geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 351
Het (thans verdwenen) door Jan Bemelmans in de tweede helft
van de achttiende eeuw te Abshoven gebouwde complex <Tekening
P.A. Schols, 1931>.
Kwakzalvers
Behalve de geneesheren, die een academische medische
opleiding hadden genoten, waren er ook personen, die
zonder zo’n opleiding ”geneeskundige hulp” aanboden.
Koorddansers circa 1800 <Kopergravure uit Weiße, Kinderfreund, gereprodu- Rondtrekkende ”chirurgijn”
ceerd in Hampe, 115>. Rond dezelfde tijd, dat genoemde Munstergelener door
Brabant en Vlaanderen trok, bevond zich daar ook de ruim
Na op 8 maart 1759 wegens ”vagabonderen onversien van acht jaar jongere Jan Mathijs Hecking, die het beroep van
goede paspoorte”, op straffe van geseling, voor eeuwig uit de ”operateur” [= kwakzalver] uitoefende, d.w.z. hij verkocht
Oostenrijkse Nederlanden te zijn verbannen, begaf hij zich ”droghen [= heilzame kruiden], balsem ende elexir ende
naar Amsterdam. Daar werd op 10 oktober 1760 de akte van andere medicamenten”. Op 28 januari 1733 was hij te
ondertrouw met de 33-jarige Anna Apollonia Vroom Geleen geboren als zoon van Joannes Hecking en Maria
verleden. Ofschoon de bruid in de streek van Andernach was Maes.
geboren, droeg haar moeder de Limburgs klinkende naam Nadat hij zijn geboorteplaats had verlaten, was hij circa 1754
Marie Luijten. Hun eerste kind werd op 3 augustus 1761 te te Königswinter (D.) getrouwd met de één jaar oudere Maria
Amsterdam gedoopt. In 1764 vestigden zij zich te Anna Wijnandts, dochter van een ”operateur”.
Munstergeleen, waar het gezin zich uitbreidde. Joannes Nadat zijn familielid Lenaert Schopp uit de streek van Trier
Bemelmans liet een woning in vakwerk tegenover de (D.) zich bij hem had aangesloten, gingen zij tezamen op
kloosterhoeve Abshoven optrekken en opende er een café. tocht. Hun weg voerde ook naar onze streken. Volgens een
Toen hij daar op 29 september 1787 overleed, oefende hij getuigschrift van notaris Looijmans zou Schopp te Schinnen
het beroep van kleermaker uit. Zijn weduwe stierf op 24 een kind van een ”haesemont” [= hazenlip] hebben genezen.
januari 1813. Via Maastricht, Eijsden en Hasselt trokken zij naar
Vlaanderen <RAB: RD nr. 128. - ES&DB 1966, 326-327. - JHS 1988, 6-7>.
In de door zijn ”kleyn peerdeken” getrokken kar vergezelden
hem ook zijn vrouw en kinderen. Hij oefende zijn ”beroep”
blijkbaar in kleurrijke kledij uit, want te Wommelgem (B.)
droeg hij een ”blouw friesche kleedt met kraeg en opslaegen
van blouwe pluche” met een effen rood vest. Zijn verdere
uitrusting bestond uit twee pistolen in holsters aan beide
zijden van het zadel. Zijn paard werd aan ”een husaere
thoom” geleid. Na zijn omzwervingen keerde Jan Mathijs
Hecking naar Geleen terug. Daar werd hij door zijn plaats-
genoten als ”chirurgijn” geaccepteerd. Niet alleen staat hij in
351
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 352
het (Franse) bevolkingsoverzicht van 1796 en in het beweerde hij slechts de onschadelijke kruiden ”Eeren Prijs”,
parochieel overlijdensregister als zodanig vermeld, maar ook alias de inheemse mannetjes ereprijs [Veronica officinalis], en
trad hij in die hoedanigheid op. Zo ondertekende hij op 30 de Zuid-Europese ”Cardobenedict” alias gezegende distel
mei 1797 een verklaring inhoudende, dat de door een buur- [Cnicus benedictus], in bier te hebben gekookt. Dit kon even-
man mishandelde Jean Bodson een wonde aan zijn voor- wel niet geverifieerd worden, omdat de zwangere vrouw die
hoofd had, als ”J. M. Hecking Chirurgijn”. Hij overleed te drank niet had ingenomen maar had uitgegoten en ruim een
Geleen op 2 april 1799. week later had verklaard dat het niet had geholpen.
Toen hij vernam, dat de eerste drank niet de verwachte uit-
Een ongeoorloofde medische praktijk werking had gehad, zei L. dat men een sterkere drank moest
In het voorjaar van 1726 gaf Dekker Jan of Jan G. (1677- laten maken. Nadat Jan rond halfvasten weer naar Oirsbeek
1740), die te Lutterade aan de heide woonde - evenals een was ontboden, werd hij dan ook verzocht te ”maeken eenen
paar andere plaatsgenoten - door zijn gedrag aanleiding tot tweeden ende sterckeren dranck om af te dryven de vruchte”.
grote verontwaardiging van de pastoor en vele parochianen. Daarop zei hij: ”gij en behoeft niet te vresen, ick sal eenen
Op ”Gebroken Pasen” [= Beloken Pasen] 1726 verklaarde sterckeren dranck maeken”. Teneinde dit te verzekeren gaf L.
pastoor Heimbach na de vroegmis publiek in de kerk, dat hem ”twee glaskens en twee poederkens” - die hij beweerde
ettelijke van zijn parochianen, die te Lutterade aan de Heide van een [andere] ”quacksalver” te hebben gekocht - met het
en te Krawinkel in de Daalstraat woonden, hun paasplichten verzoek die in zijn drank te mengen. Ofschoon Jan later zou
niet hadden vervuld [d.w.z. in de Paastijd niet hadden beweren, dat ook de tweede door hem bereide drank niet
gebiecht en gecommuniceerd]. Ofschoon de pastoor hem schadelijk was geweest, verzekerde hij destijds de zwangere
niet met naam noemde, wisten zijn buren dat ook Jan G. tot vrouw: ”ick wille ewigh des duijvels sijn ofte ick sal u
die groep behoorde. En omdat zij dit verder vertelden, ging helpen”.
door heel Geleen ”eene gemeene faeme”, waardoor menig- Doch ook deze keer goot zij de bierkan heimelijk leeg, terwijl
een gechoqueerd was. Op die aankondiging liet de pastoor zij iedereen liet geloven, dat zij het had ingenomen, maar dat
volgen, dat ”soo deselve sigh binnen den tijdt van acht dagen het andermaal niet had geholpen. Daarop werd Jan vlak vóór
niet en coemen instellen [= aan hun plichten voldoen] soo Palmzondag voor de derde maal naar Oirsbeek ontboden en
sal ich deselve beclaegen aen sijne hooghweerde [de bisschop ook deze keer maakte hij een drankje. Bij het afleveren zei hij
van Roermond]”. Jan G. blijkt die waarschuwing ter harte te tegen de zwangere vrouw, dat ”sy niet en moeste droevigh sijn
hebben genomen, want een paar parochianen verklaarden, ende dat de drancken haer wel souden helpen ende dat sij
dat zij hem een week of zo nadien hadden zien communi- deselve maer soude innemen smorgens en savons”.
ceren. Maar nu ook voor de derde keer het resultaat hetzelfde bleef
Waren de godsdienstige praktijken van genoemde Jan niet - omdat Catharina van dit mengsel slechts een lepel innam -
volledig in overeenstemming met de voorschriften van de begaf zich de erg gefrustreerde brouwer, die niet van haar
kerk, ook in het dagelijkse leven bleek hij een praktijk te handelwijze op de hoogte was, in eigen persoon naar
beoefenen, die minstens ten dele tegen de wetten van staat Lutterade. En na Jan G. de hele dag in de herberg van Jan
en kerk indruiste. Door zijn streekgenoten werd hij bij Kusters te hebben getrakteerd, wist hij hem over te halen
ziekten van mens en dier geraadpleegd; zo werd hij o.a. naar met hem naar Oirsbeek terug te keren.
Stein geroepen om ”krancke besten” [= koeien] te verzorgen. Toen deze affaire de drossaard ter ore was gekomen, liet hij
Doch naast het verschaffen van ”medicijnen” ter genezing een aantal getuigen verhoren. Ook Jan G. moest voor de
van ziekten had hij tevens de reputatie mengsels voor het schepenbank verschijnen om zich te verantwoorden. L.
opwekken van een abortus te kunnen en willen toedienen. ontkende alle schuld en verklaarde Jan G. nooit gezien of
Toen de ongehuwde pastoorsmeid Catharina te Oirsbeek in gesproken te hebben; hij noemde hem een ”seer quade Christ
het voorjaar van 1725 zwanger bleek te zijn, zei de brouwer van een schandaleus gedrag en boos leven”. Intussen was het
Willem L., de vader van het ongeboren kind, tegen haar: kind in de nacht van 8 op 9 september 1725 te Oirsbeek
”soo het uytcompt sal het op mij gaen”. Daarom stuurde hij geboren en ’s anderendaags in de kerk aldaar gedoopt.
een kennisse met een briefje en vier ”botterclaeskens” Derhalve had niemand zich aan de misdaad van abortus
[= muntjes] naar ”het manneken van Luttelraede aan de schuldig gemaakt <Archief Oirsbeek. - LimTsGen 1995, 99-106>.
heyde” om hem te vragen naar Oirsbeek te komen onder het
voorwendsel, dat de brouwer aan een hartkwaal leed. Maar Beroepen en ambachten te Geleen op het einde
daar aangekomen, kreeg Jan het ware doel van zijn komst te van de achttiende eeuw
horen, nl. ”een dranck maecken om de vrucht van een dins
maghte [= dienstmaagd], die beswangert was af te drijven”. Wij vermeldden reeds, dat in diverse archiefstukken
Na beloofd te hebben zo’n drank te verschaffen, keerde hij Geleners naar hun beroepen werden aangeduid, zoals de
naar Lutterade terug. Een paar dagen later bracht hij zijn in smid, de klompenmaker en de olieslager. In een stuk van
bier gekookt mengsel in twee kannen naar Oirsbeek. 1671 werd Meijs [= Bartholomeus] der kürver [= korven-
Toen hij zich later voor het gerecht moest verantwoorden, maker] en Jan de kuper [= kuiper of tonnenmaker] vermeld
352
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 353
<LvO nr. 1525>. Tijdens een der eerste jaren van de Franse
bezetting werd een volkstelling gehouden waarbij tevens van
alle Geleners hun beroepen werden opgetekend. Al geeft de
volgende statistiek uit 1796 <FA nr. 4047> ons geen compleet
beeld van de toenmalige situatie te Geleen, toch kunnen wij
ons aan de hand daarvan een vrij goed beeld vormen van de
beroepen te Geleen gedurende de laatste decennia van de
achttiende eeuw.
LOuuttde-rGaedleeen
Beroepen Krawinkel
Neerbeek
Pastoor (curé) 1
Kapelaan (sous curé) 1
Koster (marguillier) 1
”Maire” of ”commissaire” 1
Adjunct (adjoint) 1
”Dokter” (chirurgien) 1 41 28 14
22
Landbouwers (cultivateurs) 50 (Daniken) 1
28 10 5
Herders (bergers) 3 121
1
Mulder (meunier)
1
Werklieden (ouvriers) 11 13
Bouwvakarbeiders (bâtisseurs) 4 34
1
Dakdekker (couvreur des toits) 21
111
Herbergiers (cabaretiers) 6 De kaarsenmaker. Aan een lat hangende wikken worden in hete
10 vloeibare was gedompeld; bij het opheffen blijft een laag was
Hoedenmaker (chapelier) 1 hangen, die dan afkoelt en stolt. Die procedure wordt zolang
herhaald totdat de kaarsen de gewenste dikte hebben <Ets door Jan
Hoefsmeden (maréchaux) 2 3 Luyken, nr. 35>.
23
Horlogemaker (horloger) 1 6 23 - vooral in verhouding tot vier plaatselijke brouwers - realis-
tischer dan het in 1796 opgegeven zestal.
Kleermakers (tailleurs) 5 1 Verder kan aan die lijst nog het beroep van kaarsenmaker
2 worden toegevoegd. Zo vervaardigde koster Lambert Meys
Klompenmaker (faiseur des sabots) (1770-1863) de voor de kerk benodigde kaarsen van bijen-
54 was. Sedert 1842 werd zijn zoon Philip Meys (1805-1875),
Korvenvlechters (faiseurs des corbeilles) 1 1 15 4 die geen koster was, in verschillende documenten als
11 kaarsenmaker van beroep aangeduid <TsHKVGel 1989, 14>. Die
Kuipers (tonneliers) 2 praktijk werd voortgezet door koster Math. Meys (1871-
1952), die daartoe bij de boeren van Geleen bijenwas
Lampenmakers (faiseurs des lampes) ophaalde. Vroeger was de bijenteelt immers algemener dan
thans. Hij heeft aan de schrijver verteld hoe zwaar het werk
Naaisters (couturières) 1 van de aanmaak van kaarsen was, want het moest in een
verwarmd vertrek gebeuren, omdat anders de was niet
Plankenzagers (scieurs du bois) hanteerbaar was.
Schoenmakers (cordonniers) 5 7. De parochie en haar bedienaars
van 1654 tot 1794
Slotenmakers (serruriers) 6
Behalve persoonlijke details over de pastoors en hun
Timmerlieden (menuisiers) 2 assistenten zijn in de archieven ook gegevens over de kerk,
het kerkhof en de pastorie en aspecten van het parochieleven
Touwslager (cordier) tijdens de periode van het graafschap Geleen te vinden.
Wagenmakers (charrons) 1
Wevers (tisserands) 5
Wolspinners (fileurs de la laine)
Wolspinsters (fileuses de la laine) 2
Zoals gezegd is dit overzicht niet compleet. De gebroeders
Leonard en Jan Vleugels, die te Krawinkel het beroep van
leerlooier uitoefenden, werden slechts als ”cultivateurs”
[= landbouwers] vermeld. Bovendien kan dit overzicht aan
de hand van de op 6 februari 1798 - in verband met de
patentbelasting - opgemaakte beroepenlijst <Bergen, 95-96>
aangevuld en/of gecorrigeerd worden. Zo werden in 1798
niet minder dan twaalf azijnfabrikanten en zeven brande-
wijnstokers geteld; van deze laatsten hadden de meesten ook
een café. De opgave van elf caféhouders in 1798 lijkt ook
353
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 354
Kerk, kerkhof en pastorie fundamenten van het oude koor te voorschijn; zijn noord-
oostelijke muur bleek toen ongeveer bij de voet van het
Ofschoon over het kerkgebouw en zijn naaste omgeving latere - tegen de achterwand van het negentiende-eeuwse
slechts fragmentarische gegevens ter beschikking staan, priesterkoor geplaatste - hoofdaltaar te hebben gestaan. Dat
kunnen we ons aan de hand daarvan toch een beeld van de kwam erop neer, dat er tussen die buitenmuur van het oude
vroegere situatie vormen. koor en de zuidwestelijke zijgevel van de oude pastorie een
opening van verscheidene meters moet zijn geweest. Dit
Het kerkgebouw, zijn exterieur en interieur laatste blijkt eveneens uit de genoemde tekening van 1791.
In de ”Kronieken” werd reeds vermeld, dat in 1504 te Derhalve konden er vroeger processies op het kerkhof ”rond
Geleen een nieuwe kerktoren werd gebouwd <PSHAL 1870, 121> de kerk” plaatshebben.
en dat in 1640-1643 een nieuw koor werd opgetrokken. Uit Soms is er sprake van ”gerffcaemers” [= geriefkamers].
een schets van landmeter J. Diederen uit 1791 blijkt, dat Doorgaans werd de tegenover de sacristie - aan de westzijde
vóór de nieuwbouw van 1862 de toren aan drie kanten vrij van het koor - gelegen kamer als ”gerfkamer” aangeduid;
vóór de kerk stond, m.a.w. niet aan weerszijden door zij- maar in de - o.a. in 1702 gebruikte - meervoudsvorm zal
beuken werd geflankeerd. Bovendien wijzen de huidige waarschijnlijk ook de sacristie inbegrepen zijn geweest. In
galmgaten van de toren aan de kerkzijde, die thans op de mijn misdienaarstijd (1925-1931) was dat woord blijkbaar
kerkzolder uitkomen, erop dat de nok van de vroegere kerk vergeten; toen sprak men van de sacristie van de priesters en
lager was dan de tegenwoordige. de sacristie van de misdienaars. Deze laatste wordt in het
In 1862 werd de oude kerk - met inbegrip van het koor uit kerkarchief soms ”de kleine sacristie” genoemd. In het
1640-1643 - geheel afgebroken. Bij de aanleg van de ver- midden van die ruimte stond vele jaren lang de doopvont.
warming tijdens het pastoraat van W. Backhuys kwamen de Circa 1700 werd een ”doophuijsken” met een deur vermeld.
In 1745 is er sprake van een baptisterium. Dit schijnt een
”doopkapel” te zijn geweest, want de bisschop verlangde dat
daarin een beeld of schilderij van Sint-Jan de Doper zou
worden geplaatst.
Het hoofdaltaar uit het laatste kwart van de achttiende eeuw
Dit beeld stelt vermoedelijk de H. Nicolaas voor. Ofschoon het Het vroegere hoofdaltaar uit de kerk van Op-Geleen, dat zich
in de kerk van Oud-Geleen wordt bewaard, kan toch niet sedert ongeveer een eeuw in de kerk van Oirsbeek bevindt. Uit
zonder meer worden geconcludeerd, dat de kerk, die hij in zijn de bedekking van het kruis blijkt, dat deze foto in de passietijd
rechterhand houdt, een replica van de vroegere kerk van Oud- (vlak vóór Pasen) werd gemaakt <Foto M. Verjans, 1950>.
Geleen is <Foto M. Verjans>.
354
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 355
bleef bewaard, omdat het door toedoen van de uit Geleen Zilveren, gedeeltelijk vergulde, stralenmonstrans in rococostijl
afkomstige priester Jan Hendrik Baggen (1823-1895), die uit 1777 in de kerk te Oud-Geleen <Foto RvdMz>.
pastoor te Oirsbeek was, in diens kerk werd geplaatst. Reeds
eeuwenlang waren er zijaltaren, die aan de H. Maria en aan daeghen te restaureeren ende de plano [= op gelijk niveau] te
St.-Nicolaas waren toegewijd. In 1802 zou vice-pastoor stellen met het ander pavement van de kercke op poene
Nijbelen schrijven: Praeter majus, tria altaria, patronus [= straf] dat deselve sullen vervallen sijn van hun recht van
titularis primi S. Eligius, secundi Beata Maria Virgo, tertii S. begravenisse ten behoeve der kercke”.
Nicolaus, d.w.z. ”Behalve het hoofdaltaar zijn er drie altaren, In 1803 werd opgemerkt, dat het crucifix en de beelden van
waarvan het eerste aan de H. Eligius, het tweede aan de O.-L.-Vrouw en Sint-Jan - die later in de calvariekapel op
H. Maagd Maria en het derde aan de H. Nicolaas is toe- het kerkhof zouden worden geplaatst - in de kerk tezamen
gewijd”. Gelet op de kerkvervolging door de Fransen valt ”tegens over den preekstoel” stonden <PAG nr. 155>.
niet te verwachten, dat het altaar van de H. Eligius een In het begin van de negentiende eeuw zou pastoor Voncken
recente toevoeging was; derhalve zal het vóór 1794 aanwezig opmerken, dat er één slechte en twee goede biechtstoelen
zijn geweest. aanwezig waren. In processtukken van 1731 staat, dat de
In de kerkrekeningen van rond 1700 wordt een ”singh- bank van de vroegere drossaard Van den Stock, die op last
banck” vermeld, die vóór de sacristie stond. Vermoedelijk van de pastoor van het koor werd verwijderd en bij de toren
was dit een van de twee ”zèngbenk”, die tot circa 1955 aan werd geplaatst, ”de laeste banck van de kercke alhier” was.
beide zijden van het priesterkoor stonden. Rond 1720 liet Derhalve zijn er toen nog meer kerkbanken geweest.
assistent Ulrichs een orgel in de kerk plaatsen. Maar omdat Op 11 maart 1705 ging het schepencollege van Geleen met
hij niet in de benodigde financiën voor de betaling van een meesterleiendekker Willem van der Leeck een contract aan,
”orgelist” [= organist] en voor het onderhoud van dat waarbij deze jaarlijks de daken van de toren, de kerk en
instrument had voorzien, bleef het geruime tijd onbespeeld. ”aenhan(g)sels neffens den Coor”, d.w.z. de sacristie en de
Het is niet duidelijk of dit orgel in de toren stond, zoals in gerfkamer, zou ”behoorlijck repareren gelijck eenen goeden
onze tijd het geval is, dan wel op het koor. Meester toestaet [= betaamt]”. Daarvoor zou hij eenmaal een
In documenten uit 1731 is er sprake van wapenschilden, die bedrag van twaalf patakons en een ton bier en voortaan elk
hadden gehangen ”op den Chor onder de oxsaele ende jaar twee patakons ontvangen. Na iedere reparatie moest hij
langhs den oxsaele van den orgel”. Uit de context blijkt, dat onder ede verklaren welke materialen hij had gebruikt en
hier met Chor het priesterkoor werd bedoeld. In een
rekening van 1809 staat, dat op het koor ”boiserie”
[= lambrizering] aanwezig was. Maar de binnenmuren van
de kerk waren eeuwenlang ”gewit”, d.w.z. witgekalkt.
Tijdens zijn bezoek aan Geleen vlak na Kerstmis 1745 beval
bisschop Van Werbrouck dat voortaan de communie niet
langer aan [of op] de trappen van het altaar maar veeleer aan
een communiebank diende te worden uitgereikt: Communio
distribuatur in scamno Communionis, et non ad Gradus
Altaris. Dit schijnt te impliceren, dat er voordien geen
communiebank aanwezig was <TsHKVGel 1985, nr. 3, 127-132>.
Op 5 september 1764 klaagde pastoor Kochs ”dat ver-
scheijde begraeffenissen [= graven] in de kercke van alhier so
int midden van de kercke als voor den autaer van onse
L. Vrouwe sich bevinden die over langen tijdt herwaerts seer
gedelabereert [= in verval geraakt] sijn, soo daenigh dat op
differente de pavementen steenen los en merckelijck in de
aerde gesoncken sijn soo dat het pavement [= geplaveide
vloer] heelemaal buijten staet geraeckt is, en alhoewel... [hij]
alreeds opentlijck in de kercke alhier verscheijde ver-
maningen gedaen heeft dat degeene die het recht tot de
begraeffenisse daer in hadden ofte pretendeerden [= voor-
wendden] van hunne graeven in behoorlijcke staet van
reparatie te stellen echter tot hier en toe niemant eenighe de
minste devoiren [verplichtingen] dijen aengaende gedaen
heeft”. Daarom richtte de pastoor tot de schepenen het
verzoek ”dat aen alle gebrekelijcke [= die in gebreke bleven]
sal gelast worden hunne graeven inwendigh verthien
355
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 356
hoeveel daguren hij had besteed aan die gedeelten van de Uit het testament dd. 29 december 1691 van de uit Geleen
kerk waarvan de reparatie ten laste van de pastoor kwam, afkomstige Sebastiaan Cremers, pastoor te Stevensweert,
opdat deze laatste zijn aandeel in de genoemde kosten zou vernemen wij, dat het destijds te Geleen de gewoonte was
kunnen bijdragen <LvO nr. 1517>. om de graven op zaterdag vóór Palmzondag op te maken en
In 1803 betaalde maire Luijten de rekening voor het er daarna [waarschijnlijk in de kerk gezegende] palmtakken
”decken van ’t onderste portael van de kerck” met dak- op te steken <TsHKVGel 1995, 32-33>.
pannen. In februari 1807 liet hij een nieuwe trap ”aen de Reeds in 1288 werd door de bisschop van Luik voor-
Vrouw kerck deur” leggen <PAG nr. 155>. Ook uit de over- geschreven dat de kerkhoven omgeven moesten zijn door
levering is bekend, dat de in 1862 afgebroken kerk twee een muur, een haag of een andere hechte omheining, opdat
ingangen had, nl. de ene onder de toren en de andere aan de ze niet door varkens of andere dieren bevuild zouden
westzijde; deze laatste werd de ”vrouweningang” genoemd. worden: ne a porcis vel aliis animalibus inquinantur. Volgens
Al is het mogelijk, dat dit een speciale ingang voor de de statuten van het aartsdiakonaat Kempenland kwamen de
vrouwen was, toch lijkt het waarschijnlijker, dat die zij- aanleg en het onderhoud van de omheining van het kerkhof
ingang aldus werd genoemd omdat aan die kant het altaar ten laste van de gemeenschap <Habets 1875, 331>.
van O.-L.-Vrouw stond. In 1669 werd opgemerkt: Coemeterium est undique bene
clausum, d.w.z. ”het kerkhof is aan alle zijden goed
Tekening van de kerk met wegen over het oude kerkhof te Oud- omsloten” <Habets 1892, 331>. Toen lagen er reeds vier
Geleen uit 1791 <Door landmeter J. Diederen; in PAG>. gebouwen vlak tegen dat kerkhof aan, nl. de beide hoek-
Het kerkhof en zijn omheining huizen [met hun achterbouwsels] bij de ingang aan de
Voordat de Fransen op het einde van de achttiende eeuw de Dorpstraat [Marcellienstraat], het [dubbele] huis Maes en de
verwijdering van alle openbare kruisen bevalen, moeten op pastorie met haar schuur, waarvan de zij- of achtergevels
het kerkhof - dat de kerk langs vier zijden omgaf - ettelijke onderdelen van die omsluiting vormden. Derhalve zal men
hardstenen kruisen hebben gestaan. Niet alleen waren toen in 1669 bedoeld hebben dat stukken muur de ruimten
hardstenen grafkruisen vrij algemeen maar ook zijn in tussen die gebouwen opvulden. Toch klaagde pastoor Heim-
andere Limburgse plaatsen meer van dergelijke kruisen bach op 18 juni 1727, dat sommige van zijn parochianen
bewaard gebleven. Bovendien werden op verscheidene niet alleen vee over het kerkhof dreven maar het daar zelfs
plekken in Oud-Geleen brokstukken van zo’n grafkruisen lieten weiden [zie ”Kroniek” onder 1727].
teruggevonden. Het laatste oude [gebroken] hardstenen Over het kerkhof liep een opgehoogde weg vanuit de
grafkruis op het oude kerkhof dateert van 1693. Dorpstraat [Marcellienstraat] naar de Jodenstraat. Voorheen
liep het pad van het kerkhof naar de Peschstraat ten zuiden
van het stuk kerkhofmuur, dat zich thans nog achter de
Calvariekapel bevindt. Maar in 1763 kocht Gerard Zelis, die
in het huis de Preez in de Dorpstraat woonde en wiens tuin
achter de tuin van het hoekhuis om liep, van Thomas
Willems, die in de zuidelijke helft van het huis Maes
woonde, de smalle strook grond achter die kerkhofmuur.
Van de drossaard en de schepenen kreeg hij toestemming om
het oude pad ”ter vergroting van zijn tuin” bij zijn eigendom
te trekken en een nieuw pad ten noorden van dat stuk
kerkhofmuur vlak langs de bijgebouwen van het huis Maes
aan te brengen. Daarbij werd hem tevens voorgeschreven dit
laatste ”op sijne gewoonlijcke breede ende absolut buyten de
daeckdruppe” aan te leggen, ”opdat door dese dislocatie
[= verplaatsing] niemant van dese gemeijnte soude
gelede(e)rt worden” [= nadeel ondervinden]. Als gevolg van
deze verlegging loopt dat pad thans nog ten noorden van de
Calvariekapel.
Deze ”dislocatie” zou tot een tweede verplaatsing leiden.
Joannes Penris, die in het hoekhuis naast het kerkhof
woonde en de noordelijke buurman van genoemde Zelis
was, plantte een nieuwe haag tussen zijn tuin en het kerkhof.
De oude kerkhofmuur langs zijn tuin was toen blijkbaar ter
plaatse volledig vervallen of verwijderd. In plaats van die heg
precies op de fundamenten van de muur te zetten, trok hij
haar vanaf de achterkant van zijn huis recht naar de zuidkant
356
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 357
van het stuk kerkhofmuur achter de huidige Calvariekapel. De toegang (in de kerkhofmuur) tot de binnenplaats van de
Aldus voegde hij een strook van het kerkhof bij zijn tuin. oude pastorie te Oud-Geleen van buiten (boven) en van binnen
Toen het kerkbestuur de indruk kreeg, dat hier iets ”scheef” (hieronder) gezien <Foto’s J. Hermens 1974/75>.
lag, ontbood dit in 1777 landmeter G. Klinckenbergh. Deze
kwam zowel de bouwplaats als ”de coolgaerdt van Joannes de tuin ten laste van de pastoor: Domus pastoralis est cum
Penris neffens den kerckhoff” opmeten; kerkmeester Feron horto et appendiciis et restauratio ad onus pastoris <Habets 1892,
hielp hem een handje door de ketting te dragen. Daarbij 331>.
werd bevonden, dat de oppervlakte van het hele perceel van De door pastoor Leurs aan dat gebouw aangebrachte
Penris 39 kleine roeden bedroeg. Dat was 21/4 roede meer herstellingen bleken kort na zijn dood (1654) niet meer
dan in de koopakte stond, die Penris aan de landmeter had
getoond; volgens die akte besloeg het door hem van de
gezamenlijke erfgenamen van wijlen drossaard R. Corten
gekochte perceel 363/4 roede. Door 21/4 roede van de
gemeten oppervlakte bij het kerkhof te voegen, wist de land-
meter het perceel van Penris op de maat van de koopakte af
te palen. Daarop legde hij ”in presentie van Penris, Feron en
andere nabuyren de fundamenten van die [vroegere kerkhof-]
muyr” precies op de nieuwe afpaling bloot.
Ofschoon de drossaard aan Penris gelastte om ”sijne hage te
(h)erplanten”, stoorde deze zich daar niet aan. Op 10 maart
1779 verklaarden de burgemeesters en de kerkmeesters, dat
Penris het bevel van de drossaard had genegeerd en ”heeft
kunnen gelusten deselve (hage) te laaten staan”. Daarom
werd hem een nieuw bevel tot ”(h)erplanten” gegeven. Doch
ook dat bevel werd blijkbaar genegeerd, want de haag, die
vanaf de zijgevel van het hoekhuis naar het zuidelijke einde
van de kerkhofmuur [achter de Calvariekapel] liep, stond er
in de jaren twintig van deze eeuw nog steeds. Door verjaring
zal die situatie wel rechtsgeldig zijn geworden. Het hoekhuis
zelf werd in 1957 door een nieuwe - iets verder naar het
zuiden gelegen - woning vervangen. Toen werd ook de tuin-
muur, die in de plaats van de oude heg was gekomen,
verplaatst.
Op 13 mei 1808 werd vastgesteld, dat de muren, die het
kerkhof omringden [”les murs qui entournent le cimitier de
la commune”], ten dele nieuw dienden te worden opgetrok-
ken en ten dele gerepareerd moesten worden. Op 9 mei
1810 ontving Jan Gerard Zelis zijn loon voor de reparatie
van de kerkhofmuur. Waarschijnlijk betrof het hier vooral de
voorkant of straatkant van het kerkhof; daar kwam die muur
vroeger tot vrij dicht bij de [Dorp]straat.
Bij de voorbereidingen voor het plaatsen van het H. Hart-
monument (in 1930) kwamen de fundamenten van de
vroegere kerkhofmuur aan het licht. Zij bleken nagenoeg in
het westelijke verlengde van de zijgevel van het zojuist
genoemde [vroegere] hoekhuis te liggen. Bij het plaatsen van
dat monument werden ook een aantal graven verstoord. Een
twintigtal jaar geleden is het met zijn voetstuk verder naar
achteren [dan de in 1930 ingenomen plek] geplaatst; bij-
gevolg neemt het thans nog meer ruimte van het vroegere
kerkhof in beslag.
De oude pastorie
Volgens het visitatieverslag van 1669 kwamen het onder-
houd en het herstel van de pastorie met de bijgebouwen en
357
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 358
toereikend te zijn. In 1662 liet pastoor Helcæus op eigen
kosten van de grond af een geheel nieuwe pastorie - in het
rechtstreekse verlengde van het middenschip van de kerk -
bouwen <Habets 1892, 331>. Toen liet hij genoemd jaartal in
ankers in de zijgevel aan de kerkzijde plaatsen. Circa 1924,
kort na de verandering van de oude pastorie in een zuster-
klooster, werden die ankers verwijderd. Blijkens het jaartal
1754 boven de hoofdingang liet ook pastoor Kochs verande-
ringen aanbrengen.
Pastoor Havenith (1782-1802) tekende aan, dat hij in de
jaren 1783-1787 een bedrag van 2.800 gulden had moeten
uitgeven voor ”de onvermijdelijke reparatien en noodige
herbouwingen van zijn pastoreel huys”. Die werkzaamheden
betroffen de vier kamers gelijkvloers en de daarboven
gelegen slaapkamers, omdat hij ”altijd heeft noodig gehad
twee dienstmeyden - welke ’s jaers met den kost en loon ten
minsten kosten 200 gulden - vermits [hij] op de Passagie van
Deutschland nae Brabant en van andere Landen gehuysfest
is, alwaer [hij] alle twee dagen vreemdelingen moet ont-
fangen en somtijts voor eenige dagen logeeren, des te meer
mits hier in de Environs [= omgeving] geene groote auberge
[= herberg met logeerkamers] vindbaer is”. Volgens een
andere nota werden ”de dagelijkse aenkomende passagiers”
in de ”vier logementen voor den grond” [= op de begane
grond] ondergebracht.
In een op 4 december 1794 gemaakte inventaris werden
verscheidene vertrekken vermeld, zonder dat daarbij steeds
de verdieping werd aangeduid, nl. (1) ”de eerste kamer aen
den kerckhof”, waar zich meer dan twintig boekwerken
bevonden; behalve de te verwachten theologische en
pastorale boeken bevonden zich daaronder ook ”Engelsche
oefeningen” en een ”grammaire française”; (2) naast de
vorige lag de ”blauwe kaamer”, die als slaapkamer van een
meid diende; (3) het zogenaamde ”Paters kamerken”, dat
blijkbaar als logeerkamer voor bezoekende priesters fungeer-
Plattegrond van de vroegere pastorie en schuur (linksonder),
pastoorstuin (rechtsonder) en pastoorswei (boven) langs de
Jodenstraat (E) te Oud-Geleen in 1791 <Tekening landmeter J.
Diederen>.
Voorgevel van de oude pastorie te Oud-Geleen, gezien vanaf de de; (4) een kamer, waar zich naast een tafel en drie stoelen
binnenplaats. In de bovendorpel van de ingang staat het jaar- nog een lessenaar bevond; (5) de zogenaamde ”zaal” met
tal 1754. Geheel links een stukje van de kerkhofmuur <Onbekende twee tafels, zes stoelen en een stoof; (6) de achterste kamer
fotograaf>. met o.a. een tafel, vijf stoelen, een stoof en een ”horologie”;
(7) de slaapkamer van de pastoor waar zich, behalve het bed
[met strozak], o.a. een ”spiegelken”, een beeldje van O.-L.-
Vrouw en 24 boeken bevonden; (8) de slaapkamer van de
assistent, waarover niets naders werd meegedeeld; (9) de
keuken met o.a. een tafel en vier stoelen, die er misschien op
wijzen, dat de parochiegeestelijken althans een deel van hun
maaltijden in de keuken namen; en (10) ”den oversten
solder”, waar o.a. nog twee bedden, een korenvat en ”eenige
358
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 359
oude wijnbouteillen” werden aangetroffen <Bergen, 50-53>. bleef de diverse tienden genieten, terwijl tevens een deel van
Evenals de meeste huizen, zo was ook die pastorie eeuwen- de pacht van de grote hoeve te Lutterade in natura aan de
lang met stro gedekt. Dit blijkt uit een opgave van 1786, pastorie werd geleverd. Een aantal stichtingen bracht
waarin staat, dat de pachter van de grote hoeve te Lutterade geldelijke inkomsten op, maar volgens een opgave uit 1786
aan de pastoor o.a. moest leveren: ”300 busselen stroye en moest de pastoor toen ”gratis doopen alle de kinderen,
300 schooven, om het pastoreel huys te decken”. Hierbij administreeren de kranken en de dooden begraven en voor
waren allicht ook de daken van de stallen en de schuur jeder hooftlijck, waervan er jaerlijks omtrent 20 vallen,
inbegrepen. Maar uit een beschrijving door maire Luijten houden eene singende misse van Requiem, waervoor [= voor-
van 17 januari 1803 vernemen we, dat toen zowel de woning afgaande] het officie Defunctor(um) moet afgezongen
als de bijgebouwen met pannen waren gedekt. Die bij- worden en daerna Libera met Miserere en De profundis”.
gebouwen bestonden uit twee koestallen, een berghuis of
schuur en een bakhuis <FA nr. 2057>. De schuur lag met een zij- Pastoor Willem Helcæus (eerste periode: 1654-1671)
gevel aan het kerkhof en was vanaf de straat [achter de kerk] Volgens zijn eigen handschrift luidde de naam van deze te
via een poort toegankelijk. De stallen lagen aan de noord- Zingsheim in de Eifel geboren pastoor: Helcæus. De door
zijde en vormden gedeeltelijk de verbinding tussen de anderen geschreven versies Helcaus, Helceus en Helzaus
woning en de schuur. Toen de pastoors geen vee meer kunnen als aanvaardbare varianten worden beschouwd, maar
hielden en ook geen granen meer opsloegen, werd een der de al te zeer van de originele vorm afwijkende spellingen
stallen tot de zogenaamde ”zaal” ingericht. Circa 1924 zou Helcens, Helsens en Hebzaus, die men veelal in met de hand
die in een kapel worden veranderd en de schuur tot een geschreven kopieën aantreft, waren klaarblijkelijk fout.
bewaarschool [met een verdieping] worden omgebouwd. In mei 1654 werd hij als opvolger van Nicolaas Leurs tot
De pastoorsweide [98 kleine roede], die bij de pastorie [21 pastoor van Geleen benoemd. Hij blijkt een goed financier
kleine roede] en de tuin [38 kleine roede] aansloot en zich te zijn geweest. Niet alleen liet hij in 1662 op eigen kosten
tot aan het [latere] bakhuis van de brouwerij Schrijnemakers een nieuwe pastorie bouwen <Habets 1892, 331>, maar ook
uitstrekte, werd in haar volle lengte langs de Jodenstraat schonk hij op 15 mei 1670, tot onderhoud van een uit het
omgeven door een muur, die op regelmatige afstanden door klooster Reichenstein naar het seminarie te Keulen gestuur-
steunberen werd gestut. Aan de buitenkant van die muur de priesterstudent, de interest van 1.000 rijksdaalders die hij
liep de vloedgraaf, die uit de Eindstraat komend langs de ”durch äusserste Sparsamkeit” had verworven <AP 1925, 138>.
zuidkant van de Jodenstraat liep om verderop in de In 1671 ontstond er tussen de abt van Steinfeld en de prior
Keutelbeek te lozen. Aan de binnenkant van en parallel met van Reichenstein een geschil over het patronaatsrecht van
die muur langs de pastoorswei stond op een ”karbreedte” een Geleen. Omdat de priorij van Reichenstein aan de abdij van
heg. Het terrein tussen die heg en die muur was de begraaf- Steinfeld onderhorig was, meende de abt dat hem dit recht
plaats voor ongedoopte, d.w.z. doodgeboren, kinderen. toekwam. Daarop nam pastoor Helcæus, die door de prior van
Reichenstein was voorgedragen, op 24 juli 1671 zijn ontslag.
De pastoors en hun assistenten,
vicarissen, onderpastoors of kapelaans Pastoor Petrus Reuter (1671/72)
In september 1671 werd Petrus Reuter door de abt van
De eeuwenoude gewoonte om leden van de norbertijner- of Steinfeld als pastoor naar Geleen gestuurd. Doch nadat het
premonstratenzerorde tot pastoors en/of hun assistenten te geschil over het patronaatsrecht ten gunste van de prior van
Geleen te benoemen, bleef tot aan de Franse tijd gehand- Reichenstein was bijgelegd, werd hij op 25 oktober 1672
haafd. De assistenten, die in de volksmond zowel onder- teruggeroepen. Hij ging als pastoor naar Welten [Heerlen]
pastoors als kapelaans werden genoemd, verbleven eveneens <Habets 1892, 357>. Tevens ontving hij het beneficie van de
in de pastorie. De betekenis van het woord ”capellaen” lijkt H. Mathias in de parochiekerk van St.-Pancratius te Heerlen
enigszins onduidelijk, want behalve op de assistenten van de <PSHAL 1912, 285>.
pastoors werd het ook op de beneficianten toegepast. Maar
de eigenlijke betekenis schijnt die van primissarius of vroeg- Pastoor Willem Helcæus (tweede periode: 1672-1692)
mislezer te zijn geweest, want de Latijnse woorden capellanus Op 3 november 1672 keerde Willem Helcæus als pastoor
en sacellanus werden in die zin gebruikt <Habets1875, 381>. In naar Geleen terug; daarna zou hij die parochie tot aan zijn
1786 schrijft pastoor Havenith dat de bij hem op de pastorie dood (8-10-1692), d.w.z. nog gedurende ongeveer twintig
wonende ”Chapellaen” eveneens uit de proosdij van jaar, bedienen. In 1693 deed zijn nicht Catharijn Wauben,
Reichenstein kwam. De overgang van de benaming kapelaan die hem ”thien jaeren lanck achter malcander trouwelijck
van vroegmislezer op onderpastoor duidt er wellicht op, dat ende neerstigh” had gediend, haar beklag bij de prior van
die vroegmis vaak door deze laatste werd opgedragen. Reichenstein, dat zij al enige tijd de beloofde jaarlijkse
Voor de verwarming van zijn huis genoot de pastoor het vergoeding niet had ontvangen. Op 4 september 1693 ging
brandhout van 24 voor hem gereserveerde bomen in de zij akkoord met de uitkering van 60 rijksdaalders of 150
Graetheide; dit waren de zogenaamde ”Pastoorsboum”. Hij gulden plus interest over de jaren 1692 en 1693.
359
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 360
Een door pastoor Helcæus gebruikt en door hem van Bovendien waarschuwde hij, dat als aan die paters zou
aantekeningen voorzien missaal met koperen beslag werd bij worden toegestaan om voortaan reguliere [= tot kloosterorden
de vergroting van de kerk (circa 1955) teruggevonden, maar behorende] assistenten te begraven, zij zich in de toekomst
wegens zijn geheel doorweekte toestand werd het weg- ook het recht zouden aanmatigen om reguliere pastoors te
geworpen. René Urlings bracht het weer in een behoorlijke begraven.
staat en nam het mee naar Australië. Thans is het in bezit van Niet alleen was de deken van mening, dat de pastoor van
zijn in dat werelddeel wonende zoon Cyriel. Geleen een bisschoppelijke berisping verdiende, maar ook
drukte hij de wens uit, dat er in zijn dekenaat geen klooster-
Pastoor Albert Lessenich (1692-1720) lingen meer tot assistenten zouden worden aangesteld. Hij
Na de dood van pastoor Helcæus blijkt de abt van Steinfeld hoopte nu maar, dat er te Geleen geen derde norbertijn in
weer het patronaatsrecht van Geleen te hebben uitgeoefend; die functie zou worden benoemd. In diens plaats zou daar
hij stelde immers Albert Lessenich, die de overleden herder beter de assistentie van de beneficiant Willem Maes kunnen
in zijn laatste jaren had bijgestaan, als diens opvolger voor. worden ingeroepen <PAH>. Aan die wens werd echter niet
Op 6 november 1692 werd Lessenich door de bisschop van tegemoet gekomen.
Roermond tot pastoor van Geleen benoemd. Daarbij werd
tevens verordend, dat die benoeming op drie zon- en/of Pastoor Hubert Heimbach (1721-1751)
feestdagen tijdens de kerkelijke diensten met luide en duide- Deze norbertijn werd op 3 februari 1721 door de proost van
lijke stem [alta et intelligibili voce] vanaf de preekstoel zou Reichenstein als pastoor van Geleen voorgedragen. De
worden afgekondigd. Wie bezwaren tegen de persoon van de bisschop benoemde hem onder voorwaarde, dat de
voorgestelde nieuwe pastoor of tegen diens benoeming kandidaat in tegenwoordigheid van de deken van het
mocht hebben, zou die na de derde aankondiging aan de dekenaat Valkenburg in de parochiekerk zou preken ”ten
bisschop of aan de officiaal van het bisdom bekend kunnen eijnde om te sien en te hoeren oft den selven in sijne taele
maken. - het Hoogduits - van [= door] de gemeente soude konnen
”Kapelaan” Thomas Maes, beneficiant van het Onze-Lieve- verstaen worden”.
Vrouwealtaar, die deze proclamaties op 9, 16 en 23 novem- Nadat de proefpreek tijdens de hoogmis op de tweede
ber 1692 vanaf de kansel voorlas, stelde daarna vast, dat zondag van de vasten had plaatsgehad, verklaarden de
noch iemand verzet noch iemand protest had aangetekend: drossaard, schepenen en burgemeesters van Geleen ”te
nec ullus se opposuit - nec ullus contradixit <BAR>. Nog vóór saemen bij gewoent hebbende het sermoen... den selven
het einde van die maand trad pastoor Lessenich te Geleen in genochsaem hebben verstaen, soo van sijn materie als
functie. Hij overleed op 29 oktober 1720. maniere van spreeken, seer wel voldaen sijn te meer om dijes
wille den selven beloeft he(e)ft in korten tijt in onse taele
Assistent Norbert Ulrichs (1693-1729) [= Nederduits] te sullen predighen”. Toch had blijkbaar niet
Op 3 november 1693 werd Norbert Ulrichs als assistent van iedereen zijn naam goed verstaan, want de opsteller van die
pastoor Lessenich naar Geleen gestuurd. Op 1 juli 1700 verklaring schreef eerst Heijman en veranderde dit daarna in
droeg hij als rector de eerste donderdagse H. Sacramentsmis Heijmbach <LvO nr. 1245>. In zijn in het Latijn opgestelde brief
op. Toen in 1707 op het kasteel van Sint-Jansgeleen een sloot de deken zich bij de declaratio drossardi, scabinorum
huiskapel werd ingericht, werd Ulrichs daar als celebrant [= schepenen] et pagimagistrorum [= dorps- of burge-
aangesteld. Op 24 oktober 1716 vroeg hij aan de bisschop meesters] parochiae de Geleen aan. De nieuwe pastoor werd
verlof om op zondagen twee missen te mogen lezen, nl. één op 13 maart 1721 geïnstalleerd.
in de parochiekerk van Geleen en één op het kasteel van Maar bijna een kwart eeuw later zouden de parochianen niet
Sint-Jansgeleen <Habets 1892, 394>. In 1710 richtte hij de jong- meer zo tevreden zijn. In 1745 klaagden ze, dat hij niet alleen
gezellenschutterij op [zie ”Kroniek” onder 1710]. Nadat te weinig preekte, ”somtijts ten drij off vier weken eens”,
pastoor Lessenich was overleden, bleef hij als assistent van maar dat zijn preken ook te veel persoonlijke aanvallen
diens opvolger in functie. Hij zou op 1 april 1729 overlijden. bevatten, nl. als sommige parochianen iets over anderen bij
Zijn dood gaf aanleiding tot een controverse met de pastoor hem waren komen overbrengen. In plaats van de beschul-
van Amstenrade, die deken van het dekenaat Valkenburg digden onder vier ogen te vermanen, ”vliegt t:selve over den
was. In de vroege morgen van 2 april liet deze een brief aan predickstoel, en alsoo worden de gebreeken en fouten van
de pastorie van Geleen afgeven, waarin hij de pastoor eraan den eenen en den anderen, welcke te vooren bedeckt waeren,
herinnerde, dat het begraven van assistenten tot nog toe het geheel openbaer”. Hierbij mag echter niet uit het oog worden
recht van de deken was geweest. Desondanks had de verloren, dat deze pastoor in moeilijkheden geraakte door de
begrafenis nog diezelfde dag plaats zonder dat de deken daar- processen, die hem door sommige parochianen werden aan-
bij tegenwoordig was. Daarop maakte deze bij de bisschop gedaan. Hij zou op 17 september 1751 overlijden.
zijn beklag over de aanmatigingen van de norbertijnen en
vooral van die van Geleen. Ook vroeg hij om nadere Diverse assistenten of vicarissen van pastoor Heimbach
opheldering ten aanzien van zijn dekenale bevoegdheden. Pastoor Heimbach had verscheidene ordegenoten als zijn
360
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 361
assistenten. Zoals wij zagen, bleef Norbert Ulrichs tot aan Gertrudis Kochs of Cox, weduwe van Frans Trumpener van
zijn dood (1-4-1729) in functie. In 1731 werd deze Klein Streiffert onder Merkstein. Haar zoon Christiaan
opgevolgd door Johan Michael Kesseler, die op 13 juli 1707 (*15-11-1731) was in september 1773 te Merkstein als
te Monschau was geboren, op 13 juli 1727 in het naburige bokkenrijder terechtgesteld <A. Blok 1991, 307>. Zij kwam
klooster Reichenstein de geloften had afgelegd en op 19 mei vermoedelijk te Geleen de morele steun zoeken van haar
1731 tot priester was gewijd. Hij was ook enige tijd te heerbroer en haar dochter Anna Maria Trumpener, die in
Gangelt in de zielzorg werkzaam geweest. Circa 1745 1767 met Thomas Willems was gehuwd en in het vlak bij de
vertrok hij uit Geleen om een jaar lang de functie van prior pastorie gelegen huis Maes (uit 1623) woonde. Zij werd in
en gedurende 24 jaren (1746-1770) die van proost te de kerk begraven.
Reichenstein te bekleden. In zijn plaats kwam Petrus Pastoor Kochs overleed 11 maart 1778 op 69-jarige leeftijd.
Kirberich naar Geleen. Deze drie assistenten hadden als Een collega tekende aan, dat hij zelosissimus pastor en vir
medewerker Frans Kempen, die o.a. tussen 1726 en 1745 meritis dignus, d.w.z. ”een zeer ijverige pastoor” en ”een
verscheidene keren in die functie optrad. Nadat hij naar verdienstelijk man”, was geweest. Hij werd - volgens het
Reichenstein was teruggeroepen, waar hij op 18 juni 1752 algemeen gebruik - onder het koor van de kerk begraven.
zou overlijden, werd hij in 1749 te Geleen door Norbert
Kochs of Cox opgevolgd. Assistent (ca. 1753-1778?) en pastoor (1778-1781) Werner
In verband met het grote aantal assistenten werd in 1745 aan Schmitz en zijn assistenten
de bisschop de vraag voorgelegd of de kerk van Geleen De in sommige lijsten voorkomende bewering, dat Werner
verplicht was vijf of zes priesters van hosties, wijn en kaarsen Schmitz gedurende 25 jaren assistent van pastoor Kochs zou
te voorzien ”gelijck de selve nu veele jaeren heeft moeten zijn geweest, lijkt in strijd te zijn met het feit, dat hij in 1759
doen”. Pastoor Helcæus was alleen geweest; pas toen hij oud tweemaal ”gewesene [olim] assistent” van die pastoor werd
was geworden, was Lessenich hem komen assisteren. Tijdens genoemd. Toch verbleef hij ook daarna in Geleen, want op
het pastoraat van deze laatste waren er slechts ”twee witte 17 maart 1767 werd hij plaatsvervangende beneficiant van
heeren” [= norbertijnen] en de kapelaan geweest. Maar nu het O.-L.-Vrouwealtaar.
waren er al drie ”witte heeren” en ”altoos oock eenen Op 7 juni 1778 werd Werner Schmitz door de pastoor van
capellaen, met bijnaest altijt twee andere”. Met deze laatsten Brunssum, deken van het dekenaat Valkenburg, als pastoor
zullen wel de beneficianten bedoeld zijn geweest. Ook werd van Geleen geïnstalleerd. Zijn pastoraat was echter van korte
toen geklaagd, dat twee assistenten en twee beneficianten duur, want hij overleed op 55-jarige leeftijd in vigilia
vaak de herbergen bezochten, er soms tot laat in de nacht Nativitatis Domini [= daags voor Kerstmis] 1781. Ook hij
met parochianen kaartten en zich wel eens aan dronken- werd pastor zelosissimus genoemd.
schap te buiten gingen <TsHKVGel 1985, nr. 3, 125 en 131>. Vanaf januari 1779 had hij als assistent Isfridus Klooth, die
als sacellanus [= kapelaan] tekende. Deze werd in juni of juli
Assistent (1749-1751) en pastoor (1752-1778) Norbert 1780 opgevolgd door Gerlach Brewer, die tot juni of juli
Kochs of Cox 1788 te Geleen in functie zou blijven. Aanvankelijk tekende
Ruim een jaar vóór zijn dood (17-9-1751) had pastoor deze eveneens als sacellanus, maar daarna meestal als vice-
Heimbach aan zijn oversten gevraagd om het pastoraat aan pastor [= onderpastoor].
zijn assistent Petrus Kirberich over te dragen. Maar deze
overleed op 31 oktober 1751. Daarom kreeg de assistent Pastoor Hubert Haveniet of Havenith (1782-1802)
Norbert Kochs of Cox, die in 1708 of 1709 te Afden bij Joannes Hubertus Havenith werd op 19 november 1737 te
Herzogenrath was geboren en in 1749 naar Geleen was Raeren bij Aken gedoopt als zoon van Peter Havenith en
gekomen, op 22 september 1751 van de bisschop van Elisabeth Erz. Na het gymnasium te Aken te hebben
Roermond de opdracht om voorlopig de pastorale bediening bezocht, trad hij in 1756 te Reichenstein toe tot de orde der
van Geleen waar te nemen. norbertijnen en nam de kloosternaam Egidius aan; in 1761
Op 31 januari 1752 werd hij op voordracht van de proost werd hij tot priester gewijd. Na enige tijd rector van het
van Reichenstein door de bisschop tot pastoor van Geleen norbertinessenklooster te Heinsberg te zijn geweest, kwam
benoemd. En daar de bisschop hem van de gebruikelijke drie hij in januari 1782 als pastoor naar Geleen.
proclamaties dispenseerde, werd hij reeds op 6 februari d.a.v. Gedurende de eerste jaren van zijn pastoraat schreef hij zijn
door de pastoor van Spaubeek, in naam van de pastoor van naam als Haveniet; later veranderde hij die in Havenith. De
Voerendaal, deken van het dekenaat Valkenburg, geïnstal- bovengenoemde ordegenoot Gerlach Brewer werd in juni of
leerd. Bij die installatie waren de priesters Theodoor Penris juli 1788 door Arnold Edmond Nijbelen opgevolgd.
en Arnold Hittorf als getuigen aanwezig. Blijkens de jaar- Bij de nadering van de Fransen in 1794 nam pastoor
tallen 1754 [boven de dorpel van de oude pastorie] en 1756 Havenith de vlucht. Zoals wij zullen zien, zou hij na zijn
[boven de buitenpoort] heeft hij belangrijke veranderingen terugkeer in 1795 aan vervolgingen door de bezetters en hun
aan zijn woning uitgevoerd. handlangers onderhevig zijn en zou hij zich zelfs gedwongen
Op 24 augustus 1774 overleed te Geleen zijn zuster zien om door een tweede vlucht aan deportatie te ontkomen.
361
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 362
Bij het herstel van de godsdienstvrijheid in 1802 zou hij niet werd de reeds genoemde Willem Maes als de beneficiant van
naar de pastorie van Geleen terugkeren, maar zou hij zich bij de beide altaren van O.-L.-Vrouw en van Sint-Nicolaas
familie te Eupen vestigen, waar hij op 10 februari 1829 zou vermeld <Msg 1925, 26>. De priester Servaas Corten ging in
overlijden. [Zie hoofdstuk VI.] datzelfde jaar als pastoor naar Hoensbroek <PSHAL 1880, 118,
120 en 132. - Hoensbroek, 404-405>.
Vice-pastoor en pastoor Arnold Edmond Nijbelen (1788- Na het overlijden van Willem Maes op 22 februari 1746
1803) werd genoteerd, dat hij naast de bedienaar van beide benefi-
Arnold Edmond Nijbelen werd als zoon van Wilhelm cies ook de vroegmislezer [primissarius] was geweest. Zijn
Nijbelen en Gertrudis Sophia Mevessen te Kreuzrath bij dood gaf aanleiding tot een nieuwe controverse over het
Gangelt geboren en op 14 december 1762 te Gangelt begevingsrecht van die beneficies. In mei 1746 gaf de abt van
gedoopt. In 1782 trad hij te Reichenstein in de orde der Steinfeld het beneficie van O.-L.-Vrouw aan Arnold Hittorf
norbertijnen. Op 11 juli 1784 legde hij zijn geloften af en op en dat van Sint-Nicolaas aan diens broer [Johan] Paul
23 september 1786 werd hij te Keulen door de jongste zoon Hittorf. Beiden waren uit het bisdom Luik naar Geleen
van keizerin Maria-Theresia tot priester gewijd. Op 20 juli gekomen nadat hun vader Maximiliaan Hittorf tot rent-
1788 tekende hij in het overlijdensregister van Geleen als meester van prins de Ligne was benoemd; zij woonden blijk-
vice-pastor. Met pastoor Havenith zou hij de storm van de baar aan de noordzijde van de Peschstraat achter het beekje.
Franse Revolutie doorstaan en in 1802 zou hij deze als [In sommige documenten luidt de familienaam Hiltrop.]
pastoor opvolgen. [Zie hoofdstuk VI.] Paul Hittorf was toen een pasgewijde priester, want op 13
oktober 1745 hadden familieleden hem inkomsten en
De beneficies van Onze-Lieve-Vrouw goederen toegewezen opdat hij de priesterwijding zou
en Sint-Nicolaas kunnen ontvangen.
De pastoor van Geleen kreeg uit Roermond de opdracht om
Jan Maes, beneficiant van het O.-L.-Vrouwealtaar, overleed die benoemingen op drie achtereenvolgende zondagen van
in 1657. In 1669 werd Michael Penris, pastoor te Schin op de preekstoel af te kondigen. Doch nadat hij dit twee keer
Geul en vermoedelijk een Gelener van geboorte, als benefi- had gedaan, ontving hij bericht, dat de proost van
ciant van dat altaar vermeld. In datzelfde jaar was een zekere Reichenstein twee andere priesters had benoemd, nl. Albert
Frans Leurs beneficiant van het Sint-Nicolaasaltaar. Toen Mathias Joseph de Lamberts, kanunnik te Andenne [B.] en
werd uitdrukkelijk gesteld, dat het Onze-Lieve-Vrouwealtaar hofkapelaan te Brussel, voor het beneficie van O.-L.-Vrouw,
aan de evangeliekant [= west] en het Sint-Nicolaasaltaar aan en Rudolph Heuser, assistent [vicarius] aan de kerk van
de epistelkant [= oost] stond <Habets 1892, 331>. Sankt-Georg te Keulen, voor het beneficie van Sint-
In 1674 ontstond er opnieuw een dispuut over de vraag of Nicolaas. De eerstgenoemde was een zoon van de Akense
een ordegeestelijke het beneficie van O.-L.-Vrouw kon waar- burgemeester Lambertus Xaverius de Lamberts. Zijn broer
nemen. Op 14 december 1674 verklaarde de abt van Johannes Franciscus was norbertijn en verbleef te
Steinfeld te verwachten, dat dit beneficie aan de onlangs Reichenstein; die relatie verklaart allicht zijn voordracht voor
door hem voorgestelde norbertijn van Reichenstein zou het Geleense beneficie. Op het vernemen van die nieuwe
worden verleend; de uitslag is echter niet bekend. Misschien voordracht stelde de pastoor de derde afkondiging voor de
bediende de op 10 oktober 1635 te Geleen geboren priester gebroeders Hittorf uit. Maar op 23 mei 1746 werd hem door
Thomas Maes, die de vroegmis deed, tevens een of meer de bisschop opgedragen om deze op de eerstvolgende zondag
beneficies. In de jaren 1675-1699 trad ”Heer Maes” 29 mei 1746 toch uit te voeren.
herhaaldelijk als getuige bij huwelijken op. In 1696 werd hij Het liep niet op een conflict tussen de proost van
”capellaen” genoemd en bij zijn dood op 25 februari 1716 Reichenstein en de abt van Steinfeld uit, omdat deze laatste
sacellanus. Hij werd begraven ”immediatelyk ende in bereid bleek het begevingsrecht van beide beneficies aan de
t.midden voor St. Nicolaij outhaer”. eerstgenoemde te laten. Als motief gaf hij op, dat het
Toen Willem Maes, die op 25 januari 1696 als zoon van klooster van Reichenstein in 1714 tot proosdij was verheven
Gerard Maes en Lysbeth Keulers te Geleen was geboren, in en daardoor een zekere graad van zelfstandigheid had
1716 als beneficiant van het O.-L.-Vrouwealtaar was voor- verkregen. Dit leidde echter wel tot een langdurig proces
gesteld, probeerde de priester Servaas Corten uit Hellebroek, tussen de gebroeders Hittorf enerzijds en de proost van
die op 19 augustus 1678 te Nuth was gedoopt en in 1702 in Reichenstein en de door hem benoemden anderzijds. Uit
de kerk van die plaats tot vroegmislezer was benoemd, dit een schrijven van Arnold Hittorf blijkt, dat de priester-
beneficie te verkrijgen. Op 29 september 1716 diende koster Willem Penris intussen het beneficie van O.-L.-
G. H. van Leyen, pastoor-deken van Nuth, een des- Vrouw waarnam. Misschien deed hij hetzelfde met het
betreffend verzoek bij de bisschop in. Daarbij deed hij een beneficie van Sint-Nicolaas.
beroep op de relaties van de Geleense familie Corten met dit De gebroeders Hittorf schreven niet alleen brieven naar de
beneficie. kerkelijke overheid maar wendden zich ook tot de
De bisschop ging daar blijkbaar niet op in, want in 1722 Soevereine Raad van Brabant te Brussel. In juli 1751 moest
362
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 363
de proost van Reichenstein zijn hoeve van Lutterade als Leurs blijkt niet, dat in zijn tijd ’s zondags een vroegmis werd
onderpand voor de te verwachten gerechtskosten stellen. Op gelezen, maar onder zijn opvolger Helcæus was dit wel het
7 oktober 1752 stelden ook de gebroeders Hittorf ”cautie”. geval. Omdat er toen meerdere assistenten waren, werden in
Pas op 24 oktober 1757 werd dit conflict ten gunste van die 1745 op zon- en feestdagen zelfs vier missen opgedragen.
proost beslist; daarop herhaalde deze zijn benoemingen uit Tot 1769 was aan de zondagse vroegmis evenwel geen
1746. stichting verbonden, m.a.w. de celebrant ontving geen vast
Maar De Lamberts zou de aanvaarding van het beneficie van stipendium, omdat er geen kapitaal ter beschikking stond,
O.-L.-Vrouw weer moeten opschorten. Toen in januari 1758 waarvan de interest tot het levensonderhoud van de vroeg-
zijn drie voorgeschreven proclamaties reeds hadden plaats- mislezer moest bijdragen. Daarna zou hierin verandering
gehad en er aanstalten werden gemaakt om hem te installeren, komen.
tekende Joannes Leonardus Corten, broer van drossaard
Reinier Corten en destijds kapelaan te Susteren, daartegen Dinsdagse Sint-Annamis
protest aan onder voorwendsel, dat het beneficie van O.-L.- Zoals wij zagen bevatte de ”codex” van pastoor Leurs reeds
Vrouw aan de familie Corten zou toebehoren. Drossaard een lijst van inkomsten van een beneficie ter ere van de
Reinier Corten, Lambert Claessens, Lambert Banens en H. Anna. Ook blijkt uit de visitatie van 1722, dat de pastoor
Joannes Göbbels gaven hem hun steun en verklaarden op 11 toen verplicht was om een wekelijkse mis ter ere van die
januari 1758, dat wijlen Jan en Andries Mutzenich de heilige op te dragen <Habets 1892, 331>. Dit werd in 1786
”fondateurs [= stichters] off fondateur van het soo genoempt herhaald.
beneficie van ons Lieve Vrouwe autaer inde kercke van alhier Derhalve is de stichting van een leesmis ter ere van de
tot Geleen” waren geweest en dat derhalve de begeving van H. Anna op elke dinsdag door Maria Gadé (op 14 januari
dat beneficie aan de plaatselijke bloedverwanten van de 1769) een verrassing. Zij bepaalde dat die mis moest worden
familie Mutzenich toekwam. Bedoelde Jan en Andries opgedragen tot troost en lafenis van de zielen van haarzelf,
Mutzenich zullen wel belangrijke giften aan dat beneficie haar ouders, zuster, broer en vrienden ”tot meerder eere en
hebben gedaan, maar zij kwamen niet in aanmerking om als glorie Godts en uijt eene particuliere aendacht en devotie tot
de stichters te worden beschouwd, want het bestond reeds de Heijlige Anna”. Daartoe stelde zij de interest van 2.000
vóór 1400. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het nieuwe gulden ter beschikking. Misschien waren toen de voor-
proces, dat vier jaar duurde, ten nadele van de familie Corten schriften van het vroegere beneficie al enige tijd niet meer
uitviel. Ofschoon die familie reeds op 18 november 1760 een geregeld nageleefd. Wel was er dit verschil, dat die dinsdag-
kostenprocedure tegen de proost van Reichenstein indiende, se mis door een andere priester [dan de pastoor] zou worden
moest zij alle gerechtskosten betalen <BAR>. opgedragen. Tevens bepaalde de stichteres dat die fundatie
Op 22 juli 1763 werd De Lamberts eindelijk als beneficiant pas vanaf haar sterfdag (8-8-1770) zou beginnen, omdat de
van het O.-L.-Vrouwealtaar geïnstalleerd; hij overleed reeds interest op dat kapitaal niet eerder ter beschikking zou staan.
op 1 december 1766. Op 17 maart 1767 werd de eerder De enige bekende bedienaar van het St.-Annabeneficie was
genoemde assistent Werner Schmitz geïnstalleerd als plaats- Renier Claessens, die op 19 januari 1741 te Geleen was
vervanger van Mathias Kesseler, pastoor te Monschau, die de gedoopt als zoon van Lambert Marcellien Claessens en
eigenlijke beneficiant was. Bij de komst van de Fransen Maria Agnes Ketelbuiters; zijn peetoom was drossaard
(1794) werd dit beneficie door Jan Arnold Stotzen bediend Reinier Corten. Gedurende de Franse periode (1794-1814)
<FA nr. 1225>. zou hij enige tijd als vroegmislezer fungeren. Op 13 septem-
Zoals wij zagen, werd het beneficie van Sint-Nicolaas in ber 1825 is hij in zijn huis naast de ingang tot het kerkhof te
1758 aan R. Heuser toegewezen; op 21 maart 1759 werd hij Oud-Geleen overleden.
”vicarius en rector van St. Nicolaes altaer van alhier”
genoemd. Hij overleed in de eerste helft van 1770. Op 1 juni Donderdagse H. Sacramentsmis (1700)
van dat jaar werd Karel Lodewijk Roderb(o)urg zijn In het parochiearchief staan over een ander vroom gebruik
opvolger. Daar deze beneficiant in het klooster te de volgende bijzonderheden: ”In den jaere seventhien-
Kornelimünster (D.) verbleef, had ook hij te Geleen een hondert den eersten July wesende den eersten Donderdach
plaatsvervanger. In 1798 werd het Sint-Nicolaasbeneficie in naer St. Johannisdach is door den Eerwaerdigen heere
naam van de ”burger Roderbourg” door assistent Nijbelen F. Norbertus Ulrich(s) in die parochiale kerck van Geleen
waargenomen <FA nr. 1225>. het eersten mael begoest [= begonnen] die solemnele
[= plechtige] Messe van het alderheiligste Sacrament des
Oude vrome gewoonten en volksdevoties autaers, om hetselve te verehren tot protectie, welfahrt ende
en nieuwe fundaties of stichtingen prosperiteit van dese ganse gemeente”.
Aan die wekelijkse mis was aanvankelijk geen inkomen voor
Een pastoor die geen assistent had, zong doorgaans op de mislezer verbonden, want zij werd ”begoest sonder eenige
zondag de hoogmis en droeg tevens op minstens drie werk- renthen of middelen alleenelijck steunende op die godde-
dagen leesmissen op. Uit de vele aantekeningen van pastoor lijcke providentie [= voorzienigheid]”. Op de eerste collecte,
363
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 364
die op 9 september 1700 ”tot sieraede ende het licht voor het bijdragen voor de ”vroegmisheer”, van ca. 1667 tot ca. 1675
allerheiligste” werd gehouden, zou een lange rij van bewaard gebleven <LvO nrs. 1523-1526>. Maar soms moest de
schenkingen door milde weldoeners volgen. Onder de ”cappellaen” zelf zijn stipendium van huis tot huis gaan
begunstigers bevonden zich o. a. prinses Maria-Dorothea bedelen. Bij de eerste verdeling van de Graetheide (1768)
von Dietrichstein - van Salm en dochters van drossaard Jan werd gepoogd om hem een vast stipendium te geven door op
van den Stock. Het echtpaar Loyson van Sint-Jansgeleen elke bunder gecultiveerde heide een jaarlijkse belasting van
schonk een geschilderd vaandel, dat in de H. Sacraments- een gulden of een schilling te heffen; doch dat voorstel
processie werd meegedragen. Bovendien zou een aantal haalde niet de vereiste meerderheid van stemmen. Daarom
Geleners H. Sacramentsmissen op de eerste donderdag na bleef de schatheffer ook daarna de ”vroegmisgelden” innen
hun overlijden als overlijdensjaardiensten stichten. <LvO nr. 1497>.
In 1741 en 1742 werd assistent Frans Kempen als deservitor Op 14 januari 1769 liet Maria Gadé, ”bejaerde jonge
[= bedienaar] van de H. Sacramentsmis vermeld. Op 8 dochter [= ongehuwde vrouw] inwoonderse van Geleen”,
februari 1749 werden de assistent Petrus Kirberich en de weten dat zij reeds lang voornemens was geweest om een
beneficiant R. Heuser, ”rectors ende deservitors van paar vrome stichtingen te doen en dat zij op 30 november
d’Heylige Sacraments misse” genoemd <LvO nr. 1319>. De 1768 het daartoe vereiste octrooi van de Soevereine Raad
vermelding van twee rectoren kan verklaard worden uit het van Brabant had verworven. [Haar stichting van een
feit, dat Heuser te Keulen verbleef en Kirberich zijn plaats- dinsdagse mis ter ere van de St.-Anna werd hierboven
vervanger te Geleen was. De gewoonte om in de kerk van besproken.] Omdat in de parochie Geleen nog geen benefi-
Oud-Geleen op elke donderdag een H. Sacramentsmis op te cie van ”capellanie of primissariatschap” [= zondagse vroeg-
dragen bleef tot 1932 bestaan. mislezer] was gesticht, verklaarde zij ”tot meerder eere en
glorie Godts ende tot gerief der parochianen... onweder-
Zondagse vroegmis roepelijck te fonderen voor eenen tijdelijcken capellaen een
Uit 1667 en volgende jaren zijn documenten bewaard Son- en Heijlige-daege vroeghmisse in de voorscreven
gebleven, waaruit blijkt, dat de reeds eerder genoemde parochie kercke”. Daartoe stelde zij de interest van 1.000
priester Thomas Maes, die op 10 oktober 1635 als zoon van gulden ter beschikking onder voorwaarde, dat de celebrant
Arnold Maes en Metgen Alerts te Geleen was geboren en op de zielen van haarzelf, haar ouders, zuster Josina († 26-12-
20 februari 1716 overleed, elke zondag een vroegmis 1766), broer Johan Frederik († 17-12-1743) en vrienden
opdroeg. In 1693 tekende hij als ”cappellaen”. Ook zagen tijdens de mis in het ”memento” [gebed voor overledenen]
wij, dat de priester Willem Maes († 1746) als vroegmislezer zou gedenken. Als geen verdere bijdragen tot de stichting
functioneerde. van die ”capellanie” door anderen zouden worden gedaan,
Deze laatste werd opgevolgd door de bovengenoemde zou de vroegmislezer slechts tot het jaarlijks lezen van 30
priester Arnold Hittorf, die in 1752 een plaat aan de jong- zondagse vroegmissen in de kerk van Geleen met de
gezellenschutterij schonk, waarop hij zichzelf sacellanus opgesomde intenties gehouden zijn.
[= kapelaan] noemde <Msg 1909, 78>, en op 2 december 1761 Juist zoals zij dit bij de stichting van het St.-Annabeneficie
als ”deservitor der vroeghmisse alhier” werd vermeld. Uit had gedaan, zo bepaalde Maria Gadé ook ten aanzien van de
hoofde van die functie werd ook hij in de archieven stichting van de vroegmis, dat deze pas vanaf haar sterfdag
verschillende keren ”capellaen” genoemd. (8-8-1770) zou beginnen, omdat dan de interest op dat
Op 31 juli 1753 diende hij een klacht in tegen zijn familie- kapitaal ter beschikking zou komen.
lid Jan Maes van Kleingenhout, omdat deze kort tevoren Na haar dood diende J. L. Corten bij de drossaard en
twee te Geleen gelegen akkers, die waren ”deel maeckende schepenen van Geleen een request in om de door haar aan de
van des Heeren constituants [= Arnold Hittorfs] tijtel”, aan kerk gelegateerde bedragen ten behoeve van het primissariaat
derden had verkocht; hij werd door de overheid in zijn en het [hierboven besproken] beneficie van St.-Anna te
rechten hersteld. Op 2 september 1772 werd kapelaan combineren tot een volledig beneficie voor een vroegmis-
Hittorf voor de kerkelijke rechtbank beschuldigd van lezer, waarvan het collatierecht aan haar erfgenamen zou
herbergbezoek en daaruit gevolgde ergernis. Bij vonnis van 9 toekomen <LvO nr. 1527>. De wereldlijke autoriteiten hebben
september 1772 moest hij een achtdaagse retraite bij de de indiener van dat request blijkbaar naar de kerkelijke auto-
dominicanen te Sittard gaan houden en werd hem voortaan riteiten verwezen, want in mei 1772 werden hierover zowel
- op straffe van ontheffing uit zijn functie - alle herbergbezoek door genoemde erfgenamen als door pastoor Kochs brieven
verboden <Moonen, 350-351>. Hij overleed op 5 april 1775. naar de bisschop geschreven. De pastoor verzette zich
De celebrant van die vroegmis had echter geen vast kennelijk tegen het toekennen van het collatierecht van de
inkomen. Daarom werden ter betaling van het stipendium, vroegmislezer aan die erfgenamen, want alles bleef zoals de
licht, wijn e. d. door alle Geleners, die een huis bezaten, jaar- stichteres het had bepaald.
lijks bijdragen geleverd. Die financiële aspecten werden
meestal door de schatheffer geregeld. Er zijn verscheidene Vespers, lof en catechismus
”hefschedulen”, d.w.z. verdelingen per huisgezin van de In 1745 werd geklaagd, dat de vespers slechts op de hoge
364
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 365
kerkelijke feestdagen werden gezongen en dat het lof, dat De Broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid
door de parochiegeestelijken bij voorkeur aan de priester- Ruim een eeuw na haar oprichting door pastoor Leurs bleek
koster Willem Penris werd overgelaten, te kort was. de eens zo bloeiende broederschap van de Allerheiligste
Ook vonden zij toen, dat het geven van de catechismuslessen Drievuldigheid niet meer actief te zijn. In 1745 werd door
veel te wensen overliet. Vanaf Kerstmis tot Pasen werden die Geleners geklaagd: ”Alhier is in eenen fleurisanten staet
lessen op zon- en feestdagen in de kerk aan alle aanwezigen geweest t:groot broederschap van de alderheilighste drij-
gegeven. In de vasten gebeurde dit driemaal per week, maar vuldigheijt”. Zij verklaarden, dat de leden van die broeder-
in de zomer werd er nauwelijks werk van gemaakt. De schap eertijds op de derde zondag van elke maand in proces-
parochianen waren er vooral niet over te spreken, dat die sie rond de kerk trokken. Nadat door de parochianen tegen
lessen niet werden gegeven tijdens de vroegmis, die het het verwaarlozen van dit vrome gebruik door de parochie-
meest werd bijgewoond, maar dat dit gebeurde tijdens het geestelijkheid bij de proost van Reichenstein was geprotes-
lof, dat bij koud weer slechts weinig aanwezigen trok. teerd, was er ”wederom drij of vier maelen met de processie
Tijdens zijn bezoek aan Geleen in de dagen na Kerstmis om de kerck gegaen”. Maar zij vervolgden: ”nu weet men
1745 schreef de bisschop, als reactie op die klacht, voor dat wederom daer aff niet meer te spreken, men gaet met gheene
de catechismuslessen moesten worden gegeven in de eerste processie meer, men spreekt van gheen inschrijven, van
of tweede zondagsmis, die op vaste tijden werden gelezen. gheene aflaeten die de broeders van voors: broederschap
Maar om te voorkomen, dat de jeugd de mis met de konnen verdienen, van gheene generaele absolutien
catechismusles zou vermijden en slechts de andere vroege [= aflaten], affin in de kercke en hoort men daer aff niet
mis zou bijwonen, zou die les niet steeds in dezelfde mis meer spreken, t: broederschap is doodt en te niet”.
moeten worden gegeven. Ook bepaalde de bisschop toen,
dat te Geleen onder elke zondagse hoogmis moest worden De verering van Sint-Eloy
gepreekt. Pastoor Leurs (1611-1654) schreef, dat hij de verplichting
had om op de beide feesten van Sint-Eloy, nl. op 25 juni en
Processies door de parochie 1 december, aan diens altaar missen op te dragen. Maar in
In 1804 liet het Geleense gemeentebestuur weten, dat de het verslag van de kerkvisitatie van 1669 staat, dat het
jaarlijkse plechtige processie van Geleen tot op het territoir beneficie van de Sint-Eloy was geïncorporeerd in het hoofd-
van Spaubeek en een processie van de Kruisdagen [vlak vóór altaar, waaraan de verplichting tot het lezen van missen op de
O.-L.-Heer-Hemelvaart] tot zelfs in de [oude] kerk van genoemde feestdagen verbonden was: Beneficium Sancti
Spaubeek trok en omgekeerd een processie uit Spaubeek Elygii incorporatum summo Altari cum onere 2 Sacrarum in
naar de kerk van Geleen kwam <JPGL 1917, 101>. anno. Tevens werd toen meegedeeld, dat de begeving van dat
JOS. RUSSEL verhaalde in 1860, dat in vroeger tijden op de beneficie aan de abt van Steinfeld toekwam <Habets 1892, 331>.
eerste kermisdag [Drievuldigheidszondag] de processie Aangezien in datzelfde visitatieverslag de zijaltaren van
vanuit de parochiekerk van Geleen eerst naar het kasteel van O.-L.-Vrouw en van Sint-Nicolaas uitdrukkelijk worden
Sint-Jansgeleen ging, waar de geestelijkheid op het herenhuis vermeld en van een altaar van de H. Eligius niet gerept
werd ontvangen en de andere deelnemers op het voorplein wordt, betekende die ”incorporatie”, dat die missen ter ere
op een ton bier werden onthaald. Tijdens die onderbreking van Sint-Eloy aan het hoofdaltaar werden opgedragen.
zal het Allerheiligste wel in de slotkapel zijn geplaatst. Er kan zelfs een gerede aanleiding voor de overdracht van die
Vervolgens trok men naar Neerbeek, waar een of meer missen van het Sint-Eloyaltaar naar het hoofdaltaar worden
parochiegeestelijken en vele gelovigen uit Beek zich bij de aangevoerd. De beide feestdagen van Sint-Eloy - 25 juni en
Geleners aansloten en zich met hen naar de kerk van Geleen 1 december - waren immers plaatselijk tot echte volksfeesten
begaven <Russel 1860, 61>. uitgegroeid. Zoals wij hiervoren zagen, werden die dagen
Dit aansluiten van de Beekenaren was het gevolg van het niet alleen binnen de kerk plechtig maar ook daarbuiten
verbod van de Staatse autoriteiten tot het houden van uitbundig gevierd. De grote devotie tot Sint-Eloy kan met
processies in hun woonplaats. Volgens een document uit het het eertijds in Geleen en omgeving florerende ambacht der
Beeker parochiearchief was het de gewoonte, dat de pastoor smeden, vooral slotenmakers, in verband worden gebracht.
en de parochianen van die plaats op H. Sacramentsdag aan Die devotie werd zelfs zo groot, dat vice-pastoor Nijbelen in
de processie van Geleen deelnamen. Op de voorafgaande 1802 Sint-Eloy de tweede [eigenlijk de derde] patroon van
zondag werd in de kerk van Beek afgekondigd, dat op de kerk van Geleen noemde: Patronus primarius hujus
H. Sacramentsdag de pastoor om half zeven de vroegmis zou ecclesiae SS. Petri et Marcellinus, secundarius S. Eligius.
lezen en zich vervolgens naar Spaans-Neerbeek zou begeven Waarschijnlijk heeft de geestelijkheid met het oog op de
om tegen acht uur met zijn parochianen, die aan bedoelde grote volkstoeloop op die dagen beslist om de plechtige
processie wensten deel te nemen, naar de kerk van Geleen te hoogmis niet aan een zijaltaar maar aan het hoofdaltaar op
trekken. Voor de thuisblijvers zou de assistent in de kerk van te dragen.
Beek de hoogmis opdragen. In de visitatieverslagen van 1682, 1695, 1705 en 1722 was
er al evenmin sprake van een altaar van Sint-Eloy. Zoals wij
365
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 366
zagen schreef vice-pastoor Nijbelen, dat er in zijn tijd in de In het meetboek Bollen, dat in 1676 was begonnen en in
kerk van Geleen, naast de zijaltaren van O.-L.-Vrouw en van 1706 werd herzien <GAG nr. 1>, komen we twee ”custers”
Sint-Nicolaas, een derde zijaltaar aanwezig was, dat aan Sint- tegen, nl. Jan Willems en Jan Penris. Deze Penris heeft
Eloy was toegewijd. Ook hiervoor kan een aannemelijke ongetwijfeld tot een latere periode behoord. Jan Willems
verklaring worden gegeven. Ofschoon daarover in de woonde toen te Weert [bij Meerssen], maar omdat hij in
bewaard gebleven kerkelijke archieven niets te vinden is, lijdt Oud-Geleen twee ”huijsplaetsen” bezat, kan hij misschien
het geen twijfel, dat het vroegere hoofdaltaar van Geleen, dat als de opvolger van Frans Smeets worden beschouwd. [In dat
zich thans in de kerk van Oirsbeek bevindt, uit de tweede geval heeft hij op latere leeftijd Geleen verlaten; in onze tijd
helft van de achttiende eeuw stamt <Voorl.Lijst 2, 362>. Op de verliet ook koster Math. Meys zijn geboorteplaats om zijn
tombe van dat altaar staan de beide patroonheiligen laatste levensjaren bij zijn priesterzoon Vincent door te
afgebeeld. Gezien de grote verering van de Geleners voor brengen.] In 1677 en 1684 treffen we H. Maes als koster van
Sint-Eloy werd toen blijkbaar besloten om hem weer zijn Geleen aan.
eigen altaar te geven, waarop zijn beeld kwam te staan.
Opmerkelijk genoeg werd de te Geleen bewaarde ”reliek” De kostersfamilie Penris
van Sint-Eloy op 27 december 1745 door de bisschop van Jan Penris blijkt op 28 juni 1694 koster van Geleen te zijn
Roermond voor niet-authentiek verklaard <TsHKVGel 1985, nr. 3, <LvO nr. 1270>. Op 4 mei 1697 huwt hij met Helena
129-130>. Over het veelvuldig aanroepen van Sint-Eloy tegen Stockmans († 23-6-1744). Reeds verscheidene jaren vóór
allerlei ziekten en de plechtige viering van zijn beide feest- zijn dood liet Jan Penris († 9-10-1736) het kostersambt aan
dagen door de Geleners en bewoners van naburige plaatsen zijn zoon Theodoor Penris (*5-6-1698) over. Deze werd in
werd in een vorige paragraaf uitgeweid. 1722 als zodanig vermeld <Habets 1892, 332>. Nadat hij in 1723
de priesterwijding had ontvangen, ging hij als assistent naar
Renten van kerk, pastorie, Onze-Lieve-Vrouw, Schinnen, waar hij gedurende 24 jaren de gebrekkige pastoor
St.-Nicolaas, St.-Eloy en de H. Anna Petri zou bijstaan <PSHAL 1928, 205 en 221>.
De traditionele ”renten”, d.w.z. verplichte bijdragen in geld Toen Theodoor Penris Geleen ging verlaten, riep waar-
en natura, tot onderhoud van de kerk en de pastorie en tot nemend drossaard Leopold Duycker via een affiche aan de
steun aan de beneficies en de armen, werden ook na de kerkdeur de Geleners bijeen om over een opvolger te beraad-
oprichting van het graafschap Geleen gehandhaafd. Zowel slagen. De parochianen besloten om de pastoor te vragen die
wegens toevoegingen van nieuwe renten alsook wegens het functie officieel aan de neomist, die tot nog toe koster was
overgaan van die lasten op latere generaties bleek het van tijd geweest, te laten en ze namens hem door zijn drie jongere
tot tijd nodig om nieuwe overzichten op te stellen. Zo werd broers Willem (*16-3-1700), Job (*4-11-1705) en Jan (*5-7-
het overzicht van de kerkrenten in 1696, 1723 en 1746 1711) te laten waarnemen. Dit voorstel was geenszins
vernieuwd, terwijl dat voor de verschuldigde pastorierenten bevreemdend, want de Luikse statuten van 1288 schreven
in 1724 werd vernieuwd <PAG. - HJLvZ 1991, 171-180>. zelfs voor, dat overal waar het kostersambt meer dan 60
Luikse stuiver opbracht, die functie bij voorkeur aan een
De kosters ongehuwd persoon of aan een geestelijke diende te worden
toevertrouwd <Habets 1875, 307-308>. Zo’n geestelijke koster,
Het eigenlijke kostersambt vergde slechts taken in verband ook ”erffcuster” genoemd, streek dan de inkomsten op, maar
met de eredienst en de traditionele vergoedingen waren daar- liet die taak doorgaans tegen een vergoeding aan een ”onder-
op gebaseerd. Pastoor Helcæus tekende aan: ”Die Kuster van custer” over. In het bisdom Roermond, waartoe Geleen in de
Geleen heefft... van elck familie te Geleen 14 pondt broodt. achttiende eeuw behoorde, was dit voorschrift echter niet
Item een gerff [= garve graan] van elck, die onder Geleen meer van kracht.
soeveel landt heeft, dat hij een thiengerff [als onderdeel van Nadat de pastoor van Geleen had verklaard niet met het
de grote tiende] geeft”. Daarnaast was het de gewoonte, dat voorstel van zijn parochianen akkoord te gaan, werd hem
de koster school hield; hiervoor ontving hij een aparte verzocht één van de drie andere gebroeders Penris tot koster
vergoeding. te benoemen. Hij gaf de voorkeur aan Willem, maar stond
op verzoek van zijn parochianen toe, dat diens jongere broers
Frans Smeets, Jan Willems (?) en H. Maes Job en Jan hem daarbij zouden assisteren. Ook die situatie
Zoals wij zagen, was Frans Smeets reeds koster, toen hij in zou enkele jaren later veranderen, want Jan en Willem Penris
1619 met Greetgen Recken trouwde en werd hij daarna o.a. volgden het voorbeeld van hun broer Theodoor en kozen
in 1620, 1630, 1637 en 1655 in die functie vermeld. Hij eveneens voor het priesterschap. Jan Penris doopte reeds op
bleef het kostersambt tot aan zijn dood op 12 juli 1674 10 oktober 1736 als ”deservitor” te Spaubeek. Daarna was
uitoefenen. Zijn vrouw was reeds op 22 december 1655 hij enige tijd assistent te Mheer <Gilissen, 7>, maar in 1751
overleden. Het echtpaar Smeets-Recken woonde achter de werd hij ”bedienende” kapelaan te Spaubeek genoemd. In
kerk dicht bij de pastorie, [ongeveer] op de oostelijke hoek 1752 ging hij als pastoor naar Mheer, waar hij op 6 juni
Jodenstraat-Leursstraat. 1779 overleed.
366
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 367
In 1731 waren Willem en Job Penris ”beyde bedienende de Maar de pastoor weigerde hem als koster te accepteren.
kusterije van Geleen”. Later lezen we, dat Job Penris sedert In overeenstemming met het oude Geleense bankboek
anno 1742 ”de custerie naemens sijnen broeder den heere werden daarna drie andere kandidaten gesteld, die bij die
Wilhelmus Penris... geestlicken custer” bediende. Derhalve verkiezing [tezamen] minder stemmen hadden gekregen, nl.
bleef heerbroer Willem de eigenlijke koster. Toen Job Penris Jan Keulers [59 stemmen], Andries Claessens [15 stemmen]
op 4 juni 1743 overleed, werd dan ook geen nieuwe koster en Herman Luijten [3 stemmen] <LvO nr. 1245>. De derde
benoemd. Dat gebeurde echter wel, nadat zijn broer Willem kandidaat was - zo bleek later - een vreemde eend in de bijt,
Penris op 8 juli 1751 was overleden. De vroegere koster want enige jaren nadien zou hij door leden van de bokken-
[priester] Theodoor Penris keerde vóór 2 augustus 1754 naar rijdersbende als een van hun aanvoerders worden verklapt.
Geleen terug, waar hij op 21 januari 1769 overleed. Pastoor Kochs koos Andries Claessens, die op 20 mei 1730
te Geleen was gedoopt als zoon van Lambert Marcellien
Reinier Dullens (1752-1764) Claessens en Maria Agnes Ketelbuiters. De eerder genoemde
Na het overlijden van Willem Penris duurde het bijna een Renier Claessens, beneficiant van het altaar van de H. Anna,
heel jaar voordat er een nieuwe koster werd benoemd. Bij de was zijn broer. De pastoor noemde Andries Claessens ”den
voorbereidingen op die benoeming werd aan artikel 20 van bequaemsten en dienlijcksten... en zulx noch met des te
het bankboek, waarin werd voorgeschreven, dat de schepe- meer reden, omdat desen aengestelden custer eenen inboor-
nen in overleg met de gemeenschap eerst een enkele kandi- ling van eene zeer oude en eerlijke familie des graefschaps
daat aan de pastoor zouden voorstellen, niet streng de hand van Geleen en van een deugtsam gedrag wesende en omdat
gehouden. Tegen alle gewoonten in schijnt pastoor Kochs hij oock van sijne bequaemheid, neerstigheid [= ijver] en
reeds vooraf zijn voorkeur voor Jan Willem Luijten kenbaar probiteyt [= rechtschapenheid] reeds genoegsame preuven
te hebben gemaakt; doch blijkbaar ging de meerderheid van [= bewijzen] aen den H(ee)re pastoor gegeven had soo bij
zijn parochianen daar niet mee akkoord. Die konden het sijn gedaene bedieninghe van ’t custerampt als door dien dat
echter onderling al evenmin over het voorstellen van een hij oock al met yver en lof de school gehouden had”.
enkele kandidaat eens worden. Daarom werd op een tweede Tegen die keuze werd door Matthis Vroemen en Gerard
vergadering besloten, dat de schepenen drie gegadigden aan Zelis, namens een groot aantal parochianen, krachtig
de pastoor zouden presenteren, nl. Reinier Dullens, een van geprotesteerd. De beide leiders van de oppositie baseerden
de priesters Hittorf en Andries Claessens. zich daarbij op twee aspecten, nl. vooreerst beweerden zij
Op 21 juni 1752 overhandigde pastoor Kochs - als teken van [ten onrechte], dat het ”pretense” [= voorgewende] bank-
zijn benoeming tot koster - de sleutels van de kerk aan de boek, waardoor kostersbenoemingen werden geregeld en
eerstgenoemde. De schepenen eisten evenwel, dat de pastoor waarop pastoor Kochs zich had beroepen, niet alleen niet te
een verklaring zou tekenen, dat die gang van zaken niet als vinden was, maar ook ”nieuwers en existeert” [= nergens
een geldig precedent mocht worden beschouwd en dat in de bestaat]. En op de tweede plaats beriepen zij zich op een
toekomst strikt de hand aan de voorschriften van het bank- belofte, die dezelfde pastoor bij de benoeming van de over-
boek zou worden gehouden, nl. dat de schepenen in eerste leden koster op 21 juni 1752 zou hebben gedaan, nl. ”dat
instantie een enkele kandidaat zouden voorstellen. voortaen in diergelijcke occasie de gemeijnte het recht soude
Reinier Herman Joseph Dullens was op 4 maart 1725 te behouden van eenen coster te stellen”. Doch dit laatste
Geleen geboren als zoon van Matthis Dullens en Anna berustte kennelijk op een verkeerde interpretatie van het
Elisabeth Bloms of Bloem. Op 30 september 1745 huwde document, dat de pastoor toen had getekend.
hij met Anna Margaretha Bollen (ged. 15-9-1719), dochter Zij wendden zich tot de Soevereine Raad van Brabant met
van Jan Bollen de jonge; maar zij overleed reeds op 2 maart het verzoek om de keuze van Andries Claessens als ”nul en
1746. Op 11 september 1747 huwde Reinier Dullens met van geener weerde” te verklaren en Hubert Coenen als de
de zestienjarige Maria Caecilia Zelis (ged. 28-1-731); zij zou wettige koster aan te wijzen. Toen die raad eiste, dat pastoor
hem tien kinderen schenken. Het gezin Dullens-Zelis betrok Kochs honderd patakons als cautie [= waarborg] stelde ter
het in 1728 gebouwde huis, dat aan de westzijde vlak tegen bestrijding van te verwachten gerechtskosten, en de pastoor
het kerkhof aan lag en in het begin van deze eeuw door het daardoor in financiële moeilijkheden dreigde te raken, stelde
huis Eussen werd vervangen. Daar zou koster Dullens reeds Hans Peter Lemmens, halfer van de grote hoeve van
op 6 augustus 1764 overlijden. Lutterade, zich met zijn te Geleen en Spaubeek gelegen
eigendommen borg.
Andries Claessens (1765-1787) In zijn verweer beriep de parochieherder zich niet alleen op
Na het overlijden van koster Dullens ontstond er een hevig het bankboek en op de kwaliteiten van de door hem gekozen
dispuut over de keuze van diens opvolger. Op 21 mei 1765 kandidaat, maar voerde hij ook aan, dat de beide Geleners,
wist Hubert Coenen, die tot een kostersgeslacht van die dit verzoekschrift hadden ingediend, respectievelijk een
Wijnandsrade behoorde <LvH 1966, 71> en door twee familie- oom en een neef van de voorgestelde mededinger Hubert
leden te Geleen werd voorgesteld, ten huize van Matthis Coenen waren. Zijn argumenten gaven de doorslag en
Vroemen niet minder dan 93 stemmen op zich te verenigen. Andries Claessens bleef koster. Op 14 juli 1770 trouwde hij
367
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 368
met de ruim dertien jaren jongere Meyken Banens, die hem der armenrenten in 1696 en 1724. Niet alleen gingen vrome
vier dochters en een zoon schonk. Hij overleed op 20 Geleners vrijwillig renteverplichtingen aan de armen aan,
februari 1787 en werd in de kerk begraven. maar bovendien werden deze soms door de overheid als straf
opgelegd. Zo werd R. P. uit Krawinkel op 10 januari 1675
Lambert Meys (1787-1863) tot een boete van honderd gulden veroordeeld, die hij aan de
De nieuwe koster was de zeventienjarige Lambert Meys. armen van Geleen moest betalen; omdat hij niet over zo’n
Deze was op 11 maart 1770 gedoopt als het zevende van de bedrag beschikte, moest zijn familie een hypotheek op een
negen kinderen van Hans Willem Meys en Lisbeth Pijschers. stuk land nemen <PAG>.
Bij de benoeming van die jonge koster werden op 28 maart Tevens werd het oude gebruik om bij begrafenissen aan de
1787 een paar merkwaardige voorwaarden vastgelegd. Ten armen brood en/of geld uit te delen, door vele Geleners
eerste werd geëist dat hij, met toestemming van de pastoor, gehandhaafd. Zo bepaalde Meicken Banens († 12-12-1736),
een organist zou aanstellen, aan wie hij jaarlijks - te beginnen weduwe van Jan Krekels († 13-10-1730), in haar testament
met St.-Jan [= 24 juni] van dat jaar - gedurende heel zijn dat ”sullende op haeren begrafdagh in het minste twee
verder leven uit eigen inkomsten honderd gulden malder rogge voor d’armen welcke den dienst Godts sullen
Maastrichter cours zou dienen te betalen. Die organist zou bijgewoond hebben, gebacken ende aen het sterffhuys [in de
verplicht zijn om ”den orgel te speelen alle Sondagen, Hegstraat te Krawinkel] uitgedeeld worden”.
Heijlige dagen ende donderdaegse reeds gefundeerde Wij zagen dat de ”Gasthuyshoff”, d.w.z. de tuin van het
venerabele misse”. Verder zou die organist gedurende negen gasthuis, in 1674 werd verkocht en dat het gasthuis zelf in
maanden van het jaar school dienen te houden. Daarvoor 1676 ”int gebruik van Claes Selis” was. Daarna werd het
zou hij - behalve hetgeen hem van hogerhand tot onderwijs nooit meer vermeld. Daaruit kan wellicht worden geconclu-
van arme kinderen zou worden toegekend - schoolgeld deerd, dat dit gebouw sedertdien niet meer ter beschikking
mogen vragen. De vader en de voogd van de jonge koster van de armen werd gesteld.
dienden zich garant te stellen met ”hunne goederen en In het verslag van de volkstelling uit 1796 werden tien
persoonen, waer gelegen en vindbaer, ten eijnde daeraen armen met naam genoemd; vijf van hen woonden te Oud-
erhael [= verhaal] genomen te konnen worden, zoo voor de Geleen en de andere vijf te Lutterade. Bovendien werden
onheijlen, als andere versuijmingen [= tekortkomingen], daarin negen ontoerekenbaren en/of invaliden [”incoupables
welke Lamb. Meijs voorz. zoo in de kerck als elders in et incapables”] vermeld, die alle te Oud-Geleen woonden <FA
qualiteijt van custer zoude kunnen begaen”. nr. 4047>. De meesten van deze laatste categorie zullen wel
Uit het feit dat het salaris van de organist door de koster uit ondersteuning uit het armenfonds hebben ontvangen.
zijn eigen inkomen moest worden betaald, blijkt dat de
laatstgenoemde voor het bespelen van het orgel verantwoor- Wegkruisen en kapellen
delijk bleef. Daaruit volgt echter niet, dat hij de functie van
organist permanent aan iemand anders moest toewijzen. ”Er is haast niets, dat het Limburgsche landschap
Vermoedelijk kon de zeventienjarige bij het aanvaarden van meer kenschetst, dat meer het karakter ervan weer-
het kostersambt nog niet alle drie de taken tegelijk aan en geeft dan: het kruis langs den weg .”
riep hij tijdelijk de hulp in van een plaatsvervanger, die het
orgel bespeelde en les gaf. Er mag worden verondersteld, dat <AD.WELTERS in Ndms 1922/23, 82>
koster Lambert Meys later zelf het orgel bespeelde, zoals ook
zijn nazaten hebben gedaan die datzelfde ambt vervulden. Sedert onze jeugd zijn wij gewoon talrijke kruisen en kapel-
Tevens blijkt uit latere gegevens, dat hij onderwijs aan de letjes langs de Limburgse wegen aan te treffen. Ook in
Geleense jeugd gaf. Geleen staan nog heel wat wegkruisen en kapellen. Daar de
Op 6 oktober 1794 trouwde koster Lambert Meys met Jenne oudste van deze - naar ons beste weten - niet verder dan de
Lisbeth Feron (ged. 23-9-1776). Zij kregen veertien negentiende eeuw teruggaan, dringt zich de vraag op of en
kinderen. De woning van het gezin Meys-Feron lag ongeveer hoe Geleners uit vroeger eeuwen dezelfde vrome gewoonte
halverwege tussen de kerk en de dorpsbrug aan de westzijde onderhielden. Evenals bewoners van Beeks Neerbeek tussen
van de Dorpstraat [Marcellienstraat] <TsHKV-Gel 1989, 13-18>. 1600 en 1650 <Nuutsb 1976, nr. 6, 16-17>, van Puth vóór 1750
Hij zou tot aan zijn dood op 22 februari 1863 in functie <Pijls, 75>, van Sint-Jansgeleen in 1758 <St.-Jansgel, 108> en van
blijven. Schinnen eveneens in 1758 <PSHAL 1928, 192-193> zulks deden,
zo richtten ook hun tijdgenoten te Geleen wegkruisen op.
Armenzorg Doch de vroegste gegevens zijn erg schaars.
In een toust van de Biesenhof uit 1549 werd een ”cruijß”
Tijdens de periode van het graafschap Geleen werd de vermeld bij de ”heerwech der van Nyerbeeck geyt nae
armenzorg op de oude voet voortgezet. Dat blijkt o.a. uit de Gelene” <AB nr. 672>. Ditzelfde wegkruis werd in 1637 ook
ononderbroken lijst van armenmeesters, die voor elk jaar door pastoor Leurs genoemd, nl. aan de oostzijde van de weg
staan opgetekend en uit de vernieuwingen van het overzicht uit Neerbeek naar Oud-Geleen, waar de wegen naar de
hoeve Ten Eijsden en naar Sint-Jansgeleen afsplitsten. Dat
368
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 369
zal wel hetzelfde kruis zijn geweest als het door hem De Kluis met het z.g. Sint-Rochuskapelletje (rechts); dit laatste
vermelde ”cruitz boven de Smydthegge”. Die plek lag een werd vóór 1696 opgetrokken en nam de plaats van een vroeger
tiental meters ten zuiden van de latere Kluis. Uit verschil- wegkruis in. Daar splitsten de wegen naar Ten Eijsden en naar
lende bronnen blijkt, dat genoemd kruis vóór 10 november Spaubeek af van de weg tussen Spaans-Neerkeek en Oud-
1675 door een kapel werd vervangen. In onze tijd - tot circa Geleen. Bij de verbreding van de weg naar Spaubeek in 1934
1934 - was dit de Sint-Rochuskapel <Kluis, 18-21>, maar wij is het kapelletje aan de eisen van het moderne verkeer ten offer
weten niet of ze aanvankelijk aan die heilige was toegewijd. gevallen. Op deze foto luidt de tekst boven de ingang: ONZE
Pastoor Leurs sprak ook van ”het Creutz in Geleenercamp”. LIEVE VROUW VAN SMARTEN B.V.O. De in het centrum
Ofschoon wij weten, dat die Geleenderkamp zich van de staande piëta was blijkbaar een latere toevoeging; ze stond
Hoog Steeg [= Pastoor Vonckenstraat] tot aan de Beek- tussen beelden van de HH. Hubertus en Rochus. Volgens de
hoverstraat uitstrekte, is de locatie van dat wegkruis toch niet plaatselijke overlevering was dit kapelletje oorspronkelijk aan de
bekend. H. Rochus toegewijd; vandaar zijn naam <Foto Rijksdienst-
In 1696 was er sprake van ”het Vrouwen huijsken” tussen de
Biesenhof en de Krawinkeler hoeve aan de Trichterweg van Monumentenzorg, 1921>.
Daniken naar Beek <PAG>. Aangezien dit niet de zojuist
genoemde St.-Rochuskapel was, want die werd toen (1696)
- vóór de bouw van de Kluis in 1699 - als ”die Capell” aan-
geduid, lijkt de vraag gewettigd of met dat ”huijsken” een
veldkapelletje met een beeld van Onze-Lieve-Vrouw werd
bedoeld.
In 1724 was ook sprake van de ”Cruijsstraet”, die de
Groenstraat doorsneed <PAG>. Het lijkt voor de hand te
liggen, dat die straat aldus naar een aldaar staand wegkruis
werd genoemd. Ook bij de Linde te Lutterade, waar de
Onderste Dorpstraat in de Bovenste Dorpstraat uitkwam,
was eertijds een crucifix.
In 1750 werd een plek vermeld, ”alwaer een steenen Cruijs
staet genaamt aen Kemmenaan” <Pijls, 53>. Al werd die locatie
niet nader aangeduid, toch lijkt dit kruis dicht bij de plaats
te hebben gestaan, waar de Kummenaedestraat op de
Rijksweg uitkomt. Daar stond tot in deze eeuw een kruis,
dat ook in negentiende-eeuwse bronnen werd vermeld. In
verband met het bevel van de Fransen (1794-1814) om alle
openbare kruisen te verwijderen, weten wij niet met zeker-
heid of dit het kruis was, dat in 1750 vermeld werd.
Nochtans mag dit wel vermoed worden, want bij het
opvolgen van het bevel tot verwijderen hebben Limburgers
op andere plaatsen de wegkruisen weggenomen en ver-
borgen, om ze later weer terug te plaatsen. Bij de moderni-
sering van de Kummenaedestraat in de jaren twintig van
deze eeuw werd dat kruis verwijderd.
Verder zwijgen de schriftelijke bronnen van vóór 1794 over
dit onderwerp. Doch het mag redelijkerwijze worden ver-
ondersteld, dat ter plekke van het in onze tijd nog aanwezige
”gallingkruis”, bij de plaats van terechtstelling in de
Raadskuil, reeds eeuwen geleden een kruis stond.
De in 1699 gebouwde kapel ter ere van St.-Lazarus, die
vanaf 1722 als kluis werd gebruikt, kwam reeds meermalen
ter sprake. In het hoofdstuk ”Historische Gebouwen” [Deel
II, hoofdstuk X] zal nader op de geschiedenis van de Kluis
en haar bewoners worden ingegaan.
369
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 370
370
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 371
VI Baggen [Krawinkel] behoorde tot het gilde der slotenmakers.
Geen van hen verstond een woord Frans, terwijl Jan Baggen
De ”Commune” zelfs niet kon lezen of schrijven.
Geleen Op 28 oktober 1794 werd bekendgemaakt, dat de centrale
(1794-1814) administratie voor deze streken te Aken zou zetelen. Op 14
november 1794 werd het daaraan onderhorige gebied in
In 1794 begonnen de Franse troepen onder Pichegru arrondissementen verdeeld. Aanvankelijk schijnt het
andermaal in noordelijke richting te marcheren. Op 26 juni [voormalige] Land van Valkenburg - en dus ook Geleen - bij
1794 versloegen zij de Oostenrijkers te Fleurus en op 18 het arrondissement Limburg te zijn ingelijfd, maar daarna
september 1794 brachten zij hen bij Esneux [ten zuiden van kwam het bij het arrondissement Maastricht. De arrondisse-
Luik] nogmaals een nederlaag toe. Daarop vertrokken menten werden in kantons verdeeld; in sommige stukken
ettelijke monniken uit de abdij Godsdal (B.) [Val-Dieu] met werd het Franse woord ”canton” door het Nederlandse
vijf karren bagage en achttien paarden naar hun hoeve equivalent ”baljuwschap” vervangen. Het volledige [voor-
Abshoven onder Munstergeleen. Doch ook daar zouden zij malige] graafschap Geleen werd bij het kanton Heerlen
zich niet lang kunnen ophouden, want de Fransen volgden ingedeeld en toen het aantal kantons van het arrondissement
hen op de voet. Maastricht tot zeven werd gereduceerd, werd de ”commune”
Zoals wij in hoofdstuk V zagen, hadden een Oostenrijkse of ”gemeynte” Geleen bij het kanton Valkenburg gevoegd.
aalmoezenier en een officier, die op hun terugtocht in de Op 31 augustus 1795 werden de veroverde Oostenrijkse,
pastorie te Geleen verbleven, pastoor Havenith zo’n schrik Hollandse en Luikse gebieden, d.w.z. de Zuidelijke Neder-
voor de naderende Franse troepen aangejaagd, dat de landen, in negen departementen verdeeld en op 1 oktober
Geleense herder vóór hun aankomst te Geleen in de richting 1795 werden deze laatste bij de Franse Republiek ingelijfd.
van de Rijn vluchtte. Ook het gedrag van een andere Onze contreien kwamen bij het departement van de
Geleense priester geeft een goede indruk van de paniek waar- Nedermaas of ”la Meuse Inférieure” - met Maastricht als
mee velen de Fransen naderbij zagen komen. Peter Mathias administratieve hoofdstad - dat in drie arrondissementen en
Dullens (*Geleen 20-1-1742) was als priester in de Duitse 30 kantons werd onderverdeeld.
Orde ingetreden en na in dit verband verscheidene functies Begin december 1795 kwam de gemeente Geleen bij het
te hebben bekleed, werd hij in 1792 rector te Handel bij kanton Sittard. Die regeling was echter van korte duur, want
Gemert. Bij de nadering van de Franse troepen in 1794 Sittard behoorde tot het hertogdom Gulik, dat geen onder-
vluchtte hij eerst naar Emmerich (D.) en toen de Fransen die deel van het departement van de Nedermaas was en toen ook
plaats in november 1794 beschoten, vluchtte hij verder naar nog niet bij Frankrijk was ingelijfd. Volgens het op 13
Münster (D.). In augustus 1795 keerde hij naar Handel januari 1796 goedgekeurde en op 17 februari 1796 uit-
terug; daar is hij in 1811 overleden <LDOBB, 51>. Ook pastoor gevoerde besluit zou de gemeente Geleen voortaan tot het
Havenith zou na verloop van tijd naar Geleen terugkeren. kanton Oirsbeek in het arrondissement Maastricht blijven
behoren <PSHAL 1911, 152. - Bergen, 15>. Doch laat ons naar het
1. Het ”Ancien Régime” begin terugkeren.
van de kaart geveegd
Bruut optreden van de eerste Fransen tegenover Geleners
Op 23 of 24 september 1794 bereikte de voorhoede van het
Franse leger het grondgebied van Geleen. Deze militairen
traden nogal driest op. In Spaans-Neerbeek werd Dominicus
Penris van lijnwaad, boter, spek, vet en 170 gulden beroofd.
Zijn dorpsgenoot Jan Peter Boesten werd eveneens
gedwongen om lijnwaad, neusdoeken, zilveren gespen en
De Franse militairen die hier arriveerden, hadden tot Infanterie van het Franse leger van de Sambre en Meuse
opdracht de veroverde gebieden als ”pays de conquête” te [= Maas] in 1795 <Uit Rogers 1982>.
beschouwen en bijgevolg de aangetroffen plaatselijke
besturen te handhaven. Doch de graaf en de drossaard van
het graafschap Geleen waren gevlucht, terwijl de drie
Geleense burgemeesters, d.w.z. wijkvertegenwoordigers,
geen officieel bestuursgezag hadden en ook onbekwaam
waren om tegenover de Fransen als leiders van de gemeen-
schap op te treden. Zij waren immers slechts eenvoudige
ambachtslieden. Jan Penris [Oud-Geleen] was kuiper,
Machiel Kubben [Lutterade] was lampenmaker en Jan
371
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 372
135 gulden af te staan. Aan het beekje in de Daalstraat ”tachentig segge hondert croonen” waard was, door die
drongen twee rode huzaren de woning van de afwezige Pieter huzaren weggehaald <NAJML nr. 367. - FA nr. 3095>.
Boyens binnen; ”onder dreijgementen van sijn huijs in In die dagen waren o.a. onderdelen van het 22ste regiment
brand te schieten of haer te moorden” dwongen zij zijn van de Franse armée, dat op weg naar de Roer was, te Geleen
vrouw om 22 Franse kronen [= 110 gulden] te overhandigen gelegerd. Deze militairen eisten ”brood, haver, stroye en
<NAJML nr. 367>. hoye”. Zij hadden hun eigen schoenmakers meegebracht.
De daaropvolgende dagen verliepen al niet beter. Een Dezen huurden gedurende drie maanden een huis in de
contingent Fransen, dat vlak bij de woning van Peter Mathis Dorpstraat [Marcellienstraat], dat aan koster Lambert Meys
Feron te Krawinkel kampeerde, ontzag zich niet om uit zijn toebehoorde, en ook een deel van het huis van Peter Houben
stal achttien vette schapen te halen en ter plaatse te slachten. op de hoek Eindstraat-Jodenstraat.
Bovendien drongen zij ’s nachts zijn woning binnen en Een nieuwe burgervader: Jan Mathijs Luijten
stalen zij ”eene grote quantiteyt... peerdeboonen, spec, bed De drie burgemeesters lieten zich door het bruut optreden
getuyg, hoender, gebakke appels, booter, broed [= brood] en van de Fransen zo sterk intimideren, dat zij de situatie niet
andere saeken”. Bij Reinier Dullens werd door het aldaar meer aankonden; ofwel ”verstaeken” [= verstopten] zij zich
kamperend contingent Fransen ”fouragien, bed getuyg, ofwel gaven zij zonder meer aan alle eisen en afpersingen toe.
linwaet, boter, brood, vet, vleesch, speck en soo voorts...” en Drossaard N. F. J. Strens was met de Oostenrijkse troepen
40 kronen gestolen. Bij de Krawinkeler burgemeester Jan vertrokken. Zijn jongere broer F. J. Strens, die officieel
Baggen haalden twee Franse dragonders diens zesjarig paard,
dat 72 Franse kronen waard was, uit de stal en dwongen zij De in 1799 door Jan Mathijs Luijten vóór het complex Luijten
zijn schoonzoon Wouter Soons het naar Beek te brengen in de Jodenstraat geplaatste gevel van baksteen. Aan de ramen
<NAJML nr. 367>. Het lijdt weinig twijfel, dat dergelijke tafe- is goed te zien dat die gevel zowel voor het linker als voor het
relen zich in die dagen ook te Lutterade en te Oud-Geleen rechter gebouw werd aangebracht; de gevel van het linker
zullen hebben afgespeeld. En aangezien in andere plaatsen gedeelte werd later gecementeerd. In het rechter gebouw waren
werd geklaagd, dat de Franse soldaten voortdurend op aanvankelijk gelijkvloers slechts blinde ramen, omdat daar toen
duiven en hoenders schoten <Msg 1881, 422>, zullen we dit ook stallen waren. Het raam rechtsonder werd aangebracht, toen die
wel voor Geleen mogen veronderstellen. stallen in een woning werden veranderd. De woning van het
Eind september 1794 werd van de drie burgemeesters de gezin Luijten-Keulers, die linksachter op het erf lag, was via de
levering van schapen geëist voor het Franse leger, dat poort toegankelijk. In het linker gebouw was het eerste lokaal
Maastricht belegerde. Zij begaven zich o.a. naar de van het Geleense gemeentebestuur gevestigd <Foto: Rijksdienst v.d.
Biesenhof en wisten de ”halferse” te overreden om elf Monumentenzorg>.
schapen af te staan. Rond diezelfde tijd eisten Franse
militairen sterke drank van burgemeester Jan Penris, die in
het hoekhuis bij de ingang tot het kerkhof in Oud-Geleen
woonde. De fles brandewijn voor de huzaren liet hij bij
herbergier Erkens in de Dorpstraat [Marcellienstraat] halen,
terwijl de drie flessen wijn voor een generaal uit de wijn-
kelder van de pastorie werden geleverd.
Toen een drietal huzaren op 28 september 1794 een bedrag
van honderd kronen van de Geleense gemeenschap eiste,
deed genoemde Penris een beroep op notaris J. M. Luijten in
de Jodenstraat, die de Franse taal machtig was. Deze trachtte
de militairen met een ”bouteille [= fles] wijn te appaiseeren
[= tevreden te stellen]”, maar zij namen daar geen genoegen
mee. De drank scheen hen zelfs nog driester te maken, want
toen werden ”de dry borgemeesters met gespannen pistoelen
uyt hunne huysen by mallekanderen gedreven”. Ten einde
raad brachten dezen de huzaren naar de ontvanger Godfried
Baggen te Lutterade. Volgens hun eigen verhaal moesten zij
daar, ”de huysaren hunne sabels op onse borsten stellende”,
aan de ontvanger gelasten om uit de gemeenschapskas een
bedrag van 106 Franse kronen te betalen. Doch ook daarmee
waren de drie ”musketiers” nog niet voldaan. Zij eisten
bovendien ”het beste peerd deser gemeente” op. Volgens de
burgemeesters was dat een der paarden van Peter Mattis
Banens te Krawinkel. Daarop werd dit paard, dat wel
372
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 373
secretaris van het graafschap Geleen was [geweest], was wel Franse militairen te beletten. Dat was evenwel een vrij
in het ouderlijke huis te Nuth gebleven, maar hij was moeilijke opgave, want de Fransen vorderden alle wapens en
onervaren in bestuurszaken. Zijn taak werd immers jaren- vooral ”flinten” [= geweren] van de bevolking op. Daarom
lang door de substituut-secretaris Gerard Lindemans waar- werden herhaaldelijk besprekingen gevoerd tot het
genomen. Toen laatstgenoemde, die in de ”onderbanken” verkrijgen van een ”sauvegarde”, d.w.z. troepen om de bevol-
woonde, op 2 oktober 1794 per brief aan burgemeester Jan king tegen bruut optreden van andere militairen te bescher-
Penris liet weten, dat hij niet naar Geleen kon komen, omdat men.
hij door zaken van de banken Oirsbeek en Brunssum in Op 20 augustus 1794 leende de gemeente Geleen 3.300
beslag werd genomen, ontstond er zo’n paniek, ”dat de gulden van J. P. Buskens, J. Erkens en J. P. Boesten. Doch de
ingezeeten den nedergank der gemeente, of op d’eene of op gemeenteschuld bleef alsmaar groeien. Na ontvangst van een
d’andere wyze te verwagten hadden, zoo hieraen niet ”circulairen” brief, waarin een contributie van 570 Franse
voorsien weer [= zou worden]”. kronen [= 2.850 gulden] werd geëist, werd op 7 oktober
Nog diezelfde dag (2 oktober 1794) werd de ”nabuur klock” 1794 besloten ten laste van de gemeente van ”den eersaemen
[in de kerktoren] geluid en ging de bode van huis tot huis [uit een Geleense muldersfamilie stammende] Johan
om de Geleners tot een vergadering in de woning van Theodoor Zelis inwoonende en borger en koopman der stad
burgemeester Penris op te roepen. Toen daar een menigte Sittaerd” 4.000 gulden tegen 5% te lenen ”om daeraen, en
bijeen was, werd besloten notaris Jan Mathijs Luijten ”uyt andere kriegs lasten te voorzien...”. Op 16 oktober 1794
zijn huys” [in de Jodenstraat] te halen, ”hem verzoekende werd de notariële akte van die lening opgemaakt <NAJML nr.
van zig tog van de gemeente te laeten constitueeren tot 365. - FA nr. 3095>.
bewind van haere zaeken, om alle onheylen voortekomen
[= te voorkomen]”. Na aanvankelijk te hebben geaarzeld, Gedwongen karrenvrachten
stemde hij toe en werd hij door de verzamelde Geleners als De vorderingen bleven alsmaar aanhouden. Vele Geleners
”hunnen gecommitteerden en chef der regentie, met de moesten voor de Franse armée, die in het najaar van 1794
borgemeesters aengestelt en geconstitueert om de saeken der nog steeds de stad Maastricht belegerde, met paard en kar
gemeynte met de selve soo wel geduerende deesen kreeg gaan rijden. Zo werden in de eerste week van oktober 1794
[= oorlog] als daernaer waer te neemen”. Dit leek een goede tien karren stro uit Geleen naar het Franse leger achter
keus te zijn, want niet alleen was notaris Luijten - zoals Maastricht gestuurd. Die voerlui bleven vijf en een halve dag
spoedig zou blijken - een autoritaire en krachtdadige figuur, van huis. En andermaal werden sommigen het slachtoffer
maar ook beheerste hij de Franse taal minstens zo goed als van het willekeurig optreden van de militairen. Op 22
zijn moedertaal. In deze laatste drukte hij zich soms op een oktober 1794 waren Jan Krekels van Lutterade en twee
merkwaardige wijze uit; zo vertaalde hij ”administration voerlui uit de Daniker graanmolen te Amby getuigen van het
centrale” door ”middelpuntige administratie” en ”arron- feit, dat een Franse overste het paard van Leonard Vleugels
dissement” door ”gemeentelijke ronding”. van Krawinkel, nl. een mooie jonge merrie, uit een ”polfer-
Uit deze gang van zaken blijkt geenszins, dat Luijten wagen” spande, er zijn rijzadel oplegde en wegreed zonder
- althans niet in het begin - een sympathisant van de Fransen aan de eigenaar enige ”restitutie” te geven <FA nr. 3095>.
zou zijn geweest en evenmin dat hij een van degenen was, die De voerlieden van de halfer van de hoeve Ten Eijsden
de Fransen als bevrijders zouden hebben verwelkomd <Bergen, werden gecommandeerd om met een kar en een voorspan
12>. Hij had immers de positie van maire niet gezocht en had van twee paarden naar Kanne bij Maastricht te rijden. Daar
ze ook slechts weigerachtig aangenomen. Maar toen hij een- aangekomen werden ze naar Tongeren (B.) gestuurd om er
maal een machtspositie had verworven, bleek hij daar wel een lading haver te halen. Maar op de terugweg stuurde de
erg mee te zijn ingenomen; zijn daaropvolgende jarenlange militaire ”conducteur” hen in een niet te passeren moeras,
slaafse uitvoering van de Franse wetten kan immers nauwe- waarin een van de paarden zo diep wegzonk, dat dit
lijks anders worden verklaard. Ofschoon hij - evenals zo ”terstond is moeten versmagten”. Terwijl de voerlieden het
velen van zijn collega’s - ruimschoots de gelegenheid had om andere paard in veiligheid brachten, werd hun kar gestolen.
zijn regeringsfuncties neer te leggen, wijst niets erop, dat hij In een vorig hoofdstuk werd vermeld, dat diezelfde halfer
dit ooit in overweging heeft genomen. Dat is des te verwon- kort tevoren, bij een vrachtrit voor de Oostenrijkers, twee
derlijker omdat hij als notaris toch een behoorlijk inkomen paarden verloor.
moet hebben gehad. Op een desbetreffende vraag van de Reinier Dullens, die bij de inval van de Fransen was bestolen,
Franse overheid antwoordde hij op 16 mei 1797 - toen hij had opnieuw tegenslag. In diezelfde maand oktober 1794
reeds meer dan twee en een half jaar een handlanger van de had hij zich met twee paarden en een nieuwe kar naar
Fransen was geweest - dat hij van beroep notaris was <Bergen, Montenaken bij Maastricht begeven. Maar na 17 dagen lang
39>. voor de Fransen gereden te hebben, zag hij zich, wegens
Op een der eerstvolgende zondagen na zijn benoeming tot gebrek aan eten voor hemzelf en aan voer voor zijn paarden,
bestuurder, gaf Luijten in de kerk aan de Geleners de gedwongen de kar in de steek te laten en met zijn paarden
opdracht om te patrouilleren teneinde plunderingen door naar Geleen terug te keren <NAJML nr. 367>. Omwille van de
373
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 374
risico’s, die de vrachtvoerders van Geleen onderweg liepen, Nadat de stad Maastricht op 3 november 1794 door de
drong Luijten erop aan, dat zij bij vrachten naar de Fransen was ingenomen, werden de bevelen tot het leveren
omgeving van Maastricht door een sauvegarde zouden van goederen en het doen van vrachtritten minder frequent.
worden vergezeld. Toch lieten de Fransen de bevolking niet met rust, want ze
Tot de gedwongen vrachtritten behoorden ook het afhalen hadden nog heel wat plannen. Op 9 november 1794 kwam
van proviand in Urmond en Valkenburg en het vervoeren het bevel om zowel een lijst van de in de gemeente aanwezige
van zieke Franse soldaten naar de legerhospitalen te Susteren paarden en veulens op te stellen, alsook te laten weten welke
en Maastricht. Zo vertrokken op 7 februari 1795 niet slotenmakers, rade(r)makers en zadelmakers in Geleen
minder dan zeven karren met zieke soldaten uit Geleen naar woonden.
een van die lazaretten. Op 30 december 1794 merkte Luijten op, dat de gemeente
Geleen reeds ruim zes maanden ”met gestaedige leverantien
Nieuwe vorderingen van graenen, hoeij, stroeije en beesten [= koeien], dusdanig
Op 26 oktober 1794 ontving Luijten een ”requisitie” om is worden overhoopt [= overstelpt], dat zij daeraen niet meer
60.000 bundels hooi en ”de vijfde hoornbeest” te leveren. konnende voldoen, genoodwend [= genoodzaakt] is worden,
De eis tot levering van ”de vijfde koe” kwam erg ongelegen, het geleverde hoeije, haever en beesten voor het grootste
want in die tijd heerste er een ”contagieuse [= besmettelijke] gedeelte te koopen” <Bergen, 18>. Daar de eerste Franse troepen
siekte” onder het rundvee, ten gevolge waarvan op de hoeve pas op 23 of 24 september van dat jaar waren gearriveerd,
Ten Eijsden ”vijf van de beste koeijen gecreveert moeten bij de door Luijten genoemde periode van ruim zes
[= gestorven] sijn” en bij Pieter Boyens in de Daalstraat maanden ook de maandenlange leveranties aan de vluchten-
eveneens vijf koeien, twee runderen en een kalf stierven de Oostenrijkse troepen worden inbegrepen.
<NAJML nr. 367>.
Ook de levering van zo’n groot aantal bundels hooi was een Gemeentelijke grondbelasting
zwaar probleem. Nog diezelfde avond (26 oktober 1794) Ondanks vroegere leningen, waren de Geleners door die
ging Luijten naar de commissaris te Meerssen, die dit rekest aanhoudende vorderingen van het Franse leger in een
had uitgevaardigd, om hem ervan in kennis te stellen, dat de benarde financiële positie geraakt. Naar een oplossing
inwoners van Geleen geen leveringen buiten het [voor- zoekend, kwamen de ”gemeijntenaren” op 11 november
malige] Land van Valkenburg mochten doen. Niet alleen 1794 - ingevolge een op de voorafgaande zondag aan de
keerde hij onverrichterzake terug, maar bovendien dreigde kerkdeuren bevestigde oproep - ten huize van Joannes
die commissaris om bij weigering de voornaamste inwoners Dullens in vergadering bijeen.
van Geleen te arresteren en naar het leger te voeren. Er zat Daar werd door de drie burgemeesters opgemerkt, dat
dan ook niets anders op dan gedurende de volgende dagen wegens leveringen, inkwartieringen en karrenvrachten grote
de levering van hooi en haver door de landbouwers der schulden waren gemaakt en dat ook het geleende bedrag van
gemeente te doen uitvoeren. Als verzamelplaats was ruim 7.000 gulden reeds bijna ”uytbetaelt” was, terwijl de
Meerssen aangewezen. overlast nog dagelijks bleef toenemen. Zij vreesden dan ook,
In Sittard verbleef toen de cavalerie-generaal Ney, die later dat ingeval de gedupeerde personen, d.w.z. zij die leveringen
als maarschalk en persoonlijke vriend van Napoleon zo’n of vrachten hadden gedaan of inkwartieringen hadden
grote bekendheid zou verwerven. Hij zond een rekest naar gehad, geen vergoeding zouden ontvangen, een grote
Geleen ”om thien duijsent busselen stroije te leeveren”. Maar bestuursverwarring in de gemeente zou kunnen volgen. Ter
ook dat was een gecompliceerde opgave, want de overheid bestrijding van de ”openstaende kriegskosten” werd unaniem
had aan de bewoners van het [voormalige] Land van besloten om een belasting op onroerende goederen te heffen.
Valkenburg voorgeschreven om alle leveringen uitsluitend in Tevens werd toen aan notaris Luijten het salaris van de
het Geulstadje te doen. Na overleg met andere autoriteiten geëmigreerde drossaard Strens toegekend <FA nr. 3095>.
werd besloten, ”dat eene deputatie moest dit aen den
generaal [te Sittard] notificeeren” [= bekendmaken]. Luijten, Nieuw officieel gemeentebestuur
die deze ”deputatie” leidde, kon generaal Ney er toe over- Op 21 november 1794 werd de ”municipaliteit” [= gemeente-
halen om zijn rekest in te trekken. lijke administratie] Geleen opgericht en werd Jan Mathijs
Vóór het einde van de maand oktober 1794 ontving Luijten Luijten tot ”maire” aangesteld. Ten behoeve van de admini-
ook nog een ”requisitie van schaep, hoender, eijer &c.”. stratie stelde hij in zijn huis aan de Jodenstraat ”eene camer,
Tevens kreeg hij het verzoek om de aanwezige voorraad ijzer, met de noodige stoelen en taeffels, voor haere sittinge” ter
koper, tin en andere metalen op te geven. Naar aanleiding beschikking, en werd door hem ”daerinne vuur en ligt
van dit laatste begaf hij zich op aandringen van de burge- gefourneert [= verlichting verschaft]”. Enkele dagen later, op
meesters naar de plaats Limburg bij Verviers (B.) om die 25 november 1794, werd zijn aanstelling tot ”maire”
aanslag ”af te krijgen”. Het is niet zeker of dit lukte, maar op bevestigd en werd de benoeming tot ”échevin” [= schepen of
9 november rapporteerde Luijten, ”dat geene magazijnen, wethouder] daaraan toegevoegd. Hij kreeg Pieter Mathias
depots &c. van ijser, coeper &c. hier sijn”. Lemmens van Lutterade, die met een dochter van drossaard
374
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 375
Corten was gehuwd, als ”adjoint” [= adjunct of assistent] en Geleense gemeentebestuur om aan J. M. Zelis en
tevens als medeschepen toegewezen. Bij datzelfde besluit M. Lemmens te verbieden voortaan nog enige betaling aan
werden nog drie Geleners tot ”adjoints” benoemd, nl. Jan die graaf en/of aan genoemd klooster te doen; voor
Lambert Göbbels [uit de Pieterstraat], Jan Vleugels [uit Lemmens werd dit verbod ook tot enige uitkering ten
Krawinkel] en J. D. Penris [uit Neerbeek]. Tenslotte werd behoeve van ”den geëmigreerden pastoor” Havenith uit-
F. J. Strens, broer van de laatste drossaard, tot griffier gebreid. ’s Anderendaags werd beide pachters - op aan-
benoemd. Deze bleef tot 6 maart 1795 in functie; na zijn dringen van Dullens - tezamen met Reinier Helgers van de
vertrek werd hij door J. A. van der Meer vervangen <JPGL hoeve Ten Eijsden [die aan het adellijk geslacht Van
1917, 37>. Op 26 februari 1795 werden de leden van de Hoensbroek toebehoorde], W. Dolmans van de Biesenhof
gemeenteadministratie - behalve de maire of meier - als [die eigendom van de Duitse Orde was] en M. Banens en
”assesseurs” [= schepenen of wethouders] aangeduid <FA nr. Stas Feron, beiden pachters van het kapittel van Aken,
210>. J.M. Luijten nam ook nog de functie van secretaris van bevolen om op 4 december 1794 om 10 uur ’s morgens voor
de ”commune” Vaesrade waar <Bergen, 35>. Het is evenwel niet de municipaliteit te verschijnen en daar zowel te verklaren
bekend hoelang hij dit deed; gezien zijn drukke bezigheden welke pachten zij nog aan de eigenaars van hun bedrijven
te Geleen had hij voor die functie vermoedelijk een tijdelijke verschuldigd waren alsook nadere inlichtingen over de
plaatsvervanger. verblijfplaatsen van die eigenaars te verschaffen. Op 10
Uit niets blijkt dat ook maar één van de Geleners, die in de december 1794 werd hen verboden nog iets aan deze laatsten
municipale raad zitting namen, Fransgezind zou zijn te betalen of te leveren. Een week later volgde eenzelfde
geweest. Wel waren misschien sommigen bereid dit te doen, verbod aan L. Keulers en Jac. Paes, pachters van landerijen
omdat hun bij besluit van 26 oktober 1794 een maandelijkse van de hoeve Stucken, die eveneens aan de Duitse Orde
vergoeding van 200 gulden was beloofd. Doch daar kwam toebehoorde.
blijkbaar niets van terecht, want zelfs de maire kreeg dat Op 8 januari 1795 moest opgave worden gedaan van de
bedrag niet uitbetaald, zoals blijkt uit zijn klachten van 26 onder Geleen gelegen geestelijke en adellijke goederen en
maart en 16 mei 1795, dat hij ”nog geene de minste van de daaraan verbonden inkomsten. Ook moesten de
betaelinge gesien” had <FA nr. 217>. bezittingen en inkomsten van de parochiegeestelijkheid en
Welk een geweldige administratieve last dit gemeentebestuur van de ambtenaren uit het ”Ancien Régime” worden
te verwerken kreeg, blijkt uit de notitie van Luijten op 20 opgegeven. Met betrekking tot de vroegere ”schouten oft
februari 1796, dat hij sedert zijn aanstelling tot maire niet drossaerden” wilde men tevens weten ”oft de selve present
minder dan 286 bevelen, wetten, brieven en publicaties van dan wel absent sijn en sedert wanneer de selve in dit laetste
de Franse overheid had ontvangen en aan zijn gemeente- absent hebben gehouden”. De goederen van gevluchte
naren had ”gepubliceert”, d.w.z. bekendgemaakt. Tegen personen werden immers aangeslagen.
februari 1796 moest elke adjunct een verslag van zijn werk- Omdat pastoor Havenith was ”geëmigreerd”, konden op
zaamheden indienen. J. D. Penris schreef, dat hij gedurende hem de wetten tegen de emigranten worden toegepast.
de eerste zes maanden na zijn benoeming in die functie Genoemde commissaris A. E. Dullens van Schinnen, die erg
(november 1794) alle dagen had moeten ”vaceren [= ambte- gewillig was om de Franse overheid van dienst te zijn, droeg
lijk bezig zijn] vermits onse gemeijnte aen de groote passagie reeds in het najaar van 1794 aan de municipale raad van
op Ruremont, Venlo, Gulick, Dusseldorp, Keulen, Krevelt Geleen op om ”de effecten aan den geëmigreerden pastoor
en soo voorts gelegen is” <FA nr. 3095>. toebehoorende” te inventariseren. De adjuncten Lemmens
en Göbbels werden met die taak belast en voerden ze,
Inkomsten van de adel en van geestelijke instellingen tezamen met griffier Strens, op 5 december 1794 uit.
aangeslagen Deservitor Nijbelen kreeg de opdracht om een lijst van de
Op 2 november 1794 stelde Luijten - op bevel van commis- inkomsten van de pastoor in te leveren. Zoals men had
saris A. E. Dullens uit Schinnen - een lijst samen van de kunnen verwachten, verklaarde hij op 9 december 1794
vanouds door Geleners te leveren tienden. Nog diezelfde dag niets van die aard te hebben gevonden. Vijf dagen later
liet hij aan Martin Lemmens, halfer op de grote hoeve van kwam van de centrale administratie te Aken het bevel om
Lutterade, die aan het klooster van Reichenstein toebehoor- ”de effecten en meubiliën” van al de geëmigreerde personen
de, en aan Jan Mathijs Zelis, pachter van de Daniker graan- te inventariseren en te verzegelen. De uitvoering van dit
molen, die eigendom van de gevluchte graaf d’Ansembourg bevel werd aan de adjuncten Vleugels en Penris toe-
was, weten, dat de gedorste granen, die zij als pacht en/of vertrouwd.
tienden aan de eigenaars verschuldigd waren, aan de Fransen Op 13 januari 1795 werd door de centrale administratie aan
moesten worden geleverd. Op 9 november 1794 betaalde de halfer M. Lemmens van Lutterade bevolen om de granen
mulder Zelis 350 gulden van de door de Fransen aan de van de pacht en de tienden, die hij vroeger aan het klooster
graaf opgelegde contributie, waarop de dreiging van van Reichenstein en aan de [gevluchte] pastoor van Geleen
”executie” [= inbeslagname] werd ingetrokken. leverde, naar het landsmagazijn te Valkenburg te brengen.
Op 2 december 1794 verzocht genoemde Dullens het Toen hij zich niet aan dat bevel stoorde, werd hem op 6
375
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 376
februari 1795 bevolen om ’s anderendaags ’s morgens om 6 Een door de Fransen verspreid ”assignat” van vijf pond; ware
uur aan een daartoe aangewezen lid van het gemeentebestuur grootte: 6 x 9½ cm. Tekst in de linkerbovenhoek: UNITÉ
de verschuldigde 32 malder rogge, acht malder tarwe, veer- INDIVISIBLE DE LA RÉPUBLIQUE [= Ondeelbare een-
tien malder gerst en zes malder haver ”over te meten”, zodat heid van de republiek], in de rechterbovenhoek: LIBERTÉ,
dit graan ”instantelijk” naar het magazijn te Valkenburg zou ÉGALITÉ, FRATERNITÉ OU LA MORT [= Vrijheid,
kunnen worden getransporteerd. Het is niet duidelijk in gelijkheid, broederschap of de dood], in de linkerbenedenhoek:
hoeverre Lemmens die opdracht toen heeft uitgevoerd. Wel LA LOI PUNIT DE MORT LE CONTREFACTEUR [= De
betaalde hij de door de Fransen als belasting op de pastorie wet straft de valsmunter met de dood] en in de rechterbeneden-
van Geleen opgelegde 50 Franse kronen. Nadat hij op 19 hoek: LA NATION RECOMPENSE LE DÉNONCIATEUR
maart 1795 ”op paene van militaire executie” [= inbeslag- [= Het volk beloont de aanbrenger (van valsmunterij)] <Uit de
name] andermaal tot levering was gesommeerd, leverde nalatenschap van de Gelener pater Ferdinand Eussen>.
Lemmens de resterende hoeveelheid graan.
Ofschoon die confiscatie van inkomsten en levensmiddelen voor echte munt konden wisselen. Ook konden heel wat
tegen de geëmigreerde pastoor Havenith was gericht, werd geconfisqueerde goederen met de ontvangen assignaten
daardoor kapelaan Nijbelen, die in opdracht van de bisschop worden teruggekocht. Maar spoedig zou hun wisselwaarde
als diens plaatsvervanger fungeerde en bovendien een zo sterk dalen, dat ze praktisch waardeloos werden.
assistent moest onderhouden, van zijn ”noodige subsisten- De anti-godsdienstige leiders van de Franse Revolutie wilden
tie” [= levensonderhoud] beroofd. Daarom diende hij bij de zoveel mogelijk aspecten van het christendom uitwissen. Zo
overheid te Maastricht een protest tegen die maatregelen in. werd de Gregoriaanse kalender op 5 oktober 1793 door de
Toen dit van de hand werd gewezen, wendde hij zich op 24 Republikeinse kalender vervangen. Men koos 22 september
april 1795 tot de centrale ”Verwaltung” te Aken. Daarin 1792 als de eerste dag van de nieuwe tijdrekening, omdat op
herhaalde hij zijn verzoek om hem niet ”das nöthige unter- die dag de Franse Republiek was uitgeroepen en tevens de
halt” te ontnemen en verzocht hij tevens dat hem het herfstequinox [dag en nacht even lang] plaatsheeft. Het jaar
gebruik van een paar der door de gemeente verzegelde werd in twaalf, met nieuwe namen aangeduide, maanden
meubels op de pastorie zou worden toegestaan <Bergen, 27-31>. van dertig dagen verdeeld, waarbij elke tiende dag een rust-
De reactie van de centrale administratie te Aken is niet of feestdag werd. De vijf resterende dagen van het jaar [zes
bekend, maar Nijbelen heeft ongetwijfeld op de hulp en extra dagen in een schrikkeljaar] werden eveneens tot
vrijgevigheid van zijn parochianen mogen rekenen. feestdagen bestemd.
Op 9 februari 1795 werd ook aan de pachters van de te Aangezien er volgens die opzet al een jaar was verstreken,
Krawinkel gelegen landerijen van het kapittel van Aken een toen de nieuwe tijdrekening van kracht werd, vindt men
bevel tot levering uitgevaardigd. Toen dezen halsstarrig geen documenten gedateerd met het jaar I. Op 22 septem-
bleven weigeren, werden die bevelen met toenemende ber 1793 schreef men meteen 1 Vendémiaire an [= jaar] II.
bedreigingen herhaald. Op 28 augustus 1795 ontvingen De nieuwe tijdrekening werd aangehouden tot en met de
Banens en Feron nogmaals een sommatie. De eigenlijke eerste vier [Franse] maanden van het jaar XIV. In september
reden voor hun weigering was het feit, dat de gemeente 1805 besloot Napoleon de Gregoriaanse kalender opnieuw
Geleen reeds eerder de ”Akener pacht” had opgeëist. in te voeren. Derhalve volgde op 10 Nivôse an XIV [= 31
Daarom voldeed de gemeente aan hun verzoek om uit eigen december 1805] niet 11 Nivôse an XIV, maar 1 januari
voorraad, maar in hun naam, de vereiste leveringen te doen. 1806. Ter bevordering van de leesbaarheid en duidelijkheid
zullen hier de dateringen volgens de Republikeinse tijd-
De nachtwacht rekening bij voorkeur door hun equivalenten volgens de
Een van de voornaamste middelen om rust en orde te Gregoriaanse kalender worden weergegeven.
handhaven was de nachtwacht. Teneinde ”de vele dieverijen”
binnen de gemeente Geleen tegen te gaan, werd op 19 maart
1795 voor elk der wijken een nachtwacht van vier personen
ingesteld. Alle mannen van 18 tot 60 jaar waren nacht-
wachtplichtig. Misschien stond die oprichting in verband
met het vertrek van de sauvegarde <JPGL 1917, 41>.
Assignaten, nieuwe tijdrekening en postverkeer
Op 19 december 1789 hadden de Fransen het systeem van
z.g. ”assignaten”, d.w.z. papieren geld, ingevoerd, waarmee
zij de geconfisqueerde kerkelijke goederen betaalden.
Aanvankelijk werden deze assignaten op hun nominale
waarde aanvaard, zodat de gemeenten, die assignaten en
”bons” voor geleverde goederen hadden ontvangen, deze
376
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 377
Teneinde de administratie van het bezette gebied op een maart 1795. Hij wist dit te bewegen om unaniem met zijn
efficiënte wijze te kunnen voeren, handhaafden de Fransen voorstel tot levering van de achtste koe en het achtste schaap
de postverbindingen, die zij hier aantroffen. De dagelijkse volgens het bundergetal akkoord te gaan. Wel werd er de
verbinding tussen Maastricht en Beek en van daar via de clausule aan toegevoegd, dat vóór de aflevering iedere koe en
Postbaan door de Graetheide naar het noorden nam een elk schaap op hun geldwaarde zouden worden geschat en dat
centrale plaats in dat verkeersnet in. Er werden uit Beek en de eigenaars volgens die schatting zouden worden vergoed
elk van de omliggende plaatsen, waaronder Geleen, dagelijks <FA nrs. 213 en 217>. Aldus werden vooral de molenaar van
twee ”postpaarden” geëist om die dienst dag en nacht te Daniken en de pachters van de grote hoeven de dupe, want
onderhouden. zij werden gedwongen om gezamenlijk 26 van de 64
gevorderde koeien te leveren.
Nog meer vorderingen en vrachten en een gedwongen Maar ook dat was niet het einde van de gedwongen leve-
geldlening ringen van vee. Tegen 1 september 1796 was het aantal te
Omdat Sint-Jansgeleen, Hobbelrade en Spaubeek eind leveren dieren reeds tot 92 koeien en 50 schapen opgelopen,
november en begin december 1794 inkwartieringen van terwijl een nog latere opgave niet minder dan 135 koeien en
Franse troepen kregen <GAB>, zal dit rond diezelfde tijd ook 142 schapen vermeldde <Bergen, 21-22>. Die laatste getallen
wel in de verschillende Geleense wijken het geval zijn vertegenwoordigen misschien de totalen van verschillende
geweest. Bovendien bleven de eisen voor het leveren van stro, veeleveringen. Aan de vorderingen tot leverantie van vlees
rogge, tarwe, vet etc. en het uitvoeren van vrachtritten aan- wist men te voldoen door dit van de handelaars Hertzdahl en
houden. Zo werd op 14 december 1794 de eis tot levering Mozes te Limbricht te kopen.
van achttien koeien ontvangen, terwijl op 23 januari 1795 Op 2 april 1795 werden andermaal granen en fourage
een vordering voor ”hoorn- en wolbeesten” arriveerde. gevorderd. Administrateur Wilmar beschuldigde de
Op 13 januari 1795 togen de adjuncten Lemmens en Penris Geleners van nalatigheid en ”flauwheid” in het leveren van
naar Oirsbeek om er met afgevaardigden van andere het gevraagde. Hij sprak van ”de grootste nood en gebrek
gemeenten over de in een circulaire van de administrateur aan levensmiddelen, welke de Republikeinse Armée thans is
Wilmar ”geforceerde geldleeninge op de bemiddelde lijdende”, en dreigde bij verdere vertraging met onverbidde-
burgers” te beraadslagen <JPGL 1917, 40>. Al deze maatregelen lijke straffen.
vergden het uiterste van de gemeenteraad. Hoe druk de Ook de gedwongen vrachtritten bleven aanhouden, en weer
”maire” en de adjuncten het toen hadden, blijkt o.a. uit een werden Geleners de dupe. Zo werden van Lambert Göbbels
rekening van 28 januari 1795: ”voor twee pond keerssen uit de Hegstraat, die naar ”de Franse armée camperende
gelevert aen de municipaliteyt van Geleen voor savonts en ontrent Neuss” [aan de Rijn] had moeten rijden, ”een peerd
snagts in hunne sittinge licht te hebben”. met karre en getuijg”, ter waarde van 27 kronen, gestolen.
Intussen was op 10 januari 1795 het bevel uitgevaardigd om Deze landbouwer moest ook, tezamen met andere Geleners,
de achtste koe en het achtste schaap te leveren. Luijten stelde de verre tocht naar Luxemburg ondernemen. Het was op
op eigen houtje een verdeling op, die niet zozeer op de deze tocht, ”dat door den exorbitanten [= overdreven zware]
aanwezige veestapel maar veeleer op het aantal bunders last, waermede syn karre belaeden was, een der selve peerden
onder de ploeg was gebaseerd. Omdat dit sterk in het nadeel oud vier jaeren capot gevaeren is geweest”; dit kwam op een
van de pachters der grote hoeven uitviel, protesteerden de schadepost van 72 Franse kronen neer. De voerlui die voor
halfers van Ten Eijsden, de Biesenhof en de hoeve van de weduwe Laurens Keulers een kar meel naar de Franse
Lutterade bij de overheid. Daarop gaf de administratie van troepen te Neuwied aan de Rijn hadden moeten brengen,
het arrondissement Maastricht aan maire Luijten een aantal verklaarden dat die kar zo zwaar beladen was geweest, dat het
instructies. Op de eerste plaats mocht geen eigenaar van paard wegens ”verhetzinge” [= oververhitting] kort na de
slechts één koe tot levering worden gedwongen. Verder terugkeer was gestorven <NAJML nr. 367>.
zouden de eigenaars van slechts twee koeien in groepen van Aangezien in het verleden de drie burgemeesters steeds vrij
vier worden verdeeld en uit elk van die groepen zou - via van ”karrediensten” waren gebleven - omdat zij in de
loting - één koe voor levering worden aangewezen. Als derde gemeenschap niet konden worden gemist - wilde Luijten die
stap moesten de stallen met drie of meer koeien allemaal bij traditie ook in het nieuwe tijdperk toegepast zien. Doch zijn
elkaar worden gevoegd om dan daaruit telkens de achtste verzoek van 7 april 1795 om dit gedaan te krijgen, werd van
koe voor levering aan te wijzen. Tenslotte werd Luijten de hand gewezen <Bergen, 26>.
uitdrukkelijk gelast zich overeenkomstig ”deze form van Maire Luijten tekende aan, dat hij ”als maire... bysonder het
repartitie prompetelijk te gedragen en geene andere te doen eerste jaer schier dagelyks [heeft] moeten vaceeren [= ambte-
of te ondernemen” <FA nr. 213>. lijk bezig zijn] zoo voor ’t formeeren der logementen van
Luijten protesteerde heftig in een lang verweerschrift, waarin doormarcherende detachementen, het veranderen en
hij voorschriften uit 1680, 1755 en 1783 aanhaalde om zijn versorgen van de winterquartieren, alwaer peerdevolck,
houding te rechtvaardigen. Tevens voerde hij die argumen- marcketenters, eene bende schoenmaekers en snijders onder
ten aan op de vergadering van het gemeentebestuur op 12 waeren, schier dag nog nacht rust geweest en door dese
377
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 378
gelegentheyt grooten overlast van officiers en soldaeten Nog een gedwongen geldlening
gehad hebbe, die men om het algemeyn welsyn eeten en Op 10 december 1795 werd de verplichte lening voor het
drincken dickwyls heeft moeten geeven en selfs logeeren... jaar IV (van 23 september 1795 tot 21 september 1796)
hondert gevaeren aen zyn persoon en huys geloopen heeft”. uitgevaardigd. Daar men dat voorschrift volgens het grond-
In 1794 was de oogst mislukt en de daaropvolgende winter bezit wenste toe te passen - en dus vooral de grootgrond-
was lang en streng geweest. In 1795 werd de oogst door lang- bezitters zouden moeten bijdragen - werd op 17 januari
durige regens bedorven; bijgevolg steeg de prijs van levens- 1796 een bunderlijst opgesteld <Bergen, 87-89>.
middelen tot het drievoudige. Uit de streek van Luik De norbertijnen van Reichenstein, van wie 500 pond voor
kwamen veel noodlijdenden naar het noorden. Jan Sassen de grote hoeve van Lutterade werd gevorderd, waren van
tekende aan: ”1795: hongersnood”. Dit sloeg ongetwijfeld mening dat zij dat bedrag niet hoefden te leveren, omdat zij
ook op zijn eigen omgeving. reeds in de gemeente Montjoie (Monschau, D.) aan de
Toch bleven de Fransen fourage voor mens en dier eisen. In gedwongen lening bijdroegen. Ofschoon de gemeentelijke
de zomer van 1795 werden door adjunct J. L. Göbbels voor administratie van Geleen met die zienswijze akkoord scheen
de gemeente Geleen twee ”zegsels” [= zeisen], twee slijp- te gaan, werd die weigering van hogerhand met het dreige-
stenen en twee slijpbussen [voor het opbergen van die slijp- ment van brandschatting beantwoord. Dat kwam hierop
stenen] te Sittard gekocht <FA nr. 3095>. Die stenen waren voor neer, dat de paters niet alleen de gevraagde som moesten
het slijpen van de zeisen bedoeld en deze laatste dienden overhandigen maar bovendien een extra zware geldboete
blijkbaar om de door de Fransen gevorderde granen te moesten betalen <GAG nr. 4>.
(laten) maaien.
Veranderingen in het lokaal en regionaal bestuur
Pastoor Havenith teruggekeerd (oktober 1795) Omdat volgens een nieuwe wet aan alle ”communes” met
Op 30 april 1795 toonde ”vice-pastor” Nijbelen aan de minder dan 5.000 zielen het recht op een eigen gemeente-
Geleense municipaliteit het bewijs, dat hij - als plaats- bestuur was ontnomen, werd de municipaliteit van Geleen
vervanger van de gevluchte pastoor - door de kerkelijke over- rond de jaarwisseling 1795/96 opgeheven en onder ”de
heid tot deservitor van de parochie Geleen was benoemd. municipaliteit van het kanton Oirsbeek” gebracht. Voortaan
Sedert januari 1795 kwam hem de capucijner pater zouden de municipale agenten van de verschillende plaatsen
Viventius uit het aan gene zijde van de Maas gelegen plaatsje gezamenlijk de municipale raad van dat kanton uitmaken.
Paal (B.) assisteren. Op 23 maart 1795 diende Nijbelen te Deze raad werd voorgezeten door de kantonpresident
Roermond een verzoek in om zijn ordegenoot Cornelis G. Lindemans, die in het ”Ancien Régime” plaatsvervangend
Habets als zijn tijdelijke assistent te benoemen om aldus secretaris van het graafschap Geleen was geweest. Op de
vooral zijn taken van biechthoren en bedienen van sterven- eerste gezamenlijke vergadering op 14 januari 1796 werd
den te verlichten. De jonge norbertijn was te Millen (D.) bij Geleen door P. M. Lemmens en D. Penris vertegenwoordigd
Nieuwstadt geboren als zoon van Severin Habets en Anna <FA nr. 902>. Deze regeling zou tot begin 1800 van kracht
Maria Schölkens en was aldaar op 4 september 1769 blijven.
gedoopt. In 1791 was hij te Reichenstein ingetreden en op Voor J. M. Luijten bracht die verandering een promotie
23 februari 1792 was hij tot priester gewijd. Het verzoek van mee. Op 8 januari 1796 werd hij nog tot ”maire actuel” van
Nijbelen werd eerst voor vier maanden ingewilligd en daarna Geleen benoemd, terwijl hij door J. A. Schutgens als agent
herhaald. Op 8 mei 1795 tekende Habets voor het eerst het en door Godfried Baggen en Arnold Cremers als adjuncten
doopregister van Geleen. Bovendien bleef de zojuist zou worden bijgestaan. Doch die regeling was van erg korte
genoemde capucijn assisteren. duur, want reeds op 14 januari 1796 werd Luijten tot
Nadat zowel door de proost van Reichenstein als door de ”municipale agent” benoemd en op 13 februari 1796 volgde
municipaliteit van Geleen op de terugkeer van pastoor zijn aanstelling tot kantoncommissaris <FA nr. 4347>. Blijkbaar
Havenith was aangedrongen en ook de administratie van het was deze promotie voor hem de naaste aanleiding om het
arrondissement een goedkeurend advies had gegeven, werd ambt van municipale agent van Geleen neer te leggen. In die
dit op 25 september 1795 door volksvertegenwoordiger functie werd Jan Lambert Göbbels uit de Pieterstraat zijn
Meynard te Maastricht toegestaan <JPGL 1917, 40-41>. Op 8 opvolger, terwijl Godfried Baggen van Lutterade adjunct
oktober 1795 was de gevluchte pastoor weer in zijn pastorie. werd. Göbbels legde zijn ambt reeds op 3 maart 1795 neer
Daarna bleven de beide assistenten niet lang in Geleen. Op <FA nr. 4290>.
19 en 29 oktober 1795 tekenden respectievelijk pater Zijn opvolger was Lambert Keulers, die toen in het vroegere
Viventius en assistent Habets voor het laatst in het doop- huis Gadé Op de Vuling [thans Geenstraat] woonde; maar
register. Habets vertrok naar Gangelt (D.). Na achtereen- ook hij werd zijn taak al spoedig beu. Reeds op 8 juni 1796
volgens pastoor te Schinveld (1803-1811), Uikhoven (B.) stuurde hij een schrijven aan de administratie te Maastricht,
(1811-1815) en Roosteren (1815-1821) te zijn geweest, waarin hij verklaarde zijn opdracht als municipale agent
overleed hij in laatstgenoemde plaats op 23 augustus 1821 wegens zijn gevorderde leeftijd en zijn gezondheids-
<Bosch, 94, 164, 226 en 246. - Roosteren, 63>. problemen niet langer te kunnen vervullen. Op 16 juni
378
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 379
1796 schreef Luijten, dat de agent van de commune Geleen weduwen, 610 jongens en ongehuwde mannen en 548
sinds twee weken had geweigerd zijn taak te vervullen. meisjes en ongehuwde vrouwen <FA nr. 4290>, en volgens nog
Op diezelfde dag begaf de bode Joannes Willems zich om een andere opgave van rond diezelfde tijd het inwonertal van
8 uur ’s morgens naar het huis van Keulers om hem de Geleen 1841 personen zou hebben bedragen <FA nr. 798>.
bevelen van 10 juni betreffende de gedwongen lening en de
eed van haat aan het koningschap te overhandigen, opdat hij Invoering van de registers van de burgerlijke stand
die aan de inwoners van Geleen zou bekendmaken. Maar Op 17 juni 1796 werd de ”burgerlijke stand” ingevoerd;
toen Keulers weigerde de officiële stukken in ontvangst te daarbij werd voorgeschreven, dat geboorten, huwelijken en
nemen - omdat hij naar zijn zeggen zijn ontslag had sterfgevallen voortaan door de burgerlijke administratie
ingediend - deponeerde de bode die papieren vóór zijn deur moesten worden geregistreerd. De geboorten en overlijdens
of poort [”devant sa porte”] <FA nr. 895>. werden door de municipale agent ingeschreven, terwijl alle
Op 19 juli 1796 vroeg Luijten aan de hogere overheid advies huwelijken van inwoners van het kanton Oirsbeek in de
aangaande de weigerachtige agent Keulers. Op 17 en 29 jaren VI en VII (22 september 1797 - 22 september 1799)
augustus 1796 klaagde hij nog steeds over hem en op 7 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Oirsbeek
september 1796 uitte hij een algemene klacht over het werden gesloten. Omdat dit alles in het Frans diende te
gebrek - sedert twee maanden - aan medewerking door de gebeuren, kwamen slechts weinig personen voor deze
agenten van het kanton Oirsbeek <FA nrs. 895 en 896>. functies in aanmerking. Daarbij werd tevens aan de pastoors
Eindelijk vond hij Gerard Veldbrugge bereid hem uit die de opdracht gegeven om de oude kerkregisters, waarin
moeilijkheid te helpen. Deze Rotterdammer had op 31 dopen, huwelijken en overlijdens waren genoteerd, bij de
september 1795 het huis vlak naast het kerkhof [later huis burgerlijke autoriteiten in te leveren. In sommige gevallen
Eussen] gehuurd en hield er sindsdien café. Vanaf 18 werd hieraan slechts na herhaalde waarschuwingen en
september 1796 trad hij officieel als municipale agent op. bedreigingen gevolg gegeven. De pastoors ontvingen
kopieën van de ingeleverde registers <Bergen, 83-86>.
De volkstelling van 1796
De Franse overheid schreef in alle plaatsen een volkstelling De gehate eed van haat aan
voor. In Geleen werd die in 1796 door de municipale agent
J. L. Göbbels en de adjunct G. Baggen uitgevoerd <FA nr. het koningschap
1053>. Van huis tot huis gaande, begonnen zij aan het einde
van de Pieterstraat te Oud-Geleen, begaven zich vervolgens Op 9 maart 1796 werd van alle
naar de Peschstraat en gingen via de Dorpstraat
[Marcellienstraat], Eindstraat, Hongerstraat en Vuling naar ambtenaren geëist, dat zij de
Lutterade, passeerden door dat dorp in westelijke richting
tot aan de Graetheide, kozen dan hun weg zuidwaarts en eed van haat aan het [Franse]
trokken vanaf de Graetheide in oostelijke richting door
Krawinkel om bij de Kluis de richting Neerbeek in te slaan. koningschap aflegden. Dit
Zij noteerden de namen, leeftijden, beroepen en geboorte-
plaatsen van alle personen boven 12 jaar en daarnaast het bevel werd op 18 juni 1796 in
aantal en de voornamen van de kinderen onder 12 jaar.
Volgens die telling had Geleen toen 1808 inwoners, die als het kanton Oirsbeek gepubli-
volgt waren verdeeld: 1247 personen boven 12 jaar en 561
personen onder 12 jaar. Oud-Geleen [zonder de Daniker- ceerd en op 21 juni d.a.v. werd
molen en de hoeve Ten Eijsden en de Biesenhof] had 483
inwoners [349 volwassenen en 134 kinderen], Lutterade 585 die eed door de vrederechter
[409 volwassenen en 176 kinderen], Krawinkel 541 [342
volwassenen en 199 kinderen] en Spaans-Neerbeek [met de Een in 1796/97 te Geleen Wulff en zijn assistenten af-
Danikermolen, de hoeve Ten Eijsden en de Biesenhof] 199
[147 volwassenen en 52 kinderen] <FA nr. 1053>. Daaruit gebruikt officieel zegel. gelegd <FA nr. 896>. Op 5 juli
blijkt, dat toen de dorpen Lutterade en Krawinkel het
moederdorp reeds in aantal inwoners waren voorbij- In het midden staat een klaagde Luijten, dat de muni-
gestreefd. Die getallen lijken evenwel niet volkomen
betrouwbaar, want volgens een opgave van 26 februari 1795 met bladertakken omgeven cipale agenten van Jabeek,
zou de bevolking van Geleen toen uit 1852 personen hebben
bestaan <FA nr. 210>, terwijl op 26 juli 1796 de totale ”fascis” [= bundel], waar- Schinveld en Geleen zich aan
bevolking op 1836 personen werd geschat, nl. 327 gehuwde
mannen of weduwnaars, 351 gehuwde vrouwen of boven een Jacobijnenmuts is die eed hadden onttrokken
geplaatst en waaromheen de door hun ontslag in te dienen,
volgende tekst staat: en dat hij er niet in was geslaagd
ADMINISTRATION hen tot andere gedachten te
MUNICIPALE - CANTON brengen. Adjunct Godfried
D’OIRSBECK <GAG>. Baggen, die niet van die eed
repte, beklaagde zich erover,
dat hij wegens de weigering van de municipale agent Keulers
om nog een hand uit te steken, met werk overstelpt was.
Doch ook over hem was de commissaris niet al te best te
spreken, want hij was al evenmin als de municipale agent
ooit op de kantonvergaderingen komen opdagen. Op 29
augustus 1796 kreeg Luijten bericht, dat adjunct Baggen
eveneens zijn functie had neergelegd <FA nr. 895>.
Op 18 september 1797 boden de agenten van het kanton
Oirsbeek - onder wie zich ook Veldbrugge van Geleen
379
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 380
bevond - hun ontslag aan, indien hun werk niet gesalarieerd die bedragen verdubbeld of verdrievoudigd <LimDag 21-5-1954.
zou worden. Op 7 oktober 1797 kwam de centrale - Bergen, 90-99>.
administratie van het departement met het voorstel om de
municipale agenten van het kanton Oirsbeek onder de titel Een nieuwe ”bokkenrijdersbende” ?
van ”speciale commissarissen” hun functies te laten uit- Op 19 juli 1797, tegen 11 uur ’s avonds verschenen in de
oefenen en hun per maand 20 pond te betalen. Die regeling Pieterstraat ongeveer 50, met stokken en andere voorwerpen
zou van kracht blijven totdat er weer personen zouden gewapende, personen die eerst de poort van de welgestelde
worden gevonden, die bereid zouden zijn deze taak gratis uit boer Feron aan de oostzijde van de straat en daarna de poort
te voeren <FA nr. 897>. Sindsdien tekende Veldbrugge als van de schuin daartegenover wonende weduwe Göbbels
”commissaire spécial”. Op 29 december 1797 verzocht de trachtten te forceren. De pogingen bij Feron werden
municipale administratie van het kanton om aan elke agent opgegeven, toen honden begonnen te blaffen, terwijl de
en ook aan de president elke maand een bedrag van 60 pond poort van de weduwe Göbbels tegen hun herhaald geweld
uit te keren <FA nr. 896>, maar aan dat verzoek werd door de bestand bleek. Daarop vertrokken zij in zuidelijke richting.
overheid blijkbaar geen gehoor gegeven. Pieter Joseph, een zoon van de weduwe Göbbels, en buur-
Op 23 januari 1798 was de municipale administratie van het man Jan Nijsten bevonden zich tijdens het optreden van die
kanton Oirsbeek in de pastorie van die plaats onder het bende in een aan de straat gelegen schuur. Daar namen zij
voorzitterschap van president Wulff bijeen om de verjaardag alles door de kieren van de schuurpoort waar zonder ook
van de onthoofding van de laatste Franse koning te ”vieren”. maar het minste teken van leven te durven geven. Het leek
Na een korte inleiding nodigde hij alle aanwezigen uit om wel alsof er een nieuwe ”bokkenrijdersbende” was opgestaan.
één voor één luid de volgende eed af te leggen: ”Ik zweer haat Toen dit aan Luijten werd gemeld, meende deze te mogen
aan het Koningschap en aan de anarchie, ik zweer aan- veronderstellen, dat dit de bende was geweest, die nog in
hankelijkheid en trouw aan de Franse Republiek en aan de diezelfde nacht een grote inbraak bij Crijns in het kanton
Grondwet van het jaar III”. Nadat zij die verklaring hadden Heerlen had gepleegd. Mede naar aanleiding hiervan besloot
ondertekend en ”Leve de Republiek” hadden geroepen, werd hij niet alleen nachtelijke patrouilles in te stellen maar
er bier geschonken <Bosch, 237>. verzocht hij ook om toezending van een paar gendarmes <FA
nr. 4318>.
Allerlei belastingen Blijkbaar was de op 19 maart 1795 ingestelde nachtwacht
Teneinde de oorlogsvoering te kunnen bekostigen verzon de niet actief of efficiënt genoeg meer. Maar anderzijds werd er
Franse overheid allerlei middelen om geld binnen te halen. ook geklaagd, dat sommige Franse militairen de bevolking
Wij zagen reeds, hoe tot tweemaal toe geldleningen werden en zelfs de nachtwacht lastigvielen. De Fransman Maitay, die
afgeperst. Op 20 december 1795 werd een grondbelasting op 30 januari 1798 te Schinveld o.a. een paar leden van de
ingevoerd, die op de netto-opbrengst van onroerend goed nachtwacht met zijn sabel bewerkte, liep daarbij zelf een
werd geheven. grote wonde aan het voorhoofd en kneuzingen aan zijn
In augustus en november 1796 en in januari 1797 werd de linkerarm op. Hij werd naar het huis van agent Veldbrugge
wet op de zogenaamde patentbelasting geformuleerd. Wie te Geleen overgebracht, waar chirurgijn Kerckhoffs van
handel dreef of een ambacht uitoefende, moest hiervoor een Schinnen hem kwam verzorgen <Bosch, 238>.
vergunning of patent bezitten en ter verkrijging van zo’n
vergunning moest hij een patentbelasting betalen. Het ligt Het planten van een vrijheidsboom in de Franse periode naar
voor de hand, dat sommigen het betalen van die belasting een eigentijdse afbeelding <Schilderij door Pierre-Etienne Lesueur, in Musée
trachtten te ontduiken door voor te wenden, dat zij primair Carnavalet, Parijs>.
landbouwers waren of geen echt ambacht uitoefenden. Zo
valt het op, dat in 1796 nog 23 inwoners van Geleen
opgaven, dat zij slotenmakers waren, maar dat twee jaren
later Jan Nijsten de enige was, die er openlijk voor uitkwam
dit ambacht uit te oefenen.
Op 23 december 1798 werden personele, meubilaire en
weeldebelastingen ingevoerd. De laatste werd ook opgelegd
aan personen die huisbedienden onder 60 jaar hadden.
Tenslotte werd in november 1798 en maart 1799 een
belasting op deuren en ramen die op straten, binnenpleinen
en tuinen uitkwamen of uitkeken, wettelijk vastgelegd.
Aanvankelijk moest voor een poort 1,60 franc, voor een deur
60 centiemen en voor een venster 20 centiemen worden
betaald; maar wie slechts één deur en één venster had,
betaalde niet meer dan 20 centiemen in totaal. Later werden
380
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 381
De ”vrijheidsboom” door Geleners geknakt (1798) gemeenten” opgeheven en kregen afzonderlijke gemeenten
Een van de vele nieuwigheden die de Fransen invoerden, was weer hun eigen bestuur met aan het hoofd een maire en een
het planten van vrijheidsbomen. Te Sittard werd reeds op 18 adjunct als diens plaatsvervanger. Bij de beëdiging van de
december 1794 zo’n boom geplant; vermoedelijk was dit nieuwe maires te Oirsbeek op 30 mei 1800 ontbrak evenwel
slechts een versierde paal <Msg 1879, 139-140>. Bij de wet van 13 de maire van Geleen <FA nr. 915>, want A. Cremers bleek niet
januari 1798 werd voorgeschreven, dat op de verjaardag van langer bereid de functie van municipale agent of van maire
de onthoofding van de Franse koning (21 januari) in iedere uit te oefenen.
gemeente een vrijheidsboom moest worden opgericht, en op Het aantal leden van de gemeenteraad zou in evenredigheid
15 september d.a.v. werd bepaald, dat dit een levende boom tot het aantal inwoners staan. Bijgevolg kreeg Geleen toen
met wortels moest zijn. Reeds in januari 1798 werden in veertien raadsleden, welk getal bij een besluit van hogerhand
diverse gemeenten jonge linde- of eikenbomen als vrijheids- op 28 september 1804 zou worden gehalveerd. Het bleek
bomen geplant <LvH 1993, 17-21>. evenwel niet gemakkelijk om veertien Geleners bereid te
Op 13 januari 1798 noteerde Jan Sassen: ”hebben de vinden in de raad zitting te nemen. Op 27 juli 1800 traden
Franschen een vryboom gezet in Geleen”. Hij bedoelde daar- de landbouwers J. Sassen, J. P. Boesten, J. P. Buskens,
mee te Oud-Geleen. Vermoedelijk heeft die boom in het J. A. Schutgens en J. Penris tot de nieuwe raad toe, de
centrum bij de dorpsbrug gestaan. Zo’n planting ging met brouwer S. M. Vroemen werd op 22 augustus 1800 lid,
enige plechtigheid gepaard. Muzikanten en trommelaars terwijl P. Boyens en Jan Cloots op 5 juni 1802 volgden.
gingen vooraf aan de boom, die door soldaten op affuiten Maar Penris verzocht vóór 8 juli 1803 door een andere
werd aangevoerd. Als de stoet op de plaats van planting was Gelener te worden vervangen <FA nr. 922>.
aangekomen, werd onder tromgeroffel het geweer gepresen- J. M. Luijten, die zijn functie als kantoncommissaris had
teerd en werd de boom, waaraan de Franse driekleur was neergelegd, werd op 9 september 1801 weer tot maire van
bevestigd, omhooggeheven en vastgezet. Het ”feest” werd Geleen benoemd en op 22 september d.a.v. werd hij als
met een carmagnole of rondedans besloten. zodanig door zijn collega van Schinnen geïnstalleerd <Bergen,
Op 19 januari 1798 meldde Luijten, dat in alle gemeenten 48>. In Nederlandse teksten noemde hij het westelijke
van het kanton Oirsbeek de vrijheidsbomen waren geplant, gedeelte van het door hem bewoonde complex, waar zijn
maar dat dit te Geleen ”met een zonderlinge vertraging” was kantoor was gevestigd, ”de meijerije der gemeente Geleen”.
gebeurd. Hij weidde niet uit over de reden van die ver- De vroegere adjunct Godfried Baggen van Lutterade, die
traging, maar vermoedelijk lukte die planting pas nadat de deze functie in augustus 1796 had neergelegd, werd later
ter plaatse gelegerde soldaten en officieren van het 16de weer als adjunct vermeld.
regiment jagers te paard erbij waren gehaald. Deze stonden
onder het bevel van de te Geleen ingekwartierde wacht- Het ”publicatie huijsken”
meester Leriche. De eeuwenoude gewoonte om allerlei officiële ordonnanties
zowel in de kerk als bij de kerktoren bekend te maken, blijkt
De Geleense vrijheidsboom zou echter niet lang gedijen. gedurende de eerste jaren van de Franse periode althans ten
Nauwelijks waren de beide gendarmes van de Valkenburgse dele gehandhaafd te zijn. Op 13 mei 1798 schreef de
brigade, die op 16 augustus 1798 naar Geleen waren waarnemende ”agent municipal” Le Boulle, dat een bepaalde
gekomen om er de orde te handhaven, weer vertrokken, of aankondiging om 8 uur ’s morgens was gehecht [”affixé”]
sommige Geleners uitten hun misnoegen met de gang van aan de buitenkant van de kerkdeur [”devant la porte de
zaken door het boompje zo sterk om te buigen, dat het l’église de Geleen”], waar de ordonnanties en bevelen van de
afknapte. In zijn verslag over deze gebeurtenis schreef overheid gewoonlijk [”ordinairement”] werden bekend-
Luijten [in het Frans]: ”Ik twijfel er niet aan, dat de schuldi- gemaakt.
gen aan deze aanslag op de vrijheid niet ontdekt zullen Maar een paar jaar later bleek men die gewoonte te hebben
worden” <GelEeuw I, 63. - Bergen, 81. - FA, nrs. 4318-4320>. laten varen. In 1801 en 1802 was er sprake van ”’t publicatie
huysken dezer gemeente”. Dit werd aangeduid als een
Een nieuwe administratieve indeling (1800) gebouwtje voor affiches en aankondigingen betreffende
Beu van de moeilijke rol, die hij tijdens de woelige jaren van huwelijken, wetten en bevelen. Over de constructie zelf staat
de kerkvervolging had moeten spelen, nam G. Veldbrugge niets anders vermeld dan dat het dak met leien was bedekt.
begin maart 1798 zijn ontslag als administratief hoofd van Nergens wordt meegedeeld waar dit huisje stond.
de gemeente Geleen. Vanaf 5 maart 1798 werd die functie
waargenomen door Mathieu le Boulle, die tevens municipale Wegens de sluiting van de kerk zal men dit gebouwtje daar
agent van Amstenrade was, daarna misschien, en zo ja maar wel niet dienen te zoeken. Aangezien maire Luijten in de
heel kort, door de Gelener Servaas Martijn Vroemen, vanaf Jodenstraat woonde en zijn naaste buurman Peter Houben,
30 juni 1798 door de Gelener Arnold Cremers en vanaf 21 die bij de dorpsput woonde, toen hij gemeentebode was,
september 1800 door P. M. Knooren uit Puth. heeft dit huisje misschien dicht bij het begin van de
Bij de wet van 17 februari 1800 werden ”kantonale Jodenstraat gestaan of anders wellicht bij de dorpsbrug.
381
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 382
De grens met ”het Gulikse” niet langer landsgrens (1801) Hier mag ook de verbanning van de dominicanen uit
Toen, volgens de wet van 1 oktober 1795, de veroverde Sittard, onder wie zich de vier Geleners Benedictus Haerden,
Oostenrijkse, Hollandse en Luikse gebieden bij Frankrijk Pius Keulers, Hyacinthus Zelis en Petrus Willems bevonden,
werden ingelijfd, werd de gemeentegrens van Geleen met niet onvermeld blijven. Door sommige geestelijken uit het
Munstergeleen en Sittard weer landsgrens, juist zoals zij dit aangrenzende gebied van de Nedermaas geraadpleegd over
vóór de komst der Fransen was geweest. Ofschoon ook het het al dan niet afleggen van de door de Franse overheid
gebied aan gene zijde van die grens door de Fransen was vereiste eed van haat aan het koningschap en trouw aan de
bezet [Sittard, Munstergeleen en Limbricht behoorden tot Franse Republiek, hadden zij geantwoord, dat zijzelf die eed
het departement van de Roer] waren aan weerszijden niet zouden afleggen. Dit kwam de prefect van de
geruime tijd verschillende wetten van kracht. Vandaar, dat Nedermaas te Maastricht ter ore en deze gaf het aan Parijs
hier douanebeambten in functie waren. door. Op 29 Brumaire jaar VI (19 november 1797) werden
Maar op 9 september 1800 werd bepaald, dat de vier de Sittardse dominicanen tot ballingschap veroordeeld en op
departementen op de linker Rijnoever vanaf 23 september 29 en 30 november werden zij in karossen weggevoerd om
1800 met de andere Franse departementen zouden worden ruim een week later aan de andere kant van de Rijn in vrij-
gelijkgesteld; bijgevolg zouden ook daar de door de Franse heid te worden gesteld <Russel 1863, 79-82. - PSHAL 1911, 375-378>.
overheid uitgevaardigde decreten en ordonnanties van De aanwezigheid van zoveel religieuzen in de Geleense
toepassing zijn. Op 9 maart 1801 werden die gebieden zelfs gemeenschap en vooral in de oude, vrij kleine kerk zal wel
bij Frankrijk ingelijfd. En op 30 juni 1802 bepaalden de een opvallend contrast met de situatie vóór de komst der
consuls, dat daar bij het begin van het nieuwe jaar X (23 Fransen hebben gevormd.
september 1802) de Franse grondwet zou worden ingevoerd.
Vervolging van de parochiegeestelijkheid (1796/97)
2. De godsdienst verboden en de Ook de parochiegeestelijkheid zou het slachtoffer van de
priesters vervolgd (1796-1802) godsdiensthaat van de Franse overheid worden. Na zijn
terugkeer (oktober 1795) werd pastoor Havenith de uit-
De door de Fransen aangekondigde periode van ”vrijheid, oefening van zijn herderlijke bediening bemoeilijkt.
gelijkheid en broederschap” zou slechts van korte duur zijn. H. RUSSEL merkte op: ”in het bijzonder werd hem herhaal-
Weldra zou een ander essentieel element van de Franse delijk van wege het Burgerlijk gezag verboden tot huwelijks-
Revolutie, nl. haar vijandigheid tegenover de traditionele voltrekkingen over te gaan, zelfs huwelijksafkondigingen te
godsdienst, tot uiting komen. Gedurende bijna zes jaar doen, en zulks om de nietigste voorwendsels” <JPGL 1917, 41>.
(1796-1802) zouden niet alleen de geestelijken maar ook de Op 7 oktober 1796 werden alle godsdienstoefeningen buiten
gelovigen het slachtoffer van die godsdiensthaat worden. Pas de kerk verboden. Derhalve mochten er geen processies meer
bij het concordaat, dat Napoleon op 15 juli 1801 met paus worden gehouden. Bovendien moesten de kerken tussen
Pius VII sloot en dat op paasdag 18 april 1802 te Parijs werd zonsondergang en zonsopgang gesloten blijven. Ook
afgekondigd, zou de godsdienstvrijheid worden hersteld. mochten de kerkklokken alleen maar voor de gewone
diensten of op bevel van de wereldlijke autoriteiten worden
Uit Geleen afkomstige geestelijke personen verjaagd of geluid. Daar het dragen van geestelijke kledij een openbaar
verbannen vertoon van godsdienst was, werd dit op 6 december 1796
Bij de opheffing van de kloosters op 1 september 1796 werden verboden. Een kopie van al die verboden werd in de kerk
de kloosterlingen zonder meer ”op straat” gezet. Maar op 16 geafficheerd.
november 1796 werd door de centrale administratie van het Rond de jaarwisseling 1796/97 werd van alle dienstdoende
departement van de Nedermaas besloten om aan de verdreven priesters geëist, dat ze binnen tien dagen de eed van trouw
kloosterlingen de nodige middelen te verschaffen om het aan de Franse Republiek zouden afleggen; wie dit mocht
religieuze habijt tegen wereldse kledij te ruilen. De mannen weigeren, zou zijn godsdienstige functies moeten neerleggen.
zouden maximaal 200 pond ontvangen, terwijl voor vrouwen Op 25 mei 1797 werd die wet door agent Veldbrugge te
een bedrag van 100 pond toereikend werd geacht <Roppe, 205>. Geleen afgekondigd. Maar pastoor Havenith en zijn assis-
Onder de uit hun kloosters verjaagden bevond zich ook een tent Nijbelen weigerden de eed af te leggen; zij lieten de
groot aantal personen van Geleense afkomst. Sommigen voorgeschreven tien dagen verstrijken en gingen daarna in de
verkozen in de nabijheid van hun opgeheven kloosters te vlak bij de Geleenbeek gelegen kerk van Munstergeleen de
blijven, maar de meesten hadden praktisch geen andere keuze mis opdragen voor de Geleners die hen daarheen waren
dan naar hun familieleden in hun geboorteplaats terug te gevolgd. Andere Geleners gingen in Sittard ter kerke
keren. Volgens JOS. RUSSEL waren tegen het einde van de acht- <DunckPot, 36>.
tiende eeuw niet minder dan 72 uit hun kloosters verjaagde Kort daarop ontstond er evenwel verwarring omtrent de
Geleners in leven <Russel 1860, 77. - TsHKVGel 1993, 23-26. - Kluis, 54- toepassing van die wet. De commissaris van Roermond
55>. vernam te Maastricht het gerucht, dat de wet tegen de
geestelijkheid officieel was geschorst. Daarop zond hij een
382
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 383
ijlbode naar Roermond om het ”goede nieuws” aan de op 21 juli 1797 het bevel uitgevaardigd om de beide
vicaris-generaal van het bisdom te melden; enige dagen later moedige mannen te arresteren. Bij de ondervraging op 22
bevestigde hij dit per brief. Daar dit gerucht ook Geleen had juli beweerden zij nooit van een processieverbod te hebben
bereikt, celebreerde Nijbelen op zondag 25 juni 1797 een gehoord. Koster Meys verklaarde, ”dat sulks des te weniger
hoogmis in de parochiekerk. Veldbrugge meldde dit op 28 heeft kunnen denken of vermoeden doordien hij gesien heeft
juni aan de Franse overheid. dat zedert de Unie [= inlijving van deze streken bij Frankrijk]
Deze laatste blijkt niet aanstonds te hebben ingegrepen, en voornaementlyk deesen somer in alle omliggende
want op 29 juni [feest van de HH. Petrus en Paulus] hield plaatsen en parochien mennigvuldige publieke processien
de pastoor ”eene solemneele messe” in de kerk, waarbij hij gehouden geworden syn selfs in de voorheen geweest synde
door Nijbelen en een pater capucijn uit Maaseik werd Hollandse dorpen [zoals Beek] alwaer nooits buiten de kerke
geassisteerd. Tijdens zijn preek kondigde de pastoor aan, dat processien gehouden geworden syn off hebben meugen
”den godsdienst nu weeder herstelt was en dat hij daerom geschieden; dat selfs aen hem bekent [was ?] dat publiekelyk
’s naermiddaegs in de vesper den Te Deum laudamus soude processien onlangs uit en in de stadt van Maestricht
singen”. Dat plechtig lof had eveneens plaats. Het gebeier getrokken syn...”.
van de kerkklokken droeg aanmerkelijk tot de vreugdevolle Nadat beide gevangenen op 12 augustus 1797 een verzoek
stemming bij. Beide priesters bleven hun kerkelijke functies tot vrijlating hadden ingediend, werd hun zaak op 13 augus-
tot 13 juli 1797 uitoefenen. tus voor de Boetstraffelijke Rechtbank gebracht. Gezien het
Intussen was het evenwel duidelijk geworden, dat de feit, dat zij al drie weken in de gevangenis hadden door-
commissaris van Roermond op een loos gerucht te werk was gebracht en vooral omdat zij beloofden voortaan de wet te
gegaan. Het verbod tegen de priesters, die de eed niet eerbiedigen en geen processies meer te houden, werden ze in
hadden afgelegd, bleef immers gehandhaafd. vrijheid gesteld <FA, nr. 547. - Loon 1958, 182-183 en 225227. - HJLvZ
1990, 85-93>.
De koster en de kluisbewoner organiseerden processies
(1797) Kerk en pastorie geconfisqueerd en kruisen en klokken
Een paar leken trachtten de parochiegeestelijken bij te staan. verwijderd
Op 22 en 25 juni, en op 9 en 11 juli 1797 werden door de Op 24 juli 1797 werd de kerk van Geleen gesloten. Vlak
koster Lambert Meys (27 jaar) en Petrus Linssen (53 jaar), daarop, tegen 3 uur ’s morgens, werden twee vensters in de
welke laatste in de Kluis woonde <Kluis, 50-51>, processies woning van agent Veldbrugge [naast het kerkhof] ingegooid.
buiten de kerk georganiseerd, waaraan telkens ongeveer 500 Een van die vensters was in de slaapkamer, waar de agent,
personen deelnamen. Ondanks het uitdrukkelijke verbod zijn vrouw en hun 16 maanden oude kindje sliepen, terwijl
van Veldbrugge werd de processie van 22 juni 1797 door het andere venster tot het vertrek ernaast behoorde <FA nr.
Linssen met zijn ”broederschapsstock” begeleid, terwijl de 4318>.
koster voor gezang zorgde. Die processie ging echter slechts In september 1797 kwam het bevel om alle openbare
tot aan het beekje in het midden van het dorp en keerde dan tekenen van godsdienst te verwijderen. Op 6 oktober 1797
naar de kerk terug. werden alle kerkelijke goederen, waaronder ook de kerken en
Maar op 25 juni en 9 juli 1797 werd telkens met vliegende pastorieën, in beslag genomen. De pastorieën werden aan
vaandels tot aan de Kluis getrokken. Bij de kluiskapel was het Franse ”Legioen van Eer” geschonken. Nadat hij die
een offerschaal geplaatst. Het was de bedoeling [van Linssen] opdrachten had uitgevoerd, meldde Luijten op 10 december
om van de opbrengst een mis ter ere van de H. Brigitta, 1797 aan de centrale administratie te Maastricht, dat alle
beschermheilige van het vee, te laten opdragen. Beide keren pastorieën van het kanton Oirsbeek ontruimd, alle goederen
hanteerde Linssen zijn zojuist genoemde stok, maar volgens geïnventariseerd en de kruisen en andere uiterlijke tekenen
zijn zeggen had hij daarmee slechts de kinderen begeleid. van godsdienst verwijderd waren, uitgezonderd die van de
De processie van 11 juli 1797, die wel door Linssen werd nationale gebouwen; met dit laatste doelde hij op de gecon-
opgeroepen, maar waaraan hijzelf niet durfde deelnemen, fisqueerde kerken. Op de meeste plaatsen deed men een
omdat hem dit door de municipale agent uitdrukkelijk was beroep op leiendekkers om de kruisen van de kerktorens te
verboden, trok vanuit het veld buiten Oud-Geleen naar de halen, maar op sommige plaatsen deden dat de municipale
kerk van Oirsbeek, waar de H. Gerlachus tegen veeziekten agenten. Rond nieuwjaar 1798 zou dat karwei te Geleen
werd aangeroepen. Tijdens de drie voorafgaande processies door de nieuwe municipale agent Arnold Cremers zijn
werden de klokken geluid, maar bij het vertrek en de terug- opgeknapt <Bergen, 57 en 65>; die 66-jarige zal daarbij wel
komst van de laatstgenoemde werd er slechts ”getempt” assistentie hebben gekregen.
[= ”getumpt”], d.w.z. men gaf korte stoten met een van de Het verslag van Luijten was enigszins voorbarig geweest,
klokken. Ook trokken gedurende het octaaf van het want pas op 4 februari 1798 werden de inventarissen van de
H. Sacramentsfeest ruim 30 Geleners met een processie kerk en de pastorie van Geleen opgemaakt. De beschrijving
vanuit Beek naar de kerk van Meerssen. van de kerk luidde [in het Frans] aldus: ”De parochiekerk
Daar Veldbrugge dit alles aan de overheid had gemeld, werd bestaat uit een koor, een sacristie, een schip, een doopvont
383
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 384
en een klokkentoren. Alles is in middelmatige [’médiocre’] Pastoor Havenith en assistent Nijbelen in ballingschap
staat”. De beschrijving van de pastorie was uitvoeriger. (1798)
Voor gelijkvloers werden er genoemd vier kamers, een Pastoor Havenith werd in een eigentijds document als
keuken, een bergplaats met een loden pomp en twee kuipen. ”pastor modernus” aangeduid; daarmee werd m.i. niets
Op de eerste verdieping waren zeven kamers en op de tweede anders bedoeld dan dat hij toen de ”huidige” pastoor was.
verdieping twee graanzolders. Langs de binnenplaats Maar pastoor M. Nijssen (1903-1922) concludeerde daaruit,
bevonden zich twee bergplaatsen en twee in goede staat dat hij waarschijnlijk de eed op de Franse grondwet had
verkerende varkensstallen. In de tuin, die men via een laan afgelegd. Op deze veronderstelling voortbordurend verklaar-
onder een loofdak kon bereiken, stonden vijftig fruitbomen; de hij, dat die pastoor de herderlijke bediening had neer-
ook was er een ”pépinière” [= boomkwekerij]. Ernaast lag gelegd, omdat de bisschop van Roermond, die in balling-
nog een wei met bomen. Bovendien genoten de parochie- schap vertoefde, hem daarover had berispt. De historische
geestelijken de opbrengst van een andere wei en een akker. feiten komen daar echter niet mee overeen.
Daarna werd een lijst opgemaakt van 43 families, die wegens Op 29 september 1795 was van alle priesters geëist, dat zij
erfelijke lasten op hun eigendommen jaarlijks granen en/of binnen tien dagen voor de lokale autoriteiten een verklaring
kapoenen aan de pastorie moesten leveren. Op de volgende van trouw aan de wetten van de Franse Republiek zouden
dagen werden de inkomsten van diverse stichtingen en afleggen. Wie dit zou weigeren, zou de kerkelijke bedieningen
beneficies geïnventariseerd <FA nr. 1225>. Op 19 mei 1798 niet langer mogen waarnemen. Bijna twee jaren later, op 5
werd genoteerd, dat de sleutel van de kerk van Geleen op de september 1797, ging men een stap verder en werd in de
griffie van de municipale administratie was ingeleverd <Bergen, plaats van die verklaring een dubbele eed geëist, nl. zowel
66>. een eed van haat aan het koningschap als een eed van trouw
Op 14 mei 1798 ging de municipale raad van het kanton aan de grondwet, die in het Nederlands als volgt werd
Oirsbeek over tot het verhuren van ”pastoorswoningen” en geformuleerd: ”Ik zweere haet aen het Koningdom en aen
het verpachten van bij de pastorieën behorende stukken de regeeringsloosheyd, aengekleeftheyd ende getrouwigheyd
grond. Niets wijst erop, dat de pastorie van Geleen toen aen de Republiek ende aen de Constitutie [= grondwet] van
werd verhuurd. Wel werden tien maanden later, nl. op 15 het Jaer Dry” <HJLvZ 1990, 87. - Bergen 56>. Op 21 november
maart 1799, een in de Steeg [Norbertijnenstraat] gelegen, 1797 werd aan alle kantoncommissarissen de opdracht
door een heg omgeven en door een andere heg in twee gegeven om binnen veertien dagen een lijst in te sturen van
gelijke percelen verdeelde, wei van ruim een bunder en een de priesters, die deze eed al dan niet hadden afgelegd.
aan de [Oude] Maastrichterweg gelegen - eveneens door een Luijten kon slechts melden, dat van de 26 parochiegeeste-
heg omgeven akker van ruim een bunder - waarvan de lijken in het kanton Oirsbeek geen enkele die eed had
pastoor van Geleen tot nog toe de opbrengst had genoten - afgelegd.
door J. M. Luijten voor drie of zes jaar tegen 70 francs per Op 23 en 31 januari 1798 werden te Parijs deportatie-
jaar gepacht. Dat leverde hem heel wat voordeel op, want in decreten uitgevaardigd tegen de priesters die hadden
die wei stonden niet minder dan 108 bomen, nl. 57 appel- geweigerd die eed af te leggen. Een van deze luidde [in het
bomen, 33 eikenbomen, 12 perenbomen, vier essenbomen, Frans]: ”Aangezien Havenith pastoor van Geleen, kanton
een olm en een ”arbre bois blanc” [= belboom ?] <FA nr. 1302, Oirsbeek, bij verscheidene gelegenheden opstand en verach-
affiche 10, art. 12>. ting van de Republikeinse wetten heeft gepreekt, beveelt het
uitvoerende bestuur genoemde Havenith te deporteren”. Op
Nadat zij op 3 oktober 1797 hun gebruik had verboden, had diezelfde dag werd een gelijkluidend decreet tegen zijn
de regering te Parijs op 4 november 1797 bevolen een lijst assistent Nijbelen uitgevaardigd <FA nrs. 4326 en 300, fol. 132v -
van de aanwezige kerkklokken te maken. Het zou echter 137v. - Godsd. nr. 87, 175. - BRmnd IV, 90-92 en 123-124>.
ruim een jaar duren alvorens alle klokken in het kanton Terwijl die decreten van Parijs naar Maastricht onderweg
Oirsbeek zouden zijn geregistreerd. Uit die opgave blijkt, dat waren, kweten beide priesters - tezamen met agent
in de toren van Geleen drie klokken hingen, nl. de pastoors- Veldbrugge - zich op 4, 5 en 6 februari 1798 van hun taak
klok, de gemeenteklok en de ”sonnete” [= het zogenaamde om de parochiegoederen te inventariseren. Noch zijzelf noch
”tumpklokje”], die respectievelijk 500, 400 en 100 pond die agent hadden toen blijkbaar enig vermoeden van die
wogen. Op 9 februari 1799 werd bevel gegeven om - met veroordeling. Op 3 maart 1798 werd de volledige lijst van
uitzondering van de ene klok, die elke gemeente mocht tot deportatie veroordeelde priesters bekendgemaakt. Bij
behouden - de klokken uit de torens te halen. Dit had in ”Havenith, curé” en ”Nijbelen, vicaire, à Gele(e)n” werd als
februari-maart 1799 plaats. In Geleen werden de zware commentaar toegevoegd, dat zij na hun veroordeling waren
klokken weggehaald en bleef de kleine klok hangen om in uitgeweken. Wellicht waren beide priesters door een
verband met het uurwerk te worden gebruikt en in geval van sympathiserend bestuursambtenaar tijdig gewaarschuwd.
nood te worden geluid. Doch men dreigde ook die weg te Doch die persoon was allicht niet J. M. Luijten, want die
halen, indien ze op ”onwettige” wijze mocht worden was belast met de uitvoering van het bevel om de weiger-
gebruikt <Bergen, 73-75>. achtige priesters op te sporen. Hij schreef: ”Het is mij leet
384
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 385
[= leed], dat wij genootsaekt sijn sulke dwanckmiddelen te waarschijnlijk als die van te Geleen verblijvende Franse
moeten neemen, maar de wet gebied het”. ambtenaren kan beschouwen. Dit was zeker het geval met de
Volgens sommige auteurs zouden pastoor Havenith en handtekening van de douanebeambte Nicolas Depart.
kapelaan Nijbelen gedeporteerd zijn <Msg 1900, 65>, terwijl zij Toch werd op 24 januari 1798 door de centrale administra-
volgens anderen te Maastricht gevangen zouden zijn gezet, tie gunstig gereageerd <Msg 1900, 66. - Bergen, 61-63>. Als de ex-
maar zouden hebben weten te ontvluchten <Bavegem, 296 en 353. franciscaan Hinderik op den Dries het pastoorsambt te
- Roppe, 131, nota 4>. Weer anderen waren van mening, dat Geleen enige tijd heeft uitgeoefend, heeft hij de kerkelijke
pastoor Havenith - na zich enige tijd schuil te hebben diensten in een nagenoeg lege kerk gedaan, want de hier-
gehouden - zou zijn ontdekt en naar de gevangenis te Maas- boven geciteerde Sassen voegde aan de vermelding van de
tricht zou zijn overgebracht, maar niet zou zijn gedepor- verjaging der Geleense parochiegeestelijkheid toe: ”wij zijn
teerd, terwijl kapelaan Nijbelen zich te midden van de in het Gulicksche gaan Mis horen”. Daarmee doelde hij op
parochianen zo goed zou hebben weten schuil te houden, de naburige plaatsen, die vóór de komst van de Fransen tot
dat hij niet gevat werd <BRmnd IV, 90-92>. het hertogdom Gulik hadden behoord en nog niet bij
Niets wijst er evenwel op, dat pastoor Havenith enige tijd in Frankrijk waren ingelijfd, zodat daar de anti-godsdienstige
de gevangenis zou hebben doorgebracht. Op de eerste plaats wetten niet van toepassing waren.
staat in de lijst van 5 augustus 1798, dat pastoor Havenith Op 19 januari 1798 klaagde Luijten dan ook: ”Ofschoon de
”fugitif” was <Daris, 12-13>. Verder schreef de Gelener J. Sassen gemeente Geleen met toestemming van de Centrale
in zijn dagboek: ”In Februari (1798) zijn onze twee geeste- Administratie gezorgd heeft voor een beëdigd priester voor
lijken over den Rijn verjaagd”. Tenslotte schreef ook maire haar godsdienstoefening, negeert nochtans het overgrote
Luijten, dat tijdens de vierjarige sluiting van de kerk van deel van deze gemeente deze priester en zij gaan naar
Geleen (1798-1802) ”onze priesters over de Rijn” waren Munstergeleen, Sittard en andere plaatsen om hun gods-
gevlucht <Bergen, 71-72>. dienst uit te oefenen, wat aanleiding geeft tot verscheidene
wantoestanden zoals dronkenschap, ruzies, schade aan café-
Wel een beëdigde pastoor, maar een lege kerk houders en winkeliers van dit kanton...” <Bergen, 61>. In mei
Bij de hierboven vermelde verhuur van pastorieën was die 1798 schreef Girard, commissaris van het departement van
van Geleen niet inbegrepen, want Luijten wenste daar een de Nedermaas, aan de minister van Justitie te Parijs, dat de
priester onder te brengen, die de vereiste eed had afgelegd. vervolgde priesters in de Gulikse en Akense gebieden een
Volgens een andere bron zou die ”republikeinsche” pastoor veilig onderkomen hadden gevonden en daar hun parochie-
zijn gekozen ”in de hoop de verbeurde goederen van kerk en werk voortzetten. Zo trokken inwoners van zijn departe-
pastorie terug te bekomen”, maar zou het centrale bestuur ment 15 à 20 mijlen ver om te Sittard of te Susteren kerke-
niet in de teruggave van die goederen hebben toegestemd lijk te trouwen <Roppe, 145>.
<Msg 1900, 66>. In deze context mag ook het volgende bericht, dat Luijten
Op initiatief van Luijten gaf de municipale agent Veldbrugge op 29 mei 1798 naar de centrale administratie stuurde, niet
aan bode Peter Houben bevel de Geleners op 16 januari onvermeld blijven. Volgens hem zou de geestelijkheid het
1798 op te roepen om op de 18de ’s morgens om 10 uur in gerucht hebben rondgestrooid dat zich in de gemeente
zijn huis [naast het kerkhof] bijeen te komen, waar men zou Breberen, kanton Geilenkirchen, departement van de Roer,
”voortsgaen tot verkiesinge van eenen nieuwen vereijden in het open veld een wonderbaarlijk kruis bevond. De
[= beëdigde] dienaar van godsdienst”. Op de aangeduide inwoners van het kanton Oirsbeek en van aangrenzende
dag, uur en plaats bevonden zich in zijn café niet meer dan kantons begaven zich bij dag en nacht in drommen daarheen
37 personen, onder wie de eerwaarde heer Hinderik op den om zich al biddend rondom dat kruis te scharen. Op de
Dries, een gewezen franciscaan, die te Luik woonde. heen- en terugweg baden zij met luide stem voor de terug-
Op grond van het ontvangen rapport ”over de vroemheijd, keer van hun pastoors <FA nr. 4320. - Bergen, 66>.
bequaemheijd, en borgerlijke gesinning van den borger Nadat door de Franse overheid eerst tegen het mishoren in
Hinderik op den Dries”, ging men ertoe over hem ”te kiesen, het Gulikse was geprotesteerd, werd ingegrepen. Aan de
aenstellen ende benoemen voor de plaets van Pastoor van grenzen van Geleen werden gendarmen geplaatst, die tot
onse gez. gemeente Geleen”. Tevens besloot men de goed- opdracht hadden alle personen die geen geldig paspoort voor
keuring bij de centrale administratie van het departement te ”het buitenland” bezaten, te arresteren <Roppe, 93-94>. Die
verzoeken. Doch de ”verkiezing” van die pastoor had slechts maatregel had evenwel weinig effect, want de Geleners
door een miniem percentage van de Geleners plaatsgehad. wisten de kerken aan de andere kant van de grens ofwel langs
Een van de dertien kruisjes [voor degenen, die niet konden veldwegen ofwel dwars door het veld te bereiken.
schrijven] werd door de echtgenote van Veldbrugge Volgens de - minstens tot het midden van de negentiende
geplaatst. Luijten trachtte het geringe aantal enigszins op te eeuw teruggaande - volksoverlevering werd gedurende die
voeren door aan zijn handtekening toe te voegen, dat hij periode in het geheim mis gelezen in een kamer van het huis
namens tien leden van zijn familie tekende. Maar anderzijds Hoofs in de Dorpstraat [Marcellienstraat]; de aanvangstijden
maken een handvol namen zo’n Franse indruk, dat men ze van die geheime godsdienstoefeningen werden door luide
385
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 386
zweepslagen bekendgemaakt. In dat huis waren nog in het Andreas Banens, die op 2 juni 1800 te Krawinkel plotseling
begin van deze eeuw godsdienstige voorstellingen op een overleed.
muur te zien. Voor maart en april 1799 noteerde hij geen enkel
Kapelaan Nijbelen schijnt zijn parochie in het geheim te doopsel van Geleners. Als reden gaf hij op, dat pastoor
hebben gediend. Toen de pastoor en de kapelaan van P. C. Delahaye van Munstergeleen die functie van hem
Oirsbeek, die beiden als werklui vermomd de kerkelijke wenste over te nemen. Zo bracht de mulder van Daniken
diensten in een stal in het gehucht Ophoven [bij Oirsbeek] zijn dochtertje Anna Maria Zelis (*7-3-1799) naar de kerk
hadden gedaan, dit risico niet langer durfden te nemen, nam van Munstergeleen om het daar te laten dopen. Ook
Nijbelen hun plaats in. Aangezien hij te Gangelt was J. M. Luijten liet zijn dochter Maria Catharina, die op 2
geboren, kon hij bij zijn familie verblijven en van daaruit januari 1800 was geboren, te Munstergeleen dopen. Maar
heimelijk naar Oirsbeek gaan. Later zou hij daar pastoor daarna schijnt die pastoor onder de Geleners zulke wrevel te
worden <Godsd dl. 87, 173>. hebben gewekt, dat ze hun dopelingen niet meer naar
Munstergeleen wilden brengen. Vanaf mei werd weer een
Plaatsvervangende zielzorgers beroep op pater Arnulphus gedaan, zoals blijkt uit zijn
De uitgeweken pastoor Havenith had zijn parochianen niet aantekening: denuo me vocaverunt, d.w.z. ”van toen af
in de steek gelaten. Om de zielzorg tijdens zijn afwezigheid hebben zij mij teruggeroepen”. Hij bleef tot 22 januari 1801
te waarborgen, had hij - alvorens te vertrekken - de Sittardse aan Geleense nieuwgeborenen het doopsel toedienen; daarna
ex-capucijn Arnulphus (Petrus Gabriel) Severens tot zijn werden deze tot 31 maart 1801 door een andere hand
plaatsvervanger aangesteld. Deze uit zijn klooster te Sint- ingeschreven.
Truiden verjaagde pater was kapelaan in zijn vaderstad. Op Bij sommige huwelijken uit die tijd staat vermeld, dat ze te
een lijst, die op 15 mei 1798 vanuit Sint-Truiden naar Sittard of te Beek werden ingezegend. De priester Jan
Maastricht was gestuurd, werd hij vermeld onder de vijftien Willem Keulers (*8-3-1766) - zoon van de municipale agent
kloosterlingen die de vereiste eed niet hadden afgelegd en Lambert Keulers (1796) - die destijds kapelaan te Born was,
wier verblijfplaats onbekend was <Bergen, 62>. doopte op 21 juli 1798 en 21 juni 1800 kinderen van een
Boven het Geleense doop-, huwelijks- en overlijdensregister, Geleens echtpaar en zegende op 22 september van dat jaar
dat hij aanlegde, staat: Tempore quo parochia de Opgeleen fuit het huwelijk van een Geleens bruidspaar in; hij tekende
spoliata a pastore, d.w.z. ”Ten tijde, dat de parochie Opgeleen daarbij aan, dat hij zowel in opdracht van kapelaan Nijbelen
van haar pastoor beroofd was”. Tevens noteerde hij, dat hij als van de pastoor van Born en Buchten de sacramenten aan
in speciale opdracht van pastoor ”Habernichts”, als Geleners toediende. Ook in oktober 1798, april, mei en juni
deservitor de belangen van de parochianen van Geleen was 1800 en in februari 1801 diende die kapelaan de sacramen-
beginnen waar te nemen. In dat register staan het eerste ten aan inwoners van Geleen toe. Kort daarna ging hij als
sterfgeval, het eerste huwelijk en het eerste doopsel respec- pastoor naar Schaesberg.
tievelijk op 18 december 1797, 3 juli 1798 en 24 november Bij dit alles speelde koster Lambert Meys een essentiële rol.
1798 vermeld. Maar misschien werden niet alle aanteke- In het feit, dat hij en zijn echtgenote zeer vaak als getuigen
ningen in dit register door genoemde pater gemaakt. Ook in bij huwelijksinzegeningen optraden, kan men waarschijnlijk
het register van Munstergeleen staan van 6 juni 1797 tot 15 een bewijs zien, dat ze in het geheim plaatshadden. Op het
november 1798 de namen van vele Geleense dopelingen. gedachtenisprentje van deze koster staat o.a.: ”Hij maakte
Vanaf 2 september 1798 staan daarin tevens huwelijken van zich vooral verdienstelijk ten tijde der Fransche omwente-
Geleners vermeld. ling, toen de waardige Herder dezer parochie, die kloek-
Pater Arnulphus kwam geregeld naar Geleen om de sterven- moedig geweigerd had, den door de wet gevorderden,
den bij te staan. Zo is bekend, dat hij de laatste sacramenten goddeloozen eed te doen, genoodzaakt was, zich verscholen
toediende aan de vroegere kloosterzuster Maria Elisabeth te houden. Hij zelf onderwees de kinderen en door zijn
Cremers te Krawinkel († 10-7-1798), de ”chirurgijn” Jan toedoen bleef niet een stervende van de genademiddelen der
Mathias Hecking († 2-4-1799) te Oud-Geleen, de vroegere H. Kerk verstoken”.
”adjunct” Mathias Dols († 1-7-1799) aan het kerkhof, aan Einde 1800 dreigde pater Arnulphus in moeilijkheden te
de ”halferse” van de Biesenhof, die in het kinderbed overleed geraken. Een Sittardenaar en een Oud-Geleense, wier kind
(† 3-12-1799) en Maria Elisabeth Eummelen († 25-12- reeds in december 1798 te Munstergeleen was gedoopt,
1799), echtgenote van Pieter Mathis Lemmens in de Steeg trouwden - blijkbaar op aandringen van genoemde pater - op
[later Norbertijnenstraat]. Het is echter een vraag hoe 28 novenber 1800 in de pastorie te Sittard. Maar zij dienden
”geheim” zijn optreden eigenlijk was, want J. M. Luijten bij de maire van die plaats een klacht in, dat pater Arnulphus
fungeerde op 17 januari 1799 als peetoom bij het doopsel zich te Geleen de functie van pastoor aanmatigde. De
van een neefje door genoemde pater. Bij februari 1799 Sittardse magistraat ontbood de pater, gaf hem een flinke
merkte deze laatste op, dat in dit register wellicht sommige uitbrander en deed zijn beklag zowel bij de pastoor van
Geleners ontbraken. Het laatste door pater Arnulphus Sittard als bij maire Knooren van Geleen. Deze laatste
genoteerde Geleense sterfgeval was dat van kanunnik weigerde evenwel zich met die aangelegenheid in te laten.
386
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 387
De Brabantse Boerenkrijg en zijn gevolgen in onze streken Dominicus Schutgens uit Schinnen, die in de Dorpstraat
(1798) [Marcellienstraat] te Oud-Geleen woonde <Msg 1900, 65>.
Op 12 oktober 1798 brak aan de overzijde van de Maas een Toen zij verstek lieten gaan, werden de eerste twee tot depor-
opstand uit, de z.g. Boerenkrijg, die na 46 dagen onderdrukt tatie veroordeeld; op 5 januari 1799 werden ze gevangen-
werd en aan 1500 personen het leven kostte. Dit gaf ook genomen en met andere gearresteerde priesters in het
aanleiding tot onlusten in de streken ten oosten van de vroegere klooster van de cellebroeders te Maastricht
Maas. Op 1 november 1798 schreef Luijten, dat het kanton opgesloten. Daarop diende Adam Claessens bij de
Oirsbeek steeds meer in beroering geraakte. Men hoorde administratie van het kanton Oirsbeek een verzoekschrift tot
langs alle kanten ”Leve de Keizer” [van Oostenrijk] roepen vrijlating van zijn broer Renier in. Hij verklaarde, dat de
en opstandige liederen zingen. Aan de deur van het bijna zestig jaar oude gevangene niet alleen aan de kwalen
gemeentehuis, d.w.z. de vroegere pastorie, te Oirsbeek werd van die gevorderde leeftijd leed, maar bovendien een
zelfs een brief aangeplakt, die niet alleen tot opstand ophitste gebrekkig been had. Op 23 juli werd ook door een aantal
[”un écrit incendiaire et séditieux”] maar ook de dreiging agenten van dat kanton een aanbeveling in die zin opgesteld.
bevatte, dat municipale agenten, die conscriptielijsten Men zoekt daaronder echter tevergeefs naar de handtekening
zouden opstellen, dit met de dood zouden bekopen <FA nr. van J. M. Luijten <FA nr. 802>.
4386. - Bergen, 104>. Sommige agenten en adjuncten wensten Op 24 december 1799 werd de priester Claessens in vrijheid
dan ook hun functies neer te leggen. Zelfs de kanton- gesteld en onder het toezicht van de plaatselijke overheid
president trad af en er kon geen plaatsvervanger worden geplaatst. Op 16 maart 1800 zou ook A. Banens onder
gevonden. dezelfde conditie naar huis mogen terugkeren <Daris, 152>; een
Daarop werden gendarmen uit Heerlen en Roermond naar paar maanden later, op 9 juni 1800, zou de laatstgenoemde
het kanton Oirsbeek gestuurd. Tezamen met een tiental op 61-jarige leeftijd plotseling overlijden. Op 8 december
”volontaires” kwamen zij de orde handhaven <FA nr. 4286>. Die 1800 overleed ook de priester Schutgens in de leeftijd van 55
maatregel bleek effectief te zijn, want twee weken later, op jaar. R. Claessens zou op 13 september 1825 in zijn huis vlak
15 november 1798, kon Luijten [in het Frans] melden: ”Dit bij de kerk overlijden.
kanton is nog rustig en ondanks het feit, dat de meeste
inwoners nog steeds de Brabantse rebellen verwachten, Confiscatie en verkoop van ”geestelijke” goederen (1797-
wordt de orde gehandhaafd”. 1803)
Op 1 november 1798 verklaarde de centrale administratie, De Franse overheid confisqueerde alle eigendommen van
dat de priesters die geweigerd hadden de eed op de grondwet kloosters en geestelijke instellingen en verkocht ze aan de
af te leggen, de eigenlijke aanstokers van de [Brabantse] hoogste bieders. Nadat een lijst van de geconfisqueerde
opstand waren. Bijgevolg werden op 4 november 1798 alle goederen was opgemaakt, werd een deskundige uit Kerkrade
onbeëdigde priesters tot deportatie veroordeeld. De lijst van of Heerlen naar Geleen gestuurd om hun verkoopwaarde te
de veroordeelden uit het departement van de Nedermaas schatten. Eerst begaf hij zich naar de woning van maire
bevatte niet minder dan 1046 namen. Teneinde het Luijten en deze laatste vergezelde hem dan naar de te
opsporen aan te wakkeren werden premies uitgeloofd. Op schatten gebouwen, akkers en weiden. Als regel hadden zij
een pastoor werd een prijs van 100 gulden gesteld, op een ook een gesprek met de pachters van die goederen, die zij
kapelaan, augustijn of dominicaan 52 gulden en op een o.a. om inzage van hun meest recente pachtcontracten
capucijn of franciscaan 28 gulden. In het hele departement verzochten; een van de voornaamste gegevens voor het
werden echter slechts een vijftigtal priesters gevangen- schatten van de waarde der goederen bleek immers de
genomen, want de grote meerderheid wist zich schuil te daarvoor betaalde jaarlijkse pachtsom te zijn.
houden. Nadat de schattingen aan de prefect waren kenbaar gemaakt,
Op 30 november 1798 werd op bevel van Luijten een in het stuurde deze laatste gedrukte affiches aan de maire van
Frans opgesteld stuk uitgevaardigd, waarin 21 priesters uit Geleen, waarop de te verkopen goederen in detail werden
het kanton Oirsbeek, die geweigerd hadden de eed af te beschreven, met de opdracht ze ”sur-le-champ” [= op staan-
leggen, werden opgeroepen om op de buitengewone de voet, onverwijld] aan te plakken. De verkopen bij opbod
vergadering van het bestuur op 12 Frimaire (2 december hadden te Maastricht plaats. Er werd een vuur ontstoken en
1798) in de geconfisqueerde pastorie van Oirsbeek te zolang dit brandde kon er worden geboden; daarna werd dit
verschijnen. Ingeval ze niet kwamen opdagen, zouden ze als herhaald zolang er een hoger bod werd gedaan. Als er tijdens
aanstokers en medeplichtigen van de opstand worden het laatste vuur niet meer werd geboden, werden de
beschouwd en als ”émigrés” worden vervolgd. Op die lijst goederen toegekend aan degene, die het laatste bod had
stonden ook vijf in Geleen verblijvende priesters, nl. Renier gedaan.
Claessens [ex-beneficiant van het St.-Annabeneficie], Die locatie van de verkopen verklaart allicht enerzijds dat er
Andreas Banens uit Krawinkel, die reeds in oktober 1798 zoveel Maastrichtenaren onder de kopers van de diverse
enige tijd te Maastricht schijnt gevangen te hebben gezeten, onder Geleen gelegen goederen waren en anderzijds dat zich
Jan Hendrik Ramaekers, Caspar Penris uit Lutterade en onder hen geen andere Geleners bevonden dan maire Jan
387
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 388
Mathijs Luijten en adjunct Godfried Baggen. Bij sommige ”aux saules de la dite cense”, d.w.z. bij de wilgen van
verkopen was de koper zelf niet aanwezig en werd namens genoemde hoeve <FA nr. 1265, affiche 34, 9>.
hem of haar door een notaris of een familielid geboden. Twee dagen later - op kerstdag ! - kwam de schatter terug om
nog twee bij elkaar gelegen akkers, die eveneens aan de
Abshoven [van Godsdal] wel geconfisqueerd maar niet verkocht kloosterlingen van Reichenstein waren ontnomen, te
In 1799 werd Abshoven tot eigendom van het Legioen van schatten. Een van deze heette de Hellingstock en werd door
Eer verklaard. De hoeve werd toen evenwel niet aan parti- Pieter Mathijs Lemmens gepacht, terwijl het andere het
culieren verkocht, maar bleef z.g. ”domeingoed”. Evenals dit Cleutgen heette en door Jan Sassen werd gepacht. Het eerste
met de andere kloosterhoeven het geval was, bleef ook hier besloeg vier bunder en het tweede vijf bunder en bijna 400
de pachter gewoon verder boeren. Toen rentmeester Peter kleine roede. Ter plaatse aangekomen, merkte Luijten op,
Winants te Abshoven was overleden (24-3-1800), werd te dat die twee stukken land steeds van de gewande van de
Munstergeleen officieel genoteerd, dat Winants was over- grote hoeve waren gescheiden geweest. Hun gezamenlijke
leden ”auf dem Domenen Hof Abshoven zugehörig an das waarde werd door Poijck op 7.995 francs geschat <FA nr. 1265,
Republick”. Pas de Nederlandse administratie der domeinen affiche 35, 13 en 21>.
zou die hoeve op 15 februari 1820 aan Willem Strengnart Op 22 januari 1798 werd de hoeve met ongeveer 54 bunder
van Maastricht verkopen <Abshoven, 48-52>. - incluis het stuk bij Munstergeleen - voor 480.000 pond
gezamenlijk gekocht door notaris Jean Théodore van Gulpen
De Biesenhof [van de Duitse Orde] en Jean Guillaume Nijpels, beiden wonende te Maastricht.
Omdat de Biesenhof aan de Duitse Orde toebehoorde en Tien dagen later, op 1 februari 1798, werden de andere
deze laatste een geestelijke stichting was, werd ook die hoeve negen bunder voor 104.500 pond verkocht aan Guillaume
geconfisqueerd. De gebouwen en de gewande, met een totale Henri van Panhuijs te Maastricht <FA nr. 1831>.
oppervlakte van ruim 75 bunder, werden op 2 december
1797 op een waarde van 82.000 francs geschat. Op 2 januari De bezittingen van het Akense Mariamünster
1798 werd het geheel voor 720.500 pond aan Werner Joseph Zowel de gewande van de in 1714 afgebrande hoeve aan de
Wulff van Hoensbroek verkocht <FA nr. 1279, affiche 32, 10>. Keutelbeek te Krawinkel alsook de andere bezittingen van
het Mariamünster van Aken onder Geleen, die tezamen
De gewande van de vroegere hoeve Stucken [van de Duitse bijna 100 bunder besloegen, werden op 29 december 1797
Orde] door de bovengenoemde Poijck geschat. Terwijl hij,
Ook de gewande van de vroegere hoeve Stucken, die even- vergezeld van maire Luijten, de diverse stukken naging,
eens aan de Duitse Orde toebehoorden, werden geconfis- kwam hij tot de conclusie dat ze al te zeer verspreid lagen om
queerd. Omdat zij nogal ver verspreid lagen, werden ze door allemaal door eenzelfde pachter te worden geëxploiteerd.
de schatter in vijf groepen verdeeld, nl. drie groepen van elk Daarom verdeelde hij ze in zes groepen.
drie stukken en twee groepen van elk vijf stukken. Op 22 januari 1798 werd de eerste groep van ruim achttien
Op 22 januari 1798 werden een groep van ruim tien bunder bunder [twee stukken] door de eerder genoemde W. J. Wulff
[drie stukken] en een andere van ruim twaalf bunder [drie uit Hoensbroek voor 101.500 pond gekocht. Op 1 februari
stukken], voor een gezamenlijk bedrag van ruim 160.000 1798 kocht diezelfde nog ruim vijftien bunder [één stuk]
pond aan J. M. Luijten en G. Baggen verkocht. Op 22 voor 100.000 pond. De overige gewande van die hoeve
januari 1798 werden de drie andere groepen verkocht, nl. werden op laatstgenoemde datum door andere personen
bijna drie en een half bunder [vijf stukken] voor 30.000 gekocht, nl. ruim zestien bunder [drie stukken] voor
pond aan G. Baggen, ruim zeven bunder [vijf stukken] voor 131.000 pond door de reeds genoemde dames Elias uit Luik,
43.100 pond aan de Luikse dames Anne Marie en Anne ruim negentien bunder [één stuk] voor 140.000 pond door
Louise Elias, en nog tien bunder [drie stukken] voor 40.000 J. G. H. Smeets uit Maaseik en compagnon, ruim twaalf
pond aan Jean Guillaume Nijpels te Maastricht <FA nr. 1279, bunder [vier stukken] voor 102.000 pond gezamenlijk door
affiche 34, 11-14>. notaris Jean Théodore van Gulpen en Jean Guillaume
Nijpels en ruim zeventien bunder voor 144.000 pond door
De grote hoeve van Lutterade en andere bezittingen van het een zoon van de laatstgenoemde, alle drie uit Maastricht <FA
klooster Reichenstein nrs. 1265 [affiche 34, 12 en 15; 35, 4-8], 1279 en 1831>.
Op 23 december 1797 kwam A. G. Poijck, die op Erenstein
onder Kerkrade woonde, naar Geleen om de Lutterader Land van het Sittardse Bocken-beneficie
hoeve en de daarbij behorende elf stukken landbouw- en Op 23 november 1802 kwam een schatter uit Heerlen naar
weidegrond te schatten. De gebouwen en de gewande, die Geleen om een geconfisqueerde akker van ruim een hectare,
tezamen ruim 54 bunder besloegen, waren door Martin die in het Craveld in een hoek tussen de grote weg van
Lemmens gepacht. De schatter gaf uiting aan zijn voorkeur Maastricht naar Sittard en de weg uit Munstergeleen naar de
om alles als één geheel te verkopen, behalve een stuk van drie Graetheide lag en die tot het Sittardse Bocken-beneficie had
bunder en 216 kleine roede, dat vlak bij Munstergeleen lag behoord, op zijn waarde te schatten. Sedert 15 maart 1799
388
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 389
was dat stuk land aan de Gelener Willem Willems voor drie Wanneer een eigenaar of pachter van dergelijke goederen
of zes jaar verpacht. Het werd op een waarde van 660 francs tegenslag had, beschouwde men dit als een bewijs van die
geschat. Op 5 januari 1803 werd het voor 666 francs aan vloek. De grote sterfte van vee op de Biesenhof - ten gevolge
J. M. Luijten en G. Baggen verkocht <FA nr. 1297, affiche 5, 6>. van miltvuur - in de negentiende eeuw werd dan ook zonder
aarzelen aan de straffende hand Gods toegeschreven.
De goederen van de beneficies in de parochiekerk
Ook ”du[dit] bien provenant de l’autel Notre Dame” werd Concordaat van 1802 en definitief vertrek van pastoor
op 30 november 1802 door de deskundige uit Heerlen Havenith
geschat. Dit waren geen goederen van het O.-L.-Vrouwe- Op 15 juli 1801 werd tussen de paus en de keizer een
kapittel te Aken <Bergen, 34>, maar altaargoederen van O.-L.- concordaat gesloten, dat - met door Napoleon aangebrachte
Vrouw, d.w.z. goederen van het beneficie van O.-L.-Vrouw wijzigingen - op 18 april 1802 te Parijs werd afgekondigd.
in de parochiekerk van Geleen. Zij besloegen tien akkers met Daarbij werd o.a. aan de parochiegeestelijken toegestaan om
een gezamenlijke oppervlakte van ruim zeven bunder, en een hun kerkelijke functies ongestoord uit te oefenen. Aan de uit
wei van 200 roede, waarvan de wei en drie akkers bij Oud- hun klooster verdreven geestelijke personen, die toen nog in
Geleen en de andere onder Lutterade lagen. Zij werden op leven waren, werd bij het decreet van 9 juni 1802 een jaar-
een gezamenlijke waarde van 3.955 francs geschat. Het lijks staatspensioen toegekend.
geheel was op 15 maart 1799 door koster Lambert Meys
voor drie of zes jaar gepacht. Op 2 februari 1803 werden alle
elf percelen voor 9.300 francs aan maire J. M. Luijten en
adjunct G. Baggen verkocht <FA nr. 1301, affiche 9, 8>. Ofschoon
nog geen informatie over de altaargoederen van Sint-Nico-
laas ter beschikking staat, mag stellig worden aangenomen,
dat die eenzelfde lot ondergingen.
De pastoriegoederen
Op 15 december 1802 kwam de deskundige uit Heerlen de
waarde schatten van de Geleense pastorie [7 roede] met de
daarbij gelegen stallen en schuur [14 r.], tuin [38 r.] en
pastoorswei [98 r.] en tevens de grote wei in de Steeg en het
stuk land aan de Maastrichterweg, welke beide laatste door
maire Luijten werden gepacht. Maar de pastorie - met de
bijgebouwen, tuin en wei - werd voor ”non aliénable”, d.w.z.
niet-vervreemdbaar, verklaard. De andere wei en de akker
werden op een gezamenljke waarde van 990 francs geschat.
De verkoop van beide percelen was eerst voor woensdag 9
februari 1803 gepland en werd daarna naar 1 maart 1803
verschoven. Toen het vijfde vuur was uitgebrand zonder dat
er nog nieuwe biedingen waren gedaan, werden die wei en
die akker voor 4.050 francs toegekend aan een Maastrichte-
naar, die als G[eorge] C. De Schwartz tekende <FA nr. 1302,
affiche 10, 12>.
De Kluis van Krawinkel niet geconfisqueerd
J. HABETS beweerde ten onrechte, dat de Kluis van
Krawinkel door de Fransen zou zijn geconfisqueerd <PSHAL
1870, 358>. Dat gebouw met de erbij behorende grond was
toen immers reeds lang door erfenis in lekenhanden geraakt
en werd destijds ook door leken bewoond <Kluis, 49-51>.
Derhalve kon het niet meer als een ”geestelijk” goed worden
beschouwd.
Vloek op ”domeingoederen” ? Gedachtenisprentje van pastoor Johann Hubert Havenith
Nog vele generaties lang leefde onder de bevolking de over- <Origineel in bezit van de schrijver>.
tuiging, dat op die verkochte ”domeingoederen” een vloek
rustte, omdat zij eens geestelijke bezittingen waren geweest.
389
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 390
Pastoor Havenith keerde uit zijn ballingschap niet naar bleven ze voortbestaan. Op 10 februari 1802 schreef
Geleen terug, maar begaf zich naar zijn familie te Eupen, ”vice-pastor” Nijbelen uitdrukkelijk, dat de beneficies van
waar - volgens zijn gedachtenisprentje - zijn ”Ungeheuchelte O.-L.-Vrouw en van Sint-Nicolaas nog steeds werden onder-
Frömmigkeit, strenge Gewissenhaftigkeit, Sanftmuth und houden, d.w.z. dat toen aan de zijaltaren van die heiligen de
Geduld machten ihn den Menschen lieb”. Hij bereikte de traditionele wekelijkse missen werden opgedragen. Dat hij
gezegende ouderdom van ruim 91 jaren en overleed op 10 de celebrant van die missen was, blijkt uit het feit dat hij
februari 1829. Over zijn pastoraat te Geleen staat verder op zichzelf op 10 juli 1802 noemde: Deservitor altaris B. Mariae
dat prentje: ”Hier lebte er als eifriger Hirt, als Lehrer in Wort Virg(inis) et S. Nicolai. Uit andere archiefstukken blijkt, dat
und That 17 Jahre, bis er endlich nach vielen in der franzö- het Sint-Annabeneficie al evenmin werd opgeheven. Sint-
sischen Revolution ertragenen Stürmen, auf seine Bitte von Nicolaas zou enkele jaren later door Sint-Antonius van
der Pfarrstelle entlaßen wurde”. Zijn naam staat - naast die Padua worden vervangen, maar de beneficies van O.-L.-
van andere priesters - op een groot grafmonument in het Vrouw en van de H. Anna zouden nog generaties lang - elk
midden van het kerkhof te Eupen (B.). met één mis per week - worden onderhouden.
Beneficies voortgezet Documenten betreffende relikwieën gingen verloren
Al waren de beneficies - wegens de confiscatie van eigen- In een Latijns document van 1835 schreef pastoor Voncken,
dommen en inkomsten - in moeilijkheden geraakt, toch dat de relieken van de H. Eligius - die hij niet nader speci-
ficeerde - toen nog aanwezig waren, maar dat de daarbij
behorende documenten over hun echtheid [litteræ authen-
ticæ] ongeveer 40 jaar tevoren verloren waren gegaan
[deperditæ sunt]. Dat was gebeurd, toen de pastoor en zijn
assistent, wegens hun weigering om de eed op de Franse
grondwet af te leggen, gedwongen waren hun parochie te
verlaten: tempore Revolutionis Gallicanæ dum pastor cum suo
vicario coactus fuerit relinquere parochiam ratione juramenti
Gallici. Dit werd hem in 1809 door de vroegere pastoor
H. Havenith persoonlijk meegedeeld: pastor H. Havenith
mihi anno 1809 declaravit ipsas litteras authenticas tempore
Revolutionis esse perditas. Bovendien werd hem dit door de
vroegere assistent A.E. Nijbelen bevestigd: eademque
declarationem mihi dedit A. Nijbelen, tunc temporis vicarius in
Opgeleen <PAG>. Toch was dat blijkbaar geen al te ernstig
verlies, want een te Geleen bewaarde ”reliek” van Sint-Eloy
werd in 1745 - zoals wij in hoofdstuk V, onder 7, zagen -
door de bisschop van Roermond als niet-authentiek
verklaard.
Gemeenschappelijk grafmonument van priesters op het r.k. Kerk en pastorie onder lekencontrole
kerkhof te Eupen (B.). Onder de daarop vermelde namen staat Wegens de confiscatie van de kerkelijke goederen bleef het
ook die van pastoor Havenith <Foto door de schrijver>. gemeentebestuur verantwoordelijk voor het onderhoud en
de reparatie van de kerkelijke gebouwen en voor de huis-
vesting en het levensonderhoud van de dienstdoende
priesters. Ook de samenstelling van de kerkfabriek was in
wereldse handen; de leden werden door de prefect van het
departement uit een door de maire opgestelde lijst gekozen.
Zelfs voor de aanstelling van pastoors - door de bisschop van
Luik - moest eerst de goedkeuring van de prefect worden
verkregen. Enige jaren nadat de kerk was heropend en de
kerkelijke diensten waren hervat, heeft maire Luijten - op
kosten van de gemeente - ”laten maecken en zetten op den
Choor eene banck voor den Meijer en adjoint” <PAG nr. 155>.
Terwijl hij daarop plaatsnam, zullen Luijten de taferelen van
de voorbije geloofsvervolging, waarbij hij al te bereidwillig
een helpende hand aan de vreemde heersers reikte,
ongetwijfeld vaak voor de geest zijn gekomen.
390
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 391
3. De ”conscriptie” conscriptiewet werden de dienstplichtigen van de eerste
of gedwongen krijgsdienst klasse van het jaar VII (1798-1799) opgeroepen. Maar van
de tien Geleners, die toen in aanmerking kwamen, blijkt
Een van de meest ingrijpende aspecten van de Franse slechts één enkele gediend te hebben. Ook van de vijftien
bezettingsperiode was de gedwongen dienstneming van veel conscripten van de tweede klasse van dat lichtingsjaar trad er
jongemannen in de Franse legers onder Napoleon. Van de slechts één in actieve dienst. Met de 32 conscripten van de
ongeveer 150 onder de wapens geroepen Geleners keerde gezamenlijke klassen drie, vier en vijf zal het wel niet anders
nagenoeg de helft niet naar huis terug. Slechts van negentien zijn vergaan. Nadat de wet op de militaire dienstplicht
van deze laatsten zijn de plaats en/of datum van overlijden anderhalf jaar van kracht was geweest, was het duidelijk, dat
op het slagveld, bij een ongeluk of in een ziekenhuis bekend, er van de rekrutering van de lichting van het jaar VII niet
terwijl de overigen als vermist moeten worden beschouwd. veel was terechtgekomen.
Misschien wisten sommigen van hen het vege lijf te redden Toen Napoleon aan de macht kwam, trachtte deze orde op
om zich daarna elders te vestigen. Maar het lijdt geen twijfel, zaken te stellen. Een van zijn besluiten, die op 8 maart 1800
dat de grote meerderheid sneuvelde, vermoord werd of van werden uitgevaardigd, gaf aan de conscripten van de lichting
ellende omkwam. Wegens het tragische lot van die ongeluk- van het jaar VII die niet hadden gediend, de gelegenheid om
kigen en het leed dat dit bij hun familieleden teweegbracht, officieel vrijstelling van militaire dienst te verkrijgen; als
is de door de Fransen opgelegde verplichte krijgsdienst dan voorwaarde werd gesteld, dat ze 300 francs voor de kleding
ook een grote ramp voor de Geleense gemeenschap geweest. en uitrusting van een andere dienstplichtige of plaats-
vervanger betaalden. Minstens 22 Geleense jongemannen
De wetgeving van de lichting van het jaar VII grepen tussen 24 oktober
Op 5 september 1798 werd de militaire dienstplicht 1800 en 1 juni 1801 die kans aan en kregen een bewijs van
ingevoerd. Daarbij werden nagenoeg alle mannelijke ”congé définitif” of groot verlof <Bergen, 118-126>.
inwoners van Frankrijk - waarbij onze streken waren
inbegrepen - die tussen 20 en 25 jaar oud waren, dienst- Bewijs van ”congé définitif” uit de Franse strijdkrachten, op 2
plichtig verklaard. Wie vóór 12 januari 1798 was gehuwd, Brumaire an 9 (24 oktober 1800) verleend aan de Gelener
werd vrijgesteld; bij die categorie behoorden ook weduw- Pieter Joseph Göbbels (*30-9-1777, † 26-7-1865), betover-
naars met kinderen. De lichtingen werden aangeduid grootvader van de schrijver. Het origineel is 22½ x 34 cm <Uit
volgens het Franse kalenderjaar, dat op 1 Vendémiaire (22, de nalatenschap van pater Ferdinand Eussen>.
23 of 24 september) begon, terwijl de dienstplichtigen van
het jaar VII (22 september 1798 t/m 21 september 1799) in Aanmelding
vijf klassen werden verdeeld. Wie tussen 23 september 1777 De besluiten van 8 maart 1800 beoogden vooral het leger
en 22 september 1778 was geboren, behoorde tot de eerste met de lichting van het jaar VIII (1799-1800) te versterken.
klasse, terwijl de ouderen respectievelijk de klassen twee, Maar ook daarvan meldden de meesten zich niet en slechts
drie, vier en vijf uitmaakten. Klasse twee zou pas worden twee trokken de Franse wapenrok aan. Daarna bleef de
opgeroepen als de eerste klasse uitgeput was, enzovoorts. aanmelding nog steeds erg traag verlopen. Op dinsdag 9
Op 22 oktober 1798 schreef J. M. Luijten, die toen november 1802 werd te Geleen de oproep aangeplakt, dat
commissaris van het kanton Oirsbeek was, aan de centrale alle dienstplichtigen van de jaren IX (1800-1801) en X
administratie, dat de wet op de militaire dienstplicht bij de (1801-1802) zich op donderdag 11 november moesten
bevolking veel ontevredenheid, afkeer jegens de regering en komen melden. Luijten merkte later evenwel op: ”maer
zelfs bedreigingen tegen openbare gezagsdragers had teweeg- weynigen sijn er gekomen”. Van de zeventien jongemannen
gebracht. Een maand later liet hij weten, dat de municipali-
teit van zijn kanton niets met de samenstelling van de lijsten
der dienstplichtigen wilde te doen hebben en die taak liever
aan anderen overliet <Bergen, 104>.
Die lijsten - waarop in de loop van 17 jaren circa 400
Geleners werden geplaatst - bevatten enkel de namen van
[ongeveer] twintigjarigen, waaruit via keuring en loting het
van tevoren door de minister van oorlog vastgestelde aantal
rekruten werd gekozen. Zoals gezegd, hebben in totaal
ongeveer 150 Geleners in de Franse legers gediend. Onder
dezen bevond zich een kleine groep jongemannen, die niet
werden opgeroepen, maar zich vrijwillig voor de legerdienst
meldden.
Reeds binnen drie weken na de uitvaardiging van de
391
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 392
uit de lichting van het jaar X waren er niet meer dan drie Van sommige afgekeurden werd een premie vereist. Een
komen opdagen en van de 21, die tot de lichting van het jaar opgeroepene die wegens een gezwel aan een kuit werd
IX behoorden, zal zich waarschijnlijk ook slechts een hand- afgekeurd, moest 87,57 francs betalen, een andere die aan
vol hebben gemeld. Als verontschuldiging werd opgegeven, vallende ziekte leed, moest 200 francs overhandigen, terwijl
dat er tussen het aanplakken van die oproep en de aan- een derde die door tuberculose was aangetast, 77,66 francs
meldingsdatum te weinig tijd was gelaten, zodat velen niet moest neertellen <Bergen, 131, 135 en 148>.
van de inhoud ervan op de hoogte waren geweest. Doch de keuring bracht niet steeds de verwachte uitslag. Zo
De plaatselijke municipale raad zal er zich wel van bewust werd een aantal jongemannen met gezondheidsklachten of
zijn geweest, dat hierbij ook andere factoren in het spel handicaps toch goedgekeurd; sommigen van dezen werden
waren, want hij besloot niet alleen om een nieuwe oproep daarna afgekeurd. Een jongeman uit Neerbeek, die aan
voor aanmelding op maandag 15 november 1802 aan te vallende ziekte leed maar desondanks was goedgekeurd en
plakken maar daar tevens ter geruststelling aan toe te voegen, werd opgeroepen, wist een remplaçant te vinden.
dat degenen die zich moesten melden, slechts op de
algemene lijst van de dienstplichtigen van de jaren IX en X Loting
zouden worden geplaatst en dat er van loten of vertrekken De goedgekeurden moesten loten; wie een laag nummer
geen sprake zou zijn. Er werden trouwens voor elk van die trok werd ofwel op de actieve lijst ofwel op de reservelijst
lichtingen slechts drie rekruten gevraagd en zelfs die zouden geplaatst. Ook die procedure had niet te Geleen plaats. Op
zich door remplaçanten mogen laten vervangen. 17 december 1803 schreef maire Luijten: ”Op Sint
Doch men waarschuwde, dat al degenen die zich niet zouden Stevensdag aenstaende [= 26 december] sullen de geconscri-
melden, op een supplementaire lijst zouden worden geplaatst beerden van ’t jaer XI (1802-1803) en XII (1803-1804) te
en aldus gevaar zouden lopen door de gendarmen gearres- Oirsbeek getogen [= geloot] worden” <GAG nr. 23>. Uit een
teerd te worden. Dezen zouden hen dan transporteren naar ander document blijkt, dat ook op 28 december 1803 te
de plaatsen, waar zij zich zouden hebben moeten melden, Oirsbeek een loting plaatshad, waaraan Geleners deelnamen.
ingeval zij zouden zijn goedgekeurd en zich zouden hebben Soms hadden de lotelingen een hele weg af te leggen. Zo
ingeloot. De conclusie luidde dan ook: ”dus is het beeter moesten de Geleners van de lichting van het jaar XIII (1804-
datter drij als veele vertrecken, hetgeen zal geschieden, soo de 1805) op 20 maart 1805 in het stadhuis van Maastricht gaan
geconscribeerden niet compareeren en op de supplementaire loten. Daarbij was maire Luijten van Geleen aanwezig. De
lyst gestelt worden” <GAG nr. 5. - Bergen, 106-107 en 126-136>. lichting van het jaar XIV (1805-1806) uit het kanton
Oirsbeek moest op 14 oktober 1805 eveneens naar
Meting en keuring Maastricht gaan loten en ook daarbij was maire Luijten
Na de aanmelding volgden de meting en de keuring. Maire tegenwoordig <GAG nr. 23>.
Luijten liet op 17 december 1803 weten, dat ”de geconscri-
beerden van de jaeren XI (1802-1803) en XII (1803-1804) Verleende en geweigerde vrijstellingen
nae [= naar] Oirsbeek moeten komen om hun te laeten Ettelijken van de goedgekeurden kregen vrijstelling wegens
meeten en examineeren” <GAG nr. 23>. Van de circa 400 broederdienst, terwijl deze aan anderen werd verleend,
Geleners, die tussen 1798 en 1814 op de conscriptielijsten omdat zij de oudste zoon of het enig kind van een weduwe
stonden, werden er ongeveer zestig afgekeurd; van deze ofwel de oudste van een aantal wezen waren.
laatsten bleken er opvallend veel te kort van stuk voor de Maar ook om andere redenen werden verzoeken tot vrij-
militaire dienst te zijn. stelling ingediend. Op 3 juli 1806 deden maire Luijten en de
Franse kurassiers in 1806 <Uit Rogers 1982>.
392
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 393
adjunct een beroep op de overheid om Antoon Custers op, dat hij ”bevangen door vrees, verleid door de valse
(*4-3-1784) van Krawinkel, die bij het 20ste regiment suggestie, en doorboord van de pijlen der echtelijke liefde”,
dragonders was ingelijfd en in de kazerne van Maubeuge in heeft verwaarloosd zich te vervoegen bij het corps, waartoe
Noord-Frankrijk lag, naar huis te laten terugkeren. Na een hij was aangewezen en o.a. tot 1500 francs boete was
aantal ernstige tegenslagen bij de oogst en met het vee was veroordeeld. Maar nu hij overtuigd is van het onheil dat hem
zijn vader zo ontroostbaar verdrietig geworden [”affecté d’un bedreigt, wenst hij van de aangeboden algemene amnestie
chagrin inconsolable”], dat hij aan tuberculose was gaan gebruik te maken; hij ziet evenwel tegen de actieve dienst op,
lijden en na een ziekte van twee jaren op 6 januari 1806 was omdat hij de enige kostwinner van zijn gezin is. Daarom
overleden. Sindsdien had zijn moeder zo zwaar moeten smeekt hij ”de vergevingsgezindheid en het medelijden van
werken, dat zij een breuk had opgelopen en bijgevolg tot de elke gevestigde autoriteit om, voor zover mogelijk, hem de
bedelstaf was vervallen. En het viel te verwachten, dat ook gelegenheid te geven zich bij zijn corps te laten rempla-
deze armzalige weduwe niet lang zou leven, indien zij de ceren”. Dit verzoek werd ingewilligd <GAG nr. 23>. De rem-
steun en de hulp van haar zoon zou moeten blijven missen. plaçant was Peter Janssen (*13-4-1785) uit Krawinkel; maar
De pogingen van de maire en de adjunct leverden echter op 1 januari 1806 werd ook hij als deserteur veroordeeld.
geen resultaat op <GAG nr. 23>. Het regiment, waarbij Antoon Jan Mathijs Willems (*15-10-1780) van Geleen stelde zich
Custers diende, werd naar Spanje gezonden, vanwaar hij niet beschikbaar als remplaçant voor J.-B. de Marchant d’Ansem-
naar huis zou terugkeren. bourg te Amstenrade, die de laatste bezitter van het graaf-
Ook het op 15 januari 1807 door maire Luijten en buren schap Geleen was geweest. Daar hij het arrondissement
ingediend verzoek tot vrijstelling van Jan Pieter Beaumont Maastricht niet verliet, heeft Willems geen gevechten mee-
(*8-12-1787) uit Lutterade, die de oudste van de vier gemaakt.
kinderen van een weduwe was en die tot de lichting van Jan Renier Lemmens (*31-7-1788), zoon van Pieter Mathijs
1807 behoorde, werd geweigerd <GAG nr. 113>. Hij zou Lemmens en Maria Theresia Corten te Lutterade en later
eveneens in den vreemde overlijden. burgemeester van Geleen, behoorde tot de lichting 1808.
Op 19 januari 1807 vroeg maire Luijten vrijstelling aan voor Nadat hij was goedgekeurd en een laag nummer had
Jan Renier Ronden (*5-10-1787), zoon van wijlen Theodoor getrokken, vond hij een inwoner van Meerssen bereid om als
Ronden en Maria Elisabeth Maes, omdat hij het enige kind zijn remplaçant dienst te nemen.
van een weduwe was. Deze werd verleend <GAG nr. 23>. Verscheidene dienstplichtigen, wier remplaçanten waren
gedeserteerd, werden zelf onder de wapenen geroepen. Dit
Remplaçanten overkwam o. a. Peter Dols (*15-7-1782) van Krawinkel, Jan
Op 8 maart 1800 werd het systeem van plaatsvervangers Haerden (*25-1-1787) van Oud-Geleen en Peter Mathijs
ingevoerd, d.w.z. een dienstplichtige kon een door hem Keulers (*21-9-1790) uit de Groenstraat. Antoon Lienaerts
betaalde vrijwillige vervanger of ”remplaçant” kiezen om zijn (*10-6-1782) uit Krawinkel, wiens eerste remplaçant was
dienstplicht te vervullen. Sommigen, die een laag lot hadden gedeserteerd, wist een tweede te vinden. Peter Paul Penris
getrokken, maakten daar gebruik van, terwijl anderen, die (*28-9-1782) van Oud-Geleen behoorde tot geen van beide
niet waren opgeroepen, zich als remplaçanten beschikbaar categorieën, want enige maanden nadat zijn remplaçant was
stelden. gedeserteerd, overleed hij zelf <Bergen, 121, 136-139, 153, 158 en
Op 8 februari 1803 verkreeg Jan Pieter Luijten (*17-8-1780) 166>.
- die een gezin had en was ”aangewezen door het lot om de
kaders van het leger te vullen” - de goedkeuring om zich te Echte en vermeende deserteurs
laten vervangen. Zijn remplaçant was Gerard Kleijnen van Wie zich niet tijdig bij zijn legeronderdeel meldde, werd als
Krawinkel (*29-6-1778), die tot de lichting van het jaar VII deserteur beschouwd en veroordeeld, terwijl zijn signale-
(1798-1799) behoorde en was vrijgesteld <GAG nr. 5>; maar ment, d.w.z. zijn persoonsbeschrijving, aan de gendarmerie
reeds op 19 maart 1803 zou die remplaçant als deserteur werd doorgegeven. Maar soms was het optreden van de
worden veroordeeld. gendarmen overbodig. Zo werd op 16 oktober 1809 een
Op 8 februari 1803 werd ook het verzoek in behandeling bevel tot opsporing van de zogenaamde deserteur Jacob
genomen van Jan Frans Baggen, dienstplichtige van het jaar Lienaerts (*7-5-1779) gegeven, terwijl rond diezelfde tijd uit
IX (1800-1801), die eveneens was ingeloot, om zich door Mainz het bericht werd verstuurd, dat hij ruim vier maanden
Guillaume Lambert uit het Belgische Wonk bij Maastricht tevoren was overleden. Meer dan een jaar nadat Gerard
te laten vervangen. Na de overhandiging van een verklaring Haegmans (*21-10-1785) op 26 augustus 1811 te Middel-
door een dokter, dat de remplaçant niet aan enige ziekte burg was overleden, werd een verzoek tot zijn opsporing en
leed, werd ook die vervanging goedgekeurd <GAG nr. 5>. arrestatie verspreid. En Pieter Nicolaas Luijten (*23-2-
Op 1 januari 1804 werd de zaak van Jan Tummers (*5-9- 1788), die reeds op 2 mei 1809 was overleden, werd ruim
1779) van Oud-Geleen, dienstplichtige van het jaar VIII drie jaar later, nl. op 9 september 1812, als deserteur veroor-
(1799-1800), behandeld. Hij was sedert 19 april 1799 deeld <Bergen, 127, 160 en 197>.
gehuwd en had al drie kinderen. Men merkte [in het Frans] In andere gevallen was het ingrijpen van de gendarmerie
393
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 394
voorbarig. Zo kwamen op 11 september 1802 twee straf van twee jaar gevangenis bedreigd. Hetzelfde gold voor
gendarmen van de brigade uit Heerlen bij maire Luijten burgers, die dit hadden geweten maar zulke ambtenaren niet
aankloppen met het verzoek hen te vergezellen naar de aan de overheid hadden verklapt <GAG nr. 23>.
ouderlijke woning van de dienstplichtige Jan Feron (*16-7- Sommige deserteurs meldden zich later weer, terwijl andere
1779) te Krawinkel, die niet tijdig bij zijn legereenheid was werden gearresteerd. Er zijn echter geen gevallen bekend,
teruggekeerd. Toevallig bevond zich in het kantoor van de waarbij de gearresteerde - naast een flinke geldboete - een
maire een tante van de gezochte die vertelde, dat haar neef zwaardere lijfstraf opliep dan naar een strafdepot te worden
reeds op de door zijn oversten bepaalde datum, nl. 5 gebracht. Alleen al in mei 1807 marcheerden niet minder
september 1802, naar Maastricht was vertrokken. dan twintig Geleners onder geleide naar het depot te
Desondanks insisteerden de gendarmen, dat de maire met Charlemont in Noord-Frankrijk. Daar werden de meesten
hen naar Krawinkel zou gaan. In de woning van de weduwe na korte tijd weer bij het leger ingelijfd.
Feron-Nijsten aangekomen vroeg de maire aan Peter Feron Circa 1810 kreeg maire Luijten een lijst van elf deserteurs uit
junior (*17-1-1777) waar zijn 21/2 jaar jongere broer Jan zijn gemeente toegestuurd. Maar in drie gevallen kwamen de
was. Deze antwoordde, dat hij enkele dagen tevoren was ouders brieven presenteren, die hun zonen bij hun leger-
vertrokken om zich te vervoegen bij zijn corps, dat te afdeling naar hen hadden geschreven, nl. een brief dd. 19
Valenciennes was gestationeerd <GAG nr. 23>. Misschien was september 1809 uit het Spaanse Vittoria van Jan Joseph
Jan Feron op zijn weg naar Maastricht enige tijd in Geulle Lemmens (*26-11-1781), zoon van Jan Lemmens en Anna
blijven hangen, want daar had hij de jonge weduwe Maria Catharina Notermans uit Krawinkel, een brief dd. 28 maart
Ida Philippens-Ghijsen leren kennen. Tijdens een verlof 1811 van Philip Luijten (*9-1-1783), zoon van Jacob
trouwde hij met haar op 1 en 4 september 1803 respectieve- Luijten en Elisabeth Feron uit Oud-Geleen, en een brief dd.
lijk wettelijk en kerkelijk. Hij werd pas op 29 augustus 1808 15 juni 1811 van Christiaan Bours (*1-4-1789), zoon van
uit de militaire dienst ontslagen en sleet de rest van zijn leven Cornelius Bours en Maria Helena Eijssen uit Daniken <FA nr.
te Geulle. 569>.
Evenals dit in deze streken algemeen was, zo kwam ook een Van de andere acht Geleners op die lijst werden er vier
betrekkelijk groot contingent opgeroepen Geleners helemaal gearresteerd, drie meldden zich en één bleef onvindbaar. Een
niet opdagen, terwijl anderen uit het leger deserteerden. De van de gearresteerden was Jean Guillaume Servais (*19-11-
situatie verslechterde dermate, dat op 12 oktober 1803 een 1790) - een jongere broer van de onder ”Gesneuveld, dode-
”arrêté” werd uitgevaardigd, waarbij met strenge straffen lijk gewond of verongelukt” nog te noemen Pierre Joseph
werd gedreigd. Op grond van dit en andere voorschriften Servais - die op 5 maart 1809 bij het eerste regiment jagers
deed maire Luijten op 17 december 1803 een proclamatie was ingedeeld en er een gewoonte van maakte om te deser-
aan de Geleners, die hij aldus inleidde: ”De verscheyde teren; hij bezorgde maire Luijten heel wat vruchteloos
wetten, arrêtés [= bevelen] en brieven die ik ontfangen hebbe hoofdbreken. Nadat hij voor de eerste keer was gedeserteerd,
over de conscribeerde, vereijschde dat ick dezelve in de maakte hij van de afgekondigde amnestie gebruik en meldde
Duytsche tael kort en begrijpelijk voor jeder kenbaer hij zich op 25 maart 1810, waarop hij bij het twaalfde
maeke”. regiment jagers werd ingedeeld. Maar op 4 mei 1811 werd
Alle dienstplichtigen van het jaar VII (1798-1799), die zich hij weer als deserteur gezocht. Op 5 juni 1811 werd hij te
niet voor de militaire dienst hadden gemeld en geen bewijs Ulestraten gearresteerd en naar het strafbataljon te
van ”congé définitif” hadden ontvangen, kregen ”pardon” Walcheren gestuurd. Op 1 augustus 1811 werd echter zijn
en werden van militaire dienst ontslagen. De conscripten derde desertie vastgesteld <Bergen, 168>.
van de jaren VIII (1799-1800), IX (1800-1801) en X (1801- Teneinde hem tot terugkeer te dwingen werd op 15 novem-
1802), die waren gedeserteerd, kregen eveneens ”pardon en ber 1811 een soldaat, een z.g. ”garnisaire”, bij zijn vader
quytslag [= kwijtschelding]”, maar moesten zich vóór ingekwartierd. Maire Luijten schreef op 27 november 1811
nieuwjaarsdag 1804 bij de prefect van het arrondissement aan de onderprefect van het arrondissement Maastricht [in
melden om zich bij hun regimenten te vervoegen ”ten eynde het Frans]: ”Sedert de aankomst van de naar deze gemeente
hunnen tyt te dienen”. Dit gold ook voor dienstweigeraars gezonden garnisaire... heb ik mij de grootste moeite gegeven
en deserteurs, die bij verstek waren veroordeeld. Maar als zij - evenals de adjunct en sommige leden van de gemeenteraad
zich vóór nieuwjaarsdag 1804 niet bij de prefect zouden - om de schuilplaats van deze kwaadwillige op te sporen... al
melden, zouden zij voor de krijgsraad worden gedaagd en de onverdroten onderzoekspogingen, die wij in dit kanton
overeenkomstig de wet worden gestraft. Voor de deserteurs, en in de naburige hebben ondernomen, hebben tot nog toe
die op twee uren gaans van de grenzen of buiten de Franse geen resultaat opgeleverd; wij hebben geen persoon kunnen
Republiek zouden worden gepakt, zou dit de kogel vinden, die dit individu heeft gezien; wij hebben een
betekenen. De meiers, adjuncten, vrederechters en andere beloning van 100 francs uitgeloofd aan degene, die mij
ambtenaren, van wie kon worden bewezen, dat ze van het aanduidingen over de deserteur zou kunnen geven, en zelfs
verblijf van deserteurs in hun district op de hoogte waren als ik wegens deze desertie zou worden gearresteerd, kunnen
geweest maar dit niet hadden aangegeven, werden met een wij niet meer doen dan wij hebben gedaan”.
394
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 395
Bovendien had die inkwartiering een averechts effect, want opsporingspogingen te verlenen. Maar ook daar was de
de vader van de deserteur, een Waal uit het kanton Dalhem, gezochte niet gesignaleerd.
die meer dan vijftien jaar tevoren met zijn drie kinderen naar Op 16 december 1811 schreef Luijten aan de onderprefect
Geleen was gekomen, was een bedelaar. Derhalve kon hij aan van het arrondissement Maastricht [in het Frans]: ”Reeds
die garnisaire noch logies noch eten verschaffen, zodat de sedert meer dan een maand heeft de zending van de
onkosten van deze logeergast werden gedragen door de garnisaire voor de terugkeer van de deserteur Jean Guillaume
hoogst in de belasting aangeslagen inwoners, aan wie de Servais mijn zorgen onafgebroken beziggehouden, voort-
gemeente een schadevergoeding van vier francs per dag durend aangespoord om de lasten van deze gemeente, die
moest betalen. Luijten merkte daarbij op: ”Is dat niet aan mijn administratie is toevertrouwd, te verlichten.
pijnlijk”? Bijgevolg heb ik niet opgehouden te lopen en te doen lopen
Hij liet het er evenwel niet bij zitten. Op 10 december 1811 om het verblijf van de deserteur te achterhalen... Ik zou niet
verzocht hij de maires van Housse, Trembleur en Mortier weten meer te doen dan ik reeds heb gedaan, ik kan mij niet
- de Luikse streek van herkomst van het gezin Servais, waar inbeelden, dat hij in deze contreien is teruggekeerd” <FA nr.
nog verwanten woonden - om hun medewerking aan zijn 4475>.
Een Geleense familie Eussen bewaart deze originele, op papier Ver van huis aan ziekten overleden
in kleuren geschilderde, afbeelding (17 x 25½ cm) van Van de meeste hieronder te vermelden sterfgevallen in den
”Jacque(s) Louis Eussen, Carabinier 2e R(égi)ment, 7e conpag- vreemde werd de maire van Geleen door de militaire of
nie”. Op de achterkant staat: 19 SEPTEMBRIS 1806 burgerlijke overheid op de hoogte gesteld, zodat hij de
TRAJECTI COMPARUIT, d.w.z. hij ”compareerde” op 19 familieleden kon inlichten en hun overlijden in de Geleense
september 1806 te Maastricht. Hij was op 15 maart 1786 te registers kon aantekenen. De overige gevallen werden door
Voerendaal geboren en kwam op jeugdige leeftijd met zijn W. VAN BERGEN opgespoord.
ouders naar ”Genhoof” onder Spaubeek. Wegens verwonding Gerard Demacker uit Krawinkel (*12-5-1785), zoon van Jan
kwam hij op ziekteverlof naar huis; daar is hij op 20 oktober Demacker en C. Bemelmans, stierf op 26 mei 1808 te
1809 overleden <Foto G.H. Maassen>. Mostelès in Spanje <Bergen, 146>.
Peter Mathijs Cremers uit Krawinkel (*28-6-1788), zoon
van Jan Theodoor Cremers en C. Willen, was nog geen twee
maanden onder dienst, toen hij op 15 oktober 1808 bij zijn
regiment overleed <Bergen, 157>.
Jan Pieter Beaumont uit Lutterade (*8-12-1787), zoon van
Frans Beaumont en M. C. Lienaerts, overleed op 30 decem-
ber 1808 in het hospitaal van St.-Raphael te Bordeaux.
Jan Jacob Clermont uit Oud-Geleen (*19-10-1782), zoon
van Paul Clermont en M. G. Douveren, overleed op 6 maart
1809 in het ziekenhuis te Mainz aan koorts.
Volgens een inschrijving in het register van de burgerlijke
stand van Geleen werd Jan Jacob Lienaerts uit Krawinkel
(*7-5-1779), zoon van Jacob Lienaerts en A. M. Jacobs, op
6 maart 1809 in het hospitaal van St.-Jan te Burgos
opgenomen en overleed hij daar op 4 juni aan koorts. Dat
bericht werd evenwel pas op 12 oktober 1809 uit Metz naar
Geleen gestuurd <GAG, Bev. reg 1809, nr. 94. - Bergen, 127-129>.
Jan Michiel Klinckhamers uit Krawinkel (*14-3-1786), zoon
van Stas Klinckhamers en A. C. Smeets, werd op 5 augustus
1809 in het militaire hospitaal van Nikolsburg [thans
Mikulov in Slowakije] opgenomen, waar hij op 18 septem-
ber 1809 aan ”diarrhée chronique” [= buikloop] overleed.
Antoon Custers uit Krawinkel (*4-3-1784), zoon van Adam
Custers en A. E. Krekels, werd op 7 juli 1809 in het
hospitaal te Madrid opgenomen en overleed er op 21
september 1809 aan koorts.
Wouter Rutten uit Lutterade (*28-12-1789), zoon van Jan
Rutten en A. Willems, werd op 15 september 1810 in het
hospitaal te Oostende opgenomen, waar hij op 2 november
1810 aan koorts overleed.
395
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 396
Christiaan Bours uit Daniken (*1-4-1787), zoon van Michel Glaesmaekers uit Oud-Geleen (*19-10-1791), zoon
Cornelis Bours en M. H. Eijssen [niet Frissen], overleed op van Martin Glaesmaekers en M. E. Willems, werd op 14
7 februari 1811 te Tudela (Spanje) <Bergen, 195>. september 1813 in het ziekenhuis te Dresden opgenomen;
Jan Willems uit Krawinkel (*1791), zoon van Wouter daarna spoorloos <Bergen, 171>.
Willems en M. C. Feron, overleed op 19 juli 1811 in het
burgerlijk hospitaal te Besançon in Frankrijk. Gesneuveld, aan verwondingen overleden, verongelukt of
Gerard Haegmans uit Lutterade (*21-10-1786), zoon van verminkt
Toussaint Haegmans en P. Calleberg, werd op 13 augustus Jan Caspar Lienaerts uit Oud-Geleen (*21-10-1785), zoon
1810 in het ziekenhuis te Middelburg opgenomen en over- van Jan Lienaerts en M. E. Penris, die naar Verviers was
leed aldaar ruim een jaar later op 26 augustus 1811 <Bergen, verhuisd, overleed op 7 augustus 1808 in een veldlazaret aan
197>. een opgelopen verwonding.
Pieter Lemmens uit Krawinkel (*1788), zoon van Jan Jan Leonard Rohrbach uit Oud-Geleen (*29-1-1790), zoon
Lemmens en A. C. Mevis(sen), werd op 16 oktober 1812 in van Jacob Rohrbach en G. Boyens, verdronk op zaterdag 20
het militaire hospitaal te Middelburg opgenomen, waar hij augustus 1809 om 10 uur ’s morgens bij het afvaren van de
op 9 januari 1813 aan ”fièvre hectique” [= teringkoorts] Donau naar Wenen om zich bij zijn regiment te voegen. Dit
overleed. werd te Geleen pas ruim twee jaar later bekend.
Jan Arnold Gilson [of Schilson] uit Oud-Geleen (*17-2- Jan Hendrik Craenen uit Krawinkel (*20-1-1789), zoon van
1793), zoon van Jean Louis Gilson en M. C. Hennen, werd Pieter Craenen en J. C. Stevens, sneuvelde op 2 mei 1813 in
op 23 mei 1813 in het militaire hospitaal te Metz de slag bij Lützen.
opgenomen en overleed er op 3 juli 1813. Pierre Joseph Servais (*24-2-1784 te St.-Remy in het kanton
Pieter Mathijs Soons uit Krawinkel (*13-11-1793), zoon van Dalhem), zoon van Guillaume Servais en M. J. Beaussy of
Wouter Soons en A. E. Baggen, werd op 20 juli 1813 in het Bosij, was na het overlijden van zijn moeder met zijn familie
militaire hospitaal te Hamburg opgenomen en overleed er naar Geleen gekomen. Op 20 maart 1805 had hij zich te
op 1 augustus 1813. Maastricht vrijgeloot <GAG nr. 23>. Maar hij bood zich als
De wanordelijke terugtocht over de Beresina door het restant van het Franse leger op 25-29 november 1812. Een gedeelte van het
door koude, honger en aanvallen van kozakken reeds sterk geslonken leger wist aan de overkant van de rivier te geraken, maar een
groot aantal militairen verdronk in het ijskoude water, terwijl 13.000 manschappen er niet in slaagden de bruggen te bereiken en
ter plaatse doodvroren <Tekening door een onbekende ooggetuige, in Musée de l’Armée, Parijs>.
396
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 397
remplaçant aan voor Pierre Beaujean, bij wiens familie hij te Arnold Cortlever uit Daniken (*6-5-1792), zoon van
Hocht bij Lanaken in dienst was. Op 18 augustus 1812 is hij J. Cortlever en M. A. Kusters.
te Tudela in Spanje aan zijn verwondingen bezweken. Jan Dominic Dols uit Krawinkel (*6-3-1791), zoon van
Mathias Feijts uit Neerbeek (*1-3-1789), zoon van Martin J. Dols en M. C. Genders.
Feijts en A. M. Janssen, werd op 29 augustus 1813 in Jan Mathijs Donners uit Krawinkel (*8-7-1789), zoon van
Bohemen gewond en werd daags daarna in het ziekenhuis te W. Donners en J. S. Soons.
Dresden opgenomen; nadien spoorloos. Jan Michiel Glaesmaekers uit Krawinkel (*2-10-1789), zoon
Nicolaas Zelis uit Lutterade (*16-7-1792), zoon van Gerard van M. Glaesmaekers en J. Smeets.
Zelis en A. M. Kubben, is naar alle waarschijnlijkheid op 16 Jan Hermans uit Lutterade (*28-2-1785), zoon van Joanna
oktober 1813 in de slag bij Leipzig gesneuveld. Maria Hermans.
Jan Cremers uit Krawinkel (*29-12-1792), zoon van Jan Jan Michiel Janssen uit Lutterade (*1-5-1789), zoon van
Cremers en J. C. Weusten, verloor onder dienst zijn rechter- A. Janssen en M. E. Soons.
arm. Christiaan Joseph Keulers (*27-12-1789), zoon van
Jan Servaas Helgers van de hoeve Ten Eijsden (*22-5-1787), P. M. Keulers en M. C. Lahaye en kleinzoon van de muni-
zoon van Renier Helgers en M. I. Martens, behoorde tot de cipale agent Lambert Keulers.
lichting 1807, diende bij de jagers te paard, waarbij hij ”in Jan Michiel Klinckhaemers uit Lutterade (*20-3-1786),
franschen dienst is worden verminkt”, en keerde in 1810 zoon van W. Klinckhaemers en E. Calleberg.
naar huis terug <Bergen, 143, 153, 161, 162, 174, 176, 180 en 198>. Jan Andries Leunissen uit Krawinkel (*7-12-1784), zoon
van W. Leunissen en M. C. Wierts.
In Spanje of Rusland vermist Jan Arnold Soons uit Lutterade (*19-10-1789), zoon van
De twee grootste onheilen, die de Franse legers troffen, A. Soons en E. Custers.
waren de mislukte campagne in Spanje en Portugal (1807- Hendrik Willems uit Oud-Geleen (*28-12-1787), zoon van
1814) en de Russische veldtocht met de rampzalige vlucht L. Willems en M. C. Joerissen.
uit de hoofdstad Moskou (1812). Tezamen hebben zij een Stas Willems (*17-10-1791), broer van de vorige.
opvallend groot aantal Geleense jongemannen het leven Welter Willems uit Krawinkel (*29-9-1786), zoon van
gekost. Hier volgt een lijst volgens W. VAN BERGEN, die W. Willems en M. C. Feron <Bergen, 144-196>.
echter niet volledig is:
Mathijs Bruls uit Neerbeek (*6-2-1791), zoon van A. Bruls Een soldatenbrief uit Spanje
en M. I. Sassen. In menig Geleens gezin moeten lange tijd brieven bewaard
Jan Lambert Coenen uit Lutterade (*3-11-1784), zoon van zijn gebleven, die door in de Franse legers dienende zonen
M. Coenen en M. C. Baggen. en/of broers naar huis waren gestuurd. Ook uit naburige
Franse infanterie onder maarschalk Ney in actie in Spanje en Portugal <Tekening door Louis de Beaufort in Lachouque, 118>.
397
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 398
plaatsen en streken zijn zulke brieven bekend. In een bundel aan hij tevens een eigen nota ter verklaring toevoegde.
van niet minder dan 317 ”Vlaamse soldatenbrieven uit de In die Franse brief liet vader Pieter Boyens weten, dat hij met
Napoleontische tijd” <Bakel> komt de ellende en het een waarlijk verontrustende ontsteltenis [”une consternation
schrijnende leed tot uiting van de arme jongens, die zo lang vraiement alarmante”] had kennisgenomen van de
en zo ver van huis aan het harde soldatenleven werden beschuldiging, dat zijn zoon op 3 mei 1810 uit zijn regiment
onderworpen en aan zoveel gevaren waren blootgesteld. zou zijn gedeserteerd. De eer van zijn zoon en de vrees dat
Diezelfde aspecten spreken ook uit de veertien brieven, die diens vervolging tegen hemzelf zou kunnen worden gekeerd,
Frans Joseph Limpens alias Ritzen uit Hommert van 1808 verplichtten hem om de op 28 juli 1810, m.a.w. drie
tot 1812 naar zijn moeder stuurde en waarvan er dertien maanden na de vermeende desertie, door zijn zoon te
door een Geleense familie worden bewaard <JHS 1989, 17-37>. Rodrigo in Spanje eigenhandig geschreven brief als bewijs-
Een andere Geleense familie bewaart de brieven die Jan stuk voor te leggen. Daaruit bleek dat zijn afwezigheid bij
Driessen van Stein in 1799 uit Frankrijk naar huis stuurde zijn vroeger regiment niet aan enige desertie maar veeleer aan
<LimTsGen 81-114/115>. een promotie was toe te schrijven. Derhalve verzocht hij de
De enige mij bekende brief van een Geleens soldaat die onderprefect om niet alleen navraag naar het lot van zijn
bewaard bleef - en waarin geen enkele klacht tegen de leger- zoon te blijven doen maar ook de vervolging wegens de
dienst werd geuit - bevindt zich in het rijksarchief te Maas- vermeende desertie op te schorten en aldus de ondergang
tricht <FA nr. 4475>. Hij werd reeds tweemaal [in verschillende van een familievader te voorkomen en de eer van zijn zoon
versies] gepubliceerd <Grauwels 1964, 172-174. - Bergen, 149-150>. te redden. Tot slot verklaarde hij dat die zoon een militair
Daar de originele tekst niet gemakkelijk leest, zal de inhoud was, die er altijd trots op was geweest als een dapper soldaat
hieronder in hedendaags Nederlands worden weergegeven. te dienen: ”un militair, qui toujours se fit gloire de marcher
Maar eerst dient de briefschrijver nader te worden geïdenti- sur les traces d’un brave soldat”.
ficeerd en de omstandigheid waardoor die brief in het archief De tekst van de brief, die Hubert Boyens 28 juli 1810 naar
terechtkwam, te worden uiteengezet. huis had geschreven, kan in hedendaags Nederlands als volgt
Hubert Jan Hendrik Boyens (*17-4-1786) - roepnaam worden weergegeven: ”Zeer beminde vader en moeder,
Hubert - wiens ouderlijk huis aan het beekje in de Daalstraat zusters en broers. Ik ben genoodzaakt van U te schrijven in
lag, was het vierde kind en de oudste zoon van Pieter Boyens welke staat ik verkeer. Ik ben, God zij lof en dank, frisch en
en Anna Mevis(sen); na hem zou het gezin met nog twee gezond en zeer wel te pas. Ik hoop dat U in dezelve staat van
jongens en twee meisjes worden uitgebreid. Hij was ruim gezondheid verkeert. Ik heb Uw brief op 25 mei met zeer
acht jaar oud, toen de eerste Fransen in Geleen verschenen grote blijdschap ontvangen. Ik dank U honderdduizendmaal
en zijn moeder dwongen hen 22 Franse kronen te geven. Hij voor Uw goedheid om mij drie Carlinen [munten] te willen
behoorde tot de lichting van het jaar 1806 en werd op de sturen, maar ik kan ze niet opstrijken, omdat de wijze waar-
reservelijst geplaatst. Desondanks werd geregeld, dat hij door op U ze hebt gestuurd, niet meer geldig is. Informeer nog
Theodoor Beaumont (*12-3-1779) van Oud-Geleen zou maar eens; mijn overste zal U in het Frans schrijven hoe U
worden vervangen. Die regeling schijnt echter niet naar dat [geld] moet sturen.
verwachting te zijn verlopen, want de remplaçant trad op 3 Ook laat ik U weten, dat ik niet meer bij het regiment ben.
mei 1797 te Meerssen in het huwelijk <Bergen, 126>. Dit Ik ben als ordonnans bij een commandant; daar ben ik zeer
verklaart wellicht het feit, dat H. J. H. Boyens een maand wel. Maar ik heb mijn soldatenkleren nog en ook mijn
eerder een verzoek indiende om alsnog in het Franse leger te paard. Mijn overste is niet bij enig regiment, hij is adjudant
mogen dienen. bij een generaal, waar ik het zeer wel bij heb. En verder het
Aanvankelijk werd hij bij het reserveleger ingedeeld, maar op nieuws van Spanje; de oorlog, die daar aan de gang is, is zeer
12 maart 1808 werd hij naar het 26ste regiment jagers te zwaar en er neemt een groot aantal militairen aan deel, nl.
paard overgeplaatst, waarna hij met dit regiment naar Spanje Fransen en Spanjaarden, Portugezen en Engelsen met grote
werd gezonden. Op 3 mei 1810 schijnt hij in een hospitaal macht. Maar zij kunnen tegen de Fransen niets uitrichten,
te zijn opgenomen. Rond die tijd werd hij als afwezig van want de Fransen marcheren waar zij willen. Wij trekken
zijn regiment gemeld. Het zou evenwel nog anderhalf jaar regelrecht op Portugal aan.
duren alvorens er van die [vermeende] desertie werk zou Zeer beminde vader en moeder, broers en zusters en familie,
worden gemaakt. Op 7 december 1811 werd zijn signale- ik vraag U allen om moed te houden; wat geld betreft, dat
ment aan de gendarmerie doorgegeven en ’s anderendaags heb ik niet en ik vraag er niet om. Wilt U het mij sturen, dan
werd dit ook aan de maire van Geleen gezonden. Toen Pieter kunt U dat doen; maar ik laat het aan U over. Bij mijn
Boyens, de vader van de gezochte, door de maire van de overste heb ik goede kost en kleren. Aan het einde van mijn
situatie op de hoogte werd gebracht, toonde hij hem de brief, brief kunt U in het Frans lezen hoe U een brief aan mij moet
die zijn zoon op 28 juli 1810 uit Rodrigo in Spanje naar huis adresseren; ook vindt U daar het antwoordadres in het Frans.
had gestuurd. Daarop hielp de maire de vader van de Nu breek ik af met de pen maar niet met het hart. Nog
”vermiste” op 20 december 1811 een brief aan de onder- honderdduizend groeten aan vader en moeder, broers en
prefect van het arrondissement Maastricht opstellen, waar- zusters en mijn ganse familie en kameraden en in Maastricht
398
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 399
Jan Boy(ens ?). En veel geluk aan Maria Christina Boyens en van een geboren en getogen Gelener, maar deed hij ”aan de
Hendrik Baggen wegens hun huwelijk (∞ 27-11-1809) en namen eenige veranderingen ondergaan”. Langdurige
groeten en gelukwensen aan Gerard Vleugels en Ida pogingen om de in zijn verhaal genoemde hoofdpersonen
Hermans. Ik verblijf Uw zeer beminde zoon met alle groeten aan de hand van de door hem opgegeven feiten en jaartallen
Jan Hendrik Boyens.” te identificeren bleven echter vruchteloos. Derhalve dringt
Aan het einde is met een andere hand in het Frans opgegeven zich de conclusie op, dat onder de hand van die schrijver ook
hoe het bedrag van twee Louis diende te worden over- sommige feiten ”eenige veranderingen ondergaan” hebben
gemaakt en wordt tevens het adres vermeld om brieven te en dat hij in dit werk al even weinig respect voor de
sturen. Daaruit blijkt, dat Hubert Boyens als ordonnans historische waarheid heeft getoond als hij in zijn boek over
diende bij commandant Lagé, adjudant bij graaf Louis de ”bokkenrijders” aan de dag legde <Ecrevisse 1845>. De Gelener,
Henri Loison <FA nr. 4475>, welke laatste als generaal een die hem zijn aantekeningen had afgestaan, herkende trouwens
divisie aanvoerde van het zesde [Franse] Corps Armée de bij het lezen van het manuscript van ECREVISSE ”zijn eigen
Portugal, dat onder maarschalk Ney stond. denkbeelden niet meer weder”. Al zal bij menig detail van
Op 8 september 1810 stuurde Pieter Boyens het bedrag van zijn verhaal wel de nodige reserve in acht moeten worden
twee Louis via het postkantoor te Maastricht aan zijn zoon genomen, toch lijkt de kern daarvan, nl. het deserteren en
Hubert. Het is evenwel een vraag of die dat geld ooit heeft onderduiken van een Geleense dienstplichtige, voldoende
ontvangen, want de divisie van Loison leed kort daarop geloofwaardig om hier in korte trekken te worden weer-
zware verliezen; zo verloor zij op 27 september 1810, bij de gegeven.
vergeefse bestorming van het op een hoogte gelegen Bussaco, Omdat Hendrik Tummers (pseudoniem) in 1809 bij het
4.500 man, onder wie vijf generaals <Glover 1974, 134-139>. Tot loten een hoog nummer had getrokken, had hij verwacht
aan hun dood - zijn moeder stierf op 24 mei 1825; zijn vader vrijstelling van de legerdienst te verkrijgen. Desondanks
overleed op 22 december 1826 - hebben de ouders tevergeefs werd hij eind 1808 of begin 1809 opgeroepen en bij het
op enig verder levensteken van hun zoon Hubert gewacht. eerste eskadron van het derde regiment dragonders ingedeeld.
In maart of april 1809 schreef hij brieven uit Regensburg
De gedeserteerde broer van een Geleens ”Meilief” (D.) en Esslingen (D.); kort daarop nam hij aan de slag van
Hier mag het verhaal van een Geleense deserteur niet Wagram (O.) deel. Na enige tijd in Colmar (Fr.) te zijn
ontbreken, dat P. ECREVISSE ons heeft nagelaten <Ecrevisse gelegerd, begaf zijn regiment zich op weg naar Rusland.
1858>.Volgens zijn zeggen baseerde hij zich op aantekeningen Begin 1812 was hij te Mainz (D.), daarna te Dresden (D.)
De slag bij Bussaco (Portugal) op 27 september 1810, waarbij de Franse troepen (rechts) een verpletterende nederlaag leden <Tekening
door majoor Saint-Clair in Lachouque, 105>.
399
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 400
en vervolgens te Wilna of Vilnius (P.). Tijdens een veldslag Frontispice van de eerste uitgave van ”Het Meilief van Geleen”
bij Ostrowno of Ostrovec (R.) werd zijn paard onder hem door Ecrevisse te Gent in 1858. Dit tafereel stelt een bezoek voor
uitgeschoten, waarna hijzelf op de grond bleef liggen en zich van de Geleense Barbara Tummers (pseudoniem) aan haar uit
voor dood hield. Gedurende de daaropvolgende nacht het Franse leger gedeserteerde broer Hendrik (pseudoniem), die
verwisselde hij zijn uniform voor een boerenplunje, die hij zich in de grotten van Valkenburg schuilhoudt.
opgevouwen achter zijn zadel had meegebracht en begaf hij
zich op pad. De steden vermijdend en slechts bij de te zijn geweest <Bergen, 137 en 166>. Volgens een familie-
schamelste woningen om voedsel [tegen betaling] aan- overlevering was Jan Hendrik Penris van Lutterade, die op
kloppend trok hij gedurende een paar maanden door 28 september 1876 overleed, met verschillende kameraden
Rusland, Polen en Duitsland om in de nacht van 31 augus- uit Rusland gevlucht. Zij verplaatsten zich alleen ’s nachts
tus op 1 september 1812 op het slaapkamervenster van zijn - zich op de noordster oriënterend - terwijl zij zich onderweg
zuster Barbara in Geleen te kloppen. met ”moeren” [= wortelen] van het veld voedden.
Daar hij zich noch in het openbaar durfde vertonen noch in Al zal waarschijnlijk menigeen de negatieve zijden van zijn
de ouderlijke woning wenste te blijven, besloot hij zich in de diensttijd hebben benadrukt, toch blijkt uit verscheidene
mergelgroeven te Valkenburg te verschuilen. Voorzien van bronnen, dat veel veteranen van Napoleon hun leven lang de
een lantaarn en kost voor acht dagen begaf hij zich een paar grootste verering voor de keizer bewaarden. Omgekeerd
dagen later - vergezeld van zijn zus - in de late avond naar werden niet alle veteranen in de steek gelaten. Zo ontving
Valkenburg. Daar bracht hij de volgende vijftien maanden Jan Joseph Dormans van Lutterade (*21-4-1788) een jaar-
door, terwijl zijn zus hem om de zeven tot tien dagen aller- lijks pensioen van 45 gulden en kreeg Jan Servaas Helgers
lei benodigdheden kwam brengen. Vlak na Kerstmis 1813 (*22-5-1787) van de hoeve Ten Eijsden wegens zijn
keerde hij naar huis terug. Dit verhaal wint aan geloof- ”verminking in franschen dienst” een jaarlijks pensioen van
waardigheid als men bedenkt, dat die grotten ook aan 71 gulden toegekend. Ook diens broer Jan Jacob Helgers
menige andere onderduiker een veilig toevluchtsoord (*17-8-1789) werd in 1832 ”gepensioneerd militair”
verschaften en zelfs pastoor Voncken van Geleen daar tijdens genoemd <Bergen, 153, 158 en 197>.
de geloofsvervolging zijn priesterlijke functies had uit- Een kleine groep van in 1858 nog levende oudgedienden
geoefend. ontving de St.-Helenamedaille. Onder druk van de toen nog
Volgens ECREVISSE zou de deserteur zich daarna bij het
Nederlandse leger hebben gevoegd en onder de prins van
Oranje aan de slag bij Waterloo hebben deelgenomen. Van
de bij die gevechten opgelopen verwondingen zou hij
aanvankelijk zijn genezen, maar zeventien jaar later, in 1832,
zou hij ten gevolge van ”de heropening zijner wonden” zijn
overleden.
Herinneringen, verhalen, pensioenen en medailles
De ongeveer 75 Geleners die uit de Franse krijgsdienst naar
Geleen terugkeerden, hebben vele jaren lang over hun
ervaringen verteld. Zelfs in mijn jeugd te Oud-Geleen waren
zulke verhalen, die door verscheidene generaties waren
voortverteld, nog in omloop. Zo noemde mijn grootmoeder
(*1844) een Cortlever van Daniken, die zij nog had gekend,
en bewaarde Sjang Baggen van de Peschstraat (*1860) twee
pistolen, die een van zijn voorvaders uit de Franse dienst zou
hebben meegebracht.
Later vernam ik dergelijke verhalen ook te Lutterade en te
Krawinkel. Zo zou Christiaan Caldenberg (*5-4-1790), die
niet minder dan acht jaren als kanonnier zou hebben
gediend, aan de Russische veldtocht een bevroren duim
hebben overgehouden en zou Anton Lienaerts (*10-6-
1782), wiens ouderlijk huis later van Krawinkel naar het
openluchtmuseum te Arnhem werd overgebracht, eveneens
aan de Russische veldtocht hebben deelgenomen. Doch
Anton Lienaerts blijkt helemaal niet gediend te hebben,
terwijl Christiaan Caldenberg wel bij de artillerie diende,
maar pas in 1809 werd opgeroepen en niet in Rusland blijkt
400