn geweest, want in het vynghen also menighen ma(e)n inde sloeghen ouch voele
pachtcontract van 1691 staat o.a., dat de pachter van de huysluyden doet [= dood], die hoen nyet gevanghen en
hoeve van Krawinkel de helft moet betalen van de ”schat- wolden geven, inde branden ouch voele huysser inden lande
tingen, beeden, taxten, contributien en aendere laesten, van Valkenborch” <PSHAL 1870, 73-75>.
voorvallende, soo van wegen syn Catholyque Majesteyt [= de
keizer] en van de regeeringe, als van wegen die Franse en Belasting tot onderhoud van vijftig ruiters (1500)
vianden, oock van de winterquartiringen hoedaenig de selve
moogen voorkomen”. De andere helft van die lasten zou Rond het feest van Maria Lichtmis [= 2 februari] 1500 werd
door het Münsterstift worden gedragen <DAA-XA 30>. de hoofdbank van Beek voor 125 Rijnlandse gulden aan-
geslagen tot onderhoud van de vijftig ruiters, die ter bescher-
De schaker schaakmat gezet (1479) ming van de bevolking in het Land van Valkenburg waren
gelegerd. Geleen moest 35 Rijnlandse gulden bijdragen
Stesken in Douvergenhout, die zijn minnaarsoog op de <Slanghen, 1865, 54>.
dochter van Herman Deigen in de Koningsbeemd onder
Heerlen had laten vallen, besloot in de lente van 1479 zijn Kerktoren te Oud-Geleen uit 1504. In dit zicht tegen de toren
toevlucht tot de middeleeuwse procedure bij uitstek te op komt zijn burchtachtig aspect goed tot uiting. De bakstenen
nemen. Toen hij zich, vergezeld van drie vrienden, aan de zijn aan herstellingen toe te schrijven. In het midden van de
ouderlijke woning van zijn uitverkorene meldde, maar ”sij oostkant (rechts) zijn nog sporen van het vroegere bovenstuk van
en woldt hon niet volgen”, zetten zij haar pardoes op een de wenteltrap te zien. Bij een vrij recente verbouwing werd het
paard en brachten zij haar spoorslags naar het gerecht van de (niet oorspronkelijke) ronde venster aan de voorkant verwijderd
schepenbank te Geleen, om daar de ”verhouding” te laten <Foto M. Verjans 1950>.
legaliseren. Na die romantische rit verklaarde de jongedame
”dat hoer will were, dat sy ontschaickt were”. Toen echter Nieuwe kerktoren te Oud-Geleen (1504)
haar naaste familieleden kwamen opdagen, wisten dezen
haar tot andere gedachten te brengen, en ”sy sprach neyn, idt Volgens een tijdgenoot werd in 1504 ”dee nuwe kyrckthoren
en were hoer will niet”. De drossaard van Valkenburg, die dit gemackt te Geleen by Syttart”. Het weer was toen gunstig
verslag opmaakte, merkte hierbij op: ”Sodat sy onderwyellen om zo’n bouw te ondernemen, want de zomer en de herfst
[= nu eens] ja sprak onderwyellen [= dan weer] neyn”. In elk waren zeer droog, terwijl ook de voorwinter abnormaal
geval keerde ze naar het huis van haar vader terug ”ende
bleiff dair”.
In plaats van zich als fiere ”bruidegom” in een gelukkige
afloop te mogen verheugen, liep Stesken niet alleen een
blauwtje, maar vond hij zich ook van vrouwenroof beschul-
digd. Omdat dit een zwaar misdrijf was, zochten hij en zijn
vrienden hun heil in de vlucht; toen de gerechtsdienaars hen
wilden arresteren, waren zij dan ook onvindbaar. Om een
gerechtsvervolging af te wenden, begaven Willem, de vader
van Stesken, en diens vrienden zich naar de drossaard van
Valkenburg om gratie te vragen. Daar Willem een arm man
was, moest de drossaard met 38 Rijnlandse gulden genoegen
nemen, want dat was ”so vil [= veel] as he krygen konde”
<Msg 1930, 41. - LimDag 5-2-1954>.

Geleen en omgeving door de Arenbergers
geteisterd (1486-1490)

De ridders van Arenberg, die met hun aanhang als vijanden
in de gebieden van de prinsbisschop van Luik en van de
hertog van Brabant rondzwierven, nestelden zich in 1486 te
Stokkem aan de Maas. Van daaruit vielen zij al rovend en
moordend het Land van Valkenburg binnen. In 1488
trokken diezelfde benden van Meerssenhoven [bij Itteren]
uit naar de streek van Born. Op 20 december 1490 staken zij
bij Uikhoven de Maas naar Geulle over, trokken naar

135

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 136

warm was. Men zou zich kunnen afvragen of de oude toren o. a. dat elk jaar twee jaargetijden met een gezongen mis en
wellicht door de hevige aardbeving in de nacht van 23 op 24 de deelname van vijf priesters voor hemzelf en zijn familie-
augustus van dat jaar zo zwaar beschadigd was, dat om die leden in de kerk van Geleen zouden worden gehouden. Ook
reden een nieuwbouw noodzakelijk werd geacht. Doch de stichtte hij in die kerk op de quatertempervrijdagen [vier-
bronnen verschaffen hierover geen inlichtingen <PSHAL 1870, maal per jaar] een gezongen mis ter ere van O.-L.-Vrouw en
118-121>. op alle zaterdagen en ”heylige avonden”, d.w.z. daags voor
belangrijke kerkelijke feesten, een lof ter ere van dezelfde
Beek, Neerbeek en Oud-Geleen verwoest (1505) heilige. Bovendien bedacht hij de armen van zijn geboorte-
plaats <AB nr. 498. - TsHKVGel 1993, nr. 3, 52-53>.
Toen op zaterdag 21 juni 1505 een rovende, brandstichten-
de en moordende Gelderse bende - uit de richting Elsloo en De ”tienden” van de hoeve Ten Eijsden door de
Stein komend - Beek binnenviel, zochten sommige inwoners keizer aan Jan Vos gegeven (1528)
van dat dorp hun laatste toevlucht in de kerktoren om van
daaruit op de invallers te schieten. Daarop staken deze In het conflict tussen keizer Karel V en hertog Karel van
laatsten het dak van de kerk in brand teneinde de belegerden Gelder had Johan Vos de Oude van Brunssum de zijde van
met rook uit de toren te verdrijven. Ofschoon de Beekenaren de keizer gekozen. Doch dat was hem duur te staan
zich daar wisten te handhaven, moesten zij vanuit hun hoge gekomen; niet alleen werd zijn stamkasteel te Brunssum
uitkijkpost met lede ogen toezien hoe praktisch heel Beek in door de Geldersen verwoest maar ook ontnamen dezen hem
vlammen opging. zijn inkomsten in het gebied van Gelder. Toen het conflict
Daarna namen de Geldersen hun weg naar het noorden. - althans voorlopig - ten gunste van de keizer werd beslist,
Ook de grote tiendschuur en de kleine schuur van de ridders verkreeg Johan Vos van deze laatste schadevergoeding. In
van de Duitse Orde gingen in vlammen op. Aangezien uit de 1528 stuurde Karel V hem een brief, waarin hij hem ”bien
context duidelijk blijkt, dat beide gebouwen tussen Beek en aimé Johan Vos escuyer [= ridder]” noemde en hij hem de
Neerbeek lagen - waar ook de aan de Duitse Orde toe- tienden van de hoeve Aysden [= Ten Eijsden] in het kerspel
behorende Vroenhof [later ”Oude Pastorie”] was gelegen - Geleen schonk. Die tienden werden aan de Gelderse maar-
kan hier moeilijk de schuur van de bij Sweikhuizen gelegen schalk Van Boedberg, eigenaar van genoemde hoeve, ont-
Biesenhof bedoeld zijn geweest <Hermans 1991, 80>. Na nomen omdat hij de ”verkeerde” zijde had gekozen <JPGL 29
Neerbeek - op twee of drie huizen na - in de as te hebben (1923), 25>. Vermoedelijk werd hier met ”tienden” vooral de
gelegd, zetten zij hun vernietigingstocht voort en brandden ”pacht” bedoeld, want als eigenaar van de hoeve Ten Eijsden
zij ”Opgelene, dat schoene dorppe ouch bynoe al kael aff” inde genoemde maarschalk Van Boedberg weinig tienden.
<PSHAL 1870, 130-132>. Daar geen verdere details ter beschik-
king staan, weten wij niet of toen ook de dorpen Lutterade Keizerlijke belasting van de geestelijkheid
en Krawinkel het slachtoffer werden. (1534, 1542 en 1552)

Belasting voor de strijd van de keizer tegen de In 1534 werd door keizer Karel V, met goedkeuring van de
Fransen paus, een belasting aan de clerus opgelegd. In Geleen werden
de pastoor en de beneficiant van het O.-L.-Vrouwealtaar
De oorlog, die keizer Karel V zich gedwongen zag tegen de aangeslagen. In 1542 en 1552 werd die heffing herhaald <Msg
koning van Frankrijk te voeren, moest door zijn onderdanen 1924, 17-18>.
worden bekostigd. In 1521 werd de hoofdbank Beek voor
500 goudgulden aangeslagen. Daarvan moesten de Geleners Aardbeving (21 maart 1554)
er 208 opbrengen <PSHAL 1885, 313-314>.
De Geleense secretaris Sander van den Hove tekende aan:
Het testament van de Gelener Alart Alarts (1525) ”Anno 1554, den 21en dach in de meert, omtrent elff ure
voer midtnacht, op eynen goensdach inde goede week, voer
Alart Alarts, zoon van de Geleense schepen Claes Alarts, paischen, ist ertbevinge ende eyn schudden gewest. Der
komt tussen 1494 en 1525 herhaaldelijk in de archieven van almechtiger wilt ons tot zelicheit [= zaligheid] hebben
Alden Biesen voor. Hij was geen lid van de Duitse Orde, geschickt [= gestuurd] ende in waelfaert [= welzijn] zyns
maar was rentmeester of ontvanger onder de ”scheffener” volcks. Amen” <PSHAL 1898, 329>.
[= manager] van de balije Alden Biesen. Op 24 juli 1525, Een inwoner van Weert schreef, dat die aardbeving daar
”liggende op sijnen sieck bedde cranck siende [= zijnde] van ”met soo grooten gerucht en geruijsch” plaatshad, dat ”wij
lichaeme nochtans over all guede memorie ende verstand dagten anders niet alste versinken”.Volgens andere tijd-
hebbende... inder slaepcamer... binnen der Balien vanden genoten werden er ook nog een aantal naschokken gevoeld
Biessen Tricht duijts ordens” [= te Nieuwen Biesen in <Rummelen, 22-23>.
Maastricht], maakte hij zijn testament. Daarin bepaalde hij

136

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 137

9. Parochie en geestelijkheid vrijgevig ten opzichte van zijn zuster; zo schonk hij haar en
van 1201 tot 1558 haar echtgenoot op 30 mei 1276 de plaats Susteren met haar
dependentiën <Sloet, nr. 975>.
Uit de periode van het kerspel Geleen (1201-1558) zijn heel Volgens PONTANUS schonk de graaf haar ook het levenslange
wat details over de parochie en haar geestelijkheid bekend. gebruik van de villa Glenæ als huwelijksgift: villam Glenæ ad
vitae usum dotis nomine <Pontanus VI, 156>. Hier betekent
Het patronaatsrecht met het collatierecht van villa(m) Glenæ veeleer ”de hoeve te Geleen” en niet ”het dorp
Geleen Geleen” <Lemborgh, 279, n. 10>, want dat dorp was reeds eerder
in het bezit van de Heren van Valkenburg. Trouwens, als hier
Zoals wij zagen moet de stichting van de eerste kerk van het dorp bedoeld zou zijn geweest, zou men eerder de uit-
Geleen aan een eigenaar en/of bewoner van de Hanenhof drukking villam Glenam of villam, quae dicitur Glena
worden toegeschreven; derhalve zal aan die stichter en zijn hebben mogen verwachten. Derhalve dringt zich hier de
opvolgers ook het oorspronkelijke collatie- of vergevings- Hanenhof met het daaraan verbonden patronaatsrecht als de
recht van het pastoraat moeten worden toegekend. Bij het door de graaf van Gelder aan zijn zuster geschonken villa(m)
derde concilie van Lateranen in 1179 werd het eigen- Glenæ op.
kerkrecht afgeschaft en door het patronaatsrecht - met het Tevens valt te vermelden, dat de voogd van Roermond, die
daaraan verbonden collatierecht - vervangen <LimVerl II, 454>. zowel het patronaatsrecht als de tiende van die stad bezat,
Voortaan zouden de pastoors door de bezitters van het dat recht in 1268 aan de graaf van Gelder teruggaf, waarop
patronaatsrecht slechts kunnen worden voorgedragen, deze het aan het Munster aldaar afstond <Sloet, nr. 909>.
terwijl hun benoeming aan de bisschoppen voorbehouden Aangezien de voogd van Roermond kort nadien de Hanen-
bleef. De Hanenhof, die gedurende vele jaren in het bezit hof van de graaf van Gelder in leen had, kan eenzelfde
van het geslacht Van Vlodrop bleef, werd in 1326 nog als een procedure ook hier hebben plaatsgehad.
leen van Gelder vermeld <Doorninck, 5>; maar reeds in 1275 Verder is het in dit verband frappant, dat Walram het dorp
was het patronaatsrecht van Geleen in het bezit van de Heer Geleen en andere plaatsen [buiten Limburg] vlak daarop aan
van Valkenburg en diens echtgenote Philippa van Gelder. zijn vrouw als lijftocht of weduwgift schonk <Ernst V, 289>. [Zie
”Kroniek” onder 1276/77.]

Schenking van het patronaatsrecht van Geleen Patronaats- en collatierecht door Reichenstein en Steinfeld
aan Reichenstein (1275) uitgeoefend
In de ”Kroniek” werd reeds vermeld, dat Walram de Rosse Het bezit van het patronaats- en collatierecht van Geleen
van Valkenburg en zijn echtgenote Philippa van Gelder in kwam o.a. hierop neer, dat de ”Meisterin” of priorin van het
mei/juni 1275 een verzoek tot de bisschop van Luik richtten klooster te Reichenstein kandidaten voor het herdersambt in
om hun schenking van het patronaatsrecht van de kerk van die parochie aan de aartsdiaken van Kempenland voordroeg,
Upglene aan de norbertinessen van Reichenstein goed te maar dat deze laatste - in naam van de bisschop van Luik -
keuren. Als motief voor de schenking gaven zij op, dat dit de eigenlijke benoeming deed <EurMoz, 3>. In dat klooster
klooster binnen hun jurisdictie van Monschau in een verbleef ook een prior van dezelfde orde. Zijn taak was het
onvruchtbare streek lag. En omdat desondanks aan allen die opdragen van missen en het toedienen van de sacramenten,
daar passeerden gastvrijheid werd verleend, ontstond er vaak zoals biechthoren.
gebrek aan voedsel. Door medelijden bewogen hadden Volgens een besluit van de aartsbisschop van Keulen uit circa
Walram en Philippa besloten om aan dat klooster o.a. het 1210 stond Reichenstein onder het geestelijke toezicht van
patronaatsrecht van Geleen, dat zij erfelijk bezaten [quod de abt van Steinfeld. Daaruit volgde o.a. dat de priors van
iure hereditario possedimus], voor hun zielenheil te schenken. Reichenstein door die abt werden aangesteld. Doch rond
Dit verzoek werd op 9 juli 1275 door de bisschop ingewil- 1373 werd dit toezicht door de toenmalige aartsbisschop van
ligd <Origineel in HAK. - Hugo II, 418. - Ritz I, 87-88. - Ernst VI, 28. - Lac II, Keulen aan de abt van Steinfeld ontnomen; pas in 1426 zou
394-395. - Eremit 1930, 35>. het weer aan een opvolger worden toegekend. In 1487 werd
Hier dringt zich niet alleen de vraag op hoe het bezit van het het vrouwenklooster opgeheven en door een mannen-
patronaatsrecht van Geleen de voedselsituatie te Reichen- klooster vervangen <Eremit 1930, 35-36>. Die ontwikkelingen
stein kon verbeteren, maar ook is het niet zonder meer hebben ongetwijfeld hun weerslag op de uitvoering van het
duidelijk hoe Walram en Philippa in het ”erfelijk” bezit van patronaatsrecht gehad. Blijkt uit niets, dat de abt van
dat patronaatsrecht waren geraakt. Op de eerste plaats valt Steinfeld vóór 1373 daarop invloed heeft uitgeoefend, in de
de meervoudsvorm [possedimus] in het oog. Ook valt het op, periode van 1373 tot 1426 was een dergelijke invloed zelfs
dat Philippa mede haar goedkeuring aan die schenking niet mogelijk.
hechtte. Aangezien dit recht voorheen in het bezit van de Het valt in het oog, dat zich onder de vroegste met zekerheid
graaf van Gelder moet zijn geweest, lijkt Philippa dit van bekende pastoors van Geleen uit de norbertijnerorde een
hem te hebben ontvangen. Die graaf was trouwens erg aantal vroegere priors van Reichenstein bevond. Daaruit

137

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 138

De merkwaardigste geschreven bron waren de aantekeningen
van de uit Geleen afkomstige priester W. ERKENS (1857-
1938). Zijn lijst van pastoors heb ik uit de nalatenschap van
de naar Australië geëmigreerde Gelener R. URLINGS ont-
vangen. Maar nergens staat daarbij enige bron vermeld.
Aangezien W. ERKENS in het bisdom Luik werkzaam was,
steeds een grote interesse voor de geschiedenis van zijn
geboorteplaats aan de dag legde en ook andere geschied-
kundige aantekeningen maakte, mag redelijkerwijze worden
verondersteld, dat hij die gegevens aan het bisschoppelijk
archief te Luik ontleende. Doch geen van zijn opgaven kon
tot nog toe worden geverifieerd, terwijl sommige jaartallen
niet geheel juist blijken te zijn. Daarom zullen de door hem
verschafte ”gegevens” hier met het nodige voorbehoud
worden vermeld.

De gerestaureerde kerk van Reichenstein uit 1693 <Foto Sj. Maas Pastoors van 1201 tot 1369
1993>. De hierboven reeds vermelde pastoor Henricus is de vroegste
ons met naam bekende Geleense herder; hij verbleef op
blijkt, dat de priorinnen van dat klooster destijds bij voor- 1 april 1201 te Susteren <Lac II, 2-3>.Volgens ERKENS zou hij
keur ordegenoten, die zij persoonlijk kenden, als pastoors tot 1259 als pastoor te Geleen in functie zijn gebleven en zou
van Geleen voordroegen. hij in 1264 zijn overleden.
Na de opheffing van het nonnenklooster matigde de abt van De veronderstelling, dat de Heren van Valkenburg na zijn
Steinfeld zich een rol in het uitoefenen van het patronaats- overlijden de cisterciënzerfraters Lambertus en Arnoldus, die
recht aan. Doch later zou het hem door de priors en/of respectievelijk in 1257-1272 en 1290 bedrijfsleiders van de
proosten van Reichenstein met succes worden betwist. kloosterhoeve te Krawinkel waren, misschien als pastoors
van Geleen zouden hebben voorgedragen <Hermans II, 37-38>, is
Pastoors van 1201 tot 1564 onaanvaardbaar. Afgezien van het feit, dat de cisterciënzers
zich weinig aan de zielzorg wijdden, werden beide fraters
De door JOS. RUSSEL <Russel 1860, 54-58>, pastoor J. M. NIJSSEN ook uitdrukkelijk als fratres conversi, d.w.z. lekenbroeders,
<JPGL 1910, 258-261> en F. HERMANS <Hermans 199I, 38-42> aangeduid <CD. - Ernst VI, 18. - AHEB 1907, 349>. Derhalve dient
gepubliceerde pastoorslijsten van Geleen waren vooral men conversi van de eigenlijke cisterciënzermonniken te
gebaseerd op een ”Extract”, dat in 1703 uit de archieven van onderscheiden; deze laatsten hadden de priesterwijding
Steinfeld werd samengesteld. NIJSSEN en HERMANS vulden ontvangen. Ook is het geenszins zeker en ons inziens zelfs
die lijst met gegevens uit andere bronnen aan. De vrij niet waarschijnlijk, dat de Heren van Valkenburg circa 1250
uitvoerige lijst, die ik in 1978 publiceerde <Oud-Geleen, 62-69>, reeds in het bezit van het patronaatsrecht van Geleen waren.
heb ik sindsdien aan de hand van gegevens uit andere Verder was er in 1272 sprake van de niet met naam
gedrukte en geschreven bronnen nog weten uit te breiden. genoemde investitus [= pastoor] van Geleen, die op het feest
van St.-Lambertus aan die monniken een cijns verschuldigd
was voor het gebruik van een bunder akkerland en twee
weiden <AHEB 1907, 348>. Welnu, als de pastoor van Geleen
toen een cisterciënzermonnik zou zijn geweest, zou hij
allicht van die cijns of pacht vrijgesteld zijn geweest; ook zou
hij dan ons inziens met zijn kloosternaam zijn aangeduid.
Tenslotte werd in 1272 een Henricus Cecus [= de Blinde]
ecclesiarius de Glene vermeld <AHEB 1907, 163>. Een ecclesiarius
was wel een geestelijke, maar vermoedelijk was hij geen
priester; in elk geval was dat geen gebruikelijke aanduiding
van een pastoor. Ook kan die Henricus wegens de cijns of
pacht, die hij voor zijn huis en tuin [pro domo sua et orto] aan
de monniken van Villers moest betalen, niet als een pastoor
van Geleen worden beschouwd. Niet alleen waren de
pastorie en de daarbij behorende tuin geen eigendom van de
cisterciënzers, maar ook waren zij van elke cijns of pacht
ontheven.

138

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 139

De volgende vier namen en data werden door W. ERKENS documenten betreffende belastingen. Zijn zegel stelde de
tussen 1259 en 1369 in de lijst van Geleense pastoors patroonheiligen Marcellinus en Petrus voor en de legende
ingelast: Andreas a Campo (1259-1271), Willemshon (1271- luidde: S(IGILLUM) * PAST(ORIS) * (E)CCL(ESIÆ) *
1304), Naertlen (1305-1354) en Von Haenen (1354-1369). OPGH(E)L(E)NE. Op het tegenzegel stond: S(IGILLUM)
* W* D * GRESSENICH <Verkooren, nrs. 2897 en 2943>. In 1374
Wilhelm (van) Gressenich (1369 - ca. 1374) zou hij als pastoor naar Oleff in de Eifel zijn teruggekeerd
In het bovengenoemde ”Extract” staat, dat Wilhelm (van) <Hermans 1991, 38>.
Gressenich de eerste norbertijn was, die in de archieven van
Steinfeld als pastoor van Geleen voorkomt. Dat betekent Gerlach van Antwilre (ca. 1374 - ca. 1400)
echter niet per se, dat hij de eerste norbertijn was, die als Tot 1371 was G. van Antwilre prior te Reichenstein <Hugo II,
pastoor naar Geleen kwam. Het ligt immers voor de hand, 623-624. - Conrads, 82>. Op 24 april 1377 treffen we hem als
dat de priorinnen van Reichenstein ook tussen 1275 en 1369 pastoor te Geleen aan. De bewering door ERKENS, dat hij op
priesters uit de eigen orde hebben voorgedragen. Onder abt 13 december 1384 overleed, is onjuist, want op 26 novem-
Winrich (1356-1362) was Wilhelm (van) Gressenich de ber 1391 en op 28 januari 1392 was hij nog in functie <ZAGV
pastoor van de norbertijner abdijkerk te Steinfeld. In 1358 1886, 128. - PSHAL 1880, 167-170; 1885, 17>. Ook werd in 1400 een
schreef hij een vita van de aldaar begraven gelukzalige zekere Godeschalk Papsen als zijn plaatsvervanger vermeld
Hermann Joseph en een vita van de H. Potentinus en zijn <Habets 1875, 381>.
gezellen <Hugo II, 857. - AHVN 1914, 75>. Daarna was hij [waar- Evenals zijn zojuist genoemde voorganger hechtte ook hij
schijnlijk vanaf 1362] tot 1366 prior van het norbertinessen- zijn zegel aan verschillende documenten van de schepenen
klooster te Reichenstein. In het laatstgenoemde jaar ging hij van Geleen, nl. in de jaren 1377-1385. Het bestond uit drie
als pastoor naar Oleff in de Eifel, en in 1369 kwam hij in omgekeerde lindebladeren zonder steel [of harten] waar-
diezelfde functie naar Geleen <Conrads, 82>. boven een barensteel. De legenden waren: GERLAC PAS-
In 1372 en 1373 zegelde hij - op verzoek van de schepenen TOR (G)HELENIE en S(IGILLUM) * GERLAC * PAS-
van Geleen, die geen eigen zegel hadden - een paar TOR IN VPGHELENE <Jansen, nr. 37. - Verkooren, nrs. 5074, 5345,
5671, 5803 en 6042. - Raadt I, 174. - PSHAL 1925, 11>. De veronderstel-
ling van VERKOOREN, dat zijn naam eigenlijk ”Van Oud
Wijlre” zou luiden <Verkooren I, 7, p. 290>, is niet juist; Antweiler
is een plaats in de Eifel.

Zegel van pastoor Wilhelm (van) Gressenich uit 1373. Het stelt Zegel van pastoor Gerlach van Antwilre uit 1377. Het bevat
de patroonheiligen Marcellinus en Petrus voor. Rechts zijn de zijn familiewapen met o.a. drie lindebladeren zonder steel of
letters PAST en onder de letters CCL leesbaar. Volgens harten. Volgens VERKOOREN luidt het omschrift: S(IGILLUM)
VERKOOREN, die deze voorstelling met andere afdrukken van * GERLAC * PASTOR IN VPGHELENE <RAB, Verkooren, nr.
hetzelfde zegel vergeleek, vormden zij onderdelen van het 5074>.
omschrift: S(IGILLUM) * PASTORIS * ECCLESIÆ *
OPGHELENE (= Zegel van de pastoor der kerk te Opgeleen)
en heeft het contrazegel als omschrift: S(IGILLUM) W * D *
GRESSENICH <RAB, Verkooren nr. 2943>.

139

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 140

Hermann Nutzen (ca. 1400 ? - 1419 ?) pastoor Adam Kettenisse: per mortem quondam domini et
Volgens ERKENS zou H. Nutzen de onmiddellijke opvolger fratris Ade Kettenisse <ReichsteinKP II, 421-422>. Derhalve zal
van pastoor G. van Antwilre zijn geweest. Misschien geeft Fredericus Medicus door MOSMANS waarschijnlijk terecht als
het daarbij opgegeven jaartal 1384 zijn benoeming tot ”plaatsvervangend” pastoor zijn aangeduid <PSHAL 1925, 16>.
assistent van die pastoor aan.
Gerard van Thurne (1502-1552)
Nicolaas Weygbart (1419 ? - 1430 ?) Deze pastoor werd ook Gerhard van Deuren of Duijren
In de archieven van Steinfeld staat, dat N. Weygbart omtrent [= Düren, D.] genoemd. Van 1497 tot 1502 was hij kape-
1430 pastoor in Geleen was; maar er staat uitdrukkelijk bij, laan te Fritzdorf (D.). Op 21 juli 1502 werd hij op voor-
dat de datum van zijn installatie niet werd overgeleverd dracht van de abt van Steinfeld tot pastoor van Geleen
<PSHAL 1864, 342>. Volgens ERKENS zou die in 1419 hebben benoemd. Aan die benoeming voegde de aartsdiaken van
plaatsgehad en zou hij in 1430 zijn overleden. Kempenland op 21 juli 1502 toe, dat een enkele aankondi-
ging in de kerk van Geleen op een zondag onder de hoogmis
Johan Weysmann (1430 ? - 1432 ?) kon volstaan en dat de beide andere - volgens de statuten
Naar opgave van ERKENS was J. Weysmann gedurende twee voorgeschreven - aankondigingen geschorst mochten
jaar (1430-1432) pastoor van Geleen en overleed hij in worden <ReichsteinKP II, 421-422>. Als pastoor van Geleen zien
december 1436. wij Gerard van Thurne o. a. in 1528, 1531, 1534 en 1537
optreden <Franquinet, St.Gerlach, 153-154. - Msg 1924, 17. - PSHAL 1925,
Heinrich Schutzen (1433 ? - ca. 1445 ?) 55>.
Volgens ERKENS was H. Schutzen gedurende 25 jaren (1433- In 1534 schonk hij een glas-in-loodraam in drie panelen
1458) pastoor van Geleen en overleed hij in 1461. voor de kruisgang van de abdij van Steinfeld. Slechts een van
Mogelijkerwijze klopt het jaartal 1433, maar 1458 is niet de drie taferelen bestaat thans nog; het bevindt zich in het
juist. Victoria and Albert museum te Londen. Over die ramen en
hun lotgevallen kunnen meer details worden gevonden in de
Fredericus Kempghens (ca. 1445 - 1458 ?) publicaties van SCHMIDT <Schmidt, 89 en 108; TA 1910, 82 vv.>,
Over pastoor F. Kempghens is niets anders bekend dan dat KURTHEN <Kurthen>, REINARZ <Thieme 28 (1934)> en B.
hij in 1445 officieel pastoor van Geleen was en dat toen een RACKHAM <TrBGAS 57 (1935). - BurMag 85 (nov. 1944) en 36 (apr. 1945). -
Westfaler, die Joannes heette, zijn plaatsvervanger was JBAA 3rd ser. vol. X (1945-47)>.
<PSHAL 1925, 16>. Hij vierde te Geleen zijn gouden jubileum als pastoor en
overleed nog in datzelfde jaar, nl. op 29 december 1552. In
Bartholomeus Without, Wisshout of Wijshout (1458 - ca. het ”Extract” staat, dat zijn dood in altero anno centum
1470 ?) plaatshad; volgens pastoor NIJSSEN betekent dit, dat hij op
B. Wisshout was prior te Reichenstein tot 1455 <Conrads, 82>. één jaar na een eeuw oud is geworden.
Een Bartholomeus Without wordt als proost van het kloos-
ter St.-Gerlach te Houthem bij Valkenburg vermeld Joannes Heep of Heip (1553-1564)
<Philippens 1983, 46>. Aangezien mag worden verondersteld, dat Deze pastoor, wiens naam soms verkeerd als Heiß <Hugo II,
deze de latere pastoor van Geleen was, zal hij die functie van 623-626> en Hoppe <PSHAL 1925, 55> werd opgegeven, was tegen
proost allicht in de jaren 1455-1458 hebben uitgeoefend. In het einde van de vijftiende eeuw te Monschau [Montjoie]
1458 werd hij tot pastoor van Geleen benoemd; ook in 1464 geboren en in het begin van de zestiende eeuw te
kwam hij nog als zodanig voor <HJLvZ 1983, 20>. In de doden- Reichenstein ingetreden. In 1538 werd hij er prior. In
kalender wordt hij op 7 november [zonder jaartal] vermeld augustus 1543 werd dat klooster door soldaten van het leger
<Conrads, 82>. van Karel V verwoest. De monniken konden zich slechts
door de vlucht in veiligheid brengen. Joannes Heep ging als
Adam (van) Kettenisse (ca. 1470 - 1502) pastoor naar Leudersdorf bij Neuwied (D.). Omdat bij de
In het ”Extract” uit Steinfeld staat, dat A. (van) Kettenisse in verwoesting van zijn klooster ook het archief grotendeels
1484 tot pastoor van Geleen werd benoemd; in dat jaar was verloren was gegaan, stelde hij een nieuwe lijst met
hij inderdaad in functie <PSHAL 1864, 342>. Doch reeds in 1470 beschrijvingen van de bezittingen op.
wordt hij als zodanig vermeld; dan heeft hij een zekere In 1552 werd Heep door de abt van Steinfeld als pastoor van
Cornelius Oeslinger als plaatsvervanger <PSHAL 1924, 222>. In Geleen voorgedragen en op 7 juni 1553 werd hij door de
datzelfde ”Extract” wordt in 1478 een Fredericus Medicus als kerkelijke overheid in die functie benoemd <PSHAL 1864, 342;
pastoor van Geleen opgegeven; ook HABETS vermeldt dit 1925, 55>. In 1554 plaatste hij in de kerk alhier een preekstoel,
<PSHAL 1864, 342>. Volgens ERKENS bleef Medicus tot 1482 in waarop in reliëf een kruisberg, een druivenmotief en een
functie en overleed hij in 1502. Doch in het archief van perkamentblad waren aangebracht <Russel 1860, 67. - Msg 1906,
Reichenstein staat uitdrukkelijk, dat het pastoorsambt van 24>. De preekstoel werd in 1890 door een nieuwe vervangen.
Opgheleijne in juli 1502 vacant was wegens het overlijden van Pastoor Heep overleed op 9 februari 1564 <Conrads, 99>.

140

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 141

bisdom Luik; in 1501 werd hij kanunnik aan de kerk van het
H. Kruis te Luik <Poncelet I, CLXXVII>.
1528-1537: Arnold Mutzenich <PSHAL 1925, 55>. Daar hij
slechts een geestelijke [clericus] maar geen priester [presbyter]
was, werd een van de twee voorgeschreven missen door de
pastoor gelezen en de andere o.a. door Hermannus de
Quercu [= van Eyck].
1534: Matheus Mutzenich <Msg 1924, 17>.
Arnold Simons († 1550).
Sedert februari 1555 behoorde dit beneficie aan de jeugdige
Nicolaus Spee, geestelijke [clericus] van het bisdom Luik
<PSHAL 1925, 55>.

Andere stichtingen ter ere van de H. Maria
Zoals reeds werd vermeld, bepaalde de Gelener Alart Alarts
op 24 juli 1525 in zijn testament, dat de pastoor van Geleen
op alle quatertempervrijdagen, d.w.z. viermaal per jaar, een
mis ter ere van Onze-Lieve-Vrouw zou zingen en zowel op
alle zaterdagen als daags vóór belangrijke kerkelijke feest-
dagen een Marialof zou houden <Grauwels OB, nr. 585>.

De Calvariegroep op het oude kerkhof, bestaande uit een Altaar en beneficie van Sint-Nicolaas
missiekruis, waarvan het houten corpus van circa 1500 dateert, In 1528 werd genoteerd, dat aan het altaar van de H.
en beelden van de H. Maria en de H. Johannes uit de tweede Nicolaas elke week, maar niet op een vastgestelde dag, één
helft van de 16de eeuw. Deze kapel werd rond 1875 gebouwd mis moest worden gelezen <PAG>. Als beneficianten van dit
door de ernaast wonende burgemeester J.M.H. Smeets. De altaar zijn bekend:
beelden werden in 1989 gerestaureerd <Foto M. Verjans, 1950>. 1400: Wilhelmus Stoeckens <Habets 1875, 381>.
1460: Joannes Wolffs, pastoor van Buchten en Born, die
Altaren, stichtingen en beneficies ook het beneficie van het Sint-Catharina-altaar te Spaubeek
bezat. Op 22 juli 1464 deed hij afstand van beide beneficies
In 1528 werd genoteerd, dat aan het hoofdaltaar in de kerk ten behoeve van magister Antonius Watepaet. Deze laatste
van Geleen minstens drie missen per week dienden te wor- ontving ze op 10 oktober 1464. Hij was een geestelijke
den gelezen, nl. op zon- en feestdagen en op elke dinsdag en zonder hogere wijdingen, die tot de diocesane kanselarij
vrijdag <PAG>. Reeds in 1400 werden zijaltaren van Onze- behoorde <HJLvZ 1983, 20>, en om die reden heeft hij zich
Lieve-Vrouw en van Sint-Nicolaas vermeld <Habets 1875, 381>. allicht laten vervangen.
Aan elk van die zijaltaren was toen een beneficie verbonden, 1523-1537: Conrad Haeck(t) of Haegh <PSHAL 1925, 55>. In
d.w.z. de priester, die aan zo’n altaar de voorgeschreven mis- 1528 werd hij absens genoemd; het beneficie werd toen
sen las, genoot een vast inkomen van daaraan verbonden waargenomen door de bovengenoemde Hermannus de
stichtingen en bezittingen. Quercu [= van Eyck]. Toen Haegh in 1537 bedankte, werd
hij door Bartholomeus Drys, een geestelijke [clericus] van het
Altaar en beneficie van Onze-Lieve-Vrouw bisdom Luik, opgevolgd <Msg 1925, 55>.
In 1528 werd vermeld, dat aan het altaar van Onze-Lieve-
Vrouw wekelijks twee missen, waarvan één op zaterdag, Altaar van ”Sinteloa” [= Sint-Eloy = Sint-Eligius]
dienden te worden opgedragen <PAG>. Van dit altaar zijn als In sommige [latere] documenten wordt de H. Eligius als de
beneficianten of beneficiehouders bekend: tweede - eigenlijk de derde - kerkpatroon van Geleen
1400: Godeschalk Papsen, toen tevens plaatsvervanger van vermeld. In 1485 is voor het eerst sprake van altare S. Elygii
pastoor G. van Antwilre <Habets 1875, 381>. non dotatum, d.w.z. het altaar van de H. Eligius, waaraan
1476: Hugo van Woutingen <PSHAL 1925, 55>. geen beneficie is verbonden <Habets 1875, 381>. Dit wordt in
1498: Adam de Tilia [= van der Linde], subdiaken van het 1528 herhaald <PAG>. In 1537 wordt aangetekend, dat het
altaar van de H. Eligius non dotatum, sed consecratum [= niet
van een beneficie voorzien, maar wel gewijd] is. Hieruit
blijkt, dat het toen een afzonderlijk altaar betrof. Later werd
vermeld, dat het Sint-Eligiusaltaar in het hoofdaltaar
”geïncorporeerd” was. Hieruit valt af te leiden, dat de missen
ter ere van de H. Eligius - en speciaal op zijn feestdagen [25

141

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 142

juni en 1 december] - toen aan het hoofdaltaar werden
opgedragen. Waarschijnlijk hield dat verband met de grote
populariteit van die heilige en de uitbundige viering van zijn
feestdagen te Geleen.

Andere parochiële instellingen en functies

Naast de geestelijke bedieningen, die uiteraard door priesters
werden waargenomen, waren sommige parochiële instellingen
en functies in handen van leken.

Kerkmeesters
In 1485 wordt voor het eerst vermeld, dat te Geleen het
kerkmeesterschap [matricularia] bestaat. In 1558 wordt
daaraan toegevoegd, dat die functie telkens voor één jaar
wordt waargenomen <Habets 1875, 381>.

Armenzorg: mombers, Heilige-Geestmeesters of armen- De Pieterstraat circa 1910. Op de voorgrond, grotendeels achter
meesters de boompjes van het Wilhelminaplein verscholen, ligt de dorps-
In de Middeleeuwen werden goede werken, zoals hongerigen brug over de Keutelbeek. Achteraan rechts, ter plaatse van de
spijzen, zieken bijstaan, reizigers en pelgrims herbergen, etc. heg en de bomen, lag eertijds de gasthuis(kool)hof. Waar-
op grote schaal beoefend. ”Heilige-Geesttafel” was een schijnlijk was het verderop gelegen gebouw met het afhangende
geijkte middeleeuwse uitdrukking voor de georganiseerde dak het vroegere gasthuis <Gedeelte van ansichtkaart>.
armenzorg, die door de gemeenschap - met steun van de
geestelijke en wereldlijke autoriteiten - werd onderhouden. Het Gasthuis in de Pieterstraat
De Geleners, die de zorg voor de plaatselijke armen op zich
namen, werden mombers, armenmeesters of Heilige- Uit de vermeldingen ”Gasthuyss valderen” in 1569 en 1589
Geestmeesters genoemd. De zorg voor de armen werd eerst <PSHAL 1898, 337. - Msg 1911, 35> blijkt niet alleen dat Geleen in
voor twee jaar aan twee armenmeesters en daarna elk jaar aan vroeger eeuwen een gasthuis had, maar ook dat dit in de
één armenmeester toevertrouwd. Pieterstraat lag, nl. dicht bij de plek waar thans de
Er werd in de Middeleeuwen opvallend veel aan de armen Dohmenstraat begint. Ofschoon over de geschiedenis van
geschonken. Menigeen verkocht, schonk of vermaakte een dat gasthuis niets bekend is, lijkt het toch waarschijnlijk, dat
deel van zijn eigendom of inkomen aan de door armen- het al in de vijftiende eeuw ter plaatse lag. Vóór 1400 waren
meesters geleide instelling. Op 21 oktober 1378 verkochten er immers reeds gasthuizen in Sittard en Beek, terwijl in
de Geleense brouwer Goesse en zijn vrouw Drude aan de 1447 te Stein een ”hospitael of gasthuijs voor de armen”
huisarmen van Sittard en Opgheleine een rente van twee werd ingericht <Msg 1975, 162-163> en ook Brunssum al vroeg
malder rogge. Daarbij verplichtten zij zich om elk jaar op zijn gasthuis had <Moonen, 520-523>.
Sint-Andriesdag [= 30 november] die rente half aan de Een gasthuis of Heilige-Geesthuis was geen ziekenhuis en
armen van Sittard en half aan die van Geleen te leveren nog minder een herberg. Het was een door de gemeenschap
<Jansen, 2627>. onderhouden huis van liefdadigheid of armenhuis, van
In zijn hierboven vermeld testament van 24 juli 1525 waaruit gaven werden gedistribueerd en waar lokale armen
bedacht Alart Alarts ook de armen van zijn geboorteplaats een onderdak konden vinden; zij waren de centra, van
Geleen; zo bepaalde hij dat ”die Heijli(g)gheest Meesteren te waaruit de werken van barmhartigheid in de gemeenschap
Geleijne van wegen des Heijlige Geest” op de quatertemper- werden georganiseerd <Querido, 8-9>. Deze huizen, met de
vrijdagen broden uit zes vat rogge moesten laten bakken, die daartoe behorende goederen, stonden onder het beheer van
in 48 porties zouden worden verdeeld om aan de armen van een gasthuismeester of armenmeester <Msg 1975, 163-164>. Zij
Geleen te worden gegeven; mochten er in dit kerspel niet werden in West-Europa in groten getale gevonden.
genoeg armen voor zoveel aalmoezen zijn, dan zou de rest Het door graaf Arnold V Wolfgang Huyn in zijn - niet in
aan behoeftigen in naburige plaatsen moeten worden het Duits maar in ”ouderwets” Frans gesteld - testament van
gegeven <AB nr. 498.-TsHKVGel 1993, nr. 3, 52-53>. Ook werd 1667 genoemde ”hospital de Geleen”, waaraan hij 100
eeuwenlang op de dag van de begrafenis van een welgestelde dukaten vermaakte, moet dit gasthuis zijn geweest. Het
Gelener of Geleense brood aan de armen uitgedeeld. Franse woord ”hospital” - thans ”hôpital” - kan hier

142

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 143

misschien misleidend zijn; het sloeg echter niet op de mogelijk, dat toen ook de Biesenhof brandschade leed, maar
verpleging van zieken. In 1637 vermeldde pastoor Leurs, dat daarover wordt in de bekende bronnen niets vermeld. [Zie
Ercken [= Arnold] Claessen in het gasthuis woonde. Dat ”Kroniek” onder 1505.]
schijnt erop te wijzen, dat het gasthuis steeds bewoond was De door pastoor Leurs vermelde veldnamen Op het Ritske,
en dat de daar ondergebrachte armen door de vaste bewoners Smythegge, Op de Sleutel en Aan het Nieuwhuys kunnen niet
werden verzorgd. als bewijzen worden aangevoerd, dat het Gasthuisveld op
De mededeling - in het parochiearchief - dat de aanzienlijke afstand ten zuiden van Oud-Geleen zou zijn
”Gasthuyshoff” circa 1674 ”met consent [= toestemming] begonnen. Jan Bollen de oude schreef in 1676 dat het
van Sijne Hoechw[aerdige] Bischop van Ruremonde ende ”gasthuijs” in de Pieterstraat lag en noteerde in 1678, dat
het geestelijck hoff des lants Valckenborgh” werd verkocht, toen krijgsvolk in het Gasthuisveld vanaf het gasthuis-
heeft tot een misverstand geleid. Duidt de uitdrukking valderen [in de Pieterstraat] tot in Neerbeek lag. De zojuist
”gasthuishof” in andere plaatsen, zoals Vaals, Maasniel en genoemde kleinere percelen waren ofwel onderdelen van het
Venlo, op een gebouw, te Geleen blijkt dat niet het geval te veel grotere Gasthuisveld ofwel lagen zij daarbuiten. Een
zijn geweest, want uit de meetboeken van de landmeters stuk land, dat door pastoor Leurs aan de Smythegge werd
Bollen blijkt, dat die ”Gasthuyshoff” niet het gasthuis zelf geplaatst, werd door de landmeters Bollen in het
maar de er vlakbij gelegen ”koelhoff” of tuin was. Uit een Gasthuisveld gelokaliseerd.
analyse van de beschikbare bronnen blijkt, dat de Geleense
”gasthuyshoff” ter plaatse van de latere winkel Pelssers en het
ernaast gelegen café lag, recht tegenover de Dohmenstraat.
Vanzelfsprekend moet het Geleense gasthuis vlakbij de
ernaar genoemde tuin en valderen hebben gelegen. Men zal
wellicht spontaan geneigd zijn om de herhaaldelijk
genoemde ”huysplaets aen het gasthuysvalderen” als het
gasthuis te beschouwen. In dat geval zouden wij, gezien de
frequentie van die vermelding, allicht hebben mogen
verwachten, dat die woning soms als gasthuis werd aan-
geduid; dat blijkt echter niet het geval te zijn. Bovendien
weten wij, dat de erfgenamen van Thisken Selis in 1676 in
het huis aan het gasthuisvalderen woonden, terwijl het
gasthuis zelf - dat een oppervlakte van 421/2 roede had -
toen ”int gebruik van Claes Selis” was <LvO nr. 1347, folio 153>.
Op grond van diverse andere aanduidingen lijkt een locatie
vlak ten zuiden van de gasthuishof of -tuin, nl. waar de Van
Lennepstraat begint, de meest waarschijnlijke.
Zowel de bewering, dat de Geldersen in 1505 eerst het
gasthuis van Geleen zouden hebben ”ten gronde kaal
afgebrand”, vandaar ”nederwaerts” zouden zijn getogen om
de schuur van de Biesenhof in brand te steken en vervolgens
naar Neerbeek en Oud-Geleen zouden zijn getrokken om
ook die dorpen af te branden, alsook de uit die bewering
getrokken conclusie, dat het gasthuis van Geleen ”korter bij
Biesenhof en Neerbeek dan bij het eind van de toenmalige
bebouwing van de Pieterstraat” zou hebben gelegen <Hermans
1990, 21>, berust op verkeerde interpretaties van historische en
toponymische gegevens. Het door TRECPOEL [of juister
TRETPOEL] in 1505 vermelde Gasthuys was niet het gasthuis
van Geleen maar dat van Beek. Ook betekende ”neder-
waerts” niet zuidwaarts maar noordwaarts. Bovendien waren
de door de Geldersen verbrande schuren, ”behorende den
duytschen Heren vanden Byessen”, niet de schuren van de
bij Sweikhuizen gelegen Biesenhof. De afgebrande schuren
lagen tussen Beek en Neerbeek; de grootste van deze was de
tiendschuur, die hoogstwaarschijnlijk ter plaatse van de
latere ”Oude Pastorie” lag. In Beek bezat de Duitse Orde
immers het patronaatsrecht <PSHAL 1870, 131>. Het is best

143

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 144

Hoeve Sint-Jansgeleen.
144

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 145

IV <McKenna, 1213> en TH. BECKERS <Th. Beckers, 35, 7 en 14> over-
genomen veronderstelling dat hij uit het Kerkraadse geslacht

De heerlijkheid Van Anstel zou stammen, ontbreekt elk bewijs. Zij was
vooral gebaseerd op de verkeerde interpretatie van
Amstenrade als Anstelrade. Het geslacht Van Anstel voerde

Geleen trouwens geen slangenkruis als wapen <UKV, 34>. Ook
beweren die drie auteurs ten onrechte dat genoemde
Hendrik het goed Amstenrade van Brabant in leen hield.

(1558-1654) Het kasteel van Amstenrade was immers een zonneleen; het
komt dan ook als zodanig in de leenboeken van Brabant niet
voor.

Naast de hoofdtak te Amstenrade ontstonden er Maas-

Op 20 januari 1558 verhief koning Filips II van Spanje de trichtse, Brustemse (B.) en Geleense takken. De door

kerspels Geleen en Spaubeek, met het kasteel van Sint- MCKENNA en TH. BECKERS veronderstelde verwantschap

Jansgeleen en de daarbij behorende grond, tezamen tot de met een Lotharings-Oostenrijks grafelijk geslacht Huyn is

heerlijkheid Geleen. Aldus kreeg Geleen toen zijn eigen gebaseerd op een verkeerde interpretatie van een passage in

lokale ”Heer”. de brief, die de Oostenrijkse graaf Otto Huyn d.d. 29

september 1927 aan pater E. MCKENNA

te Geleen schreef en die in het bezit van

de auteur is. Daarin staat geenszins, dat

die graaf als wapen van zijn Lotharingse

voorouders een achtkoppig slangenkruis

met een hartschild van drie rode munten

had gevonden, zoals pater MCKENNA

meende <McKenna, 89-97> en ook BECKERS

suggereerde <Th. Beckers, 120>, maar enkel

dat zij drie rode munten op een veld van

zilver voerden. Doch ook die drie

munten mogen niet zonder meer als het

wapen van het geslacht VAN GRONSVELD

worden geïdentificeerd. Dit waren eigen-

lijk Byzantijnse munten, die bij voorkeur

door riddergeslachten, waarvan leden

aan de kruistochten hadden deel-

genomen, in hun wapens werden

gevoerd. Niet alleen ontbreekt voor een

dergelijke verwantschap elk overtuigend

bewijs, maar ook passen de bekende

Lotharingse Huyns niet in de genealogie

Sint-Jansgeleen, vanuit het noorden gezien, in de tweede helft van de negentiende van de bekende Amstenraadse Huyns.

eeuw. Links ligt het herenhuis, rechts de hoeve <Tekening door C. Sax>. Evenmin kan een geldig beroep op een

zogenaamde traditie van vijf eeuwen

1. Het geslacht Huyn onder de Oostenrijkse Huyns worden gedaan <Th.Beckers, 120>,
want uit de correspondentie van JOS. HABETS blijkt over-

en de heerlijkheid Geleen duidelijk, dat de Oostenrijkers pas via hem ontdekten, dat er
in Nederlands Limburg een gelijknamig grafelijk geslacht

Ruim een eeuw behoorden de ”Heren” van Geleen tot het heeft geleefd <JHS 1991, 70-91>.

uit Amstenrade afkomstige geslacht Huyn; hun plaatselijke

residentie was het kasteel van Sint-Jansgeleen. Circa 1470 huwde Gerard Huyn van Amstenrade met Agnes

De vroegste Huyns van Amstenrade van Printhagen, enige dochter van Arnold van Printhagen.
te Sint-Jansgeleen Haar vader bezat de overste hof van Printhagen te Beek en
het kasteel Rivieren te Klimmen, en hield de graanmolen

Het vroegst bekende lid van het geslacht Huyn was de in van St.-Jansgeleen in pandschap; wegens dit laatste werd hij

1366 vermelde Hendrik van Anstenrode <Meyer I, 337>. Voor de (Arnold) ook ”van Her Jansgelene” genoemd <PSHAL 1884, 427.

door F. LEUFKENS gemaakte <Leufkens, 8> en door MCKENNA - Franquinet, St.Gerl, 138-149. - Grauwels, OB nr. 454. - St. Jansgel, 158-164>.

145

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 146

De onderlinge verwantschap tussen de Heren en Vrouwen van de heerlijkheden Geleen, Oirsbeek en Brunssum uit het
geslacht Huyn

Johan Huyn te Amstenrade
∞ ca. 1440

Johanna van Gronsveld

Werner Gerard
∞ te Beek en St.-Jansgeleen

Catharina van ∞ ca. 1470
Holtmühlen Agnes van Printhagen

Jan † 1556 Arnold I † ca. 1553 Caspar † 1541
∞ ∞ ∞

Mechtildis (1) Catharina van den Bongard Huberta (van) Maschereil
van Cortenbach (2) Henrica (van) Maschereil
Caspar † 1593
Werner † 1595 Arnold II † 1579 Heer te Hausen
1558: Heer van Oirsbeek 1558: Heer van Geleen
1559: Heer van Brunssum ∞
∞ Maria van
∞ Anna van Groesbeek Reuschenberg
Anna van Strijthagen
† 1612
† 1598

Arnold III † 1643 Willem † 1593/94 Werner † 1621
1582: Heer van Geleen 1593: Heer Guliks maarschalk
1594: Heer van Oirsbeek van Oirsbeek
en Brunssum 1606: Heer van
en Brunssum Oirsbeek en Brunssum
∞ 1586

Margaretha van Bocholt
Leyffart van Leerode
Arnold IV † 1624
1619: Heer van Geleen ∞ Maria Edmond Winand Hans-Werner

∞ 1619 1643: Vrouwe † 1631 † 1636 † 1642
Marg.-Wilh. van Wittenhorst
van Oirsbeek
Arnold V Wolfgang
1624: Heer van Geleen

† 1668

en Brunssum

† 1673

Het kasteel en de hoeve van Sint-Jansgeleen behorende goederen, door Heilwig van Spaubeek aan ridder
Alles wijst erop, dat het oudste kasteel van Sint-Jansgeleen in Herman Hoen van Broeck [= Hoensbroek] overgedragen.
de tweede helft van de dertiende eeuw werd gebouwd door Door aanhuwelijking kwam dit daarna aan leden van het
een lid van het riddergeslacht Van Schinnen, dat Terborg als geslacht Rode van Opsinnich. Naar Jan I van dit geslacht
stamzetel had. († 1472) ging men dit complex als Her Jansgelene en Her
Dit kasteel werd aanvankelijk ”het huis van Spaubeek” Johans Gelene aanduiden. Later werd dit in de volksmond in
genoemd en de nakomelingen van de bouwer noemden zich Sint-Jansgelene en Sint-Jansgeleen veranderd <St.Jangel, 27-40>.
dan ook ”Van Spaubeek”. [Voor een beknopte geschiedenis van dit complex, zie deel
Op 15 december 1388 werd die burcht, met de daarbij II, hoofdstuk X.]

146

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 147

een veld van zilver [2de en 3de kwartier]. Dat wapen staat in
de gevel van de vroegere brouwerij en boven de ingangspoort
van St.-Jansgeleen. Ook vindt men het op het portret van
Arnold II Huyn en op dat van een van zijn zonen; op de
door Arnold III Huyn geschonken doopvont en op diens
grafsteen in de parochiekerk te Wachtendonk; op de door
Arnold IV Huyn geschonken doopvont in de kerk van Oud-
Geleen; op het zegel van Arnold V Wolfgang Huyn en op de
door hem geschonken preekstoel te Broekhuizen; op het
zegel van landcommandeur Godfried Huyn, op de door deze
laatste geschonken doopvont te Alden Biesen en op
verscheidene gedenkstenen, die aan zijn bouwactiviteiten of
schenkingen betreffende dat complex herinneren <St.Jans-gel.,

41, 46-48. - HJLvZ 1984, 49 en 51. - GGHvG, 143, 145, 148 en 152. - JHS 1993,

60-82>.

Het in een winkelhaak opgetrokken en reeds sedert lang niet
meer bewoonde herenhuis van Sint-Jansgeleen in de jaren twin-
tig van de twintigste eeuw. Het oudste gedeelte van het boven-
stuk werd tentatief in de eerste helft van de zeventiende eeuw
gedateerd, terwijl de mergelstenen kelderverdieping tentatief als
zestiende eeuw werd beschouwd <Voorl. Lijst 2, 443>. Duidelijk is te
zien, dat het linker gedeelte in een latere fase ofwel vernieuwd
ofwel uitgebreid werd. Onder het eerste benedenraam links is de
accoladevormige bovendorpel van de ingang tot de vroegere
kerker te zien. De grote witte plek tegen de zijgevel rechts geeft
waarschijnlijk de plaats aan, waar eertijds de slotkapel aansloot
<Foto RvdM>.

Arnold I, stichter van de oudere Geleense tak der Huyns Het oorspronkelijke wapen der Huyns van Amstenrade: een
Ofschoon leden van het geslacht Rode van Opsinnich tot na rood achtkoppig slangenkruis op een veld van zilver <Wapenheraut
1538 eigenaars van het kasteel van Sint-Jansgeleen bleven, Gelre in RAB>.
werd dit reeds in 1519 bewoond door Arnold Huyn, de
oudste zoon van de hierboven genoemde Gerard Huyn van Het oorspronkelijke wapen Huyn: rood achtkoppig
Amstenrade en Agnes van Printhagen <Msg 1881, 603>. slangenkruis op veld van zilver
Ofschoon hij nooit Heer van Geleen was, zal hij ter onder- Uit de zegels van de vroegst bekende Huyns van Amstenrade
scheiding van zijn gelijknamige afstammelingen en blijkt, dat dit geslacht aanvankelijk als wapen een achtkop-
opvolgers als Arnold I worden aangeduid. In 1534 en 1535 pig slangenkruis, d.w.z. een uitgehold kruis met acht naar
fungeerde hij als plaatsvervangend drossaard van het Land binnen gekeerde [z.g. slangen]koppen, voerde <Raadt II, 123. -
van Valkenburg. Jansen, 30>. Volgens het wapenboek van de heraut GELRE (veer-
Pas op 14 oktober 1544 zou Arnold I Huyn eigenaar van tiende eeuw) zou het oorspronkelijke wapen een rood slan-
Sint-Jansgeleen worden <AKA, Charters nr. 7>. Zijn eerste echt- genkruis op een veld van zilver hebben voorgesteld.
genote Catharina van den Bongard stierf op jeugdige leeftijd De zienswijze van JOS. HABETS, dat elk van de acht z.g.
en schijnt geen kinderen te hebben nagelaten. In of kort na slangenkoppen in het wapen van de Huyns een kroon zou
1524 huwde hij met Henrica (van) Maschereil. Hij overleed hebben gedragen <HabNaP>, schijnt op een verkeerde inter-
vóór 24 januari 1549; op die dag stond zijn weduwe het pretatie te hebben berust. Al kan men wegens hun lange
kasteel van Sint-Jansgeleen met de daarbij behorende goede- nekken wellicht de indruk krijgen, dat de koppen aan de
ren aan haar zoon Arnold II af <AKB. - St.Jansgel, 27-45>. acht krullen van het ankerkruis slangenkoppen voorstellen,

Het gevierendeelde wapen
van de Huyns van Geleen

Vanaf 1558 voerden de Huyns van Sint-Jansgeleen een
gevierendeeld wapen met een achtkoppig slangenkruis van
zilver op rood [1ste en 4de kwartier] en drie rode bollen op

147

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 148

toch dient men daarin veeleer drakenkoppen te zien. Op de Maar na zijn huwelijk met Johanna van Gronsveld werd het
eerste plaats was het helmteken van de Huyns een draken- wapen van zijn vrouw, nl. drie rode bollen op een veld van
kop. Verder voorzag men de koppen van het slangenkruis zilver, als hartschildje over het slangenkruis geplaatst <Macco I,
van opstaande oren; en omdat slangen dergelijke oren niet t.o.p. 220. - Geerkens, 261-262>. De zeventiende-eeuwse wapen-
bezitten, kon gemakkelijk de indruk van ”gekroonde koning JEAN GILLES LEFORT beschreef dit wapen [in het
slangenkoppen” ontstaan. Op drakenkoppen duiden Frans] aldus: ”het wapen Huyn van Amstenrade: [veld] van
trouwens ook de uitgestoken tongen met weerhaken. rood met een achtkoppig slangenkruis van zilver; in het
Teneinde verwarring te voorkomen, lijkt het echter raad- midden beladen met het wapen Gronsveld: een schildje
zaam om de gebruikelijke uitdrukkingen ”slangenkoppen” eveneens van zilver met drie koeken van rood” <HabNaP>.
en ”slangenkruis” te blijven gebruiken. Gerard Huyn, die met Agnes van Printhagen trouwde,
Tevens dient hier te worden opgemerkt, dat het wapen van bracht het slangenkruis met het hartschildje naar Beek en
de stad en gemeente Sittard vaak ten onrechte als een Sint-Jansgeleen; het werd dan ook door zijn kinderen en
slangenkruis werd voorgesteld; oorspronkelijk was dat een sommige verdere nazaten gevoerd. Dat zijn oudste zoon
gespleten krulkruis <HJLvZ 1993, 147-154>. Arnold I Huyn het wapen met het hartschildje voerde, blijkt
o.a. uit het feit, dat diens dochter Agnes Huyn († 1604), die
op 20 december 1546 met Gerard van Imstenrade († 1572)
huwde, dit wapen voerde, zoals op de gemeenschappelijke
grafsteen van dit echtpaar in de rechter zijbeuk van de kerk
te Mheer kan worden vastgesteld. Dit wapen kwam ook voor
op de grafsteen van Gerards tweede zoon Caspar Huyn, die
in 1541 overleed <PSHAL 1879, 264; 1960/61, 162>. Gerards
dochter Agnes, die met Cornelis van Boedberg trouwde,
voerde eveneens het wapen met het hartschildje, want het
staat op het geschilderde - in 1936 gerestaureerde - graf-
schrift van haar kleindochter Eva van Boedberg († 1602) in
de grote kerk te Sittard <PSHAL 1941, 197-199. - Ndms mei 1935, 182>.
Bovendien werd het zegel, dat ”Aert Huyn bastert van
Amstenrade”, natuurlijke zoon van Arnold I of Arnold II
Huyn, op 9 februari 1560 aan een document bevestigde,
omschreven als ”voerende een kruis van acht slangenkoppen,
in het hartschild drie bezanten, en schuins door het wapen
de baar der bastardij” <PSHAL 1880, 154-155>.
Derhalve was het wapen met het hartschildje reeds vóór de
oprichting van de heerlijkheden Geleen (1558), Oirsbeek
(1558) en Brunssum (1559) in gebruik en kan dat schildje
niet in 1558/59 door Werner Huyn van Amstenrade uit de
hoofdtak, die toen Heer van Oirsbeek en Brunssum werd,
aan het slangenkruis zijn toegevoegd om zich aldus van zijn
bloedverwant Arnold II Huyn, eerste Heer van Geleen, die
tot de oudere Geleense tak behoorde, te onderscheiden.

Het slangenkopkruis met hartschildje van de hoofdtak der Het gevierendeelde wapen van de oudere Geleense tak der
Huyns van Amstenrade na 1450 <Macco>. Huyns
RIETSTAP schreef: ”Bij verheffing der familie Huyn in den
Slangenkruiswapen met hartschildje gravenstand werd uitdrukkelijk bepaald, dat de linie van
Sommige leden van het geslacht Huyn hebben in het Geleen de drie koekjes van keel in een veld van zilver, zijnde
oorspronkelijke wapen veranderingen aangebracht. Johan het wapen der familie Printhagen, gekwartierd zou voeren
Huyn uit de hoofdtak te Amstenrade zegelde in 1450 nog met het dubbel slangenkoppenkruis en dat die van
met het slangenkruis zonder hartschildje <PSHAL 1880, 149>. Amstenrade de koekjes als hartschild zou voeren” <PSHAL
1906, 401. - McKenna, 83>. Bovendien beweerde die heraldicus,
dat de verheffing van de oudere Geleense tak in de rijks-
gravenstand pas in 1697 zou hebben plaatsgehad <Rietstap, Arm.
Gén., 1013; 1890, 350>.
Doch geen van die beweringen komt met de historische
werkelijkheid overeen. Wij zagen reeds, dat het hartschildje

148

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 149

Arnold II Huyn te zijn gehandhaafd. Zo vermeldt LENS, dat
diens zoon Johan Huyn, die in 1571 kanunnik aan de
kathedrale kerk te Luik werd en in 1585 de heerlijkheid
Eijsden ontving, twee verschillende wapens voerde, nl. zowel
het gevierendeelde wapen van zijn vader als een wapen met
het achtkoppig slangenkruis voorzien van een schildje met
de drie bollen; dit laatste stond evenwel niet in het
midden maar aan de voet van het slangenkruis <Lens, 151>.
Vermoedelijk heeft deze Johan Huyn eerst als kanunnik het
wapen van zijn vader gevoerd, maar heeft hij later als Heer
van Eijsden en als [vermeende] stichter van een nieuwe zijtak
van de Geleense Huyns een variant met dezelfde elementen
gekozen.

Het gevierendeelde wapen van de Huyns van Geleen sinds 1558 Helm, dekkleden en kroon
(links) en het wapen Van Groesbeek (rechts) op de steen boven Boven het eigenlijke wapen werd een helm geplaatst.
de ingang tot de hoeve van Sint-Jansgeleen <Foto M. Verjans, 1950>. Wapenkoning LEFORT beschreef de helm boven het wapen
der Huyns als een open toernooihelm, getralied, gezoomd en
met de drie bollen vóór de verheffing van de oudere gekroond van goud <HabNaP>. Die kroon werd waarschijnlijk
Geleense tak in de gravenstand [die niet in 1697 maar in door Arnold II Huyn te Geleen en Werner Huyn te
1640 plaatshad] en zelfs vóór de oprichting van de heerlijk- Amstenrade toegevoegd, toen zij het pandschap van respec-
heid Geleen (1558) door de hoofdtak te Amstenrade aan het tievelijk de heerlijkheid Geleen en de heerlijkheden Oirsbeek
achtkoppig slangenkruis werd toegevoegd, en dat dit niet en Brunssum verwierven. Tussen de helm en de kroon
aan het geslacht Van Printhagen maar aan het geslacht Van werden de uitwaaiende dekkleden van zilver en rood
Gronsveld werd ontleend. Het oorspronkelijke wapen geplaatst, terwijl uit die kroon het helmteken oprees.
Printhagen werd trouwens door menige auteur ten onrechte
als identiek met het wapen Gronsveld voorgesteld; volgens Helmteken: de draak en zijn ”imitaties”
recente onderzoekingen bestond het uit een veld van goud Zoals uit de voorstelling in het wapenboek van de heraut
met drie rode koeken. Ook kwam in de oorkonde van de GELRE blijkt, was een rode draak het oorspronkelijke helm-
verheffing van Godfried Huyn van Geleen in de rijksgraven- teken der ”Hunen”, zoals hij de Amstenraadse Huyns
stand diens familiewapen niet ter sprake. aanduidde. Ook staan draken als helmtekens op de grafsteen
Het antwoord op de vraag wanneer en door wie dit gevieren- van Werner Huyn [uit de hoofdtak van Amstenrade] te
deelde wapen met het achtkoppig slangenkruis van zilver op Brustem (B.) en op de wapenstenen van Arnold II Huyn [uit
rood [1 en 4] en de drie bollen van rood op zilver [2 en 3] de oudere Geleense tak] te Sint-Jansgeleen en van Edmond
werd ingevoerd, is niet moeilijk te vinden. Omdat enerzijds Huyn [uit de jongere Geleense tak] te Alden Biesen.
het wapen met het hartschildje nog door Arnold I Huyn te Maar verscheidene auteurs hebben afwijkende voorstellingen
Sint-Jansgeleen werd gevoerd, en anderzijds de vroegst van die figuur gepresenteerd. Zo schreef LEFORT, dat dit de
bekende voorstellingen van het gevierendeelde wapen op de kop en de nek van een slang of serpent zouden zijn <HabNaP>.
uit 1567 daterende steen boven de ingang van de vroegere RIETSTAP was van mening, dat de Huyns te Amstenrade als
brouwerij te Sint-Jansgeleen en op de steen uit 1571 boven helmteken een rode vlammen spuwende zilveren drakenkop
de hoofdingang van dat complex werden aangebracht, moet en -nek zouden hebben gevoerd, terwijl hij aan de Huyns te
die variant door Arnold II Huyn, eerste Heer van Geleen, Geleen een pauwenkop en -nek in natuurlijke kleuren als
zijn geïntroduceerd, toen Geleen [met Spaubeek] in 1558 helmteken toekende <Rietstap, ArmGén., 1013>. MACCO schreef
tot heerlijkheid werd verheven. Op die manier bevestigde de eerst ten aanzien van de Huyns van Amstenrade: ”Der Helm
oudere Geleense zijtak Huyn zijn eigen identiteit ter trägt einen goldenen - mitunter auch roten - Pfauenkopf.
onderscheiding van de hoofdtak te Amstenrade en van de Die Helmzier wird auch als (gekrönte) Schlange dargestellt”.
andere takken. Maar daarna schreef hij: ”Auf dem Helm ein wachsender
Daar Arnold II Huyn het wapen van zijn vader Arnold I Drachen” <Macco I, Tafel 2 en pp. 7 en 204>. Ofschoon FAHNE in het
Huyn veranderde, ligt het voor de hand, dat de drie rode eerste deel van zijn werk bij Huyn schrijft: ”Auf dem Helme
bollen in het gevierendeelde wapen dezelfde oorsprong befindet sich ein fliegender Drache”, illustreert hij die tekst
hebben gehad als de drie rode bollen in het hartschildje, met een helmteken, dat meer op een hond lijkt; bovendien
m.a.w. eveneens aan het wapen van het geslacht Van bevat het daarbij afgebeelde hartschildje per abuis vijf
Gronsveld werden ontleend. munten, bollen of koeken. Maar in het tweede deel
Het gevierendeelde wapen van de oudere Geleense tak Huyn corrigeert hij dit laatste en beeldt hij een gevleugelde draak
blijkt echter niet als zodanig door alle afstammelingen van met geopende muil als helmteken af <Fahne I, 184; II, 68>.

149

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 150

Daarmee is de lijst van afwijkingen echter nog niet ten einde. die voor 3.050 pond Vlaamse of Karolusgulden aan Arnold
Het helmteken op de fraaie grafsteen van Werner Huyn van II Huyn; deze laatste werd toen ”Heer van Geleen” <AKA,
Amstenrade († 1595), tegenover de kerktoren te Brustem bij Charters, nr. 9. - PSHAL 1884, 283-285. - Pisters, 155-164>.
Sint-Truiden (B.), werd door DE HERCKENRODE als een Op 16 februari 1558 verhief genoemde koning ook de
gansachtige (roof)vogel met uitgestrekte vleugels weergege- schepenbank Oirsbeek, bestaande uit de kerspels Oirsbeek,
ven. Ook stelde die auteur de drakenkoppen in het wapen Amstenrade, Bingelrade en Merkelbeek, tot (rechts)heerlijk-
veeleer als roofvogelkoppen met gekromde snavels voor heid en verpandde hij deze aan Werner Huyn, die op het
<Herckenrode, 389>. Doch eenieder kan ter plekke vaststellen, stamslot van de Huyns te Amstenrade woonde; deze werd
dat boven die helm een volledige draak met geopende muil, toen ”Heer van Oirsbeek” <AKA, Charters, nr. 11. - PSHAL 1884,
uitslaande vleugels en gekrulde staart staat afgebeeld, terwijl de 291-292>. De laatstgenoemde verwierf op 27 januari 1559
koppen in het wapen eveneens duidelijk drakenkoppen zijn. bovendien het pandschap van de toen opgerichte heerlijk-
Tenslotte dringt zich de vraag op of de hierboven geciteerde heid Brunssum, bestaande uit de kerspels Brunssum, Jabeek
opmerking van MACCO, nl. ”Die Helmzier wird auch als en Schinveld <AKA, Charters, nr. 10. - Moonen, 547-555 >. Op 23
(gekrönte) Schlange dargestellt”, historisch juist is. Wapen- februari 1559 werd Arnold II Huyn van Geleen, tegen
koning LEFORT maakt geen melding van een gekroonde betaling van 3.750 Karolusgulden, tevens ”Heer van
draak. De draak, die als helmteken boven het wapen van Eijsden” <PSHAL 1884, 331>.
Arnold II Huyn te Sint-Jansgeleen staat, lijkt geen kroon te Aan die verheffingen gingen officiële aankondigingen
dragen. Doch uit de wapenkwartieren van Frederik van vooraf. Overal in het Land van Valkenburg werden
Eynatten blijkt, dat Herberta en Yolanda Huyn uit de plakkaten opgehangen, waarin gegadigden voor de op te
jongere Geleense tak niet alleen de slangenkoppen in het richten heerlijkheden werden opgeroepen. Ook werden de
wapen zelf van kronen voorzagen, maar ook een gouden op handen zijnde verpandingen in de kerken op drie achter-
kroon plaatsten op de draak, die als helmteken fungeerde eenvolgende zondagen aangekondigd. De eigenlijke
<HabNaP>. Misschien verwees LENS naar die bron, toen hij verpanding had te Brussel bij opbod plaats. Alvorens het bie-
schreef dat de Huyns van Amstenrade een met goud den begon, werd een kaars ontstoken, en wie bij het uitgaan
gekroonde rode slangenkop als helmteken zouden hebben of uitdoven van die kaars het laatste en hoogste bod had
gevoerd <Lens, 31-32. - JHS 1993, 60-81>. gedaan, kreeg het desbetreffende pand toegewezen. Het
bedrag van 3.050 pond - aan 40 ”grooten” Vlaams [= zilve-
Oprichting van de heerlijkheid Geleen (1558) ren munten] per pond gerekend - die Arnold II Huyn op 20
januari 1558 voor het pandschap van de heerlijkheid Geleen
Toen Filips II zijn vader keizer Karel V in 1555 als koning bereid bleek te betalen, was het laatste en hoogste bod.
van Spanje en als soeverein van de zeventien Nederlandse Ofschoon in de akte van 20 januari 1558 uitdrukkelijk staat,
gewesten opvolgde, nam hij tevens diens grote schulden dat Arnold II Huyn die goederen, rechten en inkomsten
over. Deze waren vooral ontstaan omdat de keizer zich voor zichzelf, zijn erfgenamen en zijn nakomelingen
- wegens een langdurige oorlog tegen Frans I en Hendrik II ”gecocht heeft ende coopt”, was dit toch slechts een
van Frankrijk - gedwongen had gezien om niet alleen verpanding. De koning behield voor zichzelf en zijn
vestingen langs de grenzen met Frankrijk aan te leggen maar nakomelingen het recht om de heerlijkheid Geleen te allen
ook een groot leger op de been te houden. Al sloot Filips II tijde - tegen terugbetaling van de pandsom - weer volledig in
in 1556 een tijdelijke wapenstilstand met Hendrik II, toch bezit te nemen.
waren daarmee zijn financiële problemen nog niet opgelost. Op 4 maart 1558 verklaart de rentmeester van Brabant, dat
Karel V had zijn ondernemingen gefinancierd met krediet Arnold Huyn de som van 3.050 Karolusgulden - aan 20
van grote bankiershuizen. Maar toen die bankiers de stuiver per Karolusgulden - voor de verpanding van Opgeleyn
verschuldigde rente op die leningen alsmaar bleven heeft betaald <PSHAL 1884, 285>. De bewering van C. BLOEMEN,
verhogen, zag Filips II zich gedwongen nieuwe maatregelen dat dit bedrag door een relatief klein contingent Geleners
te nemen. Teneinde hun soeverein in staat te stellen om moest worden opgebracht, want ”niemand zal de illusie
- zowel voor de afbetaling van de verschuldigde bedragen gehad hebben, dat de heer Huyn in een stemming van edel-
alsook voor de verdediging van zijn gebieden - de benodigde moedigheid zich ten faveure van de bevolking van Geleen de
gelden te verkrijgen, gaven de drie Staten [= Standen] van uitgave van meer dan 3000 guldens getroost had” <NLim 18-7-
Brabant hem op 4 juni 1557 toestemming om een deel van 1957>, mist elke grond, want de Heer van Geleen mocht geen
zijn domeinen te verkopen of te verpanden. belasting heffen.

Dorpen en schepenbanken tot (rechts)heerlijkheden Uit de inhoud van de verheffingsoorkonde
verheven en verpand De nieuwe Heer verkreeg ”de hoge, middele ende lage
Op 20 januari 1558 verhief koning Filips II de kerspels justitie” met de daaraan verbonden ”keuren, breucken ende
Geleen en Spaubeek, tezamen met de grondheerlijkheid allen amenden, criminelle ende civile, confiscatien” en
Sint-Jansgeleen, tot (rechts)heerlijkheid, en verpandde hij verwierf de bevoegdheid om alle officiële functionarissen,

150


Click to View FlipBook Version