The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Geografie Arteveldehogeschool, 2020-09-24 14:01:29

Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920

INHOUD











Inleiding 6
Inhoud 6
Competentiegerichte doelen 7
Studiewijzer 8


1 Landschapsgeografie 9
1.1 Inleiding 9
1.2 Het begrip landschap 10
1.3 Vlaamse landschapsgenese 11
1.3.1 Stempel op het landschap vanaf het neolithicum 11
1.3.2 Toenemende greep op het landschap 11
1.3.3 Wortels van de hedendaagse landschappen 11
e
1.3.4 Ingrijpende schoksgewijze veranderingen vanaf de 18 eeuw 12
1.4 Leesregels voor het landschap 13
1.5 Perspectieven op het landschap 15
1.6 Traditionele landschappen als streekindeling 16
1.6.1 Inleiding 16
1.6.2 Vlaanderen 16
1.6.3 Wallonië 17
1.6.4 Brussel 17
1.6.5 België 17
1.7 Modellen voor landschapsanalyse 19
1.7.1 Lagen van een landschap analyseren 19
1.7.2 Holistische landschapsanalyse 21
1.7.3 Deelaspecten van een landschap analyseren 21
1.7.4 Andere modellen 21
1.8 Voorbeeldexamenvragen 22

2 Landbouwgeografie 23

2.1 Het landbouwlandschap in Vlaanderen en België 23
2.1.1 Analyse vanuit geografisch perspectief 23
2.1.2 Analyse vanuit economisch perspectief 26
2.1.3 Analyse vanuit ecologisch perspectief 30
2.2 Het landbouwlandschap in Europa 33
2.2.1 Inleiding 33
2.2.2 Landbouw in West- en Midden-Europa 34
2.2.3 Landbouw in Noord-Europa en het Europese hoogland 34
2.2.4 Landbouw in Zuid-Europa 34
2.2.5 Landbouw in Oost-Europa 35
2.3 Toekomst van de Vlaamse, Belgische en Europese landbouw 37
2.3.1 Recente tendensen in de Vlaamse en Belgische landbouw 37



1 AA VS 2 1 © 2019 Arteveldehogeschool

2.3.2 Europese toekomstperspectieven 38
2.4 Analyse van het landbouwlandschap 38
2.4.1 Analyse vanuit een landschapsfoto 38
2.4.2 Analyse vanuit kaartmateriaal 41
2.4.3 Analyse vanuit het functionele landbouwlandschap 43
2.5 Voorbeeldexamenvragen 43


3 Industriegeografie 45
3.1 Industriële bronnen uit de aardkorst 45
3.1.1 Inleiding 45
3.1.2 Wereldwijde vindplaatsen van kolen en ertsen 45
3.1.3 Processen die kolen en ertsen genereren 48
3.1.4 Conclusie: ertsen en platentektoniek 51
3.1.5 Concretisering voor Europa en België 51
3.2 Het industrielandschap in België 52
3.2.1 Inleiding 52
3.2.2 Een gediversifieerde industriële structuur 52
3.2.3 Grote regionale verschillen 52
3.2.4 Geografische verschuivingen doorheen de tijd 55
3.3 Het industrielandschap in Europa 62
3.3.1 Het Ruhrgebied als voorbeeld 62
3.3.2 Andere landschappen met basisindustrie 69
3.3.3 Landschappen met verwerkende industrie 69
3.3.4 Havenlandschappen 69
3.3.5 Conclusie: de industriekaart van Europa 69
3.4 Analyse van industrielandschappen 71
3.5 Havenlandschappen 74
3.5.1 De zeehaven, vindplaats grondstoffen en afgewerkte producten 74
3.5.2 Zeehavens in België 74
3.5.3 Groei van West-Europese zeehavens 75
3.6 Voorbeeldexamenvragen 79

4 Toeristische geografie 81
4.1 Toeristische geografie van België en Europa 81
4.1.1 Het toeristische landschap in België 81
4.1.2 Het toeristische landschap in Europa 84
4.2 Typologie van toeristische centra 86
4.2.1 Een overzicht 86
4.2.2 Toeristische centra langs kusten en meren 87
4.2.3 Toeristische centra in en rond gebergten 88
4.2.4 Vertaling S.O.: Op zoek naar een geschikte plaats 88
4.3 Ontwikkeling van toeristische regio’s 90
4.3.1 Het groeicyclusmodel van toeristische regio’s 90
4.3.2 Toepassingen 93
4.4 Synthese 95
4.5 Voorbeeldexamenvragen 95


5 Nederzettingsgeografie 96



1 AA VS 2 2 © 2019 Arteveldehogeschool

5.1 Site en situatie van landelijke nederzettingen 96
5.1.1 Inleiding 96
5.1.2 Site van landelijke nederzettingen 97
5.1.3 Situatie van landelijke nederzettingen 102
5.2 Typologie en toponymie van landelijke nederzettingen 103
5.2.1 Typologie van sites van landelijke nederzettingen 103
5.2.2 Toponymie van sites van landelijke nederzettingen 104
5.3 Typologie en morfologie van landelijke nederzettingspatronen 106
5.3.1 Typologie van landelijke nederzettingspatronen 106
5.3.2 Morfologie van landelijke nederzettingspatronen 108
5.3.3 Typologie en morfologie van percelering 112
5.4 Dynamiek van het landelijke landschap in Vlaanderen 115
5.4.1 Erfenis van het fysisch landschap 115
5.4.2 Opbouw van het cultuurlandschap 116
5.4.3 Evolutie van de landelijke bebouwing 118
5.5 Voorbeeldexamenvragen 121


6 Stadsgeografie 123
6.1 Stad, geen eenduidig begrip 123
6.1.1 Het interesseveld van meerdere wetenschappen 123
6.1.2 Geografische benadering van het begrip stad 124
6.2 Ontwikkeling van een stad 125
6.2.1 Wordingsgeschiedenis van de stad 125
6.2.2 Lokalisatie van een stad 125
6.2.3 Stadsplannen 129
6.3 Evolutie van de West-Europese stad 129
6.3.1 Inleiding 129
6.3.2 Pre-industriële fase 131
6.3.3 Industriële fase 131
6.3.4 Post-industriële fase 133
e
6.3.5 Nieuwe stedelijke tendensen en terminologie in de 21 eeuw 135
6.4 Bebouwing volgens het leerplan 148
6.4.1 Bebouwing en open ruimte 148
6.4.2 Bebouwing in het landschap 149
6.4.3 Bebouwde kernen 151
6.4.4 Bevolkingsdichtheid 152
6.4.5 Structuur van een bebouwde kern 153
6.4.6 Het centrum van een bebouwde kern 153
6.4.7 Soorten bebouwde kernen 155
6.4.8 Structurering van de stedelijke bebouwde kern 159
6.4.9 Een grote Europese stad 164
6.4.10 Structuur van een Europese wereldstad 165
6.4.11 Problemen en veelzijdigheid van bebouwde en open ruimte 167
6.4.12 Multiculturele aspecten 168
6.5 Ruimtelijke ordening in Vlaanderen 171
6.5.1 Inleiding 171
6.5.2 Vóór 1962 172
6.5.3 Wet op de stedenbouw (1962) 172




1 AA VS 2 3 © 2019 Arteveldehogeschool

6.5.4 Decreet op de ruimtelijke planning (1999) 173
6.5.5 Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 174
6.5.6 Beleidsplan Ruimte Vlaanderen 177
6.6 Voorbeeldexamenvragen 178


7 Bevolkingsgeografie 180
7.1 Inleiding 180
7.2 Bevolkingsgegevens 181
7.2.1 Kengetallen omtrent bevolkingsgegevens 181
7.2.2 Bronnen van bevolkingsgegevens 183
7.2.3 Cartografische voorstelling van bevolkingsgegevens 186
7.2.4 Invloed klassengrenzen op voorstelling van bevolkingsgegevens 188
7.3 Demografische ontwikkelingen in België 192
7.3.1 Recente ontwikkelingen 192
7.3.2 Demografische vooruitzichten 196
7.4 Demografische ontwikkelingen in Europa en de wereld 198
7.4.1 Algemene bevolkingscijfers 198
7.4.2 Vruchtbaarheid 198
7.4.3 Vergrijzing 199
7.4.4 Bevolkingsgroei en -krimp in regio’s 200
7.4.5 Levensverwachting 200
7.4.6 Tienermoeders, kindersterfte en hiv/aids-gerelateerde sterfte 200
7.4.7 Bevolkingscijfers gerelateerd aan migratie 201
7.5 Migratiegeschiedenis van België 202
7.5.1 Inleiding 202
7.5.2 Emigraties uit België 202
7.5.3 Immigraties in België 204
7.5.4 Van gastarbeid naar allochtonen in België 208
7.5.5 Van legale tot illegale migratie: terminologie 211
7.6 Voorbeeldexamenvragen 212

8 Culturele geografie 213
8.1 Geografie van de Europese cultuur 213
8.1.1 Inleiding 213
8.1.2 Hoofdkenmerken van de Europese cultuur 213
8.1.3 Secundaire kenmerken van de Europese cultuur 218
8.1.4 Culturele zonering in Europa 219
8.1.5 Conclusie: Een multicultureel Europa 220
8.1.6 Gevolg: Op zoek naar Europa’s identiteit 221
8.1.7 Uitleiding: Waarden in Europa 222
8.2 Regionale ongelijkheden in de Europese Unie 223
8.2.1 Inleiding: verschillen ondanks de eenheid 223
8.2.2 Waarnemen en analyseren van de ongelijkheden 223
8.2.3 Verklaren van de ongelijkheden 226
8.3 Beeldvorming over andere culturen 228
8.3.1 Stereotype beeldvorming 228
8.3.2 Bepalende invloeden op onze beeldvorming 229
8.3.3 Beeldvorming in schoolhandboeken aardrijkskunde 232




1 AA VS 2 4 © 2019 Arteveldehogeschool

8.3.4 Op naar een realistische en positieve beeldvorming 249
8.4 Voorbeeldexamenvragen 251

9 Milieugeografie 252
9.1 Inleiding 252
9.2 Natuurtypes in Vlaanderen 252
9.2.1 Inleiding 252
9.2.2 Naar een eenduidige natuurtypologie voor Vlaanderen 253
9.3 Analyse van ecolandschappen 259
9.4 Het (Vlaamse) natuurbeleid en -behoud 261
9.4.1 Inleiding 261
9.4.2 Natuurbehoudsrecht in België 261
9.4.3 Internationaal en Europees natuurbehoudsrecht 263

Lijst van definities 265


Topografische kennis 282
Lijst van landen 282
Contextueel te leren topografische kennis 290
Algemeen overzicht 290
Richtinggevende overzichtslijst 290

Bibliografie 298















































1 AA VS 2 5 © 2019 Arteveldehogeschool

INLEIDING











Inhoud
De inhoud van de syllabus ‘Vakstudie aardrijkskunde 2’ is opgedeeld in hoofdstukken die
overeenkomen met de inhouden uit de leerplannen aardrijkskunde van het secundair
onderwijs (S.O.). Concreet komen de volgende thema’s aan bod:


- Landschapsgeografie: In dit eerste deel wordt een inleiding gegeven op de diverse
functionele landschappen door het aanreiken van technieken om een landschap te
lezen en analyseren. Ook de evolutie van het (Vlaamse) landschap en de geografische
streken in België komen aan bod.
- Landbouwgeografie: De socio-economische kenmerken van de landbouw in
Vlaanderen, België en Europa staan centraal in dit thema, alsook de verklaring van
deze kenmerken vanuit zowel horizontale componenten (zoals bevolkingsdichtheid)
en verticale componenten (zoals bodem, klimaat, reliëf).
- Industriegeografie: In dit thema komen achtereenvolgens aan bod: vindplaatsen van
industriële grondstoffen, de structurele wijzigingen en regionale verschuivingen van
de Belgische en Europese industriële activiteiten, de ontwikkeling van een
havenlandschap.
- Toeristische geografie: De toeristische kaart van België en van Europa en de
ontwikkeling van een toeristische regio staan centraal in dit deel.
- Nederzettings- en stadsgeografie: Bij dit thema gaat het vooral om het uitzicht
(typologie, morfologie) en de evolutie en dynamiek van het landelijke en stedelijke
landschap. Ook ruimtelijke ordening komt hierbij aan bod.
- Bevolkingsgeografie: Bevolkingsgegevens, demografische ontwikkelingen in België
en Europa en de migratiegeschiedenis van België worden in dit thema besproken.
- Culturele geografie en welvaartsgeografie: De kenmerken van de Europese cultuur
en de regionale verschillen in welvaart in Europa zijn het onderwerp van deze
thema's.
- Milieugeografie: In dit laatste deel ligt de focus op de meest voorkomende
natuurtypes in België en de analyse van een ecolandschap.


Deze inhoud is spiraalvormig opgebouwd. Dit wil zeggen dat alle onderdelen in het
tweede en het derde opleidingsjaar terugkomen op een hoger en ander niveau. In het
eerste opleidingsjaar worden alle thema’s uit de leerplannen van het S.O. ‘basic’
behandeld, in de opleidingsonderdelen 1AAVS1 en 1AAVS2. De vakstudie van 1AAVS1 is
technisch (cartografisch) en fysisch-geografisch georiënteerd; in 1AAVS2 worden socio-
economische thema’s behandeld. Combinatie van beide opleidingsonderdelen levert dus
een volledig overzicht van de leerinhouden van het S.O. aan het einde van het eerste
opleidingsjaar. In de opvolgende jaren worden deze leerinhouden verder uitgediept.





1 AA VS 2 6 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 1: Concept van de opleiding tot leerkracht aardrijkskunde



Competentiegerichte doelen

De doelstellingen van 'Vakstudie Aardrijkskunde 2' sluiten aan bij de basiscompetentie 'De
leraar als inhoudelijk expert' (inleidend niveau 1). De student kan practica, didactische
praktijk en/of excursie zijn competenties aantonen door in:

- Landschapsgeografie: op foto in de klas of op excursie de diverse functionele
landschappen waar te nemen en te analyseren volgens diverse invalshoeken en die
gegevens in een aanschouwelijk opgemaakt verslag te integreren.
- Landbouw-, industrie- en toeristische geografie: in de diverse functionele
landschappen op foto in de klas en op excursie socio-economische kenmerken te
herkennen en in relatie te brengen met verticale en horizontale componenten om
aldus relevante keuzes in foto’s en excursiepunten te maken.
- Nederzettings- en stadsgeografie: in het stedelijke en landelijke landschap ruimtelijke
patronen en relaties te herkennen om hun lokalisatie te verklaren om aldus zelf
voorstellen te doen voor de inplanting van nieuwe activiteiten.
- Bevolkings- en welvaartsgeografie: statistische bronnen omtrent bevolkings-
kenmerken kritisch te gebruiken en voor te stellen in kaarten en grafieken om
manipulatie in de media te detecteren, de culturele diversiteit van de Belgische
bevolking te begrijpen vanuit de historiek van de migraties om aldus de etnische
samenstelling van de eigen leefruimte te duiden, de demografische samenstelling van
België en Europa te herkennen en te analyseren om de eigen maatschappelijke situatie
beter in te schatten en de regionale verschillen in welvaart in de EU vast te stellen
vanuit statistieken en grafieken om de huidige Europese integratie te karakteriseren.
- Culturele geografie: de actualiteit kritisch te benaderen en in lessen en presentaties
stereotypen te vermijden en kansen voor waardenopvoeding i.v.m. culturele
diversiteit aan te grijpen.




1 AA VS 2 7 © 2019 Arteveldehogeschool

- Milieugeografie: via analyse van ecologisch waardevolle landschappen waardering en
respect op te brengen voor het natuurlijk erfgoed.
- Alle onderdelen progressie te tonen in de - door de opleiding voorgeschreven -
geïntegreerde leerlijnen.

Deze doelen zijn in de syllabus bij het begin van elk hoofdstuk nog meer gedetailleerd
uitgeschreven. Er zijn ook doelen verbonden aan de basiscompetentie 'De leraar als lid
van een schoolteam', gericht op het vlot samenwerken met medestudenten bij het maken
van vakinhoudelijke opdrachten en taken.


De verschillende competentiegerichte doelen worden beoordeeld via taken en examens
waarin de student aantoont dat hij de inhouden en de vaardigheden zelfstandig en in
wisselende situaties met inbegrip van de geïntegreerde leerlijnen met toenemende
complexiteit kan toepassen. Bij elk hoofdstuk zijn hiertoe voorbeeldexamenvragen
opgenomen in de syllabus, zodat elke student zichzelf tussentijds kan toetsen en zijn
niveau kan nagaan.



Studiewijzer

De aanpak van het opleidingsonderdeel ‘Vakstudie aardrijkskunde 2’ is drieledig.

- Voor elk hoofdstuk worden, na een korte inleiding met het opzet en de doelen van het
hoofdstuk, de vakinhouden via een theoretische toelichting en een reeks concrete
opdrachten aangeboden in een aantal PowerPoint-voorstellingen. Deze PowerPoint-
voorstellingen kunnen wekelijks gedownload worden van de digitale leeromgeving.
- De theorie en opdrachten zijn ook samengebracht in de syllabus van het
opleidingsonderdeel, zodat alle aangereikte opdrachten opnieuw gemaakt kunnen
worden, om aldus het aangeleerde te kunnen toepassen in andere concrete situaties.
In de syllabus en ook op de digitale leeromgeving zijn af en toe bijkomende
achtergrondteksten te vinden, als verdieping op het thema.
- Bepaalde onderdelen van de vakinhouden worden ook aangereikt via taken. De
beschrijving van de taken is te vinden op de digitale leeromgeving.

Er wordt verwacht dat de student minstens tweemaal per week de digitale leeromgeving
raadpleegt, om zo op de hoogte te zijn van belangrijke mededelingen omtrent wijzigingen
in de planning, actualisatie van leerinhouden, enz.






















1 AA VS 2 8 © 2019 Arteveldehogeschool

1 LANDSCHAPSGEOGRAFIE











COMPETENTIES
▪ In een landschap genetische elementen herkennen en plaatsen in natuurlijke en
historische landschapsopbouwende processen.
▪ Landschappen ordenen in de tijd en het verleden lezen in het huidige landschap.
▪ Landschappen indelen en benoemen naar diverse criteria.
▪ Landschappen voorgesteld in vogelperspectief analyseren door te regionaliseren.
▪ De verantwoording van de regionalisering van België in geografische streken
toepassen op kaart.
▪ De landschappen uit België en Europa analyseren en beschrijven, en de relaties tussen
de verschillende lagen duiden.
▪ Europese landschappen herkennen en geografisch situeren.
▪ Europese landschappen analyseren door te regionaliseren en de relatie te leggen
tussen diverse fysische factoren.
▪ Op excursie de diverse functionele landschappen waarnemen en analyseren volgens
diverse invalshoeken en die gegevens in een aanschouwelijk opgemaakt verslag
integreren.
▪ In de diverse functionele landschappen op foto in klas en op terrein tijdens een
excursie socio-economische kenmerken herkennen en in relatie brengen met verticale
en horizontale componenten om aldus relevante keuzes met betrekking tot foto's en
excursiepunten te maken.
▪ De vakinhoud koppelen aan leerinhouden van het S.O. door bij keuze van
landschappen rekening te houden met het aangeleerde.



1.1 Inleiding
1
Landschappen fascineren en intrigeren vele mensen wel eens. Vooral op momenten dat
we niet van de ene plaats naar de andere moeten hollen, trekt het landschap onze
aandacht. Wat dat precies veroorzaakt, is niet altijd even duidelijk. Het kan het samenspel
zijn met de wolkenlucht, het spel van het zonnelicht, het weidse zicht of een blikvanger,
kortom, een mooi beeld.

Het spectaculaire karakter van het landschap valt zelden op tijdens ons dagelijks bezig
zijn. Het is eerder op reis, vakantie, fietstocht of wandeling dat we bewuster naar het
landschap kijken. Heel wat klassieke reisroutes brengen ons precies naar typische,
pittoreske of spectaculaire landschappen. Dan kunnen vragen komen zoals ‘wat is dit?’,
‘hoe is dit hier gekomen?’ en ‘waarom hier?’, en ‘is er een verhaal over te vertellen?’. We
weten dat vele aspecten van het landschap ver in de tijd terug gaan, maar hoever? We


1 (Antrop, Perspectieven op het landschap. Achtergronden om landschappen te lezen en te begrijpen, 2007)


1 AA VS 2 9 © 2019 Arteveldehogeschool

kunnen het onderscheid maken tussen ‘ons’ landschap en de landschappen elders, van
‘anderen’. Landschappen zijn gebonden aan de bewoners, het volk dat ze gemaakt heeft.
Hoe en waarom deden ze dat zo? Waarom zijn er zoveel verschillen van streek tot streek?
Men ziet landschappen dikwijls ook als iets van ons gemeenschappelijke, culturele
erfgoed.


De steeds toenemende snelheid en schaal van de veranderingen in onze maatschappij
maken echter dat landschappen hun stabiel karakter van weleer verloren hebben. Hun
streekeigen karakter verdwijnt geleidelijk en heel wat elementen met een erfgoedwaarde
dreigen verloren te gaan. Terecht is een vernieuwde aandacht voor het landschap aan
de orde.


1.2 Het begrip landschap
2

Landschap heeft te maken met het inrichten en beheren van het land, van een gebied.
Etymologisch wijst het begrip landschap daar nog steeds naar. Historisch werden streken
met een eigen inrichting immers aangeduid als een landschap (of water- en polderschap).
Het landschap is dan ook de drager van zowel landschapsecologische, historische als
culturele kennis uit het verleden die nog steeds betekenisvol is en een belangrijke
erfgoedwaarde bezit. In tegenstelling tot het begrip land, dat verwijst naar een stuk grond
dat als onroerend goed in bezit is van iemand, verwijst het begrip landschap dus naar een
collectief erfgoed. Dit Nederlandse woord landschap werd een internationale term
wanneer de Hollandse schilderijtjes, de ‘landschapjes’ vooral in Engeland furore maakten
en daarmee een betekenisverschuiving veroorzaakten van georganiseerd stuk land naar
een esthetisch waardevol zicht of beeld, naar een artistiek gemaakt stuk land. Dit
resulteerde in de Engelse landschapstuinen en leidde tot de landschapsarchitectuur en
een nieuw werkwoord ‘landscaping’. Hierdoor kreeg ‘landschap’ ook de betekenis van
‘uitzicht’, dat in vele gevallen ook spectaculair of pittoresk is, maar steeds gekenmerkt
wordt door een zekere door de mens geschapen orde en geassocieerd wordt met
schoonheid.


De complexe betekenissen van het begrip landschap vinden we terug in de verschillende
regelgevingen met betrekking tot de bescherming van landschappen. In het Vlaamse
landschapsdecreet van 16 april 1996 worden vier criteria voorzien om een landschap te
beschermen: de natuurwetenschappelijke waarde, de historische, socio-culturele en de
esthetische waarde. De regelgeving in Vlaanderen is echter complex. Een zo breed
omvattend fenomeen als het landschap bestrijkt immers ook domeinen van
natuurbehoud, bosbeheer en landbouw. Het is dan ook in de ruimtelijke planning dat alle
afwegingen dienen gemaakt te worden. Landschappen kunnen zoals monumenten
worden beschermd of krijgen een bijzonder beheer door regels van de ruimtelijke
ordening. De vele betekenissen van landschap hebben er ook toe geleid dat verschillende
disciplines het landschap tot het voorwerp van hun studie hebben, zoals de
landschapskunde, de landschapsecologie, de landschapsarchitectuur, de historische en
regionale geografie, de geo-archeologie.



2 (Antrop, Van nature een monument, 2004)


1 AA VS 2 10 © 2019 Arteveldehogeschool

Het begrip landschap is dus niet eenduidig en de betekenis verschuift met de waarnemer,
de onderzoeker, de doelgroep. Dit blijkt uit de talrijke adjectieven en samenstellingen
waarin het begrip in zeer verschillende contexten wordt gebruikt: het regionaal
landschap, natuurlijk landschap, het cultuurlandschap, het stedelijk landschap, het
landelijke landschap, e.d.



1.3 Vlaamse landschapsgenese
3

1.3.1 Stempel op het landschap vanaf het neolithicum

Het is pas enkele duizenden jaren geleden dat de mens definitief zijn stempel begon te
drukken op het landschap. Dit gebeurde wanneer hij zich op vaste plaatsen begon te
vestigen en aan landbouw en veeteelt begon te doen in het neolithicum. Sporen van
voordien zijn er ook, als artefacten die bewijzen dat de mens er was, maar geen ervan
wijzen op een ingrijpen die de omgeving definitief deed veranderen. Levenswijze, sociale
organisatie en technologisch kunnen zijn de basisfactoren waarmee groepen mensen hun
omgeving ruimtelijk beginnen te organiseren en vorm te geven. Met de sedentaire
levenswijze ontstond het landschap als een cultuurfenomeen, als cultuurlandschap.
Gebieden waar de menselijke ingrepen verwaarloosbaar of onbestaande zijn, werden dan
ook vaak aangeduid als natuurlandschappen, woeste gebieden of wildernis.

1.3.2 Toenemende greep op het landschap

De greep van de mens op zijn omgeving nam toe naarmate de bevolking en haar
mobiliteit groeide. Nagenoeg de hele ruimte werd uiteindelijk ontgonnen en een grote
verscheidenheid aan landschappen kwam tot stand. Dit proces gebeurde traag en
geleidelijk, maar er kwamen ook korte momenten voor van revolutionaire verandering
waarbij het bestaande landschap nagenoeg volledig werd uitgewist en na verloop van tijd
werd vervangen door een volledig nieuw. Dit is duidelijk bij grote natuurrampen, maar op
nog grotere schaal gebeurde dit door veranderingen in de menselijke beschaving zelf. In
onze streken is het verdwijnen van de Romeinse landinrichting hiervan een typisch
voorbeeld. Oorlogen, migraties en technologische revoluties waren telkens relatief korte
momenten van grote veranderingen die belangrijke breuken met het verleden
veroorzaakten. Elementen en structuren van vroegere landinrichting werden soms
gedeeltelijk overgenomen en ingepast in het heringerichte landschap. In vele gevallen
bleven slechts relicten van de oude landschappen bewaard.


Landschappen zijn aldus opgebouwd uit verschillende tijdslagen, waarvan sommige meer
sporen hebben nagelaten dan andere. Ze worden dan ook wel eens vergeleken met een
palimpsest; het perkament waarop teksten afgekrabd werden om opnieuw beschreven
te kunnen worden, maar toch nog resten van de oude tekst laten doorschemeren.

1.3.3 Wortels van de hedendaagse landschappen

De hedendaagse landschappen en de meeste nederzettingen vinden hun wortels in de
nieuwe landontginning die begon na de val van het Romeinse rijk. De ontwikkeling was


3 (Antrop, Perspectieven op het landschap. Achtergronden om landschappen te lezen en te begrijpen, 2007)


1 AA VS 2 11 © 2019 Arteveldehogeschool

vooral geleidelijk maar met toch enkele momenten van grote verandering. De sterke groei
e
e
van de Europese bevolking van de 10 tot 12 eeuw noodzaakte tot de ontginning van de
laatste bossen, de nog woest liggende gronden op minder goede gronden en het in cultuur
brengen van de gemene graasgronden. Grote systematische ontginningen met
inrichtingen voor waterbeheersing en bodemverbetering waren kenmerkend. De
moerasgebieden werden ingepolderd en er ontstonden volledig nieuwe landschappen
e
met een eigen karakter. Vanaf de 16 eeuw werden er in de landbouw, veeteelt en
bosbouw nieuwe technieken en teelten geïntroduceerd om de bodemvruchtbaarheid op
peil te houden en de productiviteit te verbeteren. Deze vernieuwingen voltooiden zich
over verschillende generaties. Grootouders en kleinkinderen leefden in een zelfde
landschap en de tradities werden getrouw doorgegeven. Het rurale landschap werd zo
symbool van traditie, stabiliteit en ook wel van conservatisme; dit in tegenstelling tot de
steden die de motoren waren van innovatie en vooruitgang.

1.3.4 Ingrijpende schoksgewijze veranderingen vanaf de 18 eeuw
e
e
Vanaf de 18 eeuw veranderde er plots heel veel. De Franse revolutie maakte een
politieke en sociale breuk met het verleden. De bevolking en de steden groeiden
exponentieel en het eeuwenoude onderscheid tussen stad en platteland werd verbroken.
De industriële revolutie leverde de technologie om grote ingrepen te doen. Reeksen
opeenvolgende oorlogen van steeds dramatischer omvang veranderden definitief de
maatschappij. Schoksgewijs veranderden de landschappen op een diepgaande wijze, een
proces dat zich nog, met een steeds sneller tempo, vandaag verder zet. De traditionele
landschappen van weleer, eeuwenlang gegroeid en gesteund op een subtiel ecologisch
evenwicht tussen een lokale menselijke gemeenschap en natuurlijke omgeving, werden
op een steeds grootschalige manier uitgewist en vervangen door nieuwe, moderne
landschappen. Een eerste belangrijke drijvende kracht hierbij was het ontsluiten van het
e
platteland, eerst door kanalen, de spoorwegen en buurtspoorwegen in de 19 en begin
e
20 eeuw, en dan na de Tweede Wereldoorlog door de auto. Dit bracht processen van
landvlucht en verstedelijking op gang die nog steeds voortduren, maar in meer complexe
vormen. De derde kracht die er nu nog steeds sterker wordt, is de globalisering van de
westerse cultuur. Hierdoor vervaagt de traditionele streekeigen verscheidenheid en
wordt het landschap op een uniforme manier gehomogeniseerd, sommigen spreken
eerder van gebanaliseerd.

OPDRACHT

Noteer in de volgende tabel de menselijke impact van de in de PowerPoint-voorstelling
getoonde landschappen en wijs deze menselijke invloed ook toe aan een bepaalde
periode in de geschiedenis.
















1 AA VS 2 12 © 2019 Arteveldehogeschool

Menselijke impact Periode

1

2


3

4


5




1.4 Leesregels voor het landschap
4
Er zijn vier belangrijke leesregels voor het landschap:

▪ Een natuurlijk fysisch systeem als substraat van het land


Er is een fysisch natuurlijk substraat dat de mens bepaalde mogelijkheden bood voor de
inrichting van zijn leefruimte, maar ook bepaalde beperkingen oplegde. Onze voorouders
hadden een fijnere neus dan wij wanneer het aankwam op het kiezen van een plaats om
zich te vestigen of om de meest gepaste vorm van bodemgebruik te kiezen. De plaatselijke
natuurlijke hulpbronnen waren hierbij initieel bepalend. Er zijn voorbeelden in overvloed,
maar meestal erg subtiel: de nabijheid van een permanente watervoorziening, maar geen
gevaar voor wateroverlast, het kiezen van een strategische plaats van waar men zijn
kostbare gronden goed kon overzien, een site waarbij met optimaal van het zonlicht weet
te profiteren en toch beschut is tegen de overheersen winden en regen, een plaats die in
de nabije omgeving een grote diversiteit aan natuurlijke hulpbronnen biedt, enz.

▪ Een cultureel systeem met plaatsen en territoria en landgebruik


Er is een ruimte van een gemeenschap, een territorium waarin de afstand en de
toegankelijkheid van het terrein bepalend is hoe het georganiseerd wordt. Die organisatie
gebeurde in vele gevallen gecontroleerd vanuit een centrale plaats, een nederzetting, of
een grote hoeve. De territoriale ruimte bindt en maakt dat de afzonderlijke elementen
niet op zich staan, maar een samenhang vertonen. De vruchtbare gronden situeren zich
dikwijls rond de nederzetting en de meer marginale aan de rand van het territorium; hier
kwamen de gemeenschappelijke graasgronden voor en ook het bos. De ruimte is
gezoneerd en opeenvolgende ontginningsfazen en uitbreidingen zijn te herkennen aan
verschillen in dorpsvorm en percelering. Maar ieder territorium bevindt zich ook in een
grotere context. Iedere plaats, ieder gebied heeft in meer of mindere mate relaties met
de omliggende gebieden en zeker met steden, of zelfs met veraf gelegen gebieden. De
geografische relatie van een plaats bepaalt in belangrijke mate welke invloeden er
werkzaam kunnen zijn.





4 (Antrop, Perspectieven op het landschap. Achtergronden om landschappen te lezen en te begrijpen, 2007)


1 AA VS 2 13 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Een verleden dat in verschillende, onvolledige lagen overblijft

Er is een verleden, dat veranderd werd en waarop voortgebouwd wordt om de
leefomgeving aan te passen aan de steeds veranderende noden van de maatschappij.
Deze veranderingen gebeuren door een tijdsgebonden cultuur met eigen waarden en
technologisch kunnen, die de keuze van de ingrepen bepaalden. Opeenvolgende culturen
en technologieën hebben elk hun sporen nagelaten, die in wisselende mate bewaard zijn
gebleven. Ook verandering uit economische noodzaak brachten innovaties voort en
nieuwe landschappen. De gesloten landschappen met knotbomen kwamen er wanneer
er een groeiend houttekort ontstond, en om dezelfde redenen werden gemene
graasgronden verkaveld en herbebost. Anderzijds wiste de Franse Revolutie heel wat
sporen uit van de machtige abdijen die een vooraanstaande rol speelden in de ontginning
van het land. De inpassing van nieuwe elementen en structuren kan op wisselende wijze
rekening houden met de bestaande toestand en vooral met de betekenisdragers in het
landschap. Hiervan getuigen talloze monumenten in het landschap, groot en klein, van
gedenkstenen, omwallingen, mottes tot oude alleenstaande bomen, maar ook
plaatsnamen, bronnen en waterputten, schandpalen en molens. Ieder element bezit een
geschiedenis, passend in een groter geheel.


▪ Een waarneming/waarnemer die een beleving geeft/heeft

Er is de waarnemer die het landschap beleeft, met zijn kennis en ingesteldheid, en voor
de meerderheid van ons gebeurt dit met een stedelijke mentaliteit. De meerderheid
onder ons leeft niet meer van het land, maar woont en werkt in de stad. Het denken en
plannen van de toekomst van het platteland gebeurt in de steden. De rurale en natuurlijke
landschappen buiten de stad krijgen een steeds groeiende betekenis als een ‘uitlaat’ voor
de stedeling die tijdelijk op zoek is naar rust, ruimte, groen en stabiliteit. De arcadische
betekenis van het landschap komt ook tot uiting in de vele (kasteel)parken en
natuurgebieden die beschermd werden en krijgt bovendien steeds meer een belangrijke
economische waarde door recreatie en toerisme.

OPDRACHT

‘Lees’ (beschrijf of verklaar) in de tabel de in de PowerPoint-voorstelling getoonde
landschappen vanuit de leesregels voor het landschap.



1



2












1 AA VS 2 14 © 2019 Arteveldehogeschool

1.5 Perspectieven op het landschap
5
Naargelang de standplaats van de waarnemer in het landschap kunnen vier perspectieven
worden onderscheiden, die de analyse en de interpretatie van een landschap bepalen:


▪ Verticaal perspectief

Het landschap wordt bekeken in vogelperspectief; de waarnemer ‘zweeft’ boven het
landschap. Denk hierbij aan luchtfoto’s en satellietbeelden. Het verticale perspectief biedt
goede mogelijkheden om te zoeken naar patronen in het landschap en processen die deze
patronen vormen en verklaren.

▪ Horizontaal perspectief


Bij het horizontale perspectief staat de waarnemer in het landschap en ligt de nadruk op
de ervaring van het ordinaire en spectaculaire landschap van op de grond.


▪ Innerlijke, mentale perspectief

Hoe men landschappen in de eigen geest en gedachten voorstelt, noemt men het
innerlijke of het mentale perspectief. ‘We zien wat we kennen’ is hierbij van groot belang,
evenals de genius loci, het vaderland- of thuisgevoel, landmerken en bakens, erfgoed,
mental mapping en emotionele of mythische landschappen.

OPDRACHT

Noteer in de tabel de in de PowerPoint-voorstelling getoonde principes die van belang
zijn bij het innerlijke of mentale perspectief.


1


2


3

4


5


▪ Holistische, transcendente perspectief

Het holistische of transcendente perspectief maakt gebruikt van de Gestalt-theorie, die
zegt dat het geheel is meer dan de som van de samenstellende delen. Vanuit deze idee
wordt het landschap beschouwd als een holistische metarealiteit.








5 (Antrop, Perspectieven op het landschap. Achtergronden om landschappen te lezen en te begrijpen, 2007)


1 AA VS 2 15 © 2019 Arteveldehogeschool

1.6 Traditionele landschappen als streekindeling
6
1.6.1 Inleiding

Wat men traditioneel landschap verstaat, is sterk regio- en cultuurgebonden. Het gaat
veelal om een geïdealiseerde voorstelling van landschappen die eeuwenlang gevormd
werden in een agrarische samenleving. Deze landschappen ontwikkelden zich en
veranderden door culturele veranderingen, zoals migraties, politieke omwentelingen
(revoluties, oorlogen) en technologische innovaties (landbouwhervormingen, industriële
revoluties). Deze grepen niet overal tezelfdertijd plaats en kenden niet overal dezelfde
impact omwille van lokale omstandigheden, zoals de natuurlijke gesteldheid.

1.6.2 Vlaanderen

In Vlaanderen gaat het bij traditionele landschappen om agrarische landschappen die het
resultaat zijn van het natuurlijke draagvlak (geologie, reliëf, bodem) en de
landontginning door de mens (bewoningsvormen, landgebruik, percelering) doorheen de
e
geschiedenis, vóór de moderne veranderingen van de Revolutietijd (eind 18 eeuw tot
e
e
vandaag). Met de grote veranderingen sinds de 18 en 19 eeuw werden de agrarische
landschappen immers grondig verstoord of zelfs volledig uitgewist. De indeling van de
traditionele landschappen van Vlaanderen dateert van 1985 en was een eerste poging om
de regionale verscheidenheid van de historisch gegroeide cultuurlandschappen op kaart
voor te stellen in hun situatie van voor de grote veranderingen. Uit de indeling blijkt dat
het Vlaamse Gewest over een bijzonder grote landschappelijke diversiteit beschikt, die
echter in een steeds sneller tempo teloor gaat.


































Figuur 2: Traditionele landschappen in Vlaanderen



6 Naar (Antrop, Perspectieven op het landschap. Achtergronden om landschappen te lezen en te begrijpen, 2007) en (Van
Hecke, Antrop, Schmitz, Sevenant, & Van Eetvelde, 2010)


1 AA VS 2 16 © 2019 Arteveldehogeschool

1.6.3 Wallonië

In Wallonië werd in 2000 gestart met het inventariseren en het in kaart brengen van de
territoires paysagers. De indeling van deze landschapseenheden steunt op de
morfologische en visueel-ruimtelijke kenmerken van het landschap. De topografische
morfologie, hoogteligging, karakter van het reliëf, bodemgebruik en nederzettingstype
werden gebruikt om de landschappen te typeren, terwijl er gestreefd werd om de grenzen
tussen de territoires paysagers te laten samenvallen met een visuele horizon.
Verstedelijkte en industriële gebieden werden afgebakend via het bodemgebruik. Het
cultuurlandschappelijke komt dus slechts aan bod via het bodemgebruik en bewoning.



































Figuur 3: Traditionele landschappen in Wallonië

1.6.4 Brussel
Er bestaat geen landschapsindeling voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.


1.6.5 België
Voor een synthese van de traditionele landschappen in België kan men teruggrijpen naar
de geografische strekenkaart. Deze kaart geeft de consensus weer tussen experts die zich
ste
medio 20 eeuw elk in een van de regio’s verdiept hadden. Voor de afbakening van de
streken werd vooral gesteund op de natuurlijke gesteldheid en de historische
ontwikkeling van de streek. Een inhoudelijke beschrijving van de streken werd echter niet
gegeven. Hun identiteit wordt nog het best aangetoond door hun eigennaam: Droog-
Haspengouw, Vochtig-Haspengouw, Polders, …


OPDRACHT
Benoem op de onderstaande kaart met behulp van pijlen de geografische streken van
België. Maak indien nodig gebruik van je atlas.




1 AA VS 2 17 © 2019 Arteveldehogeschool

7
Figuur 4: Geografische streken van België

OPDRACHT
Wijs de landschapsfoto’s in de PowerPoint-voorstelling toe aan de juiste geografische
streek in Vlaanderen of Wallonië in de tabel hieronder.




1


2

3


4

5


6


7

8




7 (Plantyn, sd)


1 AA VS 2 18 © 2019 Arteveldehogeschool

In 2005 werd een nieuwe landschapsclassificatie opgemaakt, van de actuele
landschappen in België. Het karakter van de huidige Belgische landschappen wordt in
essentie bepaald door een aantal contrasten: bebouwd/niet-bebouwd, industrie/geen
industrie, stedelijk/ruraal, open ruimte/massa’s en volumes, vlak/reliëfrijk, homogeen en
grootschalig/heterogeen en kleinschalig, water/land, open/gesloten.



1.7 Modellen voor landschapsanalyse

Het lezen en analyseren van een landschap gebeurt door de verschillende samenstellende
componenten ervan te bestuderen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, zoals
hieronder beschreven wordt.

1.7.1 Lagen van een landschap analyseren

De analyse van een landschap kan ook laag per laag gebeuren. Deze lagen of facetten zijn:


- Ligging/Topografie: Eerst en vooral dient de ruimtelijke situering van het landschap
bekeken te worden. De breedteligging speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol voor
het klimaat. Ook toponiemen kunnen in een allereerste analyse van het landschap
benoemd worden.
- Reliëf: Het reliëf is de drager van het landschap en dient bijgevolg als eerste ‘echte’
laag besproken te worden. Bij deze laag wordt het landschap ingedeeld volgens de
verschillende grote reliëfvormen. Het criterium kan ook de hoogteligging zijn.
- (Micro-)Klimaat: Het klimaat, bepaald door de breedteligging en het reliëf, dient
vervolgens geïnterpreteerd te worden, en dit dan doorgaans als microklimaat.
Immers, een afgebakend landschap behoort doorgaans tot één klimaatzone. Naast
microklimaat kunnen ook overheersende windrichtingen aan bod komen om
deelgebieden te onderscheiden in het landschap.
- Hydrografie: De hydrografie komt als derde laag. De hoeveelheid oppervlaktewater
wordt immers bepaald door de neerslaghoeveelheid (en dus door het klimaat), en de
hydrografie geeft ook vorm aan het reliëf maar is er ook een gevolg van; het reliëf
zorgt immers voor de verdeling van het water.. Bij deze laag wordt bijgevolg de
ligging van de waterlopen en de stroomgebieden bestudeerd.
- Bodem en ondergrond: Na de analyse van het reliëf, het klimaat en de hydrografie,
kan nu als volgende laag de bodem en ondergrond bekeken worden, die een
resultante is van deze voorgaande lagen. Hierbij komt ook het verband met het
agrarisch, industrieel of zelfs toeristisch bodemgebruik aan bod.
- Vegetatie: Direct gelinkt aan alle voorgaande lagen, wordt als volgende laag de
vegetatie besproken. Belangrijk hierbij is om op zoek te gaan naar de oorspronkelijke
vegetatie of wat er nog van overblijft, om aldus grenzen te tekenen in het landschap.
- Landgebruik: Bij deze laag wordt besproken welk landbouwtype, industrietak, vorm
toerisme, bewoning, … overheerst om aldus het landschap in te delen volgens
landgebruik.

Daar waar de grenzen in de verschillende lagen min of meer samenvallen, worden de
sterkste landschappelijke grenzen verkregen. Dit is dan de afbakening van de
landschappen als geheel, als synthese van de landschappelijke analyse. Doordat dit pas



1 AA VS 2 19 © 2019 Arteveldehogeschool

aan het einde van de ganse ‘lagen-analyse’ gebeurt, is dit model van landschapsanalyse
zeer objectief en bottom-up te noemen.

OPDRACHT

Analyseer het volgende Europese landschap volgens de ‘lagen’-systematiek en leg
verbanden tussen de verschillende lagen (reliëf, (micro)klimaat, hydrografie, bodem &
ondergrond, vegetatie, landgebruik).































































Figuur 5: NW-ZO doorsnede met Stuttgart
in het NW en Grossglochernberg in het ZO
Bodem
Hydro- Vegeta- Landge-
Plaatsnamen Reliëf Klimaat Onder-
grafie tie bruik
grond


1 AA VS 2 20 © 2019 Arteveldehogeschool

1.7.2 Holistische landschapsanalyse

Bij dit model wordt een indeling in het landschap gemaakt op basis van duidelijk
waarneembare en onderscheidbare landschappelijke eenheden. Eerst worden
significante grenzen aangeduid in het landschap en daarna worden verschillende
attributen, zoals reliëfvormen en landgebruik, beschreven voor deze afgebakende
landschappelijke eenheden. Eventueel kunnen deze nadien verder ingedeeld en verfijnd
worden.

Deze werkwijze is dus top-down en enigszins subjectief; het is een interpretatie die steunt
op de kennis en het inzicht van de maker. In dit opzicht is dit model dus tegengesteld aan
wat gebeurt bij de ‘lagen-analyse’.


1.7.3 Deelaspecten van een landschap analyseren
Een eerste model voor landschapsanalyse bekijkt het landschap als een geheel van
veelsoortige verschijnselen met zeer verschillende ruimtelijke eigenschappen. Om
vervolgens een systematische beschrijving van het landschap te bekomen, onderscheidt
men deze verschijnselen als elementen, componenten en structuren:


- Elementen worden gedefinieerd als discrete verschijnselen, als objecten die
materiaal begrensd zijn. Een huis, een boom, een brug en een perceel zijn
voorbeelden van elementen. Het gaat dus zowel om biotische als abiotische,
natuurlijke als antropogene verschijnselen.
- Componenten zijn landschappelijke verschijnselen die continu variëren in de ruimte
en niet altijd duidelijke overgangen of grenzen bezitten. Het topografisch oppervlak
met continu variërende hellingen en hoogten is hiervan een duidelijk voorbeeld,
evenals de bodemgesteldheid en de grondwatertafel.
- Structuren worden gevormd door relaties tussen landschapselementen. Deze
relaties kunnen van ruimtelijke aard zijn, of functioneel. Perceelstructuren,
bewoningspatronen en wegennetwerken zijn voorbeelden ervan.

1.7.4 Andere modellen

Naast bovenstaande modellen bestaan nog tal van andere modellen voor
landschapsanalyse die in de (middelbare) lespraktijk aardrijkskunde kunnen gebruikt
worden. Denk hierbij aan de analyse van het functionele landschap via de ‘klavertje vier-
methode’, waarbij de vier vragen ‘wat wordt er geproduceerd?’, ‘waar en waarom daar
wordt er geproduceerd?’, ‘voor wie wordt er geproduceerd?’ en ‘hoe wordt er
geproduceerd?’ beantwoord moeten worden. Ook het analyseren van een landschap via
een relatiematrix is een veel gebruikte techniek. Op excursie kan een landschap dan weer
ten gronde geanalyseerd worden via de metafoor van het ‘landschappen zijn als
kubussen’, waarbij een uitgebreide methodiekenpoel aangereikt wordt.













1 AA VS 2 21 © 2019 Arteveldehogeschool

1.8 Voorbeeldexamenvragen
In wat volgt zijn een aantal voorbeeldexamenvragen geformuleerd over dit thema. Voor
de figuren wordt verwezen naar de PowerPoint-presentatie van dit subhoofdstuk.


VOORBEELDEXAMENVRAAG
Plaats de beelden in born 1 (zie PPTx) in chronologische volgorde (van oud naar jong)
volgens de vormingsgeschiedenis van het Vlaamse landschap.


VOORBEELDEXAMENVRAAG
Analyseer het Europese landschap in bron 2 (zie PPTx) volgens de aangeleerde methodiek
en leg verbanden tussen de verschillende lagen. Maak deze analyse op door het
beantwoorden van de vragen. Gebruik je atlas.

































































1 AA VS 2 22 © 2019 Arteveldehogeschool

2 LANDBOUWGEOGRAFIE











COMPETENTIES
▪ Een geactualiseerd geografisch en economisch overzicht opstellen van de landbouw in
Vlaanderen, België en Europa.
▪ De landschappen van de landbouwstreken in België en Europa op foto, kaart en op
landschapstransect herkennen.
▪ De gevolgen van economische keuzes van het Vlaamse, Belgische en Europese
landbouwbeleid en hun geografische impact op terrein herkennen om in een
excursieverslag eerder gestelde hypothesen op hun waarheidsgehalte te toetsen.
▪ Op systematische wijze een landbouwlandschap analyseren interpreteren, waarbij de
vakinhoud gekoppeld wordt aan de leerinhouden van het S.O.
▪ Landschapselementen uit een landbouwlandschap linken aan fysische
landschappelijke elementen, zoals ondergrond, bodem en geomorfologie.
▪ Op excursie het landbouwlandschap waarnemen en analyseren volgens diverse
invalshoeken en die gegevens in een aanschouwelijk opgemaakt verslag integreren.
▪ In het landbouwlandschap op foto in klas en op terrein tijdens een excursie socio-
economische kenmerken herkennen en in relatie brengen met verticale en horizontale
componenten om aldus relevante keuzes m.b.t. foto’s en excursiepunten te maken.



2.1 Het landbouwlandschap in Vlaanderen en België


2.1.1 Analyse vanuit geografisch perspectief

De Belgische landbouw situeert zich geografisch in het landbouwsysteem van moderne
commerciële landbouw met intensieve teelten (akkerbouw en veeteelt). Op de helft van
de Belgische grondoppervlakte is dit landbouwsysteem van toepassing. Toch valt België
uiteen in verschillende landbouwstreken, die elk hun typische kenmerken hebben. Dit
wijst er op dat de productieomstandigheden toch niet overal gelijk zijn!

▪ Invloed van het fysisch milieu

De productieomstandigheden worden in eerste instantie bepaald door het fysisch milieu.
Hierbij spelen de temperatuur, de neerslaghoeveelheid, het aantal vorstdagen, het reliëf
en de bodem een belangrijke rol.


OPDRACHT
Verduidelijk in de volgende tabel de invloed op de bovenvermelde fysische factoren op
de landbouwmogelijkheden in België aan de hand van de in de PowerPoint-voorstelling
getoonde kaarten.





1 AA VS 2 23 © 2019 Arteveldehogeschool

Klei





Leem

Bodem

Zand




Stenige grond





Hellingen
Reliëf (weer
en klimaat)
Hoogteligging




▪ Invloed van socio-economische factoren

In tweede instantie worden de productieomstandigheden ook bepaald door de bedrijfs-
en productiestructuur, die op hun beurt bepaald worden door de socio-economische
factoren bevolkingsdichtheid, het landbouwinkomen, de scholing van de landbouwers
en de tewerkstelling.


OPDRACHT
Verduidelijk in de volgende tabel de invloed op de bovenvermelde socio-economische
factoren op de landbouwmogelijkheden in België aan de hand van de in de PowerPoint-
voorstelling getoonde kaarten en grafieken.





Bevolkingsdichtheid





Inkomen



Scholing


Tewerkstelling





1 AA VS 2 24 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ De resulterende landbouwstreken

OPDRACHT
Typeer aan de hand van de bovenstaande beschrijvingen en kaarten de landbouwstreken
in België. Noteer hiervoor de typerende gewassen en de verklarende fysische en socio-
economische factoren in de tweede en derde kolom van de onderstaande tabel.










































8
Figuur 6: De landbouwstreken in België
Gewassen Verklarende factoren


Duinen



Polders




Zandstreek




Kempen






8 (Uitgeverij De Boeck nv, sd)


1 AA VS 2 25 © 2019 Arteveldehogeschool

Zandleem-

streek




Leemstreek




Condroz


Weidestreken
Fagne/Famenne

Ardennen
Jurastreek
Hoge Ardennen

OPDRACHT

Maak tot slot een memoschets op van de landbouw in België. Kies een logisch kleurgebruik
voor de legende.

































Figuur 7: Memoschets van de landbouw in België

2.1.2 Analyse vanuit economisch perspectief

▪ Plaats van de landbouw binnen de economische sectoren

Landbouw behoort samen met de bosbouw, jacht, visserij en delfstoffenwinning tot de
primaire sector. De onderverdeling van de economie in sectoren levert nog de secundaire
sector, met alle bedrijven en activiteiten die de grondstoffen van de primaire sector



1 AA VS 2 26 © 2019 Arteveldehogeschool

verwerken, zoals de verwerkende nijverheid en de bouw, en de tertiaire sector, met de
commerciële dienstverlening. Hiertoe behoren zowel verhandelbare diensten, zoals
winkels, horeca, vervoersdiensten en communicatie, banken en verzekeringswezen, als
niet-verhandelbare diensten, zoals onderwijs, politie, brandweer en administratie.
Sommigen herkennen ook een quartaire sector waartoe de niet-commerciële
dienstverleningsbedrijven behoren, zoals ziekenhuizen, sociaal werk, Greenpeace en
kinderdagverblijven.
De landbouw is zelf nog te onderscheiden in verschillende sectoren, zoals de akkerbouw,
veeteelt, tuinbouw e.d.


OPDRACHT
Plaats de volgende landbouwsectoren op de juiste plaats in het onderstaande schema:
akkerbouw, hokdieren, groenteteelt, bloemkwekerijen, grond-gebonden dieren,
potplanten, snijbloemen, fruitteelt, voedingsgewassen, veeteelt, tuinbouw, nijverheids-
of industriegewassen, landbouw, sierteelt, voedergewassen en ‘overige’.
Geef voor de verschillende soorten akkerbouwgewassen ook telkens een voorbeeld.














Bv.




Bv.




Bv.

















Figuur 8: Structuur van de landbouw

▪ Economische functies van de landbouw

Vanuit economisch oogpunt is de landbouw in België omwille van vier redenen belangrijk.
De voornaamste rol van de landbouw is weggelegd voor deze van voedselleverancier.




1 AA VS 2 27 © 2019 Arteveldehogeschool

België is immers in heel wat voedselproducten zelfvoorzienend. Een tweede belangrijke
rol van de landbouw is weggelegd als handelswaar. Landbouwproducten hebben immers
een niet te verwaarlozen aandeel in de totale Belgische uitvoerwaarde. Als werkgever
heeft de landbouw vandaag de dag slechts een kleine betekenis; slechts 1% van de actieve
Belgische bevolking werkt in de landbouw. Daarenboven kampen vele Belgische
landbouwers met een opvolgingsproblematiek. Tot slot vervult de landbouw ook een rol
als behoeder van de open ruimte. De landbouwsector ontplooit immers zijn activiteiten
op ongeveer de helft van de oppervlakte van het land, waardoor zijn impact op de evolutie
van het landelijke landschap in België aanzienlijk is.


OPDRACHT
Concretiseer in de onderstaande tabel de (economische) functies van de landbouw door
voorbeelden of cijfergegevens op te noemen, met behulp van grafieken en statistieken uit
de PowerPoint-voorstelling.


Landbouwproducten waarin

België zelfvoorzienend is

Landbouwproducten die uit

België worden uitgevoerd
Balans van de Belgische

agrarische handel
Evolutie van de tewerkstelling

in de landbouw in België

Evolutie van het agrarisch

landgebruik in België

▪ Het Vlaamse en federale landbouwbeleid

Het belang van de landbouw voor België wordt beklemtoond door de inmenging van de
Vlaamse en federale overheid. Er is zowel een federale minister van landbouw als een
Vlaams minister van landbouw, die elk overheidsingrepen uitvoeren op de landbouw.


OPDRACHT
Som de namen van de huidige Vlaamse en federale ministers van landbouw op en geef
ook aan tot welke politieke strekking ze behoren. Som ook hun belangrijke landbouw-
gerelateerde verwezenlijkingen op.



Vlaamse



Federaal






1 AA VS 2 28 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Invloed van het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid


Ook Europa legt zijn landen voorwaarden en maatregelen op met betrekking tot de
landbouw. Er is namelijk een Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), dat
een kader uitzet waarbinnen de landbouw in Europa, dus ook binnen Vlaanderen en
België, zit moet afspelen. Zo wordt de voedselvoorziening, de voedselprijzen, de
levensstandaard van de landbouwers, de voedselveiligheid, het dierenwelzijn, de
duurzaamheid, e.d. gegarandeerd.


ACHTERGROND
9
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

Tot na WOII was landbouw in België een kleinschalige bezigheid op familieniveau. De
voedselschaarste tijdens de oorlog gaf aanleiding tot nieuwe wensen binnen het
landbouwbeleid. Zo werd het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 1962 in het leven
geroepen, met als doelstellingen om de levenstandaard van de landbouwers te verhogen en
de voedselvoorziening voor de consumenten te verzekeren. Na de door het GLB behaalde
successen in de jaren ‘70, die tot uiting kwamen in de sterke toename van de
landbouwproductiviteit en de regelmatige inkomensstijging voor de landbouwers, was het
zaak werk te maken van het beheer van productieoverschotten in de jaren ‘80. De bijsturende
hervormingen die volgden, leidden tot de invoering van beperkende kwantitatieve
maatregelen in een aantal sectoren, met name door de instelling van de melkquotaregeling in
1984. In 1992 onderging het GLB de meest radicale wijziging in zijn geschiedenis. Deze
behelsde de inkrimping van de marktsteun die gedeeltelijk werd gecompenseerd door
rechtstreekse steun in de vorm van hectare- en dierpremies, zodat het evenwicht op de
markten in het algemeen werd hersteld en een bijdrage werd geleverd aan de stabilisatie van
het landbouwinkomen. In 1999 werd een nieuwe hervorming (MacSharry-hervorming)
goedgekeurd. Als economische sector moet de Europese landbouw multifunctioneel,
duurzaam en concurrentieel zijn en over het gehele grondgebied werkzaam zijn. De Europese
landbouw wordt geacht het landschap en de natuur in stand te houden en een wezenlijke
bijdrage te leveren aan de leefbaarheid van het platteland. Ook is het zo dat de Europese
landbouw moet voldoen aan de wensen en de eisen van de consument op het gebied van de
kwaliteit en de veiligheid van voedselproducten, de bescherming van het milieu en het welzijn
van dieren. De meest recente hervormingen die in 2003 werden ingezet, hebben ook ten doel
het concurrentievermogen van de landbouw te versterken en de productie af te stemmen op
de behoeften van de markt, maar ook de plattelandsontwikkeling te versterken. Na de in 2003
doorgevoerde GLB-hervormingen, onderging het GLB in 2008 nog een aantal wijzigingen. Deze
behelzen een betere afstemming van de productie op de behoeften van de markt en
maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling om de nieuwe uitdagingen voor de
landbouwsector aan te gaan (klimaatverandering, hernieuwbare energie, biodiversiteit,
waterbeheer, innovatie, e.d.). De Europese Landbouwcommissie heeft voor de periode na
2013 drie doelstellingen die de kern van het toekomstige GLB zullen vormen: rendabele
voedselproductie, een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen dat gepaard gaat met
acties die de klimaatverandering tegengaan en een evenwichtige territoriale ontwikkeling. De
hervorming van het GLB na 2020 schuift vier zaken naar voor die bijgestuurd moeten worden
of nieuw zijn. Onverwachte zaken zoals bijvoorbeeld de Brexit brengen wat gevolgen met zich
mee inzake budgettering. Door enerzijds de Brexit en anderzijds investering in andere
prioritaire zaken als migratie, defensie en veiligheid zal het budget voor landbouw slinken. Het
GLB wenst een meer eerlijke verdeling van de Europese steun. Een herverdeling van het
landbouwbudget met een vastgelegde bovengrens moet deels antwoord bieden op de


9 Naar (Hermans, 2005) en (Vlaams infocentrum land- en tuinbouw, 2018)


1 AA VS 2 29 © 2019 Arteveldehogeschool

besparingen. Verder wil het GLB meer verantwoordelijkheid geven aan de lidstaten. Zo zullen
boeren die inkomenssteun ontvangen maar niet voldoen aan de groene maatregelen een
administratieve boete moeten betalen aan de lidstaat zelf. Hieraan gekoppeld moet het GLB
nog meer inzetten op bescherming van de biodiversiteit en afzwakking van de gevolgen van
de klimaatverandering. Als laatste wil men sterk inzetten op kennis en innovatie.

OPDRACHT

Synthetiseer de bovenstaande tekst over het GLB in een mindmap. Zorg hierbij dat de
opeenvolgende maatregelen duidelijk gekaderd worden alsook de betekenis van het GLB
vandaag de dag.

ACHTERGROND

10
Gevolgen van de Brexit voor de Belgische landbouw

Voor België is het Verenigd Koninkrijk in 2016 met 8% de vierde belangrijkste Europese
exportmarkt na Duitsland, Frankrijk en Nederland. Het ongunstigste scenario, een ‘no-deal’,
kan een grote impact hebben op de handel van agrovoeding. Een akkoord tussen beide
partijen zou de negatieve impact echter in grote mate kunnen milderen. De drie sectoren van
de EU-27 die het meest beïnvloed zouden worden (op basis van het verhandelde volume) zijn
verwerkte voedingsproducten, zuivel en vlees. Handelsbelemmeringen kunnen verder ook
bestaan uit verschillen in wetgeving en normen tussen beide handelspartners. Na de Brexit zal
de afhankelijkheid van het Verenigd Koninkrijk voor de invoer van landbouw- en voedings-
producten op korte termijn niet snel veranderen en zal het VK de bevoorrading op peil moeten
houden om zijn bevolking te voeden. De capaciteit om het allemaal zelf te produceren is
momenteel gewoonweg niet aanwezig. Het staat het Verenigd Koninkrijk natuurlijk vrij om te
‘shoppen’ waar het dat wil. Gezien de bederfbaarheid van heel wat voedingsproducten zal het
Verenigd Koninkrijk hiervoor wellicht in grote mate aangewezen blijven op handel met zijn
buurlanden uit de EU, waaronder België. Naast eventuele douaneheffingen voor
landbouwproducten kunnen de kosten nog verhoogd worden door bijkomende
grenscontroles om na te gaan of de producten in overeenstemming zijn met de
oorsprongsregels, voedselveiligheidsnormen, of normen inzake plant- en dierengezondheid.
In elk geval zullen de administratieve lasten alleen maar toenemen en kunnen ze zorgen voor
congestie in de havens.


2.1.3 Analyse vanuit ecologisch perspectief
▪ Ecologische kringloop in de intensieve commerciële gemengde landbouw


In de gemengde landbouw, met akkerbouw en veeteelt, wordt een ecologische cyclus
doorlopen waarin de elementen dier, plant, mest en bodem in evenwicht zijn. Wanneer
er echter sprake is van intensieve, commerciële landbouw met veel bemesting, dan kan
deze kringloop verstoord worden.

OPDRACHT

Noteer de componenten van de ecologische kringloop in de gemengde landbouw op de
onderstaande figuur. Noteer ook de plaats van de mens in deze kringloop en de externe
factoren die van belang zijn in de intensieve, commerciële gemengde landbouw.



10 (Platteau, Lambrechts, Roels, & Van Bogaert, 2018)


1 AA VS 2 30 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 9: Ecologische relaties in de gemengde landbouw



▪ Relatie tussen landbouw en milieu: source, sink en service

Het milieu is zowel een source (of input) voor de landbouw, door het leveren
grondstoffen, als een sink (of output). De landbouw voert namelijk ook veel producten af
naar het milieu. De correcte relatie tussen beide is service, waarbij landbouw en milieu in
dienst staan van elkaar; ze leveren elkaar een service. In de intensieve commerciële
gemengde landbouw is er sprake van een verstoring van deze service door het toevoegen
van kunstmest, veevoeder, etc.


OPDRACHT
Noteer in de volgende figuur op de passende plaats de volgende begrippen: bodem, fijn
stof, verzuring, broeikasgassen, water, vermesting, gewasbeschermingsmiddelen.













Figuur 10: Relaties tussen landbouw en milieu


▪ Directe en ruimere gevolgen van de landbouw op het milieu


Zoals hierboven wel al duidelijk werd, heeft de landbouw vele gevolgen op het milieu.




1 AA VS 2 31 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Benoem in de onderstaande tabel deze milieugevolgen met de correcte term. Kies uit:
gezondheid, voedselveiligheid, eutrofiëring, energieverspilling, bodemverontreiniging,
broeikasgassen, dierenwelzijn, overbemesting en drinkwaterverontreiniging.


Bij de meeste akkerbouwgewassen heeft een overmaat aan N een
negatief effect; dit geldt minder voor K en P. Smaakafwijkingen bij
bladrijke groenten zoals salades kunnen hiervan het resultaat zijn.
In het varkensvoeder worden belangrijke hoeveelheden Cu
toegevoegd. Dit komt grotendeels als mest in de bodem terecht. Dit
Directe gevolgen De verrijking van het oppervlaktewater met stoffen stimuleert de
geeft o.a. opbrengstvermindering bij vlinderbloemigen.

groei van algen en bacteriën. Deze doen het zuurstofgehalte van
het water dalen, wat leidt tot vissterfte.
In Vlaanderen wordt een deel van het drinkwater gehaald uit het
oppervlaktewater. Verontreiniging van het oppervlaktewater
betekent dus ook verontreiniging van het drinkwater.
Bij herkauwers komt bij de vertering methaan vrij. Lachgas ontstaat
bij een hoge bemesting en daardoor snelle afbraakprocessen in de
bodem. Ook serres en landbouwmachines produceren schadelijke
gassen.
Hoge nitraatgehalten worden verantwoordelijk geacht voor het
optreden van de bluebabyziekte. Bepaalde soorten kankers zouden
opmerkelijk meer voorkomen in gebieden met zeer nitraatrijk
water.
Door de toegenomen welvaart verbruiken mensen veel meer
Ruimere gevolgen plantaardige naar dierlijke voeding treedt er een energetisch
voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Bij de omzetting van
rendementsverlies op.
In de intensieve veehouderij worden de leefvoorwaarden voor het
dier bepaald door economische motieven. Bij batterijsystemen
kunnen afwijkingen voorkomen in het gedrag en de gezondheid van
dieren.
De grote concentratie van dieren doet het risico van ziekte en
sterfte vergroten. Men moet dus zorgen toe te dienen door het
gebruik van vaccins, antibiotica en geslachtshormonen wat zijn
weerslag heeft op de voedselveiligheid.


▪ Biologische landbouw

In de biologische landbouw probeert men de natuurlijke ecologische kringloop terug te
sluiten, om zo de schadelijke gevolgen van de landbouw op het milieu tegen te gaan of
alleszins te beperken. De biologische landbouw neemt in België in belang toe maar de
cijfers over het aantal ondernemingen en de oppervlakte cultuurgrond tonen dat dit
vooral een Waalse aangelegenheid is. In Vlaanderen kennen de biobedrijven wel een
bloei; in vijf jaar tijd was er een verdubbeling van het aantal bio-gecertificeerde runderen.
Uit de opsplitsing per bedrijfstype blijkt dat in Wallonië vooral de veetelers omgeschakeld
zijn, terwijl het in Vlaanderen vooral gaat om tuinbouwbedrijven. Een en ander heeft
natuurlijk te maken met de verschillende specialisaties in beide gewesten.





1 AA VS 2 32 © 2019 Arteveldehogeschool

2.2 Het landbouwlandschap in Europa
11
2.2.1 Inleiding

De landbouwtypes van de Belgische landbouw vinden we bijna overal in Europa terug; de
landbouwkaart van Europa is dan ook een mozaïek van verschillende landschappen.















































Figuur 11: Landbouw in Europa
12
Omdat landbouwgewassen net als de natuurlijke plantengroei afhankelijk zijn van het
klimaat is er een opvallende gelijkenis tussen de grote landbouwzones en de natuurlijke
plantengroei in Europa. Zo vallen de niet-productieve gebieden samen met de eeuwige
sneeuw en de toendra, waar enkel rendierteelt mogelijk is. Bosbouw ligt dan weer in het
gebied waar van nature uit de taiga en het noordelijkste stuk van het gemengd woud
voorkomt. Akkerbouw en veeteelt treffen we vooral aan in de zone van het zomergroen
loofwoud, evenals in Oost-Europa, waar de grassteppe van nature voorkomt. Zuid-
Europa, waar er hardbladige plantengroei is, is het gebied van de mediterrane landbouw.

De landbouwlandschappen in Europa vertonen ook een grote correlatie met de grote
reliëfstreken. In het Europees laagland met vlakten en lage plateaus heersen ideale
omstandigheden voor de akkerbouw en het gemengde bedrijf. Het middelland is enkel in


11 (Neyt R. , et al., 2009)
12 (Uitgeverij De Boeck nv, sd)


1 AA VS 2 33 © 2019 Arteveldehogeschool

de laagste en vlakke zones geschikt voor akkerbouw. Boven 400 m en op steile hellingen
wordt landbouw moeilijk of onmogelijk. Veeteelt, vooral de extensieve veeteelt, is het
landbouwtype van dit gebied.

2.2.2 Landbouw in West- en Midden-Europa
West- en Midden-Europa zijn de gebieden van goede en grote akkerbouwbedrijven. De
zomertemperaturen zijn er hoog genoeg om graan te laten rijpen en er valt het hele jaar
door voldoende neerslag. Van west naar oost, van London tot Oekraïne, liggen de
vruchtbaarste gronden ter wereld. In deze leemgordel domineert de akkerbouw. Om het
inkomen te verhogen, wordt die vaak gecombineerd met veeteelt. Ten noorden hiervan,
op de zandige gronden, is akkerbouw minder rendabel. Veeteelt krijgt hier de meeste
aandacht. Akkerbouw staat er dan ook volledig in het teken van de veeteelt. Dit is de
streek van de gemengde bedrijven en de grote productiegebieden van vlees en melk. De
intensieve landbouw in deze streken veroorzaakt echter een aantal belangrijke
milieuproblemen: mestoverschotten, gebruik van productieverhogende chemische
middelen, e.d. Ook de bodemerosie van leemgronden vraagt maatregelen. Ook de
bevolkingsspreiding drukt zijn stempel op de landbouw in West- en Midden-Europa.
Vooral in het dichtbevolkte centrum van West-Europa moet de landbouw vaak wijken
voor de toenemende verstedelijking en industrialisatie. In verstedelijkte gebieden kan
de landbouw blijven bestaan op kleine bedrijven, als die zich specialiseren in tuinbouw of
bio-industrie.

2.2.3 Landbouw in Noord-Europa en het Europese hoogland

Zuid-Scandinavië ligt op de grens van de landbouwmogelijkheden: het zuiden van
Noorwegen is net te koel om graan te laten rijpen, terwijl in het zuiden van Zweden en in
het laagland de zomers wel warm genoeg zijn. Toch is de landbouw er zeer beperkt. In
Scandinavië moet het overgrote deel van het voedsel dan ook aangevoerd worden uit het
buitenland, wat het leven er duurder maakt. Scandinavië heeft enorm uitgestrekte bossen
en brengt vooral hout voort.


Door de extreme klimatologische omstandigheden en het ongunstige reliëf is het
Scandinavisch Hoogland totaal ongeschikt voor landbouw. Ook in de Alpen, de
Pyreneeën, de Balkan en de Karpaten is de landbouw eerder een randverschijnsel. In het
hoogland is veeteelt enkel in de zomer mogelijk op de Alpenweiden. Een groot gamma
kaassoorten vindt zijn oorsprong bij de schapen, geiten en runderen die op de weiden van
het middelgebergte voedsel vinden. De opbrengsten zijn er evenwel laag. De landbouw
wordt er ondersteund en aangemoedigd, omdat die een bondgenoot is van het toerisme.
De wijnbouw is een geval apart; hellingen die naar het zuiden gericht zijn, ontvangen veel
meer warmte per m² en zijn dus warm. In zulke omstandigheden kunnen druiven
gemakkelijk rijpen. Beroemde wijnstreken op warme hellingen zijn ondermeer de
Champagne, maar ook de Moezel- en Rijnwijnen zijn gerenommeerd.

2.2.4 Landbouw in Zuid-Europa

▪ Beperkte natuurlijke mogelijkheden door zomerdroogte






1 AA VS 2 34 © 2019 Arteveldehogeschool

Het warmgematigde klimaat met natte winter is voor het toerisme in Zuid-Europa een
zegen, maar voor de landbouw is het niet ideaal. Het groeiseizoen valt dan wel vroeger in
het jaar dan in West-Europa, maar de warme, droge zomer vormt een probleem. Tijdens
de droge zomer stoppen de planten met groeien; alleen de planten die aangepast zijn aan
de hete, droge zomers kunnen het daar uithouden, tenzij met irrigeert. Traditioneel
produceert de akkerbouw hier ‘harde’ tarwe, die we kennen als grondstof voor
kwaliteitspasta, maar de opbrengsten per ha zijn veel lager dan in West-Europa. Klassieke
producten van de mediterrane landbouw zijn ook citrusvruchten, druiven, wijnen, olijven
en kurk. De olijfboom heeft een warme en droge periode nodig waarin de olijven rijpen.
Hij komt als wilde plant in de oorspronkelijke plantengroei voor. Het spreidingsgebied van
de olijfboom wordt afgebakend door de olijfgrens. Die grens valt samen met de grenzen
van het warmgematigd klimaat met natte winter. Ook de kurkeik is een plant die daar van
nature voorkomt. Die wordt aangeplant om kurk voort te brengen. De kurk wordt elke 8
à 10 jaar van de stam gepeld. Men gebruikt die voor de productie van ondermeer
isolatiemateriaal, schoenzolen, vloeren, wandbekleding, reddingsboeien en natuurlijk ook
voor kurken stoppen.

▪ Meer mogelijkheden dankzij moderne technieken

In een gebied met een lange, droge zomer, zoals Zuid-Europa, is water een kostbare
grondstof. In Zuid-Europa wordt het wateroverschot van de winter in veelal opgevangen
in stuwmeren. Met deze watervoorraad kunnen land- en tuinbouw het beperkte
groeiseizoen verlengen tot het hele jaar. Bevloeide sinaasappelplantages maar ook grote
complexen van serres met geïrrigeerde teelten van groenten en fruit nemen meer en
meer de plaats in van de traditionele landbouw.


De intensieve teelt van groenten en fruit gebruikt echter (te) veel water. Voor 1 kg
sinaasappelen, van oorsprong een teelt uit een warm en nat klimaat, is immers 1000 l
water nodig. Vooral in droge jaren rijst er een probleem. Water oppompen uit de
grondwaterlagen is een mogelijke oplossing, maar op grote schaal is dat geen duurzame
oplossing omdat meer water uit de ondergrond gehaald wordt dan er door de regen
bijkomt. Bovendien, als er te spaarzaam met irrigatiewater wordt omgesprongen, gaat de
grond verzilten en wordt die onbruikbaar. In deze vraag ook de toenemende bewoning en
het toerisme steeds meer water. Daar bovenop komen de gevolgen van de
klimaatwijziging. Voor Spanje dreigt dus een groeiende waterschaarste in de toekomst!

Intensieve tuinbouw vraagt niet alleen veel water, maar ook veel arbeidskrachten en
trekt mensen aan die op zoek zijn naar werk en een beter bestaan. Tienduizenden
immigranten uit Marokko en Oost-Europa werken in de tuinbouw in moeilijke
omstandigheden (warmte, ongezonde atmosfeer, …), wonen vaak in mensonterende
omstandigheden en werken er tegen lage lonen. Dit systeem is dus ook sociaal niet
duurzaam.

2.2.5 Landbouw in Oost-Europa

Van west naar oost loopt door Midden-Europa een gordel van vurchtbare leemgrond. In
Oost-Europa is deze grond extra vruchtbaar; de tjernosem of zwarte aarde is zeer donkere




1 AA VS 2 35 © 2019 Arteveldehogeschool

grond, rijk aan organische stof, die in leembodems en bij een natuurlijke plantengroei van
grassteppe gevormd wordt. Deze bodems zijn heel vruchtbaar en geschikt voor tarwe en
andere granen. Ook het klimaat is ideaal voor graanteelt: niet te veel neerslag en warme
zomers waarin het graan goed kan rijpen. Dit gebied is de traditionele graanschuur van
Europa. De bevolking en de levensstandaard van deze bevolking zijn er dan ook sterk
afhankelijk van de landbouw.


In vergelijking met West-Europa liggen de productiekosten in Oost-Europa ongeveer de
helft lager. Ideaal dus, maar vanuit de grote akkerbouwgebieden kunnen de
graanproducten maar moeilijk tot in de havens geraken om uitgevoerd te worden. De
afstanden zijn immers erg groot en het verkeersnet is er nog ontoereikend. Bovendien is
de kennis van moderne landbouwmethodes en moderne bedrijfsvoering nog niet
algemeen verspreid. Bijgevolg kan de productie nog flink toenemen. Nu graan en
suikerbieten niet alleen meer grondstoffen zijn voor voedsel en veevoeder, maar ook voor
energie, ligt daarin voor Oost-Europa misschien nog een extra economische troef. De EU
is dan ook bereid om fors te investeren in de landbouwontwikkeling in Oost-Europa.


ACHTERGROND
Bijzondere Europese landbouwlandschappen

Bocage
Gesloten landschap gevormd door kleine vierhoekige weiland- of akkerpercelen, omzoomd
door houtkanten en houtwallen of een combinatie van stenen muurtjes met houtwallen,
vooral terug te vinden in het Verenigd Koninkrijk en Normandië.

Coltura promiscua
Traditionele mediterrane polycultuur gekenmerkt door een combinatie van
citrusboomgaarden met wijngaarden en groenteteelt op kleine percelen, ev. wijnstokken als
afsluiting van percelen met aardappelen of groenten, fruit- of olijfbomen als zoom rond
wijngaarden.

Campo secano (dry farming)
Braakgronden en droogteresistente & droogteontwijkende gewassen (variëteiten van tarwe,
gerst, maïs, sorghum en rogge die rijpen in late lente of herfst), in gebieden met lage jaarlijkse
regenval, met veel neerslag valt in lente en vroege zomer, en waar irrigatie onpraktisch is,
zoals bepaalde delen van Spanje, Italië en Portugal.

Montado
Graanteelt onder sterk verspreide bomen (kurkeik, olijfboom, johannesbroodboom),
beweiding van de gronden na de oogst, vooral ook in zuiderse landen.

Openfields
Open bouwland (ruilverkaveling) met kleine agrarische kerndorpen, terug te vinden in de
vruchtbaarste streken van Europa.


OPDRACHT
Maak aan de hand van de bovenstaande beschrijvingen een memoschets op van de
landbouw in Europa. Kies een logisch kleurgebruik voor de legende.





1 AA VS 2 36 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 12: Memoschets van de landbouw in Europa


2.3 Toekomst van de Vlaamse, Belgische en Europese landbouw

2.3.1 Recente tendensen in de Vlaamse en Belgische landbouw

Uit de evolutie van de Vlaamse landbouw, in uitbreiding de Belgische landbouw, blijkt
onder meer een afnemend aantal landbouwbedrijven. De meeste daarvan zijn kleine
familieondernemingen, die maar weinig betaalde werknemers in dienst hebben. In veel
bedrijven is de opvolging niet langer verzekerd, wat een van de oorzaken is van hun snel
afnemend aantal. Een andere oorzaak is dat de Belgische landbouw, net als in de andere
landen van de Europese Unie, te kampen heeft met uiteenlopende moeilijkheden,
waaronder financiële problemen. Het gemiddelde inkomen van de landbouwer blijft
lager dan het gemiddelde in de andere sectoren van de economie. Mechanisering en
intensieve productie vereisen bovendien hoge investeringen. Bepaalde landbouwers
komen bijgevolg bij prijsdalingen al snel in de problemen. De hoge kapitaalsinbreng in de
Belgische landbouw duidt echter wel het moderne karakter van de landbouw in België.
Dit blijkt ook uit het hoge verbruik aan intermediaire goederen. De noodzaak van
specifieke investeringen en de vereiste kennis resulteren in een hoge en nog toenemende
graad van specialisatie in de Belgische landbouw.


Een meer diepgaande analyse van de landbouwenquête geeft ook veranderingen aan in
de Belgische landbouw m.b.t. de productie (bv. aandeel van akkerbouw, tuinbouw en
veeteelt in de landbouwoppervlakte, teeltverschuivingen) en het landbouwsysteem (bv.
bedrijfsoppervlakte, aantal landbouwers en landbouwbedrijven, leeftijdsstructuur,
bedrijfsvoering, rendement, productiviteit, inkomen, arbeidsomstandigheden).








1 AA VS 2 37 © 2019 Arteveldehogeschool

2.3.2 Europese toekomstperspectieven
De Europese markt neemt tegenwoordig verder toe naar het oosten en het zuiden, en
ondervindt steeds meer concurrentie van lagere loonlanden en gebieden met gunstiger
klimatologische omstandigheden (bv. concurrentie serreteelten). De resultaten van de
besprekingen in het kader van de zogenaamde WTO-akkoorden leggen nieuwe
beperkingen op aan de Europese landbouw in verband met de wereldhandel. De Europese
subsidieregeling neemt verder af, zoals de afschaffing van de subsidies voor tabak en de
gefaseerde opheffing van de exportsubsidies voor suikerbieten. Wijzigende teeltkeuzes
voor behoud van welvaart zijn hierdoor noodzakelijk. Anderzijds krijgt de Europese
landbouw door de afschaffing van exportsubsidies weer voeling met de wereldmarkt,
waar heden schaarste heerst door stijgende vleesconsumptie in opkomende economieën
zoals China en India. Door het toenemend areaal van energiegewassen, zoals koolzaad,
door sterke vraag naar bio-energie (‘food versus fuel-debat’) stijgen de grondstof- en
voedselprijzen, zoals de prijzen voor tarwe, gerst, plantaardige olie en melk.


In de toekomst zal de Europese landbouw ook meer rekening moeten houden met de
gevoeligheid van de consument. De consument stelt immers steeds meer eisen over de
voedselveiligheid (bv. BSE, dioxine), het dierenwelzijn (bv. legbatterijen, veemarkten,
dierentransport, varkenspest), het milieubewustzijn (bv. biologische producten), een
rechtvaardige wereldhandel, informatie in verband met de herkomst van producten (bv.
genetisch gemanipuleerd voedsel) en nanovoedsel.


2.4 Analyse van het landbouwlandschap

Een landbouwlandschap kan op meerdere wijzen worden geanalyseerd: vanuit foto’s,
vanuit kaarten en/of vanuit het functionele.

2.4.1 Analyse vanuit een landschapsfoto

▪ Studie van de inrichting van het landschap


Het bovenstaande wijnbouwlandschap kan vanuit de foto geanalyseerd worden door de
inrichting van het landschap te bestuderen. Dit houdt in dat men vooreerst verschillende
plannen in de foto gaat ontdekken en onderscheiden, om vervolgens de kleuren, vormen
en begroeiing te beschrijven.


- Plannen: Een landschap kan, net zoals een schilderij, bestaan uit plannen. Probeer
dus in het landschap de verschillende plannen te ontdekken en beschrijf wat er te
zien is, zoals een bos, een dorp, heuvels, enz. Een nuttige tip hierbij is om als
uitgangspunt een punt te nemen dat gemakkelijk te herkennen is, zoals een dorp in
het voorplan. Vermijd dus dat je de horizon als uitgangspunt neemt voor de andere
plannen. Men kan in het wijnbouwlandschap het perceel met wijnstokken als het
voorplan beschouwen. Aan het uiteinde van dit perceel is er een rij bomen, waarvan
er enkele in bloei staan. Deze strook bomen is het tweede plan of het middenplan
van dit landschap. Dan volgt het dorp, dit wordt het derde plan of het tweede
middenplan. De beboste heuvels ten slotte zijn het achterplan.





1 AA VS 2 38 © 2019 Arteveldehogeschool

- Kleuren: Kijk naar de kleuren en achterhaal welke kleur overheersen. Deze kleuren
veranderen echter ook volgens het moment van de dag: de kleuren zijn bij
zonsopgang anders dan tijdens de namiddag. Ze veranderen ook volgens de
seizoenen. De kleuren die in het wijnbouwlandschap overheersen zijn het groen van
de grond bedekt met gras, van het perceel wijnstokken en van de bossen op het
achterplan. We zien veel wit ter hoogte van de strook met bomen: het zijn
fruitbomen in bloei.
- Vormen: Beschrijf de vormen die in het landschap te ontdekken zijn, zoals de
krommingen van de heuvels, het bochtig of rechtlijnig uitzicht van de wegen, het
belang van het reliëf, enz. Let goed op de richting van sommige hellingen, in een
berglandschap kan er bijvoorbeeld gelet worden op de helling die in het zonlicht
baadt en de helling die in de schaduw blijft. Zo begrijpt men beter waarom bepaalde
gewassen op een bepaalde plaats worden geteeld en niet elders. Wat de vormen
betreft, zien we in het wijnbouwlandschap een zwakke helling in het perceel met de
wijnstokken op de voorgrond, rechts, meer naar achter toe zien we een duidelijkere
helling. Het reliëf wordt duidelijker aangegeven in de heuvels op het achterplan. Het
dorp lijkt op een heuvel gebouwd en de kerk staat apart.
- Begroeiing: Kijk naar de begroeiing en ga na welke belangrijke begroeiingen te zien

zijn. De begroeiing in het wijnbouwlandschap is hoofdzakelijk samengesteld uit
wijnstokken en bos, maar deze twee begroeiingen hebben een duidelijke plaats: de
wijnstokken vinden we onderaan de heuvels en het bos bovenop de heuvels. De
bossen zijn samengesteld uit kastanjebomen en acacia's: de wijnbouwers gebruiken
het hout van deze bomen voor het vervaardigen van steunpalen voor de wijnstokken,
omdat het erg stevig hout is. We zien drie grote eenheden in dit landschap, drie grote
homogene zones: de wijngaard, het bos en het dorp omringd door de fruitbomen.

▪ Situering van het landschap in de tijd

Het landschap kan ook gesitueerd worden in de tijd, zowel in de loop van de geschiedenis
als in de loop van het jaar. Hiertoe dienen de begroeiing en sporen van de geschiedenis
bestudeerd te worden.


- Begroeiing: Tracht een antwoord te vinden op vragen zoals ‘Als er bossen,
wijngaarden of boomgaarden zijn, zijn dit dan oude of recente beplantingen?’ en
‘Ging men onlangs over tot een verandering van culturen, zoals het omvormen van
weideland of ontginning?’. In het wijnbouwlandschap heeft de wijnstok nog geen
bladeren en enkel wat fruitbomen staan in bloei. Deze gegevens zeggen ons iets meer
over het seizoen; het is lente. De wijnstok is een overblijvende plant, hij gaat
jarenlang mee en heeft dus zo goed als een vaste plek in het landschap.
- Sporen van de geschiedenis: Tracht een antwoord te vinden op vragen zoals: ‘Zijn er
zaken die getuigen van de geschiedenis, zoals ruines van kastelen, grachten, heel
oude bomen, overblijfselen, e.d.?’ en ‘Zijn de boerderijen oud of nieuw?’. Probeer
altijd informatie in te winnen over de plaatsnamen; ze hebben altijd een zeer oude
origine en zeggen meestal veel over de geschiedenis van de streek. Hiervoor kan je
ook het kadaster raadplegen. Het dorp in het wijnbouwlandschap bestaat uit oude
huizen, zeker het gedeelte rond de kerk. Maar men kan ook een recente uitbreiding



1 AA VS 2 39 © 2019 Arteveldehogeschool

van het dorp met nieuwere gebouwen zien, verspreid over de rechterflank van de
heuvel. Op een heuvel links is er een Middeleeuwse ruïne, dit getuigt van het bestaan
van een kasteel in de Middeleeuwen. Misschien dateert het dorp ook uit die periode;
dit dient verder onderzocht te worden.

▪ Studie van de economische activiteiten in het landschap


Tot slot kan men ook de economische activiteiten in het landschap trachten te
ontdekken. Dit kan men doen door de landbouwactiviteiten, andere economische
activiteiten en transportwegen te bestuderen.

- Landbouwactiviteiten: Tracht een antwoord te vinden op vragen zoals: ‘Wat voor
soort culturen of dieren zijn er?’, ‘Zijn de percelen van de culturen groot of klein?’ en
‘In welke richting zijn ze georiënteerd?’. In het wijnbouwlandschap zijn er bijna enkel
wijngaarden te zien. We bevinden ons dan ook in een wijnbouwstreek. De
oppervlakte van de wijnstokpercelen is niet erg groot. Het is niet vergelijkbaar met
de grote velden die te zien zijn in de streken van de grote culturen. De percelen zijn
georiënteerd in de richting van de helling. De helling is redelijk zwak en zorgt dus niet
voor problemen voor bewerking met machines.
- Andere economische activiteiten: Zoek hierbij naar fabrieken, mijnen, havens,
sporen van verval of iets dat verlaten werd en nieuwe activiteiten. In het
wijnbouwlandschap zijn de bossen op de eerste heuvels bossen met loofbomen: ze
verstrekken het hout voor de steunpalen voor de wijnstokken, maar ze zijn ook een
bron van stookhout. Veel inwoners van het dorp verwarmen hun huizen nog steeds
met hout. De bossen worden om de twintig tot dertig jaar gekapt. Het goede beheer
van het landschap draagt bij tot het aangename aspect van de regio. Heel het jaar
lang ontvangt deze streek dan ook veel toeristen. Het toerisme is niet onbelangrijk
voor de economie.
- Transportwegen: Tracht een antwoord te vinden op vragen zoals: ‘Hoe worden de
koopwaren vervoerd in deze streek?’, ‘Zijn er wegen, snelwegen, treinen of
kanalen?’, ‘Wat circuleert er over deze wegen?’ en ‘Wat is de bestemming?’. In het
wijnbouwlandschap zijn er geen wegen te zien, maar we kunnen er vanuit gaan dat
de wijnproductie bestemd is voor de regionale, nationale en eventueel
internationale markt.

OPDRACHT

Analyseer en typeer de in de PowerPoint-voorstelling getoonde landschappen volgens de
hierboven beschreven systematiek. Onderscheid de verschillende plannen in de
landschappen en beschrijf de kleuren, vormen en begroeiing. Dateer de landschappen in
de tijd en ontdek de economische activiteiten (oa. soorten landbouwbedrijven). Benoem
de landschappen ook zo precies mogelijk naar Belgische landbouwstreek.











1 AA VS 2 40 © 2019 Arteveldehogeschool

Beschrijving agrarische landschapskenmerken Landbouwstreek


1



2



3



4



5



6




2.4.2 Analyse vanuit kaartmateriaal

Landbouwlandschappen kunnen ook geanalyseerd worden met behulp van topogra-
fische, geologische en geomorfologische kaarten. Zij kunnen immers veel info leveren
over het landbouwlandschap, bv. over hoe het agrarisch bodemgebruik beïnvloed wordt
door het reliëf. Dergelijke relaties tussen de verschillende elementen in het
landbouwlandschap kunnen dan voorgesteld worden in een relatiematrix van punten,
lijnen en vlakken. Hierin kunnen verbanden en conflicten opgenomen, die er zijn tussen
de elementen van het landbouwlandschap, zoals akkers, weilanden, hoeves, ploegvoren
en perceelsgrenzen, en het reliëf, de hydrografie, de bodem en ondergrond, e.d.
































Figuur 13: Topografische kaart (met geologische achtergrond) van Velzeke-Ruddershove



1 AA VS 2 41 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Onderzoek op de voorgaande kaart hoe het reliëf en de hydrografie het agrarische
bodemgebruik beïnvloeden. Noteer de relaties in de relatiematrix.


Reliëf, hydrografie en ondergrond

Lijnen Vlakken
Punten
Beek, hoogtelijn, Plateau, helling, klei,
Heuveltop, bron
grenslijnen ondergrond zand, leem


Punten Hoeve






Bodemgebruik Lijnen Perceelsgrenzen











Vlakken Akkers, weilanden







Ook het opstellen van een teeltdiagram kan met een topografische kaart gebeuren.


OPDRACHT
Link in de volgende tabel aan elke van de in de PowerPoint-voorstelling getoonde
teeltdiagrammen een landbouwstreek en verklaar het agrarisch bodemgebruik.


Landbouwstreek Verklaring agrarisch bodemgebruik


1

2


3





1 AA VS 2 42 © 2019 Arteveldehogeschool

2.4.3 Analyse vanuit het functionele landbouwlandschap

Een landbouwlandschap kan tot slot ook bekeken worden vanuit het functionele van de
landbouw, met andere woorden vanuit de productie van het landbouwbedrijf. Hiertoe
dienen de vragen ‘wat wordt er geproduceerd?’, ‘waar wordt er geproduceerd?’, ‘voor
wie wordt er geproduceerd?’ en ‘hoe (met welke middelen) wordt er geproduceerd?’. In
de onderstaande figuur wordt dit verduidelijkt.


OPDRACHT
Analyseer de in de PowerPoint-voorstelling getoonde landbouwlandschappen volgens de
hierboven beschreven systematiek, m.b.v. het tekstmateriaal uit leerboeken. Beantwoord
dus de vragen ‘wat’, ‘waar en waarom daar’, ‘voor wie’ en ‘hoe wordt er geproduceerd?’.















































Figuur 14: Analyse vanuit het functionele landbouwlandschap



2.5 Voorbeeldexamenvragen
In wat volgt zijn een aantal voorbeeldexamenvragen geformuleerd over dit thema. Voor
de figuren wordt verwezen naar de PowerPoint-presentatie van dit subhoofdstuk.








1 AA VS 2 43 © 2019 Arteveldehogeschool

VOORBEELDEXAMENVRAAG
Bewijs dat je inzicht hebt in de kenmerken van de landbouw in België door voor de drie
volgende stellingen aan te geven of ze al dan niet correct zijn. Verbeter de foutieve
stellingen en voorzie ook de correcte stellingen van een verklarende uitleg.


- Stelling 1: De stijgende voedselprijzen kunnen deels verklaard worden door de
stijgende olieprijzen.
- Stelling 2: In de Condroz teelt men vooral graangewassen in de dalen en liggen de
heuvelruggen onder bos.
- Stelling 3: Een teeltdiagram met 55% granen, 36% suikerbieten, 2% grasland en 7%
andere gewassen past thuis in de landbouwstreek Zandig-Vlaanderen.

VOORBEELDEXAMENVRAAG

Benoem het landbouwlandschap uit bron 1 (zie PPTx) met terminologie uit de 1e graad
S.O. Formuleer voor dit landbouwlandschap de vier gekende onderzoeksvragen en
beantwoord vervolgens deze vragen zo goed mogelijk. De foto’s en teksten kunnen je
inspireren voor het beantwoorden van de vragen. Gebruik ook je atlas!

























































1 AA VS 2 44 © 2019 Arteveldehogeschool

3 INDUSTRIEGEOGRAFIE











COMPETENTIES
▪ Met voorbeelden illustreren dat geologische processen die verbonden zijn met de
platentektoniek en hydrologische systemen aan de basis liggen van de huidige
voorraad minerale bronnen die als grondstof dienen voor de huidige industrie en aldus
de lokalisatie van deze laatste kunnen beïnvloeden.
▪ De hierboven aangehaalde geologische processen uit de doeken doen en deze situeren
op de geologische tijdschaal.
▪ De structurele wijzigingen, de regionale verschuivingen en de verplaatsing van de
Belgische industriële activiteiten verwoorden en cartografisch voorstellen.
▪ De memoschetsen van de industrie in België en in Europa opmaken.
▪ Het ontstaan, de (recente) evolutie, het uitzicht en de industriële kenmerken van het
Ruhrgebied aan externen kenbaar maken en in een memoschets samenvatten.
▪ De functies, ruimtelijke knelpunten en conflicten in een havenlandschap opnoemen.
▪ Door een combinatie van foto- en kaartmateriaal de ruimtelijke ontwikkeling van de
Europese havens via de verschillende fasen van het anyportmodel analyseren en
vergelijken.
▪ In de diverse industrielandschappen op foto in de klas en op terrein tijdens een
excursie socio-economische kenmerken herkennen en in relatie brengen met verticale
en horizontale componenten om aldus relevante keuzes met betrekking tot foto's en
excursiepunten te maken.
▪ Op excursie en in klas een industrielandschap analyseren volgens diverse
invalshoeken, waarbij je de vakinhouden koppelt aan de leerinhouden van het S.O., en
die gegevens in een aanschouwelijk opgemaakt verslag integreren.



3.1 Industriële bronnen uit de aardkorst


3.1.1 Inleiding

De levende natuur, met water en hout, de landbouw, met ondermeer katoen en wol,
maar vooral de aardkorst, met ondermeer steenkool en ijzererts, leveren grondstoffen
voor de industrie. Maar niet overal op aarde is er een gelijke verdeling van deze kolen en
ertsen. Men moet zich dus de vraag stellen waar en waarom daar er (geen) ertsen en
kolen voorkomen op aarde.


3.1.2 Wereldwijde vindplaatsen van kolen en ertsen
De huidige voorraad van kolen en ertsen is het resultaat van een langzame concentratie
doorheen geologische processen in de aardkorst, die verbonden zijn met de
platentektoniek en hydrologische systemen.




1 AA VS 2 45 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Vul op de onderstaande memoschetsen de voornaamste locaties aan waar de genoemde
ertsen en kolen gedolven worden. Noteer in de tabel onder te figuren telkens wat er
gemeenschappelijk is aan deze vindplaatsen.




























Figuur 15: Wereldwijde ijzer- en koperertsvindplaatsen


































Figuur 16: Wereldwijde steenkoolvindplaatsen










1 AA VS 2 46 © 2019 Arteveldehogeschool

& Aardgas

Figuur 17: Wereldwijde aardolievindplaatsen



































Figuur 18: Werelwijde vindplaatsen van enkele non-ferro ertsen
















1 AA VS 2 47 © 2019 Arteveldehogeschool

3.1.3 Processen die kolen en ertsen genereren

Met moet zich ook de vraag stellen welke fysische processen aan de grondslag liggen van
de verspreiding van de ertsen. Welk processen dit zijn, wordt weergegeven in de
onderstaande tabel.


Tabel 1: Voornaamste processen die bronnen genereren voor de industrie
Proces Gevormde afzetting Bron van
Magmatische scheiding Cr, Ni, Cu, Co, Pt
Stollingsprocessen Pegmatieten Be, Li, Ta
Hydrothermale afzetting Cu, Pb, Sn, Mo, Au, Ag, Zn

Rivier, gletsjer, duin
Zand, grind, Au, diamant
Afzettingsprocessen Chemisch Löss Bodem
Klastisch
Evaporieten
Zout, gips
Fosfaten, kalk, ijzer
Marine afzetting
Koolwaterstoffen
Aardolie, aardgas, steenkool
Organisch
Marien
Cu, Sn, Pb, Au, Ag, Zn
Contactmetamorfisme Kalk
Metamorfe processen
Regionaal metamorfisme Au, Cu, talk, asbest
Restafzetting Kaolien
Verweringsprocessen
Verweringsresten Ni, Fe, Co, Al, Au
Grondwaterafzetting Travertijn, Ur, S

Grondwaterprocessen Geothermie Heet water
Water Drinkwater

OPDRACHT
Leg deze processen die kolen en ertsen genereren in eigen woorden uit met behulp van
de onderstaande figuren.




























Figuur 19: Stollingsprocessen en metamorfe processen



1 AA VS 2 48 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 20: Klastische afzettingsprocessen























Figuur 21: Chemische afzettingsprocessen























Figuur 22: Organische afzettingsprocessen



1 AA VS 2 49 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 23: Verweringsprocessen


























Figuur 24: Grondwaterprocessen (1)
























Figuur 25: Grondwaterprocessen (2)






1 AA VS 2 50 © 2019 Arteveldehogeschool


Click to View FlipBook Version