The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Jan Toonen, 2022-04-12 13:29:38

deel 1

Keywords: Heemkunde Geleen

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 201

Inventarisering en te koopaanbieding (1776-1778) pand zijn gesteld, worden van de koopprijs afgetrokken,
Rond 1776 liet prins de Ligne bij Petrus de Goesin te Gent onder voorwaarde dat de interest daarvan door de koper op
circa 2 m hoge tweetalige aanplakbiljetten drukken, die o.a. de vervaldata zal worden voldaan (art. 8). Bij die transacties
in Brussel, Maastricht, Luik, Aken, Keulen, Den Haag is echter het door Arnold V Wolfgang Huyn te Aken
en Amsterdam werden verspreid. De Nederlandstalige helft gebouwde patriciërshuis, dat dan als Prinzenhof bekend
begon met de volgende aankondiging: staat, niet inbegrepen. In september 1785 laat de prins de
Ligne aan de stadsregering van Aken weten, dat hij voor-
IN HET LANDT VAN nemens is in dat gebouw enige veranderingen aan te brengen
VALCKENBORG <Pick, 182-183>.
Op 9 oktober 1779 wordt door de zaakgelastigden van de
Oostenrycks gedeelte, Provincie van Limborch prins verklaard, dat Nicolaas Willems 416.700 gulden Luiks,
TE KOOPEN, d.w.z. het verschil tussen de koopprijs en de schulden, heeft
betaald en dat hij daarmee volledig aan zijn op 6 februari
DE GRAEFSCHAPPEN 1779 aangegane verplichtingen heeft voldaan. Na ontvangst
VAN van een keizerlijk octrooi dd. 19 februari 1779 van de
Soevereine Raad en het Leenhof van Brabant te Brussel,
GELEEN laat Willems op 22 februari d.a.v. de heerlijkheden Geleen,
EN Oirsbeek en Brunssum door drossaard Strens te
Hoensbroek, waar dan de stadhouder van het leenhof van
AMSTENRADE Oostenrijks Valkenburg resideert, verheffen <PSHAL 1884, 195-
Met alle hunne Aenhoorige gerechtigheden 196>.
Op diezelfde dag verschijnt drossaard Strens ook voor de
en toebehoorten. schepenbank van Geleen om daar een verkorte inhoud van
de verkoopakte van 6 februari ”ten fine van realisatie” voor
Na een gedetailleerd overzicht van de zogenaamde ”beide te leggen. Nadat de drossaard de ”gerequireerden [= vereiste]
graafschappen” en een opgave van de daaraan verbonden ede” heeft afgelegd, wordt Willems ”in de aangecoghde
bezittingen, rechten en inkomsten volgen instructies aan goederen gegicht [= in bezit gesteld], gegoyt [= als eigenaar
eventuele kopers. Toen die reclamecampagne niet het erkend] ende gerealiseert, voor soo veel deselve onder
verwachte resultaat opleverde, liet de prins bij de firma Van
Gulpen te Maastricht kleinere aanplakbiljetten in het Frans
drukken, waarop werd aangekondigd, dat op 20 januari
1778 om 10 uur ’s morgens te Maastricht bij ”le Sieur Giret
au Moulinet” gelegenheid zou zijn om het geheel of onder-
delen van zijn graafschap(pen) te kopen.
Maar toen ook daarop geen koper kwam opdagen, liet de
prins bij diezelfde firma een brochure van negentien pagina’s
in het Frans drukken, met een ”Specificatie van de heerlijke
en vererende rechten, goederen, inkomsten en bijkomende
verdiensten, die tot de graafschappen Amstenrade en Geleen
behoren, met de daarop rustende lasten”. Een van die
brochures viel de rijke Luikse burger Nicolaas Willems in
handen en deze besloot het graafschap Geleen [in ruime zin]
te kopen <LvO nr. 1227>.

Verkoop te Brussel op 6 februari 1779 Huis Willems te Eupen <Foto Sj. Maas>.
Nadat op 1 februari 1779 door de landsregering het octrooi
tot verkoop van het graafschap Geleen is verleend, heeft de
overdracht op 6 februari d.a.v. in het paleis van prins de
Ligne te Brussel plaats. De verkoopakte bevat achttien
artikelen. De eventuele verschillen tussen de opgegeven en
de werkelijke afmetingen van de verkochte goederen zullen
tot voordeel of tot nadeel van de koper komen (art. 5). De
verkoper verklaart louter de rechten op bepaalde inkomsten
maar niet de juiste omvang van die inkomsten te garanderen
(art. 6). Zonder enige vermindering in de koopprijs zullen
alle lasten voor de koper blijven (art. 7). In het 18de en
laatste artikel wordt de prijs voor de aankoop van al die
goederen op 567.000 zilveren gulden Luiks bepaald. Maar
de schulden, die tezamen 150.300 gulden bedragen en waar-
voor aanzienlijke delen van het graafschap Geleen als onder-

201

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 202

onze jurisdictie gelegen, en is dyensvolgens in hoeden
[= zekerheid] van rechten gekeert”. Maar de verheffing van
het graafschap Geleen zal te Brussel pas op 6 of 16 novem-
ber 1784 plaatshebben <AKA Charters nr. 48>.
Willems schijnt zich niet gehaast te hebben om alle door de
prinsen de Ligne aangegane leningen af te betalen. Toen het
in 1741 van kanunnik Loyens geleende bedrag van 12.000
gulden op 1 december 1788 aan kanunnik Cruts te Maas-
tricht werd overgemaakt, was de schuldenaar Willems reeds
overleden <PSHAL 1884, 295>.

Nicolaas Willems, eigenaar-bestuurder van het graafschap Huis Willems, thans ”Palais d’Ansembourg” te Luik <Foto L.
Geleen Hermans, Eupen, B.>.
De nieuwe eigenaar van het graafschap Geleen was te Gent
geboren, maar het geslacht Willems stamde uit de streek van Op 18 november 1744 was Nicolaas Willems door de bis-
Eupen (B.). Op 10 september 1717 trouwde Michael schop van Luik benoemd tot ”conseiller de notre chambre
Willems, zoon van Nicolaas Willems uit Nispert bij Eupen, des comptes” [= raadsman van onze rekenkamer] en tot
in de St.-Aldegondekerk te Luik met Maria Margaretha de ”receveur général” [= algemene schatmeester] van alle
Hayme (*26-12-1695). Het jonge paar ging in Eupen inkomsten van de ”Table Épiscopale”. Op 23 november
wonen, waar op 14 augustus 1718 een dochter en op 16 d.a.v. had hij de ambtseed in beide functies afgelegd <VL nr.
maart 1720 een zoon werden gedoopt. Daarna vestigde dit 164 (jan-mrt 1969), 354-358. - BIL 1971, 277-309. - GE 1977, 119-131>. Hij
gezin zich te Gent, waar tussen 1722 en 1730 nog zes kin- bleef ongehuwd.
deren werden geboren, nl. drie dochters en drie zonen. De
oudste van die Gentse kinderen was Nicolaas, die op 30 juli
1722 werd geboren en nog diezelfde dag in de Sint-Bavokerk
werd gedoopt. Na haar terugkeer naar Luik ging de familie
dicht bij de kerk van Saint-Denis wonen. Daar kwamen nog
drie kinderen ter wereld.

De doopakte van Nicolaas Willems op 30 juli 1722 in de Sint-
Bavokerk te Gent.

Michael Willems was een rijke koopman en bankier. In 1738 Portret van Michael Willems (1694-1766) ofwel van zijn zoon
liet hij bij de Place St.-Barthélemy te Luik het prachtige Nicolaas Willems (1722-1788) in het ”Palais d’Ansembourg” te
gebouw optrekken, dat thans als ”Palais d’Ansembourg” Luik <Onbekende schilder, foto L. Hermans, Eupen, B.>.
bekend staat. Hij overleed op 16 januari 1766. Uit een docu-
ment van 1773 blijkt, dat zijn weduwe zich toen ”de
Willems” noemde; zij overleed op 21 april 1775. In haar tes-
tament van 11 oktober 1768 had zij genoemd gebouw aan
haar enige nog levende zoon Nicolaas vermaakt.

202

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 203

Verblijf van de nieuwe eigenaar in deze regio aansluitend hoektoren kwam niet tot stand <Sjeem, 12. - JHS
Op 12 mei 1779 liet Willems door vier voerlui meubilair uit 1996, 109>. Wellicht was het overlijden van de architect in
Maastricht naar Sint-Jansgeleen brengen; wellicht was dit uit 1784 de hoofdreden voor het niet volledig uitvoeren van de
Luik via de Maas naar Maastricht gebracht. Die voerlui plannen. Bij de verheffing van het graafschap Geleen op 6 of
kregen naast hun normale vrachtkosten nog elf stuivers voor 16 november 1784 werd vermeld, dat Willems toen te
tolgeld en zestien stuivers voor de acht potten bier, waarmee Maastricht woonde <AKA Charters nr. 48>.
zij onderweg de kelen hadden moeten smeren. Misschien
duidt die overbrenging van meubilair erop, dat Willems Zegel met familiewapen
spoedig na de aankoop van het graafschap Geleen op Sint- (stierenkop met ring door
Jansgeleen kwam wonen. neus) van Nicolaas Willems
Het oude kasteel van Amstenrade was blijkbaar niet comfor- <Foto W. Storcken>.
tabel genoeg voor de rijke Luikenaar, die gewend was in een
prachtig patriciërshuis te wonen; hij besloot dan ook al Overlijden en begrafenis van Nicolaas Willems (1788)
spoedig om de middeleeuwse oudbouw grotendeels af te Nicolaas Willems heeft niet lang van zijn nieuw kasteel
breken en door nieuwbouw naar plannen van de Luikse mogen genieten. De laatste jaren van zijn leven sukkelde hij
architect Bartholomé Digneffe te vervangen. Bij de afbraak met zijn gezondheid. Substituut-secretaris W. Frissen schreef
bleef slechts de zeventiende-eeuwse westelijke hoektoren en op 31 december 1786, dat zijn ”Principael” toen ”kranck”
een zeer klein gedeelte van de daarop aansluitende noord- was. Nadat hij van de sacramenten der stervenden was voor-
westvleugel gespaard <JHS 1996, 109>. Doorgaans wordt de aan- zien, overleed hij op vrome wijze in de vroege morgen van
vang van de bouw van het nieuwe [= huidige] kasteel van 23 juni 1788. Twee dagen later, op 25 juni, om 3 uur
Amstenrade in 1781 geplaatst, maar reeds in 1779 en 1780 ’s namiddags, werd hij op het kerkhof te Amstenrade
hadden er veranderingen plaats. begraven. Zijngrafmonument bevat zijn wapen, nl. een
stierenkop met geringde neus, en de volgende tekst:
Achterkant van het kasteel Amstenrade, gezien vanuit het park, MONUMENTUM NOBILIS AC PRÆCLARI DOMINI
circa 1850 <Litho door onbekende, SAM>. NICOLAI DE WILLEMS TOPARCHÆ COMITATUS
DE GELEEN ET AMSTENRAED OBIIT Ao ÆT. 66 23.
In verband met die werkzaamheden liet Willems aan de JUNII 1788, d.w.z. ”Gedenkteken van de edele en voor-
Geleenbeek in Daniken een zaagmolen inrichten om het treffelijke heer Nicolaas de Willems, bestuurder van het
hout, dat voor de nieuwbouw te Amstenrade uit het graafschap Geleen en Amstenrade, [die] in de leeftijd van 66
Danikerbos werd gehaald, tot planken en balken te zagen. jaar op 23 juni 1788 overleed”.
Daar er sprake was van het leggen van de eerste steen voor de
bouw van die houtzaagmolen - bij welke gelegenheid Initialen in zegel van
Willems tien gulden aan gratis bier voor de werklui Nicolaas Willems
besteedde - moet dit een geheel nieuw gebouw zijn geweest <Foto W. Storcken>.
<LimDag 19-5-1960>. Bij latere veranderingen werden de sporen
van die zaagmolen blijkbaar verwijderd.
Het voor Amstenrade gemaakte plan, dat een hoofdgebouw
voorzag met twee vierkante hoektorens en twee haaks daar-
op aansluitende voorvleugels, die een ”cour d’honneur”
zouden omsluiten, werd niet volledig uitgevoerd. In 1781
werd de hoofdvleugel voltooid, terwijl de huidige zijvleugel
in 1784 klaarkwam. Maar de rechtervleugel met de daarop

203

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 204

De onderlinge verwantschap van de families (de) Willems, de Hayme de Bomal en de Marchant (et) d’Ansembourg <ANB

1897, 76-85. - FaHay. - GenMA>.

Leonard Bonjean, dit de Hayme


Marguerithe Delhaxhe
1635-1707

Wapen de Hayme: Leonard de Hayme
klimmende leeuw ged. 22-1-1660
op een veld van ∞
rood met vier
dwarsbalken van Marguerite Martin, dite Finet
zilver. † 5-5-1738

Michael ∞ Marie-Marguerite Leonard
Willems 6-9-1717 de Hayme de Hayme
* 21-2-1694, ged. 8-3-1693,
† 16-1-1766 ged. 26-12-1695, geadeld 9-6-1745,
† 21-4-1775 1747 heer van Bomal,
† 27-5-1754
∞ 18-8-1720
Anna Ida Le Comte
* 18-8-1700, † 15-1-1761

Nicolaas Marie-Anne ∞ Jean-Baptiste

(de) Willems (de)Willems 14-11-1746 de Hayme

ged. Gent 3-7-1722, ged. 4-9-1723, ged. 9-6-1724

† Amstenrade † 31-5-1777 1767 baron de Bomal,

23-6-1788 † ca. 1790

kocht graafschap Geleen

van prins de Ligne (1779)

en vermaakte het aan Marie Anne Victoire

barones de Hayme de Bomal

* Luik 21-4-1750, † Hex 1-3-1806

∞ Hex 16-5-1779

Claude Joseph Romain Maximilien François

graaf de Marchant d’Ansembourg

* Ansembourg 14-5-1745, † Fraiture 10-2-1798

Jean Baptiste Ferdinand Joseph Wapen de Marchant (et)
graaf de Marchant d’Ansembourg, d’Ansembourg (gestippeld =
laatste bezitter van het graafschap Geleen goud, blank = zilver, verti-
* Luik 5-2-1782, † Amstenrade 14-5-1854 caal gestreept = rood, hori-
zontaal gestreept = blauw,
∞ 15-9-1808 geruit = zwart).
Marie-Antoinette barones de Wendt-Holtfeld

* 27-6-1781, † 16-10-1856

Guillaume Eugène Oscar Laurent Alfred Frédéric
* 6-9-1809, † 10-2-1882 * 27-12-1811, † 17-3-1883 * 30-6-1813, † 7-10-1876
erfde Ansembourg (Lux.) erfde Amstenrade en Neubourg
erfde Hex (B.)

204

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 205

Het graafschap Geleen
aan de familie de Marchant d’Ansembourg

Op 5 mei 1788 [ce cinq Mai 1780 huit] maakte Willems zijn
testament, waarbij hij zijn nicht Marie Anne Victoire
d’Ansembourg-de Hayme de Bomal, dochter van wijlen zijn
zuster Marie-Anne Willems, als zijn universele erfgename
aanwees. Doch hij verbood haar om enig onderdeel van die
erfenis te verkopen, te vervreemden of te belasten. Bij het
overlijden van zijn nicht zou haar zoon ”Jean-Baptiste
Comte d’Ansembourg” de erfgenaam zijn en ingeval hij vóór
zijn moeder mocht komen te sterven, zou de erfenis aan de
oudste van de eventuele haar overlevende andere zonen
toevallen <AKA. - PSHAL 1884, 296-297, met verkeerd jaartal 1780>.

Op de achtergrond: het hoog gelegen stamslot te Ansembourg in
het groothertogdom Luxemburg <Foto door de auteur, 1973>.

was, werd de baronie of heerlijkheid Ansembourg door kei-
zerin Maria-Theresia tot graafschap verheven. In 1750 ont-
ving zijn vader van keizer Frans I tevens de rang van rijks-
graaf. Het echtpaar de Marchant d’Ansembourg - de Hayme
de Bomal kreeg tien kinderen, zeven dochters, van wie er vier
in het klooster traden, en drie zonen.

Anne-Marie-Victoire gravin de Marchant d’Ansembourg,
geboren barones de Hayme de Bomal (1751-1806) <Onbekende
schilder, kasteel Amstenrade. - Foto door de auteur>.

M. A. V. de Hayme de Bomal en C. J. R. M. F. de Marchant Claude Joseph Romain graaf de Marchant d’Ansembourg
d’Ansembourg (1745-1798) <Onbekende schilder, kasteel Amstenrade. - Foto door de auteur>.
De erfgename Marie Anne Victoire de Hayme de Bomal
werd op 21 april 1750 geboren als dochter van Jean-Baptiste
de Hayme, burgemeester van Luik en Heer van Bomal, die
in 1767, tezamen met zijn broers, de titel van baron ontving.
Op 14 november 1746 was hij met Marie-Anne Willems
(1723-1777), zuster van Nicolaas Willems, gehuwd. Op 16
mei 1779 trouwde zijn dochter Victoire de Hayme de Bomal
in de kapel van het kasteel Hex (B.) met Claude Joseph
Romain Maximilien François, graaf de Marchant
d’Ansembourg. De bruidegom was op 10 mei 1745 op het
kasteel Ansembourg in Luxemburg geboren als zoon van
Lambert-Joseph de Marchant d’Ansembourg en Anne-
Catherine, rijksgravin de Velbrück. Toen hij vier jaar oud

205

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 206

Op 26 juni 1788 waren beide echtgenoten te Amstenrade Amstenrade” genoemd. Op 15 september 1808 huwde hij te
aanwezig bij de opening van het testament van Nicolaas Hardenberg in Westfalen (D.) met Marie-Antoinette
Willems <PSHAL 1884, 296-297>. Op 6 september d.a.v. liet de barones von Wendt-Holtfeld (*27-6-1781); zij zou hem
erfgename het graafschap Geleen bij het leenhof te Brussel zeven kinderen schenken. Hij werd maire of burgemeester
verheffen <AKA Charters nr. 49>. Op 1 oktober 1788 verscheen van Amstenrade en liet zich bovendien met het provinciaal
advocaat De Limpens, als gevolmachtigde van ”de Hoogh bestuur en zelfs met de internationale politiek in. Hij over-
Wel Edele geboorene Heere Graeve de Ansembourg en leed op 14 mei 1854. Zijn echtgenote stierf op 16 oktober
desselfs Gemaelinne Mevrouw de Baronnesse de Haijme de 1856. Beiden werden te Amstenrade begraven.
Bomal de leste als gebiedende Vrouwe van alhier”, te Geleen Bij vonnis van de rechtbank te Maastricht werd op 9
voor drossaard Strens en de Geleense schepenen met het september 1915 vóór d’Ansembourg het Franse woordje et
verzoek om die gebiedende vrouwe ”in de possessie van dit [= en] ingelast, zodat de familienaam sindsdien luidt: de
Graefschappe te stellen” <LvO nr. 1228>. Op 16 maart 1789 Marchant et d’Ansembourg <HJLvZ 1984, 83 en 90. - St.Jansgel, 69-70.
werden de heerlijkheden Geleen, Oirsbeek en Brunssum - Sjeem, 10-43>.
door de nieuwe bezitster bij het leenhof van Valkenburg
verheven <McKenna, 80>.
Maar reeds op 26 oktober 1789 werden diezelfde heerlijk-
heden en de helft van gebroken Schinnen in naam van het
zevenjarig zoontje Jean-Baptiste verheven <PSHAL 1884, 283, 290
en 310>. Zijn moeder zal het bestuur wel in handen hebben
gehouden. Uit het feit, dat de dochter Ferdinanda Ludovica
Carolina op 19 september 1790 te Amstenrade werd gedoopt,
valt te concluderen dat het grafelijke gezin daar toen op het
kasteel verbleef. Maar doorgaans woonde het op het kasteel
Neubourg te Gulpen <Sjeem, 12>.
Bij de komst der Fransen in 1794 week het hele gezin naar
Frankfurt am Main (D.) uit. Teneinde zijn aangeslagen
bezittingen te behouden, begaf de graaf zich naar zijn kasteel
van Fraiture in het bisdom Luik. Daar werd hij door de
Fransen onder huisarrest gesteld. Hij overleed er op 10
februari 1798 en werd ter plaatse begraven. Zijn echtgenote
keerde eveneens - tezamen met haar kinderen - naar haar
geboortestreek terug. Zij overleed op 1 maart 1806 op het
kasteel Hex (B.) en werd daar begraven <Parch 1983, 235-240. -
GenMA, 25. - Woonstede 1983-2, 40-65>.

Handtekening van Victoire comtesse d’Ansembourg dd. 10
oktober 1793 op het kasteel van Amstenrade.

Jean-Baptiste de Marchant d’Ansembourg (1782-1854) Jean-Baptiste graaf de Marchant d’Ansembourg (1782-1854)
Jean-Baptiste Ferdinand Joseph de Marchant d’Ansembourg <Onbekende schilder, kasteel Amstenrade. - Foto door de auteur>.
werd op 5 februari 1782 als het tweede kind en de oudste
zoon van zijn ouders te Luik geboren. Tijdens de Franse Te goedkoop van de hand gedaan?
bezetting keerde hij met zijn moeder terug, maar hij moest Op het einde van het ”Ancien Régime”, in de jaren 1781-
zijn adellijke titels laten vallen. Toen hij voor de Franse 1789, maakte de ontvanger van de keizerlijke domeinen in
krijgsdienst werd opgeroepen, vond hij een ”remplaçant” de provincie Limburg, d.w.z. in de Landen van Overmaas,
[= plaatsvervanger] in de Gelener Jan Mathijs Willems een lijst op van de gebieden, die door koning Filips II van
<Bergen, 136>. Spanje van de hand waren gedaan. Hij was tot de
Ofschoon hem de grafelijke titel en de ontnomen bezit- overtuiging gekomen, dat ze destijds veel te goedkoop
tingen werden teruggegeven, was er geen sprake meer van
een graafschap Geleen en nog minder van een graafschap
Amstenrade. Toch werd hij door iedereen ”de graaf van

206

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 207

”geëngageerd” waren; derhalve besloot hij een hogere prijs te Met de verheffing van de heerlijkheid Geleen tot graafschap
bedingen. ging tevens een permanente promotie van de schout tot
Hij noteerde [in het Frans] als volgt: ”Brunssum werd op drossaard gepaard. Drossaards werden door de eigenaars van
27 januari 1558 voor 2260 gulden aan Werner Huyn van het graafschap Geleen benoemd. Slechts in een paar gevallen
Amstenrade verpand. Dat bedrag komt de waarde van de werden personen gekozen, die in dit graafschap waren
verpande goederen niet nabij. Oirsbeek werd op 16 februari geboren. Bij sommige conflicten tussen de bevolking en de
1557 voor 600 gulden aan Werner Huyn van Amstenrade drossaards schijnt het feit, dat zij geen inheemsen waren, een
verpand. Dit werd verkregen door de schatmeester Willems niet onbelangrijke rol te hebben gespeeld.
en behoort thans aan diens neef de graaf d’Ansembourg, die
ook een neef van de prins-bisschop van Luik is. Hij zou het De drossaard zette de vroegere functie van de schout voort,
thans niet voor het viervoudige van de hand doen. Geleen d.w.z. bij het uitoefenen van de lage, middele en hoge justitie
werd op 20 januari 1557 voor 3050 gulden aan Arnold trad hij steeds in naam van de graaf, gravin of bezit(s)ter van
Huyn van Amstenrade verpand. Voor zijn huidige bezitter, het graafschap Geleen op. Zijn taak werd evenwel bemoei-
de graaf d’Ansembourg, is dit het drie- of viervoudige lijkt, toen die eigenaars op aanzienlijke afstanden gingen
waard” <PSHAL 1889, 366 en 370>. wonen en er slechts spaarzame persoonlijke contacten
Afgezien van het verkeerd weergeven der verpandingsdata, mogelijk waren. Teneinde mondeling overleg met hen te
scheen de ontvanger geen rekening te houden met de trans- plegen moest de drossaard soms naar Wenen in Oostenrijk
acties van 1609. In 1558/59 werden die drie heerlijkheden en ook nogal eens naar Beloeil in Henegouwen (B.) reizen.
aan leden van het geslacht Huyn verpand, maar in 1609 Door de verheffing van de heerlijkheid Geleen tot graafschap
werden ze via een ruil aan jongere leden van dat geslacht in was de bestuurlijke en gerechtelijke band met het Land van
volle eigendom overgedragen. Mocht de Franse Revolutie Valkenburg losser geworden, en ontving de drossaard de
geen einde aan het ”Ancien Régime” hebben gemaakt, dan besluiten van de landsregering om die reden rechtstreeks uit
zouden de pogingen van de ontvanger der keizerlijke Brussel. Voordat hij de voorschriften van de eigenaars van
domeinen om een hogere prijs te bedingen, waarschijnlijk het graafschap en de ordonnanties van de landelijke regering
aanleiding tot een proces hebben gegeven. uitvoerde, moest hij ze eerst aan de inwoners van het
graafschap Geleen bekendmaken. Dit gebeurde door de
2. Drossaards, secretarissen en gerechtsbode, die de voorschriften en ordonnanties meestal
schepenen van het graafschap in de kerk voorlas en daarna op de kerkdeur ofwel vlak bij de
Geleen toren aanplakte.

Het dagelijks bestuur van het graafschap Geleen was in De drossaard was niet alleen de hoogste lokale autoriteit voor
handen van een of twee drossaards, die werden bijgestaan het handhaven van wetten en voorschriften, hij was tevens
door een aantal schepenen en door een of meer secretarissen. de hoogste rechter in zijn gebied en moest toezien, dat de
overtreders van wetten en voorschriften gestraft werden. Als
De drossaards en hun plaatsvervangers naar zijn mening de situatie zijn optreden vereiste, was hij
steeds vlug klaar om in te grijpen. De schepenen deelden in
Naast de gewoonlijke versies drossaert of drossart kwam de zijn verantwoordelijkheid, maar het gebeurde ook wel, dat
oudere spelling drossate voor, terwijl men op andere plaatsen zij het niet met hem eens waren.
de afkorting drost gebruikte. Deze naam werd oorspronkelijk
gegeven aan een van de hofambtenaren van de hertog van De eerste drossaard, die voordien schout van de heerlijkheid
Brabant, die tot speciale taak had toezicht op de hertogelijke Geleen was geweest, oefende die functie slechts over het
tafel te houden. Volgens de uit Lutterade afkomstige pater graafschap in enge zin, d.w.z. de kerspels Geleen en
ELISAEUS McKENNA o.c.d. zou drossate samengesteld zijn uit Spaubeek, uit, terwijl een collega hetzelfde deed ten aanzien
trog [= schotel] en sate [= zetter], terwijl anderen in het eerste van de gezamenlijke heerlijkheden Brunssum en Oirsbeek.
lid een vorm van drocht [= schare] zien en aan het tweede lid Daarna was slechts één drossaard voor het graafschap Geleen
de betekenis ”zitten” geven; volgens hen zou de oudste in ruime zin, d.w.z. alle drie heerlijkheden, in functie.
betekenis zijn: ”beambte, die bij het gevolg zit” <Franck, 138>. Op een desbetreffende vraag van de hoogdrossaard van het
Van die functie ging de naam over op de oppergerechtsheer Land van Valkenburg antwoordde de secretaris van het
van het hertogdom Brabant. En vervolgens werd hij gegeven graafschap Geleen op 17 augustus 1765, ”dat de Heeren
aan hoofdambtenaren van kleinere gebieden, die onder de Drossard, Schepenen en Secretaris geen gehalt [= jaarwedde]
hertog stonden, nl. eerst aan de stadhouder [= plaats- of staende gagie [= vast salaris] en hebben... alleenelijck
vervanger van de hertog] van het Land van Valkenburg en profijteeren de Rechten in voors. Repartitien en
daarna aan ambtenaren van gebieden, die een onderdeel Reekeninghen geexprimeert”, d.w.z. hun kwam een zeker
daarvan uitmaakten <Stallaert I, 378-379>. percentage toe van de bedragen, die zij ambtshalve moesten
opleggen, innen en uitgeven <LvO nr. 1338>.

207

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 208

Gevel van het huis Van den Stock [later Hoofs], in de
Marcellienstraat te Oud-Geleen, in zijn originele toestand.
Links een gedeelte van de ”tien(d)schuur” <Tekening P.A. Schols>.

Jan van den Stock (1654-1683) Drie haardstenen (± 13,5 x ± 8,7 cm) met de jaartallen 1567
Ofschoon Jan van den [of der] Stock gedurende minstens 40 en 1611 uit het huis Van den Stock <in bezit van de schrijver>. De
jaar als schout en/of drossaard in functie bleef en hij in jaartallen stonden in de oorspronkelijke giet- of bakvormen,
talrijke documenten voorkomt, staat de juiste schrijfwijze maar zij duiden daarom niet de ouderdom van die stenen aan.
van zijn naam niet vast. Niet alleen vindt men ten aanzien Latere imitaties vertonen letters en cijfers in spiegelvorm <LimDag
van hemzelf de spellingen Van den Stock en Van der Stock,
maar bovendien komen ten aanzien van zijn familieleden de 1-8-1956. - HKSK 1962, 106-109. - Msg 1964, 41-58. - BKNOB 1959, 257-278.
versies Van der Stockt en Van der Stokt voor.
Ook is ons zijn streek of plaats van herkomst niet met zeker- - LvH 1971, 45-49>.
heid bekend. Mogelijk was hij een Maastrichtenaar, want in
de zestiende eeuw werden daar leden van een familie Van Daar slechts uiterst weinig over de aan de kerkzijde naast dat
den Stock of Van der Stock vermeld <PSHAL 1933, 201>. Doch huis - ter plaatse van de latere maar inmiddels opgeheven
zijn wieg kan ook verder ten westen van de Maas hebben meubelzaak Eussen - gelegen tien(d)schuur bekend is, kan
gestaan. In elk geval stamde hij uit een patriciërsfamilie, niet worden uitgemaakt of deze door drossaard Van den
want in een document betreffende zijn dochter Catharina Stock werd gebouwd. Wel mag worden aangenomen, dat zij
staat o.a.: ”la noble et ancienne famille van der Stockt ou van in zijn bezit geraakte, want later was ze het eigendom van
der Stokt” <Hove, 51>. zijn nazaten.
Jan van den Stock wordt reeds in 1642 als schout vermeld en
in 1653, d.w.z. vóór de verheffing van Geleen tot graafschap,
draagt hij al de titel van drossaard. Ook is hij enige tijd de
ontvanger van de inkomsten van de heer of graaf van Geleen
geweest <AKB>. Tevens fungeerde hij als secretaris van het
schepengerecht van Schinnen <PSHAL 1928, 313>. In Latijnse
stukken wordt hij als prætor aangeduid, terwijl zijn echt-
genote Margaretha de Wilque prætorissa [= ”drossaardin”]
wordt genoemd. Zijn plaats in de kerk is op het koor, waar
ook zijn wapenschilden hangen. In de volksmond wordt hij
veelal ”Stokjan” en later ook ”den Douf” genoemd.
Op 22 november 1656 kopen de drossaard en zijn
echtgenote een huis aan de oostzijde van de Dorpstraat
[= Marcellienstraat] te Oud-Geleen, dat in de twintigste
eeuw het huis Hoofs zou worden. Blijkens de ankers in de
vroegere bakstenen poortgevel, heeft hij dat gedeelte in 1660
toegevoegd. Ook werd naast die poort een bakstenen gedeel-
te vóór het oude vakwerkhuis geplaatst. [Zie deel II, hoofd-
stuk X.]

208

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 209

Jan van den Stock † 6-12-1683 Gijsbert van Nierbeeck (1683-1686)
∞ Leden van de vooraanstaande familie Van Nierbeeck
[= Neerbeek] woonden niet alleen te Beek en te Geleen maar
Margaretha de Wilque † 22-7-1673 ook in en bij de ”Onderbanken”. Zo overleed in 1535 een
Gijsbert van Nierbeeck als voogd van Gangelt (D.). Een
Maria Catharina van den Stock † 6-7-1694 jongere Gijsbert van Nierbeeck, die te Raath [bij Bingelrade]
∞ 29-12-1676 woonde, werd in 1544 als schepen te Gangelt en secretaris
van de bank Oirsbeek vermeld. Het familieverband van
Winand van Hoven † 23-2-1694 drossaard Gijsbert van Nierbeeck met de andere dragers van
die achternaam is niet geheel duidelijk. Waarschijnlijk was
Anna Maria van Hoven Sybilla Agnes van Hoven hij een zoon van Michiel van Nierbeeck, die in 1635 of 1636
† 13-10-1733 † 16-2-1754 overleed. Hij deed universitaire studies en behaalde het
∞ 25-2-1718 ∞ 26-9-1717 licentiaat in de rechten. Op 6 maart en 13 juni 1657 kwam
hij respectievelijk als schout en drossaard van Amstenrade
Willem de Gavarelle Balthasar de Preez voor. Dit dient in die zin te worden verstaan, dat hij schout
bokkenrijderskapitein schepen te Geleen van de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum was en dat hij
en schout te Mheer als zodanig in dienst was van Maria Huyn, echtgenote van
ged. 25-1-1692, graaf Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen, die als Vrouwe
† 1759 † 25-11-1746 van genoemde heerlijkheden te Amstenrade haar residentie
had.
Maria Johanna Theresia Jan Winand de Preez Na het overlijden van drossaard Jan van den Stock (1683)
de Gavarelle ged. 11-9-1720 nam Gijsbert van Nierbeeck diens functies over; derhalve
bokkenrijder werd hij drossaard van het graafschap Geleen in ruime zin.
ged. 28-3-1719, Maar toen ondervond ook hij al de gevolgen van de oude
† 26-12-1800 dag zo sterk dat reeds op 21 maart 1684 zijn opvolger werd
∞ 10-5-1748 benoemd. Hij bleef evenwel tot aan zijn dood op 16 novem-
Frans Meyer ber 1686 in functie <PSHAL 1880, 261; 1881, 415 en 417; 1884, 436-437;
* 1721, † 21-2-1809
1885, 91-94, 134 en 143; 1928, 281; 1929, 257-258; 1960/61, 33. - Msg 1912,
J. J. Frederik Meyer Jacob Ferdinand Meyer
* ca. 1749, † 16-2-1810 rijksontvanger; 75; 1914, 47; 1929, 27. - Becha 51-87>.
secretaris
president van de gemeente Geleen Gerard Duycker (1684/85-1726)
keizerlijke rechtbank Ook de spelling van deze familienaam is niet steeds constant.
Terwijl hun bloedverwanten in de streek van Wachtendonk
te Maastricht; de spelling Duyckers prefereerden, verkozen de drossaards
bouwde Huize Koekamp van Geleen om nu eens Duycker en dan weer Duyckers te
schrijven, terwijl ook af en toe de versie Duijcker opduikt.
Het echtpaar Van den Stock-Wilque had bij zijn komst naar Doch Duycker was blijkbaar de oudere versie en kan dus als
Geleen blijkbaar reeds vijf kinderen, nl. de zoon Gonzales, de meest authentieke worden beschouwd. Dit was eertijds
die zich als advocaat te Brussel zou vestigen, en de dochters
Anna Isabella († 17-1-1674), Anna († 29-1-1692), Clara Huis Raath (Bingelrade), opgetrokken op de fundamenten van
Ernestina († 17-5-1724) en Maria Catharina († 6-7-1694). het in 1751 verbrande huis Duycker <Loosjes, 101>.
Te Geleen werd het gezin van de drossaard nog uitgebreid
met de zoon Joannes Werner (*21-10-1649) en de dochter
Sybilla Cornelia (*10-4-1653, † 21-12-1740). Dochter
Maria Catharina zou op 9 december 1676 te Geleen met
Winand van Hoven uit Carsveld († 23-2-1694), rentmeester
van de prins(es) Van Salm, trouwen en zou met haar gezin
op het huis Etzenrade gaan wonen <Msg 1890, 19>.
Margaretha van den Stock - de Wilque overleed op 22 juli
1673. De drossaard overleed op 6 december 1683 en werd
aan de epistelkant [= oostkant] van het koor te Oud-Geleen
begraven. Vóór de afbraak van die kerk in 1862 was zijn graf
bedekt met een steen, waarop zijn naam stond. JOS. RUSSEL,
die in genoemd jaar bij de opening van dat graf aanwezig
was, noteerde, dat de drossaard een grote schedel met een
breed voorhoofd had gehad en dat toen nog talrijke blanke
tanden in het kakebeen zaten <Russel, Auverm 1878, 47>.

209

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 210

een gangbaar woord voor duivel <Oudemans, deel 2>, maar voor hij met zijn gezondheid te sukkelen. Dit maakte het
haar familiewapen gaf de familie Duycker de voorkeur aan wenselijk, dat zijn oudste zoon Leopold in 1711 officieel tot
de watervogel, die duiker wordt genoemd. zijn assistent werd aangesteld <LvO nr. 1245>. In 1714 werd de
De oudste bekende leden van dit geslacht woonden te Venlo. oude drossaard door een ”indispositie” [= ongesteldheid]
Conrard Duycker (1623-1684), geneesheer, secretaris en getroffen, waardoor hij zijn ambt niet meer kon waarnemen;
schepen te Wachtendonk, trouwde verscheidene malen en daarom werden zijn functies volledig door zijn zoon over-
had veel kinderen. Gerard, het vierde en jongste kind van genomen. Hij overleed op 4 december 1726; zijn echtgenote
zijn tweede vrouw Margaretha Vogelsanck, werd in 1657 te stierf op 6 december 1746.
Wachtendonk geboren. In 1676 ging hij naar de universiteit Leopold Duycker (1711-1726-1753)
van Keulen om er rechten te studeren <LimLe 1955/56, 6 en 9>. Het oudste kind van drossaard Gerard Duycker werd op
Op 21 maart 1684 werd hij door de prins Van Salm, die toen 23 mei 1689 te Raath geboren en als Leopold Gijsbert
te Linz in Oostenrijk verbleef, tot drossaard van het graaf- Joseph in de kerk van Bingelrade gedoopt. De pastoor
schap Geleen in ruime zin benoemd ”om hetselven officie te noteerde het volgende Latijnse tijdvers in het doopboek:
bekleiden naer doodt van den voorsz Heer Nierbeeck”. Op LeopoLDVs gIJsbertVs josephVs feLIX MaIo natVs et renatVs,
6 april 1685 werd hem door de Soevereine Raad te Brussel d.w.z. ”De gelukkige Leopold Gijsbert Joseph werd in mei
de Brabantse naturalisatie verleend - hij was immers niet in geboren en herboren [= gedoopt] (1689)”. Daarbij fungeerde
de Spaanse Nederlanden geboren - en op 13 april d.a.v. legde de vorst van ”Deddersteijn” [= Dietrichstein] als peetoom.
hij de daartoe vereiste eed in handen van de kanselier af. Op
21 juni 1685 kreeg hij van de overheid verlof om, met goed- Familiewapen Duycker: drie (2,1) watervogels (”duikers”) van
vinden van drossaard Van Nierbeeck en zonder diens rechten zilver, elk op een vis van zilver staande, op een veld van groen
te kort te doen, de beroepseed als waarnemend drossaard af (schuin gestreept) <NedPat 22 (1935/36), 68>. Volgens het zegel van
te leggen. Op 2 augustus verklaarde de oude drossaard, dat een dochter van drossaard Gerard Duycker waren de bekken
hij onder die voorwaarde in de eedsaflegging toestemde. Op van de vogels geopend <Raadt IV, 431>. Het helmteken is een
20 augustus 1685 heeft Gerard Duycker ”ter plaetse van duiker op een vis staande <PSHAL 71 (1935), 155 en 228>. Op een
d’ordinaire Rechtsvergaederinghe” der banken van Oirsbeek kast in het stadsmuseum te Geldern (D.) stelt een wapen
en Brunssum, in aanwezigheid van zijn voorganger en van de Duycker drie zwarte vogels, elk op een vis staande, in een veld
schepenen van Geleen, Oirsbeek en Brunssum, ”den voor- van zilver voor. Volgens J.M. VAN DE VENNE zou dat ook het
gemelten eedt in forma gepresteert ende uytgeswooren” wapen van drossaard Leopold Duycker zijn geweest <VdVenne
in handen van secretaris Reinier Hagens. Na de dood van 1925, 98 en 260>.
Van Nierbeeck hernieuwde hij zijn beroepseed op 3 januari
1687.
Vanaf het begin woonde en werkte Gerard Duycker in het
huis van zijn voorganger te Raath; dit verklaart dan ook, dat
hij zich permanent in ”Huize Raath” vestigde. Op 7 januari
1687 huwde hij met de zestienjarige Anna Judith Tummers
[of Timmers], die op 28 december 1670 te Bingelrade was
gedoopt. Drie dagen eerder, op 4 januari 1687, was het
huwelijkscontract te Amstenrade ondertekend. Het echtpaar
Duycker-Timmers werd met twaalf kinderen gezegend, nl.
vier jongens en acht meisjes, van wie er evenwel zes jong
stierven. Op 8 april 1688 kregen zij verlof voor het inrichten
van een huiskapel, waar een broer van de drossaard in de
week de mis las. Op 17 september 1698 stichtten zij naast
hun huis een kapel, die op 18 januari 1700 door de bisschop
van Roermond werd gewijd. Deze kapel werd in 1873
vergroot en in 1935 afgebroken <Habets 1892, 329. - Geleen, 101-
102. - LimDag 42e jrg, nr. 187>.
Tegen het einde van 1687 ondernam de jonge drossaard een
reis naar Wenen om er de prins Van Salm en zijn dochter
Maria-Dorothea van Salm, gravin van Geleen, die in dat-
zelfde jaar met prins Leopold-Ignatius von Dietrichstein was
gehuwd, te ontmoeten <LimDag 7-7-1954>. Na verloop van tijd
werd Gerard Duycker wegens zijn optreden door menigeen
spottend de ”drossaard der malcontenten” genoemd
<LimTsGen 1995, 103>. Toen hij de vijftig was gepasseerd, begon

210

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 211

Hij ging aan de universiteit te Leuven (B.) studeren en liep. Deze handicap werd door de overlevering aan boven-
behaalde er ”der beyder [burgerlijke en kerkelijke] rechten genoemde brand toegeschreven. Bij een noodsprong uit een
Licentiaet”. raam zou hij een been hebben gebroken en vanaf die tijd zou
Wegens de zwakke gezondheid van zijn vader werd hij op hij enigszins mank hebben gelopen. Doch in het vonnis van
8 juni 1711 door ”haere hoogh vurstelijcke genaede de hoofddader Jan Jeurissen staat, dat deze bij het leggen van
mevrouwe de princesse douairiaire van Dietrichstein en de lont aan zijn mededaders zou hebben gezegd: ”datter niet
geboerne princesse van Salm, in qualiteit als graevinne der aen gelegen was, dat sij dijen laemen schelm in sijn huijs
graeffschappe Geleen en Amstenraed” tot adjunct-drossaard waeren verbrandende”. Daaruit blijkt, dat de drossaard deze
benoemd. Bijgevolg legde hij op 20 januari 1712 voor twee handicap reeds eerder had. Hij overleed te Aken op 14 sep-
schepenen van Geleen en vier schepenen van Oirsbeek en tember 1753 <LvO nrs. 1778 en 1879. - Msg 1927, 51. - Moonen, 239-243.
Brunssum en in het bijzijn van zijn vader de ambtseed af. Op - LimLe 1955/56, 9>.
29 augustus 1718 verklaarden de schepenen van Geleen, dat Bij de brand van 20 augustus 1751 gingen de familie-
Leopold Duycker ”t seedert d’indispositie van sijnen voor- portretten niet verloren, want in hun testament van 26 april
noemden vaeder gearrive[e]rt in den jaere 1714 in dijer 1788 te Aken voor notaris Frans Winckens schonken Maria
qualiteit als adjunct officier der voors. graefschappe gedaen Josephina Wilhelmina en Anna Elisabeth Judith Duycker,
he[e]ft allen die voorgevallene functie ende daer mede zusters van drossaard Leopold Duycker, ”de familie schilde-
paisibelick [= ongestoord], wel ende behoirlick geconti- rijen afbeeldende ons Papa, Mama, ons, onse Susters en
nue[e]rt tot op den dach van heeden, sonder dat ons is Broeders” aan hun neef advocaat Conrad Joseph Duycker
gebleeken van eenige de minste turbatie van iemant” <LvO nrs. (*1758) te Straelen. Deze liet in 1804 te Raath een nieuw
1245 en 1316>. Op 5 december 1726, d.w.z. daags na het over- ”kasteeltje” bouwen, waar hij op 24 september 1808 over-
lijden van zijn vader, is Leopold Duycker ”ter plaetse van leed. Op 3 augustus 1835 werd het door zijn weduwe Maria
d’ordinaire rechtsvergaederinge der Graefschappe Geleen” Jacobina Ververs aan haar rentmeester Frans Isidoor Janssen
voor de schepenen van Geleen verschenen, waar hij ”den vermaakt.
voors. gedaene eedt soo veel nodigh ende dienstigh heeft
gerepeteert ende gerenovelleert [= hernieuwd]”. Reinier Corten (1753-1764)
De ongehuwde drossaard woonde - tezamen met zijn Reinier Corten werd op 11 maart 1706 te Lutterade geboren
moeder, broer Conrad en vier zusters - in het huis te Raath. als de vierde zoon van Jan Willem Corten (1670-1717) en
Conrad overleed op 16 augustus 1731 in de leeftijd van 35 Ida Penris (1671-1744). De derde zoon (ged. 1-2-1705), die
jaar. Op 21 december 1737 werd een poging ondernomen eveneens Reinier was genoemd, was in zijn wieg gestorven.
om in het huis van de familie Duycker in te breken. Maar Aanvankelijk was Reinier, evenals zijn twee oudere en zijn
toen de moeder, die na ”een vehementen kraeck” was wakker twee jongere broers, van plan de priesterlijke staat te kiezen;
geschrokken en daarop een kerel had gezien, die bezig was op 26 september 1722 werd hem in de kerk van Schinnen
met een ijzeren staaf een getralied benedenvenster te door bisschop Sanguessa de lagere orde van de tonsuur
forceren, haar ”domestiquen” [= dienstpersoneel] had [= kruinschering] toegediend <Habets 1890, 546. - PSHAL 1928,
gewekt, joegen dezen de vreemdelingen op de vlucht <Pijls, 28- 205>. Maar hij zou als leek de stam voortzetten.
29, 39, 42-43. - LimDag 19-8-1954>. Op 29 november 1733 werd Reinier Corten door prins
Op 18 februari 1748 huwde Angelina Barbara Hedwig Claude-Lamoral II de Ligne tot secretaris of griffier van het
Duycker (*4-9-1706) te Raath met Jan Willem Wylt of graafschap Geleen in enge zin benoemd. Op 28 oktober
Wildt uit Aken <Msg 1927, 51>. Deze relatie zou een uitkomst 1734 trouwde hij met Petronella Gadé (* 2-4-1716), dochter
bieden nadat de woning van de drossaard op 20 augustus van Frederik Gadé en Sybilla Bollen. Zij schonk hem tien
1751 door consorten van de bokkenrijders in de as was kinderen, van wie er vijf jong stierven. De eerste vier werden
gelegd <Ramaekers, 68-69. - zie ”Kroniek” s.a. 1751>. Arnold Beltgens in de periode 1735-1739 te Lutterade geboren. Uit de
uit Merkelbeek noteerde daarover: ”Anno 1751 is het huys geboorteplaats van de volgende vijf kinderen blijkt, dat het
van den heere Drossart ende syn 4 susters, Leopold Duijker gezin in de periode 1741-1751 te Amstenrade woonde. Het
in gen Raeth, parochie Bingelraede aengesteecken ende was daarheen verhuisd nadat Reinier Corten in 1739 tot
afgebrandt... De heere drossart is naer Aken getrocken met secretaris van het graafschap Geleen in ruime zin was
sijn 3 ongetroude susters... De vierde suster was in Aken benoemd. Het tiende en jongste kind werd op 26 april 1753
woonachtig voor den brandt ende getrout met den heer te Lutterade geboren.
Wildt” <JPGL 1907, 216-217>. In 1787 verklaarden twee van die In 1736 solliciteerde Reinier Corten naar ”t’officie van
gezusters, dat zij te Aken verbleven ”ter oirsaecke dat hun ontfangerschap [= ontvanger-generaal]” van het Oostenrijks
huys gestaen hebbende in het Raeth... door een brandt- deel van het Land van Valkenburg. Als ”cautie” voegde hij
stigtinge gedaen door gaudieven in brandt geraeckt en daarbij een lange lijst van zijn bezittingen <LvO nr. 1280>, waar-
afgebrandt zijnde”. uit blijkt, dat hij een welgesteld man was. Bovendien stelden
Het ongehuwd blijven van drossaard Leopold Duycker zijn schoonvader Frederik Gadé en de schepenen Jan Penris
stond vermoedelijk in verband met het feit, dat hij mank en Dirck Geurts zich met hun eigendommen voor hem

211

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 212

Familiewapen Corten: gevierendeeld: I. in blauw (horizontaal gestelde bokkenrijders in brand gestoken. Hij liet ter plaatse
gestreept) een zilveren rechterarm, uitgaande van de deellijn, een prachtig nieuw complex optrekken, dat langs vier zijden
paalsgewijs vasthoudend een zilveren hellebaard; II. en III. in een binnenplaats omsloot, maar waarvan slechts de woning
zilver een zwarte (geruite) balk; IV. in zilver een zwarte en het poortgebouw zijn bewaard gebleven. In de gevel staan
(geruite) egge. In de achttiende eeuw voerden leden van de nog steeds in ankers de initialen R[einier] C[orten] en
familie Corten als helmteken nu eens een gevleugelde draak, P[etronella] G[adé] met het jaartal 1751. [Zie ”Kroniek”
dan weer een wassende zilveren zwaan met opgeheven vlucht. onder 1744, en deel II, hoofdstuk X.]
Dekkleden: zilver en zwart <NedPat 44 (1958), 106>. Toen drossaard Leopold Duycker op 14 september 1753 was
overleden, stelde Reinier Corten een verzoekschrift op om
tot diens opvolger te worden benoemd en reed hij op één
dag per paard van Lutterade naar Beloeil (B.) om het
persoonlijk aan prins de Ligne aan te bieden. Die onder-
neming maakte blijkbaar een gunstige indruk, want op
7 december 1753 werd hij door de prins, die hem ”une
personne idoïne [= geschikt] et capable pour en exercer les
fonctions” noemde en ”ses bonnes vie, moeurs, probité et
attachement à notre service” prees, tot voorlopige drossaard
benoemd.
Dit ”patent” werd door Corten op 14 december 1753 aan de
schepenbank van Geleen gepresenteerd met het verzoek om
de vereiste eed te mogen afleggen. Als die eed niet de
bevestiging van zijn officiële aanstelling tot drossaard heeft
betekend, is die definitieve benoeming kort daarop gevolgd,
want in januari 1754 tekent hij als drossaard.
Bovendien nam Reinier Corten de functie van rentmeester
voor de bezittingen van prins de Ligne waar. Op 5 novem-
ber 1755 ontviel hem zijn echtgenote. Hijzelf overleed op 27
april 1764 in zijn woning te Lutterade <NedPat 1958, 107-109>.

garant. In 1737 werd hij tot waarnemend ontvanger
benoemd; vijf jaar later volgde zijn definitieve benoeming.
In 1744 werd zijn ouderlijk huis aan de Onderste Dorpstraat
[= Geenstraat] te Lutterade door familieleden van terecht-

Handtekening van secretaris en drossaard Reinier Corten.

Het woongedeelte (”Drossaardhuis”) van het vroegere complex
Corten in de Geenstraat <Foto G. Ramaekers, 1974>.

212

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 213

De onderlinge verwantschap van de families Corten, Gadé, Lemmens en Russel

Hendrik Corten
* Hellebroek-Nuth 9-8-1599
schepen te Geleen, † Krawinkel 9-7-1671

∞ 24-11-1627
Elisabeth Renckens (Willems) † Krawinkel 18-12-1672

Leonard Corten Maria Corten Jan Frederik Gadé
* Nuth 16-6-1631 1634 - 1702 ca. 1680 komende van Hannover,
schatheffer te Geleen in 1648 wonderbaarlijk genezen
† Lutterade 12-8-1712 woonde op de Vuling
† 12-1-1722
∞ 1654 ∞
Elisabeth Proosten
* 22-2-1655, † 22-1-1716 Joanna Petronella van Staveren
† 23-3-1730 (?)

Jan Willem Corten Josina Gadé Maria Gadé Frederik Gadé
* Lutterade 19-7-1670, † 25-5-1717 † 17-12-1743
† 26-12-1766 † 8-8-1770 te Oud-Geleen
secretaris 1704-1717
∞ 29-5-1700 in 1749 door bokken- ∞
Ida Penris
rijders beroofd Sybilla Bollen
* 2-2-1671, † 2-11-1744 * 8-9-1680, † 16-12-1756

Jan Leonard Corten Reinier Corten ∞ 28-10-1734 Petronella Gadé
* 2-1-1703, † 28-6-1769 * 11-3-1706, † 27-4-1764 * 2-4-1716, † 5-11-1755

secretaris 1717-1733 secretaris 1733-1757
drossaard 1753-1764

Maria Theresia Corten
* Amstenrade 11-9-1748, † Lutterade 18-8-1835

∞ 27-8-1787
Pieter Mathijs Lemmens
* Lutterade 26-4-1755, † 1-8-1847

Jan Reinier Lemmens Maria Theresia Petronella Lemmens
* Lutterade 31-7-1788, † 11-5-1870 * Lutterade 27-7-1793, † Eygelshoven 10-12-1866

burgemeester 1818-1852 ∞ 15-10-1821
Frans Erwin Joseph Russel
* Aken 1-7-1792, † Eygelshoven 15-8-1875

Frans Karel Joseph Russel
* Sittard 10-12-1823, † Geleen 14-5-1899
notaris te Geleen, kantonrechter te Sittard
(1) ∞ Henriette Cath. Elis. Loomans 1824-1873

(2) ∞ Nathalie Lansenbergh 1834-1906

Adam Hendrik Joseph Russel, notaris te Geleen
* Geleen 27-2-1857, † Geleen 14-3-1928


Virginie van Oeijen
* Venlo 3-9-1860, † Geleen 16-12-1898

213

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 214

in mijne slaepcaemer ter Linden” had geschreven en onder-
tekend en op 25 augustus 1733 aan notaris J. L’Allemand
had gegeven - aan zijn neef Jan Willem Franssen ”Huijs en
hoff genoemt ter Linden onder Hoensbroeck gelegen met
alle die daer aen gehorende weijden, benden [= beemden]
ende landerijen... bestaende in ontrent drij en dertigh
boenders”, die hij in 1702 had gekocht. Hij overleed op 5
oktober 1733.

Wapen Frans(s)en: drie ringen van rood (verticaal gestreept) in
een veld van zilver.

Jan Willem Franssen (1764-1766) Hoofdingang van hoeve Ter Linden te Hoensbroek, woning van
De familie Franssen stamde oorspronkelijk uit België; Jan drossaard W. Franssen <Foto H. Leufkens>.
Franssen, de vroegste ”Nederlands Limburger” van dat geslacht,
vestigde zich in de zestiende eeuw als chirurgijn te Eijsden. De erfgenaam volgde zijn peetoom als schout van Hoens-
Onder zijn afstammelingen bevinden zich verscheidene broek op en nam zijn intrek op de hoeve Ter Linden.
chirurgijnen en regeringsfunctionarissen; sommigen van hen Daarnaast zou hij nog andere functies waarnemen. Niet
combineerden beide functies. alleen waren in Hoensbroek de ambten van schout en
De toekomstige drossaard Joannes Willem Franssen werd op secretaris gecombineerd, maar ook werd hij ”stadhouder”
11 september 1704 te Heerlen gedoopt als een van de van de leenhoven van Hoensbroek en Ter Weijer. Bovendien
jongste van de tien kinderen van Jan Franssen (1650-1738) was hij van 1752 tot 1776 rentmeester van de Heer van
en Sibilla Seghels of Zegels († 1717), die op 5 februari 1685 Schaesberg <Jongen, 37 en 53>. Daar de Heren van Hoensbroek
waren getrouwd. Zijn moeder was een dochter van chirur- tevens ”stadhouders” van het Oostenrijkse deel van het Land
gijn Peter Seghels of Zegels († 1691) en Ida Banens († 1670) van Valkenburg waren, kwam het hiermede verbonden werk
in Beeks Neerbeek <Becha 987>. Zijn vader was op 10 maart grotendeels ten laste van hun schout-secretaris. Vandaar dat
1656 in het huis ”Den Wildenman” bij de kerk te Klimmen deze laatste in dit verband ook ”luitenant-stadhouder” werd
geboren <Brouwers, 185> en oefende op Douvenrade te Heerlen, genoemd.
dat zijn eigendom was, het beroep van chirurgijn uit <LvH Op 15 mei 1755 huwde de 50-jarige Jan Willem Franssen te
1995, 18>. Hoensbroek met Maria Sybilla Daniels. Zij schonk hem een
Jan Willem Franssen werd genoemd naar zijn peetoom
Willem Franssen, schout van Hoensbroek; diens broer
Henricus Franssen was schout van Wijnandsrade. Joannes
Franssen, een neef van zijn vader, woonde te Valkenburg en
trouwde in 1689 met Johanna Dullens (1660-1710) uit
Geleen <LimTsGen 1995, 68-72>. De toekomstige drossaard ging
studeren en behaalde het licentiaat in ”de beide rechten”,
d.w.z. in het burgerlijk en het kerkelijk recht.
Genoemde peetoom, schout van Hoensbroek, vermaakte
- in zijn testament, dat hij op 1 juli 1733 ”eijgenhandich...

214

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 215

dochter en een zoon; deze laatste stierf kort na de geboorte. prins de Ligne tot drossaard benoemd en op 4 december van
Zijn echtgenote overleed twee weken later op 18 oktober dat jaar aanvaardde hij die functie <LvO nr. 1816>.
1757. In 1773 kocht hij het huis ”De Dael”, tussen Nuth en
Op 27 juli 1764, precies drie maanden na het overlijden van Vaesrade, van Hubert Joppen. Uit de koopakte [voor notaris
Reinier Corten, kwam Jan Willem Franssen naar Geleen om H. Hupkens] blijkt, dat hij toen niet alleen drossaard van
aan de schepenen ”sijne patente als Drossard deser Graef- Geleen was, maar bovendien de functies van rentmeester van
schappe door sijn Hoogheijt mijn heer den Prince de Ligne prins de Ligne en van griffier van de Staten van Oostenrijks
aan hem verleent de dato 28 Junii 1764” te tonen. Na dit Valkenburg waarnam. In de nieuwe woning werd op 15 april
ambt nog geen twee jaar te hebben uitgeoefend, nam hij in 1777 het zevende en jongste kind geboren. Bij veranderingen
1766 zijn ontslag. De secretaris van het graafschap schreef, in de gebouwen werd het familiewapen Strens in een achter-
dat Franssen ”sigh voluntairelijck heeft gedeporteert”. De gevel aangebracht. Op 9 december 1783 is drossaard Nicolaas
nieuwe Heer van Hoensbroek promoveerde hem op 21 Strens in die woning plotseling overleden. In de Latijnse over-
december 1766 tot drossaard van zijn markizaat. Hij over- lijdensakte wordt hij satrapa [= drossaard] van de graafschap-
leed 11 maart 1779 op Ter Linden <Hoensbroek, 185, 191 en 252- pen Geleen en Amstenrade genoemd. Hij werd in de kerk van
253. - GvL 16-4-1953>. Zij nog vermeld, dat hij zijn naam door- Nuth op het koor nabij de ”Daelder” bank begraven. Zijn
gaans met één s schreef. echtgenote overleed ten huize ”De Dael” op 27 januari 1820.

Toegangspoort tot huis De Dael of Oelsbroek te Nuth, woning Westgevel van huis De Dael of Oelsbroek te Nuth, gewijzigd in

van de familie Strens <Loosjes, 105>. 1775 <Loosjes, 105>.

Nicolaas Strens (1766-1783) Nicolaas Frans Joseph Strens (1784-1794)
Leden van de familie Strens hebben gedurende een paar De oudste zoon van de vorige drossaard was op 6 december
eeuwen te Brussel en omgeving openbare ambten bekleed. 1764 te Amstenrade gedoopt. Hij was slechts anderhalf jaar
Nicolaas Strens werd op 14 januari 1736 in de parochiekerk oud, toen zijn vader drossaard werd. Desondanks werd hij
van de H. Jacobus op de Caudenberg te Brussel gedoopt als toen door prins de Ligne tot secretaris van het graafschap
zoon van Nicolaas Strens en Elisabeth Theresia Ypersiel. Geleen benoemd. In 1773 verhuisde hij met zijn ouders naar
Daar zowel zijn moeder als zijn echtgenote uit Beloeil in huize ”De Dael”. Later ging hij te Leuven rechten studeren.
Henegouwen (B.) stamden, waar het stamslot van het Toen zijn vader overleed, had de negentienjarige zijn studies
geslacht de Ligne was gelegen, kan hij langs die weg met de nog niet beëindigd. Toch werd hij op 7 januari 1784 door
prinsen de Ligne in contact zijn gekomen. Nicolaas Willems tot drossaard benoemd. Teneinde dit in
Op 7 april 1757 werd de 21-jarige Nicolaas Strens door de overeenstemming met ’s lands wetten te brengen, gaf de
overheid te Brussel meerderjarig verklaard en op 25 oktober Soevereine Raad hem op 13 januari 1784 een bewijs van
1757 werd hij door prins de Ligne tot zijn rentmeester en tot meerderjarigheid en op 12 februari 1784 legde hij in handen
secretaris van het graafschap Geleen benoemd. Op 6 februari van de presiderende schepen van Geleen de ambtseed af.
1763 huwde hij in de St.-Goedelekerk te Brussel met Bij de nadering van de Fransen (1794) nam hij de vlucht.
Maria Louise Mesnage, die op 11 augustus 1737 te Beloeil Op 25 juni 1804 huwde hij te Niederkrüchten (D.) met
was geboren. Kort na dit huwelijk is het echtpaar Strens- Joanna Catharina van Mülbracht (*22 maart 1770). Later
Mesnage te Amstenrade komen wonen. Daar werden zes werd hij president van de rechtbank in eerste aanleg te
kinderen geboren, o.a. de beide zonen Nicolaas Frans Joseph Roermond. Daar is hij op 6 december 1821 overleden; zijn
Strens (ged. 6-12-1764) en Frans Joseph Strens (ged. 21-8- echtgenote stierf op 22 november 1853. Hun zoon Martin
1769). Op 13 september 1766 werd Nicolaas Strens door Pascal Hubert Strens (* Roermond 28-3-1807) promoveerde

215

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 216

op 20 maart 1827 te Luik in de rechtswetenschappen. In Plaatsvervangende drossaards uit de familie
1828 huwde hij te Geusselt (Amby) met Josephine Catha- (De) Limpens
rina Henrietta Francisca van Eersel (* Antwerpen 18-7-1806) De op het kasteel van Doenrade - het ”Doonderhuske” -
en bleef daarna enige tijd te Luik wonen. In 1852/53 was hij wonende Jan Daniel Christiaan Frans de Limpens (1723-
minister van Justitie en r. k. Eredienst en in 1861/62 minis- 1764), die zijn vader Karel de Limpens in 1744 als hoog-
ter van r. k. Eredienst en minister van Buitenlandse Zaken ad schout van ’s-Hertogenrade was opgevolgd en in 1747 ook
interim van Nederland. Hij overleed op 22 juli 1875 te schout van Schinnen was geworden, nam in 1752 en 1753
Maastricht en werd te Swalmen begraven. Zijn echtgenote een paar keer de functie van drossaard Leopold Duycker
was reeds op 23 maart 1846 overleden. waar, omdat die toen wegens ”onpasselyckheijt” verhinderd
Hun dochter Marie Hubertine Constance Julie Strens was. Maar hij was blijkbaar geen door prins de Ligne
(*Roermond 15-6-1839) huwde met mr. P. B. H. M. Swart officieel benoemde plaatsvervanger.
uit Maastricht en kwam in 1877 in het ”Drossaardhuis” te Daar de jeugdige drossaard Nicolaas Frans Joseph Strens
Lutterade wonen († 6-2-1911). Haar broer Charles Eugène wegens zijn studies te Leuven moest verblijven, werd op zijn
Pascal Joseph Strens (*Luik 3-8-1829) promoveerde op 29 verzoek advocaat Jan Ferdinand Antoon Limpens (1751-
juni 1851 te Leiden in de rechtswetenschappen en werd later 1786) op 6 februari 1784 door Nicolaas Willems als zijn
president van de arrondissementsrechtbank te Roermond. tijdelijke plaatsvervanger aangesteld. Deze was te Oirsbeek
Hij trouwde (1857) met Amélie Caroline Josephine Milliard geboren als zoon van Caspar Walram Limpens en Maria
(* Roermond 18-6-1833, † 11-7-1910) en overleed op huize Catharina de Limpens, zuster van de hierboven genoemde
”De Dael” te Nuth (15-8-1892). Zijn zoon Eugène Henri J. D. Chr. Fr. de Limpens. Hij was tevens schout in Nuth,
Charles Louis Strens (*9-8-1861, † 25-2-1919) trouwde Hoensbroek en Übach (D.). J. F. A. Limpens woonde enige
(1898) met Johanna Maria Herten (*11-6-1879, † 3-9- tijd bij een broer van zijn moeder in huize Lückerheide te
1928). Zij werden de ouders van Otto Maria Louis Eugène Chevremont-Kerkrade, maar betrok ook het kasteel van
Strens (* 5-11-1900), die op ”Huize Koekamp” kwam wonen Doenrade, omdat zijn oom in 1759 naar Essen (D.) was
(† 6-11-1952) <PSHAL 1875, 502; 1880, 104-106; 1884, 189; 1885, 77-78; verhuisd, waar deze in 1764 overleed. MOONEN noemde
J. F. A. Limpens ten onrechte drossaard van het [zoge-
1960/61, 128. - Msg 1909, 69-70. - NedPat 1920, 279-281. - NBW 7 (1927), naamde] graafschap Amstenrade.
Hij maakte vooral naam door zijn streng optreden tegen de
1188. - Bronk 1953/54, 17-20 en 58-60. - Peeters, 93-94. - LvH 1990, 93>. bokkenrijders. Nadat deze laatsten tevergeefs hadden
getracht hem met geweerschoten te doden, stuurden ze hem
een brief, die - volgens de overlevering - vergif bevatte. Op
18 december 1786, slechts een paar uren nadat hij die brief
had ontvangen, overleed J. F. A. Limpens plotseling op het
kasteel van Doenrade. Kort tevoren, op 10 september 1786,
was hij te Clermont (B.) met Sophie Louise Josèphe Ernst
getrouwd <A. Blok 1991, 152 en 414>.
Als drossaard van het markgraafschap Hoensbroek en plaats-
vervangend drossaard van het graafschap Geleen werd hij
opgevolgd door Karel Lotharius de Limpens (1738-1830),
geboren te Hoensbroek als zoon van Jan Daniel (de)
Limpens, secretaris van het markizaat. Op 11 januari 1787
legde hij te Oirsbeek de eed als luitenant-drossaard van
het graafschap Geleen af. Tevens was hij schout te Oud-
Valkenburg, Schin op Geul en Vaesrade <LvO nr. 1879. - Msg

1909, 69-70. - PSHAL 1928, 282; 1929, 230; 1960/61, 128. - Moonen, 537-538.

- Hoensbroek, 185>.

Wapen van de familie Strens: doorsneden: Bovenste helft: in goud De secretarissen en hun plaatsvervangers
(gestippeld) drie blauwe (horizontaal gestreepte) linker schuin-
balken; onderste helft: in zilver vijf zwarte (geruite) sterren (3 en Evenals dit tijdens de periodes van het kerspel en van de
2). Helmteken: drie struisveren. Dekkleden: goud en blauw heerlijkheid Geleen het geval was geweest, zo was de
<NedPat 11 (1920), 279>. secretaris ook tijdens de periode van het graafschap Geleen
geen persoonlijke assistent van de graaf of van de drossaard,
maar een functionaris van de schepenbank. En juist zoals er
bij het begin van het graafschap Geleen twee drossaards
waren, namelijk één voor het graafschap in enge zin, d.w.z.

216

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 217

de heerlijkheid Geleen, en één voor de rest van het overleed kinderloos op 11 april 1701. Reinier Hagens stierf
graafschap in ruime zin, d.w.z. de heerlijkheden Brunssum op 11 november 1704. Zijn petekind en naamgenoot Reinier
en Oirsbeek, zo waren er ook geruime tijd twee secretarissen Hagens (*19-6-1687, † 1-8-1739) was secretaris van de
voor diezelfde delen. Maar circa 1740 werd Reinier Corten, heerlijkheden Schinnen, Oirsbeek en Brunssum, schout te
die sedert 1733 secretaris van het graafschap in enge zin was Nuth en ”stadhouder” van de leenhoven van Sint-Jansgeleen
geweest, tot secretaris van het hele graafschap benoemd. Ook en Schinnen <PSHAL 1928, 185 en 313; 1960/61, 33 en 35. - Sweykh, 63-
zijn opvolgers waren secretarissen van het graafschap in 64>.
ruime zin.

Willem Maes
Willem Maes junior, zoon van Willem Maes senior [op de
Pesch] en echtgenoot van Elisabeth Suijsters of Schuisters,
wordt in 1642 en 1653 als secretaris van Geleen vermeld
<Msg 1925, 26. - PSHAL 1929, 300>. Hij zal wel de eerste secretaris
van het graafschap Geleen zijn geweest, maar hij heeft die
functie lang vóór zijn dood (1689) opgegeven.

Handtekening van secretaris Reinier Hagens.

Handtekening en stempel van secretaris Joannes of Jan Hagens Jan Willem Corten (1704-1717)
junior. Jan Willem Corten werd op 19 juli 1670 te Geleen geboren
als zoon van Leonard Corten (1631-1712), schatheffer van
Jan Hagens de jonge (tot 1676) het graafschap Geleen, en Elisabeth Proosten. Op 29 mei
Jan Hagens de jonge, zoon van Jan Hagens de oude († 20-8- 1700 huwde hij met Ida Penris (* Lutterade 2-2-1671). Op
1658) van Hobbelrade <PSHAL 1960/61, 109>, huwde met 11 november 1704 werd hij secretaris van het graafschap
Meyken Huntgens, dochter van de halfer van de kasteel- Geleen in enge zin. Hij ging met zijn gezin wonen in het
hoeve van Sint-Jansgeleen. Hij volgde zijn schoonvader als huis, dat de familie Mutzenich vlak bij de grote hoeve van
halfer op <St.Jansgel, 100-101>; ook werd hij ontvanger van graaf Lutterade in de Geenstraat had gebouwd. Tussen 10 april
Huyn en schepen van het graafschap Geleen in enge zin. In 1701 en 20 januari 1711 schonk zijn echtgenote hem zes
1664 trad hij bovendien als secretaris van dat graafschap op. zonen, van wie er vier priester werden. Nadat de derde zoon,
Hij overleed op 15 september 1676 en werd door zijn zoon Reinier, binnen het jaar was overleden, kreeg de vierde zoon
Reinier in beide laatstgenoemde functies opgevolgd. Zijn dezelfde naam. Jan Willem Corten overleed reeds op 25 mei
weduwe overleed op 15 mei 1678. 1717. Als secretaris werd hij door twee van zijn zonen
opgevolgd.
Reinier Hagens (1676-1704)
Op 26 september 1676, elf dagen na de dood van zijn vader, Jan Leonard Corten (1717-1733)
werd Reinier Hagens door de prins Van Salm tot secretaris Zo Jan Leonard Corten (*2-1-1703), zoon van de vorige
benoemd. Ofschoon hij sindsdien reeds als secretaris teken- secretaris, bij diens dood tot zijn opvolger werd benoemd,
de, legde hij zijn benoeming pas op 13 december 1679 aan heeft hij die functie wegens zijn jeugdige leeftijd niet
de schepenbank van Geleen voor ”versoekende dyenvolgens aanstonds uitgeoefend. Dit blijkt uit het feit, dat schepen
dat hem sal worden afgenomen den behoorlijcken eedt”. Op Andreas Banens rond 1720 als ”bedienende secretaris” van
10 januari 1680 herhaalde hij dat verzoek en op 31 januari Geleen optrad. Nadat J. L. Corten het secretariaat had
1680 heeft ”Rener Hagens als secretaris deser Graefschappe aanvaard, zou hij dit ambt tot 1733 waarnemen. Toen legde
Geleen den behoorlijcken eedt gedaen, ten overstaen van de hij het neer, omdat hij - evenals drie van zijn broers - voor
justitie”. het priesterschap koos. Hij overleed als kapelaan te Susteren
Op 2 december 1684 trouwde hij met Joanna Maria Maes, op 28 juni 1769.
die op 18 januari 1643 te Geleen was gedoopt. Deze laatste
Reinier Corten (1733-1757)
Reinier Corten, die reeds als drossaard ter sprake kwam,
werd op 29 november 1733 door prins Claude-Lamoral II
de Ligne tot secretaris of griffier van het graafschap Geleen
in enge zin benoemd. Op 13 januari 1734 verzocht hij de
schepenbank om hem ”den gewoonelycken eedt” te laten
afleggen. Na het overlijden van Reinier Hagens, secretaris
van Oirsbeek en Brunssum op 1 augustus 1739, legde
P. Royen op 17 augustus 1739 de eed als diens provisionele

217

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 218

opvolger af. Maar kort daarop werd Reinier Corten ook Joseph Strens werd op 25 november 1794 tot griffier van de
secretaris van die heerlijkheden. Dit verklaart zijn verhuizing commune Geleen aangesteld, maar reeds op 6 maart 1795
naar Amstenrade, waar tussen 4 augustus 1741 en 7 januari werd hij uit die functie ontheven. Op 4 juni 1806 is hij in
1751 vijf van zijn tien kinderen werden geboren. Toen hij de leeftijd van ruim 36 jaar overleden.
zich in 1752 enige tijd ”onpasselijk” voelde, gaf hij aan
J. H. Dullens, secretaris van Schinnen, volmacht om in zijn Andere beambten in dienst van de gemeenschap
plaats de processen te Sint-Jansgeleen bij te wonen en het
nodige schrijfwerk te verrichten <GAG nr. 4249>. Na zijn benoe- Naast de drossaards en secretarissen speelden de schepenen,
ming tot drossaard op 7 december 1753 bleef hij de functie collecteurs en burgemeesters voorname rollen in het leven
van secretaris nog bijna vier jaar officieel uitoefenen. Maar der Geleners.
de daaraan verbonden taken werden aan Jacob Bormans van
Merkelbeek, schepen te Brunssum, als waarnemend secreta-
ris overgedragen.

Nicolaas Strens (1757-1766) Schepenzegel uit 1706. De
Zoals wij reeds zagen, werd Nicolaas Strens (* Brussel 14-1- sleutel, die de linkse persoon
1736) op 25 oktober 1757 tot rentmeester van prins de in zijn handen houdt,
Ligne en secretaris van het graafschap Geleen benoemd. Op duidt er op, dat de stempel-
23 augustus 1758 legde hij zijn ambtseed af. Aanvankelijk snijder de patroonheilige
schijnt de nieuwe secretaris zich nog niet in deze streken te Petrus met de apostel Petrus
hebben gevestigd, want Jacob Bormans werd als plaats- heeft verward <PSHAL 1879,
vervangend of substituut-secretaris aangesteld; deze laatste 248>.
overleed in 1762. Kort na zijn huwelijk (6-2-1763) is
Nicolaas Strens in Amstenrade komen wonen. Na zijn Schepenen van het graafschap Geleen in ruime zin
benoeming tot drossaard (13-9-1766) werd hij als secretaris Zoals wij reeds eerder zagen werd Geleen gedurende vele
achtereenvolgens door twee van zijn zonen opgevolgd. eeuwen door ter plaatse wonende schepenen - onder de
leiding van een voogd of schout - bestuurd. Ook tijdens de
Nicolaas Frans Joseph Strens (1766-1784) periode van het graafschap Geleen was dit - onder voor-
De oudste zoon van de vorige secretaris was op 6 december zitterschap van de drossaard - het geval. Zij werden door de
1764 te Amstenrade gedoopt, en was dus pas anderhalf jaar eigenaar of bestuurder van het graafschap voor het leven
oud, toen zijn vader drossaard werd. Desondanks werd hij benoemd. De drie heerlijkheden Geleen, Oirsbeek en
toen door prins de Ligne tot secretaris van het graafschap Brunssum, waaruit dat graafschap bestond, bleven elk hun
Geleen benoemd. Bij keizerlijk decreet van 2 juli 1766 werd eigen bank van zeven schepenen behouden.
verlof verleend om dit ambt tijdens zijn minderjarigheid Tegen het einde van de achttiende eeuw ging men er soms
door Gerard Lindemans als plaatsvervangend of substituut- toe over om dezelfde personen als leden van elk der drie
secretaris te laten waarnemen. Deze laatste was in 1727 te schepenbanken aan te stellen. Zo werden de hiervoren
Gen Houve [Merkelbeek] geboren. Bij de oprichting van het vermelde Gerard Lindemans van Merkelbeek (op 27 oktober
kanton Oirsbeek door de Fransen in januari 1796 aanvaard- 1762), Mathieu Le Boulle van Amstenrade (op 20 augustus
de hij de functie van kantonpresident <FA nr. 296>. Hij over- 1788) en Jan Willem Frissen tot schepenen van de banken of
leed te Gen Houve op 92-jarige leeftijd op 26 november heerlijkheden Geleen, Oirsbeek en Brunssum benoemd <LvH
1819 <Moonen, 532-533>. Toen N. F. J. Strens in 1784 zijn vader 1990, 95>. Zij waren derhalve schepenen van het graafschap
als drossaard opvolgde, werd aan zijn jongere broer Frans Geleen in ruime zin.
Joseph de functie van secretaris gegeven.
Collecteurs, schatheffers of belastingontvangers
Frans Joseph Strens (1784-1794) Het innen van de belastingen was de taak van de officiële
Aangezien Frans Joseph Strens op 21 augustus 1769 te collecteur of schatheffer. Op 17 augustus 1765 schreef de
Amstenrade was gedoopt, was hij bij zijn benoeming tot secretaris van het graafschap Geleen, ”dat jaerelijckx maar
secretaris (begin 1784) pas veertien jaar oud. Daarom werd eene Repartitie [= verdeling van geldelijke lasten over de
hem op verzoek van zijn moeder op 5 maart 1784 door inwoners] en Reekeninghe [= afrekening van ontvangsten en
de Soevereine Raad van Brabant de toestemming verleend uitgaven] geschiet ingevolghe convocatie [= oproep] van den
om dit ambt tijdens zijn minderjarigheid door boven- Heere Drossard ter plaetse der ordinaire Rechtsvergaede-
genoemde Gerard Lindemans te laten waarnemen <Msg 1909, ringhe tot Geleen... dat in sulcke geconvoceerde vergaede-
69-70>. In 1786 nam W. Frissen die functie waar. Bij de komst ringhe der gemeijntenaeren de Repartitie publyck wordt
van de Fransen werden de ambten van drossaard en secretaris gedaen alsmede de Reekeninghe door den Collecteur in
- tezamen met het graafschap - opgeheven. Ex-secretaris Frans persoon ten overstaen van de Heeren Drossard, Schepenen,

218

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 219

Secretaris, Borgemeesters en andere geerfdens” <LvO nr. 1338>. bestaat van Reekeninghe [= afrekening] en Repartitien
Het was de algemene gewoonte, dat de collecteur zich bij het [= verdelingen van geldelijke lasten] bij te woonen ende
toewijzen en innen van belastingen en andere geldelijke hunne dorpsintressen naer te sien ende ingevolghe orders
lasten door de burgemeesters liet assisteren. van den Heere Drossard de inbeletteringen [= inkwar-
Als collecteurs zien we de volgende Geleners optreden: tieringen] van trouppen te doen jeder in sijn dorp, de
Andries Custers (1583-1588), Willem Maes (1627-1634), vrachten ten dienste der selve t’ordonneeren, alsmede de
Hendrik Corten (1636-1637), Clement van Nierbeeck nabuijren te commandeeren ten eijnde van reparatie der
(1641-1650), Willem Penris (1652-1654), Leonard Corten wegen, ende finalijck te doen wat deughsaeme
(1655-1682), Jan Bollen (1683-1684), Jan Crousen (1687- Borgemeesters behooren volgens Haere Majesteijts placcaer-
1694), Reinier Hagens (1696-1701), Willem Paes (1700- ten” <LvO nr. 1338>. Tot de taken van deugdzame burge-
1704), Joannes Paes (1705-1714), Mathias Dullens (1724- meesters behoorden blijkbaar ook het bijwonen van vergade-
1734), M. Vroemen (1748-1764), L. Banens (1765-1770), ringen van de schepenbank en het toezicht houden op de
Frans Schutgens (1771-1777), Arnold Cremers (1778-1781 nachtwacht <Hoensbroek, 220>. De bewering van RUSSEL, dat
en 1786-1790) en Jan Mathijs Luijten (1782-1785). het ambt van burgemeester ”meestal aan den diksten
Burgemeesters of dorp(s)meesters inwoner der plaats” zou zijn toevertrouwd <Russel, 1860, 45>,
Naast de schout, schepenen en secretaris waren er nog de verdient geen geloof.
”burgemeesters”, die met onze hedendaagse burgemeesters Volgens de zojuist genoemde secretaris hadden de burge-
slechts de naam gemeen hadden, want ze bezaten geen meesters van het graafschap Geleen geen vast salaris. En
bestuursmacht. Op een desbetreffende vraag door de over- ofschoon hij hen wel in verband met de taak van de
heid antwoordde de secretaris van het graafschap Geleen op collecteur noemde, kende hij hun in die context toch niet
17 augustus 1765, ”dat de fonctie van de voors. Borgemeesters uitdrukkelijk enig inkomen toe. Doch op andere plaatsen
speelden de burgemeesters een rol bij het toewijzen en innen
Weegschaaltje van een Geleense ”burgemeester”, door de schrijver van ieders aandeel in de belastingen en andere geldelijke
ontvangen van de vroegere gemeentesecretaris A. Suijlen. Langs bijdragen en genoten zij 5% van de door hen geïnde gelden
de rand staan 5 in elkaar passende koperen gewichtjes van 15 g, <PAHAL 1915, 317. - Behets, 35>. Dat ook de burgemeesters van
7,5 g, 3,75 g en minder. Op het geopende deksel liggen de Geleen een dergelijke functie hadden, blijkt uit het feit, dat
”azen” en ”greinen” om heel kleine gewichten nauwkeurig te ze in 1666 als ”bedesetters” [= belastingverdelers] werden
bepalen <Foto door de schrijver>. aangeduid <GAG nr. 4340>. Daarop wijst trouwens ook het zich
in het bezit van de schrijver bevindende weegschaaltje, dat
volgens de familieoverlevering door een Geleense burge-
meester ambtshalve werd gebruikt <HJLvZ 1987, 47>.
Oud-Geleen en Lutterade hadden elk hun eigen burge-
meester, terwijl Krawinkel en Geleens Neerbeek tezamen
slechts één burgemeester hadden. Zij werden door hun
dorpsgenoten bij meerderheid van stemmen voor een
bepaalde tijd, soms voor slechts één jaar, gekozen. Zo werd
de 63-jarige Philip Feron, die in de Daalstraat woonde, op
18 maart 1772 ”als Borgemeester van Craiwinckel ende
Nirbeek bij unanieme stemmen gekoosen”. In de archieven
staan o.a. de burgemeestersverkiezingen van 1704, 1721,
1730, 1738, 1761, 1765 en 1772 opgetekend <LvO nrs. 1280,
1281 en 1340>. Evenals alle andere functionarissen legden ook
zij een ambtseed af.
De functie van burgemeester schijnt te zijn ontstaan uit de
behoefte van de schout en de schepenen om bij aanzienlijke
plaatsgenoten te rade te gaan. Aanvankelijk werden die per-
sonen dan ook ”raden” genoemd. De naam ”burgemeester”
heeft zich in de veertiende eeuw vanuit Aken verspreid <VO
1933, 58-59>. In 1630 worden de Geleense burgemeesters
”gekosene mannen” genoemd <LvO nr. 1469>, terwijl zij in een
in het Latijn opgesteld document van 1721 als pagimagistri
[= dorpsmeesters] vermeld staan <BAR>. Niet alleen te Geleen
maar ook te Spaubeek, Puth en elders was de benaming
”dorpsmeester” naast die van burgemeester in gebruik <LvO
nrs. 1548-1606 en 2040 - Behets, 35>.

219

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 220

Gewichten bij het (thans ver-
loren) weegschaaltje van de acht-
tiende-eeuwse Geleense burge-
meester Vleugels in de Eindstraat,
dat in het bezit van de Oud-
Geleense koster Math. Meys was

<Naar de oorspronkelijke gewichten getekend

door de schrijver>.

Gerechtsboden, schutten, veldboden, heiboden, heikorpo- 3. Kroniek van 1654 tot 1794
raals en bouwmeesters
Behalve de gerechtsbode, die opdrachten van de drossaard en De verheffing van de heerlijkheid Geleen tot graafschap
de schepenen uitvoerde, in en bij de kerk proclamaties (1654) bracht voor de Geleners geen merkbare verande-
afkondigde en/of aanplakte en arrestaties verrichtte, was er ringen mee. Nergens is iets van een daardoor teweeg-
ook nog een soort plaatselijke militia om de wetten te hand- gebrachte feeststemming te merken. Het leven ging gewoon
haven. Zij bestond uit ”rotten”; dit waren kleine groepen verder zoals voorheen.
”schutten” [= gewapende burgers], die op bevel van de
drossaard en onder de leiding van een ”rotmeester” of Landerijen met taks belast (1654)
korporaal - hetzij overdag hetzij bij nacht - op patrouille Op 30 november 1654 werden door de Staten-Generaal te
gingen of gevangenen bewaakten. In elke wijk waren er Geleen 649 bunder met een taks van twee gulden per bunder
minstens twee ”rotten”, die elkaar afwisselden. aangeslagen <Deductie, 14-16>.
Daarnaast waren er ook ”boden” voor het bewaken van
boomgaarden, akkers en delen van de Graetheide om schade Van 1655 tot 1663 geen openbare rooms-katholieke
aan de vruchten en onwettelijk gebruik van andermans grond huwelijken
te beletten. Oud-Geleen en Lutterade hadden elk hun eigen Van 1655 tot 1663 vertoont het parochieel trouwregister van
veld- of heibode, maar Krawinkel en Geleens Neerbeek Geleen een hiaat, dat aldaar als volgt [in het Latijn] wordt
hadden een gezamenlijke veldbode. Het is niet steeds duide- verklaard: ”Sedertdien (1655) was de plechtige sluiting van
lijk of een en dezelfde persoon zowel de akkers als de heide huwelijken [Solemnizatio matrimoniorum] tot 1663 verboden
van zijn dorp bewaakte. Peter Roemers, die op 1 april 1772 [interdicta] en werd deze in het openbaar [publice] achter-
als ”veltbode in de Heijde” van Lutterade werd aangesteld zal wege gelaten [intermissa]”. Volgens het door de protestanten
misschien zowel het veld als de heide van zijn dorpsgenoten opgelegde ”Echt-[= trouw-]reglement” sloeg dat verbod uit-
hebben kunnen controleren. Maar Joannes Nijsten, die rond sluitend op huwelijken volgens de rooms-katholieke ritus.
diezelfde tijd als ”heijbode” van Oud-Geleen werd aangesteld MUNIER merkte hierbij op: ”Het [woord] publice is hier veel-
en zich dus ambtshalve in de Graetheide moest ophouden, zeggend. Het is niet uitgesloten, dat de pastoor in Geleen even-
zal wel een collega nodig hebben gehad om toezicht op de als zijn collegae elders in het geheim gebruikmaakte van de
rond Oud-Geleen gelegen weiden en akkers te houden. mogelijkheden, die hem in de gegeven omstandigheden over-
Ook de heiboden stonden onder een korporaal. Henric bleven, maar dat hij daar geen aantekening van heeft gehouden
Ummelen, die ongeveer vijf jaar ”Corporael van de heijde” of zo dit wel gebeurd mocht zijn, dan heeft hij nagelaten die
was geweest, legde die functie op 22 februari 1775 neer en later in zijn trouwregister op te nemen” <PSHAL 1985, 94>.
werd door Pieter Keulers opgevolgd.
Tenslotte waren er nog ”bouwmeesters”. Zo werd Gerardus Bij het Partagetraktaat (1661) blijft Geleen onder Spaans
Koecken in 1772 als bouwmeester van Oud-Geleen aan- gezag
gesteld, terwijl Arnold van de Wall diezelfde functie voor Ofschoon de vrede van Münster - waarbij werd overeen-
Lutterade kreeg toegewezen. In de archieven worden bouw- gekomen dat de verdeling van de Landen van Overmaas
meesters in verband met reparaties van de dorpsput en van door een afzonderlijk verdrag zou worden geregeld - reeds in
wegen vermeld <LvO nrs. 1243 en 1281>. 1648 was gesloten, duurde het tot 1657 alvorens die ver-

220

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 221

deling ernstig in overweging werd genomen. Vooraf werd Plattegrond van het in 1659 door graaf Arnold V Wolfgang
bepaald, dat Maastricht aan de Staatsen zou komen en dat Huyn gebouwde prachtige huis te Aken, dat eerst ”das
het hele hertogdom Limburg aan de koning van Spanje zou Geleensche Haus” en later ”Prinzenhof” werd genoemd. De 10
blijven. Het ging dus om de verdeling van de overige m lange, naar het noorden [= rechts] gekeerde, ”Stirnseite” lag
drie Landen van Overmaas, nl. Dalhem, Valkenburg en in de Gengstraße [= Jesuitenstraße], terwijl de oostelijke
’s-Hertogenrade. Aanvankelijk wilden de Staatsen ook het ”Hauptfassade”, met een ingang en 18 à 19 vensters, 38 m lang
Land van Dalhem aan de Spaanse koning laten en de Landen was. Het als ”Hof” aangeduide westelijke [= boven] gedeelte
van Valkenburg en ’s-Hertogenrade geheel voor zich opeisen. van de plattegrond was de ”Wirtschaftshof” met de stallen,
Doch de katholieke adel en de hogere geestelijkheid van waarin plaats was voor 25 paarden. In dat huis overleden
die landen bleven bij de Spaanse gezant pleiten om hun genoemde graaf († 1668) en zijn schoonzoon Karel Theodoor
gebieden onder de koning te laten. In het najaar van 1657 Otto prins van Salm († 1710), en waarschijnlijk ook de
beloofde gravin Maria Huyn van Geleen aan die gezant douairière Marie Huyn († 1673). In de Franse tijd was er een
een karos met zes paarden en aan zijn secretaris duizend hospitaal gevestigd en nadien werd het gebouw als kazerne
patakons, indien zij het graafschap Geleen [in ruime zin] ingericht. In 1888-1891 werd ter plekke een ”Realgymnasium”
voor de koning zouden weten te behouden; in maart 1658 opgericht. De naam van het vroegere gebouw bleef nog lang
werd die belofte herhaald <Haas 1978, 172>. bewaard in die van het hotel-restaurant ”Prinzenhof” in de
Nadat Spanje het zojuist genoemde voorstel van de Staatsen (obere) Kleinmarchierstraße <ABeitr., 216-217 en afb. 25 . - AAK, 35>.
had afgeslagen, werd de versnippering van die drie Landen
van Overmaas ter tafel gebracht. Doch waar moesten de Jabeek en Merkelbeek, aan de koning te laten en het ooste-
scheidingslijnen worden getrokken? Op 8 februari 1658 stel- lijk deel, met inbegrip van Brunssum en Schinveld, over te
de de Spaanse gezant voor om de Valkenburgse hoofdbanken nemen. Tot zijn niet geringe verrassing werd dat voorstel
Meerssen en Beek - met uitzondering van het klooster St.- aanvaard. Omdat dit inhield, dat ook de abdij Kloosterrade
Gerlach en de kerspels Geleen en Spaubeek - aan de Staatsen [Rolduc] aan de Staatsen zou komen, was abt Lamberti zeer
te laten. Dat hield in, dat de beide laatstgenoemde plaatsen verbolgen op de graaf van Geleen <Rolduc, 127-128>. Intussen
tussen de ”Hollandse” plaatsen Beek en Schinnen zouden bleven die graaf en zijn echtgenote zich inspannen om ook
komen te liggen. Toen men het daarover niet eens kon Brunssum en Schinveld, die tot hun graafschap behoorden,
worden - omdat die ”helften” niet gelijk waren - stelde de voor de Spaanse koning te behouden <Haas 1978, 197-231>.
gezant op 4 en 8 april 1658 voor om Geleen en Spaubeek Op 26/27 december 1661 werd dan eindelijk het Partage-
eveneens aan de Staatsen af te staan. Maar deze eisten op 25 traktaat gesloten, waarbij het hele graafschap Geleen [in
april 1658 weer het hele Land van Valkenburg op, terwijl zij ruime zin] en de naburige plaatsen Schinnen, Nuth,
bereid waren Dalhem en ’s-Hertogenrade aan de koning te Hoensbroek en Wijnandsrade en ook Rolduc aan de Spaanse
laten. Daar dit voor de Spaanse zijde niet aanvaardbaar was koning bleven, maar waarbij o.a. Beek, Schimmert en
- omdat men een verbinding tussen het hertogdom Limburg Ulestraten aan de Staatsen werden afgestaan. In een aparte
en het Overkwartier van Gelder [met Roermond] zocht - clausule werd bepaald, dat ”den abtshoff van Godtsdael
ontstond er een vrij langdurige stagnatie in de onderhande- [= de hoeve Abshoven] tot Munster Geleijn [= Munster-
lingen <Haas 1978, 167-189>. geleen]” als een ”buitenleen” aan de koning van Spanje zou
Rond die tijd lieten de graaf en gravin van Geleen in de blijven. Met de ratificatie van dit verdrag door de Spaanse
Gängstraße [thans Jesuietenstraße] te Aken - ter plaatse van koning op 18 oktober 1662 was de verdeling een voldongen
de oude ”Amstenrather Hof” - een groot en prachtig huis feit <Haas 1978, 294-314>.
bouwen. Het ligt voor de hand dat zij daartoe vooral werden Toch bleek het nodig om in de zomer van 1663 te Aken een
gemotiveerd door hun vrees, dat hun beide kastelen van conferentie over het afhandelen van bepaalde aspecten te
Sint-Jansgeleen en Amstenrade binnen afzienbare tijd onder houden. Zo wensten de Staten-Generaal voor de onder hun
de controle van de Staatsen zouden komen. Dit gebouw jurisdictie ressorterende plaatsen de banplicht ten opzichte
werd eerst ”das Geleensche Haus” <ZAGV 1883, 66> en later van dwangmolens, die op ”Spaans” gebied lagen, af te schaffen.
”Prinzenhof” genoemd.
In hun voorstel van 29 juni 1660 waren de Spaanse auto-
riteiten nog steeds bereid om Geleen, Spaubeek, Beek en
Schinnen aan de Staatsen te laten. Doch bij hun tegen-
voorstel van 17 januari 1661 eisten deze laatsten andere
delen van het Land van Valkenburg op en waren zij wel
bereid om o.a. Amstenrade en Oirsbeek aan de koning te
laten. Maar dat voorstel vond de Spaanse gezant onaan-
vaardbaar. Op 2 maart 1661 gaf de gezant aan de Staatsen de
optie om het middenstuk van het Land van Valkenburg, met
Beek, Geleen, Spaubeek, Schinnen, Amstenrade, Oirsbeek,

221

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 222

Maar uit consideratie voor graaf Arnold V Wolfgang Huyn, van de grote hoeve van Lutterade en van een aantal tienden
aan wiens (Spaanse) banmolen te Sint-Jansgeleen ook het aan genoemd klooster toekwamen en gedeeltelijk tot onder-
Staatse Beek met zijn gehuchten banplichtig was, droeg de houd van de pastoor van Geleen werden aangewend, meenden
regering van Brussel aan de Spaanse gedeputeerden op, die de prior en de pastoor, dat die tienden ”exempt ende liber”
wens niet in te willigen <Smeets, 194>. van belastingen waren.
Daar Neerbeek half tot Beek en half tot Geleen behoorde, Doch de Geleners, die er anders over dachten, maakten te
kwamen sindsdien de aanduidingen ”Hollands-Neerbeek” Brussel een rechtsgeding aanhangig. Teneinde ”inconve-
en ”Spaans-Neerbeek” in gebruik. Ondanks de latere over- nienten te schouwen [= schuwen]” en kosten en ruzie te
gang van Spaans Valkenburg aan Oostenrijk (1713) en de vermijden, kwam de prior naar Geleen om daar - tezamen
inlijving bij ”Hollands” Limburg (1815 en 1839), bleef de met pastoor Wilhelmus Helcæus - op 3 november 1667
benaming ”Spaans-Neerbeek” tot in onze tijd gehandhaafd. met de plaatselijke autoriteiten overeen te komen, dat die
Thans is dit de naam van de hoofdstraat in de nieuwe woon- inkomsten voortaan ”ende ten eeuwigen daege”, juist zoals
buurt ter plaatse. alle andere goederen te Geleen, ”taxebaer” zouden zijn.
Merkwaardigerwijze schreef E. VAN NISPEN TOT SEVENAER Wel schonk men de pastoor en de prior alle ”achterstallige
in 1929/30: ”Uit de XVIIe eeuw bestaan nog de volgende bijdragen” in de belastingen kwijt, omdat hun tienden vele
door de Protestanten ingerichte kerkgebouwen: de Nederl. jaren lang door de Staatse rentmeesters waren aangeslagen.
Hervormde Kerk te Sittard (1637); die van Geleen (1661); Daar de pastoor dat verlies had trachten te compenseren
die van Vaals (1671), en die van Urmond (1685)” <OJ 1930, door o.a. hogere begrafeniskosten op te leggen, werd bij die
63>. In Geleen heeft echter vóór de twintigste eeuw geen overeenkomst van hem geëist die kosten tot het vroegere
protestantse kerk gestaan. niveau terug te brengen. Pas op 7 februari 1671 werd te
Brussel de officiële goedkeuring aan die overeenkomst
Sollicitatie door koster van Gulpen naar functie te Geleen gehecht <GAG nr. 4340. - Russel 1860, 114-118>.
(1662)
In 1662 solliciteerde Lens Botteliers, een geboren Lutte- De Fransen komen voor het eerst naar deze contreien
rader, die koster te Gulpen was, naar de gecombineerde (1666-1668)
betrekkingen van koster en onderwijzer te Geleen <LvO nr. Toen koning Filips IV van Spanje op 17 september 1665 was
1528>. Dit was ongetwijfeld een rechtstreeks gevolg van het overleden, meende koning Lodewijk XIV van Frankrijk dat
feit, dat Gulpen aan de Staatsen was gekomen. Het kosters- zijn vrouw Maria, een dochter uit het eerste huwelijk van de
ambt werd hem niet verleend, maar hij vestigde zich blijk- Spaanse monarch, bij de erfenis van de Spaanse troon voor-
baar wel als onderwijzer in Lutterade. [Zie ”Onderwijs door rang op Carlos, een zoon uit diens tweede huwelijk, zou
de koster en andere Geleners” onder 6 van dit hoofdstuk.] hebben. Daarom eiste hij in haar naam de Spaanse Neder-
landen op en stuurde hij een bezettingsleger van 50.000 man
Inkwartieringen van Spaanse en Lotharingse troepen daarheen. Van 1666 tot 1668 werden in het graafschap
(1663-1666) Geleen veel Franse militairen ingekwartierd, van wie de
De beslissing, dat Geleen en Spaubeek ”Spaans” zouden bevolking heel wat te lijden had. In dit verband mag niet
blijven, werd kort nadien benadrukt door een compagnie onvermeld blijven, dat in de zomer van 1667 ”des Preussen
Spaanse ”herkebussers” [= soldaten gewapend met z.g. haak- Salmsvolck was gelogeert tot Jaebeeck”. Waarschijnlijk was
bussen], die van begin december 1663 tot 15 januari 1664 dit een regiment onder het bevel van de prins Van Salm.
onder kapitein Don Gonzalo de la Guerra in Geleen werden Eind september kwam dat ”Salmsvolck” van Jabeek naar
gelegerd. Men wist die lastposten af te kopen <LvO nr. 1488>. In Geleen en omgeving <PSHAL 1928, 239>. In mei 1668 werd de
1666 kwamen de zo gevreesde ”Loraynsche” of Lotharingse vrede van Aken gesloten. De Spaanse gezant logeerde daar in
troepen zich hier legeren. Een tijdgenoot schreef, dat zij het prachtige huis van graaf Arnold V Wolfgang Huyn. [De
”hebben gevioleert [= geschonden] ende geplundert alwaer laatste stierf er op 10 september van dat jaar.] Bij die vrede-
sy zijn ghekomen”. De Geleners zagen zich dan ook sluiting werd niet alleen de door de Fransen opgelegde
gedwongen om die bandieten eveneens af te kopen; dat zij belasting erkend, maar werden de bewoners van deze streken
geen gering bedrag opeisten, blijkt uit het feit, dat alleen al bovendien gelast een groot deel van die belasting aanstonds
de halfer van de Biesenhof 117 gulden moest neertellen na het sluiten van de vrede te betalen <LvO nrs. 1493, 1494 en
1496>.
<Deductie, 75-76>.

Belastingproblemen met de priorij van Reichenstein Langdurig conflict met de landcommandeur van Alden
(1666/67) Biesen (1669-1687)
In 1666 ontstond er een geschil tussen de burgemeesters of Nadat de Fransen waren vertrokken, kwamen troepen van de
”bedesetters” van Geleen en de prior van het klooster nieuwe Spaanse koning naar Geleen. Zo lagen er in februari
Reichenstein bij Monschau (D.) wegens de bezittingen en 1669 ruiters van kapitein Don Francisco de Cordova. Die
inkomsten van dat klooster te Geleen. Omdat de inkomsten inkwartiering nam eigenlijk de plaats in van een koninklijke

222

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 223

Doch na het overlijden van de graaf bleken de drossaard en
de schepenen een ander ”gepeysen” te zijn toegedaan.
Toen de landcommandeur een notaris naar Geleen stuurde
om bij de pachter van de Biesenhof nadere informatie over
de situatie in te winnen, werd dit contact door de drossaard
belet, omdat die notaris te Geleen geen bevoegdheid had.
Ondanks de ”interdictie” [= verbod], die de landcomman-
deur tegen hen had gevraagd en blijkbaar had verkregen,
besloten de Geleense autoriteiten om daarna nogmaals
Spaanse soldaten op de Biesenhof onder te brengen. Wellicht
waren dit de drie ruiters uit de compagnie van markies de
Villamayor, die op 16 oktober 1669 voor vier weken naar
Geleen kwamen. Op 7 juli 1670 diende de landcomman-
deur andermaal een protest in tegen die ”nieuwicheijt te
voorens noijnt geplogen [= gepleegd] in het logeren van
soldaeten ten laste van sijne pachters”.

De Biesenhof op 23 mei 1958 vanuit het noordoosten gezien.
Op de voorgrond passeert de weg van Geleen (rechtsboven) naar
Sweikhuizen (linksonder) over de Geleenbeek <Foto KLM Aerocarto
N.V., Den Haag>.

De eerste pagina van het 90 pagina’s tellende protest tegen de Daarna bleef de omstreden belastingvrijheid van de Duitse
overheid en de inwoners van Geleen, dat Edmond Godfried van Orde en haar bezittingen de gemoederen nog tien jaren lang
Bocholtz, landcommandeur te Alden Biesen, (na 20 februari bezighouden zonder dat een der partijen bereid bleek toe te
1682) liet drukken <NRhWdD, Mergentheimer Abgabe, Abt. III, nr. 139>. geven. De taxatie van goederen van de Duitse Orde, waar-
voor de Geleners de goedkeuring van de Raad van Brabant
belasting. Kennelijk door het succesvolle opleggen van lasten hadden gevraagd, werd hun op 14 maart 1679 ”maer
aan de [aan het klooster van Reichenstein toebehorende] provisionelyck gepermitteert” om de eerder door de Fransen
grote hoeve van Lutterade aangemoedigd, besloten de opgelegde belasting af te betalen. Hun optreden was echter
drossaard en schepenen van Geleen om Spaanse troepen op niet van louter lokale aard, want de zo zwaar belaste
de [aan de Duitse Orde toebehorende] Biesenhof te legeren. ingezetenen van Spaans Valkenburg maakten te Brussel een
Omdat de Duitse Orde een geestelijke orde was, had men proces tegen de vermeende belastingvrijheid van diverse
haar bezittingen tot dan toe ontzien. Reeds een tiental jaren Limburgse adellijken en geestelijken aanhangig. Daarbij
vroeger had graaf Arnold V Wolfgang Huyn de schepenen werden ook de eigendommen van de gravin van Geleen en
van Geleen ontboden om hierover meer klaarheid te krijgen. van de prins Van Salm - als voogd van de jonge prinses -
Toen hadden dezen verklaard ”niet te hebben getaxeert vermeld. Aan de zijde van de ”gewone man” stond de te
desselfs Duyts Oirdens Goederen, noch te hebben gehadt de Brussel wonende advocaat Gonzales van den Stock, zoon van
minste gepeysen [= voornemen] van sulcx te doen, maer dat de Geleense drossaard Jan van den Stock.
sy alleenelyck desselfs Pachters, ten regarde van hunne De landcommandeur van Alden Biesen beschouwde die
eygene ende propre Goederen, hadden getaxeert gehadt”. ”molestatien [= lastig vallen] ende turbatien [= verstoringen]”
als ”eene puyre nieuwicheydt”, die de Geleense autoriteiten

223

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 224

”uyt hunne privée authoriteyt” hadden ingevoerd. Hij om op 5 september 1687 aan de Raad van Brabant te laten
brandmerkte hun houding dan ook als ”stout ende outrecui- weten, dat ”die van Geleen moegen voortfaeren totte
dant [= aanmatigend]”, en dit des te meer, omdat de op de executie van de sententien door hun verworven”, d.w.z. zij
Biesenhof gelegerde militairen in dienst van de koning van mochten de rechten, die ze bij de uitspraak in hun voordeel
Spanje waren. Welnu, de Spaanse koningen hadden de hadden verkregen, doen gelden <Slanghen 1859, 116>.
Duitse Orde van dergelijke lasten vrijgesteld <Slanghen 1859, Rond 20 september 1687 arriveerde advocaat Gonzales van
110-124 en 315-319>. den Stock uit Brussel te Geleen. Reeds de volgende zondag
liet hij in de kerk bekendmaken, dat ”de Gemeynte soude
De Biesenhof vanuit het westen gezien. Rechtsboven het hebben het process tegen Mijnheere den Landtcommandeur
Stammenderbos <Foto J.H. Bronneberg, Spaubeek>. absolutelyck gewonnen, in voeghen dat sijne pachters
t’sedert den dach van ’t vuytgesproken vonnisse definitief, te
Het motief voor die vrijstelling was, dat de leden van de weten van den 24 Mert 1685, alle publycke lasten moeten
Duitse Orde geen andere vijand hadden ”als den grooten betaelen van de Duitse Ordens goederen”. De landcomman-
Turck [= de Turkse legers, die Zuidoost-Europa waren deur kreeg dit al spoedig te horen en liet op 27 september
binnengevallen en Oostenrijk bedreigden], den welcken sy 1687 de pachters van de hoeven Kleine Biessen en Stucken
altoos met goet ende bloedt moesten resisteren”. Daarom door zijn rentmeester ”expresselyck” waarschuwen ”hun
moesten zij doorgaans in de ”publiecke lasten” van het daerdoor niet te laaten abuseren [= misbruiken], noch eenige
Duitse Rijk bijdragen. Bovendien had de grootmeester van de minste betaalinge sonder expresse permissie” van de land-
de Duitse Orde elders gelden moeten lenen om de ”weder- commandeur te doen. Indien zij mochten worden aan-
stant vanden grooten Turck, en algemeynen Vyandt” voort te geslagen, zouden zij dit terstond aan zijn rentmeester dienen
zetten en had hij die schulden op de diverse onder hem te melden; deze zou hen dan ”buyten alle molestatien”
staande commanderijen afgewenteld. stellen. Maar als zij zonder ”permissie” iets zouden betalen,
Het proces tegen de vrijstelling van adellijke en/of geestelijke zouden zij dat niet vergoed krijgen. Jaspar Dullens, pachter
goederen in Spaans Valkenburg werd in 1683 bij de Raad van de Biesenhof, bleek echt tussen twee vuren te zitten,
van Brabant te Brussel opnieuw aanhangig gemaakt. Toen want op 20 oktober 1687 moest hij niet minder dan 800
verklaarden de schepenen en burgemeesters van Geleen, dat gulden ”in baar geld” van advocaat Gonzales van den Stock
de Duitse Orde en de prinses Van Salm onder de heerlijk- lenen.
heid Geleen respectievelijk 95 en 64 bunder bezaten, Doch daarmee was dit proces nog niet ten einde. Er zou zelfs
waarvoor zij niet in de belastingen bijdroegen. Volgens de nog in 1694 worden geprocedeerd, omdat de landcomman-
landcommandeur hadden de Geleners ”die Regeerders ende deur zich op de bevoorrechte positie van zijn orde bleef
gemeyne Ingesetenen van Schinnen, Spaubeek ende Raet, beroepen <LvO nrs. 1303, 1493 en 1496. - Deductie 1-90. - Msg 1951, 42>.
Amby, Meerssen, Beeck, Geul, ende Schimmert opgesteuckt
[= opgestookt]” om dat proces aanhangig te maken. Toch De Fransen komen weer (1672-1678)
werden de Geleners op 24 maart 1685 in het gelijk gesteld. De in 1668 te Aken gesloten vrede was niet van lange duur.
Door dit succes aangemoedigd gingen zij nog een stap verder Nadat koning Lodewijk XIV van Frankrijk op 7 april 1672
en slaagden zij erin van het Spaans leenhof van Valkenburg aan de Staten-Generaal de oorlog had verklaard, trok hij
de machtiging te verkrijgen om goederen van de Duitse door deze streken om bij Lobith de Rijn over te steken. Toen
Orde wegens wanbetaling in beslag te nemen. Ofschoon de de aanval op de Republiek mislukt was, begon hij meer
landcommandeur die machtiging op 5 mei 1687 door de aandacht aan de zuidelijker gelegen gebieden te schenken. In
gouverneur van de Spaanse Nederlanden deed opschorten, juni 1673 werd Maastricht veroverd. Daarbij geraakte prins
liet diezelfde gouverneur zich door de Geleners overreden Karel Theodoor Otto van Salm in krijgsgevangenschap; hij
werd echter spoedig weer vrijgelaten.
Op 22 oktober 1673 kregen alle inwoners van de dorpen
afhangende van ”sa Majesté catholique” [= Lodewijk XIV]
bevel om naar Maastricht te komen en er over hun ”contri-
butie” te onderhandelen. Aan de Geleners werd een belasting
van 648 gulden en 2594 rations [ieder ration bestaande uit
20 pond hooi, 5 pond stro en 3 porties haver] voor drie
maanden opgelegd. Dergelijke aanslagen zouden tot 1678
blijven voortduren.
Op 8 januari 1674 werd het kasteel van Sint-Jansgeleen door
Franse soldaten van het bezettingsleger uit Maastricht
geplunderd. Omdat inwoners van Spaubeek daar goederen
hadden opgeslagen, was dit ook voor hen een ramp. De
schade aan geld, paarden en roerend goed bedroeg 2000

224

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 225

patakons. Enige dagen later keerden die troepen terug om
het dorp en de kerk van Oud-Geleen te plunderen. Maar de
Geleners waren op hun hoede geweest; bijgevolg bleef de
schade tot ongeveer 1000 patakons beperkt. Desondanks
bleven de Fransen belastingen en leveringen eisen; zo
moesten de Geleners op 14 januari 1674 een belasting van
2024 gulden opbrengen.

Dreigschrift van de Fransman Dumouceau dd. 26 februari
1674 aan de Geleners, waarin hij hun strenge straffen in het
vooruitzicht stelt, als zij binnen vier dagen niet de gevraagde
eiken, olmen en ander hout naar Maastricht zullen brengen
<PAG>.

Oproep van de Fransman Dumouceau dd. 15 februari 1674 werken tot het fort Navagne geheel en al zou zijn af-
aan de Geleners om negen, met paarden bespannen, karren gebroken.
naar het bos van St.-Gerlach te Houthem te sturen teneinde Op 26 februari 1675 kwam het bevel om de te Geleen
eiken naar Maastricht te transporteren <PAG>. staande olmen te kappen en naar Maastricht te brengen.
Destijds stonden niet alleen olmen in weiden en op erven,
Op 15 februari 1674 werd aan de Geleners bevolen om maar waren ook bomen van die soort langs straten en wegen
negen karren vol eikenstammen van het bos van Sint- geplant. Op 15 april 1675 werden 719 gulden belasting voor
Gerlach bij Houthem naar Maastricht te vervoeren, waar ze drie maanden gevorderd. Die vordering ging met een
per kar zouden worden betaald. Dit ging vergezeld van de dreigement tot plundering gepaard, indien ze niet volledig
waarschuwing om de boomstammen niet ter plekke in zou worden voldaan. Op 10 juni 1675 moesten de Geleners
stukken te zagen of de takken mee te nemen en ze onderweg niet minder dan 28 koeien leveren. Ondanks de leveringen
of in Maastricht te verkopen. Wie zich daaraan mocht hadden toch plunderingen plaats; zo klaagde Jan Bollen op
schuldig maken, zou een boete van 50 francs oplopen; de 15 juni 1675, dat hij bij een inval in zijn huis te Beekhoven
aanbrenger zou als beloning eenderde daarvan ontvangen. door een groep Fransen vijftien patakons was kwijtgeraakt
De Geleners schijnen zich niet aan die oproep te hebben <LvO nrs. 1351, 1459, 1460,1462, 1494-1496>.
gestoord, want elf dagen later werd hun een ultimatum
gestuurd om binnen vier dagen het geëiste transport van Sittard grotendeels verwoest (1676/77)
eiken, olmen en ander hout, die ter versterking van de Ter versteviging van zijn militaire positie beval de Franse
vestingwerken van Maastricht moesten dienen, uit te voeren; koning om een aantal kleinere vestingen neer te halen. Op
bij weigering zouden zij volgens de strenge wetten van de 17 april 1676 kwamen duizenden Fransen te voet en te
oorlog worden gestraft. paard uit Maastricht door de Graetheide naar Sittard. Toen
Tussen 4 maart 1674 en 11 maart 1675 kregen zij nog landmeter Jan Bollen de oude, die in de Boore cuyl
minstens 34 oproepen om met paard en kar naar Maastricht, [= Borrekuil] bezig was met meten, die troepen zag naderen,
Sittard, Borgharen en de bossen van Beek, Valkenburg, maakte hij zich meteen uit de voeten. Nadat zij het stadje
Elsloo, Geulle en Bunde te gaan foerageren. Soms werden drie dagen lang hadden geplunderd en van zijn vesting-
zes karren gerequireerd, een andere keer 25 of 30 karren en werken hadden ontdaan, dwongen de Fransen de Geleners
verschillende keren al de karren, die zij met een paard om hun buit naar Maastricht te vervoeren. Twee dagen later
konden bespannen. Op 2 juli 1674 werden 40 man uit kwamen zij terug om Sittard andermaal te plunderen.
Geleen opgeroepen om zolang naar Visé (B.) te komen Hoe verwarrend de situatie toen was, blijkt wel uit het feit,
dat op 15 juni 1677 weer een afdeling Spanjaarden te Geleen
kwam opdagen. Doch die bleven niet lang, want op 24 juni

225

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 226

van Abshoven leden in die jaren ”groeten schaede ende
krieghsverderff... door exactie [= afpersingen] der fransoijsen”
<Abshoven, 26>.

Dodelijke epidemieën (1676)
De troepen die van 5 juli tot 27 augustus 1676 het door de
Fransen bezette Maastricht tevergeefs belegerden, brachten
de zo gevreesde ”buyckloop”, ”rode loop” [wegens de bloedige
uitwerpselen] of ”soldatenziekte” [= bacillaire dysenterie]
mee, waardoor praktisch de gehele huidige Nederlandse
provincie Limburg van mei 1676 tot april 1677 - met als
hoogtepunt de maanden augustus, september en oktober -
werd getroffen. In die periode stierven te Sittard 212
personen, d.w.z. bijna 10% van de bevolking. In Munster-
geleen was het aantal doden 42, van wie de helft in septem-
ber overleed; in Spaubeek 38, van wie 15 in augustus en 14
in september; in Beek 66, van wie 16 in augustus en 28 in
september <Msg 1986, 109-110>. Van eind augustus tot eind
december 1676 stierven in Geleen ongeveer 80 personen,
onder wie de schepenen Jan Custers en Jan Penris, aan
dysenterie. In de meeste gevallen werd de doodsoorzaak in
het overlijdensregister vermeld.

Portret van de jeugdige prins Karel Theodoor Otto van Salm Slag tussen Duitse en Franse troepen op de Welschenheuvel
(1645-1710) als veldheer circa 1680; in 1682 werd hij tot (19/20 juli 1678)
”Feldmarschalleutnant” en in 1687 tot ”Feldmarschall” in Op 26 juni 1678 kwamen de Duitse generaals Spaen,
dienst van de keizer van Oostenrijk bevorderd <Door Anton Schellaert en Schavet met hun troepen ten getale van 20.000
Schoonjans, S.D. Fürst zu Salm-Salm, D-4292 Rhede>. man zich - volgens landmeter Jan Bollen de oude - ”int
Gasthuysvelt van ’t Gasthuys valderen aen tot achter Poull
1677 passeerden er weer Franse troepen. Teneinde aan de Keulen tot Nierbeeck en door ganse Daellervelt [ten oosten
opgelegde belastingen te kunnen voldoen, zag Geleen zich van Krawinkel], in den baemt [te Beekhoven], op den Vey”
op 16 juli 1677 gedwongen om 400 rijksdaalders van de legeren en ”haddent gans slecht int velt gemaeckt”. Na op 1
Heer van Limbricht te lenen. Dat bedrag werd reeds op 22 juli te zijn opgebroken, bleven zij in de naaste omgeving en
april 1682 terugbetaald <LvO nr. 1490>. In juli, augustus en kregen zij nog versterkingen.
september 1677 trokken nogmaals Fransen door Geleen, die Op 19 en 20 juli geraakten die Duitse troepen op de
het vooral op Sittard hadden gemunt. Op 22 augustus en Welschenheuvel [thans de Heksenberg ten noordwesten van
2 september staken zij dat stadje zelfs in brand <Russel, 1863 Lindenheuvel] in de Graetheide slaags met uit Maastricht
(Sittard), 14>. Ook de Munstergeleners en vooral de bewoners naar Urmond opgerukte Franse troepen. Nadat deze laatsten
- eveneens volgens het getuigenis van genoemde landmeter -
”lustig met canon daeronder gespeelt” hadden, moesten de
Duitsers de aftocht blazen. In datzelfde jaar (1678) werd de
vrede van Nijmegen gesloten en vertrokken de Fransen uit
deze streken. Toch zouden de Geleners hen niet spoedig
vergeten, want wegens hun hoge eisen lieten de Fransen hen
met een flinke schuldenlast zitten.

Handtekening en zegel van ”Carl Diederich Otto” prins van Salm onder een op 10 mei 1677 op het kasteel te Amstenrade
uitgevaardigd document <AKA, Foto W. Storcken>.

226

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 227

Spaanse troepen, gevaren, moord en zware financiële lasten niet onbelangrijke huisnijverheid beoefend; zo vond men er
(1677-1688) tien ”brouwerickens” en tien brandewijnketels en woonden
De door de Fransen veroorzaakte lasten werden nog er niet minder dan vijftig ”soo smeden als slootmaeckers
verzwaard door het verblijf en het optreden van de mili- [= slotenmakers]”. Verder waren er drie kleine winkels, waar
tairen, die hun plaatsen kwamen innemen. Niet alleen eisten men zout, ”smaut” [= olie] en andere ”geringe” waren kon
de Spaanse troepen vrachten en leveringen <LvO nrs. 1494 en kopen <Msg 1951, 42>.
1496>, maar ook bedreigden zij soms de bevolking. Het werd
zo bont, dat de prins Van Salm, die toen op het kasteel van De Fransen komen andermaal (1688-1697)
Amstenrade verbleef, op 4 mei 1680 aan alle inwoners van Na tien jaren van betrekkelijke rust brak in 1688 de Negen-
het graafschap Geleen bevel gaf om zich te voorzien van een jarige Oorlog uit. Koning Lodewijk XIV van Frankrijk, die
”goedt geweer, van een roer ende anderzins van hun daer- niet wilde afzien van zijn plannen om de Spaanse Neder-
mede te defenderen in tijdt van noode” <AKA>. landen te veroveren, verklaarde andermaal de oorlog aan
De heetgebakerde Spanjaard kapitein Domingo d’Aumourin Spanje en zijn bondgenoten. De Duitse keizer trachtte hij
y de Perere, die met Cornelia Eugenia Waterschap, dochter o.a. door brandschattingen af te schrikken. Op 31 mei 1689
van advocaat Cornelis Waterschap van Ten Dijken onder leenden de inwoners van Munstergeleen, dat tot het Duitse
Spaubeek was gehuwd, verwondde op 26 april 1680 zijn Gulik behoorde, 600 rijksdaalders van de pastoor van
schoonmoeder zo zwaar, dat zij op 1 mei 1680 overleed. Op Geleen om die ramp af te wenden.
2 mei 1680 vaardigde de prins Van Salm het bevel tot zijn Toen de krijgskansen echter keerden, kwamen Duitse
arrestatie uit. Aangezien de dader niet aanstonds gevat kon troepen de Fransen vervangen. Maar sommigen van hen
worden, werd het arrestatiebevel op 8 mei 1680 ”ten over- gedroegen zich als vijandelijke troepen, zoals blijkt uit de
staen van de Justitie ende menichte van nabuiren gepubli- lijst van het hoornvee uit Krawinkel en Neerbeek, dat op 26
ceert... binnen den dorpe van Geleen, op de gemeine straete augustus 1690 op de Graetheide door Hessische soldaten in
voor de poorte van de weduwe Gielis Custers”. beslag werd genomen en naar Obbicht werd gevoerd <LvO nr.
Toch is de vluchteling niet lang daarna teruggekeerd, want 1487>.
op 13 juli 1682 is kapitein Domingo d’Aumourin y de Van 17 november tot 15 december 1690 lagen hier 25
Perere op Ten Dijken overleden. Hij liet een 18-jarige dragonders met drie officieren uit het regiment Loonsveldt
weduwe en een zoontje, genaamd Frans, na <Becha 1987, 37-39>. in kwartier. Op 1 januari 1691 kwamen 55 dragonders met
Maar ook andere Geleners kwamen in het gedrang te zitten. drie officieren uit het Ansbachsregiment zich te Geleen
Onder 14 januari 1684 staat een uitgave genoteerd om ”de legeren. Toen zij op 31 mei 1691 vertrokken, moesten
gedeputeerde deser Heerlykheyt”, die te Maastricht gevangen- de Geleners hen voor acht dagen fourage meegeven.
zaten, te ”verlossen” <LvO nr. 1338>. Een nadere toelichting ’s Anderendaags, op 1 juni 1691, kwamen Brandenburgse
ontbreekt hierbij, maar omdat Maastricht toen in handen troepen onder het bevel van generaal Spaen, ”bij haer
van de Staten-Generaal was, kan men daarin misschien een hebbende eene groote bagagie van vrouwen, knechten,
historische context zien. peerden enz. alle tesamen ongeveer 350 personen”; zij bleven
Wegens al die uitgaven zagen de Geleense autoriteiten zich acht dagen. Ook een majoor ”van de Barbusche” verbleef
gedwongen geld te lenen. Zo moest drossaard Van den Stock drie dagen te Geleen. Op 15 juni kwamen een kapitein, een
op 16 september 1683 namens het graafschap 3.363 gulden luitenant, vier sergeanten, vier korporaals en 120 soldaten
lenen om de door de Fransen veroorzaakte schulden te van die majoor voor achttien dagen te Geleen hun intrek
dekken. De door de Geleners tussen 19 maart 1677 en 1 nemen. Op 22 november 1691 kwam het regiment van
april 1688 aangegane diverse geldleningen kwamen tot een Pelnits naar Geleen en bleef er tot 31 mei 1692. De overste
totaalbedrag van 17.900 gulden tegen een rente van 61/4 %. logeerde in het huis van juffrouw Van den Stock, het latere
Die last zou nog generaties lang op de Geleners blijven huis Hoofs in de Dorpstraat [Marcellienstraat]. Zij had wel
drukken. Bijna een eeuw later, nl. in 1763, bleek die schuld bijzonder veel last van die ongenode kostgangers, want bijna
nog slechts tot 9.189 gulden gereduceerd te zijn. Wel was steeds werd haar huis door de burgemeester aan de voor-
men er intussen in geslaagd om de interest nagenoeg te naamste ”gasten” als logies toegewezen. Ook gedurende de
halveren <LvO nrs. 1315 en 1338>. volgende jaren bleven de inkwartieringen en gedwongen
leveringen voortduren <LvO nrs. 1489, 1493-1495>.
Statistiek van circa 1688
In verband met het eerder genoemde proces tegen de Duitse Daging wegens weigering van ”roukhoen” aan prinses
Orde (1669-1687) stelden de autoriteiten van Geleen circa (1695)
1688 een overzicht van de plaatselijke situatie op. Het is Iedere bezitter van een huis met schoorsteen in het graaf-
echter niet duidelijk of die statistiek uitsluitend op het schap Geleen moest elk jaar - uiterlijk tegen Sint-Andries
kerspel Geleen dan wel op de hele heerlijkheid Geleen [met [= 30 november] - ofwel een ”roukhoen” leveren ofwel de
inbegrip van Spaubeek] betrekking had. Er werd o.a. tegenwaarde in geld betalen. Volgens pastoor Leurs waren er
vermeld, dat er 300 huizen lagen. In vele van deze werd een dat 200, waarvan er bijna 100 aan de pastoor en ruim 100

227

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 228

De vrede van Rijswijk en nieuwe kerkklokken (1697/98)
Op 9 november 1697 liet drossaard G. Duycker bekend-
maken, dat de koning van Spanje de vrede van Rijswijk had
”geratificeerd” en dat derhalve alle ”acten van hostiliteyt”
ophielden. Bijgevolg was het verbod om paarden en graan-
gewassen uit te voeren niet langer van kracht. Ter viering van
die gunstige wending verzocht hij de pastoor om na de mis
een dankgebed te zeggen of het Te Deum Laudamus te
zingen.
Men kon toen blijkbaar de vreugde over het einde van de
oorlog niet door gelui of gebeier uit de toren uiten, want de
klokken waren door de Fransen geroofd. Volgens pastoor
Leurs had op de grootste geroofde klok de volgende tekst
gestaan: O Virgo Patrona nos et nostra omnia pacifice
defendendo veni. A et Ω, d.w.z. ”O Maagd (en) Patrones kom
ons en al het onze vredevol beschermen. Alpha en Omega
[= begin en einde]”. Op 14 en 15 april 1698 werden te
Geleen nieuwe klokken gegoten.

Bouw van de Kluis van Krawinkel (1699)
In de plaatselijke archieven lezen wij, dat prinses Maria-
Dorothea von Dietrichstein-van Salm vlak bij een vijfsprong
tussen Oud-Geleen en Neerbeek een gebouw liet optrekken,
waarvan de kapel aan de H. Lazarus was toegewijd. En uit de

Grafsteen uit 1693/94 op het kerkhof te Oud-Geleen. Dit is de
enige grafsteen van vóór de Franse tijd, die ter plekke bewaard
bleef. Claes Haemers en Anna Beckers waren op 27 juni 1684
getrouwd en overleden beiden te Daniken op dezelfde dag.
Volgens het sterfteregister was hun datum van overlijden echter
niet 17 juli 1693, zoals hun grafsteen vermeldt, doch 3
augustus 1694. Zij lieten vier jonge kinderen na <Foto M. Verjans,
1950>.

aan de graaf of gravin verschuldigd waren. Deze laatste liet
dat ”roukhoen” steeds door de rentmeester ophalen of innen.
Op 3 februari 1695 liet de prins Von Dietrichstein - in naam
van zijn echtgenote - een inwoner van Geleen dagen, omdat
hij hardnekkig weigerde zijn ”roukhoen” te leveren. Het
prinselijk paar zal kort daarna op het kasteel van Sint-
Jansgeleen wel van een extra kippenboutje hebben gesmuld

<LimDag 29-3-1961>.

Bevel tot verwijderen van goederen uit de kerk (1696) Leopold-Ignatius Fürst von Dietrichstein (1660-1708) in het
Ofschoon er nog geen vrede heerste, verklaarde drossaard ordegewaad en met de keten van het Gulden Vlies <Litho door
G. Duycker op 7 januari 1696, dat ”tegenwordig geen gevaer
van oirlogh is om geplundert te worden”. Daarom gaf hij Robert Theer naar een schilderij door Karl Agricola - Österreichische
’s anderendaags bevel om de kisten met goederen, die door
de Geleners uit veiligheidsoverwegingen in de kerk waren Nationalbibliothek, Wenen>.
opgeslagen, maar die de ”passagie in de kercke tot aen den
koer toe” verhinderden, binnen acht dagen naar hun huizen
terug te halen. De kisten, die na het verstrijken van die
termijn niet zouden zijn weggehaald, zouden op kosten van
de eigenaars uit de kerk worden verwijderd <LvO nr. 1243>.

228

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 229

stond. Daar enige jaren later zal worden gezegd, dat
kluizenaars in de door de prinses gebouwde kapel woonden,
valt er niet aan te twijfelen, dat die eerste kluizenaar(s) van
1722 in het in 1699 opgetrokken gebouw - met een kapel en
een of meer vertrekken - heeft (hebben) verbleven.
Zowel op grond van het bovenstaande alsook wegens het
ontbreken van een plausibel alternatief mag m.i. met een
zekere graad van waarschijnlijkheid worden aangenomen,
dat dit gebouw oorspronkelijk als een soort ”ziekenhuis” of
quarantaine bedoeld was. Zonder rechtstreekse bewijzen kan
dit evenwel niet als een ”historisch” feit worden gepresen-
teerd <Kluis, 14-34. - ChrKon, 138-142>. [Zie ook deel II, hoofdstuk
X.]

De Kluis van Krawinkel vanuit het noordwesten gezien. De ankertjes boven de oostelijke ingang van de Kluis dragen het
Eertijds liep de weg van Oud-Geleen naar Neerbeek ten westen jaartal 1699 <Foto L. Eussen>.
van de Kluis <Linosnede door Jacob van Hoof naar een tekening door P. A.
Schols>. Franse koning blijft belust op de Zuidelijke Nederlanden
(1700-1701)
ankertjes boven de oostelijke ingang tot dat gebouw blijkt, Nadat koning Karel II van Spanje in 1700 was overleden,
dat dit in 1699 gebeurde. Al staan ons over de aanvankelijke eisten zowel Lodewijk XIV van Frankrijk als de Duitse keizer
structuur geen rechtstreekse gegevens ter beschikking, toch de Spaanse kroon op. De Franse koning liet alvast een deel
kan op grond van andere informaties worden aangenomen, van de Spaanse Nederlanden bezetten. Maar in onze streken
dat het torentje en het zuidelijke derde deel van het huidige traden aanvankelijk vooral troepen van de keizer op. Op 23
gebouw geen originele onderdelen waren. maart 1701 dwongen een majoor en ongeveer 1000
Hier dringt zich onmiddellijk de vraag op naar de manschappen, die van Roermond naar het stadje Limburg
oorspronkelijke functie van dat gebouw. Door de ligging aan [= Limbourg bij Verviers, B.] onderweg waren, de Geleners
de openbare weg en het aanvankelijk ontbreken van een om hun 36 met twee paarden bespannen karren en 30 ”ledige”
tuin, kan men een hermitage of kluis uitsluiten. De [= losse] paarden voor een dag mee te geven. Daarnaast
stichteres heeft ongetwijfeld het welzijn van haar onder- moesten Geleners als ”pioniers” of ”botters” naar de vesting
danen op het oog gehad, en de keuze van de H. Lazarus heeft Limburg hand- en spandiensten gaan verrichten. In juni
hoogstwaarschijnlijk met de oorspronkelijke functie van dat werden er eerst 21 en daarna nog eens veertien opgeroepen.
gebouw in verband gestaan. Daar deze heilige tegen Bovendien moest stro en hooi voor ”de trouppen van sijne
besmettelijke ziekten en vooral tegen melaatsheid werd Majesteijt [de keizer] tot Limburg” worden geleverd. Toen
aangeroepen, ligt een functie in die zin voor de hand. Ook de Geleners niet genoeg hooi bleken te hebben, verzochten
de centrale en toch ver van elke woning verwijderde ligging zij hun buren in Spaubeek - die over meer beemden, d.w.z.
kan als een factor ten gunste van die zienswijze worden hooiland, beschikten - om hun een deel van hun hooi te
beschouwd. verkopen. Maar op 25 augustus 1701 klaagden de burge-
Verder werd in 1722 vermeld, dat in Krawinkel een domus meesters van Geleen, dat de Spaubeekenaren dit hadden
[= woning] voor kluizenaars met een oratorium [= bidkapel] geweigerd. Daarom werd door de drossaard aan de burge-

229

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 230

meesters en inwoners van Spaubeek bevolen om - ”op pene
[= straf] van vijf en twintigh gout gulden” - aan de Geleners
”te vercoopen soo veel hoij als tot de voorss. ratione noodigh
is, mits het selve betaelende”. Mochten zij daartoe niet goed-
schiks bereid zijn, dan zou hij de gerechtsbode gelasten om,
met de nodige assistentie, ”het voorss: hoij vuijt te haele(n),
alwaer het selve vindbaer is”.
Ook in het najaar van 1701 werden Geleners als ”botters”
naar de vesting Limburg gestuurd. Op 12 en 20 oktober
1701 vertrokken telkens ploegen van elf mannen, die ieder
tien dagen van huis bleven. Op 28 oktober volgden er nog
vijf en op 6, 14, 22 en 30 november werden er telkens tien
gestuurd. Tot halverwege december van dat jaar bleven de
Geleners aan die dienst onderhevig. Ook werden vrachten
naar Namen geëist <LvO nrs. 1240, 1473 en 1494>. Toen koning
Lodewijk XIV weigerde de Spaanse Nederlanden te ont-
ruimen, brak de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) uit.

Negen vrijwilligers en een paar weigerachtige ”rekruten” Portret van prins Karel Theodoor Otto van Salm (1645-1710)
(1702) in 1709. Naar de mode van die tijd draagt hij een pruik; ook
Teneinde de plannen van de Franse koning te verijdelen besloot is hij met de keten van het Gulden Vlies gesierd <Onbekende schilder,
de Spaanse regering te Brussel om 10.000 manschappen uit S.D. Fürst zu Salm-Salm, D-4292 Rhede>.
haar gebieden te werven. De drossaard haastte zich het requi-
sitiebevel van 8 januari 1702 uit te voeren en riep de jonge- van september een jaargetijde voor het slachtoffer. In
mannen van Geleen op om op 7 en 8 februari 1702 op appèl september 1702 lagen 40.000 Engelse ruiters in Spaans
te verschijnen. Hij hoopte, dat zich genoeg vrijwilligers Valkenburg, o.a. ook te Geleen, waar ze aan de arme land-
zouden aanbieden om het opgelegde quotum te bereiken; als lieden niets lieten. Met uitzondering van de kerk van Nuth,
het aantal vrijwilligers niet toereikend mocht zijn, zouden de werden alle kerken, waar goederen lagen opgeslagen, open-
vacante plaatsen door loting worden ingevuld. Toen hij gebroken <PSHAL 1880, 117>.
echter vernam, dat Willem Maes en Jan Geurts tegen die De andere bondgenoten gedroegen zich soms niet veel beter.
oproep ”seer insolentelyck [= brutaal] hebben gesproeken Zo verklaarde Jaspar Dullens, pachter op de grote hoeve van
ende seditieuselyck [= opstandig] gehandelt”, liet de veront- Lutterade, dat hij in september 1702, door het optreden van
waardigde drossaard hen ”anderen ten exempel” straffen; de Duitse en andere troepen, die onder het commando van
juiste aard van die straffen is echter niet bekend. Tevens majoor Keller van gene zijde van de Maas waren gekomen
stelde de drossaard een bepaald bedrag vast, dat ”de jonck- - op een paar malder rogge en tarwe na - ”alle sijne winter
mans moesten contribueeren aen degene dewelcke hun ende somervruchten [= granen] van ’t voorgaende jaar 1702
voluntairlick [= vrijwillig] hebben geengageert”. Uit de heer- gewassen... is quijt gheworden”.
lijkheid Geleen meldden zich negen ”jonckmans” als vrij- Terwijl haar onderdanen aldus aan de willekeur van vreemd
willigers, onder wie twee uit Spaubeek. De betaling van die krijgsvolk waren blootgesteld, wist de gravin van Geleen een
vrijwilligers, die aanvankelijk over de andere jongemannen sauvegarde [= vrijstelling van plundering] voor haar goede-
- die zich niet hadden aangeboden - was verdeeld, werd in ren in de gebieden van Overmaas, Gulik en Gelder te ver-
1715 aan deze laatsten teruggeven en over alle inwoners van krijgen. De drossaard wist zich eveneens een sauvegarde voor
de heerlijkheid omgeslagen <LvO nrs. 1393 en 1622>. zijn te Raath [Bingelrade] gelegen eigendommen te
verschaffen <LvO nrs. 1224 en 1245>.
De nadelige gevolgen van de Spaanse Successieoorlog voor Ook deze keer brachten de vreemde troepen besmettelijke
de Geleners (1701-1713) ziekten mee. Van 14 september 1702 tot 2 maart 1703
In 1702 waren de troepen die door Geleen trokken meestal
in dienst van de Staatsen, die aan de zijde van de keizer
streden; soms passeerden er Duitse troepen. Ook Engeland
koos de zijde van de keizer en zond troepen onder
Marlborough, voorvader van Winston Churchill, naar het
vasteland. Deze traden zeer driest op. In februari 1702
vermoordden zij pastoor Mathias Cleven van Süsterseel (D.),
nadat hij het openbreken van het tabernakel had trachten te
verhinderen. De Geleners stichtten op de vierde donderdag

230

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 231

stierven 59 Geleners, die op een paar uitzonderingen na te inkwartieringen kreeg. Intussen moesten de Geleners nog
Krawinkel en te Lutterade woonden en die - volgens een geregeld naar de vesting Limburg gaan ”botten”.
aantekening in het overlijdensregister - fere omnes [notati] Het jaar 1705 bracht geen verbetering. Gedurende de eerste
obiêre dysenteriâ, d.w.z. ”bijna allemaal aan dysenterie (of zeven maanden kwamen afwisselend Staatse, Franse en
buikloop) overleden”. Brandenburgse troepen naar Geleen. Dat die troepen hun
Intussen bleven de doortochten en inkwartieringen aan- tegenstanders nogal eens op de hielen zaten, blijkt uit het
houden. Maar sommige legeroversten, die in Geleen ver- feit, dat de compagnie van de Duitse legeroverste Benting op
schenen, gaven de indruk veeleer op safari dan op oorlogs- 14 april 1705 met enige Franse gevangenen in Geleen
pad te zijn. Zo bracht de Duitse generaal Somervelt op verscheen. De Fransen, die op 19 september 1705 in Geleen
21/22 mei 1703 vier jagers, een paard en twintig honden verbleven, maakten zich voor naderende Staatse troepen uit
mee. Die jagers, het paard en de honden werden bij Jan de voeten. Sommigen van deze laatsten vielen bij Willem
Custers ”gelogeerd”. Smeets te Krawinkel, die pas geslacht had, binnen en
Toch moesten die vreemde krijgslieden ook in Geleen op ontnamen hem ”een schinck, een kouwelworst, een aem
hun hoede blijven, want af en toe lagen deze streken in het [= ton van ongeveer 150 liter] derm [= darmen om worst te
”frontgebied”. Op 27 augustus 1702, en op 14 mei, 3 en 20 maken], een halven verckenskop en ontrent 7 pond speck”.
augustus 1703 kwamen Franse troepen opdagen. Toen op De Fransen kwamen terug en namen op 23 oktober 1705 de
7/8 september 1703 een Holsteinregiment van elf compag- Gelener Jan Hamers gevangen. Hij zal kort daarop wel weer
nieën te Geleen ingekwartierd lag, waren de Fransen zo - tegen losgeld - op vrije voeten zijn gesteld.
dichtbij, dat een compagnie Holsteiners, die bij Geercken Tenslotte werd de situatie onhoudbaar. De verplichtingen
Selis haar intrek had genomen, tegen de avond naar Stas om voor zulke lange periodes en zo ver van huis met kar en
Brouns ging, ”vuijt vreze der franssen”. Selis woonde enigs- paard te moeten gaan ”botten”, proviand te leveren of
zins afgelegen en die Holsteiners vreesden tijdens de nacht de bagage van wegtrekkende troepen te vervoeren, dreigde
overvallen te worden. Doch ook de Fransen liepen hetzelfde het leven van vele Geleners te ontwrichten. Daarom togen
risico; zo verscheen op 23 november 1703 een Staats secretaris Corten en luitenant Gadé op 26 november 1705
commando te Krawinkel, dat ’s nachts tevoren enige Fransen naar Maastricht om er voor een ”relaxatie [= vermindering
had gevangengenomen. van het vereiste aantal] der kerren” te pleiten. Daar in januari
Op 4 augustus 1703 werd door de drossaard verboden om 1706 werd vermeld, dat het paard van Meuwis Wijnen ”op
iets per paard, per kar of op enige andere wijze in of uit te de reyse vant hoy” verongelukt was, hebben ze blijkbaar
voeren, tenzij het volgens een uitdrukkelijke verklaring door weinig succes gehad.
leden van de justitie, de pastoor of de burgemeesters voor De troepen, die op 22 maart 1706 naar Geleen kwamen,
eigen provisie bestemd was. brachten heel wat schade teweeg. Sommigen van hen
Intussen hielden ook de gedwongen karrenvrachten aan. Op haalden de langs de straten staande olmen weg. De leden van
13 september 1703 moesten negen karren en negentien de wacht verwarmden zich aan een vuur dat met takken-
paarden (dubbelspannen) naar het belegerde stadje Limburg bossen en hop- en bonenstaken van de pastorie was aan-
vertrekken. Op 20 september werden vier karren met gelegd. Toen die voorraad niet toereikend bleek, werden de
dubbelspannen nagestuurd. Al die Geleners keerden pas op bonenstaken en ander materiaal van bewoners van de
7 oktober naar huis terug. Onderweg werd een van hun Jodenstraat verbrand. Nadat die lastposten vertrokken
paarden gestolen, terwijl de paarden van Jan Hamers en Jan waren, kwamen weer anderen naar Geleen. Andermaal
Crousen bij het vervoeren van bagage doodbleven. moesten de Geleners vele maanden lang aan allerlei troepen
Soms dreigde gevaar uit een andere hoek. Zo kwamen op 23 zowel logement verschaffen als foerage leveren. Maar
en 27 november 1703 troepen uit de vesting Stevensweert te sommigen waren daarmee niet voldaan; zij voerden de
Geleen plunderen; daarbij werden enige inwoners van Geleners Stas Brouns en Jan Banens als gevangenen mee om
Geleen mishandeld. Eind januari en begin februari 1704 losgeld voor hen af te dwingen. Op 31 januari 1707 keerden
verschenen weer Franse troepen. In maart had men veel last beide Geleners uit Aken naar huis terug.
van Engelsen. Bij Dirck Penris deden dezen zelfs een inval. In juli 1707 werd een groep Fransen te Geleen door Branden-
In april en mei passeerden vooral Staatse troepen. Eind mei burgse troepen verrast en gevangengenomen. Terwijl die
richtten legerbenden in Lutterade en Krawinkel veel schade schermutseling zich rond het huis van Stas Selis afspeelde,
aan. Op 11 juli 1704 moesten Geleners met twee karren en zagen de Brandenburgers er niet tegen op om diens woning
vijf paarden naar Namen trekken; zij keerden pas op 9 te plunderen. Ook voor het jaar 1709 staan vrachten en leve-
augustus van dat jaar in hun woonplaats terug. ringen door Geleners aangetekend, terwijl voor de jaren
In het najaar van 1704 zag men bijna uitsluitend Franse 1709-1713 weer heel wat inkwartieringen vermeld worden.
troepen. In september installeerden zich 71 Fransen, die elk In de jaren 1712 en 1713 kwamen vooral Duitse troepen
een paard bij zich hadden, op het kerkhof te Oud-Geleen. naar Geleen.
Ook te Lutterade werden 300 paarden met hun ruiters In 1713 werd de vrede van Utrecht gesloten, waarbij de
ondergebracht, terwijl Krawinkel eveneens zijn aandeel in de Zuidelijke Nederlanden, die tot nog toe aan de Habsburgers

231

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 232

van Spanje hadden behoord, aan keizer Karel VI uit de
Oostenrijkse tak van dat geslacht kwamen. De ”Spaanse”
Nederlanden werden de ”Oostenrijkse” Nederlanden. Toch
bracht dit geen vrede voor de Geleners, want er kwam niet
aanstonds een einde aan inkwartieringen en leveringen; die
bleven zelfs nog in 1715 en 1716 voortduren <LvO nrs. 1237,
1239, 1241, 1242, 1471, 1493, 1494 en 1507. - Msg 1899, 19>. Ondanks
die politieke veranderingen zouden door de streekbewoners
voor Oostenrijks-Neerbeek en Oostenrijks-Valkenburg de
respectieve benamingen ”Spaans-Neerbeek” en ”op het
Spaans” gehandhaafd blijven.

Gereformeerde Gelener door plaatsgenoten lastiggevallen
(1705)
In 1705 klaagde Wilhelm Custers van Geleen, die van de
rooms-katholieke tot de gereformeerde godsdienst was over-
gegaan, en te Beek de gereformeerde diensten bijwoonde,

Illustratie uit de gedrukte lijkrede voor de prins Van Salm
(1710): het wapen van de overledene en de tijdverzen:
obDorMIVIt In ChrIsto prInCeps (= de prins overleed
in Christus, 1710) en CaroLVs theoDorVs otto à saLM
(= Karel Theodoor Otto van Salm, 1710) <Achief Anholt>.

dat hij door zijn plaatsgenoten werd lastiggevallen; men had
zelfs zijn veldvruchten vernield. Daarom werd van protes-
tantse zijde bij de drossaard van het graafschap Geleen
geprotesteerd.

Titelblad van de gedrukte lijkrede voor Karel Theodoor Otto Oprichting van de ”Compagnie der Jong(g)esellen” (1710)
prins van Salm (1710) met een afbeelding van het Castrum Op 15 augustus 1710 werd door kapelaan Norbert Ulrichs,
Doloris [= katafalk] en het chronogram: CaroLo theoDoro de eerste rector van de donderdagse H. Sacramentsmis,
reLeVatUM (= Voor Karel Theodoor opgericht, 1710) <Archief een schutterij voor ”jong(g)esellen”, d.w.z. ongehuwden,
Anholt>. opgericht. Hij schonk een zilveren vogel, een vaandel,
trommen en sjerpen voor de officieren. Als zichtbaar teken
van goedkeuring door de Vrouwe van Geleen werd haar
wapen in het vaandel aangebracht. Evenals de oude
schutterij (uit 1639) tot voornaamste taak had de H.
Sacramentsprocessie op Drievuldigheidszondag [= de eerste
zondag na Pinksteren = kermiszondag] en op de feestdag van
de beide patroonheiligen [2 juni] te begeleiden, zo had de
jonge schutterij diezelfde taak te vervullen op Sacraments-
dag, d.w.z. donderdag na Drievuldigheidszondag.
P. DOPPLER las op een plaat: ”Hubertus Neisten. Koninck

232

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 233

der jonge sellen 1705”; doch dat jaartal was ofwel een personen nadere inlichtingen over de [verdachte]
verkeerde lezing ofwel een drukfout voor een jaartal, dat op omstandigheden van de brand te verkrijgen <ASMAkt, 311-312>.
5 eindigde. Op de oudste bewaard gebleven plaat staat het De hoeve werd niet meer opgebouwd, maar de landerijen
volgende chronogram: Ioannes Paes prIMVs CapItaneVs bleven verpacht.
Dabat pro IVVentVte eX geLeen et ornantV hVIVs aVIs, d.w.z.
”Jan Paes, de eerste kapitein, gaf [dit] voor de jeugd van Plakkaat tegen vagebonden en zigeuners (1715)
Geleen en tot sieraad van deze vogel” (1711) <Msg 1909, 78>. Op 2 september 1715 werd door de autoriteiten van het
Het op 1 juni 1716 vastgelegde reglement van 25 artikelen Land van Valkenburg - op bevel van hogerhand - aan de
vertoont veel overeenkomst met dat van de oude schutterij. plaatselijke bestuurders opgedragen om zonder uitstel het
[Voor een verdere bespreking zie dit hoofdstuk bij 5.] plakkaat van 17 augustus 1663 tegen vagebonden en ”Egipte-
naeren alias Tataren” [later zigeuners genoemd] nogmaals te
publiceren en uit te voeren. Daarbij werd o.a. bevolen, dat
allen die ”vagabonden hun noemende Egiptenaren oft
Tataers” zagen, onmiddellijk de dichtstbijzijnde autoriteit
dienden te verwittigen ”ende soo nodigh allarm te maecken
ende te doen slaen op de clocken van de kercktorens om
sulcke sorte van volck te saiseren [= grijpen] ende te appre-
henderen [= pakken]” <LvO nr. 1243>.

Vogel van de Geleense jonggezellenschutterij uit 1710, thans in Kluizenaars te Krawinkel (1722)
het bezit van de schutterij ”HH. Marcellinus en Petrus” te Op 2 juni 1722 werd door de bisschop van Roermond toe-
Oud-Geleen <Foto RvdM>. gestaan, dat zich te Krawinkel, in domus cum oratorio in
honorem S. Crucis, d.w.z. ”het huis, waaraan een ’capelle van
De klooster- of kapittelhoeve van Krawinkel afgebrand het H. Cruys’ is verbonden”, eremycoli [= kluizenaars] zouden
(1714) vestigen. Dit was het in 1699 door de prinses Maria-Dorothea
Op 18 januari 1714 noteerde een kanunnik van het Münster- von Dietrichstein - van Salm opgerichte gebouw, waarvan de
stift te Aken: Audito nuntio quod nostra villa de Crawinckel a kapel oorspronkelijk aan de H. Lazarus was toegewijd.
tribus diebus tempore nocturno ab incendariis [uti refertur] Die kluizenaars moesten de ”Reguls ofte Statuyten” van de
incensa, pro dolor, et in cineres omnino redacta sit, d.w.z. ”Van derde orde van de H. Norbert volgen <Habets 1892, 332>. [Zie
een berichtgever vernomen dat onze hoeve van Krawinkel dit hoofdstuk onder 6.] Dit doet vermoeden, dat het voor-
drie dagen geleden ’s nachts jammer genoeg door brand- stel om dat gebouw als kluis te gebruiken van de norbertijner
stichters [naar men zegt] werd aangestoken en volledig in de pastoor Heimbach was uitgegaan, en dit des te meer, omdat
as werd gelegd”. de eerste kluizenaar aldaar een van zijn parochianen was.
Daarop stuurden de kanunniken twee van hun confraters Broeder Gerlach was op 3 november 1680 vlak bij de kerk
naar Geleen om de situatie ter plaatse in ogenschouw te van Oud-Geleen als zoon van Alof Keulers en Itgen Penris
nemen en tevens te trachten bij drossaard Duycker en andere geboren en werd bij zijn doopsel Gerard genoemd. In 1726
kocht hij een bij die kluis gelegen perceel ter grootte van
181/2 roede, dat hij in een tuin veranderde. Toen hij op 25
maart 1736 overleed, tekende de pastoor aan, dat hij tot de
derde orde van de H. Norbert had behoord. [Zie deel II,
hoofdstuk X.]
Daar in die Reguls staat, dat o.a. om 4 uur ’s morgens en om
3 uur ’s namiddags ”teecken” moest worden gegeven, werd
toen wellicht het torentje aangebracht, waarin een klokje
werd gehangen.

Bisschoppelijke visitaties (1722 en 1725)
In september 1722 maakte bisschop Sanguessa van
Roermond een visitatiereis door het Oostenrijks gedeelte van
het dekenaat Valkenburg. Op 26 september was hij te
Geleen, waar op die dag de pastoors van Beek en Geulle - uit
het Staats gedeelte van het Land van Valkenburg - verslag
over hun parochies uitbrachten.
In 1725 herhaalde de bisschop zijn visitatiereis. Toen
resideerde hij minstens drie dagen (23-25 september) op de

233

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 234

pastorie van Geleen en weer kwamen pastoors uit Staats Het proces der ”waekinge” (1729-1741)
Valkenburg, nl. uit Itteren en Limmel, hun verslag uit- Op 6 september 1729 overleed te Geleen de ”rondreizende
brengen. Op 13 november van dat jaar zat de bisschop op de vreemdeling” Joannes Romain. Dat er destijds nog meer
pastorie van Geleen een vergadering voor van 27 pastoors. ”rondreizende vreemdelingen” in Geleen verbleven, blijkt
Op zijn verzoek stelden zij hem drie kandidaten voor, van uit het volgende voorval. In het najaar van 1729 liet drossaard
wie hij er een tot deken van Valkenburg benoemde <Habets Leopold Duycker de soldatenzoon Mathijs Clingen, bij-
1892, 324, 331-332, 352-355, 361 en 363>. Destijds was de pastoor genaamd ”Knoup”, ”Bochelmathijs” of ”Puckel Mathis”, die
van Valkenburg niet per se de deken; een elders wonende uit Krüchten (D.) verbannen was, arresteren en in de kerker
pastoor, die tot deken van Valkenburg was benoemd, bleef van Sint-Jansgeleen opsluiten. Volgens zijn dossier had hij
zijn oude parochie bedienen. zoveel misdaden op zijn kerfstok, ”dat hij wel thien jah meer
maelen den doodt verdient heft”.
Optreden van Geleense schutters veroordeeld (1726) Eerst liet de drossaard de gevangene door inwoners van
Op 13 juni 1718 vaardigde de landelijke overheid te Brussel Spaubeek bewaken. Op 9 november 1729 gaf hij aan
een plakkaat uit tegen het deelnemen van schutterijen aan korporaal Meys Gielen opdracht om met vier andere
Sacramentsprocessies wegens ”de geduyrighe clachten Geleners ”behoerlijck gewaepent tegens den thienden
dewelcke de Geestelijcke overheit en andere ons sijn doende derselve maendt om seven uren smorgens te comen op ’t
over ’t groot schandaal, ’t gene wordt veroorsaeckt in de huijs van [Sint-Jans-] Geleen om aldaar te bewaeken en
processien, in dewelcke wordt ommegedraeghen het gaede te slaen eenen gevangenen”. Doch toen de Geleners
Allerheiligste Sacrament des Authaers, door de gildens en verstek lieten gaan, wist ”Puckel Mathis” te ontsnappen. Dit
andere lichaemen die deselve vergeselschappen met slaende leidde tot een langdurig proces tussen de drossaard en de
trommels, vendels [= vaandels], fusielen [= geweren] ende Geleense gemeenschap.
andere diergelijcke instrumenten” <PSHAL 1929, 126-127>. Hoogdrossaard Van Brienen van Valkenburg bleek de Geleners
Toen drossaard Duycker in juni 1726 vernam, ”dat in de te hebben opgestookt om die wacht niet te betrekken, omdat
processie van Geleen op den 2 deses wesende den feestdagh de ordonnantie waarop Duycker zich beriep, onderscheid
van Petrus ende Marcelinus Patron der parochiale kercke tot maakte tussen gebrandmerkte en niet-gebrandmerkte
Geleen gelijck oock op den 16 deses met geweer ende vreemde arrestanten. Alleen de gebrandmerkte moesten in
vendels sijn omgetrocken in de processie”, beriep hij zich op hechtenis blijven, terwijl de niet-gebrandmerkte binnen drie
dat verbod en daagde hij niet minder dan 63 leden van de dagen uit het land moesten worden gezet. Welnu, de te Sint-
schutterij, o.a. ook de ”bode” Houb Janssen, om op 26 juni Jansgeleen opgesloten vagebond droeg geen brandmerk.
voor de schepenbank te verschijnen. Zowel het vergezellen Doch drossaard Duycker liet het daar niet bij zitten. Niet
van de processie op de feestdag van de patroonheiligen alleen deed hij de hoogdrossaard een proces aan, maar ook
(2 juni) alsook de overdracht door de schutters van hun legde hij aan elk van de ongehoorzame Geleners een boete
volmacht aan de pastoor leiden tot de conclusie, dat het hier van vijftig goudgulden op. Deze laatsten vonden evenwel bij
in eerste instantie de oude schutterij uit 1639 betrof. De de hele gemeenschap en ook bij de plaatselijke geestelijke en
pastoor zond twee advocaten als zijn vertegenwoordigers; zij wereldlijke autoriteiten royale steun. Rond de jaarwisseling
vroegen een kopie van het plakkaat van 13 juni 1718, die 1729/30 gingen de ”Borgemeesters, Schepenen ende
hun op 10 juli 1726 werd toegezegd <LvO nr. 1275>. De afloop Regeerders van Geleen” te Brussel in hoger beroep. Daar
van dit geval staat niet geregistreerd. verklaarden zij dat de Geleners van het door de drossaard
De ingreep van de drossaard had blijkbaar geen blijvend gevraagde karwei ontheven waren en dat het bewaken van
effect, want toen de schutterij van Schinnen in 1753/54 gevangenen ”was van alle tijden gedaen door de gemeynte
wegens eenzelfde optreden voor het schepengerecht van die van Spauwbeek daarontrent liggende”. Ook voerden zij
plaats werd gedaagd, werd ter verdediging aangevoerd, dat in zogenaamde bewijsstukken aan, waaruit moest blijken, dat
de omliggende dorpen, zoals Amstenrade, Oirsbeek en de Geleners hadden ”een evidente possessie [= bezit] van
Geleen, de processies steeds door de schutterijen werden libertyd [= vrijheid] van die servitute [= dienst] van wachten
vergezeld <PSHAL 1929, 127>. niet te moeten doen”. Bijgevolg waren zij van mening, dat
”het niet gepermitteert en was aen eenen Drossard zich
Kerkhof geen gepaste weideplaats voor vee (1727) selven soodanigh recht moeghen te arrogeren [= aanmatigen]
Op 18 juni 1727 deed pastoor Heimbach zijn beklag ”hoe van de gemeijnte in amende [= boete] te stellen”.
dat de gewijde plaetse van de kerckhoff hier wordt misbruikt Reeds op 9 januari 1730 werd door de autoriteiten te Brussel
met allerhande beesten soo over het drijven als weyden der aan drossaard Duycker of diens plaatsvervanger(s) gelast om
selve”. de Geleners ”de voorschreven exemptie [= vrijstelling] in der
Daarom werd door de overheid geordonneerd en aan de voegen en manieren boven verhaalt peyselijck en vredelijck
kerkdeur ”geaffigeert”, ”dat niemant met beesten op den doen en laeten possideren [= bezitten] en gebruycken”, hen
kerckhoff sal konden drijven ofte rijden op poene [= boete] daarover niet meer lastig te vallen en hen schadeloos te
van eenen goltgulden”. stellen. Daarmee was die zaak evenwel nog lang niet

234

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 235

afgedaan, want drossaard Duycker gaf zich niet gewonnen. wapens van die families in gebrandschilderde kerkramen
Op 29 april 1730 schreef hij aan de autoriteiten te Brussel, werden aangebracht [insignia seu arma in fenestris inuri] en
dat die van Geleen ”verobligeert [= verplicht] waren, van dat ook nog vier gekleurde schilden met diezelfde familie-
niet min ofte meer als de andere ingesetenen alle behoer- wapens, respectievelijk in 1673, 1683 en 1694, langs de zij-
lijcke assistentie aen de justitie des aengesoeght [= verzocht] kanten van het koor werden opgehangen [insignia parietibus
sijnde te geven”. En hij voegde daaraan toe, dat de door de in choro appendi]. En ofschoon dat recht uitsluitend aan
Geleners ingediende documenten, waarin zij het tegendeel prinses Maria-Dorothea von Dietrichstein - van Salm toe-
beweerden, door hen ”sub en obreptivelijck” [= op bedriege- kwam, werd bovendien toegestaan, dat in de rechterhoek
lijke en slinkse wijze] waren verkregen. Om die reden van het koor ten behoeve van genoemde drossaard en zijn
verzocht hij hun beweringen als ”niet gefondeert nochte familie een bank werd geplaatst [scamnum seu sedile in angulo
ontfanckbaer” te verklaren. dextero chori positum].
Dit proces zou nog minstens een dozijn jaren aanslepen. Doch na verloop van tijd begon daartegen verzet te groeien.
Gedurende al die tijd werd er niet alleen heen en weer Tijdens een visitatie door bisschop Angelus d’Ongnies van
geschreven en geprocedeerd, maar moesten de Geleners Roermond († 1722) wist schepen Paes hem ertoe te bewegen
tevens aanzienlijke sommen gelds lenen om het proces op om de verwijdering van die vier wapenschilden en van die
gang te houden. De lasten van de Geleners werden boven- bank te bevelen. Voortaan zouden op het koor geen andere
dien bezwaard, toen de autoriteiten van het Land van banken of stoelen dan die van de schepenen of van de gravin
Valkenburg de klacht van de Geleners als een ”landtsaecke” van Geleen mogen staan en ook slechts door haar gekozen
gingen beschouwen en om die reden een aantal processen wapenschilden mogen worden opgehangen. Schepen Paes
begonnen te voeren, waarvan zij de kosten voor eenvijfde op vertelde dit o.a. aan secretaris J. L. Corten, maar hij kon
de Geleners afwentelden. Omdat zij zich door deze pastoor Lessenich blijkbaar niet overreden om aan die
verwikkelingen ”ten uijtersten gegraveert” [= benadeeld] bisschoppelijke opdracht te voldoen.
achtten, riepen de Geleense autoriteiten op 7 oktober 1737 Toen de nieuwe pastoor Heimbach bij de eerste visitatie van
een ”generaele vergaderinge van de ingesetenen der heer- de nieuwe bisschop Sanguessa in 1722 de aandacht op de
lijckheijdt Geleen” bijeen. Er werd geëist, dat de autoriteiten schilden en de bank vestigde, beval deze eveneens die voor-
van Valkenburg in de toekomst de Geleners schriftelijk werpen te verwijderen. Toch werd ook dat bevel niet aan-
zouden raadplegen en zonder hun goedkeuring niets zouden stonds door de pastoor opgevolgd; ofschoon andere
besluiten, waarbij hun belangen in het gedrang kwamen. parochianen erop aandrongen, dat hun dezelfde privileges
Mochten die autoriteiten zich daar niet aan houden, dan zouden worden verleend, liet hij alles bij het oude.
zouden de Geleners weigeren nog iets tot de kosten bij te Maar toen de drossaard van het Land van Valkenburg op
dragen, ”hun in geheel laetende voor hun eygen geldt te 5 augustus 1731 liet weten, dat de keizer het publieke
procederen”. vertoon van familiewapens zonder speciale vergunning had
Bij vonnis van 31 maart 1741 werden de Geleners door de verboden, aarzelde de pastoor niet langer. Op 9 augustus
Soevereine Raad van Brabant in het ongelijk gesteld en tot 1731 gaf hij aan zijn beide kosters de opdracht om de bank
betaling van drievierde van de proceskosten veroordeeld. Ter van de vroegere drossaard van het koor te verwijderen en
bestrijding van die kosten leende pastoor Heimbach aan zijn bovendien de vier schilden af te nemen om ze aan juffrouw
parochianen ruim duizend gulden uit de armen- en kerk- Sibilla Cornelia van den Stock, die bij het gezin van schepen
renten. Maar toen de geleende som slechts gedeeltelijk werd de Preez inwoonde, te overhandigen. Op verzoek van de
terugbetaald, geraakte hijzelf in schulden. Pas in 1763 zou echtgenote van die schepen werd de bank achteraan in de
hierover een minnelijke schikking worden getroffen kerk bij de toren geplaatst.
<TsHKVGel 1985, nr. 3, 136>. Tegen het verwijderen van bank en schilden werd door
Intussen was ”Puckel Mathis” in januari 1730 te Venlo in de Willem de Gavarelle, namens de erfgenamen Van den Stock
gevangenis terechtgekomen. Wegens de lange lijst van en Van Hoven, heftig geprotesteerd. Op zijn aandringen
beschuldigingen, die toen tegen hem werd ingediend, kreeg werd koster Job Penris op 14 augustus 1731 door de
hij de doodstraf <ASV, blok C, nr. 2962. - RusKerk nr. 16. - LvO nrs. 1246 schepenen ondervraagd. Bovendien wendde hij zich tot de
bisschop te Roermond. Bij schrijven van 16 augustus liet
en 1255. - PSHAL 1988, 224, 229 en 261. - St. Jansgel. 75-78. - TsHKVGel 1990, deze laatste zijn secretaris bij de pastoor van Geleen om
nadere inlichtingen vragen. In zijn brief van 22 augustus aan
3, 8 en 19-24>. de bisschop zette pastoor Heimbach de situatie uiteen. Op
28 augustus kwam de deken op verzoek van de bisschop naar
Vier schilden met familiewapens van het koor der kerk Geleen. Aangezien de pastoor toen in Heinsberg verbleef,
verwijderd (1731) stonden diens assistent Kempen en een van de kosters hem
Wegens de financiële steun, die drossaard Jan van den Stock, te woord. De deken bezocht ook de kerk en stelde vast, dat
diens echtgenote M. de Wilque, hun dochter Maria Catha- de wapenschilden van het koor verdwenen waren en dat de
rina en hun schoonzoon Winand van Hoven voor het onder- drossaardbank achteraan in de kerk stond: sedile in ultimo
houd van de kerk en de pastorie hadden verleend, hadden de
pastoors Helcæus en Lessenich erin toegestemd, dat de

235

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 236

loco templi nunc positum. Ook begaf hij zich naar het huis de Guliks grondgebied gelegen korenmolen van Munstergeleen
Preez om de vier schilden met de jaartallen te zien. Op 4 begeven, waar zij zich voorlopig schuilhielden. Op last van
september kwam de deken nogmaals naar Geleen en had hij de drossaard werd het kindje ter verzorging aan een buur-
een onderhoud met pastoor Heimbach. vrouw toevertrouwd en werd beslag op de goederen van de
’s Anderendaags, op 5 september 1731, noteerde notaris weduwe Lemmens-Donners gelegd.
Leurs - in naam van de erfgenamen Van den Stock en Van Terwijl de beide vluchtelingen, ondanks herhaalde
Hoven - dat de 91-jarige Jenne Zelis, haar 88-jarige echt- oproepen, bleven weigeren om voor het gerecht van Geleen
genoot Mathijs Demacker en nog vier bejaarde Geleners te verschijnen, kwam hen een vriend te hulp. Nadat deze de
verklaarden ”altijt gesien te hebben de wapens van de voor- ware toedracht van de situatie had onderzocht en tot de
ouders zaliger der Requirenten op den koor hangende ende overtuiging was gekomen, dat hier van misdadigheid geen
aengehecht sijnde, en dat differente reijsen [= keren] door de sprake was maar louter uit ”christelijcke liefde tot sijn even-
Bisschoppen van Ruremund deselve kercke ende koor is mensch” was gehandeld, diende hij op 22 april 1735 een
gevisiteert geweest, sonder deselve Bisschoppen eenige de aanklacht tegen de drossaard in. Hij verweet de magistraat,
minste contradictie ofte molestatie daeraen hebben gedaen, dat hij ”vuyt de selfste materie daer de bye den hoonigh vuyt
soo dat deselve tacitelijck [= zwijgend] in alles hebben distilleert het venijn tracht te haelen”. Hij drong er dan ook
gelaudeert [= geprezen] ende geapprobeert [= goed- op aan om de weduwe en haar zoon verder met rust te laten.
gekeurd]... mede oock altijt gesien dat des Requirentens Ofschoon de drossaard zich danig op zijn tenen getrapt
voorouders zaliger op de rechte handt van den koor hebben voelde en smalend op het geringe bezit van de weduwe
gehadt eene eijgene banck, waerop hunne voorouders ende Lemmens wees, nl. ”een cleen huysken ende koolhoff
de Requirenten tot dato deeses hebben geseeten”. Noch de wesende beyde groot thien en dry quaert cleene roeden”,
verklaringen van die bejaarden noch de protesten door de besloten de schepenen op 30 april 1735 de zaak aan een
betreffende families schijnen enig resultaat te hebben onpartijdig rechtsgeleerde voor te leggen. Diens advies om
opgeleverd <BAR>. In 1792/93 zouden ook de familiewapens de beklaagden niet te arresteren maar hen wel tot de kosten
uit de gebrandschilderde ramen worden verwijderd <FA nr. van het rechtsgeding te veroordelen werd op 4 mei
3095>. opgevolgd <M’geleen, 157-159>.

”Vondeling” te Munstergeleen (1735) De Maaseiker tweeling en het betwiste vaderschap (1735)
In de laatste week van maart 1735 meldde iemand uit het Marie Elisabeth, de ongehuwde meid van de pastoor van de
Land van Gulik zich aan de schuin tegenover de kerk van grote kerk te Maaseik, had zich de hele winter 1734/35
Oud-Geleen gelegen woning van Catharina Donners, ”ziek” gevoeld zonder te weten dat die symptomen op
weduwe van Mathis Lemmens uit de korenmolen van zwangerschap duidden. Maar toen haar ter ore kwam, dat de
Munstergeleen, en overhandigde haar een pasgeboren kindje mulderszoon van Aldeneik, met wie ze omgang had gehad,
met het verzoek dit wicht door de pastoor van Geleen te in ”diverse herbergen” openlijk had verteld, dat hij ”de meit
laten dopen; daarna zou de baby worden teruggehaald. Maar van de pastoor hadde beswangert”, werd ze zich van haar
toen pastoor Heimbach weigerde de boreling te dopen als situatie bewust. Nadat dit onder de bevolking bekend was
hem niet de namen van de ouders werden meegedeeld, geworden, verspreidde die mulderszoon tevens het gerucht,
besloot de weduwe Lemmens het kindje te vondeling te dat de pastoorsmeid ook met andere personen omgang zou
leggen; vondelingen werden immers altijd gedoopt. hebben gehad.
Na het wicht in de vroege morgen van de volgende dag bij Omdat zij de gevolgen van haar gedrag en haar toestand niet
het huis van haar neef Laurens Bouman aan de brug te ”in blijde verwachting” tegemoet zag, probeerde zij ”eenen
Munstergeleen te hebben neergelegd, bleven de weduwe en misval of misgeboorte te bekomen” door o.a. bij de plaatse-
haar 25-jarige zoon Mathis het vanuit een verborgen plek in lijke apothekers Lanckbeen en Coemans ”medicamenten” te
de gaten houden. De list gelukte, want in het doopregister halen. Toen die niet baatten, besloot ze zich bij de niets
van Munstergeleen staat de ”vondeling” onder 28 maart vermoedende chirurg Keskens ”bloedt te doen laeten in den
1735 ingeschreven. De weduwe Lemmens-Donners wist het voet”. Maar ook die ”kuur” bracht niet het beoogde
kindje een paar dagen later terug te krijgen. resultaat. Nadat de pastoor eveneens van haar toestand op de
Maar intussen was deze gebeurtenis de voogd van Sittard, hoogte was gesteld, wist deze haar te overreden om het
onder wie Munstergeleen ressorteerde, ter ore gekomen. natuurlijke verloop der gebeurtenissen af te wachten. Maar
Aangezien het te vondeling leggen als een ernstig vergrijp in haar ”gezegende toestand” mocht zij niet langer op de
werd beschouwd, gaf hij dit op 29 maart 1735 aan de pastorie blijven.
drossaard van Geleen door. Deze daagde de weduwe Intussen zocht de pastoor naar een oplossing voor zijn
Lemmens ”instantelyck” voor het gerecht. Toen zij niet kwam (vroegere) meid en haar kindje(s). Eind juli 1735 stuurde hij
opdagen, werd bevolen haar en haar zoon te arresteren en Francis Cox, de ”vaendraeger in de groote kercke”, met een
haar goederen in beslag te nemen. De bode vond slechts de gesloten brief naar Matthis Cremers, die achter het beekje in
baby, want de weduwe en haar zoon hadden zich naar de op de Peschstraat te Geleen woonde. In dat schrijven werd de

236

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 237

laatstgenoemde uitgenodigd om naar Maaseik te komen. waar alle drie de nacht doorbrachten. Daar ”sij van haeren
Nadat de Gelener zich met Cox naar de pastorie aldaar had vaeder was gedisgratiert”, durfde zij niet naar haar ouderlijk
begeven, bracht hij er de nacht door; in het ”pastorale” bed huis terug te keren; daarom had zij het plan opgevat zich
heeft hij zich allicht menigmaal afgevraagd wat er wel aan de naar vrienden in de streek van Heinsberg te begeven. Op
hand mocht zijn. haar verzoek vergezelde Cremers haar tot achter Sittard.
’s Anderendaags maakte de pastoor de overbodige opmer- Doch zij werd door de autoriteiten van Sittard achterhaald,
king: ”Ghij en sult misschijn niet weten waeromme ick u gearresteerd en aan de tand gevoeld. Tijdens die onder-
hebbe laeten hier roepen”, waarop de Gelener heel logisch vraging identificeerde zij de mulderszoon van Aldeneik als de
reageerde met: ”Dat en kan ick niet weten”. Toen de pastoor vader van haar kindjes. Daarop wist zij te ontsnappen en
zei, dat de meid, die bij hem in dienst was geweest, zwanger zich andermaal naar Geleen te begeven; tijdens de vlucht
was, stelde Cremers de voor de hand liggende vraag wie de overleed een van haar baby’s. Omdat zij een vast onder-
vader van het ongeboren kind was. Daarop kreeg hij ten komen nodig had, bracht Matthis Cremers haar naar zijn
antwoord, dat de geruchten, die door de stad liepen, een broer Arnold te Sibbe.
bepaalde jongeman als zodanig aanwezen; maar de pastoor Intussen hadden in Maaseik ”het gemeyne gevoelen en
was voorzichtig genoeg om diens naam niet te noemen. gerucht” de ronde gedaan, dat de pastoorsmeid, ”in t’huys
Zijn bezorgdheid betrof trouwens niet de vader maar het van den Hr Pastoor voorss. gebaert hebbende twee kinderen,
welzijn van de aanstaande moeder en haar kindje(s). Daarom heymelyck bij der nachten is wegh gevoert, sonder dat men
vroeg hij Cremers of hij ”geene occasie in sijn huijs hadde den Vaeder van de kinders weet, of waer sij gedoopt sijn, of
offte jeverants [= ergens] anders wiste alwaer de voorseide wie de wijsvrouw [= vroedvrouw] in t’baeren is geweest”. Die
meidt in stilte konde craemen [= baren], vermits sij door geruchten hadden ”in de stadt Maeseyck groote oproeringh
allen de geruchten welcke hier in de stadt hadden geloopen, en suspicie [= achterdocht]” doen ontstaan ”deels tegen den
sigh aenstelde als desperaet [= wanhopig]”. Na geantwoord Hr Pastoor voorss., deels tegen seeckeren Jonckman met
te hebben, dat in zijn huis geen ”occasie” voor een dergelijke name G. Th. den Molders soon van Alden Eyck”.
gebeurtenis was, maar dat hij bericht zou geven zodra hij die Van de Sittardse voogd hadden de autoriteiten van Maaseik
elders zou hebben gevonden, vertrok Cremers weer naar vernomen, dat genoemde meid zich met haar kindjes enige
Geleen. tijd te Munstergeleen had opgehouden en dat ze na gearres-
Toen hij thuis de situatie aan zijn vrouw had uitgelegd, zei teerd te zijn naar Geleen had weten te ontkomen. Daarom
deze, dat er ”soude wel eene goede occasie wesen bij den stuurden zij een verzoekschrift aan hun collega’s van Geleen,
custer tot Munstergeleen”. Tijdens een bezoek aan die koster waarin zij o.a. de volgende vragen stelden: (1) ”Waerom dat
en zijn vrouw verklaarden deze beiden zich tegenover sij te Maeseyck niet gebleven is, en den Jonckman voorss.,
Cremers inderdaad bereid om de ”grootgaende [= zwangere] die merckelijck en buijten maete van grooter en rijcker
vrouwpersoon” uit Maaseik gedurende zes, acht of tien familie was als sij, met recht aldaer niet gedwongen of om
weken in hun huis te laten verblijven totdat de geboorte zou haer te trouwen of om een goede vergeldinge te doen, en
hebben plaatsgehad. Daarop spoedde Cremers zich naar de saemen het kindt op te voeden en te onderhouden”, (2)
pastorie van Maaseik. Een paar uur later kwam daar ook de ”Waerom dat men tot nogh toe de naemen van dese kinders
vroegere meid opdagen. In het nachtelijke donker begaven of van den vaeder niet vindt op den Doopboeck te
zij zich tezamen naar Munstergeleen. Onderweg vertelde de Maeseyck, daer men seydt, dat sij gedoopt soude sijn”, (3)
jonge vrouw onder het storten van tranen aan Cremers enige ”Wie dat haer van Maeseyck int heymelyck heeft wegh
bijzonderheden over de moeilijke tijd, die zij had door- gevoert”, (4) ”Wie dat haer te Munster Geleen tot nogh toe
gemaakt. ”Ten sonnen opganck” arriveerden zij bij het huis onderhouden heeft en nu nogh onderhoudt”, (5) ”Waer en
van de koster van Munstergeleen. Reeds een paar dagen later in wat huys sij gebaert heeft”, (6) ”Wie de wijsvrouw is
werd daar een tweeling geboren, die op 1 augustus 1735 in geweest”, (7) ”Wie nogh daer præsent is geweest”, (8)
de kerk van Munstergeleen als Fredericus Th. en Maria ”Waerom dat deze meyte voorss. desen Jonckman als vaeder
Helena Th. werd gedoopt. niet gedeclareert heeft in t baeren”, (9) ”Van [= door] wie en
Toen Cremers haar kort daarop ging bezoeken, overhandig- op wat plaetse de kinders gedoopt sijn”, (10) ”Waer het een
de de jonge moeder hem een sleutel met het verzoek deze kint gestorven en begraven is”.
naar de pastoor van Maaseik te brengen en hem te vragen De achtste vraag verwees naar het vroeger algemeen gelden-
daarmee haar kist, die zich nog steeds op de pastorie bevond de gebruik, dat een ongehuwde vrouw tijdens het baren aan
en waarin o.a. 40 patakons lagen, te openen en er enig geld de vroedvrouw de naam van de vader van haar kind moest
voor haar uit te nemen. Cremers trok andermaal naar meedelen, opdat hij daarvoor aansprakelijk kon worden
Maaseik, waar hij van de pastoor 50 gulden in ontvangst gehouden. Haar beweringen vóór of na de geboorte hadden
nam. Nadat hij dit geld naar Munstergeleen had gebracht, kennelijk niet dezelfde rechtsgeldige draagkracht. Zowel
kregen zowel de koster als Cremers elk zes schillingen. wegens haar vlucht uit Maaseik alsook wegens het niet iden-
Toen zij ”van het craem bedde genesen” was, bracht Marie tificeren van de vader tijdens het baren, concludeerde men
Elisabeth haar baby’s naar het huis van Cremers te Geleen, dat haar verklaring tegenover de voogd van Sittard ”valsch en

237

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 238

onwaerachtigh” was geweest en dat de mulderszoon niet de
vader van haar kinderen was. Bijgevolg werd zij van ”calom-
nie en injurie” [= laster en belediging] beschuldigd. Op 12
oktober 1735 werden al die vragen door de schepenen van
Geleen aan Matthis Cremers voorgelegd. De afloop van dit
geval is in de Geleense archieven niet te vinden <LvO nr. 1251>.

Een tweede kluis te Geleen (1735) Zicht vanuit de kerktoren van Oud-Geleen in zuidwestelijke
Op 9 augustus 1735 deelde schepen Balthasar de Preez aan richting circa 1945. Linksmidden het nog onbebouwde kruis-
zijn Geleense collega’s mee, dat de weduwnaar Pierre punt van ’t Straatje-Norbertijnenstraat en Pastoor Vonckenstraat.
Vainqueur uit het hertogdom Limburg [ten oosten van Hier is het eerste huis aan de westzijde van de Norbertijnen-
Luik], voornemens was ”het werelts leven te abandonneren straat de woning Cools, waar voordien het huisje van ”Vèèr de
[= vaarwel te zeggen] ende het habijt van den Heijligen Bòk” stond <Foto J. R. Hermens>.
Franciscus als Eremijt aen te nemen”. Maar niet wetend waar
hij een ”cluijse ofte eremitagie” zou kunnen bouwen, om de slachtoffers persoonlijk aan te pakken, terwijl de
wendde hij zich tot genoemde schepen, die tevens schout andere deelnemers de rest van de huizen doorzochten en
van Mheer was. Deze laatste stond hem ”ter liefde Godts” plunderden ofwel buiten op de uitkijk bleven staan.
levenslang een stuk weide af ”om daerop eene cluijse ofte Over die inbraken, berovingen en mishandelingen zelf
eremitagie ende eene cappelle naer sijne belieften ende werden heel wat betrouwbare details door de slachtoffers
welgevallen te timmeren als mede eene plaats tot eenen verschaft of op grond van onderzoek ter plaatse vastgesteld,
moeshoff”. terwijl wij ten aanzien van de personen, die zich aan die
Aan die schenking waren evenwel een paar voorwaarden misdaden schuldig maakten, hoofdzakelijk zijn aangewezen
verbonden. Zo zou, bij het overlijden van de heremiet, de op verklaringen, die door van deelname verdachte of beschul-
plaats met het gebouw in het bezit van de schepen of diens digde gevangenen werden afgelegd. Bij de ondervragingen
erfgenamen terugkeren. Wel verplichtten dezen zich om de van verdachten kwam de overheid al gauw tot de overtuiging,
overledene in gewijde grond te laten begraven. Verder werd dat zij hier met een of meer georganiseerde ”benden” te doen
de kluizenaar verboden om binnen het graafschap Geleen te had. Pas later werden zij bokkenrijders genoemd.
bedelen. Ook mocht hij zonder toestemming van zijn Jammer genoeg hebben sommige romantici, die over dit
weldoener en van het schepengerecht niemand in zijn kluis onderwerp schreven, al te zeer de vrije teugel aan hun
ontvangen. Tenslotte zou hij dagelijks voor het gezin de fantasie gelaten en hebben zij met hun geschriften een ruime
Preez en voor de leden van het Geleense schepengerecht verspreiding aan onjuiste opvattingen gegeven. Aldus
moeten bidden. Aangezien die nieuwkomer een Waal was, hebben zij met hun ficties de taak van de geschiedschrijvers
werd hem de in het Nederlands geschreven overeenkomst in bemoeilijkt,
het Frans ”geëxpliceerd” alvorens deze door alle partijen Maar anderzijds zijn ook niet alle geschiedschrijvers met de
werd ondertekend. nodige voorzichtigheid en kritische zin te werk gegaan. De
Daarna vernemen wij niets meer van Pierre Vainqueur; hij bewering ”nooit in de geschiedenis is er een roversbende
schijnt niet te Geleen te zijn overleden. Wel valt te ver- geweest, die zo goed georganiseerd en zo wijd vertakt was in
moeden, dat hij zijn kluis bouwde op een stuk van de weide, tijd en ruimte als die van de Bokkerijders” <Venken, 7>, valt uit
die schepen de Preez - uit het erfdeel van zijn vrouw - in de de beschikbare gegevens niet te concluderen en moet dan
huidige Norbertijnenstraat bezat. Bij het verbreden van die ook als al te vergaand worden beschouwd. Doch ook de
straat in de jaren dertig werd dat gebouwtje, waar eertijds tegenovergestelde zienswijze, nl. dat er helemaal geen
”Vèèr de Bòk” woonde, afgebroken. Ter plaatse kwam de bokkenrijdersbenden zouden hebben bestaan <Witte. - LvH
woning Cools, later Thissen-Cools. Tegenover deze woning
werd later de parkeerplaats aan de Norbertijnenstraat aan- 1985, 14-22, 36-44, 67-74; 1986, 24-28; 1992, 23-27. - LimTsGen, 85-55/56. -
gelegd <LvO nr. 1318. - Kluis, 41-44>.
MaasMel, 96-106. - LimDag 4-4-1986. - MGbode 7-2-1990. - Tromp 30-5-1990.
Controverse over de bokkenrijders
Ofschoon de bespreking van het optreden van de zoge- - PSHAL 1991, 69-153. - DeLim 5-6-1992>, is niet voldoende
naamde bokkenrijders in dit bestek zoveel mogelijk tot gefundeerd. Tussen die twee uitersten staan de geschied-
Geleen en naaste omgeving dient beperkt te blijven, vergt de schrijvers, die het bokkenrijdersfenomeen naar de bronnen
recente controverse over dat onderwerp een inleidende
toelichting. In de achttiende eeuw werden in onze streken
nachtelijke inbraken gepleegd, waarbij vaak zware mishande-
lingen en soms zelfs moorden werden bedreven. Meestal
drongen slechts de grootste durvers tot de slaapkamers door

238

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 239

hebben beschreven, maar van wie sommigen met een worden toegepast, dient eerst zijn eigen geldigheid te worden
gedeelte van die bronnen zo onkritisch zijn omsprongen, dat gerechtvaardigd. Welnu, in zijn algemeenheid en absoluut-
zij zich aan kritiek hebben blootgesteld. heid valt hij om verschillende redenen niet te rechtvaardigen.
Er dient goed onderscheid te worden gemaakt tussen het Vooraf dient te worden gesteld, dat in alle redeneringen de
(nog) niet overtuigd zijn van het bestaan van bokkenrijders- wetten van de logica moeten worden in acht genomen. Het
benden enerzijds en het wel overtuigd zijn van hun niet- is derhalve van essentieel belang de aangevoerde argumenten
bestaan anderzijds. Een auteur, die een ”meer verantwoorde” op hun geldigheid te toetsen, o.a. door te controleren of
positie wilde kiezen, kwam tot de eindconclusie, dat het sommige beweringen ten aanzien van ”oorzaak” en ”gevolg”
bestaan van omvangrijke bokkenrijdersbenden nog door wel op elkaar, in de juiste chronologische orde, aansluitende
niemand was aangetoond <LvH 1994, 2>. Zelfs indien die feiten zijn gebaseerd, of de archivalische gegevens accuraat
conclusie zonder meer zou worden geaccepteerd, zou ze nog worden gepresenteerd, of bepaalde relevante gegevens niet
niet per se inhouden, dat er geen bokkenrijdersbenden worden genegeerd ofwel verdraaid of al te beknopt en opper-
zouden hebben bestaan. Hier dringt zich de vraag naar de vlakkig worden weergegeven, of de premissen wel juist
ware aard van een ”historisch bewijs” op. Daar er geen recht- geformuleerd zijn en bovenal of de conclusie uit de gestelde
streekse documenten van de bokkenrijdersbenden zelf zijn premissen met logische noodzakelijkheid volgt. Een beroep
bewaard gebleven, kan een ”bewijs” voor bendevorming op een zogenaamde consensus of op bepaalde autoriteiten is
slechts een conclusie zijn uit gegevens, die om goede redenen onaanvaardbaar, want de historische werkelijkheid wordt
voor geloofwaardig worden gehouden. Welnu, zolang niet noch door meerderheid van stemmen noch op autoritaire
onomstotelijk is aangetoond dat de gegevens, waaruit door wijze aangetoond of weerlegd
sommigen tot het bestaan van zulke benden wordt gecon- Na veel literatuur over de bokkenrijders te hebben door-
cludeerd, ofwel geheel onjuist ofwel voor het trekken van die gewerkt, kan ik met overtuiging zeggen dat tot nog toe
conclusie niet toereikend zijn, kan niet worden volgehouden geenszins werd aangetoond, dat het aannemen van bokken-
dat het bestaan van bokkenrijdersbenden nog door niemand rijdersbenden als een historisch feit een ”waanidee” zou zijn.
werd aangetoond. Wel kan zo’n auteur met recht zeggen, dat Integendeel, bij het analyseren van de argumentatie door
de tot nog toe aangevoerde argumenten hem niet hebben sommige voorstanders van deze laatste zienswijze valt
overtuigd. moeilijk aan de sterke indruk te ontkomen, dat zij heel wat
Ook mag niet uit het oog worden verloren, dat het aantonen materiaal a priori volgens een specifieke eenzijdige tendens
van echte of vermeende zwakheden in een bewijsvoering ten hebben geselecteerd of genegeerd ofwel op een al te
gunste van het bestaan van iets nog geenszins de waarde van summiere of oppervlakkige wijze hebben gepresenteerd,
een tegenbewijs heeft, d.w.z. een bewijs is dat het niet heeft terwijl zij zich - blijkbaar vanuit diezelfde gezichtshoek -
bestaan. Derhalve mag het eventueel [subjectief] overtuigd aanmatigden om tijdgenoten, die tot een andere conclusie
zijn van de ongeldigheid van de tot nog toe aangevoerde zijn gekomen, ”weinig kritisch” te noemen.
argumenten vóór het bestaan van bokkenrijdersbenden niet De gruwzame folteringen en de barbaarse straffen, die in
worden gezien als een [objectief] geldig bewijs voor de verreweg de meeste gevallen zelfs niet bij benadering in
bewering dat het bestaan van bokkenrijdersbenden niets verhouding tot de ”bekende” of bewezen misdaden stonden,
anders dan een ”mythe” zou zijn. De ontkenning van het blijven een schandelijke episode in de geschiedenis van onze
bestaan van bokkenrijdersbenden is in eerste instantie contreien. Het plaatsen van de betreffende autoriteiten in
gebaseerd op de opvatting, dat elke door de gevangenen hun eigentijdse culturele sfeer en mentaliteit maakt hun
afgelegde bekentenis reeds bij voorbaat als volledig gedragingen wel begrijpelijker maar kan nauwelijks als een
onbetrouwbaar of vals van de hand zou moeten worden verontschuldiging worden aangevoerd. Hoe afstotend die
gewezen, omdat die personen toen ofwel gefolterd ofwel met barbaarsheden en onrechtvaardigheden ook zijn geweest, zij
foltering bedreigd zouden zijn. L. KAHLEN schreef zelfs: mogen niet als basis worden genomen om de geschied-
”Foltergeständnisse sind wertlos. Auf ihnen ein Urteil auf- kundige waarheid geweld aan te doen. Louter uit het feit, dat
zubauen, is ein Verbrechen, größer als die Missetaten, die de rechtspleging toen uiterst primitief en laakbaar was en de
den Bockreiter zur Last gelegt werden” <Kahlen, 163>. menselijke rechten van de ”slachtoffers” op gruwzame wijze
Een argumentatie mag zeker niet met het lanceren van schond, kan niet tot de onschuld van deze laatsten aan de
dergelijke algemene opvattingen of uitspraken beginnen, al hun ten laste gelegde misdaden worden geconcludeerd.
kunnen ze eventueel misschien wel de conclusie van een uit- Ofschoon de [mogelijke] onbetrouwbaarheid van een aantal
gebreide en nauwkeurige detailstudie zijn. Derhalve mag de op de pijnbank afgelegde bekentenissen grif kan worden
algemene zienswijze of benadering, dat alle bekentenissen toegegeven en er zelfs kan worden aangenomen, dat
van de gevangenen geheel en al onbetrouwbaar zouden zijn, [vermoedelijk] sommigen onschuldig werden gestraft, mag
niet a priori als uitgangspunt worden aangenomen of bij toch niet het merendeel en zeker niet alles wat langs die weg
voorbaat als de uiteindelijke maatstaf worden gezien, werd achterhaald, zonder meer van de hand worden
waarmee vermelde feiten en getrokken conclusies op hun gewezen. Slechts door hun eventuele tegenstrijdigheid met
geldigheid worden gemeten. Alvorens die maatstaf mag bekende feiten zal kunnen worden aangetoond of sommige

239

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 240

door de bokkenrijders op de pijnbank afgelegde verklaringen de inhoud van die verhalen noch de omstandigheden,
al dan niet vals waren. Maar zelfs als sommige verklaringen waaronder ze werden verteld, verschaffen ons inziens een
met de werkelijkheid in strijd zouden zijn, zou dat nog niet toereikende basis om ernstig aan hun geloofwaardigheid te
noodzakelijkerwijze inhouden dat alle verklaringen van die twijfelen, laat staan ze als geheel en al ongeloofwaardig te
persoon vals zouden zijn. Uit de verdachtheid van een bron brandmerken. Het is dan ook onverantwoord en onweten-
volgt immers niet per se dat alle daaruit verworven infor- schappelijk om al die details zonder meer terzijde te
matie volledig onbetrouwbaar is. schuiven, louter en alleen omdat ze door gevangenen werden
Ook zou het een verkeerde voorstelling van zaken zijn om verschaft.
alle door de gevangenen verschafte inlichtingen als antwoor- In de polemiek over het al dan niet bestaan van bokken-
den op - onder het toedienen van of het bedreigen met rijdersbenden heeft er blijkbaar een zekere verschuiving
foltering - gerichte of suggererende vragen voor te stellen, plaatsgehad. Sommigen blijken namelijk bereid te zijn een
waarop slechts met ”ja” of ”neen” kon worden geantwoord. bendevorming in het allereerste begin aan te nemen, maar
In dit verband merkte A. BLOK, die een zeer groot aantal blijven categorisch het bestaan van latere georganiseerde
bokkenrijdersprocessen bestudeerde, terecht op: ”Het benden ontkennen. Nochtans is het ook in dit verband
gebeurde herhaaldelijk dat de beklaagde, als hij eenmaal aan onverantwoord om de vele gedetaillleerde en essentieel met
het woord was, dingen ter sprake bracht die hem niet elkaar overeenstemmende verhalen over het afleggen van een
gevraagd waren of antwoord gaf op vragen die hem niet opnemingseed in diverse kapellen voor te stellen alsof zij
gesteld waren” <A. Blok 1991, 13>. Ook valt te benadrukken, dat niets anders zouden zijn geweest dan door de overheid voor-
lang niet alle door de gevangenen verschafte gegevens door gelezen versies, die door de gevangenen louter beaamd of
foltering of onder bedreiging van foltering werden ver- ontkend konden worden.
kregen. Zo hadden diverse confrontaties, waarbij de ene J. CORSTJENS en B. SIMONS hebben dan ook niet alleen
gevangene de andere beschuldigde, niet onder zulke terecht aangevoerd, dat het grote aantal deelnemers aan
condities plaats. Bovendien werden heel wat gesprekken sommige latere overvallen aan gene zijde van de Maas ”een
tussen gevangenen, die dezelfde kerker deelden, afgeluisterd. zekere mate aan organisatie en hiërachie veronderstelt”, maar
Verder hebben sommigen, zoals de oude Math. Ponts, hebben bovendien aangetoond, dat leden van de beruchte
achteraf, toen hun lot al onherroepelijk vaststond, aan- bende van Nolleke van Geleen wel degelijk een eed hebben
vullende details en correcties op vroegere verklaringen mee- gezworen <Corstjens, 53 en 58>.
gedeeld. Het zal de taak van kritische historici dienen te zijn om de
Welnu, bij die ongevraagd verschafte gegevens werden soms bronnen naar hun inhoud, vorm en context nauwkeurig te
feiten en details vermeld, waarvan de ondervragers tot dan analyseren en de beginselen van de gezonde historische
toe geen vermoeden hadden gehad en waarbij de gevangenen kritiek in al hun stiptheid en strengheid bij het bestuderen
geen baat konden vinden. Bovendien kwam een aanzienlijk van de vele details toe te passen, m.a.w. het is de taak van
gedeelte van de door de gevangenen verschafte gegevens ernstige geschiedvorsers om - voor zover mogelijk - de
enerzijds overeen met hetgeen uit de mond van de slacht- betrouwbaarheid of onbetrouwbaarheid van elk detail nauw-
offers bekend was en/of anderzijds met wat door andere keurig en onbevooroordeeld af te wegen en tevens goed
gevangenen op andere plaatsen tegenover andere autoriteiten onderscheid tussen verschillende graden van waarschijnlijk-
werd verklaard <A. Blok 1991, 14>. Daar komt nog bij, dat heid en/of onwaarschijnlijkheid te maken.
sommige gevangenen details mededeelden, waarmee zij Omdat een adequate behandeling van deze controverse al te
slechts door associatie met andere verdachten of door aan- veel ruimte zou opeisen en in een aparte publicatie beter tot
wezigheid op de plaats van het misdrijf vertrouwd konden haar recht zou komen, zal het hier bij bovenstaande
zijn. Zo vermeldde Peter Schols, dat Petri en zijn vrouw bij opmerkingen dienen te blijven. Ook ligt het buiten het
de overval op 4/5 maart 1750 door de Keukelaar met een bestek van dit werk om de betrouwbaarheid van elk in
bajonet werden gestoken <Pijls, 102-103>. De vele details, die verband met de bokkenrijders vermeld detail te demon-
ons inziens op bendevorming wijzen, mogen dus niet door streren. Toch zullen bij de vermelding van sommige ”feiten”
een simplistische argumentatie in de doofpot worden voorzichtigheidshalve de bekentenissen van gevangenen als
gestopt, maar dienen volgens de regels van de historische de eigenlijke informatiebron worden opgegeven. Daarbij zal
kritiek te worden getoetst. echter aan door meerdere gevangenen vermelde en onderling
Een essentieel aspect vertegenwoordigen de door verschillen- met elkaar overeenstemmende details een grotere betrouw-
de personen op geheel verschillende plaatsen en tijden baarheid worden toegekend dan aan ”gegevens”, die slechts
verschafte, maar op wel erg frappante wijze met elkaar over- door een enkele gevangene werden verschaft.
eenkomende, details over de wijze en de omstandigheden Daar ik - wegens de hierboven uiteengezette redenen - de
van het afleggen van een opnemingseed in privé-huizen, argumenten vóór het bestaan van bokkenrijdersbenden als
zoals de vermelding van een afgekapte mensenhand, waarin heel wat overtuigender dan de tot nog toe aangevoerde
een brandende kaars was geplaatst, bij de eerste bende. Zo’n tegenargumenten beschouw - zullen de hier volgende uit-
eed is immers het bewijs van bendevorming. Welnu, noch eenzettingen grotendeels in het voetspoor worden gehouden

240

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 241

van wijlen mijn ter zake deskundige vriend en medewerker Handtekeningen van Willem de Gavarelle en secretaris Reinier
GERARD RAMAEKERS. Corten onder een document van 6 juni 1736 <Foto M. Verjans>.
De bokkenrijders, die reeds door andere auteurs met naam
en toenaam werden vermeld, zullen ook hier met hun volle Geleen woonde, en als ontvanger van in- en uitvoer-
naam worden geïdentificeerd. Doch de door andere auteurs belastingen van Spaans Valkenburg vaak op de doorlaatpost
niet vermelde personen, wier [verondersteld] lidmaatschap op de Lichtenberg bij Schaesberg verbleef. Of die jonker
in de jaren zeventig van de achttiende eeuw louter en alleen reeds vóór 1736 aan de ”woeste avonturen” van de bokken-
uit verklaringen van [veronderstelde] medeleden bekend is, rijders deelnam, is niet met zekerheid uit te maken. Doch de
maar die daarvan door de autoriteiten niet officieel werden mededelingen uit 1732 en 1733, dat hij ”op den Scheyt
beschuldigd, zullen hier enkel met hun voornamen en de [= Schaesberg] als ontfanger is residerende... op den
initialen van hun achternamen ofwel met hun bijnamen Lichtenbergh exercerende het ampt van ontfanger van Sijne
worden aangeduid. Majesteyts rechten ten comptoire van de Lichtenbergh”,
De naam ”bokkenrijder” werd reeds door tijdgenoten aan versterken in belangrijke mate de geloofwaardigheid van de
beide zijden van de Maas in 1773, 1774 en 1779 gebruikt door een gevangene verschafte ooggetuige-informatie, dat hij
<PSHAL 1887, 269. - JanssenSang, 84. - Sleinada, 61-62>. Door sommigen rond die tijd met een dievenbende in die streek samen-
werd hij met magische praktijken - o.a. een door de lucht werkte.
rijdende [satanische] bok - in verband gebracht. Het is Sedert 1736 oefende hij de functie van ”ontfanger van Sijne
echter niet duidelijk of het toekennen van magische prak- Majesteits in- en uytgaende rechten ten comptoire in
tijken aan het geven van de naam ”bokkenrijder” voorafging Geleen”, d.w.z. in zijn eigen huis, uit; naar zijn beroep werd
dan wel daarop volgde. Zolang de herkomst van die hij ook ”cantoormeester” genoemd. Daar zijn huis vlak bij
benaming niet vaststaat, kan bij wijze van suggestie, maar de kerk en de pastorie lag en hij bovendien een naaste buur
niet als een historisch of taalkundig bewijs, worden verwezen had, die in hetzelfde complex woonde, is het geenszins
naar het foltertuig ”de bok” - een enigszins op een geitenbok verwonderlijk, dat de kerk van Geleen door de bokkenrijders
gelijkend houten toestel, waarvan de ”rug” of zit uit een in werd gespaard of geschuwd; de aanvoerder zal immers elk
de lange weg opstaande en naar boven spits toelopende eiken persoonlijk risico hebben willen vermijden.
plank bestond - waarop beschuldigden schrijlings werden Willem de Gavarelle werd op 25 januari 1692 te Stein
geplaatst, terwijl gewichten aan hun voeten hingen <Cock, 77- gedoopt als zoon van Reinier Philip de Gavarelle en Maria
78 en 86-87>. Meuris of Muris. Hij werd door een tijdgenoot beschreven
als ”lang van postuyr... met vlesachtige [= blonde] bijeen-
Het vroegste optreden van de bokkenrijders (1732-1743) gebonden hairen”. Sommige Geleners noemden hem ”het
De kerkdiefstallen te Wijnandsrade (1732), Jabeek (1734), Gravelke”, terwijl hij door gevangen leden van zijn bende
Oirsbeek (1735) en Bingelrade (1735) behoren tot de ”den dicksack” en ”dien dicken achter de Kercke” werd
vroegst bekende inbraken in onze contreien, die men aan de genoemd <Pijls, 58 en 110-112>. Op 25 februari 1718 huwde hij
bokkenrijders heeft toegeschreven. De kern van de eerste te Stein met Anna Maria van Hoven, kleindochter van
groep dieven blijkt hoofdzakelijk te hebben bestaan uit aan drossaard Jan van den Stock. Het jonge echtpaar betrok de
elkaar verwante vilders, en alles wijst erop, dat toen Mathijs noordelijke helft van het huis Maes aan het kerkhof te Oud-
Ponts uit Hoensbroek de hoofdfiguur is geweest. De Geleen.
bewering, dat de eerste kern van de bende zou hebben Bij de deling door de vier erfgenamen Van Hoven in 1721
bestaan uit groepjes vreemde afgedankte soldaten, die in kreeg Anna Maria van Hoven, de echtgenote van Willem de
deze streken bleven hangen <Bouten, 19>, is op geen enkel Gavarelle, het meest noordelijk gelegen vierde deel van het
bekend authentiek document gebaseerd en is zelfs met de
beschikbare gegevens in strijd.
Ofschoon weinig over de interne organisatie van de eerste
dievenbenden bekend is, lijkt er aanvankelijk geen algemene
leider van degenen, die later als bokkenrijders werden
aangeduid, te zijn opgetreden. De beschikbare gegevens
wijzen veeleer op regionale groepen in de Landen van
Valkenburg en ’s-Hertogenrade, die aanvankelijk elk hun
eigen leider(s) hadden en vooral in eigen streek optraden,
maar waarvan sommige leden af en toe aan diefstallen door
andere groepen deelnamen.

Jonker Willem de Gavarelle
Genoemde Mathijs Ponts blijkt te zijn gaan ”samenwerken”
met jonker Willem de Gavarelle, die aan het kerkhof te

241

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 242

huis Maes toegewezen, waarna haar zuster Maria Carolina niet vermeld. Luitenant Gadé deed hem in 1736/37 een
Margaretha van Hoven en haar echtgenoot Peter Erckens het proces aan wegens wanbetaling.
daaraan grenzend vierde deel voor 575 gulden aan haar en Zelfs zijn dienstmeid Maria Gijseman klaagde op 29 mei
haar man verkochten. De zuidelijke helft - met in ankers het 1737, dat zij na anderhalfjarige dienst de haar beloofde jaar-
jaartal 1623 - werd op 11 maart 1726 door de beide andere lijkse vijf patakons nog steeds niet had ontvangen.
erfgenamen Van Hoven aan Lambert Pijpers en diens vrouw Bovendien voerde de Gavarelle een jarenlang proces tegen
verkocht. advocaat [De] Lambermont te Elsloo.

Het gedeelte van de ”spekmuur” links (noord) van de deur was Oorspronkelijke ramen op de eerste verdieping in de oostelijke
de westelijke gevel van de woning van Willem de Gavarelle aan gevel van het complex aan het oude kerkhof te Oud-Geleen,
het oude kerkhof te Oud-Geleen. De deur en de ramen aan de waarvan de woning van Willem de Gavarelle een onderdeel
kerkhofzijde zijn niet oorspronkelijk. Het nieuwe gedeelte geheel uitmaakte <Foto M. Verjans>.
links dateert van circa 1900 <Foto door de schrijver>.
Leider van een dievenbende
In de noordelijke helft van dat complex werden de vijf Volgens het latere getuigenis van een lid der bende nam
kinderen van het echtpaar de Gavarelle-Van Hoven geboren, Willem de Gavarelle in een voorjaarsnacht van 1736 deel
nl. Maria Theresia (ged. 23-3-1719), Johanna Elisabeth aan een bijeenkomst op de Heksenberg bij Heerlerheide,
(ged. 28-12-1721), Winand Walraaf (ged. 6-6-1724), Rosa waarbij ook de hierboven genoemde vilder Mathijs Ponts en
(ged. 24-9-1727) en Maria Margaretha (ged. 15-10-1729). diens zonen uit Hoensbroek en een aantal mannen uit
De moeder van deze kinderen overleed reeds op 13 oktober Schinnen aanwezig waren. In een ”delle” zaten twaalf tot
1733. Op 16 mei 1734 hertrouwde Willem de Gavarelle met dertien mannen in een kring, terwijl jonker de Gavarelle en
Anna (of Maria) Josephina Olijslegers; zij zou op 20 Geerling Daniels uit Wolfhagen (Schinnen) in het midden
december 1744 overlijden. stonden. De laatstgenoemde hield een afgekapte mensen-
Willem de Gavarelle was blijkbaar een twistziek man, die hand vast, waarin een brandende kaars stak. Eerst legde de
lange tijd met zijn familieleden, buren en plaatsgenoten in Gavarelle de opname-eed in handen van Daniels af en
onmin leefde. Met Sibilla Cornelia van den Stock, een tante daarna keerden zij de rollen om.
van zijn eerste vrouw, en met zijn zwagers B. de Preez en ”Waernaer dese twee, den eenen naer desen kant, den andere
P. Erckens geraakte hij in processen verwikkeld. Ook met naer de andere sijde gingh, ende den voorz. eed den eenen
andere Geleners kreeg hij het aan de stok. Toen hij op 17 voor, den andere naer van gem. rink tot den lesten toe
juni 1726 een aan Janis Keulers toebehorende gans in zijn afnaemen”. Iedere aanwezige stak de wijs- en middelvinger
veldvruchten aantrof, wist hij die met een worp te doden. op, ”sweerende God en alle heiligen af en den duivel toe, en
Ter compensatie wist de benadeelde eigenaar drie borden en niemand te sullen verklappen op straffe van gehakt en gekapt
een schotel uit het huis van de Gavarelle te halen. De 52- te sullen worden tot den doodt toe”. Daarna schreef Daniels
jarige Jan Luyten, die hij op 4 juni 1730 ’s avonds om tien de namen van de beëdigden in een boekje en sprak
uur vóór de poort van het huis de Preez in de Dorpstraat met ”kapitein” de Gavarelle hen een woord van gelukwens en
een stok had gestoten, noemde hem niet alleen een aanmoediging toe.
”schelmen jonker” maar klaagde hem ook bij het gerecht Vervolgens gingen de Gavarelle en Daniels met de oude
aan. In 1732/33 werd hij door zijn buurman Pijpers voor het vilder Mathijs Ponts naar diens huis in de Akerstraat te
gerecht gedaagd, omdat hij zich aan diens vrouw had Hoensbroek om de kerkdiefstal te Amstenrade, die in mei
vergrepen; de juiste aard van dit ”forfeyt” [= misdrijf] werd 1736 zou plaatshebben, te beramen. Volgens een paar

242

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 243

deelnemers uit Schinnen was de Gavarelle bij die diefstal de gewezen. VAN DE VENNE plaatste dit feit ten onrechte te
eigenlijke aanvoerder. Waarschijnlijk was dit ook het geval Aphoven ten zuiden van Heinsberg <Hoensbroek, 203-207>,
bij de daaropvolgende kerkinbraken in naburige plaatsen. terwijl GIERLICHS het dievenechtpaar Cörver-Timmermans,
Deelnemers verklaarden, dat hij zijn gezicht zwart maakte dat te genoemd Aphoven woonde, abusievelijk te Abshoven
om door zijn eigen bendeleden niet herkend te worden <Pijls, bij Munstergeleen thuisbracht <RJ 1938, 191>.
15-16, 40>.
De eerste bokkenrijdersbende opgerold (1741-1744)
In 1741 werd te Merkstein (D.) een paardendief gevangen
en op grond van zijn bekentenissen werd daarna een groot
aantal personen gearresteerd, onder wie ook inwoners van
Schinnen. De processen leidden tot veroordelingen en terecht-
stellingen. Op 17 december 1743 werden op de Danikerberg
vijf bendeleden uit Schinnen aan palen gewurgd en daarna
verbrand. Te Geleen gebeurde toen niets van dien aard.
De gefolterde, veroordeelde en gevierendeelde vilder
M. Ponts blijkt de Gavarelle niet verraden te hebben, want
diens naam komt niet als zodanig in de door hem
opgenoemde lange lijst van ”complicen” voor. Nochtans
sprak hij van een ”kerel met een boordt op sijn hoedt, dien
hij niet gekent heeft, ende vermeent eenen officier geweest te
sijn”. Gezien de dominerende rol van Ponts is het echter niet
waarschijnlijk, dat hij een ”officier” niet met naam zou
hebben gekend. Bijgevolg kan men terecht vermoeden, dat
dit de Gavarelle was en dat Ponts hem wilde beschermen.
Wel werd de Gavarelle door anderen verklapt, maar de
Geleense autoriteiten schonken daar blijkbaar aanvankelijk
niet voldoende geloof aan om tegen hem op te treden.
PIJLS vermeldt, dat Willem de Gavarelle aanvankelijk door
de secretaris [en latere drossaard] Reinier Corten in de
processtukken van andere bokkenrijders, die hem
beschuldigden, als N.N. [= non nominandus = niet met naam
te noemen] werd aangeduid. Het door die auteur veronder-
stelde en door BLOK overgenomen motief, dat genoemde
secretaris dit zou hebben gedaan, omdat hij ”een aangehuwd
familielid” van de Gavarelle zou zijn geweest <Pijls, 25. - A. Blok
1991, 294>, is echter met de feiten in strijd; er bestond tussen
hen immers geen enkele nabije of verre verwantschap.

Abshoven in 1659 naar een tekening door de landmeter Het Cortenhuis te Lutterade afgebrand (1744)
Gerlach Daniels uit Hillensberg (D.). De Geleenbeek is hier Nadat Reinier Corten circa 1740 tot secretaris van het graaf-
slechts de loop van rechtsonder naar linksboven. De waterloop schap Geleen in ruime zin was benoemd, ging hij met zijn
ter zijde van de hoeve is de vloedsgraaf, die tot in onze tijd het gezin op het kasteel te Amstenrade wonen. Daar was hij in
water van de Putterberg naar de beek heeft afgevoerd <Archief die functie ten nauwste betrokken bij de vervolging van de
abdij Godsdal (Val-Dieu), (B.)>. bokkenrijders uit de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum.
Welnu, dit zou hem duur te staan komen.
Inbraak door een andere groep te Abshoven (1739) Volgens de overlevering onder zijn nakomelingen hadden de
In de nacht van 2/3 december 1739 werd door een groepje volgende feiten plaats. Nadat Rode Jan en Dirk de Knol van
vreemdelingen onder de leiding van Ernest Mistarius te Schinveld in de Galgenkoel te Schrieversheide waren
Abshoven onder Munstergeleen ingebroken <Abshoven, 42-44>. opgehangen, zonnen hun respectieve zusters Koba en de
De van die diefstal beschuldigde personen komen in de Schele Ida op wraak. Op een avond begaven zij zich naar het
getuigenissen van de bokkenrijders niet voor. Wel kan in dit ouderlijke huis van secretaris Corten in de Onderste
verband op een merkwaardige dubbele verwisseling worden Dorpstraat [= Geenstraat] te Lutterade, waar zijn bejaarde
moeder nog woonde. De twee vrouwen wierpen lonten in de
schuur en de koestal, zodat het complex al vlug in lichter-
laaie stond. Er kon slechts weinig vee en maar een deel van

243

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 244

het meubilair worden gered. Ook ging toen vermoedelijk de soldaten en de gebroeders Bellaerts van Geleen. De soldaten
vlak ernaast gelegen woning van de gerechtsbode Giel kregen zulke rake klappen, dat een van hen, ene Joannes
Eummelen in vlammen op. De weduwe Ida Corten-Penris Potwijck, er het leven bij inschoot. Uit de woonplaats van de
overleed niet lang nadien op Allerzielen [= 2 november] getuigen valt op te maken, dat die ruzie in de Jodenstraat
1744. plaatshad, maar het lijk werd op oudejaarsavond ”onder de
Ofschoon de overheid ervan overtuigd was, dat dit het werk jurisdictie van Schinnen” - misschien in het Schinnense
van bokkenrijders of van hun trawanten was geweest en zij gedeelte van Daniken - aangetroffen. De beschuldigden
zelfs verdenkingen tegen bepaalde individuen koesterde, maakten zich uit de voeten en bleven voortvluchtig <LvO nr.
werd niemand gearresteerd. Volgens RUSSEL zouden de 1246>.
aanvankelijk door de overheid verdachte personen niet de In 1745 vond keizerin Maria-Theresia bondgenoten in de
ware schuldigen zijn geweest. Nadat beide Schinveldse Hollandse Republiek en Engeland. Maar de Fransen ver-
vrouwen ook het pasgebouwde huis van schepen Palland te sloegen nog in datzelfde jaar een Staats-Engels leger bij
Brunssum in de as hadden gelegd, werden zij door dorps- Doornik (B.) en rukten daarna op in de richting van
genoten verraden. En toen zij op het punt stonden voor deze Maastricht met het doel zich met het Pruisische leger te
misdaad met hun leven te boeten, bekenden zij tegenover verenigen. Op 20 augustus 1746 waren ze tot bij Luik
een priester, dat zij ook het ouderlijke huis van de toen- gevorderd. Onder dreiging van brandschatting eisten zij van
malige secretaris Reinier Corten te Lutterade in brand de Landen van Overmaas 2.000 aangespannen karren.
hadden gestoken. Nadat men reeds ten dele aan die eis was tegemoetgekomen,
PIJLS en andere historici hebben de feitelijkheid van die arriveerde prins Karel van Lotharingen met een Hongaars
brand in twijfel getrokken; zij meenden, dat sommigen leger, dat de belangen van de jonge keizerin verdedigde. Hij
- blijkbaar op basis van het jaartal 1751 in de nieuwe gevel beval, dat men de geleverde karren en paarden zou terug-
van het huis Corten - de in dat jaar gepleegde brandstichting roepen.
in de woning van drossaard Duycker te Raath foutief te Op 14 september 1746 overleed te Geleen een ridder
Lutterade lokaliseerden <Pijls, 95>. In de Geleense archieven is Deschidi, die als luitenant in het huzarenregiment van
echter op 28 april 1745 sprake van ”de plaetse van het genoemde prins Karel diende; wegens zijn afkomst werd hij
affgebrande huijs van de erffgenamen Corten” te Lutterade. in de kerk begraven.
Pas in 1751 zou ter plekke een nieuw complex worden Op 21 september 1746 rukte overste Von Birckenvelt met
voltooid. Het verhaal over die brandstichting werd door JOS. 80 kurassiers, benevens ”de vreule dochters van den heere
RUSSEL (*16-12-1829), achterkleinzoon van drossaard overste van Birckenvelt, bij hun hebbende 4 meyden en 8
Corten, die in zijn jeugd lange tijd bij zijn grootouders in het domestiquen en 4 peerden”, Geleen binnen. Dit gezelschap
”Drossaardhuis” verbleef, uit de familietraditie opgetekend. vertrok weer op 7 november. Op 5 oktober 1746 overleed te
Ofschoon hij de details van dit verhaal in een dramatische en Geleen een van de kurassiers; maar hij vond zijn laatste rust-
blijkbaar ten dele verzonnen context plaatste, komt de kern plaats blijkbaar niet in de kerk. Op Allerheiligen [1 novem-
toch heel aannemelijk voor, en dit temeer omdat elke ber] 1746 hadden markies de Doins en luitenant-kolonel
informatie, die in een andere richting wijst, ontbreekt <Russel markies Francisco de Los Rios met hun regiment te Geleen
1860, 43; 1877, 43; 1878, 28-29 en 54>. hun intrek genomen. Ook een pater-aalmoezenier vergezel-
de hen en verschillende van die krijgslieden brachten zelfs
De Oostenrijkse Successieoorlog ook te Geleen voelbaar vrouw en kinderen mee. In het huis Dullens [ten westen
(1740-1748) naast het kerkhof] werd de ”staaf- off vendrigswachte”
Op 20 oktober 1740 was keizer Karel VI van Oostenrijk gelegerd. Op 5 november arriveerden tien schoenmakers.
overleden. Daar Frankrijk, Beieren en Pruisen een andere Toen deze met nieuwjaar 1747 vertrokken, namen zeventien
drager van de keizerskroon dan diens dochter Maria- kleermakers hun plaatsen in. Tevens werd te Geleen een
Theresia verlangden, ontstond de z.g. Oostenrijkse lazaret ingericht, dat de som van bijna 3.000 gulden op de
Successieoorlog. Aanvankelijk bleven deze gewesten van Geleense begroting bracht.
krijgsgeweld verschoond, maar vanaf 1743 lagen reeds veel Geleen was ook een van de plaatsen, waar de nieuw aan-
keizerlijke troepen in Geleen. geworven rekruten voor het keizerlijke leger moesten
Een overste en zijn soldaten werden door burgemeester monsteren, de eed van trouw aan keizerin Maria-Theresia
Welter Crousen op de grote hoeve van Lutterade aan de afleggen en zich een ”montoer” [= uniform] laten aanmeten.
Geenstraat ondergebracht. Toen de proost van Reichenstein Zo verschenen in de herfst van 1746 te Oud-Geleen 254 en
daartegen bij de drossaard protesteerde, verklaarde Crousen te Lutterade 300 rekruten; in het begin van 1747 kwamen er
op 13 november 1743, dat hij dit had gedaan ”alleenelijck nog 200 naar Geleen. Na aan de eerste plichten van hun
om de arme moije [= vermoeide] soldaeten gelijck oock de inlijving in het leger te hebben voldaan, moesten ze
heeren officiers van straeten te helpen ende sijnen rugge van exerceren en afmarcheren naar Roermond, waar het krijgs-
slaegen te bevrijen” <LvO nr. 1278>. commissariaat was gevestigd. Op 30 maart 1747 rukte nog
Op 28 december 1744 ontstond er ruzie tussen twee een compagnie Lutterade binnen, maar dit en ook al het

244

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 245

ander krijgsvolk, dat in het graafschap Geleen in winter- Keizerin Maria-Theresia (1717-1780) <Door Martin van Meytens,
kwartier lag, vertrok ’s anderendaags. Nauwelijks was het aan Akademie der Bildenden Künste, Wenen>.
de horizon verdwenen of luitenant Brisson legerde zich nog
diezelfde dag met 112 rekruten te Geleen. Hij bleef slechts Bisschoppelijke vermaningen (1745)
vier dagen. Na de ontvangst van een klachtbrief uit Geleen kwam
Engelse en Hannoverse troepen, die de zijde van de jonge bisschop Van Werbrouck uit Roermond op tweede kerstdag
keizerin hadden gekozen, legerden zich naast Oostenrijkse 1745 naar Geleen om er bijna drie dagen door te brengen.
troepen in en rond Geleen. Bijna dagelijks passeerden leger- Hij hield er niet alleen besprekingen met de geestelijkheid
onderdelen, die provisie van de Geleners opeisten. Op 2 juni van Geleen, Beek en Geulle en diende aan een aantal van
1747 versloegen de Fransen het geallieerde leger tussen hun parochianen het vormsel toe, maar wees ook de pastoor
Laeffelt (B.) en Vlijtingen (B.), ten zuidwesten van van Geleen op zijn verplichtingen tot geregeld preken en het
Maastricht. Daarop werden de verslagen troepen zoveel geven van catechismuslessen en vermaande zowel twee van
mogelijk ten oosten van de Maas teruggetrokken. Weer diens assistenten als de beide beneficiehouders om voortaan
hielden de doortochten van krijgsvolk aan. In september van een voorbeeldiger leven te leiden en vooral niet publiek te
dat jaar trok wachtmeester Von Noppert met 1700 huzaren veel te drinken en kaart te spelen <TsHKVGel 1985, nr. 3, 119-139>.
en 1800 paarden Geleen binnen en eiste voor zijn mensen en
dieren voor een dag de kost <Msg 1921, 18-20>. Grote ”sterffte onder de beesten” (1745-1748)
Wegens de grote hitte en de sterke droogte, die van begin De zogenaamde runderpest, die in 1745 in Holland uitbrak
mei tot eind augustus 1747 aanhield, hadden de bewoners en zich snel verspreidde, bereikte in de herfst van dat jaar
van deze streken nauwelijks genoeg voedsel voor zichzelf en ook onze gewesten. Een tijdgenoot schreef: ”Den heere
hun vee. Bovendien bracht het vreemde krijgsvolk besmette- Drossart Duyckers uyt het Raeth sijn gestorven in de dertig
lijke ziekten mee. Van 17 september tot 13 oktober 1747 stuck. Dese peste is gewest in de stallen van het Casteel
stierven in Spaubeek 27 mensen aan dysenterie. Te Geleen Amstenraedt... Niet een dorp van het geheel landt
stierven in diezelfde periode elf personen, maar bij geen van Valckenborgh is mij bekent dat soude vrij sijn geweest van
hen wordt de doodsoorzaak vermeld. deze peste der be(e)sten. Eenige stallen sijn tweemaal uyt
In november kwamen de regimenten van de Los Rios en gestorven”. De pastoor van Spaubeek noteerde: ”In den
Wurmbrandt in het Land van Valkenburg hun winter- winter 1746-1747 heerstte alhier eene kwaadaardige ziekte
kwartieren betrekken. Aan hun aanwezigheid kan wellicht onder het vee... vele koebeesten stierven”. Daarna werd
worden toegeschreven, dat in maart 1748 een korte opleving genoteerd, dat rond Sintermeis [= Sint-Remigius: 1 oktober]
van dysenterie plaatshad. Nadat die troepen in het voorjaar
van 1748 naar Maastricht waren opgerukt, werden ze door
de Fransen naar het noorden verjaagd. Deze keizerlijke
troepen eisten veel karren om een deel van hun legertros naar
Roermond te vervoeren.
Op 11 april 1748 sloegen de Fransen het beleg om
Maastricht. Veel omwonenden werden door hen opgevor-
derd om aldaar te gaan ”botten”. Op 16 april kwam een
bende van die belegeraars naar het kasteel van Sint-
Jansgeleen en roofde er tien vaten gerst, twaalf hoenders,
zestien eenden, een ”sjroet” [= kalkoen], een ham, een ton
bier en zestien kazen. Ook sloegen ze een kist open en
namen voor vijftig gulden aan lijnwaad en kleren van de
pachter mee. De Geleners sloeg de schrik om het lijf; in aller-
ijl brachten zij zakken meel en graan en kisten met kleren en
voorwerpen van waarde naar de kerk. Ofschoon die kerk
toen dag en nacht bewaakt werd, slaagde de scharenmaker en
(toekomstige) bokkenrijder H. Glaesmakers er in om,
geholpen door zijn vrouw, een zak rogge uit de kerk te stelen.
Op 7 mei 1748 werd Maastricht door de Fransen
ingenomen en vanaf 10 mei marcheerden andermaal keizer-
lijke en Staatse troepen op hun terugtocht via Geleen naar
het noorden; zij werden door de Fransen op de voet gevolgd.
Maar tot algemene vreugde werd op 18 oktober 1748 te
Aken de vrede gesloten. Maria-Theresia bleef onze keizerin.

245

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 246

1748 ”deese kranckheijt is nog geweest ontrent Sittaert, De oude bokkenrijdersbende bijeengeronseld en
Broecksittaert, Wintraek, in Sittaert etc.” <JPGL 1907, 222-223>. uitgebreid
Volgens pastoor Heimbach heerste die epidemie toen ook te Verscheidene leden uit de eerste bende, die de vervolging van
Geleen <BAR>. 1741-1744 hadden overleefd, werden door Geerling Daniels
weer bijeengebracht. Bovendien werd de hernieuwde bende
Nieuwe problemen voor Willem de Gavarelle met een aantal te Geleen wonende personen uitgebreid <Pijls,
Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) was 20-22. - Ramaekers, 64-69. - A. Blok 1991, 287-297>. Daar de leiding in
blijkbaar een aantal gevluchte bokkenrijders teruggekeerd, handen van de aanvoerders van de eerste bende bleef, is de
maar het gerecht liet hen ongemoeid. Misschien was ook aanduiding ”tweede” bende niet geheel accuraat. Sommigen
Willem de Gavarelle enige tijd afwezig. Het is niet bekend of hebben de herleefde eerste bende - met het oog op een latere,
hij thuis was, toen zijn tweede echtgenote op 20 december uitgebreidere bende - een tussenbende genoemd.
1744 overleed. In elk geval verbleef hij kort nadien in zijn In onze contreien bleek Willem de Gavarelle weer de voor-
woning aan het kerkhof te Oud-Geleen. naamste figuur te zijn. Hij wist zijn neef Jan Winand de
Zijn zoon Winand Walraaf trad als kadet in het regiment van Preez, zoon van schepen Baltus of Balthazar de Preez († 25-
luitenant-generaal Smitsaert in dienst van de Staten-Generaal. 11-1746) en Sibilla Agnes van Hoven, die het ambt van
Toen zijn vader hem het daartoe benodigde geld weigerde te secretaris te Vaesrade bekleedde en die bij zijn tweede
geven, verkocht hij op 23 april 1746 een deel van zijn te huwelijk als getuige had gefungeerd, over te halen om een
verwachten erfenis voor 100 gulden aan zijn oudste zuster van zijn assistenten te worden. Diens achternaam komt in de
Maria Theresia. Zijn militaire loopbaan kwam echter al archieven in allerlei variaties voor en ofschoon de versies du
spoedig ten einde, want hij overleed reeds op 27 januari 1747. Preez en Duprez taalkundig juister lijken, schreven de leden
Twee van de vier dochters van Willem de Gavarelle verbleven van die familie zelf meestal de Preez. Daarom zal deze
destijds te Maastricht. Elisabeth of Liebeke de Gavarelle was spelling worden aangehouden.
met Renier Vermin gehuwd en woonde in de Smedenstraat PIJLS meende aan de medeplichtigheid van de jonge de Preez
aldaar. Haar zuster Maria Theresia de Gavarelle had blijkbaar te moeten twijfelen, want ”deze behoorde tot den deftigen
door bemiddeling van haar oom Petrus Dionysius de stand en had den titel van jonkheer” <Pijls, 2>. Maar die auteur
Gavarelle, die rentmeester van de Heer van Stein was, een heeft blijkbaar de criminele archieven van het graafschap
plaats als huishoudster op dat kasteel verworven. Omdat zij Geleen niet goed geraadpleegd. De tegenovergestelde
hem in zijn laatste ziekte had bijgestaan, liet die Heer bewering van MELCHIOR, dat de Preez ”de hoofdaanvoerder”
(† 6-2-1747) haar een legaat van 3.000 gulden. Zij wist zich zou zijn geweest <Melchior, 115>, is beslist onjuist.
van een adequate vergoeding van haar diensten te verzekeren Winand de Preez blijkt - evenals zijn oom - geen gemakke-
door meerdere wagens met huisraad uit het kasteel van Stein lijk heerschap te zijn geweest. Toen hij eens Hendrik
naar haar zus te Maastricht te brengen. Vervolgens nam zij Glaesmakers [de latere bokkenrijder] op ”seumeren” [= aren
daar haar intrek. Op 14 april 1747 werd zij burgeres van lezen] op een akker van zijn ouders betrapte, sloeg hij hem
Maastricht en op 10 mei 1748 trouwde zij met Frans Meyer, een arm stuk. De verkeerde lokalisatie van zijn woning door
een uit Neys in Silezië [thans Zuidwest-Polen] afkomstig PIJLS, namelijk in hetzelfde huis als de Gavarelle aan het
joods koopman, die tot het katholicisme overging <LimLe 1962- kerkhof <Pijls, 24 en 58>, werd door BLOK overgenomen <A. Blok
63, 97. - Munsters 1979, 39, 68 en 115>. 1991, 294>. De familie de Preez woonde evenwel in de vroegere
Nadat Willem de Gavarelle in januari 1747 een hypotheek woning van drossaard Van den Stock [het latere huis Hoofs]
op zijn goederen te Stein had moeten nemen, omdat de in de Dorpstraat [Marcellienstraat], tegenover ’t Straatje.
termijn van een lening verstreken was, vroeg hij op 22 maart Ook Leonard of Lintgen Willems, bijgenaamd ”Capitein
1747 voor het gerecht de scheiding en deling van de Peter”, schijnt een nieuw lid te zijn geweest. Wegens die
nagelaten goederen van zijn schoonouders ten gunste van bijnaam werd hij door sommige auteurs tweemaal vermeld
zijn kinderen aan. Ofschoon die deling geen doorgang vond, en ook wel eens met de Gavarelle verwisseld. Hij was sloten-
omdat zijn dochters niet kwamen opdagen, zou hij toch de maker en woonde aan de noordzijde van de Eindstraat dicht
hand op een deel van de erfenis van zijn kinderen weten te bij de plek, waar thans het overgebleven stuk van die straat
leggen. Christina Levina van Hoven maakte op 1 oktober op de Schuttersstraat en de Van Banninglaan uitkomt. Een
1748 te Wyck-Maastricht haar testament, waarbij zij een medelid zei, dat hij ”rond en fraai van aangezicht” was en
deel van haar nalatenschap aan de dochters van wijlen haar zijn zwartbruine haren bijeengebonden droeg, terwijl een
zuster Anna Maria van Hoven, eerste echtgenote van Willem andere hem beschreef als ”redelijk lanck van postuijr,
de Gavarelle, schonk. Als voogd van zijn minderjarige hebbende lange smisachtige bruyne haijren, rondt ende
kinderen Rosa en Margaretha maakte hij zich van hun blanck van aengesigt” <Pijls, 25 en 75>. Buurman Henske
erfdeel meester. Vermoedelijk gebruikte hij dit om het Willems was niet alleen een collega van Leonard in diens
bedrag, dat hij van de gezusters Gadé op de Vuling had ambacht, maar ook in het stelen. Hij werd beschreven als
geleend, terug te betalen. Die terugbetaling zou tot een ”sijnde langh van postuijr, hebbende swerte smiesige haijren
overval op die gezusters leiden. ende swert van aengesight, op sijne rechte wange draegende

246

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 247

een lijnteecken [= lidteken], waerop hij over langen tijdt eens cremer” en ook hij woonde te Krawinkel; maar soms verbleef
gevallen is, woont dight bij voors. Peter offte capitain aen hij te Heisterbrug onder Schinnen of elders.
desen kant [in de richting van de kerk] op de rechte handt Of ook inwoners van Lutterade tot de herleefde bende
tusschen de poorte van Antoon Penris ende gemelde toetraden, valt niet met zekerheid te zeggen. De marskramer
capitain, getrouwd sijnde met de dochter aldaer uijt het Martin Latin - vader van Jean Latin en schoonvader van
huijs, wesende een slottmaecker, maeckende brughslooten” Bernard Spirlet en van Jacques du Jardin, bijgenaamd ”de
<Pijls, 76>. Keukelaar” [= goochelaar] - die destijds met zijn vrouw te
Een blijkbaar ijverig lid was de reeds eerder genoemde Beekhoven verbleef, zou eveneens lid zijn geweest <Pijls, 21. -
Hendrik Glaesmakers, die op de Pesch woonde en aldaar als Ramaekers, 65-67 en 69>. Daarnaast werden de gelederen van de
knecht bij zijn broer, een scharenmaker, werkte. Hij werd nieuwe bende flink aangevuld met leden uit Spaubeek,
beschreven als ”cort en dick van postuijr, rondt van Grijzegrubben, Ophoven, Broeksittard, Windraak,
aengesight ende een weenigh gekrulte swerte haijren”. Hij Schinnen, Merkelbeek en Schinveld.
was getrouwd met Maria Custers van Daniken. Zijn Volgens het getuigenis van verschillende leden had deze
buurman Joannes Ronden, een slotenmaker, ”hebbende bende een duidelijke gezagsstructuur. Willem de Gavarelle
roodtachtige en weenigh gekrolde haijren”, die de bijnaam was de kapitein, Geerling Daniels uit Wolfhagen fungeerde
”de Pijpe” of ”den Pijper” droeg, werd eveneens lid van die als onderkapitein, terwijl anderen luitenant, sergeant of
bende <Pijls, 21 en 76>. korporaal waren. Ook Leonard Willems alias ”Capitein
Ook de uit Einighausen afkomstige (*1698) Joannes Raets, Peter” speelde een belangrijke rol, zoals uit de volgende serie
soms aangeduid als de ”Hekselsnijder”, sloot zich bij die gebeurtenissen zal blijken.
groep aan. Hij woonde ”op de lincke handt als men van de
capelle [= Kluis] inkomt in het 2e of 3e cleen huijsken” in de Overval bij de gezusters Gadé Op de Vuling (30 juni/1 juli
Pieterstraat. Volgens Hendrik Glaesmakers werden ook diens 1749)
zonen Peter en Joannes lid van de bende <Pijls, 54>. Bovendien Willem de Gavarelle en zijn eerste vrouw hadden met de
werd Gerard Custers alias Sir Jeuxkens [= Gerard zoon van gezusters Josina en Maria Gadé, die op de Vuling, d.w.z. aan
Jacobje], die een zwager van Hendrik Glaesmakers was en in het begin van de Onderste Dorpstraat [=Geenstraat], woon-
het Schinnense gedeelte van Daniken woonde, voor de den, in zo’n goede verstandhouding gestaan, dat Josina in
bende aangeworven. Hij was tien jaar lang als soldaat in 1726 als de peettante van hun enige zoon had gefungeerd.
Staatse dienst geweest en had zich reeds eerder in de stiel van Wegens diezelfde goede verhouding hadden zij Willem een
stelen geoefend; zo had hij eens - tezamen met zijn genoem- niet onaanzienlijke bedrag geleend. Maar hij zou op
de zwager - tien garven tarwe te Abshoven gestolen en was schandelijke wijze misbruik van hun vriendschap maken.
hij een andere keer over de molenboom gekropen om drie Toen hij die som bij elkaar had, ging hij ermee naar de
zakken rogge- en gerstemeel uit de Danikermolen weg te bejaarde dames, telde het geld op tafel neer en zag dat het in
halen. het ”sjaap” [= kast] in de keuken werd gedeponeerd. Daarop
Een bokkenrijder uit het Geleens gedeelte van Daniken zou gaf hij aan zijn mannen bevel om zich rond middernacht van
Willem Nijsten aan de stenen brug over de afslag zijn maandag 30 juni op dinsdag 1 juli 1749 op de Vuling nabij
geweest. Volgens PIJLS was hij slotenmaker <Pijls, 22 en 88>, het huis Gadé te verzamelen.
terwijl hij volgens een andere opgave klompenmaker was. Rond het middernachtelijk uur heerste er grote bedrijvig-
Dit laatste beroep werd wel door sommigen van zijn heid in de Eindstraat. Voordat zij aan de geplande overval
afstammelingen uitgeoefend, maar in 1768 werd zijn zoon konden deelnemen, moesten sommige leden ten huize van
Willem Nijsten van Daniken als slotenmaker opgegeven. de hierboven genoemde Leonard Willems nog de eed
Willem Nijsten werd te Schinnen maar niet te Sint- afleggen. Volgens latere bekentenissen werd die eed ”op
Jansgeleen beschuldigd. Men liet hem ongemoeid; hij order van de Gavarelle” afgenomen <Pijls, 54>. Die ceremonie
overleed in zijn huis te Daniken op 2 november 1760. werd ten dele als volgt beschreven: ”een cleen rondt taefel-
Het contingent uit Krawinkel bestond uit drie personen. ken was bekleet met een witt laeksken, waerop stonden twee
Aan de heide aldaar woonde Joannes Bisschops, die uit brandende keerskens, een cleen crucifixke, een witt steenen
Munstergeleen afkomstig was, en de bijnaam ”Lijbeman de Moedergodtsbildtjen [= beeldje] ende oock die doode handt
Cont” droeg. Aangezien hij met Elisabeth Custers van met [= en] het doosken, ende... hebben doens separatelijck
Daniken was gehuwd, was hij aan twee van de boven- [d.w.z. om beurten alleen in die kamer] alsoo gemelden eedt
genoemde bokkenrijders verwant. Hij werkte als knecht bij in handen van den capitein [Leonard Willems] gezworen als
de zojuist genoemde Willem Nijsten te Daniken. In wanneer elck van hun viere van den capitein bekommen
Krawinkel woonde verder de Waalse ”spenselencremer” hadde ses schillingen”.
[= leurder met spelden, garen en linten] Bernard Spirlet, ook Wegens eenzelfde informatie over andere eedafleggingen,
soms Spital genoemd. Hij was getrouwd met een zuster van kan worden verondersteld, dat het ”doosken” gewijde hosties
Jean Latin, die op zijn beurt met een zuster van Bernard bevatte. En daar volgens een van de ”gezworenen” die eed
Spirlet was getrouwd. Jean Latin was eveneens ”spenselen- werd afgelegd ”op deselve manier gelijck hij tot Wolfhagen

247

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 248

bij Geerling [Daniels]” had plaatsgehad <Pijls, 51>, weten wij, Willem de Gavarelle gaf aan Geerling Daniels en Wijn
dat hij het afzweren van God en Zijn heiligen en het zweren Wijnen van Wolfhagen de opdracht om het ”sjaap” [= kast]
van trouw aan de duivel inhield. Daarmee waren de voor- in de keuken te openen, omdat ”ich weet daer is het gelt in
bereidingen echter niet compleet. De nieuwkomers kregen dat ich aen de Jouffrouwen overgeteld heb”. Maar zelf
elk nog ”een half glaesken brandewijn, waerin de capitein verkoos hij, gekleed in een blauwe ”rock” [= jas] en een hoed
iets dede uijt een ander kleen glaasken”. Een van hen zei met een gouden boord, met een ”flinte” in zijn hand en een
later: ”ende dat ingedroncken hebbende, is hij gans degen aan zijn zijde, buiten het huis te blijven. Zijn neef
droncken ende gelijck eenen valschen mensch geworden Winand de Preez, die ”eenen vaelachtighen laecken rock”
ende gelijck als door den duivel beseten” <Pijls, 52>. aan had, was met een zakpistool, een ”flint” en een degen
De weide tegenover het huis van Willems - later de speel- gewapend. Om zo weinig mogelijk door anderen herkend te
plaats van de meisjesschool in de Eindstraat - was de worden, hield hij zich achter bomen schuil. Hij had een fluit
vergaderplaats. Volgens deelnemers voegden zich daar ook bij zich; volgens afspraak zou hij bij onraad daarop blazen en
mannen uit Ophoven, Elsloo, Beek, Spaubeek, Puth, zou iedereen bij het eerste fluitsignaal moeten vluchten.
Schinnen, Amstenrade, Grijzegrubben, Hoensbroek, Het hele huis van de gezusters Gadé werd overhoop gehaald
Vaesrade, Merkelbeek, Schinveld en zelfs uit Heerlen bij de en alles wat waarde had, werd naar buiten gedragen. De
Geleners. Via de Hoog Steeg [later Pastoor Vonckenstraat], kleren werden op de mesthoop gegooid. Geerling kon echter
destijds een holle weg, die aan de zuidzijde langs die weide noch het geld noch het gouden kruis, dat zich daar volgens
liep, trok men naar de Vuling. Tegen één uur na midder- de Gavarelle eveneens moest bevinden, ontdekken. Josina
nacht waren daar ongeveer 60 man bijeen, die met geweren, Gadé getuigde, dat zij plotseling een man in een blauwe kiel
sabels, messen, mestvorken en stokken gewapend waren. [Antoon Hamers van de Windraak] met een licht in haar
Nadat Geerling Daniels de wachtposten had uitgezet, werd kamer zag, waarop zij uitriep: ”Jezus Maria”. Hij snauwde
even krijgsraad gehouden. Men besloot de vensterstaven aan haar toe: ”Du mòs mich alles wiesen offt du suls gheenen
de kant van de weide uit te breken. Toen dit niet lukte, anderen doodt sterven als de miene”. Daarop gaf hij haar een
kroop de 22-jarige Frans Hamers uit Puth onder de poort zware slag in het gezicht, bond haar handen met een servet
door en opende daarna zowel de poort aan de straatkant als op haar rug, knevelde haar benen en draaide haar met haar
de poort, die op de wei uitkwam. Daarop probeerde gezicht naar het bed. Vervolgens deed hij hetzelfde met haar
Geerling met een breekijzer de deur op het erf te forceren. zuster Maria. Sommige leden, die buiten stonden, konden
Maar toen ook dat niet lukte, brak hij een venster stuk, de overvallen dames horen ”bitterlijck roepen ende kermen”.
waarop iemand naar binnen kroop en de deur voor de In haar nood riepen de gekwelde vrouwen: ”Christe Jesu,
anderen opende. Een paar mannen stormden naar binnen. helpt mich, helpt mich, wij bidden om vergiffenis, laet ons
leven, wij sullen uch geerne alles wijsen wat wij hebben”.
Het huis Gadé, d.w.z. het voorste hoge gebouw met de noorde- Ofschoon een pistool op hen werd stuk geslagen, gouden
lijke [rechtse] aanbouw, aan de Onderste Dorpstraat (Geen- ringen van hun vingers en gouden bellen uit hun oren
straat), doorgaans het huis ”Op de Vuling” genoemd. Onderaan werden getrokken, verklapten de gezusters Gadé niet waar zij
in het midden van de mergelen straatgevel was wegens het vuur het geld en het gouden kruis hadden verstopt. Geerling
in de ertegen gebouwde open haard een verkleurde plek. Op Daniels riep: ”Halt, het is genoeg”, maar Hamers sloeg
grond hiervan ontstond de plaatselijke overlevering, dat de Maria Gadé zo hard, dat ze een tijdje het bewustzijn verloor.
bokkenrijders daar bij hun inbraak een gat zouden hebben De gefrustreerde Geerling kwam naar buiten om nog eens
gemaakt. Bij het bombardement van 5/6 oktober 1942 werd met de Gavarelle te overleggen. Toen hij weer naar binnen
dit gebouw zo zwaar beschadigd, dat het moest worden ging, zei hij: ”Ich mòt èns in ’t bèdsjtreu zeuke”. Dit was
afgebroken <Tekening P.A. Schols>. blijkbaar een goede inval, want even later kwam hij naar
buiten met een ”lijfje”, waarin 600 gulden in goud waren
genaaid. Daarmee was de operatie geslaagd. Niet alleen had
Willem de Gavarelle zijn geld terug, maar ook had de totale
buit wel een waarde van 3.000 gulden. Na een flinke dronk
uit een gestolen fles brandewijn werd het sein tot de aftocht
gegeven. De overval had ongeveer een uur geduurd. Toen de
rovers vertrokken waren, wist Maria met haar tanden de
handen van haar zuster Josina te bevrijden, waarop deze
laatste zowel zichzelf als haar zuster Maria van de overige
bindsels ontdeed. Intussen spoedden de inbrekers zich in
diverse richtingen huiswaarts.
Bij de Kluis van Krawinkel hielden de zes mannen uit
Spaubeek halt om er hun buit onder elkaar te verdelen <Pijls,
50-57, 88 en 106-108>.

248

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 249

Geleen in opschudding (begin juli 1749) voor het gerecht te dagen en te ondervragen. Daarop
Ofschoon de gezusters Gadé ’s anderendaags met hun verordenden de schepenen, ”dat alle vremdelingen uijt dese
verhalen over de brutale inbraak en diefstal heel Geleen in Heerligheijt sullen hebben te retireren [= terug- of
opschudding brachten, konden zij het gerecht geen enkele vertrekken] en bij soo verre deselve hun in tijdt van drije
aanwijzing omtrent de daders geven. De bewering van mael vier en twintigh uijrren niet en sullen retireren dat
RUSSEL, dat zij o.a. de Preez, ”zeer goed herkend” hadden, deselve met gewelt daeruijt sullen worden verdreven met last
maar uit vrees voor een nieuwe overval de namen van de op den bode dese aen deselve aen te seggen”.
schurken niet durfden opgeven en daarom beweerden
niemand herkend te hebben <Russel 1878, 32-33>, is met de Willem de Gavarelle in conflict met zijn schoonzoon
archivalische gegevens in strijd. (1749/50)
De Geleense autoriteiten, die niet wisten in welke richting Op 5 november 1749 diende Frans Meyer, echtgenoot van
zij moesten zoeken, baseerden zich blijkbaar op ordonnan- Maria Theresia de Gavarelle, bij de overheid een klacht tegen
ties, die door de landsregering werden uitgevaardigd. Zo was zijn schoonvader in. Omdat deze zich ”ingevolge mombor-
op 7 februari 1749 te Brussel geordonneerd, dat de voor- die” [= als voogd] van een erfenis van zijn beide minderjari-
gaande plakkaten tot ”het verjaegen der lediggangers” en ge dochters had meester gemaakt, verzocht Meyer het
”het doen der ronden en patrouilles” alsook die tot gerecht om Willem de Gavarelle te dagen teneinde ”syne ree-
uitroeiïng van vagebonden opnieuw zouden worden keninge over voors. mombordie te produceeren”.
afgekondigd. En op 26 juli van dat jaar werd te Brussel Op 17 december 1749 verklaarde de gedaagde, dat ”hij den
andermaal een ordonnantie over de arrestatie van gemelten Frans Meyers tot dato deses niet anders en kent als
misdadigers, vagebonden en deserteurs uitgevaardigd <PSHAL eenen vremden mensch niet wetende wat doopnaeme hij
1991, 143>. Op de laatstgenoemde datum werd door de met ter daet magh hebben veel myn [= minder] sijn geloeve
plaatselijke autoriteiten voorgeschreven, dat de Geleense [= godsdienst] oock tot dato deses niet geblecken en heeft
herbergiers de namen van hun logeergasten aan de dat hij met Juffr(ouw)e Maria Theresia de Gavarelle...
schepenen moesten bekendmaken. wettelyck naer de usantie van de Heylige Roomsche kercke
soude sijn getrouwt, vervolgens alhier niet gequalificeert om
Joodse slagers van de Geleense kermis geweerd (1749) uxoris nomine [= in naam van zijn vrouw]... te connen
Op 3 september 1749 verklaarde drossaard Leopold ageren”.
Duycker, dat hem ter ore was gekomen, dat ”ter occasie van Op 13 februari 1750 toonde Frans Meyer aan het gerecht
die aenstaende kermisse in die heerligheijt Geleen eenige van Geleen een document, waaruit bleek, dat hij op 10 mei
Jooden geintentioneert [= voornemens] sijn te comen 1748 met Maria Theresia de Gaverelle was getrouwd.
slachten de beesten [= koeien] om het vleesch aldaer te Maar op 11 maart 1750 verklaarde zijn schoonvader dat stuk
vercoopen”. Omdat dit met de keizerlijke plakkaten in strijd niet als een geldig bewijs te beschouwen en bijgevolg Frans
was, waarschuwde hij ”alle joden hun niet te verstouten Meyer niet als de wettige man van zijn dochter te erkennen.
binnen gemelt heerligheijt te slachten eeniger hande soorte
van beesten ten fine om het vleesch aldaer te verhandelen De bokkenrijdersbende andermaal opgerold (1750-1752)
ofte te vercoopen aen d’ingestenen ofte andere persoonen”. In de nacht van 4/5 maart 1750 pleegden de bokkenrijders
De gerechtsbode kreeg opdracht dit verbod ”naer den dienst een overval bij Hendrik Petri in het Straatje te Puth-
Godts [= kerkdienst] behoirlijck te publiceren ende Schinnen. Terwijl de andere bendeleden geweldig te keer
affigeren” [= aanplakken] en ”hierop exactelijck t’invigileren gingen, zocht Willem de Gavarelle, die toen in een ”blauwe
[= waken] ende d’overtreders t’arresteren ende te bewaeren rock met grijs voeder van buijten” was gekleed en een
in eene secure plaetse [= gevangenis]” <LvO nr. 1278>. ”flinte” in zijn handen had, wat ”kleinigheden” bij elkaar. En
toen de overige dieven zwaarbeladen aftrokken, hield hij
Verdachte uitheemsen uit Geleen verbannen slechts een klein pakje onder zijn arm <Pijls, 57-63>.
Toen op 24 september 1749 nog steeds geen aanwijzingen Dit pakje schijnt een waardevolle inhoud te hebben gehad,
over de deelnemers aan de inbraak en diefstal bij de gezusters want op 22 april 1750 verklaarde de Gavarelle zich bereid
Gadé waren gevonden, vroeg de drossaard de schepenen om om zowel de door zijn schoonzoon opgeëiste tachtig gulden
”de vremde die hun in dese bancke van Geleen ophouden als alsook de gerechtskosten te betalen. Op diezelfde dag vroeg
namentlijck Claes den Wael met sijne vrouwe op de Vyling hij voor het gerecht om van de voogdij over zijn dochter
[= Vuling] tot Luttelraedt als mede Martijn Latijn [= Latin] Rosa te worden ontheven, omdat hij van haar ”diverse
met sijne vrouwe tot Beekhoven en als oock Bernardt impertinente [= brutale] brieven” had ontvangen. Maar hij
[Spirlet] met sijne vrouwe sigh ophoudende tot Kraiwinckel wenste voogd van zijn dochter Maria Margaretha, stiftsdame
en Jan Bijscops sigh ouck ophoudende tot Kraiwinckel ende te Sterkraedt [ten noordoosten van Ruhrort en Duisburg,
dan sekeren Bijscops wonende aen het Eijnde tot Geleen D.], te blijven. Op 23 juli 1750 noemde hij haar zijn
ende noch seckeren Duijtsen wever getrouwt met eene ”geistelycke dochter”.
vrouwe van Limberigh sigh ophoudende tot Kraiwinckel”

249

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 250

Het begin van het einde van de bende Latin een vruchteloze huiszoeking was gedaan, nam deze de
De overval bij Petri leverde voor de justitie verschillende vlucht; hij werd niet meer in deze streken gezien. Antoon
aanknopingspunten op, die tot de ondergang van de dieven- Hamers en Jacques du Jardin werden spoedig in het kasteel
bende zouden leiden. Ofschoon zij ”gemaakt Duits” Terborg gekerkerd. Doordat zij andere bendegenoten
spraken, herkende het zwaar toegetakelde slachtoffer verklapten, hadden steeds meer arrestaties plaats.
sommige van die booswichten aan hun stem als zijn plaats-
genoten. De bewering van AUGUSTUS dat zij ”Duits spraken” Arrestaties, folteringen en bekentenissen
<PSHAL 1991, 143> - aldus blijkbaar implicerend dat zij Na inlichtingen van hun Schinnense collega’s te hebben
Duitsers zouden zijn geweest - geldt niet als tegenbewijs, ontvangen, kwamen de schepenen van Geleen op 30 decem-
want niet alleen zei Petri, dat het ”gemaakt Duits” was, maar ber 1750 bijeen en besloten om ”Peter de Capiteyn”
ook waren destijds de dorpsgemeenschappen zo gesloten dat [= Leonard Willems] in de Eindstraat en Hendrik of
nagenoeg elk lid praktisch ieder ander lid aan zijn of haar Drickes Glaesmakers in de Peschstraat, evenals Peter Schols
stem kon identificeren. Ook negeerde die auteur het feit dat van Spaubeek, te arresteren. Maar eerst werden hierover twee
Jacques du Jardin, bijgenaamd ”de Keukelaar”, de onvoor- onpartijdige rechtsgeleerden van de universiteit van Leuven
zichtigheid had begaan zijn ”meetstok” achter te laten, die geraadpleegd. Op hun advies werd op 4 januari 1751 het
hij kort tevoren bij het leuren langs de huizen aan menige bevel tot arrestatie van de drie beklaagden uitgevaardigd.
inwoner van Puth had laten zien. Men kan toch nauwelijks Doch twee van hen bleken onvindbaar te zijn.
een beter corpus delicti wensen! Bijgevolg kon Petri reeds op Tegen de avond van 4 januari 1751 werd Hendrik Glaes-
6 maart Antoon Hamers van de Windraak, Jean Latin, de makers door de gerechtsbode ”gevrasjt” en in een naburig
”spenselencremer” van Krawinkel, en diens zwager Jacques huis in bewaring gesteld. ’s Anderendaags werd hij te Sint-
du Jardin, als medeplichtigen aanwijzen. Nadat bij Jean Jansgeleen gekerkerd. Toen men beslag op zijn eigendom
legde om een gedeeltelijke vergoeding voor de gerechts-
De ingang tot de gevangenis onder het herenhuis (ruïne) te Sint- kosten te verzekeren, bleek dat ”deselve mobilien van gheene
Jansgeleen in 1935 <RvdMz>. off kleene waerdije sijn voorbehoudens de koye”. Daar geen
Gelener een bod op die koe deed, werd ze drie weken later
voor negen patakons aan een inwoner van de Bies onder
Schimmert verkocht.
Bij de zitting van het schepengerecht op 8 januari 1751 te
Sint-Jansgeleen werd aan genoemde Drickes allereerst ten
laste gelegd, dat hij en zijn vrouw in de zomer van 1748 een
zak graan uit de kerk van Geleen hadden gestolen. Doch
zowel dit feit alsook zijn deelname aan de diefstal bij Petri
werden door hem hardnekkig ontkend. Wegens zijn
”negativen” [= ontkenningen] werd hij op 15 januari naar
Terborg gebracht, waar drie gevangenen hem van deelname
aan diverse diefstallen beschuldigden. Daar hij ook toen alles
bleef ontkennen, werd de scherprechter uit Aken ontboden.
Op 25 januari zetten de beul Nicolaus Tillenborgh en zijn
twee assistenten Drickes op de ”stoel van tortuur”. Dit was
een hoge, smalle, scherp gekante of puntige zit, waarop de
gevangene werd geplaatst, terwijl zware gewichten aan zijn
voeten en handen werden gehangen; dit instrument werd
ook wel ”kittelsjteulke” genoemd. Na enige uren daarop te
hebben gezeten begon de gefolterde man ”bekentenissen” af
te leggen en de namen van ”medeleden” te noemen.
Bijgevolg zaten ’s anderendaags Mevis Offermans van
Spaubeek en Bernard Spirlet van Krawinkel in de kerkers
van Sint-Jansgeleen. Toen deze laatste zijn onschuld bleef
staande houden, werd hij op 29 en 30 januari met de
gevangenen van Terborg en op de laatstgenoemde datum
ook met Drickes Glaesmakers geconfronteerd. Bernard, die
hierdoor danig de schrik om het hart was geslagen, wist zich
’s nachts van zijn boeien aan handen en voeten te ontdoen
en slaagde er ook in om ”eenige steenen aen den kercker” uit
te breken. Aan drie van de buiten opgestelde bewakers, die

250


Click to View FlipBook Version