geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 301
Een eeuwenoud beeld van Sint-Eloy in de kerk van Oud-Geleen. Bovendien komen niet alleen op die twee feestdagen maar
De originele attributen, nl. een bisschopsstaf en een hamer, zijn ook op andere dagen van het jaar veel personen, die met
blijkbaar verloren gegaan <Foto M. Verjans>. zweren bedekt zijn, ”wegkwijnen” of last van ”konings-
z(w)eer” hebben [plurimi ulcerosi, languentes, infecti ulcere
Heimbach schrijft op 23 september 1745, dat beide feest- regio vulgo Koningsieck] de voorspraak van de H. Eligius te
dagen sinds onheuglijke tijd [ab immemoriali tempore] te Geleen inroepen. Hier wordt met opzet ”koningsz(w)eer”
Geleen worden gevierd en dat er dan een grote volkstoeloop geschreven, omdat in de Latijnse tekst wel ulcere regio
[magnus populi accursus] plaatsheeft. Dan worden o.a. de [= koningszweer] staat, maar met ”Koningsieck” eigenlijk
paarden volgens een speciale gebedsformule tegen ”het ”koningszeer” [een soort kropgezwel] wordt bedoeld
rijden van de maar” en andere kwalen [contra phrenesim et <TsHKVGel 1984, nr. 2, 114>.Volgens die pastoor valt hun op de
alia mala] gezegend. Ook vermeldt hij een vexillum [= vaan- voorspraak van de H. Eligius en door het gebruik van - met
tje of prentje], dat traditiegetrouw in de kerk aan de ver- een traditionele gebedsformule gezegend - water en brood
eerders van die heilige wordt geschonken. een heilzame genezing te beurt [salutaris medela obvenit].
Tevens tekent Heimbach aan, dat hij wegens de ontzaglijke
toeloop van mensen [ob ingentem populi accursum] tweemaal
per jaar, nl. op 25 juni en 1 december, niet alleen door zijn
eigen confraters, die de zielzorg met hem delen, maar ook
door paters capucijnen wordt geassisteerd <BAR>. Uit een
andere bron weten wij, dat op beide dagen - evenals op het
feest van de patroonheiligen [2 juni] - paters capucijnen uit
Maaseik in de kerk van Geleen zijn komen preken <HistOpst,
290>.
Voor zijn beschrijving van de viering van ”Sint-Eloa” te
Oud-Geleen in de voorafgaande eeuwen baseerde J. RUSSEL
zich vermoedelijk op de viering van dat feest in zijn eigen
tijd, d.w.z. in de negentiende eeuw. Hij schreef daarover:
”Geheel het dorp vierde dezen kerkpatroon met grooten
luister. Dan was de kerk op het schoonst versierd en alle
naburige geestelijken waren op dien dag de gasten van de
eerbiedwaardigen pastoor... van alle kanten waren vreemden
naar het dorp gestroomd, om hetzij gunsten van den
Heiligen af te smeeken, of een bezoek aan familie of
vrienden te brengen. Voor het Kerkhof, aan de zoogenaam-
de ’Kerkhal’, hadden zich honderde menschen om de aldaar
geplaatste winkeltjes geschaard. De kerk was zoo opgepropt
vol, dat de bezoekers de uitgaande verbeiden moesten om de
heilige diensten te kunnen bijwonen. Meerdere missen
hadden zich van ten zes ure ’s morgens opgevolgd, en de
hoogmis ging beginnen...” <Russel 1863-78, 45>. Boyens ”met de
baard” van Sweikhuizen (1865-1953) verzekerde mij:
”Alleen al door de van elders naar Geleen gekomen smeden
waren op die dag de kerk en de cafés druk bezet.” In 1852
werd een jaarmarkt ter ere van de Sint-Eloa opgericht. Dit
gaf aan de traditionele viering nog een extra dimensie.
Iemand anders voor het eigen welzijn ter bedevaart sturen
Tenslotte mag ook het gebruik niet onvermeld blijven van
door iemand anders een ”boote” [= boete] voor het eigen
welzijn te laten doen. Het gebeurde herhaaldelijk, dat
iemand, die wegens het huishouden of het bedrijf niet in de
gelegenheid was een bedevaart te ondernemen, tegen
vergoeding een ”boote” [= boete] in de vorm van een pelgri-
mage door iemand anders liet doen. Een ”boote” bestond uit
een serie gebeden, bepaalde opofferingen en/of ter bedevaart
gaan in de plaats en ten behoeve van degene, die had betaald.
301
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 302
Volgens de plaatselijke overlevering kwamen daarvoor vooral
kluizenaars in aanmerking; dezen moesten niet alleen van
aalmoezen leven maar trokken ook geregeld naar Kevelaer en
andere bedevaartsoorden <Kluis, 38-39>.
Een document van 29 augustus 1753 leert ons evenwel een
verrassend voorval kennen. Daarin is sprake van een zekere
”Arnold Pott, sijnde een bedelaer, en die veel ter bidvaart
naar Ardennen voor den eenen ende anderen gaet, wesende
sijne woonplaetse te Ophoven [bij Sittard] int midden van
den dorp”. Dat kwam hierop neer, dat genoemde Pott tegen
betaling voor anderen een ”bèèwèèg” naar het graf van de
H. Hubertus ondernam.
Dit geval is verrassend, omdat die persoon ervan werd
beschuldigd in het najaar van 1742 als bokkenrijder aan de
beroving van twee winkels in Sittard te hebben deelgenomen
<Ramaekers, 28>. Omdat in het Land van Gulik de justitie
minder streng tegen de bokkenrijders optrad dan in het
aangrenzend Oostenrijkse gedeelte van het Land van
Valkenburg het geval was, ontkwam Pott aan de strop.
Misschien is hij toen tot eigen intentie naar Saint-Hubert in
de Ardennen getrokken om er - zonder vergoeding - voor het
eigen lijfsbehoud te bidden. Zo’n ”boetetocht” was trouwens
reeds als zodanig een goede uitwijkmanoeuvre <GelEeuw II, 65>.
Devotionalia Vier Driekoningenprentjes. Het bovenste, gescheurde exemplaar
met Duitse tekst is afkomstig uit een balk boven een veestal te
Gewoonlijk brachten pelgrims van hun bedevaarten devo- Genhoes (Sint-Jansgeleen). Daaronder het andere prentje met
tionalia, zoals vaantjes, prentjes, medailles e.d., mee naar Duitse tekst en het prentje met Italiaanse tekst. Ze zijn afkom-
huis om die ofwel op hun lijf of in de kleren te dragen ofwel stig van de Geleense familie Soons en thans in het bezit van de
in hun woningen of stallen te plaatsen. Sommige van deze familie Heiligers. Het onderste uit een naburige plaats afkom-
waren bezweringsformules, die louter dienden als afweer- stige (linnen) prentje met Latijnse en Franse teksten is in het
middelen tegen kwade invloeden; zij geven de indruk uit een bezit van de schrijver.
combinatie van geloof en bijgeloof te zijn voortgekomen.
Andere devotionalia waren veeleer zegenformules voor het Loyson ter bedevaart naar Keulen trok om er de voorspraak
afsmeken van bovennatuurlijke hulp om - ”indien het zalig van de HH. Driekoningen voor het welzijn van zijn familie
is” - een stoffelijke of geestelijke gunst te verkrijgen en van en voor het behoud van have en goed te vragen, en na zijn
onheilen gespaard te blijven. Een aantal devotionalia, die thuiskomst die prentjes in holten in balken boven de koei-
Geleners van vroegere generaties van hun pelgrimstochten en- en paardenstallen plaatste. Daar die holten met plankjes
meebrachten, is bewaard gebleven. waren bedekt, bleven die prentjes tot in onze tijd verborgen.
Het plaatsen van die prentjes in de veestallen kan mijns
Prentjes van de HH. Driekoningen inziens niet worden gescheiden van de boven de staldeuren
In 1936/37 werden in balkholten boven de veestallen van
Genhoes te Sint-Jansgeleen zogenaamde Driekoningen-
prentjes gevonden; ze werden teruggeplaatst en in 1972 weer
voor de dag gehaald. Dit waren prentjes met een afbeelding
van de stad Keulen en daarboven de HH. Driekoningen. In
de begeleidende tekst wordt verklaard, dat ze aan de
[veronderstelde] relieken van die heiligen waren aan-
gestreken en dat zij bescherming zouden bieden ”für alle
Reisgefahren, Hauptweh, fallende Krankheyt, Fieber,
Zauberey und jähen Todt, durch einen festen Glauben”.
Uit erbij gevoegde met de hand beschreven blaadjes viel af te
leiden, dat die devotionalia in de loop van de achttiende
eeuw in die holten waren geplaatst. Een voor de hand
liggende verklaring is, dat een lid van de halfersfamilie
302
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 303
van Genhoes aangebrachte witte kruisen. In het kerkelijk
ritueel werd de zegening van stallen met de HH.
Driekoningen in verband gebracht en in de volksdevotie
werden de, tezamen met kruisen, aangebrachte letters C M
B - initialen van Christus Mansionem Benedicat [= ”Christus
zegene dit huis”] - beschouwd als de initialen van Caspar,
Melchior en Balthasar, de traditionele namen van de
HH. Driekoningen. Om die reden mogen wij aannemen dat
zowel die prentjes als die kruisen met in de achttiende eeuw
herhaaldelijk voorkomende epidemieën onder het vee in
verband stonden <St.Jansgel, 203-214>.
De familie F. Heiligers in de Eindstraat bewaart een vrij
groot aantal achttiende-eeuwse devotionalia, die van voor-
ouders uit de Oud-Geleense familie Soons afkomstig zijn.
Daaronder bevinden zich ook een paar Driekoningen-
prentjes. Maar de meeste zijn van andere aard; ook zij lijken
de moeite waard om hier te worden besproken. Door de
vriendelijke bemiddeling van drs. P. Boselie werden mij foto-
kopieën van al die prentjes ter beschikking gesteld, terwijl de
heer F. Heiligers nadere inlichtingen over hun herkomst ver-
schafte.
De zogenaamde Zachariaskruisen tegen de pest Drie Zachariaskruisen <Afkomstig van de Geleense familie Soons, in bezit van
Op sommige prentjes staat een Zachariaskruis, d.w.z. een de familie Heiligers>.
Lotharings kruis met twee dwarsbalken, omgeven met in
ovale medaillons geplaatste heiligen of figuren. Zij komen in ich eifre für dein Haus”; †: ”Das Kreuz siegt, das Kreuz
een groot formaat en twee kleinere formaten voor; deze gebietet”; D: ”Durch das Zeichen des Kreuzes befreie mich
laatste zijn ten dele elkaars spiegelbeelden. Bij de kleinere von dieser Seuche, o mein Gott. Vertreibe von mir und von
staan in de bovenhoeken de hoofden van [vermoedelijk] de diesem Orte die Seuche und befreie mich”; I: ”In deine
H. Petrus van Alacantara en de H. Joannes Nepomuk. Hände empfehle ich, o Herr, meinen Geist, mein Herz und
Onderaan staan aan de ene kant de H. Rochus en aan de meinen Leib” <HKSK 1952, 57-58>. Op het kruis van groot
andere de met pijlen doorschoten H. Sebastianus. Onder elk formaat staan 75 - door kruisjes onderbroken - beginletters
van beiden, speciale patronen tegen de pest, staat Contra van diverse zegens in het Latijn <Knippenberg, 113>.
Pestem [= ”Tegen de pest”]. In het midden van het kruis staat
een piëta in een stralenkrans, en op sommige prentjes staat Etuitjes met opgevouwen prentjes
daaromheen: S. Maria ora pro nobis. Amen. In menig geval werden prentjes aan elkaar bevestigd, die dan
Het prentje van groter formaat is drukker bezet. Het bevat werden gevouwen en in etuitjes werden geborgen. De meest
afbeeldingen van de HH. Petrus, Paulus, Joseph, Christoffel, frequent daarop afgebeelde heiligen waren: O.-L.-Vrouw,
Benedictus, Joannes Nepomuk, Martinus en Scholastica en
twee engelen. Op de onderste kruising staat een afbeelding
van O.-L.-Vrouw met daaromheen de tekst: ”DAS WUNDER-
HETIGE GNAD(EN)BILD BEI D(EN) URSULINERIN(NEN) IN
LA(NDSHUT)” [te Wenen, Oostenrijk]. Bovenaan staat een
[niet zonder drukfouten weergegeven] Latijnse smeekbede
om van de pestdood gespaard te blijven, terwijl men onder-
aan leest: Contre Maleficia. Contra Ignem, Pestem et
Tempestates [= ”Tegen kwaadaardige invloeden (d.w.z. tover-
ij). Tegen vuur, pest en hevig onweer”].
Het merkwaardigste van al die prentjes is, dat zowel de stam
als de dwarsbalken van dit kruis vol hoofdletters staan, die
tezamen geen woorden vormen maar de aanvangslettters zijn
van allerlei zegens. Zo staan op de prentjes van klein formaat
op de linker bovenbalk de beginletters van een oude huis-
zegen in het Duits: ”Z † D I”. Dit dient aldus te worden
geïnterpreteerd: Z: ”Zu mir komme Erlösung von dir, weil
303
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 304
Negen heiligenprentjes, die Zowel omdat op die prentjes zoveel franciscaanse heiligen
- aan elkaar gehecht en in voorkomen alsook door een onderlinge vergelijking van de
etuitjes geborgen - in de diverse zegenformulieren - waarover diverse Duitse publi-
kleding werden meegedragen caties bestaan - kwam genoemde auteur tot de conclusie, dat
ze vooral verspreid werden door franciscaanse minder-
<Afkomstig van de Geleense familie broeders uit West-Beieren. Augsburg was eeuwenlang een
van de voornaamste centra van de prentjesindustrie in
Soons, in bezit van de familie Duitsland. Deze prentjes werden op diverse bedevaart-
plaatsen verkocht. Soms werden ze op clandestiene wijze
Heiligers>. gekopieerd uit publicaties van kloosterlingen; dit verklaart
de lees- of drukfouten in sommige Latijnse teksten
Franciscus van Assissi, Antonius van Padua, Franciscus <Knippenberg, 105-113>.
Solanus, Ignatius van Loyola, Franciscus Xaverius, Petrus van
Alacantara, Jacobus van Marche, Joannes Nepomuk. Onder Uit de huishoudelijke apotheek en verbandtrommel
de prentjes in zo’n etuitje bevond zich doorgaans ook een
Zachariaskruis. Tevens zijn er prentjes met Jezus gebonden Daar niet elke aanroeping van God en Zijn heiligen op
aan een geselkolom. W. KNIPPENBERG bracht deze laatste in merkbare wijze verhoord werd, bleef een grote behoefte aan
verband met de bedevaartskerk te Wies in Beieren (D.). medische hulp en aan medicijnen bestaan. Maar men
wendde zich daartoe niet steeds tot degenen, die hiervoor
een beroepsopleiding hadden genoten. Zo noteerde Jan
Mathijs Zelis [tot 1801 graanmulder te Daniken, in welk
jaar hij naar Sint-Jansgeleen verhuisde] wel dat hij in 1800
twee gulden en tien stuiver aan ”den docktoor” en een
304
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 305
Sint-Agathaprentje. De Latijnse tekst luidt: Mentem Sanctam ”eenen die de tant pin kan verdriven met namen Joannes
Spontaneam honorem Deo et Patriae Liberationem. Ignes a Oedekirken”.
Lesura Protege nos Agatha Pia, d.w.z. ”Een heilige geestes- Ook noteerde Claessens allerlei procedures ”om bloet te
gesteldheid, spontane eer aan God en bevrijding van het vader- stempen” [= stelpen], ”om gicht [= jicht] te verdrijven”,
land (of de vaderstad). Bescherm ons tegen schade door het vuur, ”tegens het pl(e)urus”, ”tegens geswollen hals”, ”om geswollen
vrome Agatha” <Afkomstig van de Geleense familie Soons, in bezit van de fami- knieen te doen sincken”, ”om het colijck te genesen”, ”om
lie Heiligers>. Bij een uitbarsting van de vulkaan Etna op Sicilië gesneden off verse wonden gau heel te maecken”, ”om sweren
zou de H. Agatha de stad Catania hebben beschermd uijt te doen breeken”, ”om de luijsen te dooden op U(w)
<Knippenberg, 111-112>. hooft of andersints”, ”voor kinderen, die wormen hebben”,
”tegens klein wormkens in de aersdarm” e.d.
gulden en tien stuiver aan de voorgeschreven medicijnen had Voor het genezen van een ”breuk” raadde hij aan om een
uitgegeven, maar daarnaast tekende hij ook aan dat hij in bruine dikke slak levend in een doekje te rollen, op de zere
1799 en 1802 telkens een gulden had betaald aan de plek te leggen en ”fast daerop aengebonden met eenen
”veltscheerder” [= Franse legerbarbier?] voor ”aederlaten”, langen windel laetse 24 uijren liggen”. Volgens hem zou dit
d.w.z. het onttrekken van een vrij aanzienlijke hoeveelheid wel toereikend zijn. ”Doch soo U dunckt dat ’t niet heijl
bloed uit een aan de oppervlakte liggende ader. Die soude sijn, soo krigt noch een [slak] en doet het als voor”.
procedure werd eeuwenlang toegepast ter [vermeende] Hij voegde daaraan toe: ”dese remedie is heel deck [= dik-
bevordering van de gezondheid. wijls] geprobeert en hebben hun heel wel daerbij bevonden”.
Gezien de grote onkunde omtrent de ware aard van ziekten Sommige remedies, die in een notitieboekje van de familie
en het nog vrij primitieve niveau der geneeskunde is het niet Hoedemakers als ”probatum”, d.w.z. efficiënt gebleken,
verwonderlijk, dat de Geleners in vroeger eeuwen op alle werden aanbevolen, grensden evenwel aan het bizarre en
mogelijke en onmogelijke manieren probeerden ziekten, zelfs aan het macabere. Zo staat er het volgende recept tegen
wonden of aandoeningen te genezen en/of de daardoor ”graevel” of niersteen: ”perts [= paarde] dreck in brandewijn
veroorzaakte pijnen te verzachten. Ook werden onderling te weijcken [= weken] gesat ende doer eenen doock [= doek]
allerlei ”remedies” uitgewisseld. Zo vond ik in een [in 1732 geseghen [= gezeefd] ende daer van het savens [= ’s avonds]
gedrukt] gebedenboek, dat het eigendom van een Gelener ende het smorgens gedroncken”. Tegen dysenterie werd
was geweest, een los papiertje met een ”remedie tegen de aanbevolen: ”Ne(e)mt een verckens stront van een vercken
colera”. dat meel it [= eet], en dro(o)ght hem op het vijer [= vuur]
Sommige remedies werden uit alledaagse ingrediënten ende pulversiert [= maakt tot poeier] ende syeft [= zeeft]
bereid. In een notitieboekje van Jan Lambert Hoedemakers hem, geeft den krancken dan met lau [= lauw] bier in”. Een
uit Lutterade [in het bezit van de schrijver] staan recepten recept tegen wormen was nog minder appetijtelijk, want dat
”voor [= tegen] tant pin”. Zij bevatten vooral brandewijn, werd ”uit het vet van een dood mens” bereid <HJLvZ 1993, 145;
peper en uien; het ”pupken” [= propje] met die ingrediënten 1994, 99. - RAM Hss nr. 268>.
werd bij voorkeur warm gemaakt alvorens op de tand of
tegen de ”kummeck” [= kinnebak] te worden gelegd. Bijgelovige verhalen
Zijn dorpsgenoot Andreas Claessens verschafte eveneens
twee ”remedies tegens de tantwee”. In het eerste raadde hij Naast het aanwenden van allerlei ”natuurlijke” middeltjes,
aan om ”essig” [= azijn], waarin gloeiend glas was gedoofd, bleken sommigen ook vrij gemakkelijk hun toevlucht tot
aan de zere tand te houden. Het andere luidde als volgt: magische formules en praktijken te nemen. Alvorens daar-
”nempt een pijp vol taback, een peutjen sout, een peutjen over uit te weiden, lijkt het dienstig deze eerst in hun
peper en twee glaser brandewin, dien brandewijn op de historische context van het eertijds vrij algemene bijgeloof te
ander ingredienten geschut dan in brandt gesteeken, uijt- plaatsen.
gebrant zijnde oock aen den tant gehouden in U(w) mont”. Als jong aspirant-historicus was mij aanvankelijk niet alleen
Mochten dergelijke middelen niet baten, dan kon men bij de inhoud maar zelfs het bestaan van de meeste plaatselijke
apothekers te Sittard terecht ofwel geneesheren, kwakzalvers archieven onbekend. Daarom begon ik mijn ”historisch”
of gebedsgenezers raadplegen. Hoedemakers verwees naar onderzoek in mijn naaste omgeving, nl. door bij hoog-
bejaarde Geleners naar vroegere situaties en gebeurtenissen
te informeren. Tot mijn niet geringe verrassing werd ik
vooral onthaald op verhalen van heksen, weerwolven, vuur-
mannen, ”auvermenkes” en dergelijke. Daarmee zetten zij
blijkbaar een lange traditie voort, want volgens de eerder
genoemde Boyens van Sweikhuizen kwamen ’s avonds de
vrienden van zijn vader, die al in de zeventig waren, op
winteravonden bijeen om over niets anders dan weerwolven,
heksen en vuurmannen te praten.
305
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 306
De heksen zouden Geleners o.a. met luizenplagen hebben pachter van de grote hoeve van Lutterade vanaf die plek op
”behekst”, weerwolven bleken bij voorkeur de mensen op de zeer korte tijd door de lucht naar huis gebracht. Toen de in
”kraomejak” [= de rug] te zijn gesprongen om zich op die Lutterade wakker wordende pachter over pijn aan een been
manier een eindweegs te laten dragen, terwijl de in ”haagten” klaagde, zei de smid, dat hij te laag had gevlogen en dat de
verblijvende auvermenkes vooral in verband met het huis pachter zich aan het torenkruis van Beek had gestoten.
”Op de Berg” en de grachten rond de Hanenhof werden Twee andere verhalen betroffen de voerman M. uit Oud-
vermeld. Het zou weinig nut hebben om dergelijke vertelsels Geleen. Toen deze de pastoor van Spaubeek eens per rijtuig
hier in detail te herhalen; maar reeds eerder in druk ver- naar Maaseik had gebracht en de terugreis later dan voorzien
schenen verhalen kunnen als illustraties voor het vrij diep was, werd aanvaard, vroeg de koetsier de pastoor om achter-
gewortelde bijgeloof van vroegere generaties dienen. stevoren in het rijtuig plaats te nemen en niet om te kijken;
mocht hij dit laatste toch doen, dan zouden beiden het risico
lopen om hun nek te breken. Nadat de pastoor met zijn rug
naar de voerman in het rijtuig was gaan zitten, kon hij al een
kwartier later in Spaubeek uitstappen.
Toen diezelfde voerman eens te Berg aan de Maas [uit de
streek van Luik aangevoerde] kolen ging halen, zag hij, dat
vier paarden er niet in slaagden een beladen voertuig tegen
een helling op te trekken. Nadat op zijn verzoek die vier
paarden waren uitgespannen en hij zijn eigen ”bruintje” had
ingespannen, trok dit zonder enige moeite de hele vracht
omhoog. Volgens M. hadden 25 ”zwarten” [= duivels] aan de
spaken van de wielen geduwd <Russel, 1877, 47-48>.
Gedeelte van de binnenplaats van een oud complex te Lutterade De ”Auvermenkes”
gezien vanaf de straatpoort in september 1927 <Tekening J. H. Diezelfde schrijver heeft in 1863 een apart boekje over de
Habets in De Nedermaas V (1927), 40>. ”auvermannetjes” en hun verondersteld verblijf in haagten
rond het huis ”Op de Berg” en bij de Hanenhof uitgegeven,
Door de lucht vliegende bokkenrijders dat in 1878 een herdruk beleefde. Waarschijnlijk heeft hij
JOS. RUSSEL publiceerde in 1877 vier verhalen, die hem te zich toen op verhalen uit de volksmond gebaseerd, want mijn
Geleen door ”ouden van jaren” waren meegedeeld en die grootmoeder van vaderszijde (1844-1932) en een andere
derhalve aanzienlijk verder in de tijd terug mogen worden hoogbejaarde Geleense vrouw, die mij gelijkaardige verhalen
geplaatst. Twee van deze betroffen een niet met naam vertelden, hadden dat boekje kennelijk nooit gelezen.
genoemde smid uit Lutterade, die in de kerstnacht nagels Deze dwergen waren de Geleners welgezind en bewezen hun
van de galg tot sporen omsmeedde. Wie die sporen aan zijn allerlei diensten, zoals het schoonmaken van vaatwerk of het
laarzen droeg, kon zo lang op een paard blijven rijden als hij doen van de was, maar zouden zich fel gewroken hebben op
wilde, zonder dat hij of het paard honger of dorst leden of iedereen, die hen in hun onderaardse verblijven zou hebben
vermoeid werden. durven storen. Wegens het vermeende verband van dit
Ook kon die smid als een echte bokkenrijder door de lucht dwergvolkje met de grachten rond de Hanenhof sprak
vliegen. Zo had hij de uit Maastricht huiswaarts kerende RUSSEL van de daarbij gelegen ”Auverweiden, waar de
- maar bij Meerssen op een ”stegel” in slaap gevallen - Auvermannetjes verbleven”. Daarmee heeft hij ook mij aan-
vankelijk op een dwaalspoor gebracht; doch de landmeters
Bollen noemden ze ”Kauverweiden” [= Kalverweiden].
”Vaarkeubke”
De verhalen van RUSSEL werden door andere auteurs over-
genomen en ten dele gecombineerd met dat van
”Vaarkeubke”. Deze sage werd te Geleen van generatie
op generatie voortverteld; in mijn jeugd heb ik ze uit de
mond van verscheidene Geleners vernomen. Dit Keubke
[= Jacobje] werd ”Vaarkeubke” genoemd, omdat hij voerman
op de hoeve van Sint-Jansgeleen was. Hij was een verbond
met de duivel aangegaan, waardoor hij de moeilijkste taken
in een handomdraai kon uitvoeren <Welters II, 25. - M. Kemp 1937,
55-61. - P. Kemp, 119-120, 139 en 239-242. - Sinninghe 1938, 222, 310-312 en
318; 1961, 46-47>.
306
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 307
De inhoud van dergelijke van mond tot mond overgeleverde nog in de achttiende eeuw van hogerhand aanbevolen, dat
verhalen bleef niet steeds constant. Zo verplaatsten inwoners iedereen zich - ter voorkoming van brandgevaar - zo’n bord
van de Selfkant Vaarkeubke van Sint-Jansgeleen naar de zou aanschaffen. Daarnaast werd ze speciaal ter bestrijding
Biesenhof en werd de pastoor van Spaubeek tot deken van hondsdolheid aangewend. Wie door een razend dier was
gepromoveerd, terwijl het hele verhaal daar onder de titel gebeten kreeg een gebakje te eten, waarop die formule was
”Der Teufel von Spaubeek” circuleerde <Bodens, 32-33. - St.Jansgel, aangebracht. In Brazilië deed men een door een slang
200-203>. gebeten persoon vijf reepjes papier inslikken, die elk een van
de woorden van die formule bevatten. Ook werd ze tegen
”Magische” formules en ”duivelse” praktijken andere aandoeningen zoals tandpijn gebruikt. Met het bloed
van een vleermuis op een papiertje geschreven en onder de
Het bijgeloof van vorige generaties bleef niet tot verhalen drempel gelegd, zou die formule aan de bewoners van dat
beperkt. Ook in verschillende praktijken kwam dit tot huis magische krachten geven, zoals bijvoorbeeld mensen
uiting. tegen hun wil doen dansen. Ook zouden heksen zich niet
kunnen ophouden in vertrekken, waarin zij die formule
De SATOR- of ROTAS-formule zouden aantreffen.
Landmeter Jan Bollen de oude noteerde verschillende keren Het toekennen van een godsdienstige betekenis aan die
het volgende ”magische” vierkant dat een palindroom formule, resulteerde in twee verschillende interpretaties.
kwadraat voorstelt, d.w.z. een woordconstructie, waarin van Sommigen zien daarin SATOR [= De zaaier, schepper, God]
voor naar achter of omgekeerd en van boven naar onder of TENET [= houdt in zijn handen] OPERA [= de hande-
omgekeerd telkens dezelfde vijf ”Latijnse” woorden van vijf lingen] en ROTAS [= bewegingen]. Met het woord AREPO
letters worden gelezen: weten ze echter geen weg, want dat is in het Latijn
onbekend. Anderen beschouwen de SATOR-formule als een
S ATOR ROTA S anagram van [= uit dezelfde letters gevormd als] het PATER-
NOSTER [= OnzeVader] kruismotief tussen de letters A
A R E P O ook soms O P E R A [= het begin] en O [of Ω = het einde], d.w.z. een kruis, waar-
van de N het middelpunt vormt en de horizontaal en
T E N E T gepresenteerd T E N E T verticaal geplaatste letters PATER en OSTER de vier armen
of balken vertegenwoordigen, terwijl boven en vóór PATER
O P E R A als A R E P O een A en achter en onder OSTER een O staat. Die kruis-
vorm zou door de eerste christenen zijn gebruikt en zou
ROTA S S ATOR tijdens de vervolgingen door hen in een palindroom
kwadraat zijn veranderd, waarvan alleen ingewijden de juiste
Ofschoon velen hebben getracht dit ”raadsel” te ontcijferen, betekenis konden verstaan <WBDV, 693. - Drijver, 15. - Freudenthal,
is over de oorsprong, originele betekenis en doel van de
SATOR-formule niets met zekerheid bekend. Sommigen 420-427. - Friend, 146-147. - Gottschalk, 128-129. - Holroyd, 80. - Riland, 257.
hebben daarin niets anders dan een zinloos woordenspel
gezien, terwijl anderen ze als een formule met magische - Studio juli en augustus 1982. - Guiley, 10. - NEB 7 (1994), 672>.
invloed hebben beschouwd en gebruikt, en nog anderen er Volledigheidshalve zij nog vermeld, dat de Belgische taal-
een godsdienstige betekenis aan hebben willen toeschrijven. kundige A. CARNOY in AREPO de Keltisch woorden ar
Die formule werd reeds in de Oudheid aangewend; men [= ploeg] en epos [= paard] meende te zien en de gehele tekst
heeft ze zowel in de ruïnes van Pompeji (It.) uit de eerste als ”De landbouwer houdt de raderen door zijn paard in
eeuw als in uit de derde eeuw daterende ruïnes aan de beweging” vertaalde <T&D 1958, 53-54>.
Euphraat alsook in die van het Romeinse Corinum In december 1750 verklaarde de circa 1720 te Parijs geboren
[= Cirencester] in Engeland gevonden. Vanaf de achtste bokkenrijder Jacques Dujardin of de ”Keukelaar”, die op 14
eeuw komt ze in kloosterhandschriften voor en later werd ze oktober 1747 in de kerk van Geleen met Beatrix Latin was
aan kerken en andere gebouwen aangebracht. In een getrouwd, dat hij vóór zijn deelname aan de diefstal bij Petri
Ethiopisch handschrift worden die vijf woorden op de vijf te Puth tegen een ”collega” had gezegd, dat ”hij en soude niet
wonden van Christus toegepast. Ze verwierf zo’n hoge geerne hebben dat sijne vrouwe daervan wiste”, waarop de
achting, dat ze in de zeventiende eeuw in gebeden door aangesprokene ”alsdoen aen hem gegeven hebbe een
Italianen, Arabieren en Ethiopiërs werd opgenomen. Zij pampier waerop geschreven waeren drij latijnsche woorden
heeft zich niet alleen over heel Europa maar ook over Noord-, waervan hij maer een en weet, wesende SATOR, welck
Midden- en Zuid-Amerika verspreid. Daartoe droegen voor- pampier hij neffens sijne vrouwe in het bedt soude leggen
al de in de zeventiende en achttiende eeuw gepubliceerde alsdan soude deselve meinen dat hij daerbij lagh, ofte
toverboeken bij. slapende niet wacker worden tot dat hij weder quaem het
Het veronderstelde magische element van die formule blijkt gene hij oock effectieve gedaen heeft” <Pijls, 65>. Hij zou dat
lang de overhand te hebben gehad. De meest frequente ”pampier” misschien beter op zak hebben gehouden, want
toepassing schijnt die van afweermiddel tegen brand te zijn bij die diefstal beging hij de fatale fout om zijn meetstok
geweest; daartoe werden borden of stukken papier, waarop
die woorden stonden, in het vuur geworpen. In Saksen werd
307
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 308
Omslag van het boek door H. Pijls over de bokkenrijders uit In april 1751 verhaalde Hendrik Schrijen te Schinnen, dat in
1924 <Tekening H. Ritzen>. 1736 of 1737 in een ”delle” van de Heksenberg door
ongeveer een dozijn mannen de eed van trouw werd
achter te laten en aldus aan de justitie het bewijs van zijn afgelegd. Toen had Geerling Daniels een dode hand vast-
deelname te geven. Zoals wij zagen, werd hij op 9 februari gehouden, waarin een ”kertze” brandde. Op 15 juli 1751
1751 op de Danikerberg opgehangen. verklaarde Peter Schols te Sint-Jansgeleen, dat hij circa 1738
de eed in handen van Geerling Daniels had afgelegd in een
De afgekapte dievenhand met de brandende kaars bosje achter Wolfhagen, ”alswanneer aldaar een keertze in
Het door burgemeester HENRY PIJLS van Schinnen in 1924 eene doode handt staende wierde ontsteecken ende op eenen
gepubliceerde boek De Bokkenrijders met de doode hand, neusdoeck op de aarde gestelt”. Diezelfde Schols verhaalde
vertoont op de omslag - naast een vurige bok - een afgekapte toen tevens, dat hij ruim twee jaren geleden eenzelfde eed-
mensenhand waarin een brandende kaars steekt. Die auteur aflegging in het huis van This Swinnen te Puth had
verklaarde de titel van zijn boek als volgt: ”De leden dier bijgewoond: ”een keertze in een doode handt staende wierde
bende, alvorens te worden toegelaten, moesten den eed doens ontsteken”. Op 22 december 1750 vertelde Nol
zweren voor een geimproviseerd altaartje, waarop steeds eene Caldenborg te Sint-Jansgeleen, dat hij op een zondag-
afgekapte menschenhand ten toon lag. Die hand werd namiddag bij zijn oom Geerling Daniels aan huis kwam en
beschouwd als een amulet, waaraan eene geheimzinnige dat hij toen met enig ceremonieel in de bende was
kracht werd toegekend. Het is daarom, dat wij ze noemen ’de opgenomen. Op een bankje stonden twee brandende
bende met de doode hand’ ” <Pijls, 3>. kaarsjes, een crucifix, een Mariabeeld en een klein doosje;
tevens lag daarbij ”eene doode handt in eenen plagge
[= doek] gedraeijt”. Op 30 juni 1749, de dag van de inbraak
bij de gezusters Gadé, had Nol bij de kapitein in de
Eindstraat te Geleen zijn eed opnieuw afgelegd, ”op deselve
manier gelijck hij tot Wolffhagen bij Geerlingh gedaan
hadde”. Ook daar had op een tafel - naast een crucifix, een
O.-L.-Vrouwebeeldje en een doosje - een dode hand gelegen.
Op 25 januari 1751 verklaarde Hendrik Glaesmakers te
Sint-Jansgeleen, dat hij een paar jaren tevoren bij Wijn
Wijnen te Wolfhagen door een eed in de bende was
opgenomen. Wijn had toen ”uijt eene kiste, welke in de
kamer stont, uytgehaeld eene doode handt, welcke hij stelde
op de tafel ende aldoens ontstak hij eene reute [rundvette]
keertse welcke hij in die [dode] handt stelde”. Hij zei toen
die hand van een aan de galg hangend lijk te hebben
afgekapt <Pijls 14-16, 50-51, 100-101 en 105-106>.
De op een bepaald uur van de nacht afgekapte hand van een
gehangen dief, ook ”main de gloire” en ”hand of glory”
genoemd, was in dievenmilieus zeer gezocht, omdat ze als
een zeer krachtige amulet werd beschouwd. Uit zo’n hand
werd eerst het bloed geperst, dan werd ze gedurende twee
weken in een aarden pot met zout, salpeter en peper
geplaatst en vervolgens in de zon of in de oven gedroogd. In
de complete amulet hield die hand een kaars vast, die was
gemaakt uit het vet van de gehangene, bijenwas en sesam-
zaad. Ook aan de handjes van ongeboren of doodgeboren
- en dus niet gedoopte - kinderen werd eenzelfde magische
invloed toegeschreven.
DANCKERT schreef: ”Die vom Galgen abgeschnittene
Diebshand sichert, beim Stehlen angezündet, das Gelingen
des Raubs” <Danckert, 42>. Die gruwzame amulet werd dus op
rooftochten niet alleen meegenomen maar ook soms, nl.
ofwel de met vet of was bestreken vingers ofwel de daar-
tussen geplaatste kaars(en), aangestoken. De gebruikers van
die amulet geloofden dat de brandende vingers of kaarsen
slapende personen zouden verhinderen te ontwaken en
308
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 309
iedereen die wakker was zouden bedwelmen, terwijl ze zelf dochter, die zwaar ziek werd, en daarna zijn drie koeien, die
voor anderen onzichtbaar zouden blijven. Om echt efficiënt stierven, had betoverd. Bovendien was het paard van
te zijn moest volgens sommige auteurs voor elk lid van het te iemand, die haar land had beploegd en bezaaid, ziek
bestelen huishouden een vinger of een kaars worden aan- geworden; nadat het kadaver was opengesneden, waren
gestoken. Mocht een vinger of kaars niet aanblijven, dan zou daarin allerlei giftige dieren, gelijkend op krokodillen, aan-
dit aanduiden, dat in dat huis iemand wakker was <Freudenthal, getroffen. Daarna gingen vier koeien en nog een paard van
dezelfde boer dood; en ook uit de maag van dat paard waren
161-168. - Laan, 132. - Ruffat, 187. - Robbins, 241. - Gaster, 25. - Boussel, 123- allerlei slangachtige, giftige dieren tevoorschijn gekomen.
Die eigenaar had haar niet alleen van hekserij beschuldigd
124. - Nicolaij, 18-19. - HWBDA, 229. - Tallman, 139. -Shepard I, 405. - Leach, maar zelfs ”sterk abgepreugelt [= afgeranseld] und auf ihre
Heuth [= hoofd] hart [= hard] geschlagen”. Ook twee koeien
477. - Holroyd, 80. - Brasch, 172. - VolkskBull 7 (1981), 137. - TsHKVGel 1997- van haar naaste buurman waren op mysterieuze wijze
gestorven. Op grond van deze en andere beschuldigingen
3, 39-40>. waren de autoriteiten van Limbricht van oordeel, dat de
scherprechter haar door ”strengere, hartere und scharffere
Een ”maagd” op de proef gesteld peinliche Fragh” tot bekentenis zou brengen, waarna zij
De eerder genoemde A. Claessens van Lutterade noteerde ”zum Todt und feuer zu verdammen seie”. Doch eerst werd
een recept ”om te weeten of een jonge dochter [= ongehuwd besloten haar die beschuldigingen in detail voor te leggen.
meisje] maeght is off niet”. Hij adviseerde: ”nempt een half Daarbij ontkende zij alle schuld en bleef zij herhalen, dat zij
loot marmersteen en doet het in een glas wijn off bier”. Als niet alleen geen heks was maar zelfs niets van hekserij afwist.
een jonge vrouw, die daarvan drinkt, mocht braken, ”dan is Op 13 augustus 1674 werd nogmaals een getuigenverhoor
sij geen maeghde”. afgenomen. Doch ook dat bracht haar niet aan het
wankelen; zij daagde de overheid zelfs uit om de waterproef
Een onvrijwillige ”levensbiecht” op haar toe te passen: ”dass man sie auffs wasser werfe”.
Hij adviseerde ook een procedure ”om te doen bekennen alwat Volgens de opvattingen van die tijd waren heksen zo licht
jemand gedaen heeft in sijn leven”. Teneinde dat te achter- dat zij, aan handen en voeten gebonden, zouden blijven
halen hoefde hem slechts, terwijl hij sliep, de tong van een kik- bovendrijven. De meeste plaatselijke autoriteiten schenen
vors op de borst te worden gelegd, waarna hem de vraag kon ervan overtuigd te zijn, dat zij zich aan hekserij had schuldig
worden gesteld wat hij had gedaan en ”hij sal het seggen”. gemaakt; vooral het feit, dat zij door haar dorpsgenoten
reeds lang als een heks was beschouwd, werd als een door-
Geleense vrouw te Limbricht als ”heks” veroordeeld en slaggevend bewijs gezien. Omdat zij evenwel probeerden
gewurgd haar zonder tortuur tot bekentenis te brengen, bleef die zaak
De heksenwaan en -vervolging, die in de zestiende en zeven- slepen.
tiende eeuw bijna heel Europa teisterde, ging ook aan onze In tegenstelling tot het heldere verstand, dat zij tot dan toe
streken niet voorbij. Zo werden onschuldige vrouwen als bij elk verhoor aan de dag had gelegd, kwam de gerechtsbode
heksen beschuldigd en ter dood gebracht in Gronsveld (ca. op 3 oktober 1674 beweren, dat zij in de gevangenis tegen-
1525), Rekem (1591/92, 1601 en 1610), Maastricht (1599 over hem had toegegeven van de duivel bezeten te zijn en
en 1606), Maasmechelen (1601), Boorsem (1610) en omgang met hem te hebben gehad. Blijkbaar hadden het
Valkenburg (1620) <Blécourt, 95-106>. Op 20 juli 1649 werd het verblijf, de behandeling en de ontberingen in de gevangenis
veertienjarige dochtertje van Reyner Reyntjens van Merkel- haar geestelijk gestoord, want bij een daaropvolgend verhoor
beek op last van graaf Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen gaf zij dergelijke beschuldigingen inderdaad toe. Zij vroeg
onthoofd en verbrand, ”want het coste touveren, ’t welck echter om de paters van Maaseik te ontbieden en de duivel
hem geleert wardt deur eene touveresse daerontrent woon- uit te drijven.
achtich” <PSHAL 1868, 257>. Op 9 oktober 1674 werd Entgen Luijten dood in de
In juli 1674 werd de uit Lutterade afkomstige, arme, oude gevangenis aangetroffen. Een chirurg uit Sittard zag bij
vrouw Entgen Luijten, weduwe van Jacob Boven die Erdt, kaarslicht ”het doodt corpus mit eenen strop van blauw
die eerst te Valkenburg en daarna gedurende 44 jaren lynwaet om den hals vast toegedruckt, soo dat den hals
onafgebroken te Limbricht had gewoond, door de autori- boven daar van dicker geswollen was als beneeden den
teiten van die laatste plaats wegens ”hexerei oder quaede strop”. ’s Anderendaags werd het lijk in het volle daglicht
Zauberei” gevangengezet. Bij het eerste verhoor op 21 juli onderzocht. Toen bleek, dat ”de selve vrouwe gestranguleert
1674 verklaarde zij met nadruk, dat zij niet wist wat hekserij ofte verworght is”. Maar de Limbrichtse autoriteiten
of toverij was en dat zij zich daaraan ook niet had schuldig beweerden dat zij zichzelf had gewurgd. Daarom werd haar
gemaakt. lijk door de vilder met een paard naar de galg gesleept, waar
Gedurende de daaropvolgende dagen werd zij door het in een kuil werd verbrand <PSHAL 1903, 413-430. - Lemborgh,
sommigen van haar plaatsgenoten ervan beschuldigd ziekte 86-88>.
en dood bij mens en dier te hebben veroorzaakt. Er werden
zelfs ”feiten” aangehaald, die reeds 26 jaren geleden hadden
plaatsgehad. Zes jaar tevoren had een dorpsgenoot haar als
heks uitgescholden, omdat zij volgens hem eerst zijn
309
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 310
Bezetenheid en duivelbezwering? zouden de ouders voor het gedrag van hun kinderen en de
Rosa Zelis uit de Danikermolen was gehuwd (1767) met de ”meesters voor hunne dienstboden” verantwoordelijk
welgestelde landbouwer Lambert Göbbels in de Hegstraat en blijven. Teneinde de gerechtsbode te motiveren om strikt de
had hem elf kinderen geschonken. Terwijl de meesten van hand aan die voorschriften te houden, werden hem voor elke
die kinderen een actief en creatief leven zouden leiden - zoon geverbaliseerde persoon vier schillingen toegezegd, die deze
Gerard (1770-1831) werd priester - leden een paar van hen hem buiten de genoemde boete nog zou moeten betalen <LvO
aan een handicap. Zo blijkt uit de keuringen voor de nr. 1243>.
militaire dienst in de Franse tijd, dat sommigen van die
kinderen ”zwakke ogen” hadden en een van hen aan Onbehoorlijk gedrag in en nabij de kerk tijdens de diensten
epilepsie of de vallende ziekte leed. Het verstoren van kerkelijke diensten werd als een aparte
Na verloop van tijd kreeg ook de moeder van dit kroostrijke categorie van wangedrag beschouwd. Op 7 januari 1696 gaf
gezin met aandoeningen te kampen. Deze werden zo ernstig, drossaard G. Duycker uiting aan zijn verontwaardiging over
dat de geneesheren van die tijd er niet alleen geen raad mee ”het vuijtloopen vuijtte kercke onder den dienst ende het
wisten maar een van hen zelfs meende met een ”duivels spel” klappen [= praten] ofte wachten op den kerckhoff ofte
van doen te hebben. Op 9 februari 1796 schreef dokter daeromtrent geduirende denselven dienst ende om te ont-
J. B. Mulckens van Sittard een briefje in het Latijn aan de gaen het hooren van het sermoen [= preek], als mede de
kerkelijke overheden, waarin hij beweerde, dat haar ziekte insolentien [= misdragingen] so geschieden achter inde
niet van natuurlijke oorsprong was en ook niet door natuur- kercke met het trecken ofte ophouden van de gene so inde
lijke middelen te genezen viel, maar dat verschillende kercke willen gaen, ende de passagie te verhinderen, wordt
aanduidingen en vreemde symptomen op beheksing of op gelijcke pene [= straf] geordonneert aen een ieder sich des
bezetenheid wezen: judicio ejus infirmitatem non esse gelijx te onthouden ende hun te gedraghen geduirende den
naturalem, nec medicamentis naturalibus curabilem; ast ex dienst so sulx behoirt tot goed exemple [= voorbeeld] van
variis indiciis et miris symptomatibus maleficio eam infectam. andere” <LvO nr. 1243>.
Teneinde haar vroegere gezondheid te herstellen achtte hij Jan Korvers moest zich voor het gerecht verantwoorden
dan ook de toepassing van kerkelijk exorcisme of duivel- omdat hij op 14 juni 1705 Claes Willen, die in de kerk naast
bezwering in dit geval niet alleen nuttig maar zelfs nood- de vrouw van Korvers was gaan zitten, met zijn haren uit de
zakelijk: ac propterea ecclesiæ exorcismos in hocce casu utiles, bank had getrokken <LvO nr. 1248>. Al zal hij daarmee wel de
imo necessario esse adhibendos, ut pristinæ sanitati restituatur aandacht van menige kerkganger op zich hebben gevestigd,
toch staat er niet bij dat hij de dienst verstoord had.
<BAR>. Maar even ergerlijk als het verstoren van de kerkelijke
diensten vond de overheid, dat sommige Geleners op
Menigeen zal de opinie van die geneesheer wel aan medische zondagen en kerkelijke feestdagen tijdens de godsdienst-
onkunde toeschrijven. Misschien heeft de kerkelijke over- oefeningen in de herbergen nabij de kerk brandewijn of bier
heid er ook zo over gedacht, want in het bisschoppelijk zaten te drinken. Daarom had prinses Maria-Dorothea van
archief werd over de toestemming tot of de uitvoering van Salm, gravin van Geleen, niet alleen verboden om op zon- en
die gevraagde duivelbezwering niets gevonden. En de feestdagen ’s morgens gedurende de missen en/of ’s namiddags
pastoor zal er zich ook wel niet aan hebben gewaagd, want gedurende de vesper of het lof in de herbergen aan wie dan
in 1745 had de bisschop aan de geestelijkheid elke vorm van ook brandewijn of bier te schenken, maar zelfs om zich
exorcisme zonder zijn uitdrukkelijke toestemming verboden. tijdens die oefeningen daar op te houden. Wie op die tijden
Wat er ook moge gebeurd zijn, beide echtelieden bereikten in een café zou worden aangetroffen zou een boete van een
de gezegende leeftijd van 88 jaar. goudgulden oplopen, terwijl de kastelein eenzelfde boete zou
moeten betalen voor elke klant aan wie hij sterke drank had
Het gerecht paste zware straffen toe verkocht. Daarom werd aan de bode en zijn helpers
opgedragen om gedurende de mis en de preek zowel het
Bij de door de leiding van het graafschap Geleen uitgevaar- kerkhof als de naburige herbergen te inspecteren.
digde ordonnanties en toegepaste straffen valt in het oog, dat Op 21 december 1703 werden de voorschriften van 1696
de wereldlijke overheid ook de kerkelijke wetten handhaafde herhaald en werd andermaal aan ”de herbergiers ende
en speciaal heiligschennis bijzonder zwaar strafte. Lichtere tappers” verboden om bier of brandewijn te schenken of aan
overtredingen van kerkelijke voorschriften werden door de klanten om zich in die herbergen te bevinden ”tzij om te
wereldlijke overheid evenmin geduld. drincken, carte speelen ofte anderssins ende op sonne ende
heijlige daghen des morgens ofte naermiddaghs onder den
Wangedrag op straat Godtsdienst, op pene van ieder te verbeuren drij goutgulden
Het spreekt vanzelf, dat wangedrag waar dan ook niet ende den weert so veel voor jeder gaste”. Op 29 mei 1706 en
toelaatbaar werd geacht. Zo werd op 21 december 1703 een 24 januari 1707 vond de drossaard het nodig om de vorige
boete van drie goudgulden opgelegd aan eenieder, die er op ordonnanties nogmaals uit te vaardigen.
betrapt zou worden ”bij avont ofte nacht eenige insolentie
[= wangedrag] te plegen op de straete”. In die gevallen
310
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 311
Doch de taak van de ”bao”, die dit alles moest controleren, schenken om ”te verbranden in dese kercke alhier voor het
was niet gemakkelijk en soms zelfs gevaarlijk. Toen hij op bildt [= beeld] van St.-Anna”. Daarop verklaarde de koster,
zondag 14 april 1765 tijdens de hoogmis de herbergen nabij dat hij met die uitspraak en boete genoegen nam.
de kerk inspecteerde, trof hij ten huize van M. Brouns een
zekere Reyner N., die daar lustig zat te trommelen. Toen de Dievegge van veldvruchten tweemaal aan de ”kaak” gesteld
bode hem liet weten, dat dit tijdens de hoogmis verboden Grietgen Driessen maakte zich nogal eens schuldig aan
was, sloeg de trommelaar met zijn knuppels op de bode en diefstal van tuin- en veldvruchten. Zo werd op 12 december
liep deze ”een groot look in sijn hooft” op <LvO nrs. 1243 en 1696 gemeld, dat zij enige tijd geleden erwten van Claes
1278>. Penris had ”vuytgeplocken” en ”mouren” [= wortelen] van
Jan Bollen had ”vuytgetrocken”. Wegens dit laatste was ze in
Smid wegens arbeid op kerkelijke feestdag gestraft ”kraekeel” met Itgen [= Ida] Jans, de vrouw van Jan Koucken,
De maand juni was vele generaties lang de schuttersmaand geraakt en had zij deze met haar ”seeckel” [= sikkel] het
bij uitstek; niet alleen werd op 2 juni de feestdag van de ”rijlijf” [= keurslijf] opengesneden.
patroonheiligen gevierd en was er op de zondag na Nu zij erop ”geattrapeert” was een groot aantal ”reuben”
Pinksteren kermis in Geleen, bij welke gelegenheid de bronk [= rapen] van Stas Custers te hebben geroofd, was de maat
uittrok, maar ook werd rond die tijd door de oude schutterij vol. Nadat ze eerst op de vlucht was geslagen, had zij zich bij
de vogel geschoten. het gerecht gemeld om haar verontschuldigingen aan te
In 1723 schijnt er ten aanzien van dit laatste een probleem bieden en te beloven in de toekomst niet alleen dergelijke
te zijn ontstaan, waarvoor inderhaast een oplossing moest diefstallen achterwege te laten, maar ook haar man ”meerder
worden gezocht. Smid Jan Penris van Spaubeek bleek bereid t’ontsien ende gehoorsaemen” en aldus ”in goede vrede ende
om ”pinxtermaendaghsmorgens eene seer dicke ijsere plate deught te sullen leven”. Maar de drossaard en de schepenen
van ontrent dry pont” te smeden, die men nodig had ”om lieten zich niet vermurwen. Zij besloten haar ”anderen ten
t’appliceeren onder de voegel der schutterije van de parochie exempel” te straffen. Daarom bevalen zij, dat Grietgen
van Geleen”. ”aende kerckhalle [bij de ingang tot het kerkhof] met eene
Het zware gehamer in de stille ochtenduren van pinkster- bussel reuben op het hooft ende de seeckel in d’handt” zou
maandag, welke dag evenals de voorafgaande zondag een worden geplaatst en bovendien een boete van 25 goud-
kerkelijke feestdag was, had blijkbaar sommige gemoederen gulden zou moeten betalen.
verstoord. Toen dit de drossaard ter ore kwam, vermaande Die straffen brachten echter geen permanente beterschap in
deze ”dat soo van de geestelijcke als wereltlijcke wetten op haar gedrag teweeg. Begin maart 1699 werd Grietgen om 10
sondaeghen en heijlighe daeghen verboden is aen een ider te uur ’s avonds betrapt op het stelen van ”saetplanten” [= kool-
moegen doen eenige ambachten int heijmelijck oft int zaad] van de dames Van den Stock. Het vonnis luidde:
publyck”. Daarom concludeerde hij, dat Jan Penris ”als over- ”Grietgen Driessen sal worden gestelt aen de kaecke ende
treder van de geboden der heijlighe kercke... niet en can aldaer andere ten exempel tot een uhre met eene quantiteyt
ontgaen die gemeriteerde [= verdiende] straffe en correctie”. saets behanghen blijven”. Aldus werd ”geprononciert ende
Het juiste bedrag van de amende [= geldboete] is niet geexecuteert” op 4 maart 1699. Ter delging van de gerechts-
bekend. kosten nam de drossaard een koe in beslag <LvO nr. 1271>. Die
”kaecke” [= kaak of schandpaal] zal ook toen wel aan de
”Uytblussinghe van de grote sonde” van roddelen kerkhal hebben gestaan.
Op 13 mei 1737 verscheen Meycken Timmers voor de
schepenbank om aan koster Job Penris vergiffenis te vragen Kerkdievegge met geseling en verbanning gestraft
”over alsulcke scheldtwoorden”, die zij een week eerder aan Uit veiligheidsoverwegingen plaatsten de plattelanders
het adres van genoemde koster en van de bloedverwanten eertijds tijdens oorlogsgevaar goederen en etenswaren [in
van diens bruid Maria Proosten - met wie hij op 10 februari zakken en/of kisten] in de kerk. Voor sommige minder
1737 was gehuwd - had geuit. Omdat dezen zich ”ten bedeelde Geleners bleek dit echter een al te grote verleiding
hooghsten geledeert [= gekwetst] ende gekrenckt” hadden te zijn. Ofschoon zij niets stalen, dat kerkelijk goed was,
gevoeld, wilde Meycken dit goedmaken door hen te werd het stelen van andermans eigendom in de kerk toch als
beschrijven als ”eerlycke ende wel gerenommeerde een daad van heiligschennis beschouwd.
menschen, welcke ten allen tijde van ouders ende voorouders Op 20 augustus 1678 werd door het gerecht meegedeeld, dat
ter goeden naeme ende fame hebben gehandelt ende Truye, de vrouw van Dries Hamers, in de kerk van Geleen
gewandelt ende noch handelen en wandelen”. ”eene quantiteit” uit ”een sack gevult met saet” [= raapzaad]
Doch daarmee waren de schepenen nog niet helemaal had genomen en naar haar huis had gebracht. Daar de
voldaan. Zij eisten bovendien, dat de beklaagde ”tot overheid ”diergelijcke sacrilegien” [= heiligschennissen] als
uytblussinghe van de grote sonde, welcke sy met de ”niet tolerabel” [= ontoelaatbaar] beschouwde, werd de arme
voors[egde] injurie [= belediging]” had gedaan, binnen veer- vrouw in de kelders van Sint-Jansgeleen ”in stricte gevancke-
tien dagen een zes pond zware kaars van witte was zou nisse in yser ende stael” geklonken.
311
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 312
Bij het verhoor verklaarde zij slechts een ”half vat saets... te voldoen, werd hij op 9 augustus 1730 voor eeuwig
door eene onbedachtheit ende door noodt van haer huis- verbannen <Geleen, 68>.
houdinge in desen armen tijdt” te hebben genomen. Doch In september 1754 liet de drossaard aan de schepenbank
de ”justitie” voerde aan, dat zij niet alleen meer dan een half weten, dat een Gelener, die in dienst van de Staten-Generaal
vat had gestolen, maar dat ”sy den eersten diefstal in de was, te Lutterade samenleefde met een vrouw, met wie hij
kercke over eenige jaeren” had gepleegd; derhalve werd zij niet getrouwd was. De pastoor had de drossaard verzocht om
beschouwd als iemand, die gemakkelijk ”glisseerde”, d.w.z. die vrouw binnen driemaal 24 uren uit het graafschap te
op het misdadige pad uitgleed. De uitspraak luidde: bannen en, indien ze daaraan geen gevolg mocht geven, haar
”Geeselingh van drij roeden, jedere roede van drij slagen; te arresteren en op water en brood te zetten. Op 24 oktober
met een bannissement voor altijd”. Dit harde vonnis werd 1754 trouwde ook dit koppel, in de kerk van Geleen.
op 10 september 1678 uitgevoerd. Bovendien werden het
huis en de goederen van haar man, ter voldoening van de Kindermoord met de dood gestraft
gerechtskosten, publiek verkocht. Op 12 maart 1681 zat de bovengenoemde Triniken Jurgens
in de gevangenis te Sint-Jansgeleen onder beschuldiging haar
Echtbreuk of overspel met penitentie en geldboete gestraft pasgeboren kindje te hebben omgebracht. Ofschoon de
Op 12 maart 1681 verklaarde de wegens kindermoord juiste aard van het op 28 maart 1681 uitgesproken vonnis
gearresteerde Triniken Jurgens, dat Jan Wijnen van [in de bewaard gebleven archieven] niet wordt vermeld,
Sweikhuizen de vader van haar kindje was. Ten gevolge van blijkt uit de latere aanduiding van de beklaagde als ”gejusti-
die beschuldiging zat deze kort daarna eveneens te Sint- ficeerde” [= terechtgestelde], dat ze haar misdaad met de
Jansgeleen in de kerker. Hij bekende met Triniken ”het dood heeft moeten bekopen.
crime van adulterie gecommitteert [= overspel gepleegd] te Volgens artikel 131 van het strafrecht van keizer Karel V uit
hebben”. Daarom werd hij op 2 april 1681 ”in eene civiele 1532 zou een moeder, die haar kind vermoordde, aan een
amende van hondert pattacons oft de weerde van dijen” en paal gebonden levend begraven worden. Daarom zijn
tevens in de gerechtskosten veroordeeld. Er werd bepaald, sommigen van mening, dat het in het begin van deze eeuw
dat hij diende ”soo lange te worden gedetineert [= opgeslo- in het talud van een holle weg in de Raadskuil op een diepte
ten] tot dat hij [die] voldaen soude hebben”. Maar op 21 mei van 21/2 meter gevonden rechtopstaand menselijk skelet,
1681 moest de overheid vaststellen, dat de gevangene was dat aan een paal was gebonden, waarschijnlijk het geraamte
uitgebroken en zich uit de voeten had gemaakt. Daarom van Triniken Jurgens was <LvO nr. 1248. - LimDag 24-2-1955. -
werd zijn boete met nog eens 25 patakons verhoogd. Het is Stadjour 8-7-1981. - Sint-Jansgel., 74-75>.
evenwel niet bekend of de voortvluchtige terugkeerde <LvO nr.
1248. - SintJansgel., 74-75>. Veroordelingen en executies van de bokkenrijders
Toen in november 1714 werd vastgesteld, dat een samen- Veel personen, die op de pijnbank bekenden lid van de
levend ”koppel” te Oud-Geleen niet getrouwd was, werd dit bokkenrijdersbenden te zijn geweest, werden ter dood
wegens de begane misdaad van overspel [ob commissum veroordeeld en soms op gruwelijke wijze terechtgesteld. In
fornicationis crimen] door de kerkelijke rechtbank tot een 1889 schreef JOS. HABETS: ”Deze gestrengheid zal een
boete van drie goudgulden veroordeeld. Om zich ervan te schandvlek blijven voor de Oostenrijksche en voor de
verzekeren, dat dit bedrag zou worden betaald, deed de Staatsche justitie van dien tijd in het Land van Valkenburg”
deken een beroep op de drossaard <LvO nr. 1251>. Uit de <PSHAL 1889, 26>. Ook in onze tijd is er menige publicatie
parochieregisters blijkt, dat het beboete koppel kort daarna verschenen, waarin die barbaarse rechtspleging aan de kaak
trouwde. werd gesteld en de bokkenrijdersprocessen zelfs ”de grootste
Op 30 juni 1730 werd Gerard Kupkens wegens echtbreuk te gerechtelijke misgreep uit de Limburgse geschiedenis”
Sint-Jansgeleen opgesloten. Op 4 augustus d.a.v. werd hij werden genoemd <LimVand jrg. 6 (1974), nr. 9, 17-21; nr. 10, 17-21>.
veroordeeld tot ”eene boote oft amende van hondert vijffen- Maar de bewering, dat toen ongeveer 200 onschuldigen
twintigh guldens, maer oock dat denselven gekleet met een zouden zijn ter dood gebracht en dat vooral ketellappers en
wit kleet, hebbende ter rechte handt eene brandende kertse zigeuners het zouden hebben moeten ontgelden <Bouten, 20>,
[= kaars], andere ten spectacule [ = aanschouwe] ter kercke is uit de lucht gegrepen.
van alhier om de authaer [= altaar] sal worden geleydt, daer Niet alleen volgens hedendaagse rechtskundige begrippen
voor biddende Godt om vergiffenisse over die voors: bij maar ook volgens algemeen geldende beginselen moeten de
[= door] hem begaene forfeyten [= misdaden] ende dese methodes, waarmee de bekentenissen van de bokkenrijders
gemeynte om vergiffenisse over het schandael aen haer werden afgedwongen, ten sterkste worden veroordeeld.
gegeven, mitsgaeders in de kosten in desen geresen Onder tortuur konden immers mensen tot het bekennen
monterende [= oplopende] ter somme van twee hondert van misdrijven worden gebracht, waaraan zij niet schuldig
tweeentnegentigh guldens vier stuiver, twee oort”. Hij waren. En zelfs als ze schuldig waren aan de misdrijven, die
schijnt zich aan die ceremonie te hebben onderworpen; doch hen ten laste werden gelegd, stonden de straffen in de meeste
daar hij in gebreke bleef de boete en de gerechtskosten tijdig gevallen in geen enkele aanvaardbare verhouding tot die
312
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 313
misdrijven. Maar anderzijds zou het zonder meer verwerpen zwaar gestraft, een combinatie van beide schijnt a fortiori als
van alle op de pijnbank afgelegde verklaringen - zoals reeds een toereikende grond voor het uitspreken en toepassen van
eerder werd opgemerkt - op een gebrek aan historische de doodstraf te zijn beschouwd. En wie zich bovendien aan
kritiek wijzen. zware misdrijven zoals moord of verkrachting had schuldig
Bovendien moet men zich hier voor het begaan van gemaakt, werd aan een bijzonder pijnlijke executie onder-
anachronismen hoeden. De verantwoordelijke historicus worpen.
plaatst immers de personen, die zich aan dergelijke prak- Ofschoon de veldnaam Raadskuil op terechtstellingen met
tijken schuldig maakten, in hun eigentijdse context. Wij een rad [dialect: raad] doelde, is uit de bewaard gebleven
zagen reeds, dat de wereldlijke overheid eeuwenlang de over- archieven slechts een enkel geval bekend, nl. de radbraking
treding van menige kerkelijke wet als een zwaar vergrijp ter plekke van de bokkenrijder Peter Schols uit Spaubeek op
beschouwde. Daardoor werd bij de beschuldigingen en 16 december 1751 <A. Blok 1991, 296-297>. De andere terecht-
veroordelingen van de bokkenrijders niet alleen het gestelde bokkenrijders uit het graafschap Geleen werden
schenden van kerken vermeld, maar (vanaf 1743) ook het opgehangen. In het vonnis van sommigen werd uitdrukke-
afleggen van een godslasterlijke eed, die menige gevangene lijk gezegd, dat hun lijken aan de galg moesten blijven
verklaarde bij het toetreden tot een bende te hebben ”geattacheerd” [= geknoopt]. De veroordeelde bokkenrijders
afgelegd. Welnu, werd elk van die ”overtredingen” reeds uit Schinnen werden op de Danikerberg terechtgesteld.
Sommigen werden opgehangen, terwijl anderen aan palen
werden gewurgd; de lijken van deze laatsten werden door-
gaans verbrand. Soms werd het lijk van een aan een paal
gewurgde op een rad te pronk gesteld <Pijls, 41-44, 66, 109. - A.
Blok 1991, 194, 197, 260-262, 287-292>.
Het vonnis van de vilder Dirk Hersseler uit Kerpen [ten
zuidwesten van de Nürburgring] in de Eifel, die op de grens
van Hollands- en Spaans-Neerbeek woonde en van ”God en
mensen tergende zonden en enorme crimen”, zoals
verkrachting, werd beschuldigd, luidde: de twee voorste
vingers van zijn rechterhand met een beitel afkappen en op
het rad nagelen, daarna de veroordeelde op een kruis binden
en hem van onder op met acht slagen levendig radbraken,
het hoofd met een bijl afslaan, zijn lichaam op het rad leggen
en het hoofd op een pin steken.
Volgens afbeeldingen uit die tijd werd bij radbraken een zwaar
wiel op de op zijn rug liggende veroordeelde neergeploft; ”van
onder op” betekende, dat men daarmee bij de benen begon.
Die lugubere executie werd op 2 september 1773 in het
Beeker gedeelte van de Graetheide, vlak bij Krawinkel, uit-
gevoerd <Manuscript G. Ramaekers. - A. Blok 1991, 345-346 en 441-442>.
6. Speciale roepingen en beroepen
Een ”kuukeskriëmer” met zijn ”kraom” of ”kiep” in drie étages; ”Ons dorp behield zo zijn aparte sfeer, nog door
van boven naar beneden respectievelijk voor duiven, kippen en geen onnatuurlijke geluiden verstoord... Het
konijnen <Tekening P.A. Schols, LvH 1951, 135>. driftige geklop van de schoenmaker op zijn zoollap
wisselde met het ver doorklinkende en welluiden-
de gehamer van de smid op zijn aambeeld... In de
wintermaanden klonken elke dag gestaag de
[dors]vlegelklepen door de ijle vrieslucht... De
dorpsambachtman produceerde nog uitsluitend
’op bestelling’ en wist nauwelijks van concurrentie
van machine of massaproductie. Hij was een
’persoonlijkheid’, van aparte stand. Zijn ’levens-
houding’ was nog ingesteld op het voortbrengen
en afleveren van werk, dat zijn trots uitmaakte...”
<Architect P. A. SCHOLS in LvH 1951, 73-75>
313
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 314
In onze tijd is de interesse van historici veel meer dan bij hun (1758-1785) <M’geleen, 279-280>, in 1752 de geestelijke staat en
voorgangers gericht op het leven van ”de gewone man” in speciaal de priesterwijding [statum Ecclesiasticum et sacros
zijn eigen cultureel, sociaal en beroepsmilieu. Werd in de ordines] zocht, moest hij wegens ontoereikende op zijn naam
voorafgaande paragraaf nader ingegaan op het vroegere staande goederen of inkomsten [ob defectum sufficientis tituli
culturele dorpsmilieu, thans valt de nadruk vooral op het ad suum pervenire] eveneens een beroep op zijn familieleden
beroepsmilieu. Hierbij dient men op de eerste plaats te doen. Op 4 oktober 1752 stelden deze laatsten gedeelten van
beseffen, dat de dorpen eertijds niet louter door grote en hun eigendommen ter waarde van bijna 2.000 patakons ter
kleine boeren werden bewoond. De landbouw kon immers beschikking om aldus de nieuwgewijde van een jaarlijks
slechts worden uitgeoefend door degenen, die ofwel zelf inkomen van 59 rijksdaalders te verzekeren.
grond bezaten ofwel deze van anderen pachtten. Wie tot Ook leden van de Geleense families Banens, Claessen(s),
geen van beide categorieën behoorde, moest op een andere Corten, Cremers, Keulers, Leurs, Maes, Mutzenich, Penris,
wijze in zijn levensonderhoud voorzien. De Geleense Vroemen e.a. traden tot de wereldlijke clerus toe. Frans
archieven bevatten verrassend veel gegevens over speciale Leurs (ged. 12-3-1615), een neef van pastoor Nicolaas
beroepen en ambachten, die de moeite waard zijn om voor Leurs, werd in 1639 pastoor te Hillensberg (D.). Op 21 april
het nageslacht te worden vastgelegd. 1642 werd hij door soldaten dodelijk gewond; hij overleed
’s anderendaags en werd te Geleen begraven. Sebastiaan
Roepingen tot de geestelijke staat Cremers (*9-6-1630) was van 1661 tot aan zijn dood op 14
januari 1692 pastoor te Stevensweert; overeenkomstig zijn
De godsdienstvervolging tijdens de Franse periode (1794- wens vond ook hij te Geleen zijn laatste rustplaats <SangSim,
1814) heeft benadrukt hoe sterk het zaad der heilige roeping 178. - TsHKVGel 1995, 30-33>. Hendrik Corten (*1654) stierf in
in het achttiende-eeuwse Geleen tot bloei was gekomen. januari 1694 als pastoor van Lanklaar (B.). Zijn neven
Volgens RUSSEL waren er bij de opheffing van de kloosters in Hendrik (*1701), Jan Leonard (*1703) en Lambert
1796 niet minder dan 72 geestelijke personen uit Geleen Theodoor Corten (*1708) - alledrie broers van drossaard
- met een bevolking van ongeveer 1800 zielen - in leven <FA Reinier Corten - werden respectievelijk pastoor te
nrs. 210 en 4290. - Russel 1860, 77>. Hun namen werden nog niet alle- Amstenrade, kapelaan te Susteren en kapelaan te Maastricht;
maal achterhaald, maar ook een gedeeltelijke lijst van de uit de laatstgenoemde werd naderhand directeur van het
Geleen afkomstige geestelijke personen getuigt van de diepe Maastrichtse weeshuis. Lambert Banens (*1655), zoon van
godsdienstzin van vroegere generaties <TsHKVGel 1993, 23-27>. Mathijs Banens, halfer op de vroegere kloosterhoeve van
Krawinkel, werd in 1678 als toekomstig priester vermeld
Seculiere priesters of wereldgeestelijken <LvO nr. 313>; een jongere Lambert Banens (*1679) werd
Een aantal Geleners verkoos de geestelijke staat als seculier of kapelaan te Schinnen <PSHAL 1928, 205>. De in 1669 als
wereldlijk priester. Sommigen bezochten eerst het pastoor van Schin op Geul en beneficiant van het Onze-
”Albertinische Collegie” van de dominicanen te Sittard, waar Lieve-Vrouwealtaar vermelde Michael Penris <Habets 1892, 331>
ook filosofie werd gedoceerd, en meldden zich daarna bij het was hoogstwaarschijnlijk een Gelener. Theodoor Penris
grootseminarie te Roermond. Maar alvorens zij de priester- (*1698) werd kapelaan te Schinnen <PSHAL 1928, 221>, terwijl
wijding konden ontvangen, moesten hun familieleden zijn broer Jan Penris (*1711) kapelaan te Spaubeek en
voldoende kapitaal en/of goederen op hun naam zetten, kapelaan en pastoor te Mheer werd. Jan Willem Keulers
teneinde aldus te verzekeren dat zij een vast inkomen zouden (1766-1814) werd pastoor te Schaesberg; naar hem werd
hebben. daar de Keulenstraat (sic !) genoemd <LvH 1977, 29-30>. Andere
Zo verklaarden drie gebroeders Göbbels uit Krawinkel op 22 Geleners werden kanunniken aan een kapittelkerk, zoals
april 1763, ”dat hunnen respectiven Broeder d’heere Josephus Jacob Mutzenich (circa 1650) te Sittard <PSHAL 1885, 26> en
Gubbels - T(h)eologant in het Bisschoplijck Seminarie tot Andreas Banens (*1739) te Thorn.
Ruremonde - geintentioneert [voornemens] is den geeste- Geen ter plaatse geboren priester werd hier pastoor, terwijl
lijcken staet met de gratie en hulpe Godts te aenveerden, dit in sommige andere parochies wel het geval was. Dat was
waertoe nochtans niet konnende geraecken door dijen van vooral toe te schrijven aan het feit, dat het collatierecht van
geen beneficie off tijtel voorsien is, soo is t’dat voors. drij ierste Geleen aan Reichenstein toebehoorde en het pastoorsambt
genoemde Comparanten bij maniere van deelinge sijn alhier steeds aan leden van de orde der norbertijnen werd
cederende [= afstaande] ende transporterende [= over- toegewezen. Wel verwierven verscheidene Geleners, o.a.
dragende] - een jeder sijn gedeelte uijt die vaederlijcke en leden van de families Mutzenich en Maes, beneficies in de
moederlijcke naerlaetenschappe - tot onderhoudt ende Titel kerk van hun geboorteplaats. [Zie hoofdstuk IV, onder 5 en
voor hunnen voors. Broeder Josephus”. Joseph Göbbels over- hoofdstuk V, onder 7.]
leed echter reeds op 31 maart 1765 in zijn ouderlijke woning
te Krawinkel, slechts vier weken na zijn priesterwijding. Reguliere priesters
Toen zijn te Einighausen wonende neef Peter Joseph Vrij veel Geleners voelden zich geroepen tot het reguliere
Göbbels (*14-7-1728), de latere pastoor van Munstergeleen priesterschap, d.w.z. zij traden toe tot een kloosterorde.
314
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 315
Gedachtenisprentje van de priester Jan Joseph Vroemen. Hij was grote hoeve van Lutterade, was tot 1579 zijn subprior te
op 27 juni 1767 te Geleen geboren als zoon van Jan Nicolaas Reichenstein. In 1579 volgde hij Beltgens als prior op en
Vroemen en Anna Maria Penris. In 1804 verbleef hij als ”prêtre bleef die functie tot aan zijn dood in juli 1606 waarnemen
séculier” te Geleen en assisteerde hij pastoor Salm voor korte tijd. <Conrads, 99. - LimTsGen 1990, 4>. Twee eeuwen later zou Lambert
Vervolgens werd hij kapelaan te Saeffelen (in de Selfkant, D.) Claessen(s) eveneens te Reichenstein intreden. Adolph de
en te Maaseik (B.). In de laatstgenoemde plaats woonde hij Preez (*1724) volgde het voorbeeld van zijn neef Joseph
reeds in 1820; daar maakte hij op 15 mei 1838, d.w.z. drie Wijnand Nicolaas Erckens (*Geleen 1703) en zijn oom
dagen vóór zijn dood, zijn testament voor notaris J. G. Jan Arnold Willem van Hoven (*Amstenrade 1686) en
Quisthoudt. meldde zich aan bij het klooster van de norbertijnen te
Averbode (B.).
Vooral de orde der norbertijnen of premonstratenzers, Daarnaast kozen ook heel wat Geleners de dominicanerorde,
wegens hun wit habijt ook ”witheren” genoemd, bleek nogal die in 1621 een klooster te Sittard stichtte. Jan Corten
aantrekkingskracht te bezitten; de Geleense parochie- (*1629) trad in bij de dominicanen te Maastricht en nam de
geestelijken van die orde zullen op die keuze wel een niet kloosternaam Hyacinthus aan; in 1654 werd hij naar Sittard
onbelangrijke invloed hebben uitgeoefend. Zo trad Gerard overgeplaatst en stierf daar in 1720. Zijn neef Antoon
Beltgens, zoon van de Geleense schepen Jan Beltgens, in te Corten (1711-1767), broer van drossaard Reinier Corten,
Reichenstein. Van 1569 tot 1579 was hij prior van dat trad te Sittard in en nam dezelfde kloosternaam aan. Hij had
klooster. In laatstgenoemd jaar kwam hij als pastoor naar er een heel stel plaatsgenoten als ordegenoten, nl. Jan
Spaubeek en in 1601 ging hij in diezelfde functie naar Mathijs [Benedictus] Haerden (1746-1832), Nicolaas
Amstenrade; daar is hij op 17 mei 1625 overleden. Zijn Keulers (1704-1792) en Peter (?) [Pius] Keulers (*ca. 1737),
plaats- en tijdgenoot Mathijs Mutzenich, halferszoon van de Hendrik Krekels (1687-1774), Nicolaas Luijten († 1761),
Jacob Luijten († 1780), Michiel Paes (1719-1791), Thomas
Peters († 1789), Mathias [Petrus] Willems (*1743) en
Nicolaas [Hyacinthus] Zelis (1748-1819); de laatstgenoemde
stamde uit de Danikermolen <Russel 1863, 59-60, 66, 69-73 en 77. -
PSHAL 1911, 392, 400, 405-408, 413-414>. Stas Hamers trad circa
1724 in bij de dominicanen te Leuven (B.), terwijl Jan Peter
Dullens (1755-1804) van de Biesenhof zich aanmeldde bij
een klooster van diezelfde orde te Tongeren (B.).
Ook de Duitse Orde, aan wie de Biesenhof toebehoorde,
bleek voor een aantal Geleners aantrekkelijk te zijn. Johan
Dullens (1706-1761), een oom van de zojuist genoemde Jan
Peter Dullens en eveneens op de Biesenhof geboren, werd
priester van de Duitse Orde. In november 1736 werd hij
administrateur van het college van die orde te Leuven (B.) en
kort nadien werd hij tot president bevorderd, welke functie
hij tot 1761 waarnam. Zijn familielid Peter Mathias Dullens
(1742-1811) volgde zijn voorbeeld; deze overleed in 1811
als rector te Handel bij Gemert (N.Br.), waar die orde het
patronaat bezat <LDOBB, 50-51>.
Andere kloosterorden werden eveneens door Geleners
gekozen. Jan Frans Feron (1751-1829), Jan Hendrik
Ramaekers (1760-1824) en Jan Willem Martin Vroemen
(1742-1807) traden in bij de augustijnen te Maastricht,
terwijl Caspar Penris (1752-1813) te Luik (B.) en Leonard
Engwegen (1764-1797) en Gerard Göbbels (1770-1831) te
Bree (B.) bij diezelfde kloosterorde intraden. Jan Laurens
Willems (1769-1830) trad in bij de franciscanen te
Maastricht, en Willem Vroemen (1756-1815) voegde zich
bij de beggaerden in die stad. Peter Paul [Gerlachus] Baggen
(1744-1790) overleed als gardiaan [= overste] van de
capucijnen te Velp (N.Br.). Weer anderen gingen de ver-
vulling van hun roeping aan gene zijde van de oostgrens
zoeken. Zo trad Renier Penris (1745-1820) in bij de
conventuelen te Duisburg (D.), Winand Sassen (1769-
315
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 316
1842) bij de dominicanen te Kalkar (D.) en Nicolaas Begijnen en kloosterzusters
Vroemen (in 1743) bij de conventuelen te Linnich (D.). Een vrij groot aantal Geleense jonge vrouwen koos een
Ook gebeurde het wel eens, dat een uit Geleen afkomstige religieuze levensstaat in een begijnhof of klooster. In de
wereldgeestelijke in een orde trad. Zo was Bartholomeus veertiende eeuw werden een Bela van Geleen en een
Luijten (1680-1754), als priester van het bisdom Luik, reeds Mechtildis van Geleen als ”zusters” van de Duitse
tien jaar pastoor te Stokkem geweest, toen hij zich in juli Ridderorde vermeld; Bela was de weduwe van Bruno van
1715 als novice bij de Duitse Orde te Nieuwen Biesen in Geleen <LDOBB, 161>. Zij waren zogenaamde ”halfzusters”, die
Maastricht meldde; ruim een jaar later werd hij in die orde ofwel in hun eigen - bij de Duitse Orde aangesloten -
opgenomen. Daarna ging hij als kapelaan naar boven- klooster verbleven ofwel in een apart huis bij een balije
genoemd Handel (N.Br.), waar hij in 1754 als pastoor over- woonden om daar vrouwelijk dienstwerk te verrichten ofwel
leed <LDOBB, 93>. op zieken te passen <Ablaing, 185-186. - Tumler, 28-29>.
Het dialectwoord ”begien”, dat thans uitsluitend in de zin
Gedachtenisprentje van de priester Winand Sassen, die op 10 van kloosterzuster wordt gebruikt, had eertijds een andere
september 1769 te Lutterade werd geboren als zoon van Jan betekenis. Een begijn was een vrome vrouw, die wel aan
Sassen en Ida Backhuis. In 1788 trad hij in bij de dominicanen regels gebonden maar toch min of meer zelfstandig in een
te Kalkar bij Emmerich en nam de kloosternaam Ambrosius ”begijnhof” verbleef, terwijl een kloosterzuster eeuwige
aan; in 1792 werd hij te Keulen tot priester gewijd. Als een geloften aflegde, in een communiteit verbleef en strenge
echte ”predikheer” doorkruiste hij heel Duitsland. Toen hij door levensregels volgde.
een ongeneeslijke heesheid werd getroffen, moest hij het missio- De vroegst vermelde Geleense begijn was Ida Hupertz, die in
narisleven opgeven. Hij kwam terug naar Geleen, waar hij, 1534 als zodanig te Thorn werd aangenomen <Habets 1889,
tezamen met zijn uit het klooster teruggekeerde zuster Anna 504>. De uit Geleen afkomstige Catharina Erckens was
Maria Sassen (1775-1851), het vroegere huis van W. de ”begyntien op het begynhoff van Tongeren” (B.). Op 27
Gavarelle aan het oude kerkhof betrok. september 1749 overreikte zij te Geleen haar testament aan
haar familieleden; dit bestond uit een ”cahier op twee
plaetsen met twee diverse cachetten in rooden lac gesegelt en
met eenen dobbelen gansen blauwen sijden vaedem rontsom
doornaijt de naelde alnoch daer aen hangende”. Zij overleed
in haar geboorteplaats op 7 november 1751 <Geleen, 79-80>.
Omstreeks 1777 was Petronella Tummers van Geleen
”religieuse op het begijne hoff tot Bilsen” (B.) <LvO nr. 1282>.
Margaretha de Gavarelle (*1729), dochter van Willem de
Gavarelle, werd ”Stiftsfräulein” te Sterckrade bij Ruhrort-
Duisburg (D.).
Andere Geleense jonge vrouwen verkozen het echte
kloosterleven. In 1627 was Sophia Renckens ”religieuse int
Cloester van der Mijle” [vermoedelijk Nonnenmillen, B.] en
in 1646 verbleef Anna Maria Mutzenich als kloosterzuster te
Brussel (B.). Sommigen traden in bij de dominicanessen op
de Agnetenberg te Sittard; de vroegst bekende Geleense in
dat klooster was Liesbeth Penris die in juli 1678, op
twintigjarige leeftijd, intrad <Kw.Eijs, 87>. In de achttiende
eeuw werd haar voorbeeld gevolgd door o.a. Maria Ida
Corten (1741-1810), dochter van de drossaard, Johanna
Catharina Krekels (1741-1809) en Maria Louisa Krekels
(1763-1801). Daar verbleven eveneens Regina de Gavarelle,
zuster van Willem de Gavarelle, als zuster Catharina Barbara
(1694-1756) <Munsters 1979, 115>, en een Luikse verwante van
de familie de Preez <PSHAL 1911, 237-297>.
Weer anderen, zoals Helena Penris (1745-1805), Anna
Catharina Vroemen (*1746) en Maria Johanna Vroemen
(1750-1838), traden in bij de franciscanessen in de
Maastrichtse Nieuwenhof, terwijl Gertrudis Nijsten (*1743)
zich in die stad bij de zusters bonnefanten [”des bons
Enfants”] voegde. Johanna Catharina Willems (*1762) trad
in bij de franciscanessen te Peer (B.). Nog anderen trokken
316
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 317
verder van huis; zo vervoegden zich Theresia Lemmens uit strikte zin van het woord was, wordt hij in de archieven toch
de molen van Sint-Jansgeleen (*1720) bij de penitenten te steeds als zodanig aangeduid.
Heinsberg (D.), Maria Elisabeth Cremers (1754-1798) bij Pieter Kubben (*1783) vestigde zich in 1817 in de kluis van
de ursulinen te Antwerpen (B.), Anna Mechtildis Feron Helshoven (B.), waar hij de kinderen uit die streek onder-
(1747-1814) bij de carmelitessen te Boxmeer (N.Br.) en wees en zieken verzorgde. Hij overleed in 1869. Peter van
Anna Maria Backhuis (1745-1827) en Anna Maria Sassen Geleen, die in 1855 in de kluis van Oetsloven bij Berlingen
(1775-1851) bij de franciscanessen te Goch (D.). [ten noordwesten van Borgloon, B.] overleed, was niet uit
Geleen maar uit Hoesselt afkomstig <Kluis, 54-56>.
Kloosterbroeder(s)
In de dertiende eeuw werden een Bruno van Geleen, een ”Reguls ofte Statuyten” voor de kluizenaars van Krawinkel
Gerard van Geleen en een Hendrik van Geleen als broeders (1722)
van de Duitse Orde vermeld <LDOBB, 59>. Ingeval zij ”ridder- Eeuwenlang werden zowel door pausen als door bisschoppen
broeders” waren, kunnen zij niet op één lijn met de leken- - ook door de bisschoppen van Roermond - algemene
broeders van kloosterorden worden gesteld. Het is trouwens voorschriften voor het kluizenaarsleven uitgevaardigd <Kluis,
geenszins zeker, dat zij geboren Geleners waren; zij kunnen 35-36>. Bovendien werden specifieke ”Reguls ofte Statuyten
wegens hun verblijf op de Biesenhof ”Van Geleen” zijn voor die Broeders soo in den deerden regul van Sanct
genoemd. Norbert in die Capelle vant H. Cruys tot Gleen willen leven
Op 23 februari 1744 werd te Val-Dieu [Godsdal, B.] en sterven” voorgeschreven <Habets 1892, 332>. Daar het verlof
Antoon Hilgers of Helgers als broeder geprofest; hij was tot vestiging van kluizenaars te Geleen op 2 juni 1722 door
waarschijnlijk circa 1711 te Sittard geboren, maar kwam met de bisschop van Roermond werd verleend, en boven-
zijn moeder en broers naar de hoeve Ten Eijsden om dan op genoemde titel van de kluizenaarsregel - zij het in enigszins
33-jarige leeftijd te Val-Dieu in te treden. Daar nam hij de andere spelling - in het visitatieverslag van 26 september
functie van brouwer waar; later werd hij naar Abshoven 1722 werd opgenomen, moet de oplegging van die Reguls
gestuurd, waar hij op 7 juni 1772 overleed <Kerckhove, 401>. Jan aan de kluizenaars van Geleen in dat jaar worden geplaatst.
Peter Feron, die in 1766 te Beek was geboren maar te Oud- In hun algemene strekking waren die voorschriften voor
Geleen opgroeide, trad in bij de cellebroeders of alexianen te ”tertiarissen” of derde-ordelingen van St.-Norbert geenszins
Brugge. Na de opheffing van zijn klooster bleef hij als nieuw voor onze streken. Reeds eeuwen vroeger had ook de
ziekenverzorger in die stad wonen; daar is hij in 1827 over- heilige kluizenaar Gerlach te Houthem volgens die regels
leden <Becha 43/44-93>. geleefd. Ofschoon ons slechts één kluizenaar, broeder
Gerlach, als derde-ordeling van St.-Norbert bekend is, mag
Heremieten of kluizenaars toch worden verondersteld, dat de hem opgelegde voor-
Het woord heremiet roept associaties met een verblijf in de schriften ook ten dele voor sommige van zijn opvolgers
eenzaamheid op. Maar twee Geleners, die deze roeping hebben gegolden.
volgden, deden dit in hun eigen geboorteplaats. Gerard Die Reguls van 1722 werden door AD. WELTERS volledig
Keulers, wiens geboortehuis op dezelfde plek als dat van de opgenomen in zijn boekje Kluizenaars in Limburg, dat hij in
schrijver stond, was op 3 november 1680 te Geleen gedoopt. 1950 in opdracht van pastoor W. Wermeling ten bate van
Hij werd lid van de derde orde der norbertijnen en nam in diens Christus-Koningparochie [Geleen-Kluis] uitgaf <Welters
of kort na 1722 als ”broeder Gerlach” zijn intrek in de Kluis A., 61-66>. Daarom zal hier hun inhoud slechts beknopt
van Krawinkel. Daar is hij op 25 maart 1736 overleden. Zijn worden weergegeven.
opvolger was Nicolaas Gielen (*12-5-1714), een zoon van De eerste regel vermaande de kluizenaars dat zij zouden
Gerards zuster Lysbeth Keulers. Deze werd lid van de derde ”beminnen Gott boven alles ende den nevennaesten glijck
orde der franciscanen en na een verblijf van bijna 42 jaar in haer selven”. De tweede en de zesde regels waren van toe-
de Kluis overleed hij aldaar op 20 augustus 1781 <ChrKon, 143- passing ”in cass datter meer als een bij malcanderen leven
147>. souden”. In dat geval zouden zij ”met een ander broederlijck
Twee andere Geleners trokken de Maas over om daar hun leven... een siel en een heert [= hart] hebbende in Gott... alles
kluizenaarsideaal te verwezenlijken. Jan Willem Dullens, die sal tuschen hunlieden gemein [= gemeenschappelijk] wesen”
in 1766 als het negende kind van de halfer van de Biesenhof en zouden er ”geen twijsten, geen disputen en moeten wesen;
was geboren, vestigde zich in een communiteit in de ofte soo jet [= iets] wass, in het moment geeindigt worden”.
zogenaamde kluis van Mariendal te Beek bij Bree (B.). Dit De derde regel was een aansporing om te volharden in het
was een tot klooster omgebouwde hoeve met acht cellen gebed en vooral om in hun hart te overwegen wat zij met de
voor de broeders en twintig kamertjes voor lichte geestes- mond beleden. De vijfde regel schreef voor dat hun habijt
zieken. Nadat dit gebouw door de Fransen was geconfis- ”wijt [= wit] en suyver” moest zijn en dat zij een witte hoed
queerd, bleef hij nog enige tijd in die streek. Op 24 en een ”grawen” [= grijze] mantel moesten dragen.
december 1844 overleed hij ten huize van een nicht in de Volgens de tiende regel begon hun dagtaak in de zomer om
Jodenstraat te Geleen. Ofschoon hij geen kluizenaar in de vier uur en in de winter om vijf uur ’s morgens; dan moesten
317
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 318
zij eerst ”teecken geven” [waarschijnlijk de klok luiden] en heden konden worden aangevuld. En om te waarborgen dat
vervolgens ”met heller stemme” de metten [= ochtend- de kluizenaars zich stipt aan die voorschriften hielden,
gebeden] en ”den paternoster” [= rozenkrans] bidden. Tegen moesten zij zich elke woensdag en vrijdag bij de pastoor
zes uur werd een meditatie van minstens een kwartier voor- melden en ”in cass van feylen en fauten” zich aan de
geschreven. Daarna zouden zij in de ”koulhoef” bezig zijn opgelegde penitentie [= boetedoening] onderwerpen.
ofwel ander werk verrichten naar gelang dit nodig bleek.
Elke dag ”ohne Excuse... ten sij dat sijlieden seeck oft kranck Houten ”schooltas” uit het (thans verdwenen) ouderlijke huis
waeren” moesten zij om tien uur bij de ”pastoorsmiss” in de van Marie Smeets (1867-1939), later echtgenote van Lei
kerk aanwezig zijn. Op zondagen moesten zij niet alleen de Mickina (1857-1931), halverwege de oostzijde van de
vroegmis en de hoogmis bijwonen maar ook alle ”sermonen” Marcellienstraat te Oud-Geleen: links gesloten, rechts geopend.
[= preken] en diensten, die zowel voor als na de middag Zij vormde een goede bescherming voor de traditionele schrijf-
plaatshadden. Hetzelfde gold voor de donderdagse leien, die op school werden gebruikt. Ook de Oud-Geleense
H. Sacramentsmis. Tevens werd benadrukt, dat zij na de families Dohmen en Eussen bewaren dergelijke ”schooltassen”
kerkdiensten rechtstreeks naar hun kluis moesten terugkeren <Foto’s door de schrijver>.
en geen herbergen of andere huizen mochten bezoeken. Als
zij enig schandaal mochten veroorzaken, zouden zij door de Onderwijs door de kosters en andere Geleners
bisschop worden gestraft.
Na het middageten zouden ze ”neerstelijck wiercken naer Alle parochianen ontvingen in de kerk catechismusles, maar
noet [= voor zover nodig] ende profijt”. Om drie uur slechts een beperkt aantal genoot echt onderwijs. Van
’s namiddags moesten ze weer ”teecken geven”, om aan- oudsher was het de gewoonte, dat de koster tevens een
stonds daarna de vespers [= avondgebeden] en een rozen- schooltje voor Geleense jongens hield. Bij de kerkvisitatie
krans ”hellop” te bidden. In de winter zou daarop een van 7 mei 1669 werd opgemerkt, dat er toen te Geleen geen
tweede rozenkrans volgen, maar in de zomer zouden ze tot school met een vaste geldelijke steun bestond [schola non est
zes uur werken. Na de completen [= slotgebeden] zouden zij fundata], maar dat er wel een leek was die school hield [sed
een kwartier lang gewetensonderzoek doen en daarna de fit per magistrum secularem] en zich door de ouders van zijn
litanie van O.-L.-Vrouw bidden. In de winter zouden ze om leerlingen liet betalen [salario puerorum] <Habets 1892, 331>.
acht uur en in de zomer om half negen ”naer de rust gaen”. Waarschijnlijk was die persoon Lens Botteliers, die vroeger
De vierde en negende regels legden de nadruk op de koster te Gulpen was geweest maar na de overgang van die
”obligatie” om het vlees aan de geest te onderwerpen door plaats aan de Staten-Generaal in 1662 het verzoek tot de
onthouding en vasten, ”soo veel als de krachten permitteren, drossaard en de schepenen van Geleen had gericht om als
ende noyt delicat ofte appetitelijcker wijse, maer naer koster en schoolmeester in Geleen te worden aangesteld <LvO
noetsaekelickheid dat lichaam voeden”. Zo werd voor- nr. 1528>. Hij stamde uit een oude Lutterader familie, waarin
geschreven, dat zij zich elke woensdag en vrijdag van vlees de voornaam Lens [= Laurentius] vrij gebruikelijk was.
moesten onthouden en op vrijdagen tevens moesten vasten. Aangezien Frans Smeets toen koster te Geleen was en er geen
Dit laatste beperkte hun eten tot een ”refectie” [= volle maal- vacature bestond, kwam Botteliers niet voor het kosterschap
tijd] rond het middaguur en een ”collatie” [= beperkte maal- in aanmerking; ook na het overlijden van Smeets in 1674
tijd] ’s avonds. Bovendien moesten zij niet alleen in de [aan werd hij niet tot diens opvolger benoemd. Toch blijkt hij
Pasen voorafgaande] veertigdaagse vastenperiode maar ook zich als onderwijzer in Lutterade te hebben gevestigd, want
gedurende de advent [= ongeveer vier aan Kerstmis vooraf- in 1697 wordt aldaar Lens Botteliers ”den schoolmeester”
gaande weken] en ter gelegenheid van een aantal kerkelijke
feestdagen vasten.
Volgens de zevende regel stonden de kluizenaars van
Krawinkel onder het toezicht van de pastoor van Geleen en
waren zij hem gehoorzaamheid verschuldigd. Zo mochten
zij de parochie slechts verlaten ”met voorweten ende per-
missie van den heer pastoor”. Ook moesten zij rond Pasen en
tegen Allerheiligen bij de parochieherder rekenschap van
hun ”gijften ende allmosen” afleggen. Om ”alle quade
occasien [= slechte gelegenheden] te beletten” mochten de
kluizenaars niet over geld beschikken en moesten zij alle
ontvangen geldsommen bij de pastoor in bewaring geven,
juist zoals ook de andere leden van de orde van de
H. Norbert dit bij hun oversten deponeerden.
Aan het slot werd toegevoegd, dat die Reguls door de
bisschop, de deken en/of de pastoor naar tijd en omstandig-
318
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 319
vermeld <LvO nr. 1523>. Koster Jan Penris heeft toen tiende eeuw - o.a. de vader van de schrijver - en zelfs nog in
waarschijnlijk te Oud-Geleen als onderwijzer gefungeerd. het begin van de twintigste eeuw menige Geleense jongen
Bij de kerkvisitatie van 26 september 1722 werd opgemerkt, elke dag met de boekentas op zijn rug te voet naar de
dat koster Theodoor Penris, die tevens onderwijzer was, middelbare school in Sittard stapte.
eigenlijk de enige was, die deze tweede functie verdiende Ten aanzien van de vroege vorming van priesterstudenten
waar te nemen [mereretur esse solus ludimagister]. Dit hield mag ook de rol van diverse pastoors niet uit het oog worden
misschien verband met het feit, dat die koster zo goed verloren. Juist zoals dit later het geval was, zo hebben
ontwikkeld was, dat hij het volgend jaar (1723) tot priester sommige van de zeventiende- en achttiende-eeuwse pastoors
zou worden gewijd. Er waren in 1722 nog meer onderwijzers allicht op de pastorie een aantal van hun jeugdige
in Geleen [sed sunt adhuc plures alii in communitate], maar de parochianen in de beginselen van het Latijn onderwezen.
visitator wist niet met wiens toestemming zij onderwijs Tevens mag niet onvermeld blijven, dat in sommige gevallen
gaven of wie daarover kon beslissen <Habets 1892, 332>. studiebeurzen ter beschikking stonden. Zo verwierven de
Toen Andries Claessens in 1764/65 als kandidaat voor het Geleners Johan Dullens en Peter Mathias Dullens elk
kostersambt werd voorgedragen, verklaarde de pastoor o.a. - respectievelijk in 1728 en 1761 - een studiebeurs aan het
”dat hij oock al met yver en lof de schoel gehouden had en college van de Duitse Orde te Leuven <LDOBB, 50-51>. Voor
de jonckheid niet alleen in lesen en schrijven, maer oock in hoger onderwijs kon men o.a. bij de universiteit van Leuven
die Katholijke leringhe en rudimentis latinitatis [= de begin- terecht; zo verwierven de Geleense priesters Jan Maes en
selen van het Latijn] en de cijferkonst zeer wel onderwijst”. Frans Leurs er de titel van Magister artium [= meester in de
Ook hij ontving waarschijnlijk van de ouders van zijn (vrije) kunsten], terwijl andere Geleners er de graad van
leerlingen een vergoeding. Maar arme kinderen bleven niet ”licentiaat in de beide rechten” behaalden.
van onderwijs verstoken, want uit een notitie van 1774
blijkt, dat van een door de kerk uitgeleend kapitaal ”den Advocaten: ”Licentiaten in de beide rechten”
custer alhier is de interesse treckende waervoor hij de arme
kinder in de school is leerende”. Zoals wij zagen, hadden de drossaards G. van Nierbeeck
Ook Claessens kreeg concurrentie. In januari 1775 diende († 1686), G. Duycker (1657-1726), L. Duycker (1689-
hij bij de schepenbank van het graafschap Geleen de klacht 1753), J.W. Franssen (1704-1779) en N.F.J. Strens (1764-
in, dat Jacob Henssen van Spaubeek in Geleen school hield; 1821) - de tweede aan de universiteit van Keulen (D.) en de
op zijn verzoek werd dit de Spaubeekenaar verboden <LvO nr. meeste, zo niet alle, anderen aan die van Leuven (B.) - de
1281>. In 1787 werd Claessens als koster door Lambert Meys graad van Juris Utriusque Licentiatus, d.w.z. ”der Beyder
opgevolgd. Volgens zijn gedachtenisprentje heeft ook hij te Rechten Licentiaet” gehaald. De uitdrukking ”Beider
Geleen de functie van onderwijzer waargenomen. Rechten” duidde op bekwaamheid in het kerkelijke en het
Uit de archieven blijkt, dat het aantal personen, dat niet kon burgerlijke recht. Ook sommige leden van de Geleense
lezen of schrijven, zelfs in de tweede helft van de negentiende families Mutzenich, Van den Stock, Corten en Meyer
eeuw nog verrassend groot was. Daarentegen werd in behaalden die graad en oefenden het beroep van advocaat
sommige families sterk op scholing aangedrongen. Zo uit.
bepaalde Meyken Krekels-Banens (1664-1747) van
Krawinkel in haar testament, dat de vier eerder vermelde Godfried Mutzenich sr. (eerste helft zeventiende eeuw)
weesjongens van haar dochter Anna Krekels (1695-1736) en Godfried Mutzenich, wiens bloedverwanten eerst halfers op
Hans Derick Göbbels (1705-1741) zouden ”ter studie de grote hoeve van Lutterade waren en daarna de hoeve
gehouden worden”. Joseph Göbbels, de jongste, bij wiens Heimstenrade in leen hadden, was een zoon van Jan
geboorte de moeder was overleden, werd priester, terwijl zijn Mutzenich, schepen van Geleen, en een broer van Mathijs
broers Jan en Lambert Göbbels achtereenvolgens het ambt Mutzenich, schepen en secretaris van Geleen. Nadat hij de
van schepen bekleedden <Göbbels, 29-30>. graad van ”Licentiaat in de Rechten” had behaald, woonde
Gezien de vele priesterroepingen onder de Geleense jonge- hij blijkbaar enige tijd te Geleen. In de eerste helft van de
lui, moet er in de zeventiende en achttiende eeuw ter plaatse zeventiende eeuw werd hij met eenderde van de hoeve
vrij geregeld lager onderwijs zijn gegeven. Voor middelbaar Gebroek te Geverik (Beek) beleend. Hij overleed vóór 6
onderwijs konden zij in het naar St.-Albert de Grote september 1642, want op die dag verhief zijn zoon Jacob
genoemde ”Collegie” van de dominicanen te Sittard terecht. eenderde van dat goed; de laatstgenoemde werd kanunnik te
Daar werd o.a. Latijn, Grieks, Frans en Duits onderwezen en Sittard.
kon men zich op de universiteit of op het grootseminarie Nadat Godfried Mutzenich als advocaat bij de Soevereine
voorbereiden <PSHAL 1889, 20>. Van de priester Johan Dullens, Raad van Brabant te Brussel was benoemd, verhuisde hij met
die in 1706 op de Biesenhof werd geboren, wordt uit- zijn gezin naar die stad. Die verhuizing verklaart dat zijn
drukkelijk vermeld, dat hij in zijn jeugd ”aan het college in dochter Anna Maria daar in het klooster trad, zijn dochter
Sittard” studeerde <LDOBB, 50>. Het spreekt vanzelf, dat die Alexandrina in die stad bleef wonen en zijn zoon Godfried,
tocht dagelijks te voet werd afgelegd, juist zoals in de negen- die in de voetstappen van zijn vader trad, zich eveneens
319
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 320
aldaar vestigde <PSHAL 1884, 420-421; 1885, 26. - Informatie door A. Limburg gekozen. Hij overleed te Oensel op 15 oktober
Corten>. 1822 <Msg 1951, 29. - NedPat 44 (1958), 109>.
Godfried Mutzenich jr. (zeventiende eeuw) Jan Joseph Frederik Meyer (1749-1810)
Godfried Mutzenich, zoon van de vorige, werd op 21 juli Jan Joseph Frederik Meyer was circa 1749 [waarschijnlijk te
1645, 11 maart 1647 en 22 mei 1654 als advocaat te Brussel Maastricht] geboren als zoon van Frans Meyer en Maria
vermeld. Hij was getrouwd met Anna van Veen. Ook was hij Theresia de Gavarelle; hij was een kleinzoon van Willem de
Heer van een viertal heerlijkheden ten zuidoosten van Gavarelle. Daar hij geruime tijd bij zijn ouders te Geleen
Brussel. Ondanks de verre afstand behartigde hij tevens de heeft gewoond en ook omdat hij in 1781/82 Huize
belangen van zijn bloedverwanten Maes te Geleen en kwam Koekamp bouwde, dat destijds binnen de grenzen van het
hij in maart 1647 tot dat doel naar zijn geboorteplaats graafschap Geleen lag, kunnen we hem als een ”Gelener”
<PSHAL 1884, 420-421; 1885, 26. - Msg 1926, 45. - Informatie A. Corten>. beschouwen.
Op vrij jeugdige leeftijd trad hij als novice in bij de jezuïeten
Gonzales van den Stock (zeventiende eeuw) te Maastricht. Na de opheffing van de jezuïetencongregatie
Ofschoon Gonzales, zoon van drossaard Jan van den Stock, in 1773 vertrok hij naar Leuven en ging er rechten studeren;
blijkbaar elders was geboren, bracht hij zijn jeugd in het hij slaagde met de hoogste onderscheiding. In 1777 vestigde
ouderlijk huis in de Dorpstraat [Marcellienstraat] door. Er hij zich als advocaat te Maastricht. Men zei later, dat hij
zijn ons geen persoonlijke gegevens over hem bekend. nooit in een proces was opgetreden, dat hij niet had
Op 4 oktober 1661 verhief hij te Valkenburg de Hanenhof, gewonnen. In 1803 werd hij rechter aan het keizerlijk
die zijn vader - tezamen met anderen - kort tevoren had tribunaal te Maastricht en reeds in juli 1808 werd hij tot
gekocht; toen werd hij reeds advocaat genoemd <PSHAL 1885,
20>. In die functie blijkt hij zich mettertijd te Brussel te
hebben gevestigd, maar hij komt ook soms in de archieven
betreffende Geleen als advocaat voor.
Zo maakte hij, namens zijn vader, klachten over het weer-
houden van geldelijke vergoedingen van de drossaard door
graaf Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen gerechtelijk
aanhangig. De graaf had blijkbaar diens afrekening van de
grafelijke inkomsten niet vertrouwd. Pas in 1685, na de
dood van de graaf (1668) en van zijn vader (1683) wist hij
van prins Karel Theodoor Otto van Salm, schoonzoon van
de eerstgenoemde, genoegdoening te verkrijgen <AKB>.
In het langdurige proces met de landcommandeur van Alden
Biesen over de rechten van de Duitse Orde te Geleen (1669-
1687) behartigde Gonzales van den Stock de belangen van
de Geleense gemeenschap bij de Raad van Brabant te
Brussel. In zijn lening van 800 gulden aan de halfer van de
Biesenhof kan men een aanwijzing van zijn financiële
welvaart zien. [Zie ”Kroniek” onder 1669-1687.]
Frederik Leonard Corten (1743-1822) ”Landtmeter” door een oculair kijkend, getekend door Jan
Frederik Leonard Corten werd op 24 november 1743 op het Bollen de oude. Tevens heeft deze laatste daarmee zijn eigentijds
kasteel te Amstenrade geboren als zoon van secretaris Reinier voorkomen met lange haren, baardje (?), hoed, kledij en
Corten en Johanna Petronella Gadé. Als kind kwam hij met schoeisel weergegeven <RAM nr. 92A, f. 147r. Foto H. L. Mordang>.
zijn ouders in het door hen in 1751 in de Geenstraat te
Lutterade gebouwde [later ”Drossaardhuis” genoemde]
complex wonen. Hij ging te Leuven rechten studeren en
behaalde de graad van ”Licentiaat in de Rechten”.
Hij trouwde (16-11-1767) met Maria Anna Banens (1738-
1789) van Oensel [Beek] en werd op 13 augustus 1780 met
het ouderlijke goed van zijn vrouw, de ”Grote Hof Oensel”,
beleend. Hij oefende enige tijd het ambt van ontvanger van
het Land van Valkenburg uit, praktiseerde als advocaat te
Maastricht, werd tot vrederechter van het kanton Meerssen
benoemd en werd als lid van de provinciale staten van
320
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 321
president van dat gerechtshof benoemd. Na een korte ziekte Jan Bollen de oude (vóór 1640 - 1711)
overleed hij te Maastricht op 16 februari 1810 en volgens Jan Bollen sr. was vóór 1640 te Limmel geboren. Zijn eerste
zijn uitdrukkelijke wens werd hij drie dagen later op het lessen in de ”Landtmeet-Const” ontving hij van meester
oude kerkhof van Munstergeleen begraven <PSHAL 1870, 508- Peter Koumans te Neerbeek, waarna hij zich bij landmeter
509>. [Zie ook deel II, hoofdstuk X.] Jan Velen te Maastricht verder bekwaamde. Op 14 oktober
1668 legde hij de eed als landmeter van het graafschap
Vermaarde Geleense landmeters Geleen af. Tussen 1674 en 1710 heeft hij een groot aantal
opmetingen in deze contreien gedaan <PSHAL 1958-59, 412-457>.
Het landmetersarchief in het rijksarchief te Maastricht Voor ons is zijn voornaamste nalatenschap het Medtboeck
bestaat uit 28 registers en 46 portefeuilles. Alle 28 registers van de Herlicheijt van Opgeleen uit 1676 <LvO nr. 1347>.
werden door Geleense landmeters vervaardigd, nl. Jan Op 2 december 1672 huwde hij te Spaubeek met Trincken
Bollen sr. (15), Jan Bollen jr. (8), diens zoon Jan Willem [= Catharina] Penris en ging te Hobbelrade wonen. Zij over-
Bollen en schoonzoon Jacob Vroemen (4) en de aanverwant leed - waarschijnlijk bij de geboorte van het dochtertje
Jan Mathijs Luijten (1) <PSHAL 1958-59, 418>. En omdat die Meyken - op 12 maart 1674. In juni 1675 hertrouwde hij te
landmeters tevens notariële functies, zoals eigendoms- en Geleen met Enken [= Anna] Banens, weduwe van Severen
erfenisdelingen, waarnamen, bevatten ook de notariële Penris († 20-4-1674), die aan haar eerste man zeven kinde-
registers veel van hun beroepsactiviteiten. ren had geschonken; hij ging bij haar en haar kinderen te
Beekhoven wonen. Zijn tweede vrouw schonk hem twee
zonen en twee dochters. Jan Bollen de oude overleed op 10
februari 1711; zijn weduwe stierf 25 maart 1722. Hun
dochter Catharina Bollen (*22-12-1675) trouwde op 22
november 1699 met Hendrik Vroemen, koster te Spaubeek,
terwijl Sybilla Bollen (*8-9-1680, † 16-12-1756) met luite-
nant Fr. Gadé († 17-12-1743) trouwde en de schoonmoeder
van drossaard R. Corten werd.
Jan Bollen de oude maakte tussen zijn opmetingen allerlei
aantekeningen. Sommige notities hadden betrekking op zijn
beroep. Toen het weer hem in het voorjaar van 1676 in de
uitoefening daarvan had gehinderd, noteerde hij: ”De
schrallen [= schrale = koude] windt en couden vorst met
sneuw en hagel steenen maeckt dat ick in mijn metinge niet
veel kan spoijen [= bespoedigen] noch ruymen [= uit-
breiden]”. Maar toen hij in 1685 zijn werk te Schinveld had
beëindigd, schreef hij voldaan:
Het zogenaamde ”oculair”, een landmetersinstrument, dat eeuwen- ”Nu het eijnde is gecoemen, daer van willen wij Godt dancken en looven
lang in gebruik bleef. Dit was een van fijne spleetjes voorzien acht- dat hij ons ’t leven soo langh heeft verleent, dat het geld nu is verdient.
hoekig apparaat, dat op een stok was geschroefd. Met het blote oog Te hebben wel gedaen, dat soude mijn hardt verblijden,
door die spleetjes kijkend kon de landmeter rechte hoeken in het heeft jemant meer oft mein, dat compt door qualijck wijsen”
terrein uitzetten en aldus de oppervlakte van percelen berekenen.
Omwille van de nauwkeurigheid werd in de bredere spleet nog een <PSHAL 1958/59, 440>.
paardenhaar gespannen <Foto J. Diederen, LimDag 28-11-1982>.
In de laatste regel schreef hij eventuele door hem begane
fouten aan verkeerde aanwijzingen door anderen toe. Ook
noteerde hij historische gebeurtenissen uit zijn naaste
omgeving; zo danken wij aan hem verscheidene details over
het optreden van troepen in en om Geleen in de jaren
zeventig van de zeventiende eeuw. Nog andere notities gaven
zijn visie op het menselijke bestaan weer. Zijn alfabet van het
mensenleven werd reeds vermeld [onder 5 van dit hoofdstuk].
In juni 1690 schreef hij in zijn meetboek van Spaubeek:
”Die meetingh is gedaen, die grootheijt is gevonden,
van diese heerlichheijt, door Godts genaedt te dieser stonden,
de doodt verrasset ons, als men te leven meijnde:
doch die op Godt betrout, sal leven sonder eijnde”
<PSHAL 1958/59, 441>.
321
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 322
De laatste bladzijde van een meetboek Bollen uit 1706 met een
variant van de tekst uit 1690 <GAG nr. 1. - Foto G.H. Maassen>.
Titelblad van een meetboek uit 1706. De tekst werd door Jan vermelde rijm, dat zijn vader in 1690 bij het beëindigen van
Bollen de oude en de jonge gezamenlijk opgesteld, want beide de meting van Spaubeek had genoteerd <Msg 1879, 180. - PSHAL
spreken hier in de eerste persoon. Maar de tekeningen, nl. een 1858/59, 457>.
vis (boven) en een gevleugelde draak (onder), zijn waarschijn- Jan Bollen de jonge ging achteraan in de Jodenstraat wonen
lijk van de hand van Jan Bollen de oude. In de linkerbeneden- <GOA II, nr. 45> en omdat hij sedert 1714 tevens schepen was,
hoek staat een aantekening van ex-maire J. M. Luijten van 2 werden in zijn huis vaak de vergaderingen van de schepen-
december 1818 <GAG nr. 1. - Foto G.H. Maassen>. bank gehouden. Op 21 april 1708 trouwde hij met de
molenaarsdochter Sybilla Cuijpers van Sint-Jansgeleen († 9-
5-1713) en op 17 mei 1714 met Maria Hamers († 28-9-
1752). Uit die huwelijken zijn respectievelijk vier en zes
kinderen bekend, nl. drie zonen en zeven dochters. Jan
Bollen de jonge overleed op 14 februari 1751.
Anna Margaretha Bollen (*15-9-1719) trouwde (30-9-
1745) met Reinier Dullens en overleed vijf maanden later
(2-3-1746); Elisabeth Bollen (*13-8-1716, † 6-2-1767) trouw-
de (5-4-1747) met Peter Keulers; Ida Bollen (*15-3-1721,
† 18-8-1782) trouwde (3-10-1748) met Jacob Vroemen;
Maria Cornelia Bollen (*21-6-1723) trouwde (26-8-1753)
met Caspar Dullens en overleed ruim een week later (3-9-
1753).
Jan Bollen de jonge (1678-1751) Jan Willem Bollen (1715-1746)
Jan Bollen junior, die op 5 april 1678 te Beekhoven was Jan Willem Bollen (*24-1-1715), zoon van Jan Bollen de
geboren, assisteerde zijn vader reeds op 29 april 1695 als jonge, noemde zichzelf reeds op 24 april 1738 ”geswooren
getuige bij een verdeling. Ook hij koos het beroep van landtmeter” en op 1 september van dat jaar ”geswooren
landmeter <RAM, NA, nr. 4672. - PSHAL 195859, 418-419. - SAS nrs. 25 en landtmeter der vrijheerlijkheyd Limbricht” <RAM, NA, nrs. 4686
26>. Voor ons is zijn belangrijkste werk de Generaele en 4687>. Ook assisteerde hij zijn vader, o.a. bij de opmetingen
meetinghe der graefschappe Geleen (1706), waarin hij het te Abshoven in 1745 <M’geleen, 461>. Hij overleed reeds op 22
meetboek van zijn vader uit 1676 aan de sindsdien februari 1746.
veranderde omstandigheden aanpaste <LvO nr. 1348 en GAG nr.
1>. In 1715 sloot hij met de magistraat en de voogd van Jacob Vroemen (1717-1779)
Sittard een overeenkomst, waarbij hij de meting van het Jacob Vroemen (*9-10-1717), zoon van Jan Vroemen en
kerspel Sittard op zich nam en de magistraat zich verbond Catharina Demacker, die met Ida Bollen trouwde, assisteer-
hem voor elk bunder 14 stuiver en ineens voor kost en drank de zijn schoonvader circa 1750 <RAM, NA, nr. 4688>. Op 1 mei
12 rijksdaalder te betalen. Toen hij daarmee klaar was, 1751 verklaarde en certificeerde landmeter Joannes van der
schreef hij aan het einde bijna letterlijk het hierboven Leeuw te Stevensweert, ”naer examinatie bevonden te
322
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 323
hebben dat den eerssaemen Jacobus Vroomen capabel is om
het beganckelijck so landerijen, weijden, bosschen alles
accessibel te meeten, ende in egaele en andere deelen te
deelen”. Pas op 23 mei 1753 legde hij de landmeterseed voor
de schepenbank van Geleen af <PSHAL 1958/59, 424, 449 en 451>.
Op 29 oktober 1779 werd hij, evenals twee zonen - onder
wie de dertigjarige notaris Hans Willem Vroemen - en een
dochter, het slachtoffer van een epidemie. Via zijn klein-
dochter Anna Maria Vroemen kwamen meer dan twintig
meetboeken van Jan Bollen de oude en de jonge aan haar
zoon Louis Elias te Valkenburg, en deze schonk ze in 1890
aan het rijksarchief te Maastricht <LimDag 19-2-1988>.
Driehoeksmeting met verrijzenisscène door Jan Bollen de oude.
Onder dit tafereel staat: ”O Maria en Roert mij niet aan, want
ick en ben noch niet totten vader gegaen, gaet en seght mijn
jongers (= apostelen) gepresen, hoe dat ghij mij hebt sien
verrijsen, in Galileen voorwaar, daer hebt ghij mij nu gesien
seer wonderbaer”. Die tekst is kennelijk gebaseerd op het
evangelie van de H. Johannes (h. 20, vv. 15-17). Omdat het
(rijm)woord ”gepresen” is, lijkt ”verrijsen” hier een verschrijving
voor ”verresen” te zijn <RAM nr. 92A. - Foto Widdershoven>.
Landmetersinstrument, door J. Diederen te Oirsbeek ontdekt, 33 gr[aden] 40 Minuten vraeghe naer den Basis AC en
dat volgens hem vermoedelijk door de landmeters Bollen en perpendi(x) BD en de hoecken B en C”.
Vroemen werd gebruikt <Foto J. Diederen>. In die driehoek tekende Bollen de verrezen Christus met een
schop in zijn rechterhand en Maria Magdalena met een
Jan Mathijs Luijten (1752-1820) kruik, terwijl op de achtergrond een kerk (!) op een heuvel
Elisabeth Bollen (*13-8-1716), een andere dochter van Jan ligt en daaronder de ingang tot een grot zichtbaar is.
Bollen de jonge, trouwde met Peter Keulers en werd de Een paar tekeningen op de volgende bladzijde illustreren
schoonmoeder van maire Jan Mathijs Luijten. Deze laatste instructies voor het vaststellen van het uur van de dag
was ”als geswooren landmeeter bij den Hoogen en volgens het beginsel van de zonnewijzer. In Duitsland, waar
Provincialen Hove van Limbourg geadmitteert: gehouden deze procedure reeds in de zestiende eeuw bekend was, werd
ende begonst den 13 April 1785”. Hij oefende dat beroep ze ”Bauernsonnenuhr” genoemd. Door een strohalm met de
tot 1794 uit <PSHAL 1958/59, 422 en 449>. [Voor verdere gegevens duim vast te houden en de zich over de hand en de vingers
omtrent J. M. Luijten, zie hoofdstuk VI van deel I en hoofd- verplaatsende schaduw daarvan te volgen kan men het uur
stuk VII van deel II.] van de dag bepalen. Ofschoon die strohalm hier verticaal
getekend schijnt, dient hij blijkbaar schuin te worden
Tekeningen en berekeningen gehouden. Als de hand met de strohalm in de juiste positie
In een der meetboeken van Jan Bollen de oude staan een wordt gehouden, zal de schaduw om 5 uur ’s morgens op de
paar interessante tekeningen als illustraties bij opgaven, ”Teijgervinger” [= Zeigefinger of wijsvinger] vallen om daar-
waarmee de landmeter blijkbaar geregeld te doen had. Bij na achtereenvolgens op de middelvinger, de ”Goltvinger”
een daarvan stelt hij vragen over driehoeksmeting, waarvan [= ringvinger] en ”orevinger” [= kleine vinger] te vallen en
de kennis onontbeerlijk was voor de uitoefening van zijn vervolgens over deze laatste voort te kruipen tot ze om 12
beroep, nl. ”Om de Inhoudt van desen Trijangel [= drie- uur ’s middags in het midden van de hand zal vallen. Daarna
hoek] te vinden Alwaer maer van bekent en sijn die twee zal ze zich in omgekeerde richting verplaatsen om tegen 7
sijden AB 100 Roeden en BC 70 Roeden, ende den hoeck A uur ’s avonds weer de wijsvinger te bereiken. Volgens Bollen
mag die schaduw niet over ”die linie des levens”, d.w.z., de
gebogen lijn rond de ”Bergh des daumens” [= muis van de
hand], vallen. Onder de bijgevoegde instructies leest men
ook het volgende rijm:
323
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 324
In soemers Tijden meerck diese Leer ploegen en eggen, repareerde. Maar in die bronnen zijn over
uwen Rugh tot der Sonnen keer het uitoefenen van dat beroep geen details te vinden. Volgens
soo Aber vanght den winter aen oude afbeeldingen van smeden, die in hun smidse bezig zijn,
Sult ghij voor u oprecht staen is er eeuwenlang weinig of niets in de werktuigen of in de
u aengesight tot der sonnen keeren werkwijze van dat beroep veranderd. Sommige smeden
wij t ghij hier onder wel weert hoeren. combineerden dit beroep met dat van ”vétérinaire”.
Een bepaald detail van hun ambacht is uit de overlevering
De Duitse woorden en teksten tussen de Nederlandse bekend, namelijk, dat de smeden van Oud-Geleen in de St.-
duiden erop, dat hij de beschrijving van die procedure uit Jorisstraat langs de Geleenbeek de raderen gingen ”optrek-
een Duitse bron overnam. Zij was eertijds niet alleen ruim ken”, d.w.z. ijzeren banden om de houten wielen gingen
verspreid maar werd ook nog lang gebruikt. Zelfs nog tijdens leggen. Die band werd eerst in een grote ronde gleuf met
de Eerste Wereldoorlog werd ze door Duitse soldaten aan het houtvuur roodgloeiend gemaakt zodat hij uitzette. Nadat hij
front aangewend. Wie ze behendig wist te gebruiken, kon in die toestand om het houten raderwerk was gelegd, werd
zelfs bij maneschijn het juiste nachtelijke uur bepalen <Zinner, hij snel met water uit de beek afgekoeld om hem weer te
77-78>. doen krimpen en tevens het verbranden van de houten velg
te voorkomen. In de beek was
daartoe voldoende water aan-
wezig, terwijl de smid en zijn
helpers dat uit een put op zijn
erf of langs de straat noch vlug
genoeg noch in voldoende
hoeveelheden zouden hebben
kunnen scheppen.
Het vervaardigen van het
houtwerk van een wiel schijnt
echter niet de eigenlijke taak
van de smid te zijn geweest.
Dat was de specialiteit van de
radermaker, aan welk beroep
de familienamen Rademakers,
Ramakers en Ramaekers herin-
neren. Het zegel van sommige
voorouders - in de rechte
mannelijke lijn - van wijlen
mijn vriend en medewerker
Twee tekeningen door Jan Bollen de oude om via de schaduw van een strootje op de handpalm Gerard Ramaekers stelde een
en de vingers het uur van de dag te bepalen. Op beide tekeningen plaatste hij de cijfers van de wiel voor.
door de schaduw aangeduide uren op en om de vingers en de palm. Tevens gaf hij voor die
procedure de volgende instructie: ”Wie t Ghij u Lichaem ende u slinke handt stellen ende Smeden van sloten, lampen,
regieren sult om die schaduwe van den stro halm recht te ontfangen van de Sonne” <RAM nr. 92A. scharen, hengsels etc.
- Foto’s Widdershoven en Mordang>. De ambachtslui, die thuis
plaatijzer bewerkten, vervaar-
Het ”ambacht van den eyseren” digden hoofdzakelijk hangsloten en lampen. Hun collega’s,
die ijzeren staven bewerkten, waren gespecialiseerd in het
De bewerkers van ijzer waren niet alleen hoefsmeden maar maken van scharen, kaarsensnuiters, suikertangen, passers,
vooral slotenmakers en vervaardigers van andere gebruiks- ijzers voor spinnewielen, klokken en deur- en raamhengsels.
voorwerpen. Alvorens nader op deze laatste categorie in te Volgens een opgave uit 1792 kon een geschoolde arbeider
gaan, dient eerst even aandacht aan de dorpssmid te worden [”un bon ouvrier”] in de diverse werkplaatsen op één dag
besteed. ofwel een dozijn hangsloten, scharen, hengsels of snuiters
ofwel twee dozijn ijzers voor spinnewielen doch slechts een
De dorpssmid half dozijn lampen vervaardigen <GrCalHerve 1792, 35-37>. Het
In de archieven is herhaaldelijk sprake van ”der smeet” benodigde ijzer werd ten dele uit Portugal betrokken.
[dialect: ”sjmeet” = de smid]. Daarmee werd blijkbaar bijna In de archieven wordt onderscheid gemaakt tussen splinter-
steeds de dorpssmid bedoeld, die de hoefijzers maakte om de slotenmakers enerzijds en hanter- en brugslotenmakers
paarden te beslaan en landbouwgereedschappen, zoals anderzijds, zonder dat daarbij enige verklaring over de vorm
324
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 325
daalden. In september 1720 klaagden zij ”dat het ambacht
ofte hantwerck bynae onder de voeten gebrocht was ende
[zij] nauwelicks geen daegelicks broodt kosten verdienen”.
Teneinde het tij in gunstige zin te keren, vormde het gilde
een kartel, waarbij de prijzen werden vastgelegd en quota
werden toegewezen. In een door 109 ambachtslieden ”van
den eyseren” - te Oirsbeek en Geleen op respectievelijk 6 en
26 september 1720 - grotendeels [omdat zij niet konden
schrijven] met kruisjes ”ondertekende” overeenkomst werd
bepaald, dat de kooplieden of grossiers, van wie sommigen
in Sittard en anderen in Brunssum woonden en aan wie zij
hun waren leverden, ”van nu aff te beginnen” voor elk dozijn
sloten vijf stuivers meer zouden moeten betalen dan tot nog
toe het geval was geweest. Ook verplichtten zij zich per week
niet meer sloten te maken dan op een door elk lid geteken-
de lijst werd aangegeven. De getallen schommelden per
werkman van 18 tot 72 sloten per week. Als een grossier
meer sloten wilde aanschaffen, zou hij of zij de oude prijs
van vijf à zes jaar geleden moeten betalen. En als zo’n geval
zich voordeed, moest dat door de slotenmaker in kwestie aan
zijn collega’s in het ambacht worden meegedeeld. Indien zo’n
handelaar een lagere prijs zou trachten te bedingen dan was
vastgesteld, moest dit eveneens onverwijld worden gemeld.
Verder kwamen de vakbroeders overeen om in de oogsttijd
de verkoop van sloten gedurende twee maanden stil te
leggen, omdat de slotenmakers dan voldoende werk als land-
arbeiders konden vinden. Gildeleden, die daar niet in
mochten slagen, zouden door
hun medebroeders van werk
worden voorzien. Wie het
”Der Schlosser”. Op de achtergrond is een ”gehingepik” contract had ondertekend maar
[hengselsmid] aan het werk, terwijl een collega met een uurwerk
bezig is <Houtsnede door Albrecht Schmidt, Germanisches Nationalmuseum te zich niet aan de daarin vast-
Nürnberg (D.), HB. 20131>.
gelegde voorwaarden zou
of constructie van hun producten wordt verschaft. Daar er
van beugels sprake is, bestond de meerderheid waarschijnlijk houden, zou een boete van zes
uit hangsloten met draaibare bovenstukken. Tevens werd
voor elk slot een sleutel met zijn individuele baard of vlag patakons oplopen <LvO nr. 1504>.
vervaardigd. Hengsels worden in de archieven als ”gehijnen”
aangeduid, terwijl men thans ”gehengen” schrijft. In mijn De in 1720 genomen maat-
jeugd spraken oudere Geleners van ”gehinge” of ”ginge”,
terwijl ”gingesjmeed” en ”gingepik” gangbare woorden voor regelen bleken effectief te zijn,
hengselsmid waren.
De metaalbewerkers in het Oostenrijks gedeelte van het want een paar decennia later
Land van Valkenburg waren georganiseerd in het ”ambacht
van den eyseren”. Dit gilde bestond uit hoofdmeesters, was het gilde aanmerkelijk
meesters, meesterszonen en knechten. De leden van elke
plaats kozen hun lokale meesters en/of hoofdmeesters. In sterker geworden. Niet alleen
1720 stond de afdeling Geleen onder de leiding van Jan
Nijssen en Jan Smeets. In het graafschap Geleen in ruime was het aantal slotenmakers
zin woonden toen meer dan honderd slotenmakers, die
- tezamen met hun nagenoeg 150 helpers - wekelijks meer binnen het graafschap Geleen
dan 4.000 sloten vervaardigden.
Toch ging het hun toen niet naar den vleze, want de prijzen [in ruime zin] toegenomen,
maar ook hadden de collega’s
uit Beek en Schinnen zich bij
hen aangesloten. Voor het jaar
1740 werd het ledental van het ”Gotisch” geheng aan een
”ambacht van den eyseren” als deur uit 1764 in het
280 opgegeven. Toen werden vroegere huis Pelssers in de
voor Geleen vier hoofdmeesters Pieterstraat.
vermeld, die elk waarschijnlijk De ”gehengduim”, waarin
hun eigen dorp vertegenwoor- een geheng draaide, werd
digden. Aan hun hoofd stond in het Geleens dialect
Absalon Demacker. ”teulder” genoemd
Uit in 1740 opgemaakte lijsten <Tekening P. A. Schols>.
325
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 326
blijkt, dat de bij het gilde aangesloten slotenmakers niet nog steeds floreerde, blijkt uit het proces dat de Geleners Jan
zomaar op goed geluk een aantal sloten produceerden en die Tummers en Michiel Houben toen als hoofdmeesters en nog
dan probeerden te verkopen. Bijna iedereen had een akkoord tien andere leden tegen de Sittardse koopman Bock voerden.
met een bepaalde koopman of koopvrouw - zo werkte een Deze laatste had meer dan de gangbare prijs voor de aan hem
opvallend groot aantal slotenmakers voor een zekere geleverde sloten betaald om aldus meer sloten te verkrijgen
mejuffrouw Beckers - zodat zij van de afname van hun dan volgens het reglement was toegestaan. Zeven jaar later
producten verzekerd waren. was die koopman echter nog steeds een voorname afnemer
Uit die lijsten blijkt tevens, dat elk hoofd van een werkplaats van Geleense slotenmakers, want op 31 augustus 1768
of smidse de aldaar vervaardigde sloten met zijn initialen op verklaarden dezen, ”dat eenige [van hen] veertigh, eenige
de beugels ”merkte”, b.v. Peter Kremers met PK, Mathijs dertigh, andere twintigh jaeren gearbyt hebben voor
Lemmens met ML, Claes Eummelen met CE enzovoorts. koopman Bock te Zittard” <Geleen, 90>.
Peter Demacker, die zijn sloten - waarschijnlijk met het merk Er werd blijkbaar ook te Maastricht geleverd, want RUSSEL
van zijn familielid Tevis Demacker - met TM had gemerkt, tekende uit de mond van bejaarden op, dat een Gelener, die
kreeg de opdracht voortaan met PM te ”tekenen”. De een kar vol gerst naar Maastricht had gebracht, op de terug-
lampen- en scharenmakers plaatsten eveneens hun initialen weg een slotenmaker van Lutterade inhaalde, die een pakje
op hun producten. Het aanleggen van lijsten van de sloten op zijn rug naar die stad had gedragen. Uit het daar-
persoonlijke merken had allicht tot doel de voortbrengsels opvolgende gesprek bleek, dat die sloten evenveel als de gerst
van elke smid te kunnen identificeren <LvO nr. 1514>. hadden opgebracht <Russel 1860, 72>.
Omstreeks 1750 woonden in Beek 32, in Oirsbeek 30 en in In 1796 woonden er in de ”commune” Geleen nog slechts
Brunssum zelfs meer dan 100 leden. In Schinnen woonden 35 slotenmakers en tien lampenmakers. Alle leden van de
toen 43 slotenmakers en zestien scharenmakers. In het graaf- laatste groep oefenden hun ambacht in Lutterade uit, terwijl
schap Geleen in enge zin, d.w.z. Oud-Geleen, Lutterade, de meeste leden van de eerste groep dit in Krawinkel deden
Krawinkel, Spaans-Neerbeek, een gedeelte van Daniken en <FA nr. 1053>.
Spaubeek, woonden toen 70 slotenmakers, zeven lampen-
makers en een scharenmaker <GrCalHerve 1792. - Moonen, 61-62. -
GvL 14-7-1949>. Dat het ”ambacht van den eyseren” in 1761
”Barok” klopper (dialect: ”klènk”) aan de deur in de straatpoort Schuif (dialect: ”sjauw”) aan de binnenzijde van de straatpoort
van het vroegere huis Pelssers in de Pieterstraat: links vooraan- van het vroegere huis Pelssers in de Pieterstraat: (boven) voor-
zicht, rechts zijaanzicht. Hij heet ”klopper”, omdat in deze aanzicht, (onder) bovenaanzicht. De linkse ronding is klein
stand met het onderste gedeelte tegen een metalen knop kan genoeg om het door de poort stekende verbindingsstukje van de
worden geklopt. Hij kan ook horizontaal worden geplaatst en klopper (aan de buitenkant, zie hiernaast) vat te geven. Maar
dan worden gedraaid om aan de binnenzijde van de poort een als de schuif naar links wordt verschoven, komt dat ver-
schuif (zie hiernaast) op te heffen en de deur te openen <Tekening bindingsstukje in een grotere ronding te staan, zodat ze niet
P. A. Schols>. meer door middel van die klopper kan worden opgeheven. De
door Schols onder die tekeningen geplaatste tekst luidt: ”In deze
stand is de schoot (sjauw) op nachtslot en de klopper (klènk)
pakt niet meer vanwege het rondinkje, tevens het teken dat men
niet gestoord wenst te worden (’s nachts en den unjere)”. Dit
laatste was de middagrust in de zomermaanden <Tekening P. A.
Schols>.
De uurwerkmakersfamilie Wessels
Een speciaal lid van het smedengilde was de ”horlogie-
maecker”. Destijds werd met ”orlosi” of ”horlogie” elk soort
uurwerk, nl. zowel torenuurwerken en huisklokken als zak-
horloges, aangeduid. Dat wil echter niet zeggen, dat elke
”horlogiemaker” alle drie soorten klokken zou hebben
326
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 327
vervaardigd; de meesten blijken zich tot het maken van hield, nl. te Heerlen, Voerendaal en Welten. Maar er zijn
huisklokken te hebben beperkt. De klokkenmaker behoorde geen klokken van hem bekend <Mestrom, Appendix II>. Hij
niet tot het gilde van de goud- of zilversmeden maar tot het trouwde (18-10-1713) met Maria Geurts. In 1725 verhuis-
”ambacht van den eyseren”, want hij werkte in een atelier de dit gezin van Lutterade naar een huis aan de noordzijde
met een smidsvuur en vervaardigde zijn ”uurwerken” met van de Peschstraat in Oud-Geleen.
betrekkelijk eenvoudig gereedschap. Hij vervaardigde enkel
het eigenlijke klokwerk, terwijl een schrijnwerker de houten De vroegst bekende klokkenmaker Willem Wessels (1730-
kast maakte, waarin dit hangwerk werd geplaatst. 1816)
Oudere generaties Wessels: slotenmakers en onderhouders Hun zoon Willem Arnold Wessels (1730-1816) was het
van torenuurwerken vroegste als ”meester uurwerkmaker” aangeduide lid van dit
Een bijkomende functie van de hoefsmeden Hoedemakers geslacht. Op 1 maart 1757 werd door de autoriteiten van
in de Groenstraat was het geregeld repareren van de toren- Echt ”geresolveert dat Wilhelmus Wissels horologiemaecker
klok van Elsloo <HJLvZ 1993, 139>, terwijl de specialisatie van van Geleen voort repareeren der kercke horologie mits-
”horlogiemaecker” in de familie Wessels uit het beroep van gaeders voort daerinne gemaeckt nieuw wercken ten vollen
slotenmaker voortkwam. In de Geleense kerkrekeningen sal betaelt worden; te weten vyff en twintigh pattacons”
staan uitgaven aan Willem Wessels (1661-1728) voor het <PSHAL 1923, 26-27>. Rond 1760 bracht hij de torenuurwerken
maken of repareren van het kerkslot, het veranderen van een van Heerlen, Voerendaal en Welten in orde. In 1761 bood
slot en het aanbrengen van ankers en haken in de muren van hij een rekest aan om die klokken voor een jaarloon van 40
de geriefkamer, ”clamisers” [= klemijzers] aan het koor en gulden te onderhouden; maar omdat zijn vader dat lange tijd
ijzeren versterkingen aan de vensters. Hij trouwde (5-3- had gedaan, wilde hij met 30 gulden genoegen nemen. Hij
1685) met Jenne Boijens. voegde eraan toe, dat hij daartoe telkens drie uur heen en
Hun zoon Peter Wessels (1685-1753) was de eerste van dit drie uur terug te voet moest gaan ”in bedroefde wehren
geslacht van wie bekend is, dat hij torenuurwerken onder- [= slecht weer], soo in hitte, fyemente [= vehemente =
hevige] kelte [= koude], jae regen en sneuw” <Mestrom, Appendix
Wijzerplaat in klokkenkast van de Geleense ”Orlosimaiker”
Wilhelmus Wessels <Foto M. Verjans>. III>.
Ook bevat het parochiearchief van Limbricht veel door hem
tussen 1771 en 1813 eigenhandig geschreven en onder-
tekende kwitanties wegens onderhoudswerkzaamheden aan
de kerkklok aldaar. Op 20 september 1781 ontving hij
wegens ”nieuw werck aen de KerckHorlogie der Vrije
heerlijkheyd Limbrigt” 26 gulden <Msg 1990, 18>. Op 7 mei
1794 werd opgemerkt, dat Willem Wessels ”volgens oudt
gebruik” elk jaar 25 gulden voor het onderhoud van de
”kerckklock” van Geleen had ontvangen. Na de confiscatie
van die kerk door de Fransen diende hij elk jaar bij de
gemeente een gedetailleerde rekening voor zijn werkzaam-
heden aan dat uurwerk in. Zo ontving hij op 10 december
1809 een bedrag van 29 gulden voor de reparatie van de
kerkklok <FA nr. 3095>.
Op 17 juni 1760 maakte Willem Wessels voor de levering
van een klok aan landmeter Jacob Vroemen ”alles gelijck”.
Tevens werd in die schriftelijke transactie door elk van hen
beloofd nog ”een bottele wijn” te geven, ”welcke wij met den
eersten zullen verdrencken”. Ook werd door de nieuwe
eigenaar ”geconditioneert” [= als voorwaarde gesteld], dat
Wessels ”mijne klocke noch moet onderhouden dry gantse
jaeren”. ’s Morgens zou hem daarbij brandewijn worden aan-
geboden, terwijl hij ’s middags recht op niet minder dan
twee kannen bier zou hebben <Msg 1900, 67>. Volgens een akte
van 7 juni 1762 moest Willem Wessels vóór 1 november van
dat jaar voor Bernard Wauters een klok ter waarde van ”thien
rixsdaelders” maken. Ook leverde hij in 1783 een staande
klok aan Reinier Helgers en zijn vrouw Ida Martens, halfers
op Ten Eijsden.
Toen Willem Wessels op 25 januari 1816 overleed, waren
327
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 328
naast een ”aveld” [= aambeeld], een blaasbalg, een De hoeve van het Akener Münsterstift te Krawinkel
”sme(e)hamer”, ”smitsgetuijg” en ”kleen smitsgetuijg” nog Er zijn een heel stel zestiende-, zeventiende- en achttiende-
veertien klokken in zijn atelier aanwezig. Minstens 23 van eeuwse pachtcontracten tussen het Münsterstift van Aken en
zijn klokken zijn bewaard gebleven; dit aantal werd door de pachters van zijn hoeve te Krawinkel [voorheen de
MESTROM op slechts 3% van zijn levenslange productie kloosterhoeve van de abdij van Villers] bewaard gebleven. In
geschat. Willem Wessels trouwde (4-12-1760) met Maria de nagenoeg gelijkluidende - telkens van de voorafgaande
Ida Limpens. gekopieerde - contracten ging de pachter een ”toust” voor
Van hun zoon Theodoor Eligius Wessels (1767-1816), die twaalf, negen, zes of drie jaar aan, vaak beginnend en
met Maria Joanna Dols trouwde (1807) en in de Daalstraat eindigend met St.-Remeys [= St.-Remigius = 1 oktober] en
ging wonen, zijn drie klokken bewaard gebleven; een van soms met St.-Geertruid [= 17 maart]. De vroegste contracten
deze geeft in de raadzaal op het gemeentehuis van Geleen de werden alle door de schepenen van Geleen bevestigd;
tijd aan. Van zijn broer Peter Wessels (1772-1855), die met waarschijnlijk werd dit gedaan, omdat andere personen zich
Anna Maria Houtbeckers trouwde (1811), zijn vier klokken borg voor de halfer moesten stellen. Ook toen het contract
bekend. Ook leden van twee jongere generaties zouden het later voor een notaris werd gesloten, werd het - waarschijnlijk
beroep van ”horlogiemaker” uitoefenen <GelEeuw I, 109-129. - om die reden - door de schepenbank bekrachtigd. Halfers die
welvarend genoeg waren om het zonder borgen te stellen,
Karak, 6970. - Mestrom, 269-274 en Appendix II>. moesten zelf een ”cautie” [= waarborgsom] van duizend
patakons aan het kapittel overhandigen.
Tousten of pachtcontracten
van halfers op de grote hoeven Leveringen in natura
Al die contracten legden ongeveer dezelfde verplichtingen
Zoals wij reeds zagen, lagen op het grondgebied van Geleen op, alhoewel de hoeveelheid graan en het aantal kapoenen,
eeuwenlang een aantal alleenliggende grote boerderijen, die die moesten worden geleverd en ook het aantal te planten
aan adellijke families of geestelijke orden toebehoorden en bomen mettertijd toenamen. In de zestiende-eeuwse
aan halfwinners of halfers werden verpacht. Iedere halfer contracten werd o.a. bepaald, dat de halfer elk jaar tussen
sloot met de eigenaar een toust of tousting [= pachtcontract] St.-Andries [= 30 november] en O.-L.-Vrouw Lichtmis
voor een bepaald aantal jaren. Het opzeggen van de pacht [= 2 februari] 116 mud rogge en 25 mud tarwe op de
moest doorgaans minstens een half jaar tevoren geschieden. ”spicher” [= graanzolder] van het stift en tegen Kerstmis
Bij het einde van de toust moest de halfer de hoeve en haar zestien kapoenen ten huize van de keldermeester [van dat
gewande ”behoorlijck getuijnt en bevrijet”, d.w.z. van goede stift] moest leveren.
hagen en omheiningen voorzien, laten liggen. In 1691 moest hij voor ieder bunder graanland tien vat
Het woord toust werd eeuwenlang in de dubbele betekenis rogge afstaan. In de latere contracten staat 101/2 vat; tevens
van ”pachtcontract” en ”pachttermijn” gebruikt en bleef in wordt dan toegevoegd, dat het koren ”wel uijtgewandt”
beide betekenissen tot in onze tijd in de volksmond voort- moet zijn, d.w.z. van alle kaf moet zijn ontdaan. In 1704 is
leven. In 1928 vermeldde DORREN tous en toust als een nog het aantal te leveren kapoenen tot achttien gestegen en vanaf
steeds gebruikelijk woord in het Valkenburgs dialect <Dorren, 1743 moeten er zelfs 24 worden bezorgd. In het contract van
10>, in 1955 gaf ENDEPOLS tous [meervoud: touste] als een 1691 staat dat de pachter bij eventueel niet nakomen van de
gangbaar Maastrichts woord op <Endepols, 431> en zelfs nog in verplichte leveranties voor het ontbrekende graan de hoogste
1979 werd tous door SCHELBERG als een Sittards dialect- prijs op de markt van Aken zal moeten betalen. In de
woord vermeld <Schelberg, 430>. In 1935 schreef J. GRAULS, dat zestiende eeuw moest hij ook nog elk jaar op zijn kosten een
toen ook de Belgische Limburgers het woord toust nog steeds vracht graan van [de markt te] Sittard naar die ”spicher” te
in de traditionele zin gebruikten. Deze spelling is een Aken brengen.
Limburgse variant van het Middelnederlandse tonst, dat In de vroege contracten beloven de kanunniken om tijdens
dezelfde betekenis had <Lindemans II, 115 en 141>. Het werk- het winterseizoen een of meer dorsers te sturen om bij het
woord tonsten of tonsen betekende: overeenkomen, een dorsen de helpende hand te bieden. In latere contracten
verdrag of contract tekenen <T&D 1935, 292-293>. krijgt die clausule een andere strekking; dan houden de
Aanvankelijk waren de halfers verplicht om goederen in kanunniken zich het recht voor om, bij niet-levering door de
natura, zoals granen en kleinvee, te leveren. Maar na verloop halfer, een paar dorsers te sturen teneinde het nog verschul-
van tijd werd door sommige eigenaars van die grote hoeven digde graan te dorsen en naar Aken te brengen, terwijl de
de voorkeur aan een pachtsom in geld gegeven. halfer hun tijdens hun verblijf op de hoeve de kost zal dienen
Merkwaardigerwijze werd ook vaak de verplichte levering te geven.
opgelegd van goederen, zoals suiker en gember, die de halfers
zelf niet kweekten en die zij dus op de een of andere markt Reductie van leveringen wegens schade aan de veldgewassen
moesten gaan kopen. Daarnaast was menige halfer verplicht De pachter zal niet verantwoordelijk worden gehouden voor
bepaalde karweien, vooral vrachtritten, voor de eigenaar van schade, die vóór St.-Andries door hagelslag, miswas,
zijn hoeve uit te voeren.
328
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 329
”heijrkragt” [= ”heerkracht” = oorlogsgeweld] is ontstaan, waer dat door faute van den pagter offt der sijnigen den hoff
mits hij dit binnen drie dagen aan het Münsterstift zal t’en deele offt int geheel - dae Gott wil voorsijn [= verhoe-
melden. Dan zullen de kanunniken de schade komen den] - affgebraend worde, soude den pagter denselven
opnemen om ”dies aengaende nae de billigheijt sig met den moeten op sijne ko(o)sten opbouwen gelijck hij te voorn
pagter te vergelijcken”, d.w.z. tot een vergelijk te komen. Op gewe(e)st is”. Nadat de hoeve in 1714 was afgebrand,
18 augustus 1663 stuurt het Münsterstift vier personen naar kwamen die clausules niet meer in de daaropvolgende
Krawinkel om de geldigheid van de door de halfer ingedien- contracten voor, want de gebouwen werden niet meer
de klacht over de door hem in zijn veldvruchten geleden opgetrokken.
schade ter plaatse te onderzoeken: ”umb zu visitiren den
Schaden der unser Halffwin aldar prætendirte [= beweerde] Onderhoud van vijvers, vloedgraven en bomen
in die fruchten”. Verder moest de pachter de vijvers en de vloedgraven
verzorgen. Die vijvers werden allicht door de Keutelbeek
Akkers bemesten, bemergelen en braak laten liggen gevoed, terwijl de vloedgraven hun regenwater in dat beekje
De halfer moet beloven de landerijen jaarlijks te mesten en zullen hebben geloosd. Hij mocht slechts zoveel hout
acht bunder met mergel te bestrooien; die mergel moet het kappen als hij voor ”tuijnsel” [= omheiningen] nodig had.
verzuren van de akkers tegengaan. Later wordt dit tot zes Bovendien moest hij elk jaar ”op bequaeme [= geschikte]
bunder gereduceerd, maar dan wordt toegevoegd dat hij bij plaetsen” dertig wilgen planten. Tot 1691 moest hij ook nog
niet-nakomen van deze clausule voor elk niet-gemergeld twaalf fruitbomen planten waar dit nodig of nuttig was; in
bunder een boete van twee dubbele dukaten zal moeten 1697 was dat aantal tot twintig gestegen. Als hij een oude
betalen. In 1708 wordt hem opgedragen elk jaar niet minder wilg of fruitboom, die niets meer waard was, zou omhakken,
dan vijftig karren mergel voor bemesting naar de hoeve te zou hij die door minstens twee nieuwe moeten vervangen.
halen. Voor elke minder [dan vijftig] gehaalde kar mergel zal Ook bij het niet nakomen van die clausule zal hij beboet
hij een boete van drie schellingen oplopen. Ook mag hij worden, nl. twee schellingen voor elke niet-geplante fruit-
geen stro, kaf of ”betereije” [= mest] van de hand doen; dit boom en een schelling voor elke ontbrekende wilg. Volgens
alles moet ten voordele van het bedrijf worden aangewend of het contract van 1691 moest hij jaarlijks - behalve de wilgen
aan de opvolger worden gelaten. en fruitbomen - dertig eiken langs de wegen planten; daar-
In sommige contracten werd vastgelegd hoeveel of welke mee zijn waarschijnlijk wegen door de gewande van de hoeve
stukken land elk jaar braak moesten blijven liggen. Omdat bedoeld, want het recht om bomen langs openbare wegen te
”hoorsaeten”, d.w.z. braakliggend land door de halfer voor planten kwam slechts aan de bezitter van de heerlijkheid of
eigen consumptie bezaaien <Lindemans I, 105 en 127>, blijkbaar het graafschap Geleen toe. In latere contracten is er geen
nogal eens voorkwam, werd voor de halfer van de hoeve van sprake meer van het planten van eikenbomen.
Krawinkel bepaald, dat hij slechts vier bunder mocht ”hoor-
saeten”. Maar ook die vier bunder diende hij behoorlijk te Bijdragen in belastingen en vergoeding voor sommige onkosten
bemesten en te bemergelen. De door de hoogste autoriteiten in vroeger tijden verleende
vrijstelling van alle belastingen [zie ”Kroniek” onder 1478]
Onderhoud en reparatie van de gebouwen blijkt later niet meer van kracht te zijn. Zo staat in de
De gebouwen, vooral de daken en het ”plackwerck” [= de contracten vanaf 1691, dat de halfer de helft moet betalen
lemen wanden], moest hij op eigen kosten in goede staat van de ”schattingen, beeden, taxten, contributien” en andere
houden, d.w.z. tijdig repareren of laten repareren ”tot voor- lasten die door de keizer, de regering, en/of de vijanden
komminge van meerdere schaeden”. Rond 1700 tekende worden opgelegd. Het kapittel zal de andere helft betalen.
pachter Dries Banens aan, dat het kapittel zowel aan degene, Datzelfde geldt voor de onkosten, die door op de hoeve in
die de schoven stro zou maken, alsook aan de dekker, die winterkwartier liggende troepen worden veroorzaakt. Maar
deze schoven op het dak zou aanbrengen, de daghuur zou wat troepen op doortocht mogen eisen zal alleen hem ten
betalen, terwijl hij enkel ”kost ende dranck” hoefde te laste komen. Hetzelfde geldt voor de onkosten van de
leveren. Als de kanunniken zelf zouden besluiten verande- ”logeringhe” van troepen op zijn hoeve, die niet langer dan
ringen aan de gebouwen aan te brengen of ”jet nieuwes te drie dagen duren. Als zij langer blijven, ”sullen sij oock gaen
bouwen”, zou de halfer de daartoe benodige stenen, kalk, halff en halff”.
hout of andere materialen dienen aan te voeren. In 1697
werd echter bepaald, dat de halfer een flinke vergoeding zou Rond 1700 wordt in dit verband de volgende clausule
krijgen voor elke met drie of vier paarden bespannen wagen, opgenomen: ”In cas van logeeringe oft inquartieringe sal hij
waarmee hij de mergelblokken voor een nieuwe muur op voor een soldaat te voot kunnen reekenen 15 stuijvers en
twee uur afstand moest gaan halen. voor een ruijter mit 1 perdt 30 stuijvers ligt [= licht] gelt,
Voor brand, die buiten de schuld van de halfer of van een lid niet meer, voor een dag en nagt”. Onmiddellijk hierop aan-
van zijn gezin zou zijn ontstaan, zou hij niet verantwoorde- sluitend wordt vermeld, dat het kapittel niet zal ”responsabel
lijk worden gehouden. In 1704 werd toegevoegd: ”Want [= verantwoordelijk] wesen van t geene t kriegsvolk, bij over-
329
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 330
last, stelen, en andersins buijten ordre op den hoff, oft aan
den pagter, soude komen te plegen”.
Tenslotte zou de pachter verplicht zijn de cijnzen, pacht-
sommen en renten te innen, die op andere, dichtbij de hoeve
gelegen eigendommen van het stift rustten, terwijl hij ander-
zijds de lasten, die het stift wegens zijn bezittingen aldaar aan
derden verschuldigd was, zou betalen of leveren. Later
zouden de kanunniken de hun toekomende cijnzen en
renten op die andere goederen voor een bepaald bedrag aan
hun halfer van de grote hoeve verpachten, d.w.z. de halfer
zou die cijnzen en renten ten eigen bate innen en slechts een
gedeelte daarvan aan de kanunniken afstaan.
Gewande van dezelfde hoeve aan verscheidene personen
verpacht
Na de verwoesting van de hoevegebouwen door brand in
1714 werden de landerijen onder een aantal pachters
verdeeld. Omdat de meeste gewande een aaneensluitend
geheel vormden, bleek het nodig de onderdelen duidelijk af
te palen. Toen dit blijkbaar problemen opleverde, besloot het
stift om stenen ”palen” aan te brengen. In het contract van
1768 werd de clausule opgenomen, die elke pachter
verplichtte binnen een jaar ”de noodige limitsteenen uijt de
stadt Aeken ider voor sijn deel aftehaelen” <ASMAkt nrs. 36, 54 a,
b en c. - DAA-X A 30>.
De grote hoeve van Lutterade Situatie te Lutterade in 1927 <Tekening J. H. Habets>.
Een volledig contract van de halfers van de grote hoeve van
Lutterade met het klooster van Reichenstein staat niet ter De hoeve Ten Eijsden
beschikking; wel is een opgave van de verplichte betalingen Een van de vroegste ons bekende pachtcontracten van de
en leveringen bewaard gebleven. Volgens het contract van 17 halfers van deze hoeve dateert uit 1679. Toen verplichtte Jan
september 1632 moest de halfer Dirk Penris met St.-Maarten Gielen zich om een pacht van honderd ”conincx daelders”
[= 11 november] of St.-Andries [= 30 november] ten behoeve - welke som toen gelijk was aan 1121/2 patakons - te
van de kloosterlingen zeventig mud rogge [Aker maat], tien betalen, verder nog 500 gulden in de belasting bij te dragen
mud tarwe, zestien mud gerst, een aam [ca. 150 liter] olie, en bovendien zes pond suiker, twee pond peper en twee
een vette hamel, een hoofd suiker à zes pond, een pond peper pond gember te leveren <AKH nr. 2549>. Bij ”suycker” werd
en een pond ”gingbers” [= gember] te Aken leveren. naderhand ter verklaring ”canarie suycker” geschreven. Dat
Toen die hoeve op 23 februari 1644 voor zes jaar aan zijn vier was suiker, die uit de Canarische eilanden was ingevoerd.
zonen werd verpacht, werd hun - behalve de vorige pacht - Reeds in 1508 werd de invoer van die suiker in de
tevens opgelegd om ook nog eens honderd patakons als Nederlanden vermeld <Stallaert II, 36>. Derhalve is de zienswijze,
handgeld te betalen en twee hemden aan ”ider conventual” te dat hier waarschijnlijk de wortel van de cichoreiplant werd
verschaffen. Het is echter niet duidelijk of daarmee alle te bedoeld <HKLvZ 1995, 130>, niet juist.
Reichenstein verblijvende kloosterlingen werden bedoeld. Halfer Jan Vro(e)men ging vanaf 1705 identieke contracten
Bovendien werden zij verplicht om elk jaar vijftien el vers aan. Maar toen de weduwe Joanna Helgers-Penris op 1
linnengoed aan de prior van genoemd klooster te leveren. oktober 1772 het contract van haar overleden man Servaas
In een contract uit het einde van de achttiende eeuw wordt Helgers († 11-9-1770) vernieuwde, was de jaarlijkse pacht
niet meer van suiker, peper, gember, hemden of linnengoed tot 1400 gulden gestegen <AKH nr. 2549>.
gerept. Toen moest de halfer 193 vat rogge, 84 vat gerst, 48
vat tarwe, 36 vat haver, vier amen appelazijn, twee amen olie, De Biesenhof
100 pond boter, een vet varken, 400 bussels stro en 500 Van deze hoeve zijn uit de periode 1549-1792 verscheidene
schoven leveren <Reichstein-KP II, 404 vv. - PAG>. Het stro werd pachtbrieven bewaard gebleven; van sommige werd zowel
grotendeels als dakbedekking van de pastorie van Geleen een Duitse als een Nederlandse versie overgeleverd. Later
aangewend, terwijl een deel van de verplichte leveringen in werden uitdrukkelijk twee gelijkluidende kopieën gemaakt,
natura tot levensonderhoud van de parochiegeestelijken
diende.
330
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 331
waarvan de halfer er één mee naar huis nam. Aan het einde van de zeventiende eeuw zou zijn bijdrage tot eenderde van
van die contracten staat, dat de halfer al zijn bezittingen als de belastingen worden gereduceerd <AB nrs. 291, 297 en 819>.
onderpand moet geven om aldus beter te waarborgen dat hij Rond 1600 verbeterden de omstandigheden blijkbaar, want
de voorwaarden van het contract zal naleven. Het nakomen in 1614 en de volgende jaren moest Peter Banens jaarlijks
of niet-nakomen van de verplichte leveringen werd in aparte niet alleen 28 mud rogge en met Sintermeys twee vette
registers opgetekend. varkens leveren, maar bovendien met nieuwjaar een ”hoofd”
of ”brood” suiker van zeven pond, een half pond kruidnagels
Leveringen en karweien en een half pond muskaatbloem en bovendien met Pasen
”Deß Saterdaegs nae Synt Geliß Daech” [= St.-Egidius = 1 twee vette hamels en twee vette lammeren bezorgen.
september] 1549 werd door Rolant Hoeve een ”toust” voor Bovendien moest hij de ”wijnvaart” weer elk jaar onder-
twaalf jaar gesloten. Daarin werd op de eerste plaats voor- nemen <AB nrs. 294 en 295>. Uit latere rekeningen en contracten
geschreven dat hij elk jaar negentien bunder, acht grote blijkt, dat de verplichting tot die ”wijnvaart” tegen zestig
roede en zeventien kleine roede akkerland met rogge moest gulden per jaar kon worden afgekocht.
bezaaien en van de opbrengst met St.-Andries [= 30 novem- Maar in 1624 leed de halfer zo’n grote brandschade, dat hij
ber] ruim 31 mud aan de commanderij Nieuwen Biesen te noch voor dat noch voor het volgende jaar zijn verplich-
Maastricht moest leveren. Ofschoon hij een bijna even grote tingen kon nakomen. Het zou evenwel tot 2 juli 1630 duren
oppervlakte ”somergewande” met gerst moest bezaaien, alvorens de landcommandeur de over die twee jaren
staan in dat contract toch geen verplichte leveringen van die opgelopen schuld ten bedrage van 2.100 gulden en 171/2
graansoort vermeld. Wel moest hij met Sintermeys [= St.- stuivers tot 750 gulden zou verlagen <AB nrs. 294 en 296>. Vanaf
Remigius = 1 oktober] twee van de beste varkens leveren, die het jaar 1632 hadden niet alleen doortochten van troepen
op de ”meesthoff” waren vetgemest. Later zouden die als maar ook schermutselingen en berovingen plaats. Het zal
”stoppelvarkens” worden aangeduid, d.w.z. varkens die na de wel daaraan zijn toe te schrijven, dat rond die tijd zowel de
graanoogst op de stoppelvelden waren gehoed. Verder moest verplichting tot een ”wijnvaart” alsook de levering van
hij eens per jaar op zijn kosten en ”angst” [= risico] <Stallaert I, hamels en lammeren door de landcommandeur tijdelijk
93. - Verdam, 42> een zogenaamde ”wijnvaart op den Rhein” werden geschorst.
doen, d.w.z. met wagen en paarden een tocht naar Keulen of Vanaf 1654 werd de pacht enkel in contant geld - volgens de
Hersel bij Bonn ondernemen, daar de voor de ridders van de evenwaarde van de leveringen in natura - betaald. In
Duitse Orde bestemde vaten wijn opladen en die naar de genoemd jaar bedroeg die som 345 gulden, maar in 1655
commanderij Nieuwen Biesen te Maastricht of de balije was ze al tot 653 gulden, zeven stuiver en twee oort gestegen.
Alden Biesen (B.) voeren <AB nrs. 672 en 2347>. Later werd als betaling weer een combinatie van geld en
Ook zijn opvolger Peter Penartz of Penris moest elk jaar goederen geëist. In 1691 moest de halfer niet alleen granen,
311/2 mud rogge en de twee beste varkens ”out den stoppe- tarwestro, raapzaad [voor olie], kleinvee, suiker, kruidnagels
len” leveren en bovendien een ”wijnvaart” ondernemen <AB en muskaatbloem leveren, maar ook een kleine hoeveelheid
nr. 287>. In 1575 en volgende jaren blijkt Peter Banitz of ”stijrocks”, d.w.z. styrax of storax, een van heesters afkom-
Banens bovendien nog leveringen van tarwe en gerst te stige harssoort, die als wierook werd gebruikt. Verder bleek
hebben gedaan, maar het is niet duidelijk of die granen toen hij toen voor anderhalve ”wijnvaart” per jaar verantwoorde-
de plaats van rogge hebben ingenomen <AB nrs. 287-290>. lijk te zijn, d.w.z. moest hij elke twee jaar drie tochten naar
In het pachtcontract van 1581 werd aan diezelfde halfer de Rijn ondernemen. Bovendien moest hij toen jaarlijks
omwille van de moeilijke tijden en vooral wegens de respectievelijk negen en zes vat rogge leveren aan de pastoor
oorlogsgebeurtenissen een reductie verleend. Die bestond op en de koster van Beek, waar de landcommandeur van Alden
de eerste plaats in een halvering van de verplichte graan- Biesen het patronaatsrecht bezat.
leveringen voor het jaar 1581, zodat hij toen niet meer dan Omdat enerzijds de pachtprijs alsmaar omhoog bleef gaan
vijftien mud en achttien vat rogge verschuldigd was. Voor en de halfers voor een deel in de belastingen en contributies
1582 en de volgende jaren zou de verplichte levering met moesten bijdragen en zij anderzijds met allerhande tegen-
eenderde worden verlaagd, zodat hij tussen St.-Andries en slagen, zoals gedwongen foerageringen voor doortrekkende
O.-L.-Vrouw Lichtmis [= 2 februari] slechts 21 mud ”reiner troepen, misoogst (o.a. in 1693 en circa 1700), krijgs-
wolgewanneter” [= met de wan van kaf gezuiverde] rogge handelingen (o.a. in 1663-1666 en 1669-1687), extra
diende te leveren. Toen werd Sittard als een alternatief - naast belastingen [zoals de ”Brandeburger Contributien” in 1692]
Maastricht - voor de graanleveringen opgegeven; maar het en sterfte onder het vee te kampen hadden, geraakten zij
betrof niet de markt aldaar doch een ”Soller” [= zolder], die steeds dieper in schulden. Maar de landcommandeur legde
de landcommandeur zou aanwijzen. Ook zou de halfer te tegenover zijn pachters van de Biesenhof het nodige begrip
beginnen met 1582 niet meer verplicht zijn om elk jaar een aan de dag en kwam hen soms op genereuze wijze tegemoet.
”wijnvaart” te ondernemen, maar zou hij dit slechts twee- Zo schonk hij begin 1694 een over verscheidene jaren
maal in de drie jaar hoeven te doen. Wel zou hij de helft van opgelopen schuld van ruim 10.454 gulden kwijt, ”quitteer-
alle opgelegde belastingen dienen te dragen. Tegen het einde de” hij in 1698 eenvierde van de achterstallige schuld over de
331
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 332
jaren 1696-1697 en verlaagde hij in 1700 de pachtprijs blootgesteld. In 1634 vond de halfer het nodig om gedurende
wegens ”den seer groeten miswass” met ruim 1.647 gulden. twaalf dagen herstellingen aan de stallen te laten verrichten.
Desondanks kon de halfer het ook daarna niet steeds Toen had hij zowel een timmerman als een ”Steinmetzer” in
bolwerken, want over het jaar 1701 liep zijn schuld alweer de kost. Deze laatste verwerkte ”Valckenburgisch Stein”,
tot ruim 2.259 gulden op. Daarom leende het echtpaar d.w.z. mergel.
Dullens-Cuijpers toen de som van 350 gulden van de E. H. Ten aanzien van de brandschade, waarvoor de halfer verant-
Dolmans, priester van de Duitse Orde <LvO nr.1316>. In 1704 woordelijk was, werden in alle contracten clausules
kregen zij andermaal een belangrijke tegemoetkoming opgenomen. In 1745 werden deze als volgt geformuleerd:
vanwege de landcommandeur. Hij schonk hun toen niet ”Dat soo wanneer - hetwelck Godt behoeden wille - den
alleen de nog uitstaande schuld van ruim 1.474 gulden Hoff ofte een gedeelte desselven door onnachtsaemheijt des
kwijt, maar gaf hun ook een voordeliger pachtcontract. Hij pachters, desselfs huijsgenooten ofte dienstbooden quaeme
had namelijk vastgesteld, dat van Jan Dullens evenveel was aff te branden ofte eenigen schaede te geschieden, sal hij
geëist als van zijn voorgangers, die geen bijdragen in de pachter gehouden sijn alsulcken schaede aen den hoogen
belastingen hadden hoeven te leveren. Daarom kreeg hij een Orden [= Duitse Orde] te betaelen en te vergoeden” <AB nrs.
nieuw contract, waarin de pachtsom was verlaagd en geen 672, 819 en 2347>.
bijdragen in de belastingen of contributies werden geëist.
Toch bleef de halfer voor 1705 nog ruim 751 gulden Verzorging van de akkers en weiden
schuldig. In 1731 leende het echtpaar Dullens-Cuijpers een Als de eerste plicht ten aanzien van de akkers werd steeds
bedrag van 350 gulden van de E. H. Vught, priester van de voorgeschreven deze in hun juiste afmetingen te houden;
Duitse Orde <AB nrs. 287, 288, 291, 294, 295, 296 en 302. - LvO nr. 1316>. teneinde de halfer daarbij te assisteren waren langs bijna alle
In de pachtcontracten van 1745, 1761 en 1767 werden weer ”rijnen” limiet- of grensstenen geplaatst. In het contract van
alle hierboven vermelde verplichtingen herhaald. Ook 1745 werd meer specifiek bevolen, dat hij ”dese landerijen
behield de halfer toen de keuze om de ”wijnvaart” voor zestig sal moeten houden in haere grachten, hagen, paelen, voeren
gulden af te kopen. Voor een gelijk bedrag kon hij zich vanaf ende maete” en nooit ”eenige steenen ofte paelen te laeten
1767 eveneens van de verplichting tot het leveren van twee hersetten”. Tevens moest hij ervoor waken ”dat er geene
vette varkens ontdoen. Ook kreeg hij toen de keuze tussen onbehoorlijcke weegen over gemaeckt worden en sigh
het leveren van 112 malder rogge en zeven malder en drie vat onthouden selfs eenige daerover te maecken”. Ook was hij
wintergerst ofwel het betalen van 1930 gulden en tien verplicht de akkers geregeld te bemergelen en te bemesten.
stuiver. Om aanspraak op vergoeding wegens schade door Later werd daaraan toegevoegd, dat de halfers dienden te
hagel, windslag, misoogst of krijgsverrichtingen te kunnen handelen ”wie goeden pechtern [= pachters] well aenstaet
maken, zou de halfer dit zo gauw mogelijk - liefst binnen [= betaamt]”.
drie dagen - te Alden Biesen ”beweißlich” dienen te melden. Bij het verlaten van de hof moest de oude pachter minstens
Volgens het contract van 15 maart 1786 waren drie bunder eenderde van de akkers met wintergraan bezaaid achterlaten.
bos en berg en ruim vier bunder heide, die ten oosten van de Na de oogst zou de nieuwe pachter dat graan in de schuur
Geleenbeek lagen, niet bij de ”toust” inbegrepen. Ook was voeren en dorsen, waarna het tussen de oude en de nieuwe
er toen geen sprake meer van het leveren van granen, klein- pachter met het vat half om half zou worden gedeeld. Maar
vee, suiker, kruidnagels e.d. en het ondernemen of afkopen dat gold niet voor het kaf en het stro. Beide diende de
van een ”wijnvaart”; bovengenoemd bedrag werd zonder vertrekkende pachter in het geheel aan de nieuwe pachter te
meer als pachtprijs opgelegd. Wel werd toen elk aandeel in laten.
de belastingen geëlimineerd <AB nr. 2347>. De weiden en beemden moesten niet alleen worden bemest,
maar ook van alle dorens en struiken worden gezuiverd en
Onderhoud van de gebouwen met hagen worden omgeven. In het bos mochten eiken-
De halfer moest vooral het dak en de wanden ”wel ende bomen noch gesnoeid noch gekapt worden, terwijl alle open
behoorlijck op sijne kosten onderhouden”. Bij ”noitbouw” plaatsen met ”jonckhout” moesten worden bezet. De halfer
[= reparatie] van de gebouwen was hij verplicht aan de werk- had niet alleen tot plicht jaarlijks 25 ”popelern” [= popu-
lui een dagloon te betalen en hun tevens de kost te geven. lieren] en een dozijn ”offtsboum” [= fruitbomen] te planten
Ook moest hij een voldoende aantal schoven stro ter maar ook 25 roeden ”poit te setten”; hiermee was blijkbaar
beschikking stellen om de daken te dekken. Er werd de een ”boomkoolhof” bedoeld, waar jonge bomen uit pitten
nadruk op gelegd, dat hij aandacht aan de ”platten” of of uit scheuten werden gekweekt <AB nr. 672>.
”soolen” van de ”onderste reijhouten”, d.w.z. de onderkant In het contract van 1581 werd voorgeschreven om elk jaar
van de stijlen van de vakwerkbouw, moest besteden en ze een dozijn appelbomen, een dozijn wilgen en 25 kersen-
waar nodig met stenen moest verstevigen en beschermen. In bomen te planten. Elke boom, die dor of ”vergengklich”
1745 werd daaraan toegevoegd ”om daer deur allen invall werd, moest afgehouwen en door twee nieuwe vervangen
[= verval of ineenvallen] voor te comen [= te voorkomen]”; worden. In 1745 werd daaraan toegevoegd, dat de halfer de
zonder bescherming waren die stijlen immers aan vocht jonge bomen ”in rechte ordre en linie [= rijen] sal moeten
332
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 333
planten en wassende houden”. Sommige van die bomen Varkenshoeders
werden voor het herstel van de hoeve of van andere eigen- Eertijds werden de varkens niet steeds in stallen opgesloten,
dommen van de Duitse Orde gebruikt. Zo werden in 1636 maar liet men ze onder de hoede van een varkensjongen
twee populieren tot ”breder” [= planken] gezaagd om langs wegen en stegen trekken om daar alles te eten wat ze
zoldervloeren te beleggen. In 1697 werd genoteerd: ”Item maar konden vinden. In de herfst werden ze naar de beuken-
heefft Joannes Dullens door ordre van Sijn Hochw. Gnaden en eikenbossen gebracht. Maar sinds het vergaan van het
[= de landcommandeur] laeten affhauwen eenen popeler- Graetbos hadden de Geleners die keuze niet meer en
baum [= populier] dienende tot plancken voor het nieuw kwamen in dat seizoen vooral de stoppelvelden in aan-
brauwhuijs tot Maestricht ende tot reparatie van den Hoeff merking <PSHAL 1889, 17>.
Biessen: waeruijt gesaagt 2467 voet” <AB nr. 296>. In 1774 werd van hogerhand voorgeschreven, dat de
schapen pas op de stoppelvelden mochten komen nadat de
De hoeve Stucken varkens er al gewroet hadden. Zoals wij zagen werd in de
Omdat Stucken eveneens aan de Duitse Orde toebehoorde, pachtcontracten van de Biesenhof en de hoeve Stucken elk
waren de pachtcontracten voor deze hoeve grotendeels gelijk jaar tegen 1 oktober de levering van twee ”stoppelvarkens”
aan die voor de Biesenhof. De ”win” of ”wijn” [= halfwin of vereist. Het hoeden van varkens op de stoppelvelden blijkt
halfer] Jan Renckens moest volgens het contract van 1572 dus wel gunstig voor het vetmesten te zijn geweest. De
jaarlijks 21 mud [Maastrichter maat] rogge, drie mud [kleine varkenshoeders gebruikten speciale gevlochten of geknoopte
maat] haver en twee van de beste stoppelvarkens leveren; zwepen <Cate, 177. - Grueles mei 1989, 74-78>.
bovendien moest hij een ”wijnvaart” ondernemen. Uit latere
opgaven blijkt, dat een deel van de te leveren rogge door Koeherders of -wachters
tarwe, spelt, zomer- en wintergerst kon worden vervangen. Pastoor Leurs noteerde, dat hij op 18 oktober 1648 een
In het contract van 1581 werden - naast de beide varkens - gulden en twee stuivers aan de ”Koeheerde” [= koeherder]
slechts veertien mud rogge en twee mud haver [beide had betaald. Daaruit blijkt dus dat hij zijn koeien ook elders
Maastrichter maat] gevorderd en werd er van een ”wijnvaart” dan in de aan de pastorie grenzende wei liet grazen. In oude
niet gerept. Die reducties waren allicht aan moeilijke documenten over de Graetheide is meermalen sprake van
omstandigheden voor de halfer toe te schrijven. De leve- ”koehe(e)rden” of koewachters van Krawinkel en Lutterade.
ringen moesten doorgaans op de commanderij Nieuwen Uit de plaatselijke overlevering werd hierover het volgende
Biesen te Maastricht plaatshebben, maar soms moest het genoteerd: ”De jongens en de mannen die er voor zorgen dat
verschuldigde graan te Sittard worden geleverd. ’t vee goed op de Graetheide komt, om daar te gaan weiden,
Later werd weer meer gevorderd. Volgens het contract van gaan al vroeg op weg. De mensen die vee meesturen zetten
1614 moesten jaarlijks - naast de ”wijnvaart” - 21 mud de deuren van de stallen open... Als de koeien ’s avonds
rogge, drie mud haver [Maastrichter maat], met Sintermeys thuiskomen, weten ze precies naar welke hoeve ze moeten en
twee stoppelvarkens, met Pasen een vette hamel en een vet in welke stal ze thuishoren ... Voor de dieren echt gaan
lam en met nieuwjaar een ”heufft Zuickers” [= hoofd suiker] grazen, kunnen ze eerst hun dorst lessen aan de drie grote
van 7 à 8 pond worden geleverd. poelen aan ’t einde van ’t dorp Lutterade in de richting
Toen de gewande in 1623 werden gesplitst, moest iedere Graetheide” <Bouten, 27>.
pachter per bunder land 20 vat rogge leveren en per bunder De ”instructie”, die de koeherder van Meerssen in mei 1879
weide 22 gulden betalen <AB nrs. 287, 288, 290 , 291 en 294>. van de plaatselijke overheid ontving, kunnen we zeker ten
dele ook op Geleen toepassen. Bij het vertrek moest hij op
Veehoeders zijn hoorn - doorgaans een grote runderhoren - blazen; dan
moest hij aan iedereen voldoende tijd laten om het vee los te
De halfers van de grote hoeven hadden niet alleen eigen maken en naar de straat te laten gaan. Ook moest hij het vee
weiden ter beschikking maar namen ook schepers en andere in eigen persoon hoeden; zonder voorkennis en toe-
veehoeders in dienst. Zo werd te Abshoven een ”petite fille qui stemming van de burgemeester mocht hij zich niet laten
garde les cochons et vaches”, d.w.z. jonge hoedster van de vervangen. Gedurende de maanden mei en juni moest hij
varkens en koeien, vermeld. Maar voor degenen, die noch zelf om vijf uur ’s morgens uittrekken en om half elf ’s voor-
hun vee konden hoeden noch over voldoende personeel middags terugkeren, om dan om twee uur ’s namiddags
beschikten om het naar de openbare weideplaatsen te brengen, andermaal uit te trekken en om zeven uur terug te keren.
stelden zich andere dorpsgenoten beschikbaar. Zo had elk Maar in de maanden juli en augustus moest hij respectieve-
dorp zijn ”heerd” [= koeherder], scheper [= schaapherder], lijk om vier uur ’s morgens en om drie uur ’s namiddags uit-
varkenshoeder - op sommige plaatsen ”sween” genoemd - en trekken en om tien uur ’s voormiddags en om acht uur
ganzenhoedster. Over deze laatste zijn geen plaatselijke details ’s avonds terugkeren; dat waren immers de warmste
bekend, maar wegens haar traditionele functie in andere maanden, waarin iedereen na het middaguur ”d’n unjere”
plaatsen <Hillegers, 14> zullen we ook wel onder vroegere [= siësta] hield. Het verplichte terugkeren vóór het middag-
Geleense generaties ganzenhoedsters mogen aannemen. uur zal ook wel in verband hebben gestaan met het feit, dat
333
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 334
sommige koeien dan moesten worden gemolken. In de
Meerssener beemden en broeken moest de koewachter zich
bij het hoeden tevens bezighouden met het verwijderen van
molshopen en het spreiden van ”koeflatten” <Hillegers, 110>.
Schepers Een der laatste schepers op de Graetheide <Foto P. Rademakers circa
Schepers of schaapherders worden in de Geleense archieven 1925>.
herhaaldelijk vermeld. In elk huis stond een spinnewiel,
waarop zelf geteeld vlas en wol van eigen schapen werd garven graan. In mijn jeugd haalden oudere Geleners het
gesponnen. Dat de schapenteelt te Geleen op het einde van volgende gezegde aan: ”Es mit Leechmès de zòn sjient op d’n
de achttiende eeuw nog vrij uitgebreid was, blijkt ook uit het taore, mòt de sjiëper zien (h)orte beware”, d.w.z. Als met
testament, dd. 16 april 1793, van de weduwe Sybilla Maria Lichtmis (2 februari) de zon op de toren schijnt, moet
Engwegen-Henssen in het huidige huis Clerx in de de herder zuinig zijn met zijn ’horte’, want dan valt er nog
Beekstraat. Daarin was sprake van ”alle haere schaepen, heel wat winter te verwachten.
ouwen [= ooien], hamelen en lammeren”. Haar zoon Gerard Een Gelener, die het beroep van herder wilde uitoefenen en
Engwegen (*31-3-1750) werd in 1796 als ”berger” geen werk in zijn geboorteplaats vond, zocht dat soms elders.
[= herder] vermeld. Zo zagen wij, dat in 1791 vier Geleners als herders bij
Tot het personeel van de grote hoeven behoorden ook steeds schapenhouders van Beek in dienst waren. In vroeger
”sjiëpesj”. Bovendien waren er kooplui van schapen, zoals eeuwen trokken veel Limburgers - soms in groepjes van twee
Leonard Renckens, halferszoon van de hof Stucken, die op of drie - naar Vlaanderen om daar als herders in dienst te
het einde van de zestiende eeuw in de Daalstraat te treden. Velen keerden niet terug, maar trouwden met meisjes
Krawinkel woonde. Zijn handel in schapen was zelfs zo uit die streek. De Belgische oud-premier Leo Tindemans is
uitgebreid, dat hij met Jan Maes uit Beek een vennootschap een afstammeling van de schaapherder Cornelis Tintemans,
aanging <Genealogieën IV, 304>. Uiteraard namen zij eveneens die in de achttiende eeuw uit Nederweert naar het Land van
schaapherders in dienst. Waas trok <Nederw I, 55>. Ook uit Geleen zijn twee personen
Daarnaast waren er in elke Geleense wijk personen, die de bekend, die met hun herdersstaf de weg naar Vlaanderen
schapen van hun plaatsgenoten in kuddeverband hoedden. insloegen. In het vierde kwart van de achttiende eeuw was de
De schapen werden eerst naar de nabijgelegen braakliggende Gelener Mathias Spender te Dottenys en te Geluwe bij
akkers of stoppelvelden gevoerd. Ook werden de kudden Kortrijk als herder werkzaam, terwijl zijn plaatsgenoot
langs de wegbermen geweid of naar de voor Geleners Michel Romman (*1762) in 1814 in het naburige Bellegem
gereserveerde delen van de Graetheide gevoerd. schapen hoedde <TsLimGen 80-33 en 80-34>. Misschien werden
In 1697 werd te Krawinkel Jacob Paes, ”den soon van hun namen in den vreemde niet geheel juist gespeld.
scheper Jan” vermeld. In de volkstelling van 1796 werden te
Oud-Geleen drie, te Lutterade twee en te Krawinkel even- Wevers en spinners
eens twee personen als beroepsherders aangeduid. De laatste
scheper van de Graetheide was Jacob Hubert Vrancken, die In elk Geleens huis bevond zich een spinnewiel om in de
eerst op het Beeker Roodhuis en daarna op de Kerenshof in eigen behoefte aan garen en draad van het gezin te voorzien.
dienst was. Op 24 mei 1940 overleed hij op de hei te midden Maar sommigen verdienden met dit instrument hun kost. In
van zijn schapen <NatHist 1980, 174>. het overzicht van beroepen en ambachten uit 1796 worden
Schepers waren niet zomaar mensen, die met een kudde 24 spinners en/of spinsters vermeld. Twee spinsters woonden
schapen rondzwierven; hun beroep vergde heel wat kundig- in Oud-Geleen en een spinster in Lutterade, terwijl in Oud-
heid. VROMEN schreef: ”De scheper was wel een beetje Geleen geen enkele spinner en in Lutterade slechts één
anders van aard en gedragingen... door zijn voortdurend spinner werkte, maar in Spaans-Neerbeek vier en in
alleen zijn met zijn schaapjes, dus door het eenzame van zijn
beroep. Hij had de tijd om te prakkezeren en om de natuur
te bestuderen... De schapen begrepen zijn geroep, zijn gefluit
en zelfs het smakken zijner tong en ook de hond was daarop
afgericht. Van zijn schapen en schapenziekten had hij veel
verstand en hij wist met bepaalde huismiddelen zieke dieren
opvallend gauw te genezen. In de lange winteravonden was
hij bij de boerenhaard de beste verteller van spook-
geschiedenissen en griezelverhalen” <B&T 14-1-1950>.
In de winter, als de herder niet kon uittrekken, bleven de
schapen op stal en bestond hun voedsel vooral uit hooi en
zogenaamde ”(h)orte(n)”. Dit waren slechts half gedorste
334
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 335
houtpijp vastzaten, door de werking van bacteriën op te
lossen en op die manier de vezels los te maken; stromend
water leverde betere vezels op dan stilstaand water. Nadat het
”gerote” vlas - in veel gevallen in het bakhuis - was gedroogd,
werd het op de vlasbraak ”gebrakeld”; bij die procedure werd
de houtpijp, waaromheen de vezels zaten, in stukken
gebroken. Vervolgens werden de gebroken houtpijpdeeltjes
eruit ”gezwingeld”, waarna de vezels nog eens werden
”gehekeld”, d.w.z. gekamd. Tenslotte werd het vlas op een
spinnewiel gesponnen om dan naar de linnenwever te
worden gebracht.
Volledigheidshalve zij nog vermeld, dat het beste vlas- of
Het breken en slaan van vlas <Onbekende graveur, in Needham, 127>.
Dubbele vlasbraak uit het vroegere huis Meys in de lijnzaad als zaaigoed werd bewaard, terwijl het zaad van
Marcellienstraat <Foto Ad. Hoogenboom>. minder goede kwaliteit in linnenzakjes werd verwarmd en in
bakjes werd geperst totdat de olie eruit was. Lijnolie werd
Krawinkel niet minder dan veertien spinners werkzaam niet alleen in olielampen verbrand, maar werd ook bij het
waren. De veertien beroepswevers waren meer gelijkelijk maken van verf en zeep gebruikt en bovendien als genees-
verdeeld, nl. vijf in Oud-Geleen, vijf in Lutterade en vier in middel [tegen constipatie] aangewend. De na het persen
Krawinkel. overgebleven pulp diende in de vorm van lijnkoeken als
wintervoeding voor de koeien.
Verbouwing en bewerking van vlas
In de archieven is ook nogal eens sprake van linnenwevers, Plaatselijke ”vétérinaires”
wat op het verbouwen en bewerken van vlas wijst. Toch is
daarover - behalve het verbod van maire Luijten van 15 Sommige vilders werden ”heelmeesters der beesten”
december 1812 om vlasplanten in de plaatselijke beken, genoemd; met ”beesten” werd destijds rundvee bedoeld.
poelen en putten ter ”roting” te leggen, omdat ze deze Zowel uit de overlevering alsook op grond van hun eigen
vervuilden <GAG nr. 22> - nauwelijks iets te vinden. Maar ervaring beheersten die ”heelmeesters” een zekere dosis
volgens de plaatselijke traditie verbouwde elke boer vlas voor volksgeneeskunde. De te Schrieversheide wonende vilder
eigen gebruik. Nicolaas Hersseler - een broer van de eerder genoemde Dirk
Het vlas werd in de eerste helft van juli geoogst; het werd Hersseler - verklaarde zijn kost te verdienen met ”’t afdoen
niet gemaaid maar uit de grond getrokken. De eerste [= villen] der beesten en haemen en peerts getuyg te maeken,
procedure was het ontzaden van de planten met een repel- als mede de kranke peerden te geneesen ofte cureeren”.
kam. Daarna werden de stengels - soms in bakken gestapeld Daarom werd hij doorgaans ”meester Nicolaes” genoemd.
en met graszoden of stenen beladen - gedurende ongeveer Daarnaast waren er ook personen, die een hogere sociale
tien dagen in een poel of beek ”geroot”. Dit had tot doel de achting dan de vilders genoten en die om hun vertrouwd-
gomachtige stof [pectine], waarmee de vlasvezels aan de heid met veeartsenijkunde vaak door de boeren werden
335
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 336
geraadpleegd als hun eigen middelen geen baat hadden neerden het beroep van veearts met dat van hoefsmid. In zijn
gebracht. Zo staat Pieter Egidius Meys (*24-7-1800, † 3-5- analyse van het familiearchief Hoedemakers <HKLvZ 1993, 137-
1848), zoon van koster Lambert Meys, in het bevolkings- 146> heeft P. BOSELIE aangetoond, dat het hier smeden betrof,
register als ”veearts” vermeld. In mijn jeugd woonde in de die zich tevens in het behandelen van paarden hadden
Pieterstraat de bejaarde ”vétérinaire” Jentje Käölesj, d.w.z. gespecialiseerd. Ook verzorgden zij nogal eens ziek rundvee.
Jan Hubert Keulers (*1-12-1845, † 30-8-1924), zoon van Zelf gaven zij aan hun uitoefening van de veeartsenijkunde
J.W.J. Keulers en M.C. Haerden en gehuwd (7-7-1876) met de traditionele term ”meesteren”.
Maria Mechtildis Wessels (1851-1931), dochter van J. W. Martin Hoedemakers (1718-1796) was zich als jongeman
Wessels en A. J. Keulen. Wegens zijn grote kennis van de gedurende enkele jaren aan gene zijde van de Maas in de
veeartsenij stond hij bij de Geleners in hoge achting. veeartsenijkunde gaan bekwamen. In zijn praktijk te
Ofschoon hij blijkbaar geen officiële beroepsscholing had Lutterade beperkte hij zijn procedures niet tot het geven van
genoten, bezat hij zoveel kennis van diergeneeskunde, dat pillen of het aanwrijven van zalf, maar paste hij ook vaak
veehouders van wijd en zijd zijn advies kwamen inwinnen. aderlating toe. Daarin werd hij bijgestaan door zijn jongere
Hij was de laatste vertegenwoordiger van een eeuwenoude broer Jan Hoedemakers (1725-1807). Hun praktijk als
traditie. veeartsen bestond zowel uit het bezoeken van paarden-
houders in Geleen en omgeving - tot over de Maas en in de
Selfkant - als het thuis in de Groenstraat verzorgen van
paarden, die van heinde en ver, o.a. uit Roermond, Weert en
Düsseldorf (D.), daarheen werden gebracht. In 1777 was
Martin Hoedemakers tevens ”burgemeester” van Lutterade.
Die familietraditie werd door Martins zoon Jan Lambert
Hoedemakers (1769-1829) voortgezet; hij betrok zijn
ingrediënten meestal van een apotheker te Sittard en soms
zelfs uit Keulen. In 1828 werd hij als ”vétérinaire” aangeduid,
terwijl hij in 1829 veearts en smid werd genoemd. Hij
behandelde zowel koeien als paarden. Zijn broer Jan Gerard
[Gradus] Hoedemakers (1773-1844) lijkt zijn praktijk echter
beperkt te hebben, want in het bevolkingsregister staat hij
enkel als smid vermeld. Van 8 november 1810 tot een paar
weken na zijn huwelijk (27-7-1821) was hij bij zijn broer
Lambert voor 170 gulden per jaar in de kost.
Een gedeelte van het complex Hoedemakers in de Groenstraat; Lambert of Lemmen
op de steen in de boog van de poort stond het jaartal 1767. De
rechtsgelegen (hier niet weergegeven) gedeelten van het complex Hoedemakers ∞ 20-6-1717 Greetgen Jessen
bestonden uit vakwerk en waren kennelijk nog ouder. Tussen
het eerste en het tweede raam in de straatgevel hangt de arm van * 7-11-1680 * 2-7-1694
een petroleumlantaarn, die voorheen als straatverlichting
diende <Foto uit archief Sassen>. † 19-12-1755 † 23-12-1766
De familie Hoedemakers in de Groenstraat Martin Hoedemakers Jan Hoedemakers
Eertijds was in de dorpsgemeenschap de smid de aan- * 9-10-1718 * 6-2-1725
gewezen persoon om vee, vooral paarden, te genezen, juist † 13-6-1796
zoals de barbier vaak als chirurgijn of heelmeester voor ∞ 13-8-1759 † 26-12-1807
menselijke kwalen optrad. Werden de laatsten geleidelijk ∞ 19-7-1753
aan verdrongen door de geneesheren, die aan universiteiten Johanna Elisabeth Maria Rijckers
waren gevormd, voor de smeden-paardenmeesters was dat Rijckers of Rijckaerts of Rijckaerts
niet het geval, want aan de universiteiten bestond toen nog * 4-2-1727
geen faculteit voor veeartsenijkunde. Wel waren sedert de * 6-3-1735 † 2-2-1808
zestiende eeuw ”Peerdenboeken” verkrijgbaar, waarin het † 17-2-1797
”cureren” van paardenziekten werd beschreven <Lindemans II,
471-472>. Jan Lambert Hoedemakers Jan Gerard Hoedemakers
Sommige leden van de familie Hoedemakers [voorheen ook * 4-12-1769 * 14-2-1773
Hoijmeckers en Hoijmaeckers genoemd] in de Groenstraat † 6-6-1829 † 3-1-1844
werden als ”heelmeester der beesten” beschouwd. Zij combi- ∞ 16-7-179 ∞ 27-7-1821
Maria Ida Feron Maria Agnes Boyens
* 19-2-1773 * 9-1-1780
† 19-11-1855 † 29-7-1856
336
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 337
Bestrijdingsmiddelen tegen veeziekten kruid ofwel Grootbloem centaurie] en Armeense boorolie
door de neusgaten worden ingeademd <RAM, Hss nr. 92A. - St-
In de zeventiende en achttiende eeuw traden in deze streken Jansgel, 210-217>. Daaraan voegde hij nog toe: ”Boven dit
[= bovendien] can men ’t naervolgende recept voor die
herhaaldelijk epidemieën onder het rundvee op [zie gesonde soo wel als krancke be(e)sten ingeven: roet vuijt den
scho(o)rste(e)n, schietpolver, swegel [= zwavel], sout, ende
”Kroniek” onder 1745-1748 en 1777]. Ofschoon toen reeds waeter, alles onder malcander gemingelt ende tot eenen deyg
[= deeg] gemaeckt waer van een ijeder be(e)ste eenen lepel
bekend was, dat die ziekten door besmetting werden vol hun ingegeven worde”.
Toen in mei 1787 weer een epidemie onder het vee heerste,
verspreid, waren adequate bestrijdingsmiddelen nog werd vanwege de provinciale overheid te Herve (B.) een in
het Frans en het Nederlands gedrukt pamflet in alle plaatsen
onbekend. In 1682 noteerde landmeter Jan Bollen de oude, van het graafschap Geleen aangeplakt, waarin de door Bollen
genoteerde behandeling met de zilveren schraper andermaal
dat een bepaald ”recept tegen die tegenwoordige aen eenige werd voorgeschreven, maar waarin het recept voor het
bestrijken van de tong ook nog peper, aluin [= dubbelzout]
plaetsen graessierende [= heersende] kranckheijt der en vitriool [= zwavelzuur] bevatte. Die behandeling werd
aanbevolen als ”dwelcke men tot nue toe met eenen goeden
be(e)sten [= rundvee]” reeds twee eeuwen vroeger - naar het uytval [= resultaat] daertoe gebruyckt heeft” <LvO nr. 1536>.
schijnt in het land van Gulik - met succes was toegepast en Vilders, looiers en schoenmakers
”men tegenwoordigh oock weder voor goet is houdende Twee beroepen, waarvan de beoefenaren tot geheel verschil-
lende sociale klassen behoorden, waren op elkaar aan-
ende mennige be(e)st daer met is helpende”. Om te gewezen, nl. enerzijds de vilders, die de huiden van dood vee
afstroopten, en anderzijds de looiers, die deze huiden tot leer
beginnen moesten de koeien, ”als men gewaer wordt, dat verwerkten. Daarna kon als derde de schoenmaker, die
sociaal dichter bij de looier dan bij de vilder stond, op zijn
sulcke kranckheijt die naebuerschap overvalt”, gedurende leest aan de slag.
acht dagen op stal worden gehouden. Verder moesten twee- Vilders
Geslacht vee werd gevild, d.w.z. ontdaan van zijn huid, die
maal daags, nl. ’s morgens en ’s avonds, hun tongen zowel aan de looier werd geleverd. Het villen werd bij voorkeur
overgelaten aan iemand, die van het afstropen van dieren-
van onder als van boven op gele, witte of zwarte blaren huiden zijn beroep maakte, nl. de vilder, viller, afdoen(d)er
of afdekker, in het dialect ”sjinder” [Duits: Abdecker of
worden gecontroleerd. Als zo’n blaren werden geconstateerd, Schinder], thans nood- of koudslachter genoemd. Ofschoon
- zoals wij zagen - menige vilder zo goed van de toenmalige
moesten ze met een - door Bollen getekend - ijzeren volksgeneeskunde voor vee op de hoogte was, dat hij zich
”heelmeester der beesten” noemde, was hij een sociale paria,
instrument, waarvan het uiteinde uit ”fijn silver” bestond, een ritueel onreine. Die minachting was gebaseerd op het
feit, dat hij zieke en besmette dieren afmaakte, kadavers
tot bloedens toe worden opengekrabd. Daarna moest de opruimde en ”gecrepeerde” [= aan ziekte gestorven] dieren
vilde; vooral aan dit laatste was een eeuwenoud taboe
tong eerst met een doek van ongebleekt en nooit nat verbonden. Ook assisteerden zij de beulen door lijken van
veroordeelden te transporteren, op te hangen of onder de
gemaakt linnen worden afgeveegd, vervolgens moest zij met galg te begraven <VolkskBull 7 (1981), 122. - A. Blok 1991, 57>. Hun
slechte reputatie was bovendien te wijten aan de onaan-
zout en sterke azijn worden ingewreven en tenslotte moest gename geur, die zij - wegens hun beroep - verpreidden en
aan hun beruchtheid vlug het mes te trekken. In 1733 werd
daarop ”een wenich honich op dat het te beter heijle in Pruisen aan de vilders en hun helpers een donkergrijze
”rok” [= jas] met knopen van de zelfde kleur en een rode
[= geneze]” worden gestreken. spitse muts als kenmerkende dracht voorgeschreven, ”damit
nicht unschuldige, ehrliche Leute aus Unwissenheit und
Bollen was zich terdege van het besmettingsgevaar bewust, unversehens an sie geraten” <Danckert, 167-169>.
want hij adviseerde uitdrukkelijk om die krabber na elke
behandeling met wijnazijn schoon te maken, de linnen
doeken, waarmee de tong was afgeveegd, te verbranden en
de handen te wassen, ”want die experientie [= ervaring] heeft
te kennen gegeven dat eenige menschen door onnachsam-
heijt schaede hebben geleden aen
hunne persoone”. Om die reden
moesten de handen met citroen-
sap, wijnruit [= tuinheester], vlier
en/of schorpioenkruid [= val-
kruid] worden bestreken. Tevens
moest theriac of triac [= triakel],
alias metridaet, via de mond
worden ingenomen; dit te
Maastricht verkrijgbare mengsel
was een uit slangenvlees en
De door Jan Bollen de andere ingrediënten, o.a. peper,
oude getekende krabber opium, kaneel, saffraan, wierook,
om de tongen van door mirre, terpentijn, anijs, venkel,
besmettelijke ziekte aan- honing en de gemalen wortels
getast rundvee schoon te van rabarber, gember, valeriaan,
schrapen; door het gat gentiaan en kalmoes, bereid
stak men een ijzeren [verondersteld] tegengif <GG okt.
priem of staaf ”ontrint 1993, 11-15>. Ook moesten sterk
eenen aerm lanck” <Naar aromatische kruiden, zoals
een fotokopie van de originele teke- diptam, tormentil of vijfvinger-
ning. - RAM nr. 92A>. kruid, knoflook, schabies [= duif-
337
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 338
De vilder trok door de straten van een dorp al spelend op een Links het hoge drooghuis (met de tochtgaten) van het leerbedrijf
fluit, die uit zeven samengebonden kleine fluitjes bestond. Göbbels in de Jodenstraat. Het werd in december 1944 door
Hij mocht de herbergen niet betreden en dronk daarom zijn Engelse soldaten afgebroken om met het puin een modderige
bier altijd in de deuropening. Volgens de plaatselijke over- weg tussen het atelier Ramakers en boerderij Vroemen begaan-
levering werd in veel cafés een apart glas met een gebroken baar te maken <Tekening P.A. Schols>.
voet bewaard, zodat dit niet kon worden neergezet; dit bleef
voor de vilder gereserveerd <PSHAL 1889, 27. - Melchior, 27. -
Ramaekers, 22>. Vilders speelden ook belangrijke rollen in
diverse bokkenrijdersbenden <A. Blok 1975, 10; 1978; 1981; 1991, 57-
69, 399-401 en 439. - VolkskBull 7 (1981), 121-142>.
Hun lage sociale stand dwong hen binnen hun eigen milieu
te trouwen, met het gevolg dat bijna alle vildersgeslachten in
deze streken aan elkaar verwant waren <LimTsGen 82, 29-32 en 57-
58. - Crott>. Doorgaans waren de vilders niet honkvast en
trokken ze van de ene plaats naar de andere. De eerder
genoemde, uit Kerpen in de Eifel afkomstige bokkenrijder,
vilder Dirk Hersseler, broer van de eveneens reeds vermelde
Nicolaas Hersseler, woonde vóór zijn terechtstelling (1773)
in Hollands-Neerbeek. Er is ons geen autochtone Geleense
vildersfamilie bekend.
Twee vellenschrapers aan het werk <Litho door William Henry Pyne goed worden schoongemaakt. Het vuil en het nog aan de
(1769-1843), in Pyne, plate 99>. huiden klevende bloed, vlees of vet werden door middel van
warm water weggespoeld. Daarna begon de voorbereiding
Leerlooiers van het ontharingsproces of ”smarten”. Hierbij werden twee
De vilders verkochten de door hen afgestroopte dieren- verschillende methoden toegepast, nl. de huiden werden
huiden aan de leerlooiers. In de Geleense archieven worden ofwel in kalkputten geplaatst ofwel enige tijd ter ”rotting”
een paar - eveneens aan elkaar verwante - families vermeld, gelegd in een ruimte, die door middel van een op een vuurtje
wier leden dit beroep uitoefenden. Omdat de looiers daarbij geplaatste pan met kokend water warm en vochtig werd
veel water en andere vloeistoffen gebruikten, kozen zij bij gehouden. Beide procedures konden maanden duren. Daar
voorkeur een plaats, waar een goede afvoer aanwezig was. De tijdens dit proces de haarwortels door bacteriën sterk
reuk en de vervuiling, die dit proces meebracht, maakten het verzwakt waren, was er bij de daaropvolgende ontharing met
minder wenselijk, dat zij zich midden in het dorp vestigden. een bot mes slechts weinig risico de huiden te beschadigen.
Vandaar dat de leerlooierij van de families Vleugels en Daarna werden de onthaarde of blote huiden in kuipen of in
Schutgens te Krawinkel aan de Keutelbeek lag en die van de kuilen gedaan, die gevuld waren met run of looi [= gemalen
families Vleugels en Göbbels te Oud-Geleen in de destijds eikenbast] en traan.
laatste gebouwen aan de Jodenstraat waren gevestigd, waar In zijn kasboek noteerde de Geleense looier Jan Gerard
de afvoer naar de beide beken via een langs de straat lopen- Vleugels (1781-1821) o.a. dat hij de voor het looien
de vloedgraaf plaatshad. benodigde dikke en dunne traan per hele en per halve ton uit
Luik liet komen. Soms ging hij ook zelf naar die stad om er
De verschillende stappen in het looiproces zaken te doen. De looi werd per karrenvracht, die ongeveer
Het looien in kuipen ofwel in kuilen bestond uit een aantal 1.000 pond woog, à 50 stuiver per 100 pond, aan huis
opeenvolgende stappen. Allereerst moesten de dierenhuiden bezorgd; op 4 en 23 maart 1814 ontving hij telkens twee
karrenvrachten.
Ook noteerde die looier welke soorten dierenvellen en
hoeveel van ieder hij in elk van zijn twee kuipen in de looi
legde. Zo stopte hij op 30 september 1813 in één kuip niet
minder dan 99 vellen, waaraan hij er op 12 oktober d.a.v.
nog 23 toevoegde. Die vellen werden in lagen gelegd en
daartussen werd telkens looi gestrooid, die respectievelijk als
eerste, tweede, derde en vierde looi werd aangeduid. Die
classificatie duidde klaarblijkelijk op het gebruik van die
looi; zo zal eerste looi hebben betekend, dat hij nog niet
338
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 339
eerder was gebruikt. Sommige huiden bleven zes maanden in enkel reeds gedragen schoeisel van nieuwe zolen voorzagen,
de looikuil, terwijl andere zelfs een behandeling van negen stonden in geringer sociaal aanzien dan de eersten <A. Blok
maanden vereisten. 1991, 401 en 411>.
Nadat het looiproces voltooid was, werden de vellen De mannen van vorige generaties droegen weinig schoenen.
gewassen en op de droogzolder of in een drooghuis, die Naast klompen en pantoffels [aan huis] droegen zij bijna
beide van tochtgaten waren voorzien, gehangen. De laatste steeds laarzen, die in de plaatselijke tongval steeds als
behandeling van het leer was het inwrijven met olie en vet, ”sjtevels” werden aangeduid. Na het invoeren van de lange
waardoor het soepeler werd. Voor een speciaal recept om leer broek werden die laarzen onder de broekspijpen gedragen.
te doen glanzen leverden gallen van koeien het belangrijkste Zelfs de bruidegom in zijn ”sjleppe jas” droeg laarzen. Om
ingrediënt. dit schoeisel uit te trekken bevond zich in elk huis een klein
meubelstuk, dat ”sjtevele(n)knech(t)” werd genoemd. Dit
was een plankje van ongeveer 35 cm lengte, dat van voren op
de grond rustte en aan de achterkant een kleine onder-
steuning had. In dat plankje was een opening uitgezaagd,
waarin de hak van een laars werd geplaatst, terwijl de daarin
stekende voet werd teruggetrokken en het toestel met de
andere voet werd tegengehouden.
Erf van het huis Helgers in de Marcellienstraat. Vooraan links Een ”sjtevele(n)knech(t)”, in het Maastrichts ”stievelenhier”
is nog een gedeelte van een vroegere looikuil te zien. genoemd <Tekening W. Hofhuizen in Endepols, 409>.
Waarschijnlijk vormen ook de in een vierkant gelegde bakstenen
rechts de rand van een vroegere looikuil <Foto J. R. Hermens, 1973>. De schoenmakers hadden kennelijk weinig concurrentie van
klompenmakers, want in 1796 waren in Geleen niet minder
Schoenmakers, schoenen en laarzen dan tien ”cordonniers”, d.w.z. schoenmakers en schoen-
Uit het zojuist vermelde kasboek van J.G. Vleugels blijkt lappers, en slechts één enkele klompenmaker, die in
tevens, dat de besteller van een nieuw paar schoenen of Lutterade woonde. Dat dit beroep daar toen reeds generaties
laarzen de prijs van het leer rechtstreeks aan de looier lang werd uitgeoefend, blijkt uit de vermelding van de
betaalde en dat de schoenmaker, die dat leer in de looierij Lutterader ”Joest der Klumpenmeeckre” in de eerste helft
ging halen, enkel zijn werkloon kreeg. Volgens de lokale van de zeventiende eeuw.
overlevering legde de schoenmaker oude verroeste stukken
ijzer in verschaald en verzuurd bier om met dit na verloop Het kweken en verhandelen van bomen
van tijd zwart en kleurecht geworden vocht de schoenen en
laarzen te bestrijken. In Geleen werden vroeger door sommige families allerlei
Een schoenmakerij was eertijds voor de dorpsbewoners een bomen gekweekt en verhandeld.
even belangrijk ontmoetingspunt als een herberg. Onder het
gewone volk behoorde de schoenmaker vaak tot de ”Boomkoolhoven” in de zeventiende en achttiende eeuw
weinigen, die konden lezen en schrijven, en bovendien regel- In een document van 27 februari 1655 vinden wij nadere
matig contact met de buitenwereld onderhield. Menige details over het kweken van fruitbomen te Geleen. De
schoenmaker kon niet steeds bij zijn leest blijven, want hij ”hanteeringe” [= stiel] van Driesken Hamers en zijn vrouw
moest menige klant in diens huis gaan bezoeken. A. BLOK Heileken was geweest ”planterijen van jonge aeft [= ooft]
vestigt er de aandacht op, dat men onderscheid moet maken offte freut baumen [= fruitbomen]”, die zij jaarlijks op hun
tussen schoenmakers en schoenlappers; deze laatsten, die grond kweekten en thuis of op de markt verkochten. Na de
blijkbaar geen nieuwe schoenen of laarzen maakten maar dood van Driesken (ca. 1644) trouwde zijn weduwe met
Welter Keulers, die zich toen ook ”in de hanteeringe van het
339
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 340
planten seer heeft geoeffent”. Het was de gewoonte om toe”. Ook in Maastricht hadden ze een goede klandizie. In
”keren” [= pitten] van appels of peren op akkers te zaaien. 1775 kocht een inwoner van die stad tachtig lindebomen en
Genoemde Welter had op die manier enige duizenden jonge in 1776 werden aan een Maastrichtse burgemeester 230
”plantsounen” gezaaid en gekweekt. Na een, twee of ten lindebomen, 54 kastanjebomen en 52 kersenbomen ver-
hoogste drie jaren moest ”het poetsel [= de potelingen] offte kocht. Volgens een bepaalde opdracht moesten de bestelde
jonge plantsounen... voer den tijde van halff Meert... opt appel- en perenbomen zo dik als een stoelpoot, ”grad”
nuwes herplant worden, om widderom te bliven staen [= recht] en ongeveer 2,40 meter lang zijn <HJLvZ 1993, 139-
dicken ende wassen tot dat se widderom in de groote baum- 141>.
gardens ... herplant worden” <Msg 1950, 29>. Volgens de plaatselijke overlevering waren er vroeger veel
In 1637 vermeldde pastoor Leurs te Lutterade een ”koelhoff, ”wilde” fruitbomen, die niet gegriffeld of veredeld waren en
daer die jongh boumen opstaen”. Rond 1700 vermeldden de die tot niet nader te bepalen soorten behoorden. Appels, die
landmeters Bollen een dozijn lokale ”boomkoolhoven”. vrij algemeen werden geteeld, waren ”wijnappels” [van
Daarvan lag er een dicht bij Beekhoven en een andere aan de buiten geel], ”citroenappels” [citroenvormig], ”sjaopsnaaze”
Hegstraat te Krawinkel; de overige lagen alle te Lutterade. [= schapenneuzen], ”hel zoere” [= harde zuren], ”auw
Frem Fremmen ”aen den putt” in de Lutterader Onderste wiever” [= oude wijven] en vooral ”rabauwe”. De meest
Dorpstraat [= Geenstraat] bezat zelfs drie ”boomkoelhoven”, gekweekte peren waren ”bougies” [bruin], ”waterkatsje”,
terwijl Hendrik Krekels en Mevis Wijnen er toen elk twee ”kroedwiense”, ”Jacobse” en jofferperen. De laatste drie, die
bezaten <GAG nr. 1>. De in 1724 vermelde ”boomhof” van Jan al vrij vroeg rijpten, waren uitsluitend voor consumptie uit
Zelis te Lutterade is vermoedelijk van dezelfde aard geweest de hand bestemd. Daarnaast werden ”leemperen”, die erg
als de toen vermelde ”boomcoolhoff” van Ercken Wauben te ”mörg” [ = zachtrijp] waren, en ”bòngesje” peren gekweekt.
Lutterade en de ”boomcoolhoff” van Giel Cremers te Het late fruit werd hoofdzakelijk tot stroop en azijn
Krawinkel. Toen was er tevens sprake van een ”struycken verwerkt.
koolhoff” te Beekhoven <PAG>. Misschien bevonden zich
dergelijke ”boomkoolhoven” ook onder de in de achttiende Het bereiden van fruit tot ”äöft”,
eeuw vermelde ”boomaanplantingen” door de Lutteraders stroop, appelwijn of cider en azijn
op het aangrenzende stuk van de Graetheide.
In die tijd pasten Geleners ook reeds de procedure van In een voetnoot bij zijn boek over de bokkenrijders merkte
griffelen toe. Zo verklaarde de schepen Baltus de Preez op 30 ECREVISSE op: ”in geheel Europa is er misschien geene plaats,
april 1731 dat in zijn ”boomkoolhoff”, die tussen de waar zooveel ooft [= fruit] gewonnen wordt als te Geleen”
Eindstraat en de Hoog Steeg [Pastoor Vonckenstraat] lag, <Ecrevisse I (1884), 127>. Aangezien die schrijver nogal eens
”eenige gegriffelde appelboomen” stonden. gezwollen taal gebruikte en er niet tegen opzag te overdrijven
- zo beweerde hij ook, dat ”de bevolking dezer gemeente
De achttiende-eeuwse boomkwekerij en -handel van de eene der sterkste en behendigste” van Europa zou zijn
gebroeders Hoedemakers [geweest] <Loc. cit.> - zal die uitspraak wel met een korreltje
De zeventiende-eeuwse Martin Hoijmeeckers of Hoede- zout dienen te worden genomen. Maar zijn mededeling, dat
makers in de Groenstraat te Lutterade werd toen niet als een ”Geleen is het land van den cider of appeldrank, die er in
bezitter van zo’n boomkwekerij vermeld, maar zijn hier- groote hoeveelheid vervaardigd wordt” <Op. cit., 128>, vindt
boven als smeden en ”vétérinaires” vermelde kleinzonen royale steun in de lokale overlevering.
Martin en Jan Hoedemakers, die in het voorvaderlijke huis
woonden, kweekten en verhandelden in de tweede helft van Het drogen van fruit
de achttiende eeuw een grote variatie van bomen. Onder de Het drogen van allerlei fruit was eertijds in elk huishouden
fruitbomen werden niet alleen appelbomen [van liefst zeven een vaste gewoonte. Hierover zijn geen schriftelijke gegevens
verschillende soorten], peren-, kersen-, noten- en tamme uit de achttiende eeuw overgeleverd. Toch zijn wij erover
kastanjebomen maar ook moerbei-, abrikozen- en perziken- ingelicht, omdat die procedure tot in de negentiende en zelfs
bomen vermeld, terwijl daarnaast tevens ”belwiën” [= popu- de twintigste eeuw werd voortgezet. Kleine peren en
lieren], eiken, essen, olmen, linde- en wilde kastanjebomen pruimen werden in hun geheel gedroogd, maar grotere peren
werden gekweekt en verkocht. De appel- en lindebomen - speciaal ”waterkatsjen” - en appels werden van hun
waren de populairste, maar er was ook veel vraag naar ”ki(e)tsj” [= klokhuis] ontdaan en in stukken of schijven
kastanjebomen en populieren. gesneden.
Uit het familiearchief blijkt, dat de handel zeer uitgebreid In een verkoopakte van 22 december 1857, betreffende de
was. De meeste leveringen hadden in de streek van Aken inboedel van een huis in het centrum van Oud-Geleen, was
plaats. P. BOSELIE, die dit archief raadpleegde, merkte op: er - naast de vermelding van o.a. een koperen stroopketel,
”Soms ging men elke week eenmaal naar Aken; een reis appelkuipen, azijnvaten, ”ooft” en gedroogde appels en
duurde heen en terug drie dagen. Er gingen soms één, soms peren - tevens sprake van een ”appelboor”. Dit was
twee karren met telkens ieder in totaal ruim 160 bomen naar waarschijnlijk een instrumentje om de klokhuizen uit appels
340
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 341
te verwijderen; en er mag zonder bezwaar worden De vroegere stroopstokerij Zelis in de Pieterstraat <Tekening P.A.
verondersteld, dat het ook reeds bij vorige generaties in Schols>.
gebruik was. Vooral meisjes kwamen bij voorkeur ’s avonds
helpen schillen en kregen een grosje [= zes cent] voor een werd het kooksel met een draaipers uitgeperst. Vervolgens
gevulde ”vaatsmangel” [= mand met de inhoud van een vat]. werd het aldus verkregen sap in een andere koperen ketel
Bij het drogen werden verschillende procedures toegepast. gedaan en zolang gekookt tot het ingedikt was tot stroop
Na het bakken van brood plaatste menigeen de stukjes fruit <Lemmerling I, 30>. Het eindproduct werd in grote of kleine
in de nog hete oven en liet ze daar enige dagen drogen vaten en kruiken gedaan en het loon van de stoker werd naar
<Lemmerling I, 29-30>. Te Geleen richtten sommigen in hun het gewicht van de geproduceerde ”sjroap” berekend. In een
bakhuis een speciale sectie daarvoor in. Het geschilde fruit Geleens document uit 1759 wordt stroop als ”cruijt” aan-
werd op ”oortjes” [= laden met latten] gelegd, waarna onder geduid; in sommige plaatsen van Midden-Limburg is het
tien tot twaalf op elkaar gestapelde oortjes met gruis, woord ”kroet” [diminutief: ”kruutje”] in de betekenis van
”kluiten” e.d. werd gestookt. In het bakhuis van de Daniker stroop nog steeds in gebruik.
graanmolen was naast de bakoven - onder hetzelfde dak - een
apart kamertje voor het drogen van fruit. Anderen plaatsten Het bereiden van cider en azijn
drooghuisjes in hun tuin - waarschijnlijk onder een afdak ter Een winstgevende verwerking van fruit was ook het maken
bescherming tegen de regen - waar zon en wind het van cider of appelwijn en ”èètje” of azijn. Voor het maken
drogingsproces bevorderden. Weer anderen regen de stukken van cider werden vooral zoete appels gekozen. Het sap werd
fruit aan ijzergaren. Korte stukken werden bij de haard of in grote aarden kruiken gegoten en na de toevoeging van een
achter het fornuis gehangen, maar meterslange slierten hing weinig gist werd er een stop op gedaan, waardoor een met
men op zolder <Bouten, 88>. Het eindproduct - ”euft” of ”äöft” water gevuld gistingsbuisje stak. Door dit buisje ontsnapte
genoemd - werd veelal in linnen zakken of kussenslopen op het uit het gistingsproces ontstane koolzuurgas, terwijl er
zolder bewaard. Het werd nogal vaak als vlavulling gebruikt;
ook werd het uit de hand gegeten. Appelpersen. Op de voorgrond drukt iemand een pers met de
hand, terwijl rechts op de achtergrond, onder een afdakje, appels
Het stoken van stroop met een of twee - door paardenkracht aangedreven - rollende
Een andere verwerking van fruit, die eveneens tot in onze stenen worden geplet <Onbekende graveur, in Needham, 116>.
tijd gehandhaafd bleef, maar waarvan de bereidingswijze
reeds lang gemoderniseerd werd, was het verwerken van
peren en appels tot ”sjroap” [= stroop]. Zo’n stroop van eigen
fruit stond eertijds - als smeersel voor de boterham - op het
dagelijkse menu van bijna alle Geleners. Praktisch iedereen,
die fruitbomen bezat, bracht een lading peren en appels naar
de stroopstoker. Een grote boer kon best een paar duizend
kilo fruit bij hem afleveren, terwijl de kleine boeren met een
paar honderd kilo konden volstaan. Volgens de overlevering
werd vroeger veel in Geleen gemaakte stroop naar Duitsland
uitgevoerd.
Over de soorten fruit, die in vroeger eeuwen tot stroop
verwerkt werden, zijn we niet zo goed ingelicht, maar
afgaande op gegevens, die vroegere stroopstokers aan jongere
tijdgenoten verschaften, kunnen we diverse latere mengsels
identificeren. Doorgaans werd slechts afgekeurd fruit - het
zogenaamd ”rebu” [van het Franse rebut] - tot stroop
verwerkt, maar als de fruitoogst erg was meegevallen, werd
ook wel beter fruit verwerkt. In september werd perenstroop
gemaakt uit een mengsels van 90% peren en 10% appels.
Daarna kwam appelstroop aan de beurt. Die werd hoofd-
zakelijk uit suikerbieten en 25% à 30% appels bereid <Nuutsb.
aug. 1988, 10; okt. 1988, 10; jan. 1989, 7>.
Een voorafgaande procedure was het wassen van het fruit en
de bieten. In de eerste stap van de bereiding werden die
vruchten tot kleine stukken gesneden of gemalen. In een
tweede stap werd die pulp met een beetje water urenlang in
een grote koperen ketel boven een vuur gesudderd. Daarna
341
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 342
Appelpers met rollende stenen <Litho door William Henry Pyne (1769- ”kollerstenen van een oliemolen” zijn geweest, zoals het
1843), in Pyne, plate nr. 94>. daarbij geplaatste opschrift vermeldt <TsHKVGel 1990, 14>. Toch
komt ons dit twijfelachtig voor, want enerzijds valt er geen
van buiten af geen lucht of zuurstof in kon. Volgens de enkel historisch verband tussen de vroegere bezitters van die
plaatselijke traditie trokken vroegere leden van het geslacht stenen en een oliemolen te ontdekken, terwijl anderzijds die
Boyens uit Lutterade en Krawinkel met een groot vat vol stenen zeer goed met die van appelpersen overeenkomen en
cider of appelwijn naar het noorden om die daar per liter te te Lutterade veel fruit werd verwerkt. In een oliemolen werd
verkopen. trouwens slechts één kleine steen gebruikt, terwijl het hier
Azijn werd bij voorkeur uit zure appels bereid. Menige een paar van dezelfde afmetingen betreft.
Gelener bezat een ”èètjespèèsj” [= azijnpers]. Het appelsap In zijn testament van 2 juni 1791 vermaakte Lambert
kwam in grote aarden potten, die onbedekt bleven; ten Haerden zijn aan de westzijde van de Pieterstraat gelegen
gevolge daarvan kon het gistingsproces van azijnzuur met complex, waarin zich o.a. ”azijnvaeten, appelperssen en verdere
toevoeging van zuurstof uit de lucht plaatshebben <Lemmerling gereetschap tot de azynfabryk specteerende [= behorende]”
I, 30-31>. bevonden, aan zijn dochter Maria Sibilla, weduwe van
De bereiders hebben allicht persen gebruikt, waarbij het Mathias Göbbels <Göbbels, 50>. Haar zoon Jan Lambert
fruit ofwel met een draaischroef ofwel met een hefboom kon Göbbels (1769-1844) zou dat bedrijf nog enige tijd voort-
worden uitgeperst. Doch daarnaast blijken appels ook met zetten en met grote vaten azijn naar gene zijde van de Maas
twee door paardenkracht aangedreven rollende stenen te zijn trekken.
geplet. In juni 1989 werden achter de vroegere woning van De familie Hoedemakers in de Groenstraat beschikte even-
de familie Sassen in de Waterstraat ronde Naamse hard- eens over zo’n installatie. In zijn testament van 5 april 1829
stenen gevonden, elk met een dikte van 40 cm, een doorsnee voor notaris P. D. F. Luijten liet Lambert Hoedemakers zijn
van 135 cm en een gewicht van ongeveer 1500 kg. Deze huis, schuur en stallen, waarin zich ook ”azijnpersen, azijn-
werden op 4 december 1989 in de Mauritslaan bij de ooste- kuipen, azijnvaten en werktuigen tot mijn azijnfabriek
lijke ingang van de Julianatunnel geplaatst. Het kunnen behoorende” bevonden, aan zijn vrouw.
In een opgave van 1798 staan niet minder dan dertien
Geleners als ”azijnfabrikanten” vermeld; van dezen woonden
er twee in Oud-Geleen, vier in Krawinkel en zeven in
Lutterade. Toch was die lijst nog onvolledig, want de zojuist
genoemde Lambert Hoedemakers in de Groenstraat, die
eveneens een ”azijnfabriek” had, werd daarin enkel als hoef-
smid aangeduid. Aangezien die lijst met het oog op een
speciale beroepsbelasting werd opgesteld, zullen sommigen
wel de vermelding van een dubbel beroep hebben willen
vermijden <FA nr. 4047. - Bergen, 95-96>. In 1851 schreef burge-
meester Lemmens dat de vele Geleense azijnfabrieken door
de afscheiding van Oost-Limburg uit het Belgische staats-
verband in 1839 hun traditioneel afzetgebied hadden
verloren en bijgevolg te gronde waren gegaan.
De in de Waterstraat gevonden rolstenen, die bij de ingang van Pachtcontracten van de graanmulders te Daniken
de tunnel werden geplaatst <Foto J. Maas>.
Zoals wij zagen werd de grondheerlijkheid Daniken met de
graanmolen in 1479 in erfpacht uitgegeven, maar was de
molen circa 1700 niet meer in het bezit van de molenaar.
Toen behoorde zij aan prinses Maria-Dorothea von
Dietrichstein - van Salm, die haar aan de mulder verpachtte.
Die situatie kwam vermoedelijk tot stand, toen de oude
molen niet meer voldeed en door genoemde prinses of een
van haar voorouders een nieuwe molen werd gebouwd.
Op 30 augustus 1679 werd de graanmolen van Daniken met
de daarbij behorende ”moeshoff [= groentetuin], bent
[= beemd] en landt”, aan Jan Pinxten en Anna Henskens uit
Opoeteren verpacht. Daarbij bleef de mulderswoning
onvermeld. Volgens die ”pachtcedule” moesten de pachters
niet alleen jaarlijks 35 malder en anderhalf vat rogge, twaalf
342
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 343
vat haver en veertien kapoenen - of hun tegenwaarde in geld - Daniken elk jaar 24 gulden aan de pastoor van Geleen te
leveren, maar bleven zij ook voor alle belastingen doen afdragen. Dat bedrag zou de mulder evenwel op de
aansprakelijk en moesten zij op eigen kosten het dakwerk pachtsom in mindering mogen brengen. Enige jaren later
onderhouden en reparaties laten aanbrengen. Doch als die zou die bijdrage tot 26 gulden worden verhoogd. Nog op 14
herstellingen al te ingrijpend zouden zijn, omdat de wind januari 1834 zou de graaf van Amstenrade, destijds eigenaar
schade aan het gebouw had veroorzaakt of hoog water het van de Daniker graanmolen, zijn verplichting tot het betalen
houtwerk van de molen had aangetast, zou de eigenaar de van dat bedrag schriftelijk erkennen. Het pachtcontract van
kosten dragen en zou de molenaar aan de arbeiders alleen de 17 november 1767 bevatte bovendien nog de verplichting
kost hoeven te geven. [van de mulder] om 24 vat gerst aan de pastoor van Hoens-
Ingeval de molen wegens oorlogsomstandigheden geruime broek te leveren <AKA>.
tijd zou komen stil te liggen, zou de verschuldigde pacht In het pachtcontract van 21 april 1736 voor Jan Penris is o.a.
naar verhouding worden verminderd. Nieuwe molenstenen opgenomen, dat de nieuwe pachter ”gehouden sal wesen te
kwamen eveneens ten laste van de molenaar. Bij zijn vertrek doen drije vrachten jaerlijx met karre en peerden drij uijren
zouden die stenen naar hun grootte en dikte worden in de ronde op sijne eijge costen”. Tevens staat in dat
gemeten, en na een vergelijking van deze afmetingen met die contract, dat de voorgangers van die mulder ”vier ijsere
van de stenen, die hij bij zijn komst had aangetroffen, zou de pielen, twee pannen, twee dessels, twee lang ijsers op nieuws
molenaar ofwel een vergoeding ontvangen ofwel moeten gefurneert [= verschaft] hadden vermits de oude niet
bijbetalen. Daar de stenen, die Jan Penris bij zijn komst in bequaem en waaren en alwelcke gestelt sijn in bewaer op den
1727 had aangetroffen ”21 duymen en 3 quaert” kleiner kercksolder tot Geleen”. Met het molenijzer werd de molen-
waren dan de stenen, die hij aan zijn opvolger Jan Zelis in steen vaster bijgeschroefd of losser aangezet, naarmate het
1743 liet, moest de laatstgenoemde wegens dat verschil een graan grof of fijn gemalen en gebuild moest worden.
goudgulden aan de weduwe Penris betalen. Omdat zij een vergoeding voor het nieuwe gereedschap
Hier dringt zich de vraag op waar die molenstenen vandaan hadden ontvangen, hadden die voorgangers de afgedankte
kwamen. P. Wijnants van Abshoven noteerde in 1777: ”Naar objecten niet als hun eigendom mogen beschouwen; daarom
Colon [= Keulen] gewest met een kar ende peerden voor werden deze op de kerkzolder geplaatst om aldus ter beschik-
eenen molensteen voor de molen van Sitert” <Abshoven, 27>. king van de eigenaar te blijven. Na de dood van mulder
Wellicht werden ook de stenen voor de graanmolen van Penris (17 juni 1739) liet zijn weduwe sommige van die
Daniken uit die streek gehaald. voorwerpen van de kerkzolder halen en naar het kasteel van
Rond de jaarwisseling 1728/29 stelde prinses Maria- Amstenrade brengen. Bij een verbouwing of nieuwbouw van
Dorothea von Dietrichstein - van Salm vast, dat de jaarlijkse de molen te Sint-Jansgeleen liet de rentmeester van prins de
interest van een kapitaal van 700 gulden niet meer toe- Ligne ze opnieuw gebruiken.
reikend was als stipendium voor de vier door haar voor-
ouders in de kerk van Geleen gestichte jaargetijden - elk met Bierbrouwen en brandewijn stoken
vijf missen - voor leden van de familie Huyn, en de daaraan
door de stichters verbonden aalmoezen aan achttien arme, In de Geleense archieven wordt niet alleen over de
oude personen. Daarom ondertekende ze op 5 januari 1729 consumptie van bier en brandewijn gesproken, maar komen
te Wenen een brief aan haar rentmeester te Amstenrade, ook het brouwen van bier en het distilleren van brandewijn
waarin zij hem opdroeg om voortaan de molenaar van ter sprake.
De Danikermolen circa 1920. In de kleine aanbouw (rechts) Het brouwen van bier
was de turbine geplaatst. Linksachter het bakhuis <Schilderij door De traditie van bier uit graan te brouwen gaat zeer ver in het
F. Overing, in bezit van de schrijver>. Germaanse verleden terug. De Romeinse schrijvers PLINIUS
en TACITUS vermeldden het reeds, en zelfs sommige
bewoners van Romeinse villa’s in onze streken deden zich
aan die drank te goed <Cumont, 132-133>. In artikel 45 van het
Capitulare de villis van Karel de Grote worden siceratores
genoemd <Hallema, 31>. Dit waren werklui, die cervis(i)am
[= bier], pomatium [= appelwijn], piratium [= perenwijn] of
andere voor consumptie geschikte dranken wisten te
bereiden. In artikel 61 van datzelfde Capitulare is tevens
sprake van bracii et magistri qui cervis(i)am bonam facere
debeant [= brouwers en meesters, die goed bier moeten
brouwen].
Eeuwenlang werd bij de bierbereiding gruit of gagel [Myrica
Gale] gebruikt, maar tegen het einde van de veertiende eeuw
343
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 344
werd dit in de Maasstreek door hop [hupa] vervangen Bierbrouwen in de zeventiende eeuw. Het meisje (rechts) brengt
<Doorman, 3 , 10 en 13>; met hop gebrouwen bier wordt voor het gemalen mout, die in de met warm water gevulde ronde beslag-
eerst in 1394 vermeld <Bacha, 427>. Sedertdien nam de teelt of roerkuip wordt gestort. Links van die kuip staat een vierkante
van die plant steeds meer toe. In de Geleense archieven is bierketel, waarin het moutextract met hop wordt gestookt.
dan ook hier en daar sprake van een ”hoppenhoff”, d.w.z. Geheel links is iemand bezig brandhout te kappen <Onbekende etser,
een akker of tuin met rond ”bonenstaken” groeiende in Hallema, 96>.
hopplanten. Hop werd zelfs een onderdeel van de kleine
tiende. In mijn jeugd waren hier en daar hopplanten in dikkere schil heeft dan zomergerst, duurt het weken daarvan
heggen te zien; dat waren blijkbaar afstammelingen van iets langer. Het weekwater werd verschillende keren ververst.
vroeger aldaar geteelde planten. Daarna werd dat graan ter hoogte van 35 à 40 cm op een
Het gebouw, waarin bier werd gebrouwen, werd in deze stenen vloer uitgeschud. De vrome brouwer drukte met de
streken reeds in de dertiende eeuw pannes [= panhuis] steel van de ”kissel” [= stok met een plank om de hoop gelijk
genoemd <Buntinx, 66, 81, 87, 104 , 127, 153 en 214>. Het lijkt niet te trekken] op iedere hoek van die hoop een kruis. Als de
waarschijnlijk, dat daarmee een met dakpannen gedekt gerst begon te ”broeien” [= kiemen] werd de hoop omgezet,
gebouw werd bedoeld, al kan zo’n gebouw in werkelijkheid zodat de onderlaag naar boven kwam en eveneens kon
wel daarmee gedekt zijn geweest. Aangezien het brouwen ”bekken”, d.w.z. de witte puntjes van de worteltjes konden
van bier sedert de elfde eeuw ”banaal” was, d.w.z. er was uitkomen. Vervolgens werd de hoop gespreid en lager
belasting aan verbonden, zijn sommigen van mening, dat de gemaakt opdat de bovenste en de onderste lagen ”egalig”
naam pannes daarop teruggaat, terwijl anderen in dat woord konden kiemen. De bladkiem zat onder de schil en moest
veeleer een verwijzing naar de zich daar bevindende bierpan 2/3 van de lengte van de korrel hebben om als lang genoeg
of bierketel zien <Dorren, 134>. Deze aanduiding werd nog voor te worden beschouwd.
dat gedeelte van de brouwerij van mijn ouders in de Als volgende fase werd die ontkiemde gerst op ”èèsdes”
Dorpstraat [Marcellienstraat] te Oud-Geleen gebruikt; wij [= eestplaten] gelegd om te drogen. Daartoe werden ofwel
noemden dit nooit anders dan ’t pannes. Een brouwer werd poreuze stenen - zogenaamde ”èèsdesjtein” - ofwel metalen
eeuwenlang penre, penner of pender genoemd. Zo werd in gevlochten platen gebruikt, waardoorheen de lucht kon
1378 een Gelener aangeduid als ”Goesse, deme spricht der circuleren. Onder die ”èèsdes” werd gestookt. Als de gerst
Penre” <Jansen, 26>. Vandaar de in Geleen veel voorkomende goed droog was, werden de worteltjes of moutkiemen
familienamen Penris, Penners en Penders, die hetzelfde als verwijderd. Tenslotte werd het hele geval door een zeef
Brouwers betekenen. ”geharpt”. Daarmee was het moutproces voltooid, en nadat
Circa 1688 waren te Geleen tien ”brouwerickens” in het mout was gemalen, kon het brouwen van bier beginnen.
gebruik; de verkleiningsvorm geeft aan, dat dit bedrijven van Het gemalen mout werd met water van 45˚ Réaumur
bescheiden omvang waren. Het is evenwel niet duidelijk, of [= 56,25˚ Celsius] ”gemisjt” [= gemengd]. Daarna werd er
dit aantal tot het kerspel Geleen beperkt bleef dan wel voor - via een boven de roerkuip ronddraaiende stang met gaatjes,
de hele heerlijkheid Geleen gold. Uit een opgave van 1798 die met de boven een vuur staande waterkuip was verbonden -
blijkt, dat toen in Geleen minstens vier bierbrouwers water van 60˚ R. [= 75˚ C.] toegevoegd totdat het geheel een
woonden, nl. Jan Baggen te Oud-Geleen, Wolter Crousen in temperatuur van ongeveer 55˚ R. [= 68,75˚ C.] had. Er
de Lutterader Groenstraat [brouwerij ”De Roskam”], moest echter flink worden geroerd opdat de temperatuur
Leonard Vleugels te Krawinkel en Jan Peter Buskens te niet te hoog werd en de suiker niet verbrandde. Onder het
Spaans-Neerbeek <FA nr. 4047. - Bergen, 95-96>. Die lijst was roeren werd hop toegevoegd; die maakte het bier houdbaar-
echter niet volledig, want uit documenten van 1760 en der en klaarder. Als de suiker opgelost was, werd het vocht
1814/15 blijkt, dat Jacob Vroemen en diens zoon Martin in
de Jodenstraat niet alleen een ”branderij” [= brandewijn-
stokerij] maar ook een ”panhuis” [= bierbrouwerij] exploi-
teerden, die uit de erfenis van Jan Bollen de jonge afkomstig
waren <LvO nr. 1321. - Göbbels, 74>.
De procedure van bierbrouwen
De literatuur over het brouwen van bier verwijst meestal
naar moderne grote brouwerijen. Daarom moge het zijn nut
hebben hier de procedure te beschrijven, die ik in het begin
van de jaren veertig uit de mond van mijn vader heb
opgetekend.
De eerste stap was het mouten van gerst; dat proces bestond
uit de achtereenvolgende fasen van weken, kiemen, drogen
en harpen. Gerst werd eerst geweekt; daar wintergerst een
344
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 345
Bierboom en metalen roergaffel (zonder steel) uit de bier- zij één brood vlak bij de ”aomeren” [= houtskool] in de oven
brouwerij ”De Kroon” in de Marcellienstraat <Foto door de schrijver>. liggen totdat dit geheel zwart was geworden. Dit brood over-
handigden zij dan aan de brouwer om in hun eigen bier te
van de gort gescheiden en werd de temperatuur opnieuw verwerken, zodat dit een donkere kleur kreeg. Tegen het
opgevoerd, maar niet tot boven 60˚ R. einde van de negentiende eeuw werd dit echter niet meer
Van de overgebleven gort werd nog eens bier gemaakt; dat gedaan.
was het zogenaamde ”klein bier”. Door een blauwe steen in Omdat er soms geruime tijd verliep voordat het biervat leeg
het vuur onder de ketel te leggen ontstond gebrande kalk. geraakte, werden pogingen aangewend om het bier zo vers
Van dit laatste werd een beetje in dat bier gedaan om de mogelijk te houden. De eerder genoemde achttiende-eeuwer
klaarheid te bevorderen. Daarna werd het ”klein bier” met Andreas Claessens tekende verschillende methodes op ”om
gewoon bier gemengd tot ”middelbier”. ”Oud bier” was bier, van suijr [= zuur] bier weder jonck bier te maeken”, ”om bier
dat in maart-april was gebrouwen en tot de zomer in de dat naer het vat smaekt goet te maeken”, ”om bier klaer te
vaten bleef liggen. De tweemaal gebruikte gort werd aan het maken”, ”om bier dat niet gaen [schuimen?] en wilt om
vee gevoerd. doen te gaen” en ”om goeden gesmaek en claer bier te
Boeren, die uit eigen geteelde gerst en hop bier wilden maecken”. Maar wie zou vernemen welke ingrediënten
brouwen, brachten hun gerst bij de brouwer om het te laten genoemde auteur voor die procedures aanraadde, zou allicht
”milten”, d.w.z tot mout te laten verwerken. Zo verklaarde weinig drinklust meer hebben.
Nicolaas Meuvels, dat hij in 1761 gerst naar de woning van Tenslotte zij vermeld, dat bij de inventarisatie van de pastorie
Mathis Vroemen had gebracht ”voor te milten” <LvO nr. 1295>. op 4 december 1794 bovengronds niet minder dan zeven
Andere boeren bezorgden hun gerst bij de brouwer om daar- lege vaten en in de kelders drie met bier gevulde vaten
uit bier te laten brouwen. In dat geval deden zij vaak het werden aangetroffen <Bergen, 53>. Daar men op de pastorie
volgende. Als ze een oven vol brood hadden gebakken, lieten geen drinkgelagen kan veronderstellen, wijst dit er waar-
schijnlijk op, dat de parochiegeestelijken gaarne een biertje
Twee mannen dragen een ton bier aan een bierboom <Naar een bij hun maaltijden gebruikten. Overigens moest bij het
reclame van ”Maes Pils”>. beheer van de pastorie rekening met frequente gasten
worden gehouden.
Bier- en brandewijnherbergen
In 1745 werd geklaagd, dat sommige jonge geestelijken te
Geleen herbergen bezochten, ”de eene in brandwijns, de
andere in bierherbergen”. Hieruit blijkt, dat er twee soorten
drankhuizen waren, nl. enerzijds herbergen, waar brande-
wijn de voornaamste drank was, en anderzijds herbergen,
waar vooral bier werd geschonken en gedronken.
De beschrijving van dergelijke drankhuizen, die architect
P. A. SCHOLS voor circa 1900 gaf, kan in hoofdtrekken
zonder bezwaar ook op situaties van een paar eeuwen vroeger
worden toegepast: ”Cafés, die van overige boerenhuizen in
niets verschilden; gelagkamers waarvan de vloeren bestonden
uit rode plavuizen en de wanden gewit, precies als de boeren-
vertrekken. De klanten moesten onder de poort door, over
de ’sprunk’ en via de ’nère’ [= gang] gaan om dat vertrek te
bereiken. Overigens was er van buitenaf niet eens te zien dat
er ’herberg’ gehouden werd ! Alleen bij de ’opening’ was er
een groen boompje tegen de poort bevestigd, dat na vergaan
te zijn dikwijls niet werd vervangen. Voor de dorpsmensen
was die eerste énige kennisgeving al voldoende geweest” <LvH
1951, 73>.
Volgens JOS. RUSSEL duidde ”een altijd groene taxisboom,
die naast de deur aan eene ijzeren klam of haak bevestigd
was”, erop dat in dat huis een borrel werd geschonken <Russel
1878, 36>, terwijl het volgens andere Geleners tot circa 1900
gebruikelijk bleef om een groene ”wösj” [= dennetak of
tuyas] met een klem naast de poort of boven de deur te
bevestigen tot teken dat daar café werd gehouden. De uit-
345
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 346
drukking ”dao sjtuk de wösj oet” betekende dan ook niets regering andermaal de brandewijnstokers om hun stiel nog
anders dan dat daar een ”oetsjpenning” [= uitspanning] was; langer uit te oefenen. Teneinde de productie van brandewijn
dit laatste was rond 1900 de gangbare plaatselijke naam voor voorgoed uit te schakelen, gelastte de overheid toen de ketels
een café. uit te breken en in te leveren. Maar dat ging niet van een
Wie een ”oetsjpenning” inrichtte had - naast de te schenken leien dakje. Op 1 augustus 1703 moest de drossaard vast-
drank - niets anders nodig dan een dozijn glazen, een paar stellen, dat ”nietteghenstaende de ordonnantie van sijne
tafels en een dozijn stoelen. Op de tafels stonden kaarsen en Majesteijt ende differente gedaene advertentie [= bekend-
lag een ”sjmòksjiër” [= soort schaar] om de ”week” [= wik] making], d’inwoonders van Geleen blijven in faute van vuijt
van de kaars uit te knippen. Voor de meeste herbergiers was te breecken die brandewijns ketels ende de selven sijn in
hun café slechts een ”bijzaak”. Daarnaast hadden zij bijna perickel [= gevaar] van daer door grote schade te lijden, so
steeds een ander bedrijf of een boerderij. wordt den schepen Claes Penris neffens den bode geauto-
riseert te doen die visitatie ende die ketels te doen uijt-
Brandewijn-distilleerderij naar een achttiende-eeuwse afbeel- brecken ende stellen op het voorss: Casteel [van Sint-
ding <Onbekende etser, in GHK 1991, 170>. Jansgeleen], mits daervan houdende notitie ende die selve
teekenende, opdat jeder de sijne kan kennen en sulx binnen
Het distilleren van brandewijn vier en twintigh uiren op pene als bij voorssegde placcaeten
De vele vermeldingen van brandewijn in de Geleense is worden gestatieert” <LvO nr. 1243>.
archieven geven de indruk, dat die drank een geduchte Doch reeds op 6 juli 1705 werd van hogerhand vastgesteld,
concurrent van het bier was. Aanvankelijk werd brandewijn dat het verbod om brandewijn te stoken de graanprijzen zo
uit wijnmoer en ook wel uit biergist gestookt, maar bij het sterk had doen dalen, dat de boeren hun belastingen niet
geleidelijk verdwijnen van de wijnbouw werd steeds meer op meer konden betalen. Bovendien verklaarde de overheid tot
granen overgeschakeld; die graanjenever bleef evenwel de de conclusie te zijn gekomen, dat haar vroegere opvatting
naam brandewijn behouden. ”dat desen dranck schaedelijck soude wesen aen de ghesont-
Omdat daarvoor vrij kostbaar broodgraan werd gebruikt en heyt, niet en soude overeencomen met de gevoelens der
het drankmisbruik toenam, werd op 20 maart 1601 door de Medecynen, als wanneer de brandewijn soude gedistilleert
landelijke overheid gereageerd op de consumptie van worden uyt suyver graen ende anyszaet”. Maar wie brande-
brandewijn ”ghetrokken uyt diversche materien, luttel wijn wilde stoken, zou daartoe wel een octrooi van de over-
dienende totte ghesondheyt van de lichaemen der menschen heid dienen te vragen; deze kon dan door het innen van
ende waer uyt vele groote notable inconvenienten [= onge- accijnzen voordeel uit die situatie halen. Daar jeneverdraf
makken] gesproten sijn”. Zij verbood om voortaan nog een uitstekend middel was om vee vet te mesten, had menige
brandewijn te stoken uit granen of uit ”appelen en rotte brandewijnstoker een flinke veestapel <Lindemans II, 29-31>.
peren” - overrijp fruit gaat immers gisten - maar alleen uit De achttiende eeuw was de ”gouden eeuw” voor de brande-
”droesem van wijnen ende ghiste van bieren, zo men hier wijnstokers; in de verkoopakten van Geleense huizen of
vormaels plach te doen” <Lindemans II, 27-28>. inboedels is dan ook geregeld sprake van brandewijninstal-
Dat verbod had echter weinig uitwerking. Circa 1688 waren laties. Martin Hoedemakers in de Groenstraat noteerde: ”In
in Geleen tien brandewijnketels in gebruik; ook hier is niet het jaer 1747 een niuwen brandewin kettel gegolden
duidelijk of dat getal enkel voor het kerspel Geleen gold, dan [= gekocht] te Achen [= Aken] met den helm [= deksel van
wel op de hele heerlijkheid Geleen, d.w.z. met inbegrip van distilleerkolf] ende pipen ende het klein kettelen mit een
Spaubeek, van toepassing was. Rond 1700 verbood de lands- eecher [= iëker = bolvormige koperen gietkan] daer bij ende
een klein pan ende daer bij een mor [= moor of waterketel]”
<HJLvZ 1993, 144-145>.
Tegen het einde van de achttiende eeuw kwam echter een
kentering in de brandewijnproductie. De graanprijzen waren
sterk gestegen en omdat dit ten dele aan het stoken van
brandewijn werd toegeschreven, vaardigde de keizer op 5
juni 1789 een verbod tegen ”de Distillatie der Brandewynen”
uit. Teneinde zijn verbod effectiever te maken schreef hij
voor, dat ”alle de gene de welke Distilleer-Ketels hebben,
gedestineert [= bestemd] tot de distillatie van de gezeyde
Brandewynen”, binnen acht dagen na zijn publicatie de
helmen van die ketels bij de plaatselijke overheid moesten
inleveren. Wie drie dagen na verloop van die termijn op
overtreding van dat gebod zou worden betrapt, zou niet
alleen zijn ”Distilleer-Ketels, Brouw-Ketels en toebehoorten”
geconfisqueerd zien, maar zou voor de eerste overtreding ook
346
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 347
stokers te zijn, van wie er tien
slechts één distilleerketel
bezaten, terwijl de halfer van
de Biesenhof over twee ketels
bleek te beschikken <FA nr. 212>.
In een lijst, die in 1798 voor
belastingdoeleinden werd op-
gemaakt, werden in Geleen
slechts zeven inwoners als
brandewijnstokers vermeld.
Van dezen woonden er min-
stens vijf in Oud-Geleen; alle
vijf hielden tevens café <FA nr.
4047. - Bergen, 95-96>. Bij de open-
bare verkoop van de inboedel
van een woning met café dicht
bij de kerk te Oud-Geleen op
12 augustus 1805 werd o.a.
verkocht: een brandewijn-
installatie met ketel, slangen,
kuipen en verder gereedschap.
De halfer van Ten Eijsden had
een speciale brandewijnstoker
in dienst, terwijl Jan Paes,
scheper van de kasteelhoeve
Sint-Jansgeleen, daar in 1756
tevens de taak van brandewijn-
stoker waarnam.
In dienst van hogere of
Het eerste gedeelte van de keizerlijke en koninklijke declaratie van 5 juni 1789 ”Verbiedende vreemde autoriteiten
de Distillatie der Brandewynen”, die kort daarop door de drossaard in de diverse plaatsen van De gerechtsbode, die de open-
het graafschap Geleen werd ”gepubliceert ende geaffigeert” <LvO nr. 1536>. bare orde moest helpen hand-
haven, en de veld- en heide-
nog een boete van 200 patakons moeten betalen, terwijl dat wachters, die de eigendommen der Geleners in veld en
bedrag bij een tweede overtreding verdubbeld zou worden en boomgaard voor schade door anderen moesten behoeden,
bij een derde overtreding een ”arbitraire straffe” zou worden werden door de plaatselijke autoriteiten benoemd en dienden
toegepast. lokale belangen. Daarnaast waren er nog andere handhavers
De keizer wendde hier het dubbele motief van beloning en van de wet, zoals de jachtopzieners, de ontvangers van de in-
straf aan om het uitvoeren van zijn voorschriften te bereiken. en uitvoerrechten en de grenscommiezen, die allen door
Enerzijds bepaalde hij, dat slechts eenderde van elke boete hogere autoriteiten werden aangesteld. Bovendien namen
”ten synen profyte” zou zijn, dat de drossaard die bij zulke sommige Geleners dienst in de legers van het eigen landelijk
overtreding ingreep eveneens eenderde mocht opstrijken en gezag ofwel in die van ”vreemde mogendheden”.
dat ”het resterende derde ten behoeve van den aenbrenger”
[= verklikker] zou komen; maar anderzijds zou het over- ”Jagers”: jachtopzieners voor de eigenaars van het graaf-
heidspersoneel dat in gebreke mocht blijven dit verbod toe schap Geleen
te passen niet alleen een boete van 200 patakons oplopen Naast een ”beobachter” van de aan hem toebehorende
maar bovendien ontslagen worden <LvO nr. 1536>. bomen en bossen had de bezitter van het graafschap Geleen
De Fransen gingen om een gelijkaardige reden tot eenzelfde ook nog een jachtopziener in dienst om zijn belangen ten
maatregel over. Omdat in 1794 de oogst grotendeels mislukt aanzien van de jacht, vogel- en visvangst te beschermen.
was en er een tekort aan granen dreigde te ontstaan, werd Beroepshalve werd deze ”jager” genoemd. Bij ”het beobach-
kort na nieuwjaar 1795 verboden om nog langer brandewijn ten der jachte” had hij soms een assistent. In processen tegen
te stoken. In de stokerijen moesten de slangen en de helmen ”loerjagers” [= stropers] van 1757 tot 1761 wordt de schepen
worden verzegeld. Er bleken toen in Geleen elf brandewijn- Lambert Banens als ”jaeger van sijne Hoogheijt mijn Heere
347
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 348
den Prince de Ligne voor de Graefschappe Geleen” vermeld, ”Kantoormeesters”:
terwijl Lambert Mevis toen zijn assistent was. keizerlijke ontvangers van in- en uitvoerrechten
Op 28 mei 1779 komt Christiaan Schols te Geleen als In de eerste helft van de achttiende eeuw bekleedde Willem
”vereeden [= beëdigde] observator der jachte” voor. Hij de Gavarelle het ”ampt van ontfanger van Sijne Majesteyts
wordt kort daarna opgevolgd door Stas [= Eustachius] Feron, rechten”. Daarmee werd het innen van de in- en uitvoer-
die op 26 januari 1742 op de hoeve Kemenade was geboren rechten uit het gebied van de keizer of keizerin van
en in 1765 met Elisabeth Dullens, een halfersdochter van de Oostenrijk bedoeld. In 1732 en 1733 was hij op de
Biesenhof, was getrouwd. Zij hadden zich na hun huwelijk Lichtenberg bij Schaesberg gestationeerd, maar sedert 1736
te Beek gevestigd, waar zes van hun acht kinderen werden had hij zijn ”comptoir” [= kantoor] in zijn eigen huis te
geboren. In de lente van 1779 verhuisden zij naar de Geleen. Door zijn plaatsgenoten werd hij als ”kantoor-
noordelijke helft van het huis Maes aan het kerkhof te Oud- meester” aangeduid. Op 14 januari 1733 verklaart zijn buur-
Geleen. De directe aanleiding hiertoe lijkt de nieuwe functie man Pijpers, ”dat aan hem Gavarelle gemelt ampt niet is
van Stas Feron als ”jager” van de bezitter van het graafschap voor de daeghen sijns leven vergunt off gegeven, dan eghter
Geleen te zijn geweest. Maar hij zou ze slechts korte tijd dat gemelt ampt van eenen maendt in den anderen en van
kunnen uitoefenen, want hij overleed reeds op 18 juni 1782. een weecke in de andere en van eenen dagh in den anderen
Hij werd opgevolgd door Jacob Luijten, die met een zuster hem can en magh benoemen [= ontnomen] en aen derde
van zijn vrouw was getrouwd. Deze werd op 3 juli 1782 aan- gegeven worden”.
gesteld en legde op 22 juni 1782 te Sint-Jansgeleen zijn Hij hield ambtshalve toezicht op het vervoer van goederen
beroepseed af. Daarbij beloofde hij, dat hij ”soo de jagt als over de grenzen van Oostenrijks Valkenburg, dat aan Guliks
visscherije, en bosschen met allen privativen regten en Staats gebied grensde. Toen hij op 22 januari 1738
competeerende [= toebehorende] aan Hoogst gemelden Wel. klaagde over de slechte toestand van de Hegstraat te
Edelen Gebooren Heere De Willems gebiedende heere der Krawinkel, die een onderdeel van de interlokale weg tussen
graefschappen Geleen en Amstenraedt in alle forme en met Maastricht en Sittard vormde, voegde hij daaraan toe, dat dit
de uyterste neerstigheyd zal beobagten, en allen contraven- een grote schadepost voor de keizer betekende. Het ver-
teurs [= overtreders] van vo(o)rgemelde privaete heerlijcke mijden van die wegen door kooplieden had immers een
voorregten, zal overgeven aan den heere Drossaerdt... om de vermindering van de geïnde gelden tot gevolg. Het is dan
quadwillige te amendeeren [= beboeten] ende doen ook niet te verwonderen, dat het bevel tot reparatie en
bestraffen etc.” <LvO nr. 1284. - Strijkers I, 41-43>. Op 17 juni 1789 onderhoud van de ”internationale” wegen van de tolkamer te
werd Jan Schickel als ”garde chasse” en boswachter voor het Brussel, de hoofdstad van de Oostenrijkse Nederlanden,
hele graafschap benoemd, maar op 23 juni 1790 volgde de uitging.
benoeming van Pierre Krinn voor het graafschap in enge zin, Sinds de vlucht van Willem de Gavarelle in 1751 werd de
terwijl Jos. Kreybig op 18 mei 1791 voor het hele graafschap functie van tolgaarder vermoedelijk waargenomen door de
werd aangesteld <LvO nr. 1286>. Waal François Duciel. In de vermelding van diens overlijden
De jachtopziener had geen gemakkelijke taak, want uit de te Geleen op 16 september 1759 staat dat hij ”ontvanger”
archieven blijkt, dat er in die tijd in de Geleense velden - bij was geweest. Daarna bekleedde Herman Luijten, die in de
voorkeur ’s nachts - opvallend veel ”loerjagers” optraden, die Jodenstraat woonde, die functie. Op 17 maart 1767 werd hij
met ”flinten” [= geweren] gewapend waren en soms een aangeduid als: Apostolicæ Majestatis Reginæ Hungariæ receptor,
hond bij zich hadden. In sommige gevallen lukte het de d.w.z. ”Ontvanger van haar Apostolische Majesteit de
loerjagers te ”desarmeren” [= de ”flinte” af te nemen], maar Koningin van Hongarije” [= keizerin Maria-Theresia]. Op 2
toen H. W. op 30 juli 1758 door Lambert Banens op de november 1775 verdween hij voorgoed uit deze regio.
patrijzen(loer)jacht werd betrapt, weigerde hij niet alleen Zijn opvolger werd Jacob Ferdinand Meyer, de jongste zoon
zijn geweer af te geven, maar onthaalde hij de jachtopziener van Maria Theresia de Gavarelle en kleinzoon van Willem de
ook op ”temeraire [= vermetele] draigement woorden”. Dit Gavarelle. In 1790 had hij zijn ”comptoir” in de Dorpstraat
kostte hem een flinke ”amende” [= boete]. Een enkele keer [Marcellienstraat] vlak bij de kerk van Oud-Geleen. Toen
kwam het zelfs tot handtastelijkheden; zo werd de man van hing aan de voorgevel van dat huis een schild met het wapen
de wet door een inwoner van Hobbelrade, die hem ervan van de overheid. In het doopregister wordt notaris Jan
verdacht ”eene vissevalle [= bunzingval] gelegen hebbende in Mathijs Luijten, zoon van Herman Luijten, op 13 juni 1794
sijnen cool hoff” te hebben weggenomen, op een flink pak als ”Rijksontvanger” aangeduid. Als hij die functie toen
slaag onthaald <Geleen, 94>. inderdaad heeft waargenomen, werd hij ruim drie maanden
Toen zijn werkgever voor de naderende Fransen de vlucht later door de Fransen daaruit ontslagen.
had genomen, kwam de jager blijkbaar in geldnood te zitten,
want Jan Mathijs Zelis, (tot 1801) mulder in de graanmolen ”Gardes”: keizerlijke grenscommiezen
te Daniken, noteerde: ”1795. Den 17 Junij heb ik geleent De zojuist genoemde ontvangers of kantoormeesters werden
aen den Jager van onsen graaf van Amstenraede 3 franse geassisteerd door ”gardes”, d.w.z. commiezen, die de grenzen
Croonen”. inspecteerden. In de tweede helft van de achttiende eeuw
348
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 349
verbleven te Geleen Walen, die deze functie bekleedden. In Leonard Corten (*Nuth 9-8-1631, † Lutterade 28-8-1712),
januari 1768 werd vermeld, dat de te Geleen wonende Jean- die met zijn ouders Henricus Corten en Elisabeth Renckens
Baptist Tilhastre een ”garde” was. Op 31 maart 1770 over- uit Hellebroek naar de Daalstraat te Krawinkel was verhuisd,
leed te Geleen Pierre Florequin, ”Garde van Zijne diende onder de Spaanse ”garde noble” <Russel 1878, stamboom
Apostolische Majesteit”, en nog in datzelfde jaar werd een Corten>.
zekere Bisseauw als ”garde” vermeld. Willem Maes, circa 1645 geboren als zoon van de aan
Gezien die ”Waalse” namen kan hier aan ”garde” niet de het kerkhof te Geleen wonende gelijknamige drossaard van
betekenis van veldwachter of gerechtsbode worden gegeven, Stein en Eva Woldenbergh, was in 1680 ritmeester; ver-
want die functies werden steeds door plaats- of streek- moedelijk was hij toen in dienst van de keizer. Op 18 decem-
genoten uitgeoefend. Uit de in de archieven beschreven ber 1686 keerde hij - in het gezelschap van zijn vrouw en
relatie van de eerstgenoemden met ontvanger Herman twee zoontjes - ziek naar Geleen terug. Dit gezin nam zijn
Luijten valt te concluderen, dat zij commiezen waren, die intrek bij zijn zuster Johanna Maria Maes en haar man
het goederenvervoer tussen Oostenrijks Valkenburg en het Reinier Hagens in de Jodenstraat. Daar is ritmeester Maes op
”buitenland” controleerden. 7 juni 1689 overleden.
Hoe zij soms optraden blijkt uit het volgende relaas uit Zijn zoon Willem Frans Maes (ged. Geleen 1-4-1680) koos
1781, dat in de Oirsbeekse archieven staat opgetekend. Paul eveneens een militaire loopbaan en trad in dienst van de
Daemen uit Doenrade had een door hem vetgemest varken koning van Frankrijk. Daar zijn moeder lange tijd niets meer
geslacht en wilde op 11 augustus 1781 te paard 60 pond van hem had vernomen, verklaarde zij in 1703 dat hij ”naar
spek naar Maastricht brengen. Maar onder Geleen werd hij alle apperentie [= schijn] doodt is”. Ook diens jongere broer
door een ”garde” aangehouden. Aangezien Daemen geen Godefridus Maes koos het beroep van zijn vader. Hij werd
”rechten van uijtgaen”, d.w.z. uitvoerbelasting, had betaald achtereenvolgens adjudant, ondermajoor, majoor en
werd het spek in beslag genomen. Toen hij hierover voor de commandant van de stad en vesting Roermond <Msg 1925, 28>.
”judicature [= rechtbank] van Sijne Majesteits in en uitgaen- In 1723 was er sprake van ”den Heere Capiteijn Cremers op
de rechten” werd gedaagd, beriep hij zich op ordonnanties den Pesch”. Dit was Joannes Matthias de Cremer, van wie
uit 1678 en 1680, waarbij alle producten, die van de op 20 augustus 1738 werd gezegd, dat hij ”in sijn leven
vervoerder zelf afkomstig waren, van die belasting waren commandant der Saxe brigade ten dienste van den koninck
vrijgesteld. Het mocht echter niet baten; niet alleen was hij van Vranckrijck” was geweest.
het spek kwijt maar ook werd zijn paard verbeurd verklaard, Op 21 april 1706 gaf de drossaard aan de drie burgemeesters
terwijl hij bovendien de kosten van het gerecht moest van Geleen het bevel van hogerhand door om binnen drie
betalen. De verbolgen inwoner van Doenrade deed een dagen een lijst in te leveren van de namen der Geleners,
beroep op de schepenbank van Oirsbeek. Deze koos zijn ”dewelcke van den aanvanck van desen Oirlogh hebben
zijde. De zeven burgemeesters van die bank ondertekenden gedient onder die geallieerde [= bondgenoten] ofte onder
een document, waarbij zij zich solidair met de gedupeerde den Viand”. Het antwoord is niet bekend. Naar aanleiding
verklaarden en erop aandrongen, dat de schepenbank hem van eenzelfde vraag werd in 1740 door de Geleense auto-
het nodige geld zou lenen om hoger beroep te kunnen aan- riteiten opgegeven, dat Thomas en Johannes Janssen,
tekenen. Hoezeer zij die zaak ter harte namen, blijkt wel uit Christiaan en Martinus Ronden, twee gebroeders Soons en
het feit, dat zij zich zelfs garant voor hem stelden. Geholpen Michiel Sassen sedert 1738 in dienst van de Staten-Generaal
door advocaat De Limpens maakte Daemen die zaak bij de waren <LvO nr. 1280>. Op eenzelfde vraag van 21 januari 1769
”Provinciale Vergaederingh” aanhangig. De uitslag van deze werd geantwoord, dat de Geleners Peter Linnaerts, Joannes
affaire is evenwel niet bekend <Uitkijk 28-3-1974>. Jansen en Joannes Penners ”in dienst van vreemde mogend-
heden” waren <Msg 1918, 95>.
Geleners in militaire dienst Een reeds eerder genoemde Gelener, nl. Winand Walraaf de
Er waren Geleners die blijkbaar neiging tot het ondernemen Gavarelle (* 6-6-1724), zoon van de bekende aanvoerder van
van gevaarlijke avonturen hadden en in militaire dienst traden. de Geleense bokkenrijders, liet zich in 1746 als ”cadet”
Ofschoon de gegevens vrij beperkt zijn, kunnen ze ons toch inlijven bij het regiment van luitenant-generaal Smitsaert,
een indruk geven van de vroegere situaties en verhoudingen. dat in dienst van de Staten-Generaal was. Hij moest zijn
Zoals reeds eerder werd vermeld, trok Jan Penders van uitrusting zelf bekostigen. Die uitgaven zouden evenwel
Geleen in 1567 met het - tegen koning Filips II van Spanje - tevergeefs zijn, want hij overleed reeds op 27 januari 1747.
opstandige legertje van de gebroeders Van Brederode uit Op 20 november 1752 overleed te Geleen Petrus Recken,
Stein naar het noorden [zie ”Kroniek” onder 1569]. soldaat in Hollandse dienst. Daar Recken een destijds te
De Gelener Clemens (van) Nierbeek († 19-9-1656) nam in Geleen voorkomende naam was, was ook die soldaat waar-
de keizerlijke legers aan de Dertigjarige Oorlog deel en schijnlijk een Gelener.
bracht het tot de rang van luitenant-kapitein. Hij keerde In september 1754 werd aangetekend, dat Andreas van de
naar zijn geboorteplaats terug en fungeerde er o.a. in 1635 Wall uit Lutterade in dienst was van ”haer Hoogmogenden”,
en 1640 als secretaris. d.w.z. de Staten-Generaal. Ofschoon er niet bij staat dat hij
349
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 350
militair was, mag dat toch redelijkerwijze worden Speelmannen
verondersteld. In de archieven van Geleen is er verschillende keren sprake
In oktober 1773 werd een gepensioneerde luitenant Van van ”speelmannen”. Dit waren muzikanten, die een viool,
Nierbeek vermeld, die aan het Einde [= het westelijke einde fluit, doedelzak of een ander instrument bespeelden en soms
van de Eindstraat] woonde en eveneens in dienst van ”Haere ook liedjes zongen of verzen voordroegen; zij traden vooral op
Hooghmogende” was geweest <LvO nr. 1250>. in herbergen, op kermissen en markten. Het woord speelman
Andreas Penris uit Spaans-Neerbeek (*23-12-1759), zoon werd in die betekenis nog door de grootmoeder (1844-1932)
van Geret Penris en Maria Daemen, was kanonnier bij het van de schrijver gebruikt; zij zei, dat gedurende de witte-
garnizoen te Zutphen <TsLimGen 1995, 33>. broodsweken de speelman op het dak van jonggehuwden zat.
Uit de Geleense archieven zijn o.a. de volgende speelmannen
Markt- en kermisartiesten bekend: Thisken Selis te Lutterade (zeventiende eeuw), Jacob
Diricx of Dirx uit de Peschstraat (ca. 1667 en 1675) en
Zoals wij zagen, verbood drossaard L. Duycker op 25 april Andries van de Wall te Lutterade (1751). In 1617 woonde
1727 aan de herbergiers om op de aanstaande eerste-meidag Jeuck [= Jacob] Spielmans te Geleen. Zijn achternaam duidt
in hun huizen het bespelen van muziekinstrumenten toe te er waarschijnlijk op, dat een van zijn voorouders een ”spiel-
laten <LvO nr. 1243>. Daarmee ging die drossaard tegen een man” was geweest. In 1697 werd ”Claes den lijrman” uit
oude traditie in, want in nagenoeg elke generatie blijken er Krawinkel vermeld; hij was vermoedelijk een ”liereman” of
muzikanten en andere personen te zijn geweest, die hun orgeldraaier.
medemensen zowel op de eerste dag van mei als op andere Ook onder de leden van diverse bokkenrijdersbenden bevon-
feestdagen met hun kunst of kunsten vermaakten. Over een den zich verscheidene speelmannen <VolkskBull 7 (1981), 128. - A.
paar van hen zijn zelfs details bewaard gebleven. Blok, 1991, 63 en 440>, zo bv. Joannes Ronden van de Peschstraat,
die ”de Pijpe(r)” werd genoemd <Pijls, 21>. Op 19 juli 1751
vermeldt Peter Schols in de gevangenis van Sint-Jansgeleen als
lid o.a. ”Thomas soone van Giel den Cremer van Geleen
sijnde eenen speelman op de viole, getrout tot Drummen”.
Het ernstig beschadigde (vermoedelijke) zelfportret van de Zwervende muzikant-acrobaat
speelman (bokkenrijder) Nolleke van de Wall alias Nolleke Niet alleen had Geleen zijn plaatselijke speelmannen en
van Geleen te Bree; in de linkerhand houdt hij zijn viool kwamen vreemde speellieden en andere personen, die met
<Foto Openluchtmuseum Bokrijk, (B.)>. allerlei ”consten” hun kost trachtten te verdienen, naar onze
streken, maar in de tweede helft van de achttiende eeuw
trokken ook personen uit Geleen of onmiddellijke omgeving
met hetzelfde doel naar den vreemde.
Joannes Bemelmans werd op 18 juni 1724 te Munstergeleen
gedoopt als zoon van Servatius Bemelmans en Maria Penris.
Rond 1755 verliet hij zijn geboortestreek om als zwervend
koop- en speelman zijn kost te gaan verdienen. Omdat zijn
geboorteplaats in het hertogdom Gulik lag, werd hij in het
hertogdom Brabant als buitenlander beschouwd en mocht
hij om die reden die beroepen daar niet uitoefenen. Toen hij
dat toch deed, kwam hij in conflict met de justitie; bijgevolg
vinden wij in de archieven enige bijzonderheden over zijn
activiteiten in de streek van Antwerpen.
Van beroep was hij ”cattoen stoff ende lijnwaett drucker”,
maar behalve ”sijne effecten bestaende in hemdens ende
ander lijnwaett” had hij ook ”enen trommel, viole ende
harpe ende eenen gitterne” [= gitaar], dewelcke hij
gebruijckt wanneer hij sijne spelen exerceert [= uitvoert]”.
Hij was gewoon om ”uijt den aessack [= knapzak] te spelen
mitsgaeders eenighe consten te doen soo met marionetten,
equilibers [= koorddansen] als andere dusdaenighe
bagatellen loopende alsoo van t’een dorp op het ander ende
ammuserende de goede luijden om by dien middel geldt te
becomen” <RAB: RD nr. 128. - ES & DB 1950, 432-433. - Abshoven, 44-45.
- TsSG jrg. 3, 55>.
350