The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Geografie Arteveldehogeschool, 2020-09-24 14:01:29

Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920

gedaald. In Afrika blijft dit cijfer echter nog steeds hoog, met 99 geboortes per 1000
vrouwen van 15 tot 19 jaar, gevolgd door Latijns-Amerika en het Caribisch gebied met 67
geboortes. Dit geboortecijfer bedraagt er 16% van de totale vruchtbaarheid.

De laatste jaren is er een aanzienlijke en verreikende vooruitgang geboekt bij het
terugdringen van het kindersterftecijfer, een belangrijke indicator voor de ontwikkeling
en het welzijn van kinderen. Tussen 2000-2005 en 2010-2015 is deze kindersterfte met
meer dan 20% gedaald in maar liefst 163 landen en met meer dan 30% in 89 landen,
waarvan 10 landen een daling optekenden van 50%.

Hoewel de hiv/aids-epidemie nog steeds een groot probleem is voor de volksgezondheid,
lijkt de hiv/aids-gerelateerde sterfte in de meeste landen die zwaar door de epidemie zijn
getroffen, in het afgelopen decennium een hoogtepunt te hebben bereikt, vooral dankzij
de toenemende beschikbaarheid van antiretrovirale behandelingen. In landen waar de
hiv-prevalentie hoog is geweest, blijft het effect van de epidemie in termen van
morbiditeit, mortaliteit en tragere bevolkingsgroei echter duidelijk zichtbaar. Zo is de
levensverwachting bij geboorte in zuidelijk Afrika gedaald van 62 jaar in 1990-1995 tot 53
jaar in 2000-2005 en 2005-2010 en vervolgens gestegen tot 59 jaar in 2010-2015. Hoewel
de levensverwachting in zuidelijk Afrika naar verwachting tegen 2015-2020 zal zijn
teruggekeerd naar het niveau van begin jaren ‘90, betekent dit een verlies van twee
decennia aan potentiële verbeteringen in overlevingskansen.


7.4.7 Bevolkingscijfers gerelateerd aan migratie
In regio’s waar de vruchtbaarheid onder het vervangingsniveau ligt, zal de bevolking in
omvang afnemen, tenzij de negatieve natuurlijke aangroei gecompenseerd wordt door
een positief migratiesaldo. Echter, de huidige internationale migratie is niet voldoende
om de verwachte negatieve natuurlijke aangroei te compenseren, vooral niet in Europa.
Tussen 2015 en 2050 zullen er naar verwachting 57 miljoen meer mensen sterven dan
geboren worden, terwijl de instroom van migranten ongeveer 32 miljoen zal bedragen,
wat dus een afname van de Europese bevolking met 25 miljoen betekent.

Hoewel er nog steeds grote migrantenbewegingen tussen regio's zijn, vaak van lage- en
midden-inkomenslanden naar landen met een hoog inkomen, neemt het aantal
migranten toch af. Zo is het aantal migranten naar hoge-inkomenslanden in 2010-2015
(3,2 miljoen per jaar) gedaald ten opzichte van een piek in 2005-2010 (4,5 miljoen per
jaar). In de periode 2010-2015 werd er vooral gemigreerd vanuit de landen die
gedomineerd werden door de vluchtelingenbewegingen, zoals Syrië, en vanuit India,
Bangladesh, China, Pakistan, de Filippijnen en Spanje. Aankomstlanden zijn Turkije,
Libanon en Jordanië (gerelateerd aan de Syrische vluchtelingenbeweging), en de
Verenigde Staten van Amerika, Duitsland, Saoedi-Arabië, Canada, het Verenigd Koninkrijk,
Australië, Oman, Koeweit, Qatar, Rusland, Zuid-Afrika en Maleisië.













1 AA VS 2 201 © 2019 Arteveldehogeschool

7.5 Migratiegeschiedenis van België
37
7.5.1 Inleiding

België heeft sinds zijn ontstaan in 1830 zowel immigratie- als emigratiegolven gekend.
Gedurende de twee eeuwen die aan het ontstaan van België vooraf gingen, werd er uit
de Zuidelijke Nederlanden minder geëmigreerd dan uit andere West-Europese landen. De
laatste massale uittocht uit onze provincies dateert uit de jaren 1567-1592, tijdens de
e
politiek-religieuze crisis van de Reformatie en de Opstand van de Nederlanden. In de 19
eeuw ontstond er een massa-emigratie uit Duitsland, Centraal-Europa en Italië. Deze
emigratie passeerde vaak via de Belgische spoorwegen en de Antwerpse haven. De
emigratiecijfers van met België vergelijkbare landen zoals Nederland, Zwitserland of
Scandinavië lagen veel hoger.


7.5.2 Emigraties uit België

Een schets van de situatie van Belgische emigranten eind vorige en begin deze eeuw kan
verhelderend werken naar de immigratie toe. Belgische emigranten migreren immers
vaak vanuit dezelfde achtergrondsituatie als migranten uit andere landen. Het zijn niet
enkel individuele motieven die tot emigratie aanzetten, ook de politieke, sociale en
economische context zijn van doorslaggevend belang om het fenomeen te begrijpen.
Hoewel er weinig nauwkeurige statistische cijfers voorhanden zijn en de Belgen in het
buitenland vaak werden verward met Nederlanders, Fransen of Duitsers mogen we
stellen dat de voornaamste emigraties uit België gericht waren naar Frankrijk, Noord-
Amerika, Latijns-Amerika en Congo. Als typisch Belgisch verschijnsel ging dit eveneens
gepaard met een interne migratie vanuit Vlaanderen naar Wallonië.


▪ Frankrijk, de grote uitwijking

Vooreerst was er de grote uitwijking naar Frankrijk. Al in 1840 werden spoorwegarbeiders
door Engelse ondernemers aangetrokken om de spoorlijn Parijs-Rouen aan te leggen.
Samen met de Italianen behoorden de Belgen tot de eerste gastarbeiders. Ook de Noord-
Franse textielsector kon de Belgische arbeidskrachten gebruiken. De periodes van zwarte
armoede, de landbouwcrisissen van 1846 en 1885, zetten heel wat Belgen, vooral Walen,
ertoe aan om hun heil in het naburige Frankrijk, in Europa of zelfs overzee te gaan zoeken.
De vijfjaarlijkse Franse volkstellingen geven de situatie vrij duidelijk weer.


Aantal Belgen die in Frankrijk gevestigd waren:
- 1851: 128.000 - 1911: 287.000 – WO I
- 1886: 482.000 – Agrarische crisis - 1921: 350.000
- 1891: 465.000 - 1926: 326.000


Bij deze cijfers dient opgemerkt te worden dat sinds 1890 steeds meer Belgen de Franse
nationaliteit verkregen en niet meer tot de vreemdelingen werden gerekend. De Franse
tellingen brachten bovendien niet alle seizoenarbeiders en zeker niet de grensarbeiders
in rekening die vooral vanaf 1890 talrijk waren toen de spoorwegverbindingen



37 Naar: Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding


1 AA VS 2 202 © 2019 Arteveldehogeschool

gemakkelijker en goedkoper werden. Het totaal aantal Belgen dat naar Frankrijk uitweek
mag omwille van deze statistische variabelen boven het half miljoen geraamd worden.

▪ Andere buurlanden, een meer marginaal fenomeen

Circa 1890 verbleven er slechts zo’n 13.000 Belgen in Nederland, 7.000 in Duitsland, 4.000
in Groot- Brittannië en 3.000 in Luxemburg. Gedurende WO I neemt de trek naar
Nederland en Groot-Brittannië toe, hoewel de meerderheid nadien is teruggekeerd.


▪ Vlamingen naar Wallonië, interne verschuivingen

Opvallend was dat veel gespecialiseerde arbeiders en technici die naar Frankrijk
emigreerden uit Wallonië afkomstig waren, het vroegst geïndustrialiseerde deel van
België. Het vertrek van vele Walen, die gemotiveerd waren door betere
inkomensvooruitzichten, maakte meer plaats vrij voor Vlamingen die naar het Waalse
industriebekken trokken. Een eerste innerlijke verschuiving situeerde zich in de jaren
1850-1860 en een tweede in de periode 1880-1914. Deze twee periodes vielen samen
met de agrarische crisissen van 1846 en 1885. Pas van latere datum is de trek van Vlaamse
boeren naar Waalse landbouwgebieden. De migratie naar Wallonië was een belangrijk
nevenverschijnsel van de Belgische emigratie.


▪ Noord- en Latijns-Amerika, de overzeese lokroep

Veel emigranten lieten zich verleiden door ronselaars die gratis reizen en vage beloften
over goedkope grond en hoge lonen voorhielden. Anderen werden door kennissen of
vrienden overtuigd. Via literatuur, volksliederen en media werd in België een sfeer van
exotisme en avontuur geschapen. In 1910 registreerden de interne bevolkingstellingen
van de Verenigde Staten niet minder dat 49.400 inwoners van Belgische herkomst. Ook
Canada was een begeerd uitwijkingsland. Rekening houdend met alle, vaak
onnauwkeurige, gegevens is voor de periode 1830-1940 een schatting aanvaardbaar van
een emigratie van 200.000 Belgen naar Noord-Amerika en 50.000 naar Latijns-Amerika.


▪ Belgisch Congo, de expatriation

Als buitenbeentje dient sinds 1880 de trek naar Congo vermeld te worden. In het laatste
decennium van vorige eeuw verbleven er 5.800 Belgen voor gemiddeld twee jaar in
Congo-Vrijstaat. Bij de aanhechting door België in 1908 verbleven er 1.700 Belgen en in
1958 kort vóór de onafhankelijkheid verbleven er 86.700 Belgen in Belgisch Congo. In
strikte zin gaat het hier niet om emigratie maar om wat men expatriation naar de kolonie
noemde. Het vertrek uit het vaderland om het land te dienen was in vele gevallen echter
een verbloeming voor wat wel degelijk een vertrek ‘om den brode’ was. Ook hier
emigreerden overwegend Franstaligen, met uitzondering van de duizenden overwegend
Vlaamse missionarissen. Ook Vlaanderen zond zijn zonen uit.

▪ Moderne emigratie

e
Uit OESO-cijfers blijkt dat er in de 21 eeuw jaarlijks nog steeds ruim 20.000 Belgen elders
hun heil zoeken. De meeste beslissingen om te vertrekken hebben een economische




1 AA VS 2 203 © 2019 Arteveldehogeschool

grondslag. Het openen van de EU-grenzen en de globalisering van de economie trekken
veel jonge mensen weg van hier. Daarnaast trekt ook een pak ouderen weg, meestal naar
oorden die zonniger of fiscaal zonniger zijn. Toch blijft de Belg veel meer dan vele andere
e
nationaliteiten honkvast, zo blijkt. Het totale aantal Belgen dat in de 21 eeuw in het
buitenland woont, zou minder dan 300.000 bedragen. De meeste geregistreerden zoeken
het niet erg ver en alleszins binnen Europa: 81.000 in Frankrijk, 23.500 in Nederland,
21.000 in Duitsland, 20.000 in Spanje, 16.000 in Luxemburg, 13.500 in Zwitserland, 12.000
in Groot-Brittannië, 6.000 in Italië, 2.200 in Griekenland, 2.000 in Portugal, 1.300 in
Oostenrijk. Geen van de noordelijker landen raakt aan de 1.000. In de Verenigde Staten
zouden 18.000 landgenoten hun heil hebben gezocht, in Canada 11.000, in Argentinië,
Uruguay en Paraguay samen 5.000, in Brazilië 3.600, in Chili 1.500. In Australië en Nieuw-
Zeeland zouden 4.500 Belgen wonen, in China 1.800, in heel zuidelijk Afrika 6.200 en in
Congo 2.700.

▪ Besluit


Het totaal aantal Belgen dat over meer dan een eeuw op de een of andere wijze
meegesleept werd in de emigratiestroom kan het miljoen wel overtroffen hebben. Dit
cijfer blijft vrij bescheiden in vergelijking met de 50 miljoen Europeanen die tussen 1800
en 1940 overzee trokken. Niettemin is de emigratie ook voor de Belg een essentieel
sociaal gegeven waarmee haast alle families, van hoog tot laag, door tenminste één van
hun leden geconfronteerd werden. De oom in Amerika, de zus in Canada, ‘nonkel pater in
Afrika’, begrippen die in veel Belgische gezinnen gangbaar waren.

7.5.3 Immigraties in België

België kende doorheen zijn geschiedenis eveneens een beduidende immigratie. Het is niet
enkel een verschijnsel uit de twintigste eeuw. Vóór de Eerste Wereldoorlog oefende ons
land een zekere aantrekkingskracht uit: het was immers centraal gelegen en gemakkelijk
bereikbaar. België was voor vele emigranten uit Centraal- en Oost-Europa een eerste
rustplaats op hun trek naar de “Nieuwe Wereld”. Het land kende bovendien een
onafgebroken vredestoestand en dank zij de liberale grondwet konden politieke en
religieuze vluchtelingen er een veilig onderdak vinden. Door zijn neutraal statuut trok
België ook heel wat internationale organisaties aan die er hun zetel kwamen vestigen en
congressen en tentoonstellingen organiseerden. Overigens was ons land gekend om zijn
leraren en bood het een degelijk middelbaar en hoger onderwijs dat relatief goedkoop
was.

▪ Overwegend buurlanden voor 1920

In 1846 telde België 95.000 vreemdelingen, wat neerkwam op ongeveer 2 % van de
bevolking. Bij de eeuwwisseling groeide dit aantal tot ongeveer 212.500 niet-Belgen en in
1910 waren 254.000 inwoners of 3,5 % van de bevolking niet-Belgen. Karakteristiek voor
deze periode is dat meer dan 80 % van deze immigranten uit buurlanden afkomstig waren:
in 1910 waren er 28 % Nederlanders, 32 % Fransen en 22 % Duitsers. Hun
beroepsactiviteiten waren erg gevarieerd: van huishoudelijke kracht en fabrieksarbeiders
tot ambachtelijke, commerciële of intellectuele zelfstandigen. Van de ons niet




1 AA VS 2 204 © 2019 Arteveldehogeschool

omringende landen vormden de Italianen de omvangrijkste groep. In 1910 verbleven er
4.490 Italianen in België, amper 2 % van het vreemdelingenbestand. Ook zij oefenden
diverse activiteiten uit, met een overwicht van leurders, ijsventers, orgeldraaiers en
stukadoors. Voor de gewone man die weinig of niet met vreemde cultuurdragers
geconfronteerd werd, belichaamde de Italiaan volop de “vreemdeling” en kreeg zelfs de
spotnaam ‘tsoek-tsoek’ mee. Enkel onder de studentenbevolking bevonden er zich vooral
Russen, Zuid-Amerikanen en Japanners. Kort vóór de Eerste Wereldoorlog bestond
bijvoorbeeld de helft van de studenten aan de Luikse Ingenieursschool uit Russen. Rond
1900 telde België ook heel wat politieke vluchtelingen van diverse herkomst: Italiaanse
en Poolse nationalisten, Duitse liberalen, Russische opposanten en Armeense
vluchtelingen. De vreemdelingenpolitie zag toe op hun activiteiten opdat mogelijke
schendingen van het neutrale statuut van België zouden vermeden worden. De Eerste
Wereldoorlog heeft vervolgens het aantal vreemdelingen doen dalen van 250.000 in 1910
tot ca. 150.000 in 1920, of 2,9 % van de bevolking.

▪ Van spontane naar georganiseerde immigratie tijdens het interbellum

Vanaf 1920 begon men in het kader van de naoorlogse wederopbouw systematisch
buitenlandse arbeidskrachten aan te werven. De daling van 1920 werd al spoedig
ingehaald en 10 jaar later, in 1930, waren er al 319.000 vreemdelingen of 3,9 % van de
bevolking. Opmerkelijk voor deze jaren is de verschuiving in de samenstelling van de
migrantenbevolking: steeds meer migranten komen van buiten de ons omringende
buurlanden (37 % in 1930). Men rekruteerde uit verder gelegen Zuid- en Oost-Europese
landen. Naast zo’n 30.000 Italianen en 50.000 Polen waren er ook enkele duizenden
Tsjechen, Joegoslaven, Hongaren en Roemenen. Onder deze migranten bevonden zich
ook heel wat politieke vluchtelingen waaronder vooral Russische emigranten, Hongaarse
en Spaanse vluchtelingen, Italiaanse antifascisten, Duitse antinazi’s en in toenemende
mate Duitse, Poolse, Hongaarse en Roemeense Joden. Door de economische terugval in
1929 kwamen er een stagnatie in de immigratie, doch in 1936 kende de Belgische
economie een opflakkering. In Limburg werden nieuwe steenkoolmijnen geopend.
Opnieuw werden vreemde arbeidskrachten, voornamelijk uit Italië, aangetrokken. Deze
vreemdelingen waren plattelandsbewoners met weinig ervaring op het gebied van sociale
strijdvaardigheid. Ze vormden een welgekomen alternatief. In Wallonië waren de
Belgische arbeiders immers beter georganiseerd en zagen ze ertegen op om naar de
Limburgse mijnen te verhuizen. Ze zagen hun kinderen liever in beter betaalde en
aangenamere sectoren tewerkgesteld. In 1937 werd het ondergrondse mijnwerk al voor
meer dan een vijfde door vreemdelingen uitgevoerd. Ook de diamantnijverheid, de
confectie en de lederbewerking verschaften arbeid via kleinere bedrijven.

▪ Het Italiaans decennium van 1946 tot 1956


Na de Tweede Wereldoorlog werd gestart met de wederopbouw van het land. Steenkool
was op dat ogenblik de voornaamste energiebron. Het patronaat en de Belgische overheid
wilden de steenkoolproductie doen stijgen. De steenkoolslag moet gewonnen worden!
Probleem hierbij was echter dat de steenkoolmijnen niet voldoende bemand geraakten.
Dus werden de Duitse krijgsgevangenen (vrijlating in mei 1947) en de incivieken in de




1 AA VS 2 205 © 2019 Arteveldehogeschool

mijnen tewerkgesteld. Op 20 juni 1946 werd te Rome een Belgisch-Italiaans protocol
ondertekend dat voorzag in de overkomst van circa 50.000 Italiaanse arbeiders voor de
Belgische steenkoolmijnen. Het immigratiebeleid werd goed georganiseerd en
gecontroleerd: de arbeiders werden gerekruteerd voor één sector van het economische
leven: de mijnen. In de periode 1946-1949 werden aldus 77.000 Zuid-Italianen en 20.000
Polen naar België gehaald. Ze werden eerst in eigen land medisch onderzocht alvorens
door de Fedechar gerekruteerd te worden. De kolenslag werd dank zij de vreemdelingen
gewonnen. De ontginning van steenkool was immers erg arbeidsintensief en de
vreemdelingen waren goedkope arbeidskrachten. In 1947 telde België 367.600
vreemdelingen of 4,3 % van de bevolking. In 1948 sloeg de economische recessie toe.
Tussen 1950 en 1954 werd 10 % van de actieve bevolking werkloos. De
immigratiereglementering werd strenger. Nochtans bleek duidelijk dat de Belgische
werklozen de open plaatsen in de steenkoolmijnen niet wilden innemen. Aan looneisen
werd immers niet tegemoetgekomen en de eisen over arbeidsomstandigheden en
veiligheidsmaatregelen bleven dode letter. De Italianen bleken onmisbaar voor de mijnen.
Het harde, ongezonde, en vooral gevaarlijke werk eiste regelmatig slachtoffers. Op 8
augustus 1956 vond de tragedie van de Charbonnage du Bois du Cazier te Marcinelle
plaats. De ramp eiste 262 dodelijke slachtoffers, waaronder 136 Italianen. De Italiaanse
emigratiedienst eiste strengere veiligheidsmaatregelen en weigerde nog nieuwe
contingenten Italianen naar België te sturen. De Belgische overheid en het patronaat
gingen niet op hun eisen in.


▪ Op zoek naar nieuwe wervingslanden tijdens the Golden Sixties

Augustus 1956 was een keerpunt in de immigratie uit het Zuiden van Italië. In deze
periode van hoogconjunctuur ontstond er onevenwicht op de arbeidsmarkt. In
verschillende sectoren groeide een dringend gebrek aan ongeschoolde arbeidskrachten.
De activiteiten verplaatsten zich meer naar de basisindustrie, naar de grote steden waar
vooral de bouwsector volop actief was, naar de havengebieden, de textiel, de
persoonsverzorging, e.d. Hiervoor werden nieuwe wervingslanden gecontacteerd: eerst
Spanje en Griekenland, nadien Marokko en tenslotte Turkije. Tussen de landen van
herkomst en het gastland werden bilaterale overeenkomsten gesloten: afspraken over de
rechten van de inwijkelingen in verband met de arbeidskaart, het verblijf en de sociale
zekerheid. In de jaren 1960 werd een intense rekrutering gevoerd van ongeschoolden uit
Noord-Afrika en Turkije. In opdracht van het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling gaf
het Belgisch Instituut voor Informatie en Documentatie in 1964 een brochure uit : “Vivre
et travailler en Belgique”. De inleiding van deze brochure luidde als volgt:

“Arbeiders, welkom in België! U denkt eraan in België te komen werken? Wellicht heeft U reeds
de ‘grote beslissing’ genomen ? Wij, Belgen, zijn verheugd dat U aan ons land de bijdrage van
uw arbeidskracht en uw intelligentie komt leveren. (…) Uitwijken naar een land dat
onvermijdelijk met het uwe verschilt, brengt enkele aanpassingsproblemen met zich mee.
Deze aanvankelijke moeilijkheden zullen veel vlotter overwonnen worden indien U een
normaal leven, dit wil zeggen een familiaal leven leidt. België is een land waar de arbeid goed
beloond wordt, waar het comfort op een hoog niveau ligt, vooral voor hen die in gezinsverband
leven. (…) In elk geval willen wij U nogmaals verzekeren: de arbeiders uit streken van de
Middellandse Zee zijn welkom onder ons in België.”




1 AA VS 2 206 © 2019 Arteveldehogeschool

De brochure gaf ondermeer informatie over het systeem van arbeidsvergunningen, over
de streken en sectoren waar er vraag naar arbeid was en regelingen met betrekking tot
de kinderbijslag en de sociale zekerheid. Tevens werd de migrant ingelicht over het
gezinsleven in België en over de vrijheid van godsdienst. Opvallend was het aandringen
op de gezinsimmigratie. Dit kaderde in de opvattingen van het rapport Sauvy dat twee
jaar eerder gepubliceerd werd. Daarin toonde Sauvy, een Franse demograaf met
internationale reputatie, aan dat er ook om demografische redenen vreemdelingen
aangetrokken moesten worden, vooral naar het verouderde en kinderarme Wallonië.
Veel gastarbeiders kwamen als toeristen België binnen en gingen vervolgens op zoek naar
werk. Men noemt dit verschijnsel ook de toeristen-werkstelling. Ze werden vaak illegaal
in dienst genomen en via medische goedkeuring werd hun aanwezigheid geregulariseerd
door het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling. In februari 1967 ging de overheid, onder
druk van de vakbonden, de verblijfswetgeving opnieuw strenger toepassen. Het systeem
was echter niet sluitend en de immigratie bleef, zij het in kleiner getal, aanhouden. Er
ontstond een nieuwe economische crisis. Ze ging gepaard met de beruchte olieboycot of
petroleumcrisis. In 1969 schonk België als diplomatiek gebaar aan de olieproducerende
Arabische Wereld het gebouw van het huidige Islamitische en Cultureel Centrum te
Brussel in erfpacht aan de Saoedische koning. Daardoor beschikte de Arabische Wereld
over een punt van culturele uitstraling in Europa. De islamitische eredienst werd door
België erkend.

▪ Economische crisis, regularisatie en immigratiestop tijdens de jaren ‘70

De economische crisis sleepte aan. België besloot om, net zoals andere West-Europese
landen, in 1974 over te gaan tot een totale immigratiestop, die trouwens vandaag nog
steeds van kracht is. Bij het uitvaardigen van deze maatregel werden ongeveer 10.000
mensen geregulariseerd. De vreemdelingen die reeds in België verbleven, kregen
arbeidskaarten en verblijfsvergunningen. Nieuwkomers kwamen hiervoor niet meer in
aanmerking. Arbeidsvergunningen werden enkel nog gegeven aan hooggeschoolde
migranten, zoals Japanners, Noord-Amerikanen en Zweden, maar niet meer aan
immigrerende gastarbeiders. De migranten voor wie de immigratiestop niet van
toepassing is, zijn personen die onderdaan zijn van een EU-lidstaat, zij genieten vrij
verkeer binnen de Europese Unie, personen die zich kunnen beroepen op de
gezinshereniging en de asielzoekers en vluchtelingen. Voor studenten bestaat een
speciaal statuut dat een beperkt verblijf mogelijk maakt.


Door de afkondiging van de immigratiestop had men gehoopt dat het hele
migratieprobleem van het begin van de jaren zeventig zichzelf wel zou oplossen. Men had
in het begin van de jaren zestig bij de rekrutering van de vele migranten onvoldoende
rekening gehouden met de sociale netwerken en verwantschapsstructuren van de Noord-
Afrikaanse en Turkse migranten. Bij de korte bezoeken aan hun land van oorsprong
brachten deze migranten allerlei Westerse tekenen van welstand mee. Dit kon niet anders
dan aantrekkingskracht uitoefenen op de achtergeblevenen. Het gevolg van de
immigratiestop van 1974 is dat de gemeenschappen van gastarbeiders-migranten
evolueren tot zich inburgerende etnische minderheden.






1 AA VS 2 207 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Inburgering in de maatschappij tijdens de jaren ‘80

Er zijn heel wat tekens die wijzen op een toenemende inburgering in onze samenleving
van etnische minderheden, ex-immigranten uit de jaren 1960 en 1970 en vroeger.

Enkele van die tekens zijn de toenemende eigendomsverwerving vooral bij Italianen en
Spanjaarden maar ook bij Marokkanen en Turken, wat wijst op het permanent karakter
van het verblijf, het toenemend aantal gemengde huwelijken, vooral bij Spaanse en
Italiaanse migranten, de toename van het demografisch belang van de tweede- en zelfs
derde generatie, voor wie de cultuur van herkomst vooral een zaak van binnenfamiliale
aard wordt. In 1981 is reeds 36,5 % van de vreemdelingen in België geboren en het
toenemend aantal naturalisaties, die volwaardige participatie aan de samenleving
mogelijk maken.

▪ Asieldecennium tijdens de jaren ‘90


Daar waar het aantal asielaanvragen in de jaren ‘80 gemiddeld rond 5.200 aanvragen per
jaar schommelde, komt de asielprocedure in de jaren negentig in toenemende mate
onder druk om tot een gemiddelde van 18.000 aanvragen per jaar te komen. Het asiel
wordt niet meer gekenmerkt door aanvragen uit Azië en Afrika, doch verschuift, na het
wegvallen van het IJzeren Gordijn, in toenemende mate naar het Europese vasteland. Het
jaar 1999 scoort het hoogst met 35.778 aanvragen, waarvan 70 % voor rekening van Oost-
Europeanen. Er ontstaan open en gesloten centra voor asielzoekers, voor
uitgeprocedeerden en illegalen. Om de opgestapelde disfuncties van de asielprocedure te
verhelpen, beslist de regering eind 1999 om tot een verblijfsregularisatie over te gaan. Er
werden voor de procedure ongeveer 35.000 dossiers ingediend.

e
▪ Oost-Europeanen in de 21 eeuw

Vanaf 2000 daalt het aantal asielaanvragen in België, om vervolgens opnieuw fors te
stijgen vanaf 2003 tot op vandaag de dag. Vooral Polen en Bulgaren zijn de nieuwe
migratiespelers op de Belgische markt, en in mindere mate ook Slovaken en Roemenen.
Dit heeft wellicht te maken met de uitbreiding van de Europese Unie naar het oosten toe
in 2004 en 2007. Vooral in het Brusselse Gewest worden vele Oost-Europeanen
geregistreerd. Naast de Oost-Europese immigratie zijn het vooral Fransen en
Nederlanders die naar België versassen en er zich nog meer dan vroeger vestigen.
Marokko blijft echter nog altijd het hoogste aantal migranten leveren, omwille van
gezinshereniging; dit terwijl de Turkse immigratie sterk daalt. Uit Azië is de Indiase en
Chinese immigratie dan weer in opwaartse zin en ook immigratie uit Thailand, de
Filippijnen en sommige Oost-Europese ex-Sovjetlanden is in opmars, waarbij vooral
vrouwen immigreren om in België in het huwelijk te treden.

7.5.4 Van gastarbeid naar allochtonen in België

▪ Problematiek

In de eerste fase waren immigranten een redelijk verwelkomde groep omdat zij in het
economische proces de gaten opvulden waar de autochtone bevolking de neus voor




1 AA VS 2 208 © 2019 Arteveldehogeschool

optrok. Maar sinds de jaren ’70 worden migranten dikwijls tot zondebok gebombardeerd.
Het gros van de immigranten in België werd geronseld in hun land van herkomst. Dit gold
bijvoorbeeld voor de Italianen, die in de jaren vijftig massaal overkwamen om in de mijnen
van Wallonië te werken. Na de mijnramp van Marcinelle weigerde de Italiaanse regering
nog verder Italianen naar de mijnen te laten vertrekken. De meeste van deze eerste groep
migranten zijn echter wel in België gebleven.


De Italiaanse kolonie werd uitgebreid door steeds nieuwe golven van arbeiders. Tot deze
groep van immigranten behoren in een meer recent verleden ook de Marokkanen,
waarvan de eerste groep op aanvraag van de industriëlen aankwamen. Grote groepen
Turken volgden eveneens, in eerste instantie naar de mijnen van Limburg. In deze
provincie werd in de loop van de jaren zestig een provinciale dienst voor immigranten
opgericht. De aandacht ging hier vooral naar het bicultureel onderwijs van kinderen en
volwassenen. In andere delen van ons land werd op een spontane integratie van
migranten gerekend. Die integratie verliep evenwel niet naar wens omdat zelfs de zgn.
derde generatie nog steeds beroep doet op de gezinshereniging. Turkse en Marokkaanse
jongens zoeken of krijgen onder druk van hun familie een bruid in het land van herkomst
waardoor meteen de aldaar conservatieve cultuur wordt geïmporteerd. Dit komt tot
uiting in het opvoeden van de kinderen in de taal van het herkomstland en het
nederlandsonkundig zijn van de moeder. Dit leidt tot achterstand en afhaken in het
onderwijs en een slechte positie op de arbeidsmarkt. De laatste jaren werd het
migrantenprobleem sterk gepolitiseerd. De spanningen blijken het grootst in de wijken
waar er een grote geografische concurrentie is voor woningen en werk. Uiteindelijk
werden quasi volledige stadswijken ingepalmd door mensen van allochtone afkomst. Die
wijken zijn gelokaliseerd in de oude arbeiderswijken, zoals het noorden van Gent, de
Brusselse Kanaalzone en Borgerhout. De trend bij Marokkaanse en Turkse jongeren om
hun huwelijkspartner steeds meer uit het moederland te halen met alle taal- en
integratieproblemen van dien maakt de situatie er zeker niet gemakkelijker op.


▪ Voordelen voor het aankomstland

Demografische voordelen kan men zien in het feit dat de autochtone bevolking van de
aankomstlanden wordt aangevuld. Er is een duidelijke weerslag op het geboorte- en
sterftecijfer. Sociale voordelen kan men zien in de opvulling van minder gunstige
arbeidsplaatsen, zodat de eigen arbeiders een trapje hoger kunnen klimmen op de sociale
ladder. Economische voordelen zijn talrijk. Er is een mindere druk op de arbeidsmarkt,
wat inflatieremmend werkt. De immigranten uit de ontwikkelingslanden zijn goedkoper
zelfs bij gelijk loon voor gelijk werk, omdat de sociale verzekering niet altijd verplicht is.
Men kan ook de arbeiders ter gepaste tijd terugsturen. De arbeiders zijn door selectie ook
minder ziek. Er is minder absenteïsme, men wil zoveel mogelijk werken. Eventueel geeft
men minder gezinstoelagen en ze vertonen een grotere mobiliteit. Alles bij elkaar maakt
dit dat migranten een goedkoper menselijk kapitaal zijn. De hoge spaarquote van de
immigranten werkt inflatieremmend. Af en toe vloeit er ook kapitaal naar het buitenland,
maar dit komt deels terug onder de vraag van duurzame goederen. Dit laatste verhoogt
de afzet en kan dus opnieuw inflatieverwekkend werken.






1 AA VS 2 209 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Nadelen voor de aankomstlanden

Bij de demografische nadelen speelt het feit dat de migranten zich doorgaans vestigen in
de reeds volkrijke gebieden een belangrijke rol. Voor een deel wordt de eigen bevolking
verdrongen in de wijken waar meer en meer migranten komen wonen. Op sociaal vlak
merkt men het ontstaan van een nieuw subproletariaat bij de kernen van de grote steden.
Er doen zich adaptatieproblemen voor samen met spanningen in het onderwijs, etnische
spanningen en criminaliteit. Dit kan leiden naar het zogenaamde Uberfremdungs-
verschijnsel. Dit is een gevoel van overheersing bij de inheemse bevolking, optredend
vanaf 12 % vreemdelingen. Op economisch vlak onderscheidt men kosten voor
beroepsopleiding, rekruteringskosten, repatriëringkosten van lonen, hogere
vestigingskosten door gezinsimmigratie, sociale zekerheid, onderwijs, infrastructuur. De
hogere gemeenschapskosten, geraamd op ca. 20.000 € per immigrant werken inflatie
bevorderend. Op economisch vlak dient een onderscheid gemaakt te worden tussen
investeringen in de breedte (productie verhogen zonder dat de productiviteit toeneemt
of m.a.w. de tewerkstelling neemt in dezelfde mate toe als de productie) en in de diepte
(verhoogde productiviteit dankzij betere machines, waardoor arbeidskrachten
uitgespaard worden).

▪ Voordelen voor de vertreklanden


Demografisch is er de verminderende bevolkingsdruk. Een sociaal voordeel is dat de
migrant zijn inkomen kan vergroten en zijn beroepskwaliteit kan verbeteren. De
ervaringen in het buitenland opgedaan zouden ten goede kunnen komen aan het
herkomstland na hun terugkeer. De immigrant komt in voeling met de moderne
leefpatronen. De emancipatie van de vrouw vordert sneller, ook wanneer ze achter blijft
in het vertrekland, omdat ze o.a. alleen moet instaan voor de opvoeding van de kinderen.
Bij de economische voordelen moet de massale geldstromen naar de zendende landen
vermeld worden. Bovendien vermindert de werkloosheid in de herkomstlanden. Het geld
dat door geëmigreerde onderdanen naar hun verwanten wordt toegestuurd, vormt voor
een aantal landen een belangrijke bron van inkomsten. De ‘Belgische allochtonen’ zouden
dagelijks zo’n 500.000 euro naar hun vaderland sturen.

▪ Nadelen voor de vertreklanden


Demografisch gezien is een volksveroudering belangrijk. Omdat alleen jonge, dynamische
mensen vertrekken krijgt men in de exportlanden een overwicht van oudere mensen. De
activiteitsgraad daalt soms tot 25%. Sociaal moet de gezinsdesintegratie, bijvoorbeeld
gezinsscheiding, moeilijke aanpassing in het vreemde land of slechte huisvesting, vermeld
worden. Economisch geeft de divergente welvaartsontwikkeling tussen
geïndustrialiseerde gebieden en achtergebleven regio’s problemen. De ontwikkeling in de
dun bevolkte agrarische gebieden zal nog verder vertragen. Bij een economische recessie
in de industrielanden worden de gastarbeiders ook het eerst getroffen en worden ze
gemakkelijk teruggezonden wat de economische instabiliteit van de zendende landen nog
doet toenemen.






1 AA VS 2 210 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Oplossingen

De voordelen overwegen op korte termijn, zowel voor de zendende landen als voor de
ontvangende landen. De nadelen overwegen op lange termijn. Emigratie kan inderdaad
geen blijvende oplossing zijn. Het is echter niet gemakkelijk om het immigratieprobleem
met verstandhouding op te lossen. Immers het geboortecijfer is de jongste jaren in de
geïndustrialiseerde landen sterk gedaald, wat de rangen van de economische actieven in
de geïndustrialiseerde landen sterk gaat verdunnen over 15 à 20 jaar. Misschien moet
men naar investeringen in de diepte. Wie zal bovendien het vuile werk doen in de
geïndustrialiseerde landen wanneer er geen gastarbeiders meer zijn? En gaan de
zendende landen zelf nog in grotere moeilijkheden geraken? Willen de gastarbeiders nog
terug Wil de tweede generatie nog sociaal onaangepaste jobs aanvaarden?


In elk geval zal een geleide migratie nodig zijn. Duidelijke afspraken inzake duur van de
tewerkstelling, scholing, beloning zijn nodig. Het ware wenselijk dat de
geïndustrialiseerde landen bij voorkeur investeerden in gebieden waarvan de arbeiders
komen om de gastarbeiders die met hun beroepservaring terugkeren op te vangen. Op
die wijze immers zullen zich de positieve aspecten van de welvaart- en
welzijnsontwikkeling ook in die regio’s gaan aftekenen. Of echter de industrielanden
bereid zullen zijn tot dergelijke massale investeringen valt te betwijfelen vooral zo men
bedenkt hoe moeilijk het in de EU is om een fonds van de grond te krijgen om zwakke
gebieden als het zuiden van Italië, Hoog-Schotland, extra te helpen, zonder dat als
tegenprestatie gebieden in Duitsland en België even sterk moeten geholpen worden.

7.5.5 Van legale tot illegale migratie: terminologie
38
- Allochtoon: Niet-oorspronkelijke bewoner, van elders afkomstig, betekent letterlijk
‘van een andere gebied’.
- Autochtoon: Inheemse bevolking.
- Vluchteling: Volgens de Conventie van Genève iemand die een gegronde angst heeft
dat hij of zij in eigen land persoonlijk zal worden vervolgd vanwege zijn of haar geloof,
ras, politieke overtuiging, nationaliteit of lidmaatschap van een bepaalde sociale
groep. Het is iemand die, tijdelijk, bescherming zoekt in een ander land. (noemen we
ook ‘conventie-vluchteling’ of erkende vluchteling).
- Ontheemde: Vluchtelingen die tijdens hun vlucht geen internationale grenzen
oversteken.
- Economische vluchteling: Hij of zij is op de vlucht voor honger of armoede. Hij kan
geen aanspraak maken op het statuut van vluchteling.
- Ecologische vluchteling: Hij of zij is op de vlucht voor een verstoring van het leefmilieu.
Bv. woestijnvorming, ontbossing, waterschaarste, klimaatsvluchtelingen (stijging
zeespiegel)
- Asielzoeker: Iedereen die bescherming zoekt in een ander land vanwege vervolging,
oorlog, armoede, honger. Asielzoekers willen als vluchteling erkend worden, met de
wettelijke bescherming en de materiële hulp die daarbij hoort. Alleen als een





38 (Van Hecke, Vanderhallen, & Devos, Zenit 5/6 Infoboek ASO, 2013)


1 AA VS 2 211 © 2019 Arteveldehogeschool

asielzoeker aan de criteria van de Conventie van Genève voldoet, is hij of zij
vluchteling.
- Migrant: Algemene naam voor iemand die naar een ander land trekt om zich daar te
vestigen.
- Uitgeprocedeerde: Persoon van wie de asielaanvraag is afgewezen. Ze moeten het
land verlaten.
- Illegaal: Iemand die zonder geldige documenten op het grondgebied van een ander
land verblijft.
- Mensenhandel: Het misbruik maken van de zwakke situatie van mensen die onder
valse beloften hierheen worden gelokt, die afhankelijk zijn van de uitbuiters, omdat
die bv. hun paspoort hebben afgenomen. De exploitant verdient veel geld aan hen.
- Mensensmokkel: Mensen illegaal over de grens brengen. De gesmokkelden laten zich
vrijwillig vervoeren. Dit voor steeds buitensporige bedragen, waardoor ze zware
schulden hebben bij de bendes.
- Vreemdeling: Begrip in Belgische statistieken: alle personen die leven op het Belgisch
grondgebied zonder Belgische nationaliteit.
- Verblijfsvergunning: Een verblijfsvergunning is een vergunning die iemand over het
algemeen moet hebben om te wonen, te studeren en te werken in een land waarvan
de persoon geen staatsburger is.
- Mensen zonder papieren: Alle vreemdelingen die zonder legale verblijfstitel op het
Belgisch grondgebied verblijven



7.6 Voorbeeldexamenvragen

In wat volgt zijn een aantal voorbeeldexamenvragen geformuleerd over dit thema. Voor
de figuren wordt verwezen naar de PowerPoint-presentatie van dit subhoofdstuk.

VOORBEELDEXAMENVRAAG

Bewijs dat je inzicht hebt verworven in de bevolkingsgeografie van België, Europa en de
wereld, door voor onderstaande stellingen aan te geven of ze juist of fout zijn. Verbeter
de foutieve stellingen.


- Stelling 1: De bevolkingsgroei in België was in 2001-2010 het sterkst in het Brussels
Gewest.
- Stelling 2: Vergrijzing zal harder toeslaan in Vlaanderen, dan in Wallonië en Brussel.
- Stelling 3: Tegen 2060 kent België minder en oudere Belgen dan vandaag de dag.
- Stelling 4: Oost-Europeanen vormen tegenwoordig de grootste groep nieuwkomers in
Vlaanderen.
- Stelling 5: Werkgelegenheid nog steeds belangrijkste reden om naar België te komen.















1 AA VS 2 212 © 2019 Arteveldehogeschool

8 CULTURELE GEOGRAFIE











COMPETENTIES
▪ Vanuit culturele geografie de actualiteit kritisch benaderen en in lessen stereotypen
vermijden en kansen voor waardenopvoeding i.v.m. culturele diversiteit aangrijpen.
▪ Op basis van publicaties over culturele diversiteit een mening vormen over of een
Europese culturele identiteit bestaat en of de eventuele typische culturele kenmerken
ervan kunnen gebruikt worden om volkeren op hun Europees zijn te beoordelen.
▪ De regionale verschillen in welvaart in de Europese Unie vaststellen vanuit statistieken
en grafieken om de huidige Europese integratie te karakteriseren.
▪ Grafieken en statistieken analyseren om de regionale economische verschillen binnen
landen van de Europese Unie enerzijds en tussen delen van EU-landen anderzijds te
onderzoeken en te verklaren om mogelijke oplossingen voor deze regionale
ongelijkheden voor te stellen.
▪ In de lespraktijk een waardenkwadrant als methode gebruiken om leerlingen een
genuanceerd standpunt te laten innemen voor opiniërende thema’s.
▪ In de lespraktijk stereotypen over volkeren en samenlevingen vermijden, er
alternatieven voor formuleren en waardenopvoeding dienaangaande integreren.




8.1 Geografie van de Europese cultuur

8.1.1 Inleiding

In het perspectief van de toetredingsonderhandelingen tussen Turkije en de Europese
Unie, is de discussie ontstaan of Turkije wel een Europees land is. In het licht van de Brexit
zouden we eenzelfde vraag kunnen stellen over Groot-Brittannië. Om op deze twee
vragen een degelijk antwoord te geven, moeten we echter eerst bepalen wat precies de
Europese cultuur definieert.

8.1.2 Hoofdkenmerken van de Europese cultuur
39

8.1.2.1 Taal
Het belang van de taal als communicatiemiddel binnen een cultuur kan niet genoeg
benadrukt worden. Twee voorbeelden illustreren dit. Vooreerst werd de taal als politiek
instrument gebruikt. Het laat een klassendiscriminatie toe en kan als een administratie
instrument de centrale macht van een staat versterken. De onderdrukking van
taalminoriteiten doorheen de geschiedenis is algemeen, denk aan het Vlaams, het
e
Bretoens, Occitaans, Welsh, Catalaans en aan de russificatie. Het nationalisme van de 19
eeuw is vooral gesteund op en dergelijk opgelegde taaleenheid. Het hoeft ons dan ook



39 (Antrop, Geografische aspecten van de Europese cultuur, 1992)


1 AA VS 2 213 © 2019 Arteveldehogeschool

niet te verwonderen dat bij de ontwikkeling van de Europese staten er naar natuurlijke
linguïstische grenzen gestreefd werd en dat de koloniale machten meteen ook de
verspreiding van de officiële taal in de onderworpen gebieden oplegde. En belangrijk
gevolg is ook dat binnen de staten de taal minoriteiten dikwijls de kernen werden van een
streven naar culturele en soms zelfs naar politiek autonomie.


Als belangrijke hoofdgroepen onderscheiden we in Europa de Romaanse, de Germaanse
en de Slavische taalgroep. Grofweg worden die respectievelijk gelokaliseerd in zuidelijke
(mediterraan), noordelijk en oostelijk Europa. Belangrijk zijn ook de relicten van de
Keltische, Griekse, Baltische talen, evenals die van de niet Indo-Europese talen zoals het
Baskisch, het Fins en het Hongaars. De eerste groep getuigt dat culturen op Europese basis
verdreven werden naar de periferie en grotendeels verdwenen zijn. De tweede groep
wijst op het voorkomen van de pre-Europese en niet-Europese culturen binnen het
Europese vasteland.

OPDRACHT

Teken deze taalgrenzen op de onderstaande blinde kaart van Europa. Maak een passende
legende op.









































Figuur 132: Talen in Europa

Als communicatiemiddel betekent taal ook informatieoverdracht, en kennis van
informatie is macht. Dit geldt zowel voor de taal van de upperclass t.o.v. de volkstaal, als
voor de administratieve taal t.o.v. de gewone omgangstaal en het wetenschappelijk
vakjargon. De verspreiding van de Europese talen buiten Europa illustreert dit eveneens.




1 AA VS 2 214 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Kleur of arceer op de onderstaande blinde wereldkaart de landen volgens hun
zogenaamde handelstalen. Maak een passende legende op.



























Figuur 133: Handelstalen in de wereld

De informatietheorie laat nu bovendien toe de kwaliteit van de informatieoverdracht van
de talen wetenschappelijk te onderzoeken. Hieruit blijkt dat het Engels met het minst
aantal lettergrepen de meeste informatie overbrengt. Bovendien bezit het. Engels de
grootste redundantie, d.w.z. het grootst aantal overtollige tekens, waardoor met zelfs
sterke verstoring, zoals foutieve spelling en uitspraak, toch nog verstaanbare berichten
kunnen worden overgebracht. Ook dit zijn factoren die deels de sterke verspreiding
verklaren van het Engels als wetenschappelijke en als handelstaal en ook als tweede taal
van heel wat volkeren. Nochtans is het Engels niet de meest gebruikte taal in Europa.


Een belangrijk gevolg van de grote variatie in talen op een relatief klein oppervlak, is de
potentiële meertaligheid van de bevolking. Zowel de kennis van meerdere talen als de
erkenning van verschillende officiële talen binnen één staat is kenmerkend voor Europa.
Nochtans moet deze meertaligheid binnen Europa niet overschat worden. Enkel 100% van
de Luxemburgers is meertalig en krijgen drie talen in het onderwijs te leren met 16 lesuren
per week. Dat is een uitzondering. Het merendeel van de EU-burgers spreekt enkel de
eigen moedertaal.


8.1.2.2 Religie
De enorme invloed van de verspreiding en de ontwikkeling van het christendom op de
ontwikkeling van Europa is onmiskenbaar. Vooral de rooms-katholieke kerk, als sterk
gecentraliseerde, zowel spirituele als wereldlijke organisatie, drukte een onuitwisbare
stempel op de identiteit van de Europese cultuur en maatschappijvorm. De rol van de kerk
bij de landontginning en bijgevolg het landschap, is algemeen erkend. Ook de
ontdekkingsreizen ware sterk doordrongen van dit katholieke streven naar macht, dat
meteen ook aan de basis ligt van het Europese superioriteitsgevoel en imperialisme.






1 AA VS 2 215 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Duid op de onderstaande blinde kaart van Europa met pijlen de verspreiding van het
Christendom aan tot 1400.







































Figuur 134: Verspreiding van het Christendom tot 1400

Tot de protestantse reformatie was de kerk de enige bindende kracht tussen de grote
verscheidenheid van Europese volkeren. Het zijn ook de pausen van Rome geweest die
herhaaldelijk en expliciet de Europese cultuur met het christendom vereenzelvigd
hebben, zij het dan met het katholicisme. Paus Pius II beschreef immers, op de vooravond
van de reformatie en in een brief aan de sultan Mohammed II, de Grieks-Orthodoxe en
Armeense christenen als onware gelovigen. In 1982 omschreef paus Paulus 11 de
Europese identiteit als “ondenkbaar zonder het christendom” en dat het geloof “de
beschaving van het continent gerijpt had, evenals de cultuur, zijn dynamisme, activiteit
en capaciteit tot constructieve expansie in andere continenten”.


De diffusie van het christendom naar het noordwesten ging gepaard met de opkomst van
de islam, het verdrijven van de christelijke gemeenschappen uit Klein-Azië en het
inplanten van de islamitische cultuur op het Iberisch schiereiland en in de Balkan. De
verspreiding van het christendom gebeurde uit twee centra: Rome voor de verspreiding
van het katholicisme in westelijke en noordelijk Europa, Constantinopel voor de
verspreiding van de orthodoxe kerken in Oost-Europa. Wanneer de katholieke kerk een
duidelijk centrale en internationale politiek macht uitbouwde, was dit niet het geval met
de orthodoxe kerken die veeleer op een regionale, nationale basis georganiseerd werden.
Op de bedreiging van de verspreiding van de islam werd dan ook vooral vanuit het
katholieke westen gereageerd (kruistochten, de Reconquista). Het was dan ook in West-




1 AA VS 2 216 © 2019 Arteveldehogeschool

Europa dat de belangrijkste interne verdeeldheid op godsdienstige basis ontstond en tot
een lange bloedige strijd leidde, met ondermeer de oprichting van de inquisitie, interne
kruistochten tegen de Kataren, de Dertigjarige oorlog waarbij in grote delen van huidig
Duitsland de bevolkingsverliezen meer dan 50% bedroegen. Dergelijke conflicten leidden
dan ook tot tal van splitsingen in West-Europa: de pausen van Avignon, de oprichting van
de Anglicaanse kerk en de opkomst van het protestantisme. In grove lijnen werd hierdoor
de noordzuid-verdeling van Europa op basis van de taalfamilies ook op godsdienstige basis
versterkt. De gebieden, van de perifere “frontzones” van de kerkelijke katholieke macht
leden de grootste schade. Opvallend is dat deze religieuze grensgebieden de grootste
vitaliteit en politiek macht van de katholieke kerk vertonen zoals ook de ontwikkelingen
van begin van de jaren ’90 in Polen, Roemenië en Litouwen aantonen.





























Figuur 135: Verspreiding van de godsdiensten en geloofsvitaliteit in Europa

8.1.2.3 Ras
Voor de wereldveroverende en kolonialiseren de Europeanen vond men het Europide-ras
uit, zoals dat in sommige atlassen nog beschreven wordt. Meer wordt echter van het
Kaukasische ras gesproken. Hoofdkenmerken is een blanke huidkleur, wat nogal mager is
om een ras te identificeren. De reden is duidelijk: de andere kenmerken zoals gestalte,
kleur van haar en ogen, schedel en neus vorm, vertonen binnen Europa zelf een variatie
die soms groter is dan bij de zogenaamde niet-Europese rassen.


Algemeen kan men stellen dat de ruimtelijke spreiding van die kenmerken binnen Europa
geen enkel gemeenschappelijke zone bedekken. De clichématig voorstelling van de grote,
blonde en blauwogige Noord-Europeanen en de kleine, donkere Zuid-Europeanen zijn
moeilijk cartografisch weer te geven. Het zijn bovendien allemaal uiterlijke, fenotypische
kenmerken die sterk aan milieu-invloeden onderhevig zijn, zoals de pigmentatie aan de
bezonningsgraad en de grootte aan de voeding. De enige genetische gefundeerde
classificatie maakt gebruik van de bloedgroepen, De geografische verspreiding toont hier
wel een onderscheid tussen Russisch-Europa en de rest, maar globaal vallen de precies
gelokaliseerde uitzonderingen het eerst op.





1 AA VS 2 217 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 136: Dominante bloedgroepen in Europa

Intense culturele vermenging lijkt dus een traditie en typisch Europees kenmerk te zijn.
Het is bijgevolg merkwaardig vast te stellen dat racisme en genocide eveneens Europese
uitvindingen zijn. Inquisitie, antisemitisme en groeiende problematiek ten opzichte van
niet-EU-vreemdelingen en -migranten tonen hier van de continuïteit aan in ruimte en tijd.
Steeds wordt hierbij de etnische superioriteit als argument naar voren geschoven om
economisch, godsdienstig en politieke belangen te rechtvaardigen. De betekenis van een
aantal secundaire economisch-politiek kenmerken van de Europese cultuur kan dus niet
onderschat worden, evenmin als het beeld dat men vormt van mensen met andere
culturele kenmerken en ze omschrijft als een etnische groep, wat beter klinkt dan het
taboegeladen woord ras.

8.1.3 Secundaire kenmerken van de Europese cultuur

Wanneer de drie hoofdkenmerken taal, religie en ras gebruikt worden om de Europese
cultuur te beschrijven en te lokaliseren, dan omvat dit reeds een bijzonder groot deel van
de oude wereld en zelfs de nieuwe wereld. De meerderheid van die bevolking spreekt
immers een Indo-Europese taal, heeft een christelijk erfgoed en behoort tot het
Kaukasische ras.


Een meer precieze omschrijving van de Europese cultuur maakt gebruik van een reeks
secundaire kenmerken. Deze bestaan vooral uit socio-artefacts. Samengevat zijn dit:

- Degelijk onderwijs: meer dan 95% van de bevolking is geletterd
- Een gezonde bevolking: de levensverwachting is tussen 65 en 80 jaar en de
kindersterkte is kleiner dan 1,5%




1 AA VS 2 218 © 2019 Arteveldehogeschool

- Goed gevoed: de dagelijkse voedingsenergiebehoefte overschrijdt het vereiste
minimum van 10.000 kJoule per dag per persoon
- Een traag groeiende bevolking: het aantal geboorten en sterftegevallen is

beneden het wereldgemiddelde en de natuurlijke bevolkingsgroei is kleiner dan
5% per jaar
- Een hoog gemiddeld jaarinkomen: het jaarinkomen bedraagt ca. €7500 of meer
per hoofd
- Een sterke verstedelijkte bevolking: minimum 70 % van de bevolking leeft in
steden
- Een industriegerichte economie: niet meer dan 15 % van de beroepsbevolking
werkt in de landbouw en bosbouw
- Een uitstekend verkeersysteem: minstens 100 km spoor- en autowegen per 100
km² landoppervlakte
- Een intensieve marktgerichte landbouw: er is een bemesting van minstens 200kg
per ha per jaar
- Vrije verkiezingen in een parlementaire democratie

8.1.4 Culturele zonering in Europa

Op basis van hoger vermelde kenmerken kunnen we Europa verdelen in een centrum-
periferie zonering met een west-oost en noord-zuid component.























Figuur 137: Culturele zonering in Europa

Kenmerken van de verschillende zones zijn:


- Centrum: industriële concentratie, dicht verkeersnet, hoge bevolkingsdichtheid,
trage natuurlijke bevolkingsgroei, intensieve landbouw (bemesting), sterke
milieuvervuiling (zure neerslag)
- Periferie: tegenovergestelde kenmerken als het centrum
- Noord: Germaanse, Keltische en Baltische talen, protestantisme, gebieden die
steeds buiten de Romeinse invloedssfeer bleven, zeer hoge graad van
alfabetisering, oude en stabiel democratieën, veelvuldig gebruik van hout in de
traditionele bouwstijlen







1 AA VS 2 219 © 2019 Arteveldehogeschool

- Zuid: Romaanse, Griekse en Illyrische talen, katholicisme, gebied dat behoorde
tot het Romeinse rijk tot 100 AD, zomerdroogte in de mediterrane gebieden,
wijnbouw, samengestelde hoeven
- West: talen van de centrumgroep, vrije verkiezingen, economische unie, een
westelijk-christelijk erfgoed, grote welvaart die ondermeer blijkt uit het aantal
auto’s en het aantal literaire publicaties
- Oost: talen van de Slavische groep, recente jonge democratieën met erfenis van
totalitair systeem, orthodox-christelijk erfgoed, continentaal klimaat, minder
grote welvaart.


OPDRACHT
Arceer op de onderstaande blinde kaart van Europa de verschillende culturele zones.
Maak een passende legende op.









































Figuur 138: Culturele zonering in Europa

8.1.5 Conclusie: Een multicultureel Europa

De Europese cultuur valt op door de grote diversiteit op veel domeinen en over korte
afstand. Nergens ter wereld variëren zowel de natuurlijke kenmerken, de etnische
kenmerken en de culturele kenmerken zo sterk over een relatief klein gebied. Dit vormt
een wezenlijk verschil met de Europese cultuurstijl in bijvoorbeeld. Amerika en Australië.
Een Europeaan voelt zich thuis in verscheidenheid, in afwisseling en in het kleinschalige,
in een ruimte op mensenmaat in een ruimtelijk mozaïek van min of meer homogene
compartimenten, die tamelijk begrensd zijn. Dit laatste aspect geeft ook een tweede




1 AA VS 2 220 © 2019 Arteveldehogeschool

typisch kenmerk: een co-existentie van meerdere cultuurgebieden die gedragen werden
door verschillende etnische groepen. De Europese samenleving kan men daarom terecht
als multicultureel bestempelen en deze eigenschap wordt meteen ook als een argument
gebruikt om te pleiten voor meer verdraagzaamheid tegenover de vreemdelingen met
een niet-Europese, christelijke cultuur. Ondanks het feit dat de Europese cultuur gegroeid
is uit een meer complexe mengeling van diverse bronnen, is die integratie in de loop van
de geschiedenis zelden op een erg vredelievende manier tot stand gekomen. In feite is de
kans op conflicten en wrijvingen overal op de wereld groter in de grens en
contactgebieden van verschillende culturen. De recente gebeurtenissen in ex-Joegoslavië
zijn daarvan een jammerlijk voorbeeld. Door het grote aantal dergelijk contactzones
binnen het Europese vasteland, is het dus niet uitzonderlijk dat ook de
onverdraagzaamheid, de discriminatie en de vervolging wezenlijke kenmerken zijn
geworden van de Europese cultuur. Het multiculturele is gebonden aan een bijzonder
uitgebreide en complexe multi-etnische samenstelling waardoor het ontstaan van een
nieuwe Westerse eenheidscultuur trager gaat dan bijvoorbeeld in de Noord- en Zuid-
Amerikaanse landen. De weerstand van regionale minderheden en zelfs van sommige
landen tegen een te snelle Europese eenmaking heeft hier zeker mee te maken. Een
uniformeren, van de regionale en culturele rijkdom omwille van economische en politieke
belangen zou eerder een ramp dan een zegen voor Europa zijn.

Tenslotte is er de lange historische en geografische uniciteit van de Europese cultuur. De
sterke natuurlijke compartimentering van de ruimte bood een unieke kans voor de
ontwikkeling van talrijke en verschillende cultuuraspecten. Terzelfder tijd bood die
compartimentering ook talrijke, kleine communicatiekanalen voor uitwisseling en
interacties. Hier was een langdurige geschiedenis geduldig werkzaam om een
gemeenschappelijk erfgoed op te bouwen dat rekening hield met talloze regionale
identiteiten als pijlers. Alles overspoelende vernieuwingen, die Europa in één grote
uniforme en centrale macht probeerden te vereniging, zijn nooit succesvol gebleven.
Interactie van de verscheidenheid in vrijheid was duidelijk de belangrijkste Europese
troef, niet de opgelegde macht of ideologie.


8.1.6 Gevolg: Op zoek naar Europa’s identiteit
De geograaf Paasi heeft onderzoek gedaan naar regionale identiteit. Hij onderzocht
wanneer mensen zich sterk met een regio verbonden voelen en zich ermee identificeren.
Aan de hand van Paasi’s theorie kan men dus onderzoeken of bijvoorbeeld de Europese
Unie een sterke regionale identiteit heeft. Paasi herkent hiervoor vier voorwaarden bij
de ontwikkeling van regionale identiteit. Er is geen vaste volgorde. Als ze allemaal voor
een gebied voorkomen, heeft de regio een sterke identiteit. De vier fasen zijn:

- Het gebied is duidelijk afgebakend.
- Er zijn regionale symbolen. De Bewoners kunnen zich met de naam van de regio
identificeren, door bijvoorbeeld een vlag en bouwwerken die symbool staan voor de
regio.
- Er zijn regionale instellingen en de regio bestaat in beleidsdocumenten.
- Het beeld dat mensen van het gebied in hun hoofd hebben, hun mental map, is juist.





1 AA VS 2 221 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Ga met Paasi’s theorie na of er een EU-identiteit bestaat. Gebruik het uitgewerkte
voorbeeld op de digitale leeromgeving over Randstad Nederland als leidraad.



8.1.7 Uitleiding: Waarden in Europa
40
Ieren zijn erg gelukkig, Turken voelen zich nauwelijks Europeaan, een grote meerderheid
in Europa gelooft nog altijd in God en Nederlanders behoren tot de modernste
wereldburgers. Dit is zomaar een greep uit de Atlas of European Values, die de
opvattingen en ideeën van Europeanen aanschouwelijk maakt in bijna tweehonderd
kaarten en grafieken.

Uit de atlas blijkt vooral dat Europeanen over het algemeen gelukkig zijn en nog steeds
gelovig. Driekwart noemt zich religieus. De familie is in alle landen nog steeds de
hoeksteen van de samenleving. Kinderen moeten vooral verantwoordelijkheid, goede
manieren en respect worden bijgebracht. Enige tegenstrijdigheid is er ook: hoewel de
meeste Europeanen vinden dat de vrouw dient bij te dragen aan het gezinsinkomen,
denkt een meerderheid dat kleine kinderen het beste thuis kunnen worden opgevoed.
Tegenstrijdigheid lijkt er ook te zijn op het gebied van landsbestuur: de democratie kan
weliswaar rekenen op een grote aanhang, maar tegelijkertijd vindt een meerderheid het
verstandig als het land bestuurd zou worden door experts.

Per hoofdstuk zijn dit de meest opvallende cijfers en conclusies:

- Europa: Europeanen voelen zich weinig Europees. Ze voelen zich nog eerder

wereldburger. Luxemburgers hebben het meest met Europa: een derde voelt zich in
eerste of tweede instantie Europeaan. N Rusland geldt dit voor nog geen 2,5% van
de bevolking.
- Familie: 90% van de Letten vindt dat kinderen noodzakelijk zijn voor een zinvol leven,
slechts 8% van de Nederlanders is het hier mee eens. Circa 70% van de Europeanen
verwacht onvoorwaardelijke loyaliteit van kinderen ten opzichte van ouders. Een
even groot percentage vindt dat ouders hun uiterste best moeten doen voor hun
kinderen, ook als dat ten koste gaat van hun eigen welzijn.
- Werk: Nederland scoort samen met Ijsland het laagst op arbeidsmoraal. Voor
Europeanen is een goed salaris het belangrijkste aspect van een baan. Denen
hechten het minste belang aan werk, maar zijn erg tevreden met hun baan. Boeren
in Oost-Europa en Turkije zijn de enigen die echt ontevreden zijn met hun werk.
- Religie: Meer dan 60% van de Nederlanders noemt zichzelf religieus. Het belang van

God scoort een 3,6 in Tsjechië, een 4,9 in Nederland, maar een 9,2 op Malta.
Driekwart van de Kroatiërs gelooft in engelen; een derde van de Turken in
reïncarnatie. In Rusland en Zweden bezoekt minder dan 10% maandelijks een
kerkdienst
- Politiek: Spanje is het meest links georiënteerde land in Europa. Tsjechië is het meest
rechts. In Duitsland is de minste aanhang voor inkomensnivellering. Jongeren in Zuid-


40 (Halman, Krause, & Palings, 2006)


1 AA VS 2 222 © 2019 Arteveldehogeschool

Europa leggen de meeste nadruk op individuele vrijheid en persoonlijke
ontwikkeling. In Luxemburg ziet 45% een sterke leider die regeert zonder parlement
en verkiezingen wel zitten; in Nederland is dit percentage 27%.
- Maatschappij: Een one-night stand is alleen acceptabel voor jongeren in Noord-
Europa. Over homoseksualiteit wordt zeer verschillend gedacht in Europa. Maar 10%
van de Portugezen denkt dat de meeste mensen te vertrouwen zijn. Als enige land in
Europa schrijft Nederland armoede vooral toe aan toevallige tegenspoed.
Drugsverslaafden zijn Europa-wijd de minst geliefde buren.
- Geluk: Een partner en geld brengen geluk, kinderen nauwelijks. De Ieren zijn het
gelukkigste volk in Europa: 47,7% is erg gelukkig. Protestanten zijn meer tevreden
dan katholieken, orthodox-christenen of islamieten.



8.2 Regionale ongelijkheden in de Europese Unie

8.2.1 Inleiding: verschillen ondanks de eenheid
41
Het lijdt geen twijfel dat de uitbreiding van de Europese Unie vanaf 2004 naar het Oosten
zowel een sociale als een culturele verrijking betekent. Door de uitbreiding worden echter
ook de ontwikkelingsverschillen en de regionale ongelijkheden versterkt.


In Europa kunnen er drie types van ongelijkheden vastgesteld worden: de tegenstelling
Noord-Zuid, de tegenstelling Oost-West en de tegenstelling centrum-periferie. De
centrum-periferie tegenstelling overlapt hierbij vaak de Noord-Zuid en de Oost-West
tegenstelling. Dit uit zich ook binnen de Europese Unie: de noordelijke periferie (de
dunbevolkte gebieden van Scandinavië), de Atlantische periferie (Noord-Schotland,
Noord-Ierland en Ierland) de zuidelijke periferie (Portugal, Spanje, Zuid-Italië en
Griekenland) en de oostelijke periferie (de meest nieuwe lidstaten) omgeven immers
samen ‘Kern’-Europa.


De ongelijkheden, die op verschillende manieren tot uiting komen, zijn omwille van de
talrijke oorzaken moeilijk weg te werken. Volgens Europese verdragen moet de Europese
Unie zich echter bijzonder inspannen om ‘de verschillen in ontwikkeling van de regio’s en
de achterstand van de sterkst benadeelde gebieden, met inbegrip van de
plattelandsgebieden, te verkleinen’.

8.2.2 Waarnemen en analyseren van de ongelijkheden

Bij de waarneming en de analyse van de ongelijkheden in de Europese Unie zijn twee
vragen belangrijk: ‘Op welk ruimtelijk niveau vergelijkt men de regio’s?’ en ‘Met behulp
van welke indicatoren kunnen de mogelijke ruimtelijke ongelijkheden gemeten worden?’.


▪ Ruimtelijk vergelijkingsniveau

Als ruimtelijke referentie-eenheid om de regio’s te vergelijken wordt de NUTS-
systematiek gebruikt (Nomenclature des Unités Territoriales Statistiques). Deze
systematiek werd door de statistische dienst van de Europese Unie (Eurostat) opgesteld


41 (Katsaros & Schmengler, 2004)


1 AA VS 2 223 © 2019 Arteveldehogeschool

om een uniform en samenhangend schema van de gebiedsindeling te scheppen. De NUTS-
systemaiek verdeelt de lidstaten in regio’s, rekening houdend met hun administratieve
indeling. De systematiek deelt de EU-landen in gebieden in van het niveau NUTS 1 (bv. de
Belgische gewesten), gebieden van het niveau NUTS 2 (bv. de Belgische provincies) en
kleinere gebieden van het niveau NUTS 3 (bv. de Belgische arrondissementen). De tien
EU-lidstaten die in 2004 toetraden omvatten 41 statistische regio’s van het niveau NUTS
2, Roemenië en Bulgarije, die in 2007 toetraden, tellen er samen 14. Men neemt de
gebieden van NUTS 2 als basis voor de statistische verwerking. Het nadeel van de NUTS-
systematiek is dat de indeling in regio’s variaties vertoont in grootte, bevolkingsdichtheid
en sociale structuur, en daarom geen directe vergelijking toelaat.


▪ Bruto Binnenlands Product als indicator

De vaakst gebruikte indicator om de ontwikkelingsgraad te bepalen en de ongelijkheden
tot uiting te laten komen, is het Bruto Binnenlands Product (BBP), die de economische
productie van een regio meet.

De vraag stelt zich echter of het BBP volstaat om de ontwikkelingsgraad van een regio
juist weer te geven. Het inkomen per hoofd zegt nu eenmaal niet waarvoor de inkomens
gebruikt worden, bv. voor ziekenhuizenbouw, autosnelwegen of sigarettenmachines. Nog
een ander gebrek is dat de gemiddelde waarde van het BBP per hoofd helemaal geen
rekening houdt met hoe de inkomens binnen de maatschappij verdeeld zijn. Er is hierin
wel een vooruitgang, want Eurostat meet het BBP intussen in koopkrachtmaten, niet
alleen om rekening te houden met de verschillen in wisselkoers, maar ook met de
prijsniveaus van de landen. Maar de kritiek dat het BBP een louter monetaire maat is en
de sociale en ecologische aspecten buiten beschouwing laat, kan daardoor niet uit de
wereld geholpen worden.

Daarom moeten er ook andere indicatoren geraadpleegd worden, die geen vervanging
zijn voor de betekenis van het BBP maar er een noodzakelijke aanvulling voor zijn.
Hiervoor komen de dichtheid van artsen en de werkloosheidsgraad in aanmerking, maar
eventueel ook de internettoegang, om de informatiemogelijkheden en de kans op vrije
meningsuiting te meten, of de loonsverschillen tussen mannen en vrouwen, om de
werkelijke toepassing van de gelijkheid van kansen te onderzoeken. Verder kan het
aandeel van het gebruik van vernieuwbare energiebronnen informatie bieden over het
verbruik van natuurlijke rijkdommen in de toekomst en het ecologisch bewustzijn van de
samenleving. Tenslotte moeten indicatoren met betrekking tot de sociale samenhang het
solidair handelen, de sociale en de politieke participatie meten, want eigenlijk vormen zij
de basis voor het functioneringsvermogen van een samenleving.


Een reden voor het ruimere gebruik van andere indicatoren is de vraag naar
duurzaamheid in het politieke handelen, ook vanwege de Europese Unie. Toch blijft het
BBP op politiek EU-gebied nog steeds beslissend voor de ontwikkelingsgraad, want het
beoordeelt op basis daarvan of een regio recht heeft op steun. Het vormt het criterium
voor het vastleggen van de Doelstelling-1 regio’s van de EU-landen. Alle regio’s, waarvan
het BBP lager ligt dan 75% van het EU-gemiddelde en volgens deze indicator de grootste
ontwikkelingsachterstand vertonen, horen tot de Doelstelling-1 regio’s. Het criterium van



1 AA VS 2 224 © 2019 Arteveldehogeschool

75%, dat beslist over de grootte van de financiële steun, treft veel tot nog toe gesteunde
regio’s, want de 75%-grens zakt door de zwakkere nieuwe lidstaten, zodat veel regio’s,
die ooit gesteund werden, het in de toekomst zonder of met minder steun zullen moeten
rooien. Dit betekent een grote uitdaging voor de Europese structuur en regionale politiek.

De uitbreiding van de Europese Unie naar 27 lidstaten heeft de economische
ontwikkelingskloof vergroot. De afstand in BBP per hoofd tussen de 10% van de bevolking
in de welvarendste regio’s en hetzelfde procentueel aandeel in de armste regio’s is in
vergelijking met de toestand in de EU-15 meer dan dubbel zo groot geworden. Als men
de groei van het BBP in de EU-landen die vanaf 2004 toetraden echter vergelijkt met deze
van EU-15 liggen de verhoudingen ietwat anders: absoluut gezien lijken die nieuwe
lidstaten zwak, omdat ze voor het grootste deel onder de 50% van het EU-gemiddelde
liggen, terwijl volgens de jaarlijkse groeicijfers de economieën van de nieuwe lidstaten
naast die van Ierland lijken te bloeien. En niet alle nieuwe lidstaten hebben dezelfde
waarden onder het gemiddelde in verhouding tot de EU-15.


▪ Beroepsstructuur als indicator

Nog een ander traditioneel vergelijkingscriterium dat vaak gebruikt wordt, is de
beroepsstructuur.

Opvallend is de hoge correlatie tussen het aandeel van de tewerkgestelden in de
landbouw of van de primaire sector in het BBP en de ontwikkelingsgraad, gemeten naar
het inkomen per hoofd. De tertiarisering is dan ook niet overal in de Europese Unie even
ver gevorderd. Terwijl in Duitsland het aandeel tewerkgestelden in de tertiaire sector
tussen 1989 en 2000 gestegen is ten nadele van vooral de secundaire sector, vertonen in
dezelfde periode in Polen zowel de tertiaire als de secundaire sector een vergelijkbare
stijging. Geheel anders dan in Letland, waar de transformatieprocessen het wegvallen van
arbeidsplaatsen in de secundaire en in de tertiaire sector veroorzaakten en de
gedupeerden hun toevlucht zochten in de kleinschalige overlevingslandbouw.

In de Europese Unie wordt veel belang gehecht aan de landbouw, want de regio’s met de
hoogste aandelen tewerkgestelden in de primaire sector zijn, afgezien van enkele
uitzonderingen, tevens Doelstelling-1 regio’s. De hoogste 25% van alle 266 regio’s van het
NUTS 2-niveau met het hoogste aandeel tewerkgestelden in de primaire sector bevinden
zich meer bepaald in de periferie van de EU. Noord-Finland, Portugal, Spanje, Zuid-Italië,
Griekenland en nagenoeg alle vanaf 2004 toegetreden lidstaten bevestigen dit
verschijnsel. In tegenstelling daarmee liggen de bovenste 25% van alle regio’s met het
hoogste aandeel tewerkgestelden in de dienstensector, met uitzondering van Praag,
Boedapest en Bratislava, bijna uitsluitend in de EU-15-landen. Door de uitbreiding vanaf
2004 is de bevolking met meer dan 100 miljoen toegenomen tot 493 miljoen inwoners in
2007 (nu reeds meer dan 500 miljoen inwoners). Tegenover deze bevolkingstoename in
2004-2007 met 28% ten opzichte van de EU-15 en een toename van 34% van de
oppervlakte staat een grote toename van de landbouwoppervlakte (45%) en een extreme
toename van de tewerkgestelden in de primaire sector (136%). De huidige
subsidiëringstructuren zullen daaraan aangepast moeten worden.





1 AA VS 2 225 © 2019 Arteveldehogeschool

Volgens de Europese Commissie is een verhoging van de kwalificaties van de
beroepsbevolking belangrijk, om het BBP per hoofd van deze regio’s dichter bij het EU-
gemiddelde te brengen. Dit veronderstelt een verbetering van de algemene en
beroepsopleiding in de achtergebleven regio’s, maar ook een efficiënter gebruik van het
menselijke kapitaal. Maar volgens de Europese Commissie zou, wegens het lage BBP per
hoofd in de nieuwe lidstaten ‘een convergentie van de regio’s in de verruimde EU bij het
huidige tempo tenminste drie generaties duren’.


▪ Besluit

De uitbreiding van de EU naar het oosten vanaf 2004 heeft niet alleen veranderingen
meegebracht voor de nieuwe lidstaten, maar heeft ook de EU-15-landen voor structurele
uitdagingen geplaatst. Samen met de eenheid wordt immers de verscheidenheid groter.
Men spant zich in om deze verscheidenheid tussen de lidstaten met behulp van
indicatoren te meten, of om de landen te ordenen volgens ontwikkelingsgraad. Daarbij
wordt vooral het BBP als kerncijfer gebruikt, maar het staat vast dat het BBP het laatste
woord spreekt noch over de inkomensverdeling, noch over het individuele welzijn en de
tevredenheid van de mensen. De regionale ongelijkheden vormen een meer complexe
realiteit dan door de regionale verschillen van het BBP per hoofd en van de tewerkstelling
gesuggereerd kan worden. Daarom moeten er meer indicatoren gebruikt worden, die op
sterkere of zwakkere structuren kunnen wijzen.


ACHTERGROND
Meer weten?
- http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/eurostat/home biedt toegang tot
gegevens en indicatoren.
- http://europa.eu/ levert gegevens en feiten over de EU, haar opbouw en de uitbreiding.


8.2.3 Verklaren van de ongelijkheden
42
OPDRACHT
Doorloop de onderstaande stappen om na te gaan hoe de regionale verschillen in Europa
verklaard kunnen worden.


▪ Opzet


De Europese Unie is in 2007 tot 27 leden uitgebreid. De toetredingsonderhandelingen
tussen de EU en Turkije gingen in het najaar van 2005 van start. Terwijl over een aantal
thema’s de gesprekken afgerond of aan de gang zijn, werden andere hoofdstukken naar
het vriesvak verwezen. Over eventuele uitbreidingen wordt altijd veel gediscussieerd.
Vaak wordt door regeringen van lidstaten verklaard dat het op zich niet erg is als landen
toetreden tot de Unie, maar dat men nog niet wil dat er vrij verkeer van arbeidskrachten
is. Een compromis dat vaak bereikt wordt is dat een land wel al toegelaten wordt tot de
Europese Unie, maar dat arbeidsmigratie de eerste paar jaar nog niet volledig is
toegestaan. Maar waar zijn de lidstaten eigenlijk bang voor, en is het al dan niet terecht



42 (Bosma, sd)


1 AA VS 2 226 © 2019 Arteveldehogeschool

dat EU-landen arbeidsmigratie willen verbieden? Deze vraag kan men deels
beantwoorden door de regionale economische verschillen binnen EU-landen enerzijds en
tussen EU-landen anderzijds te onderzoeken. Dit is dan ook het doel van deze opdracht.
Je werkt maximaal met vier aan deze opdracht.

Om deze verschillen nader te bestuderen kun je gebruik maken van je atlas en van
algemene informatie, kaarten en statistieken van http://ww.landenweb.com,
https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/,
http://www.thud.nl/wkmaps, en http://hdr.undp.org/en/statistics/data/.

▪ Voorbereiding

Log in op http://www.thud.nl/wkmaps. Neem de tijd om vertrouwd te worden met de
praktische en de inhoudelijke mogelijkheden van deze website. Kies vervolgens drie EU-
regio’s die op socio-economisch vlak sterk van elkaar verschillen, bv. een uit de kern, een
uit de semi-periferie en een uit de periferie. Probeer bovendien voor zover mogelijk een
zo groot mogelijk topografische diversiteit in de gekozen regio’s te vinden, zoals een regio
grenzend aan de kust, een regio in het binnenland, een grensregio of een reliëfrijk gebied.


▪ Regionaal- economische verschillen binnen EU-landen

Met de informatie op http://www.landenweb.com en het CIA-factbook vergelijk je de
van de socio-economische parameters van de gekozen regio’s met ’s lands gemiddelde.
Noteer de resultaten van die vergelijking. Vul verder aan met bijkomende info hierover
uit de je atlas.


▪ Regionaal-economische verschillen tussen EU-regio’s

Selecteer op http://www.thud.nl/wkmaps de drie gekozen regio’s en kies ook een socio-
economische parameter. Klik op compare. Op die manier kan je die parameter voor elk
van de gekozen regio’s vergelijken. Doe dit voor elk op bovenstaande website beschikbare
parameter. Maak een overzicht van alle beschikbare gegevens voor de gekozen regio’s.
Rangschik daarna de geselecteerde regio’s vervolgens van meest naar minst aangenaam
om te leven. Geef vervolgens aan welke parameters je toevoegt om je rangschikking te
verfijnen. Niet alleen economische data bepalen immers het welzijn! Bekijk ook
http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/eurostat/home. Noteer vervolgens
eventueel je nieuwe, verfijnde rangschikking.


▪ Verklaringen

Verklaar de regionale verschillen tussen de gekozen EU-regio’s. Deze zijn logisch in functie
van de ligging van een regio, het aantal grote steden, e.d. Verklaar ook voor één van de
drie gekozen regio’s het verschil in socio-economische ontwikkeling met het gemiddelde
van het land waartoe de regio behoort. Verwerk ook onderstaande relaties bij je
verklaringen:

- Het verband tussen de regionale werkloosheid en de nationale werkloosheid
- De vergelijking tussen de werkloosheid en het GDP




1 AA VS 2 227 © 2019 Arteveldehogeschool

- Het verband tussen het werkloosheidscijfer en percentage mensen tussen 15 en 65
- Het verband tussen het aandeel van de tewerkstelling in een bepaalde economische

sector en het aantal werklozen
- De relatie tussen de bevolkingsdichtheid- en werkloosheidscijfer


Het doel van het EU-beleid bestaat erin de regionaal-economische verschillen te
verkleinen. Noteer bondig met behulp van de informatie van de EU-portaalsites welke
hefbomen de EU ter beschikking stelt aan de regio’s om uit het economisch moeras te
geraken. Leg eveneens uit hoe men via deze hefbomen de economische kloof tussen de
regio’s hoopt te verkleinen.

▪ Synthese

Stel dat je adviseur bent bij de Europese Unie en je adviseert over het instellen van
arbeidsmigratiequota. Formuleer een advies en fundeer grondig. Haal argumenten voor
dit advies uit eerder aangereikte informatie.



8.3 Beeldvorming over andere culturen

8.3.1 Stereotype beeldvorming
43
Wanneer je aan kinderen, jongeren en zelfs volwassenen vraagt om spontaan te
beschrijven wat er in je opkomt als je denkt aan mensen uit Afrika, Azië, Latijns-Amerika,
dan krijg je antwoorden zoals honger, ziekte, armoede, misoogsten en droogte. Als je dan
samen met hen tot het besluit komt dat dit eigenlijk een vertekend beeld is (te eenzijdig),
en je vraagt om dit beeld wat te vervolledigen, dan blijkt dat heel moeilijk te zijn. Mensen
kijken dus eigenlijk met één oog en de meest spectaculaire zaken blijven het langst bij.
















Figuur 139: Kennismaking met de Derde Wereld (links: Artiscoop, rechts: Knack)

De ellendebeelden zijn wel een realiteit maar als je enkel aan zo’n beelden denkt, dan is
je visie erg eenzijdig. Door allerlei zaken wordt die eenzijdige en negatieve beeldvorming
hardnekkig in stand gehouden. We zien deze mensen, dat volk, enkel en alleen maar in
een hulpvragende rol. Wanneer we hen zouden zien vanuit het standpunt ‘het zijn
mensen uit een andere cultuur’ dan zouden er positieve waarden op de voorgrond
kunnen treden. We moeten dus eigenlijk leren kijken met twee ogen. De eerste beelden
zijn heel erg bepalend. Zeker wat je aan kinderen op erg jonge leeftijd vertelt over Afrika,
Azië, Latijns-Amerika blijft in hun geheugen gegrift. Het zijn de personen waarmee het


43 (Maes, 2001)


1 AA VS 2 228 © 2019 Arteveldehogeschool

kind een emotionele band heeft, zoals de ouders en de leerkrachten, die die informatie
geven. En deze informatie wordt door de kinderen aanvaard.

Kinderen horen het eerst over mensen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika als de missiemaand
of de vastenmaand aangebroken is. Men spreekt dan over samen sparen met de hele klas
om op die manier de arme kindjes te helpen want zij hebben niets. Deze kindjes worden
dan zwartjes genoemd en dan krijgen we een duidelijk onderscheid met onszelf. Want
blank is gelijk aan niet arm, goed, slim, niet ziek. Kortom volledig het tegenovergesteld
met zwart. Dus dat simplistisch eerste beeld wordt doorgegeven. Het is trouwens een
psychologisch bekend feit dat mensen naar zulke veilige beelden over hun leefomgeving
streven. Een ander bekend feit uit de psychologie van de waarneming is dat wij datgene
waarnemen wat wij denken te zullen waarnemen of wat wij graag zouden waarnemen.

Aan positieve beeldvorming doen is niet enkel de negatieve beelden vervangen door de
positieve beelden. We moeten ook rekening houden dat deze beelden sterk verbonden
zijn met emoties, ze geven veiligheid van een gekende wereld. Aan positieve
beeldvorming doen is bijgevolg een complexe aangelegenheid.

8.3.2 Bepalende invloeden op onze beeldvorming
44
Vanuit verschillende kanalen wordt onze beeldvorming beïnvloed, zoals via de school,
jeugdlectuur, media (kranten, radio, televisie).

Op school hebben we ten eerste te maken met achterhaalde beeldvorming. Af en toe
komen enkele kenmerken van andere volken voor op het programma. Het gaat dan heel
erg dikwijls om de beschrijving van gewoonten en gebruiken, met de nadruk op de
eigenaardige aspecten ervan. De betekenis van allerlei gebruiken en de manier waarop ze
in de ruimtelijke ordening van desbetreffende groep doorwerken krijgen weinig aandacht.
Het gevaar voor stereotypering is door deze geïsoleerde behandeling heel erg reëel. Denk
maar aan de volgende stereotiepen: zwarten wonen in hutten, eskimo’s eten alleen maar
vis, indianen dragen alleen maar veren, in Congo lopen ze rond in strooien rokjes, enz.
Ten tweede zien we dat ook de schoolboeken een heel erg belangrijke invloed hebben op
onze beeldvorming. Ten derde zal ook de wereldkaart die in de scholen wordt gebruikt
onze beeldvorming op een foutieve manier bepalen. De Mercatorkaart geeft een sterk
vertekend beeld van de oppervlakte en de al of niet centrale ligging van de continenten.
De Petersprojectie geeft een oppervlaktegetrouwe weergave van de landen. Het nadeel
van deze projectie is dat de vorm van de grenzen vervormd is, waardoor de kaart minder
geschikt is voor op school. Alle kaarten die gebruikt worden in het S.O. zijn eurocentrisch,
toon dus ook eens een andere.


Wat de tijdschriften, boeken en stripverhalen betreft komen we tot het volgende besluit.
Het is werkelijk erg te moeten vaststellen dat het erg gemakkelijk is boeken te vinden die
een stereotiep en sterk achterhaald beeld ophangen. Het was echter bijna onmogelijk om
boeken te vinden met correct beeldmateriaal over de huidige levensomstandigheden van
deze volken.




44 (Maes, 2001)


1 AA VS 2 229 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 140: Stereotypering in ‘Jommeke’

Dat stereotypering in strips niet altijd tot het verleden behoort, bleek in 2007 in een
tentoonstelling in het Stripmuseum te Brussel met dit thema. Onderstaande figuren
geven een idee van de meest opvallende (vaak onschuldige) clichés.













Figuur 141: Britten vinden thee heilig, meent
Vandersteen






Figuur 142: Gotlib toont hoe Belgen dolfijnen

Figuur 143: Alle Oostenrijkers zijn Hitlerogen, frieten voederen
suggereren Clubotarlu en Persell












Figuur 144: Stakende Fransen in ‘Nero’
















Figuur 145: Een typische Fransman in ‘Boule et Bille’



1 AA VS 2 230 © 2019 Arteveldehogeschool

Minder onschuldig lijkt de stereotypering in ‘Kuifje in Afrika’. Heel wat Congolezen
voel(d)en zich hierdoor beledigd. Enkele van hen spanden dan ook een proces in tegen
het bedrijf dat de rechten op het werk van Hergé bewaart. Racistische vooroordelen of
overreactie en hyperpolitieke correctheid?

















Figuur 146: Afrikanen waren in de ogen van Hergé de kinderlijke zwartjes met kroezelhaar en trompetlippen

Wat op vorige bladzijden werd aangehaald geldt trouwens niet alleen voor tijdschriften,
boeken en stripverhalen maar ook voor zogenaamde reality-TV. Programma’s zoals
‘Peking Express’, ‘Toast Kannibaal’ en ‘Stanley’s Route’ liggen hierbij waarschijnlijk nog bij
iedereen vers in het geheugen. In 2006 ontspon zich hieromtrent een rel in ‘De Standaard’
over de ethiek van zulke series. Onderstaande bloemlezing uit die discussie schetst eens
te meer dat we ongeveer 50 jaar na de kolonisatie nog vaak in stereotypen denken en dat
programmamakers er vaak niet alleen alles aan doen om deze niet te ontkrachten, dan
wel ze eerder te bevestigen of erger nog ze nog eens extra in de verf te zetten. De vraag
rest ons of een programma als Stanley’s Route de negatieve beeldvorming over Afrika in
de hand werkt of zelfs neigt naar racisme.

























Figuur 147: Hoe fake is reality?

Een anonieme medewerker van het programma ‘Stanley’s Route’:
“Tijdens het draaien van de serie in Uganda en in Rwanda zijn de opdrachtgevers zelfs zo ver
gegaan om van de plaatselijke bevolking te eisen dat die zich primitiever zou kleden en de
golfplaten van hun hutjes zou bedekken met bananenbladeren. Zo zou ze er zo primitief en
armzalig mogelijk uitzien”






1 AA VS 2 231 © 2019 Arteveldehogeschool

Marc Hoogsteyns, journalist-cameraman en fixer-producer bij ‘Stanley’s Route’:
“(…) Intussen probeerde ik Endemol ervan te overtuigen om de termen stam en primitieve
leefgemeenschappen uit hun scripts te bannen. Want niets ligt zo gevoelig in Rwanda als
journalisten of researchers die vragen stellen over volksstammen. (…) Ik kreeg de opdracht
voor de tweede reeks van Stanley’s route om een aantal Bahavu-families van het nabijgelegen
Congolese eiland Idjwi over te laten komen naar het onbewoonde eilandje uit de TV-serie en
hen daar een aantal hutjes te laten bouwen. Het moest er allemaal zo echt mogelijk uitzien,
klonk het vanuit België. (…) De aanwezige Endemol programmaverantwoordelijke vond de
uitgekozen locaties allemaal te modern en hij vond dat de Afrikanen die in beeld gebracht
werden er te beschaafd bij liepen. De cameramannen kregen het verbod om hutjes te filmen
waarop ijzeren golfplaten lagen, net als mensen met brillen of fietsen.”

Bioloog en Afrika-kenner Dirk Draulans:
“Het is nog erger dan ik gevreesd had. Ik heb mij mateloos geërgerd aan de scène waarbij Filip
Meirhaege met leden van de Hadzabe-stam in het noorden van Tanzania mee moest op
bavianenjacht. De kijkers kregen te zien hoe de geschoten baviaan na enkele minuten werd
geroosterd en half rauw opgegeten. We werden vervolgens geconfronteerd met de
kokhalzende Filip Meirhaeges en Brigitta Callens van deze wereld, terwijl het voor de Hadzabe
de normaalste zaak van de wereld is. Zij moeten gewoon op apen jagen om in leven te blijven.
Voor hen is het een feest als ze zo’n beest kunnen schieten en het is voor hun cultuur ook
volstrekt normaal. En dat wordt dan op de Vlaamse televisie als een vorm van barbarij
voorgesteld. De beeldvorming die je zo creëert, is verschrikkelijk.”


Niet alleen infotainment zoals hierboven vermeld maar ook actuele, harde nieuwsfeiten
over de Afrika, Azië, Latijns-Amerika halen we uit diezelfde kranten of zien of horen we
op de televisie en radio. Zonder het goed te beseffen zien we ook dán een enorme selectie
van het wereldnieuws. Er zijn vijf filters die het wereldnieuw bepalen dan men te lezen
krijgt. Ten eerste de correspondent of journalist. De journalist in kwestie kijkt meestal
door een Westers bril in een niet Westers land, dus hanteert men andere normen. Cijfers
over het aantal journalisten per continent tonen ook aan dat er veel minder nieuws komt
uit de Derde Wereld dan uit de Eerste en Tweede Wereld. Ten tweede zullen de
nieuwsagentschappen een belangrijke rol spelen. Zij selecteren het nieuws en geven dit
bewerkt door. Ten derde zal een nationaal agentschap ook selecteren. Ten vierde zullen
redacties van kranten, radio en TV ook op hun beurt selecteren. Bepaalde berichten
vergroten of verkleinen. Ten vijfde zal ook de lezer, luisteraar of kijker zelf bepalen welke
krant hij leest, welk journaal hij bekijkt, e.d. Dan heb je ook nog enkele criteria in verband
met de nieuwsgaring. Zo zal het bepalend zijn voor welke krant een journalist werkt.
Verder zijn ook de actualiteit, één of andere schokkende gebeurtenis bepalend of iets in
de media komt. Ook gaan grote groepen meer aan bod komen. Hun mening wordt vlugger
gehoord. En verder spelen manipulaties ook een vrij grote rol.

8.3.3 Beeldvorming in schoolhandboeken aardrijkskunde
45
Concreet staat volgende vraag centraal: vormt de schoolaardrijkskunde wereldburgers of
wordt een wereldbeeld opgelegd? Hiertoe wordt een grondige analyse van de inhoud van
een vijftigtal Vlaamse handboeken aardrijkskunde uiteengezet.




45 (Schuermans, 2007)


1 AA VS 2 232 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Blanke, zwarte en gele rassen

De indeling van de mensheid in verschillende rassen vormde een vast bestanddeel van
handboeken aardrijkskunde uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Typisch voor die
tijd was de classificatie op basis van uiterlijke kenmerken, zoals de huidskleur, de
beharing, de lichaamslengte of de kleur van de ogen en het haar. Belgische
wetenschappers baseerden een groot deel van hun antropometrisch onderzoek op de
zogenaamde cefalische index, die de verhouding tussen de breedte- en lengtediameter
van het hoofd weergaf. Bij deze maat hoorden termen als dolichocefaal en brachycefaal,
respectievelijk om een langwerpig en een breed hoofd te beschrijven. Het moet
benadrukt worden dat de volledige raciale classificatie tot stand kwam op basis van dit
soort van antropometrische gegevens. Genetica kwam er bijvoorbeeld nog niet bij kijken.


De meeste auteurs definieerden op die manier drie hoofdrassen: het blanke, het gele en
het zwarte ras. Deze indeling werd door praktisch alle handboeken overgenomen, al
benoemden sommigen hiernaast ook nog andere rassen, zoals het olijfkleurige of bruine
en het koperkleurige, waarvan de wilde Roodhuiden of Indianen van Amerika de laatste
vertegenwoordigers zijn. De rassenindeling kreeg steeds veel aandacht. Foto’s, kaartjes
of tekeningen illustreerden de beschrijving van de klassieke, driedelige indeling, zoals ze
onderstaand wordt gepresenteerd:


- Het blanke ras, waartoe wij behoren, heeft een witte huid, meestal overvloedig
golvend of gekruld hoofdhaar en een sterke baard. Het heeft veel geleerden
voortgebracht, waaraan wij grote uitvindingen te danken hebben: de drukkunst, de
telegrafie, de spoorwegen, de stoomschepen, de vliegtuigen. Het bewoont Europa,
Amerika, het westen van Azië en Noord-Afrika.
- Het gele ras omvat al de mensen met gele huidskleur. Zij hebben een plat voorhoofd,
spleetogen en weinig baard. Zij zijn zeer werkzaam en zeer geduldig. Hun kleding en
hun woningen verschillen volledig van de onze. Het gele ras bewoont vooral Midden-
en Oost-Azië.
- Het zwarte- of negerras, heeft een zwarte huid, dikke lippen, kroeshaar, doch weinig
baard. De negers zijn over het algemeen min werkzaam dan de andere rassen. Daar
ze in warme landen leven dragen ze weinig kleren. Zij wonen in hutten. Het zwarte
ras bevolkt Midden- en Zuid-Afrika en een deel van Oceanië en Amerika.µ













Figuur 148: De drie mensenrassen op foto











1 AA VS 2 233 © 2019 Arteveldehogeschool

- Figuur 149: De verspreiding van de mensenrassen

▪ Blonde en bruine families

De classificatie van de wereldbevolking in rassen hield daar echter niet op. Net zoals de
bioloog binnen de familie van de eik op zoek ging naar de verschillen tussen de wintereik,
e
de zomereik en de moeraseik, zocht de 19 eeuwse antropoloog nauwgezet naar
subrassen, variëteiten of families binnen elk ras afzonderlijk. Een consensus was hierbij
dikwijls ver te zoeken. Praktisch elke auteur kwam met een andere indeling op de
proppen. De ene splitste de Europeanen bijvoorbeeld op in een bruine en een blonde
familie, terwijl de andere ongeveer tegelijkertijd een onderscheid maakte tussen een
grote groep Indo-Europeanen en afzonderlijke groepen Joden, Basken, Kaukasiërs,
Finnen, Turken en Mongolen. Die laatste drie behoorden volgens hem tot het gele ras.
Populair was ook de classificatie van de blanke Europeanen in drie grote variëteiten: de
Germaanse variëteit (met bleke of rooskleurige blanke huid, langwerpig hoofd, heldere
ogen, blonde of kastanjebruine haren), de Mediterrane variëteit (met taankleurige blanke
huid, langwerpig hoofd, donkere ogen, zwarte haren) en de Alpine variëteit (met
lichtbruine huid, breed hoofd, bruine of zwarte golvende haren). Hiernaast werden enkele
Noord- en Oost-Europese volkeren met bleekgele huid nog ingedeeld bij het gele ras, net
zoals men dat eerder al had gedaan.


Vele auteurs gingen nog een stapje verder. Zo is er een Nederlands handboek uit 1970
waarin de Nederlanders ingedeeld worden volgens drie grote Europese variëteiten: ten
noorden van de grote rivieren woont het Noordse ras, ten zuiden daarvan Alpine ras en
in Zeeland het Mediterrane type. In België bestond er een gelijkaardige traditie om de lijn
tussen twee variëteiten ter hoogte van de taalgrens te trekken. Wetenschappelijke basis
daarvoor was verstrekt door antropologen, zoals Houzé. Een uitgebreide opname in alle
Belgische provincies deed hem besluiten dat er niet zoiets bestond als een Belgisch ras en
dat Vlamingen en Walen tot een verschillend ras behoorden. De cefalische index lag in
Vlaanderen namelijk significant lager dan in Wallonië. De kortschedelige Walen hadden
dankzij hun verzet bij de invallen van de Franken geen invloed ondergaan van de



1 AA VS 2 234 © 2019 Arteveldehogeschool

Germaanse etnische kenmerken en hadden aldus hun Keltische eigenheid kunnen
behouden, in tegenstelling tot de langschedelige Vlamingen. Houzé verkondigde zelfs een
aangeboren inferioriteit bij de Vlamingen: “L’infériorité physique de la zone flamande est
un fait fortement marqué et indiscutable; I’infériorité intellectuelle est un fait notoire”.






























Figuur 150: De cefalische index per Belgische provincie
















Figuur 151: Het Vlaamse type (links) en het Waalse type (rechts)

De bevindingen van Houzé vonden al snel weerklank bij de opstellers van handboeken
aardrijkskunde. Zo noteerde men dat de Belgen tot twee grote families behoorden,
namelijk, de blonde familie heeft de overhand in Laag-België, vooral in Vlaanderen, en de
bruine familie in Hoog-België, vooral in de provincie Luik en de Ardennen. Dertig jaar later
ging men hier iets dieper op in: “In België vallen twee antropologische types te
onderscheiden, welke namelijk verschillen door den vorm van den schedel, de gestalte,
de huidskleur en de kleur der ogen; eveneens heeft men twee volkengroepen, met
verschillende mentaliteit, met geenszins verwante spraak, met verschillende
aardrijkskundige kenmerken”. De auteurs die ingingen op de etnische verschillen tussen
Vlamingen en Walen, beklemtoonden daarna telkens wel de eenheid van de Belgen: “De
vermenging der beide groepen is op onze dagen een schier voldongen feit: ‘t Belgisch volk
is een volk op zijn eigen, totaal verschillend van zijn naburen”. Op die manier
reproduceerden de handboeken uiteindelijk toch de traditionele politieke visie van de
unitaire Belgische staat.





1 AA VS 2 235 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Beschaafde en minder beschaafde rassen

De driedeling van de wereldbevolking stelt ook een karakterisering voor van de drie
onderscheiden rassen. Dat de auteurs het hebben over de kleur van de huid, de dikte van
de lippen of de baardgroei hoeft in eerste instantie nog niet te verbazen. Deze fysieke
kenmerken zijn namelijk inherent aan een antropometrische uitwerking van het
rassenbegrip. Anno 2006 kan het de lezer echter niet anders dan verwonderen dat de
verschillende rassen zelfs na de Tweede Wereldoorlog nog psychische eigenschappen
werden toegedicht. Zo lezen we dat het blanke ras veel geleerden heeft voortgebracht,
dat mensen met een gele huidskleur zeer geduldig zijn en dat de zwarten over het
algemeen minder hard werken dan de rest van de wereldbevolking.


Ook het onderstaande beeld windt er duidelijk geen doekjes om. De blanke man draagt
bijvoorbeeld een maatpak, de gele een karakterloze jas en de zwarte een strooien rokje.
De tekening toont verder dat blanken leven in rustige steden met kathedralen en statige
herenhuizen, terwijl gelen zich moeten redden in chaotische, overbevolkte straten met
houten huisjes. Zwarten moeten het dan weer stellen met kleine lemen hutjes, ergens in
het oerwoud, en houden zich de hele dag bezig met de meest elementaire menselijke
behoeftes: jagen, plukken en eten. De leerling kan op basis van zo’n figuur toch maar één
besluit trekken: het blanke ras staat het verst op de ladder van de evolutie, de zwarten
staan volledig onderaan. Dit is dan ook de gedachte die tot begin jaren ‘60 in handboeken
gepropageerd werd: “Nergens op de aardbol leeft er een ras, dat de geestesontwikkeling,
het vernuft der blanken evenaart” en “Van alle menschenrassen is het blanke ras het
beschaafdste”.























Figuur 152: De drie mensenrassen

Dergelijke teksten hadden ongetwijfeld een politiek doel voor ogen. Als Walen echt zo
superieur waren aan Vlamingen, dan mocht Houzé er toch wel voor pleiten om de
Nederlandse taal in België af te schaffen? En als blanken werkelijk zo beschaafd waren,
en niet-blanken absoluut niet, dan was het toch wel de taak van de blanke om de anderen
wat beschaving bij te brengen? In dit licht hoeft het niet te verwonderen dat de
handboeken zich zelden kritisch uitlieten ten opzichte van de kolonisatie. Integendeel,
vaak gaven ze deze zelfs een morele verantwoording mee. De stereotype beschrijving van
de Congolees in sommige handboeken moest bijvoorbeeld duidelijk maken dat




1 AA VS 2 236 © 2019 Arteveldehogeschool

kolonisatie niet alleen mogelijk was, maar ook wenselijk. De zwarte kon volgens
onderstaand citaat bijvoorbeeld niets uitvinden of verbeteren, dus zouden anderen hem
de beschaving moeten bijbrengen. Omdat hij wel snel kon imiteren wat anderen hem
voordeden, zou hij deze snel kunnen overnemen:

- De negers zijn weinig ontwikkeld: zij zitten gevangen in den slenter van oude
gewoonten. Iets uitvinden of verbeteren kunnen zij niet. Sinds eeuwen zijn er in
Congo behendige smeden, ervaren pottenbakkers, fijne vlechtsters; de bevolking
blijft verzot op ongekunsteld muziek en woeste dansen, waarbij men altijd
eenvoudige speeltuigen als gong, tamtam en alle slag van trommels uit
boomstammen vervaardigd, gebruikt. De neger heeft geen oefening gehad, geen
betrekking met meer ontwikkelde volkeren aangeknoopt, geen geschreven
boeken kunnen benutten en is daarom zeer verachterd gebleven. Zijn geheugen
is kort, behalve in gewone zaken, zijn inbeelding is sterk en slaat gemakkelijk tot
overdrijving over, zijn verstand neemt spoedig af met de jaren.
- De zwarte is een geboren handelaar, begaafd met de grootste vaardigheid in het
ruilen en verkopen. Gaarne trekt hij zeer verre naar de openbare markten om iets
te verhandelen en het nodige kleedsel te kopen.
- Hij heeft daarbij deze kostelijke begaafdheid dat hij spoedig kan namaken wat hij
zien voordoen heeft. Hij leert gemakkelijk allerlei ambachten en wordt
langzamerhand vatbaar voor hogere beschaving.


















Figuur 153: Bantoekinderen

▪ Yankees, eskimo’s en blambo’s: ze bestaan!

Zeggen dat er sindsdien niets veranderd is, zou afbreuk doen aan de belangrijke
vorderingen die gemaakt zijn sinds de dekolonisatie. Zo beweert geen enkel handboek
nog dat zwarten het minst beschaafd zijn, dat ze niets kunnen uitvinden of dat ze nooit
hard zullen werken. Even goed zal je nergens meer kunnen lezen dat er een significant
verschil zou zijn tussen de mentaliteit van een Vlaming en een Waal op basis van raciaal
bepaalde kenmerken. Terwijl er vroeger gesproken werd over “ongekunstelde muziek” en
“eenvoudige speeltuigen als gong, tamtam en alle slag van trommels”, hebben
handboeken het nu over “de originaliteit van instrumentatie en compositie” van
Afrikaanse muzikanten. Ook de fascinatie voor lichamelijke andersheid schijnt van de
baan. De aandacht die in 1982 nog gevraagd werd voor de huidskleur, het haar, de neus,
de lippen en de schedelvorm van een aantal gefotografeerde Bantoekinderen, lijkt
ondertussen iets uit een beschamend verleden. Toch is het zeker niet zo dat elementen



1 AA VS 2 237 © 2019 Arteveldehogeschool

uit de rassenleer volledig uit de handboeken verdwenen zijn. Tot vandaag blijft het
lesmateriaal verwijzen naar het blanke ras, het gele ras, het zwarte ras en allerlei
mengrassen. Deze verwijzingen komen vooral voor bij de bespreking van niet-Europese
samenlevingen. Bij de beschrijving van Latijns-Amerika nemen raciale kenmerken
bijvoorbeeld een belangrijke plaats in. Zo komen ze in Werelddelen 4 al als tweede punt
aan bod, na een korte situering van het wereldblok. De tekst verspreidt dezelfde ideeën
als de andere handboeken: “De Europese kolonisten vermengden zich met de indianen
en met de aangevoerde negerslaven zodat Latijns-Amerika zich kenmerkt door een
talrijke groep van mengrassen: mestiezen (Europees x indiaans), mulatten (Europees x
Afrikaans), zambo’s (indiaans x Afrikaans)”. Oudere handboeken deelden de indianen in
bij het gele ras en kwamen zo tot de klassieke classificatie in blanken, gelen en zwarten.


















Figuur 154: De mengrassen mulatten, mestiezen en zambo’s

Deze indeling wordt doorgaans ook op kaart gezet. Opvallend is het verschil in
cartografische voorstellingswijze. De linkse kaart maakt gebruik van taartdiagrammen per
land, de rechtse van vlakopvulling. Op die manier beklemtoont de linkse dat de
tegenwoordige samenstelling van de Latijns-Amerikanen een gevolg is van de vermenging
tussen de verschillende bevolkingsgroepen, terwijl de rechtse suggereert dat deze
volledig apart zouden leven.




























Figuur 155: De verspreiding van de rassen en talen in Latijns-Amerika






1 AA VS 2 238 © 2019 Arteveldehogeschool

In oude handboeken is het contrast tussen de raciale samenstelling van Latijns-Amerika
en Angelsaksisch-Amerika enorm groot. Zo noemen bepaalden de Rio Grande een
scheiding tussen blanken en mengrassen. Hierbij is Anglo-Amerika het deelcontinent van
blanken; de bevolking van Latijns-Amerika is de meest gevarieerde van alle werelddelen.
Iets verderop wordt Anglo-Amerika opnieuw een blank continent genoemd. De blanken
zouden er, nog volgens dezelfde bron, van het ‘Yankeetype’ zijn, bekend om zijn werklust,
het aandurven van risico’s, en vooral geloof in eigen mogelijkheden. De huidige
handboeken pakken het anders aan en zetten de raciale verschillen tussen de
bevolkingsgroepen juist wel in de verf. Met termen als ‘smeltkroes’ of ‘melting pot’ wordt
de aandacht gevestigd op de raciale diversiteit van de Amerikaanse bevolking. Om deze
te expliciteren, volgen de meeste auteurs een vereenvoudigde versie van de classificatie
in de officiële statistieken. Doorgaans wordt een vijftal groepen afgebakend: blanken,
zwarten, Aziaten, indianen en eskimo’s, en hispanics.













Figuur 156: De bevolkingssamenstelling van de VSA naar etnische groep of ras



▪ Yankees, eskimo’s en blambo’s: ze bestaan niet!

Deze indeling is niet zo vanzelfsprekend als ze op het eerste zicht lijkt. Ten eerste
combineert ze vermeende raciale verschillen met etnische. Het is vooral de opname van
de hispanics die het schema verwarrend maakt. De handboeken geven namelijk zelf aan
dat deze geen ras op zich zijn, maar een etnische groep: “Een andere belangrijke
minderheidsgroep, niet gebaseerd op raciale kenmerken, maar op hun Latijns-
Amerikaanse afkomst zijn de zogenaamde hispánico’s”.

De vraag is dan uiteraard of we de raciale kenmerken van Latijns-Amerikanen uit de
handboeken volledig moeten vergeten eens ze de grens met de VS oversteken. Blanken,
zwarten en indianen uit Latijns-Amerika kunnen meer naar het noorden blijkbaar toch
niet zomaar bij de lokale blanken, zwarten en indianen en eskimo’s geteld worden. Of je
nu volgens de Latijns-Amerikaanse classificatie een blanke, een gele of een zwarte bent
maakt helemaal niet uit. Eens de grens over, ben je sowieso een hispanic. Dat de
voorouders van de blanken uit beide wereldblokken grotendeels uit Europa kwamen, of
dat de zwarten in de Verenigde Staten én in Latijns-Amerika voornamelijk afstammen van
de dezelfde Afrikanen die ooit als slaaf zijn verscheept, doet er blijkbaar niet toe. In de
geest van de raciale classificaties is het bovendien opmerkelijk dat de hispanics in
verschillende handboeken blanken worden genoemd: “De hispanics zijn de
Spaanssprekende immigranten vanuit Latijns-Amerika. Het zijn voornamelijk blanken”.
Ook in de voorgaande figuren zijn er Hispánico’s en ‘andere blanken’. Volgens een van de
figuren zijn er in Mexico echter amper tien procent blanken of zelfs helemaal geen.



1 AA VS 2 239 © 2019 Arteveldehogeschool

Blijkbaar worden de talrijke mestiezen en indianen aan de grens op één of andere manier
witgewassen. Daarenboven is het vreemd dat er in de Verenigde Staten niet gesproken
wordt over mengrassen. Er zijn wel zwarten, blanken en indianen, maar geen mulatten,
mestiezen of zambo’s. Een leerling kan zich dan ook afvragen tot welke categorie het kind
van een zwarte en een blanke, of een eskimo en een hispanic behoort. Hetzelfde geldt
voor de Latijns-Amerikaanse classificatie. De leerling leert inderdaad wel dat een zwarte
vrouwen en indiaanse man een zambo ter wereld zuIllen brengen, maar wat als die zambo
besluit om kinderen te maken met een blanke? Moeten we die dan beschouwen als
blanken, zambo’s of blambo’s?


Bovenstaande denkoefening legt een belangrijk pijnpunt van het rasbegrip bloot. Dat
stamt volgens haar namelijk uit de tijd dat er gedacht werd dat rasvermengingen zouden
kunnen leiden tot lichamelijke en geestelijke verzwakkingen. De rassenleer gaat dan ook
ten onrechte uit van meestal drie zuivere, oorspronkelijke rassen, en in Latijns-Amerika
ook nog drie zuivere vermengingen. Met het voorbeeld van de blambo wilden we
aantonen dat er in de praktijk echter ontelbare mogelijkheden denkbaar zijn. Zo haalt
men ook aan dat in de Braziliaanse volkstelling van 1980 niet-blanke personen in totaal
maar liefst 136 verschillende termen gebruikten om hun huidskleur te benoemen. De
wetenschappelijke wereld bekritiseert de rassenleer dan ook omwille van essentialisme.
Hiermee bedoelen ze dat raciale classificaties foutief doen uitschijnen dat er een bepaald
aantal voorgegeven, zuivere en onveranderlijke rassen zouden zijn. Door aan te tonen dat
de classificaties in de V.5. en in Latijns-Amerika er in de handboeken anders uitzien,
demonstreerden we dat ras geen voorgegeven biologische realiteit is, maar een sociale
constructie. Ras en raciale classificaties blijken geen evidente, natuurlijke categorieën,
maar het product van menselijk denken. Het voorbeeld van de Mexicaanse indiaan die de
grens met de V.S. oversteekt en daar een blanke hispanic wordt, maakt dit overduidelijk.
Of je nu blank bent of niet hangt in dit soort van situaties niet af van je genetische
kenmerken, en ook niet direct van je huidskleur of schedelvorm, maar wel van de lokale
machtsverhoudingen. Als die, zoals in Latijns-Amerika, gedomineerd worden door een
kleine groep rijken, hangen klasse en etniciteit in sterke mate samen. De kleine groep met
de macht is er blank. Al de rest is dat niet. In zo’n samenleving kan het voor een ‘mesties’
of een ‘indiaan’ echter volstaan om ‘fatsoenlijk’ Spaans te spreken, ‘deftige’ kleren aan te
doen en eens naar de kapper te gaan om voortaan als ‘blanke’ door het leven te gaan. De
overgrote meerderheid zal deze kansen echter nooit krijgen, en zal de rest van de tijd dan
ook verder gediscrimineerd worden. Voor de Amerikaanse burgeroorlog was de situatie
in de VS gelijkaardig. Een kleine groep Angelsaksen was er blank, alle andere migranten
niet. Mettertijd werd het adjectief ‘blank’ echter ook van toepassing op migranten uit
Ierland en Zuid- en Oost-Europa. Op die manier ontstond er een raciale tweedeling:
blanken hadden de macht in handen en waren superieur, zwarten waren inferieur en
mochten als slaven behandeld worden. Met de massale komst van migranten uit Azië en
Latijns-Amerika vertroebelde deze dichotomie enigszins. De angst bestond dat blanken
wel eens in de minderheid zouden kunnen geraken, en zo hun dominante positie zouden
kwijtspelen, zeker in staten als Californië. Het feit dat hispanics tegenwoordig blanken
worden genoemd, en zichzelf ook als blanken beschouwen, bewijst dan ook dat de
Amerikaanse samenleving vermoedelijk nog een hele tijd gebukt zal gaan onder een
tweedeling tussen dominante blanken en gedomineerde zwarten. Doordat er in de



1 AA VS 2 240 © 2019 Arteveldehogeschool

Amerikaanse classificatie geen plaats is voor vermengingen tussen de verschillende
categorieën blijft de kloof tussen beide groepen zeer groot.

Alles bij elkaar genomen, moeten we besluiten dat het weinig zinvol is om in handboeken
te spreken van rassen en mengrassen. De gebruikte terminologie stamt namelijk uit een
tijdperk waarin wetenschappers beperkt waren tot een determinatie van de huidskleur
en een opmeting van de schedelomtrek. Termen als mesties of zambo negeren elke vorm
van wetenschappelijke vooruitgang in de genetica. Zeggen dat een mesties een
vermenging is van een indiaan en een blanke is even onwetenschappelijk als de
verwijzingen naar de fysieke en intellectuele superioriteit van de Walen, de luiheid van de
zwarten, de werklust van de Yankees of het korte geheugen van de Congolees. Het gebruik
van deze termen tot de op de dag van vandaag staat dan ook gelijk met het aanvaarden
en reproduceren van aangebrande ideeën van racistische wetenschappers uit de
negentiende eeuw.

In plaats van volledig te zwijgen over rassen, lijkt het ons daarom in de eerste plaats
essentieel om de fundamenten van de rassenleer in elk handboek te pareren. De
schoolaardrijkskunde moet in de toekomst meer een beroep doen op de vooruitgang in
de biochemie, zoals die in andere vakken wordt onderwezen. In plaats van te denken in
termen van huidskleur of schedelvorm, lijkt het ons in de eenentwintigste eeuw
aangewezen om het te hebben over genen en nucleotideparen. Op die manier, zo
beklemtoonde men dertig jaar geleden al in hun handboek, ligt de conclusie voor de hand:
“Biochemisch onderzoek relativeert sterk de betekenis van antropometrische indelingen
en het belang dat er vanuit wetenschappelijk standpunt mag aan gehecht worden”. Zo
wordt namelijk duidelijk dat de genetische variabiliteit tussen verschillende personen niet
op te delen valt in een aantal discrete groepen waar dan het label ‘ras’ op geplakt kan
worden. Genetisch gezien nemen we inderdaad wel verschillen waar tussen mensen,
maar die moeten eerder bekeken worden als een verschil tussen individuen in plaats van
tussen groepen van individuen.










Figuur 157: Gemiddeld aantal verschillende nucleotideparen in het DNA tengevolge van mutaties

Ten tweede lijkt het ons van belang om in handboeken aan te geven dat ras nog altijd wel
een sociale betekenis heeft. In veel samenlevingen worden mensen immers
gediscrimineerd op basis van hun vermeende raciale kenmerken. Overal ter wereld is ras
nog een realiteit in de betekenis van racisme en rassendiscriminatie. Het feit dat een
kleine groep blanken in Latijns- Amerika zich van de grote groep mestiezen en indianen
kan distantiëren wijst bijvoorbeeld op de onderlinge machtsrelaties in die samenleving.
Precies op dezelfde manier zien we dat hispanics in officiële tellingen in de V.S. een aparte
categorie zijn en dat er in België steeds meer gepraat wordt over blanken en bruinen. Om
die macht te behouden is het soms nodig om groepen op te nemen binnen het eigen ras
in plaats van ze af te stoten. Op die manier kunnen we begrijpen waarom een rijkere



1 AA VS 2 241 © 2019 Arteveldehogeschool

Spaanssprekende mesties een blanke kan worden in Latijns-Amerika, en waarom Ieren,
Zuid-Europeanen, hispanics en Aziaten mettertijd blanke Amerikanen werden. Om
dezelfde redenen karteerde men de verspreiding van de blanken op oudere raciale
kaarten tot in Ethiopië en over praktisch gans Amerika. Om duidelijk te maken dat blanken
effectief het meest beschaafd waren, was het nodig om aan te geven dat ze ook ruimtelijk
gezien het meest succesvol waren.


▪ Van ras naar cultuur

Zeggen dat de schoolaardrijkskunde zich volledig onafhankelijk van deze biochemische en
sociologische theorieën ontwikkelde, zou een leugen zijn. De wetenschappelijke kritiek
op de rassenleer zorgde er samen met de wansmakelijkheid van de 242ydro242ust en het
failliet van de kolonies voor dat de raciale classificatie steeds minder aandacht kreeg in
het onderwijs. De 242ydro242ust maakte benamingen zoals het Joodse ras of de
Germaanse variëteit totaal onaanvaardbaar, terwijl de dekolonisatie de relevantie van de
rassenleer verminderde, in die zin dat de superioriteit van het blanke ras niet meer moest
ingeroepen worden ter verantwoording van de koloniale onderneming. In de handboeken
van na 1960 stond er dan ook niet meer te lezen dat ontwikkeling, verstand, arbeidsethiek
of geduld raciale eigenschappen waren.


Deze evolutie zorgde er samen met de immigratie van arbeidskrachten uit landen als
Marokko en Turkije voor dat de focus gedeeltelijk verschoof van vermeende raciale naar
culturele verschillen. Cultuurgebonden kenmerken zoals godsdienst of taal kwamen plots
meer in de belangstelling te staan. Voor de handboeken maakten gastarbeiders onze
samenleving dan ook niet multiraciaal, wel multicultureel. Die aandacht voor
multiculturaliteit kwam er pas verrassend laat. Tot in de jaren ‘80 verschenen er
handboeken die met geen woord repten over immigranten. Ondertussen zijn handboeken
op basis van de leerplannen echter wel verplicht om uit te weiden over zogenaamd
multiculturele thema’s. In dit hoofdstuk zullen wij die fragmenten kritisch analyseren.


▪ Onze cultuur en de andere cultuur

We vertrekken hiervoor vanuit twee citaten uit handboeken:

“Sinds kort vinden we in ons stadslandschap ook cultuurelementen die ons wat vreemd
voorkomen: opschriften die we niet begrijpen, gebouwen waarvan we de functie niet goed
kennen. In sommige buurten treffen we mensen aan met een eigen buurtleven. We merken het
aan de mensen zelf (klederdracht, taalgebruik, sociaal leven, godsdienst) en aan de handels-
en dienstenfunctie (kruideniers, bakkers en slagers en horeca).”

“In het straatbeeld van vooral stedelijke gemeenten vallen de migranten afkomstig uit
Marokko en Turkije op. In sommige stadsdelen van onze grote steden vallen die migranten op
door hun andere cultuur, die op de islam steunt, wat zich soms uit in andere klederdracht en
andere gebruiken dan de onze. Hun andere cultuur kan bij de Vlaamse jeugd op respect
rekenen.”

In eerste instantie valt in beide tekstdelen de focus op andersheid op. De twee
handboeken wijzen bijvoorbeeld op andere gebruiken en andere klederdracht en




1 AA VS 2 242 © 2019 Arteveldehogeschool

hanteren in die context woorden als vreemd en opvallen. De platvloerse determinatie van
de andersheid van het lichaam van andere rassen lijkt op die manier vervangen te zijn
door een fascinatie voor kenmerken die eveneens rechtstreeks met het lichaam
verbonden zijn, zoals taal of klederdracht. In beide gevallen wordt de leerling
aangemoedigd om de verschillen tussen rassen of culturen op het lichaam af te leiden.

















Figuur 158: Vreemdelingenbuurt in het noordoosten van Parijs

Die lichamelijke andersheid, zo leert de leerling, maakt deel uit van een grotere
tweedeling tussen wij en zij, onze cultuur en de andere cultuur. Uit beide tekstfragmenten
spreekt namelijk een polariserende voorstelling van de culturele verhoudingen waarin ze
en hun lijnrecht staan tegenover we en ons, en waarin andere gebruiken niet te
vereenzelvigen vallen met de onze. Daardoor ontstaat de indruk dat de Vlaamse
samenleving bestaat uit twee culturen: onze cultuur en de andere cultuur. Deze twee
culturen worden essentialistisch ingevuld. Net zoals er in de rassenleer geen plaats was
voor vermenging tussen rassen, is er in dit denkkader geen plaats voor kruisbestuiving
tussen culturen. In de geest van de citaten word je in één cultuur geboren, en zal je in
diezelfde cultuur sterven. Culturen worden niet als dynamisch gezien, maar zitten
vastgeroest tot in het einde der tijden. Uitwisselingen tussen culturen zijn onbestaande.
Vreemdelingen blijven vreemdelingen. Bij deze uitgesproken tweedeling moeten we ons
als leraar de vraag stellen of we wel degelijk alle leerlingen aanspreken. De twee
geciteerde fragmenten sluiten vermoedelijk leerlingen uit doordat woorden als we en
onze niet van toepassing zijn op alle klasgenoten, maar alleen op de leerlingen die net
zoals hun voorouders in België zijn opgegroeid. Voor de meeste leerlingen van allochtone
afkomst zijn sommige van die andere gebruiken immers helemaal niet zo vreemd. Voor
sommigen zullen Arabische of Turkse opschriften ook niet zo moeilijk te begrijpen zijn.
Door de manier van aanbrengen worden zij dan ook niet betrokken bij de lesinhoud, om
niet te zeggen dat ze misschien wel verder gestigmatiseerd worden omwille van hun
vermeende vreemdheid en andersheid.


▪ Wereldblokken en vreemdelingenbuurten

De polarisatie tussen wij en zij, onze cultuur en de andere cultuur, krijgt in praktisch alle
handboeken een ruimtelijke component. Dit uit zich bijvoorbeeld in de opsplitsing van de
wereld in wereldblokken. Zo’n wereldblok wordt gedefinieerd als een onderdeel van een
werelddeel waarin levenswijze, ontwikkeling en cultuur ongeveer dezelfde zijn. Volgens
dezelfde bron kunnen we de wereldblokken of wereldzones dus ook cultuurgebieden
noemen; tussen die cultuurgebieden verschillen de cultuurelementen sterk van elkaar. De




1 AA VS 2 243 © 2019 Arteveldehogeschool

onderstaande figuur toont de indeling van de wereld volgens die definitie. Zo wordt het
duidelijk waarom Marokkanen en Turken in het tweede citaat opvallen door hun andere
cultuur, terwijl de vele migranten uit Italië, Spanje of Griekenland dat niet doen. Marokko
en Turkije liggen in een ander wereldblok, Italië, Spanje en Griekenland niet.






























Figuur 159: Wereldblokken op de wereldkaart

De gebruikte indeling toont de polarisatie scherper dan ze in werkelijkheid is. Zo wonen
zeker niet alle moslims in de Islamitische Wereld. Alleen al in Indonesië zijn er ongeveer
215 miljoen, in Bangladesh 125 miljoen en in India 140 miljoen. Tel dit bij de miljoenen
moslims in onder meer China, Rusland, Europa en Oost-Afrika en wellicht moeten we
besluiten dat er meer moslims buiten de Islamitische Wereld wonen dan erin. Binnen die
Islamitische Wereld zijn er dan ook nog eens veel mensen die geen moslim zijn. Denken
we maar aan de Joden in Israël, de tien miljoen Kopten in Egypte of de zes miljoen
christenen in Zuid-Soedan. Ook in landen als Libanon, Irak of Syrië zijn er christelijke
gemeenschappen met telkens meer dan een miljoen leden.


Een gelijkaardige uitvergroting van dezelfde tweedeling vinden we terug op het niveau
van de stad. Multiculturaliteit is volgens de handboeken enkel een stedelijk fenomeen.
Het wordt besproken onder titels als ‘Brussel, multiculturele hoofdstad’ of ‘etnische en
sociale verschillen in grote steden’. De twee citaten in de vorige paragraaf plaatsen de
cultuurelementen die ons wat vreemd voorkomen ook in ons stadslandschap of onze
grote steden. Handboeken hebben het binnen de steden over een vreemdelingenbuurt,
een gastarbeidersbuurt, woonbuurten van migranten en arbeiderswijken van de
autochtonen, alsof er in Brussel of Antwerpen buurten zijn waar alleen maar autochtonen
of allochtonen wonen. De polarisatie wordt op die manier wel enorm groot.

Het problematische aan deze aanpak is dat enkel (bepaalde buurten in) de stad, en niet
de volledige samenleving, multicultureel worden genoemd. Voor de handboeken zijn
Brussel en Antwerpen bijvoorbeeld wel multiculturele steden, maar is België op zich geen
multicultureel land. De gebieden buiten de steden worden immers nog steeds




1 AA VS 2 244 © 2019 Arteveldehogeschool

monocultureel afgeschilderd. Op die manier dagen de teksten de leerling in Zwevezele of
Zichen-Zussen-Bolder niet uit om zijn of haar verantwoordelijkheid op te nemen in het tot
stand komen van een verdraagzame samenleving.



















Figuur 160: Gastarbeidersbuurt in Brussel (links) en woonboorten voor migranten (rechts)

Die noodzaak is er echter. Onderzoek toonde immers aan dat etnocentrisme en
discriminatie geen exclusief stedelijke fenomenen zijn. Integendeel, het lijkt zelfs een
groter probleem in de suburbane verkavelingen en op het platteland dan in de stad zelf.
Allochtonen die in de stad wonen zullen ook buiten die stad komen om er te werken of te
recreëren. Door het spreidingsbeleid van asielzoekers en de beginnende suburbanisatie
van allochtonen wonen er ook steeds meer ‘anderen’ buiten de steden. Een studie toonde
aan dat Marokkaanse vrouwen die in suburbanisatiegemeenten wonen het lastig hebben
om sociale contacten te leggen. Ze krijgen moeilijk toegang tot het gemeenschapsleven
en worden niet op buurtfeesten gevraagd. “De mensen hebben echt angst, dat ge niet
deugt zeker, ik weet het niet, maar ze zoeken ook geen contact met u”, aldus een
Marokkaanse vrouw. Deze xenofobie uit zich ook in de angst van vele niet-stedelingen
voor de stad. Interviews met leerlingen uit Haacht maakten duidelijk dat sommigen van
hen steden als Mechelen vermijden omdat ze zich onveilig voelen door de aanwezigheid
van groepjes Marokkanen in het straatbeeld. Een leerling verwoordde het als volgt: “Ge
gaat u toch altijd iets onveilig voelen. Allez, als het nu donker is buiten en er staat zo een
groepje Marokkanen of weet ik veel wat, en ge loopt daar voorbij. Dan gaat ge u toch
altijd onveilig voelen”.

▪ Van Joegoslavië tot Borgerhout: botsende culturen

De plaatsen waar allochtonen en autochtonen samenwonen, staan in de handboeken
bekend omwille van hun conflicten. Deze worden voornamelijk toegeschreven aan het
samenleven van mensen met een verschillende cultuur. Geo vergelijkt de situatie bij ons
met landen zoals Joegoslavië, waar ‘volkeren met verschillende taal, cultuur en
godsdienst in eenzelfde land leven’. ‘Als in eenzelfde land groepen wonen met
verschillende taal of cultuur’, zo stelt het handboek vast, ‘dan kan dat aanleiding geven
tot conflicten.


Ook in Brussel wonen mensen met verschillende culturen. Ook daar kunnen dus volgens
het handboek conflicten verwacht worden. Geo vindt het wel belangrijk om een
onderscheid te maken tussen twee groepen: ‘Enerzijds de inwijkelingen uit onze
buurlanden, door hun taal, welvaart, levenswijze verschillen ze weinig van de meeste



1 AA VS 2 245 © 2019 Arteveldehogeschool

autochtonen en ze vallen weinig op. Anderzijds Marokkanen en Turken, waarbij sommige
Oost- en Zuid-Europese migranten aansluiten. Door hun andere levenswijze, taal en
cultuur komen ze soms in conflictsituaties tegenover de Belgen’. De boodschap is
duidelijk: Turken en Marokkanen zijn anders, zij hebben een andere cultuur. Met hen
samenleven levert dus conflicten op. Andere handboeken bevestigen die these. ‘In welke
omstandigheden bestaan er kansen op conflicten tussen jongeren en andere bewoners
van een wijk?’ Het antwoord: ‘Vooral op plaatsen waar een verschil in cultuur gebonden
is aan een lagere welvaart kunnen spanningen tussen allochtonen en autochtonen
ontstaan’.


Sommige handboeken gaan zelfs zo ver om de oorzaken van conflictsituaties bij de
aanwezigheid van vreemdelingen zelf te zoeken: ‘In Brussel zijn er ernstige problemen
vanwege het grote absolute aantal vreemdelingen. De concentratie van Marokkanen in
Borgerhout veroorzaakt ook spanningen met de autochtone bevolking in Antwerpen’.
Wereldvisie 2 gaat dezelfde tour op door een artikel uit Knack te citeren: “Bij een
schietpartij en daarop volgend protest van jonge migranten kwamen de onderliggende
problemen van de buurt weer in beeld. Meer dan 60% van de bewoners zijn migranten.
Bij de vreemde bevolking domineren de Marokkanen het straatbeeld. Men telt er liefst
38 nationaliteiten, waaronder ook tal van Afrikaanse vluchtelingen’.

Dat het ook anders kan, wordt nog op dezelfde pagina van dat handboek bewezen. In het
citaat zelf gaat het iets verder al over werkloosheid, verloedering en een falend
jeugdbeleid. Elders op de pagina worden de conflicten teruggebracht tot
huisvestingsproblemen en jobonzekerheid: ‘De slechte woonomstandigheden en de hoge
werkloosheid in deze buurten brengen spanningen met zich mee’. Of nog: ‘In gebieden
waar veel migranten wonen kunnen conflicten voorkomen tussen mensen van het
gastland en migranten. Het kernprobleem is dat de migranten tot de arme
bevolkingsgroep behoren’. Zeggen dat conflicten voortkomen uit werkloosheid,
verloedering of armoede is al helemaal iets anders dan zeggen dat ze het gevolg zijn van
de botsingen tussen culturen of het geconcentreerd voorkomen van vreemdelingen.

Wij denken dan ook niet dat de spanningen en de conflicten tussen allochtonen en
autochtonen doodgezwegen moeten worden, wel dat ze in een breder socio-economisch
kader moeten worden geplaatst. Bovendien lijkt het ons noodzakelijk om thema’s als
xenofobie, racisme en discriminatie in handboeken aan te kaarten. In deze materie zijn
alle handboeken het namelijk roerend eens: conflicten kunnen toegeschreven worden
aan het geconcentreerd voorkomen van vreemdelingen, aan hun andere cultuur, aan hun
werkloosheid of aan hun armoede, maar niet aan onze onverdraagzaamheid, onze
xenofobie of ons racisme. Want, ‘hun andere cultuur kan bij de Vlaamse jeugd op respect
rekenen’.

▪ Geen aandacht voor discriminatie

In geen enkel handboek worden discriminatie of racisme in België aangehaald, laat staan
in verband gebracht met de arbeids- of huisvestingssituatie van migranten of met de
eerder beschreven samenlevingsproblemen. Bekijken we bijvoorbeeld enkele citaten in
verband met de woonproblematiek: ‘In de centrale wijken en langs de vroegere



1 AA VS 2 246 © 2019 Arteveldehogeschool

industriële as gekenmerkt door verouderde woningen kwamen de gastarbeiders uit de
Maghreblanden en Turkije terecht’, ‘Het comfort dat ze bieden trekt de Belgische
bevolking niet aan zodat deze woningen stelselmatig ingenomen worden door
vreemdelingen, in het bijzonder gastarbeiders’, ‘De leegstand en de aanwezigheid van
oude woningen trekken vreemdelingen en armeren aan’. Werkwoorden zoals
terechtkomen, innemen en zeker aantrekken verbloemen de situatie. Vreemdelingen
kiezen in eerste instantie niet actief voor de wijken met de minste woonkwaliteit. Zij
worden vanuit hun achterstandspositie gedwongen om hun intrek te nemen in de
goedkoopste en dus de slechtste woningen. De enige tekst die de huisvestings-
problematiek vanuit dit standpunt belicht, vonden we in Algemene Aardrijkskunde:
‘Vooral de socio-economische status, ook die van de vreemdelingen, bepaalt de plaats die
de bevolkingsgroepen in de stad kunnen of moeten innemen”. En over de
renovatieprojecten in de kernstad: “Heel wat minder gegoede gezinnen zijn gedwongen
te verhuizen naar de armste wijken in de stad. Veel vreemdelingen zijn in dat geval’.



































Figuur 161: Verkrotting en armoede in kansarmebuurten
Dat migranten in hun zoektocht naar een woonplaats regelmatig botsen op discriminatie
of xenofobie, blijft in de handboeken buiten beeld. Enkel in de teksten over segregatie in
andere landen vormen racisme en discriminatie een aandachtspunt. Zo verwijst
Wereldvisie bij de bespreking van de Verenigde Staten naar discriminatie als bron van
conflicten tussen verschillende rassen: ‘Het samenleven van de verschillende
bevolkingsgroepen blijkt nochtans niet altijd even gemakkelijk te zijn. Er is nog steeds
rassendiscriminatie en de sociale ongelijkheid blijft groot’. Ook de rol van racisme bij het
tot stand komen van segregatie blijft niet onbesproken: ‘In het noordoostelijk deel van
Manhattan wou de blanke bevolking, door de komst van etnische minderheden in Harlem,
daar niet meer wonen en ze verhuisde. De minderheidsgroepen op hun beurt zijn in een
andere wijk niet welkom, men weigert aan hen een huis te verhuren in een andere wijk’.




1 AA VS 2 247 © 2019 Arteveldehogeschool

Zijn er in België dan geen mensen die een huis weigeren te huren aan vreemdelingen?
Heeft de voortdurende discriminatie geen rol in de achterstelling van migranten? Ligt
vreemdelingenhaat bij ons soms ook niet aan de basis van conflicten?. Het feit dat
leerlingen enkel met discriminatie geconfronteerd worden bij de bespreking van andere
landen, brengt hen echter ongetwijfeld tot de gedachte dat racisme en xenofobie in ons
land niet voorkomen. Het doodzwijgen of ontkennen van discriminatie en
vreemdelingenhaat is dan ook problematisch. Allochtonen moeten zo snel mogelijk
Nederlands Ieren, zij moeten beter hun best doen op school, zij moeten hun kinderen
beter in de gaten houden en zij moeten maar actief op zoek gaan naar werk. Wij
daarentegen moeten niets. Als we echt willen komen tot een verdraagzame samenleving
kunnen we het ons echter niet veroorloven dat jonge mensen geen kennis hebben van de
nefaste gevolgen van vooroordelen, stigmatisatie en discriminatie. Integratie moet van
twee kanten komen.

▪ Besluit


Vroeger was de aandacht voor raciale verschillen in de handboeken aardrijkskunde enorm
groot. Wanneer we die fragmenten vandaag overlopen, steigeren we. Een leraar die
vandaag nog verkondigt dat Vlamingen en Walen verschillen door hun schedelvorm, hun
huidskleur en hun mentaliteit of dat negers minder hard werken, en dat ze niets kunnen
uitvinden, wordt aangeklaagd door het Centrum voor Gelijke Kansen en
Racismebestrijding. In de tekst maakten we duidelijk dat dergelijke uitspattingen steunen
op huidskleurdeterminaties en schedelmetingen. Aanknopingspunten met de
wetenschap zoals die vandaag wordt bedreven zijn ver te zoeken. Daarom pleiten wij
ervoor om elke verwijzing naar rassen in de handboeken te verwijderen en te vervangen
door een weerlegging van het rasbegrip op basis van argumenten uit de erfelijkheidsleer
en de biochemie, zoals die in andere vakken worden onderwezen, en een sterkere focus
op de sociale betekenis van ras in de zin van rassendiscriminatie.

Vanaf de jaren ‘60 nam de aandacht voor de rassenleer sterk af, weliswaar zonder ooit
volledig uit de handboeken te verdwijnen. Tegelijkertijd groeide de belangstelling voor
culturele verschillen. Cru gezegd komt het erop neer dat een focus op taal en klederdracht
het gebruik van huidskleur en schedelvorm steeds meer verdrong. In eerste instantie lijkt
deze verschuiving van ras naar cultuur toe te juichen, ware het niet dat de handboeken
voor een groot stuk in dezelfde val trapten. Want net zoals de raciale classificaties foutief
deden uitschijnen dat er een bepaald aantal voorgegeven zuivere en onveranderlijke
rassen zouden zijn, suggereren de indelingen van de wereld in wereldzones of
cultuurgebieden dat er een beperkt aantal onafhankelijke en losstaande culturen bestaan.
En net zoals er in de rassenleer geen ruimte was voor vermengingen tussen verschillende
rassen, is er in de indeling in culturen geen plaats voor kruisbestuiving tussen
verschillende culturen. Voor de leerling zijn beide classificaties met andere woorden even
essentialistisch.


Het gevolg hiervan lijkt ons nefast. Leerlingen krijgen nog altijd een polariserend
wereldbeeld opgedrongen zonder daar ooit kritisch over na te moeten denken. Nergens
worden ze aangemoedigd om tot het inzicht te komen dat schijnbaar neutrale termen




1 AA VS 2 248 © 2019 Arteveldehogeschool

zoals blank, Europees of islamitisch niet overal dezelfde betekenis hebben en een
geschiedenis met zich meedragen van insluiting en uitsluiting. Nooit worden ze
aangespoord om in te zien dat de schijnbaar neutrale kennis die ze voorgeschoteld krijgen
een standpunt inhoudt. De kritiek dat de geografie geen wereldburgers vormt, maar een
wereldbeeld oplegt, gaat dan ook nog steeds op. Om dit wereldbeeld aan te scherpen is
een realistische en positieve beeldvorming relevant.


8.3.4 Op naar een realistische en positieve beeldvorming
Het groeien naar een realistische en positieve beeldvorming dient te gebeuren door:


e
▪ Ophouden met reproduceren van de raciale indelingen uit de 19 eeuw
De gehanteerde classificaties stammen namelijk uit een tijdperk waarin wetenschappers
beperkt waren tot een determinatie van de huidskleur en een opmeting van de
schedelomtrek. Ondertussen is het echter duidelijk geworden dat deze antropometrische
indelingen wetenschappelijk gezien weinig betekenis hebben. Handboeken moeten dan
ook duidelijk maken dat het onmogelijk is om de mensheid op te delen in een discreet
aantal zuivere en onveranderlijke rassen, mengrassen en subrassen in plaats van het nog
steeds te hebben over blanken, zwarten, gelen, zambo’s en mulatten. Enkel in de context
van xenofobie en racisme kan het over dergelijke groepen gaan. Dat er geen natuurlijke
grond is om te spreken van rassen, betekent immers nog niet dat de begrippen geen
sociale betekenis kunnen hebben.

▪ Geven van genuanceerde informatie


Als je als leerkracht bijvoorbeeld spreekt over kleding of woningen van andere volkeren,
spreek je beter over de kleding die nu dagelijks door de mensen wordt gedragen en over
de woningen zoals die er nu uitzien, eerder dan over hoe deze er vroeger uitzagen. Louter
en alleen de meest armzalige toestanden beschrijven is onvolledige informatie geven.
Bovendien hebben kleding en woning in veel andere landen een totaal andere functie dan
bij ons. Vergelijken van onze situatie met de situatie in die andere landen is niet zinvol
zonder verwijzing naar die andere functie. Doorheen alle inhouden zou deze rode draad
moeten lopen: in de kennismaking met het dagelijks leven van de mensen merken we dat
daar ook geleefd, gefeest, gegeten, e.d. wordt. Het accent wordt niet gelegd op alles wat
er niet is, op alles wat fout is. Het is immers ook de bedoeling dat kinderen/jongeren zich
eens kunnen inleven in die wereld want dan pas wordt dit heel erg duidelijk. Voor de
leerkracht die informatie doorgeeft aan een groep zijn volgende criteria waardevol:
- Zorg er op de eerste plaats voor dat de informatie juist en precies is (ze mag dus
bijgevolg niet gebaseerd zijn op mythen).
- De gevonden informatie dient actueel te zijn. Dus informatie zoals Indianen met

veren, een inwoner uit Kongo met een strooien rokje is verouderd.
- De gegeven informatie moet zo volledig mogelijk zijn (naast arme mensen, heb je ook
een middenklasse en rijke mensen).
- Probeer aandacht te hebben voor het gewone. Vb. polygamie is eerder uitzondering
dan regel, dus kan je daar beter de nadruk niet op leggen.






1 AA VS 2 249 © 2019 Arteveldehogeschool

- Besteed aandacht aan de maatschappelijke context. Een cultuurelement staat niet
op zich, maar staat in verband met een ruimere sociale context.
- Onverantwoord veralgemenen is niet zinvol. Elke cultuur heeft haar specificiteit.
- Probeer de leerlingen tot een kritische houding te brengen, zelf een oordeel te leren
vellen, zonder te moraliseren.
- Praat niet enkel over de problemen. Mensen uit Afrika, Latijns-Amerika zijn niet enkel
slachtoffers.
- Wijs tenslotte op een aantal oorzaken van die wantoestanden.

▪ Correct taalgebruik

Omdat het woordgebruik vaak een houding weerspiegelt is letten op het taalgebruik
evenzeer belangrijk:
- Het gebruik van verkleinwoorden houdt onderwaardering in, bv. arme zwartjes.
- Beladen termen worden beter vermeden en vervangen door de juiste, bv. gebruik
liever dorpschef in de plaats van opperhoofd.
- Praten in termen van achterstand komt soms denigrerend over, bv. ze koken nog op
houtvuurtjes, beter is ‘er wordt gekookt op houtvuurtjes’. Hetzelfde geldt voor
primitief tegenover ambachtelijk of traditioneel.

▪ Vermijden van een polariserende voorstelling van de culturele verhoudingen

Handboeken schetsen nog al te vaak een beeld van een biculturele samenleving, waarin
wij staan tegenover zij, waarin onze gebruiken niet te vereenzelvigen zijn met die van hen,
en waarin wijken van autochtonen naast vreemdelingenbuurten liggen. Zo’n tweedeling
camoufleert elke vorm van nuance. Er is geen aandacht voor de verschillen binnen die
grote groep anderen. Turken en Marokkanen worden over dezelfde kam geschoren en
van Berbers of Arabieren is er al helemaal geen sprake. Verder leeft er in het denkkader
niemand tussen twee culturen in. Na al die jaren blijven gastarbeiders gastarbeiders, en
Belgen Belgen. Dat culturen onderhevig zijn aan veranderingen, en dat er ook verschillen
zijn binnen al die afgebakende culturen blijft buiten beeld.


▪ Vermijden van het wij-perspectief

Terwijl we het vijftig jaar geleden hadden over het blanke ras, waartoe wij behoren, wijzen
we nu op cultuurelementen die ons wat vreemd voorkomen, opschriften die we niet
begrijpen, gebouwen waarvan we de functie niet goed kennen en andere gebruiken dan
de onze. Dergelijke teksten betrekken niet alle leerlingen bij de lesinhoud. Ze spreken
alleen de autochtone leerlingen aan, niet de kinderen wiens ouders of grootouders naar
België migreerden. Om van alle leerlingen wereldburgers te maken zal het nodig zijn om
de evidentie van het wij-discours te verlaten.

▪ Bestrijden van elke vorm van discriminatie


Racisme en xenofobie zijn termen die de handboeken wel gebruiken, maar enkel
toepassen op samenlevingen in andere landen. In de Belgische context wordt er nergens
melding gemaakt van vreemdelingenhaat of racisme. Aannemen dat België een




1 AA VS 2 250 © 2019 Arteveldehogeschool


Click to View FlipBook Version