The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Geografie Arteveldehogeschool, 2020-09-24 14:01:29

Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920

Figuur 93: Indeling van de bebouwing volgens spreiding

6.4.3 Bebouwde kernen

6.4.3.1 Leerplandoel
(2.1) In de bebouwing op basis van terreinwaarnemingen in de eigen leefruimte en/of
luchtfoto’s bebouwde kernen herkennen.


6.4.3.2 Begripsomschrijving
Bebouwing komt niet willekeurig gespreid over het landschap voor. Tegenover de open
ruimte met verspreide bebouwing komt de bebouwing vooral geconcentreerd voor. Die
concentraties van bebouwing noemen we bebouwde kernen. De verschillende
handboeken aardrijkskunde gebruiken verschillende definities:
- Zenit 1: Concentratie van bebouwing
- Geogenie 1 LWB: Aaneengesloten percelen met een gebouw
- Geogenie 1 LB: Aaneensluiting van geconcentreerde bebouwing.
- WDM 1: Het geheel van aaneensluitende bebouwing


Het ADSEI (voorheen: NIS) heeft het over een woonkern i.p.v. over een bebouwde kern.
Voor ADSEI is een woonkern “het landschapsdeel dat aaneensluitend (continu) bebouwd
is door huizen met hun hovingen, openbare gebouwen, kleine industriële of
handelsuitrustingen met inbegrip van de tussenliggende verkeerswegen, parken,
sportterreinen, enz. Het wordt begrensd door landbouwgrond, bossen, braak, en woeste
gronden, waartussen zich eventueel een ‘verspreide bewoning’ bevindt.” Echter, omdat
niet alle gebouwen woningen zijn, verkiezen we om didactische redenen het begrip
bebouwde kern boven woonkern van het ADSEI.


6.4.3.3 Didactische verwerking
OPDRACHT
Baken op de plattegrond de bebouwde kern correct af. Maak een passende legende op.








1 AA VS 2 151 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 94: Begrenzing van de bebouwde kern

6.4.3.4 Bedenkingen en nuanceringen bij de afbakening
Als drempel om een bebouwde kern af te bakenen, werd de grens van 200m ingesteld.
200m is de norm aanbevolen door de Verenigde Naties voor het afbakenen van
agglomeraties en die ook binnen ander grote Europese of mondiale projecten gehanteerd
wordt. Met andere woorden, enkele gebouwen die minder dan 200 m verwijderd liggen
van de kern, worden er bij gerekend. Men kan echter argumenteren om voor Vlaanderen
de drempel van 100m of zelfs 50m te hanteren. Immers, bij hantering van de 200m-
drempel groeien vele woonkernen vandaag de dag aan elkaar en zullen de kernen nog
groter worden. De 100m-drempel zou het aantal grote bebouwde kernen doen
verminderen.

Het ADSEI gebruikt de grenzen van statistische sectoren als begrenzing van woonkernen.
Echter, die sectoren werden het laatst in 2001 geactualiseerd en corresponderen al niet
meer met de expansie van de bebouwing anno 2014. Bepaalde delen van statistische
sectoren van de woonkernen zijn niet bebouwd, of omgekeerd vallen nieuwe wijken
buiten de woonkernen.

6.4.4 Bevolkingsdichtheid


6.4.4.1 Leerplandoel
(1.3)(V) Uit de vergelijking van orthofoto’s met kaarten van bevolkingsdichtheid het
verband tussen dichtheid van bebouwing en bevolkingsdichtheid afleiden.


6.4.4.2 Begripsomschrijving
Mensen wonen in woningen. De meeste gebouwen zijn woningen. Er moet dus een
verband bestaan tussen de bebouwingsdichtheid en de bevolkingsdichtheid.





1 AA VS 2 152 © 2019 Arteveldehogeschool

Tabel 9: Verband tussen type bebouwing en bevolkingsdichtheid volgens Zenit 1
Soort bebouwing Bevolkingsdichtheid Aandeel aantal gevels

Gesloten bebouwing Zeer hoog of > 1000 inw/km² 75%-100% tweegevelwoningen
Halfopen bebouwing Hoog of 500-1000 inw/km² 50-75% tweegevelwoningen
Open bebouwing Matig of 250-500 inw/km² 30-50% tweegevelwoningen
Verspreide bebouwing Laag of < 250 inw/km² <30% tweegevelwoningen


6.4.4.3 Didactische verwerking
OPDRACHT

Ga voor de stadsdelen in de onderstaande tabel op zoek naar de bevolkingdichtheid.
Noteer de waarden voor een gemeente uit het Brusselse gewest. Gebruik je atlas.


Tabel 10: Bevolkingsspreiding in de stad, toegepast op Brussel













6.4.5 Structuur van een bebouwde kern


6.4.5.1 Leerplandoelen
(2.1) In de bebouwing op basis van terreinwaarnemingen in de eigen leefruimte en/of
luchtfoto’s bebouwde kernen herkennen.
(2.2) Op basis van terreinwaarnemingen in de eigen leefruimte en/of luchtfoto’s de
bebouwde kernen structureren en daarbij het centrum onderscheiden van wijken met
andere functies.

6.4.5.2 Begripsomschrijving
De ruimtelijke structuur van een bebouwde kern bestaat uit een centrum met daar rond
wijken.

6.4.5.3 Didactische verwerking
Doelstelling is om transecten en landschapscoupes te maken door de bebouwing in de
eigen leefruimte van het centrale deel naar de rand en naar de open ruimte toe, waarbij
de leerlingen bebouwde kernen kunnen onderscheiden en binnen die bebouwde kernen
een verscheidenheid kunnen vaststellen.


6.4.6 Het centrum van een bebouwde kern

6.4.6.1 Leerplandoel
(2.3) Op het terrein de functies van het centrum van de eigen leefruimte uit hun uitzicht
afleiden. Vervolgens op een kaart of stratenplan het centrum kunnen afbakenen op basis
van de concentratie aan handel en diensten.



1 AA VS 2 153 © 2019 Arteveldehogeschool

6.4.6.2 Begripsomschrijving
Tot de functies van het centrum van een bebouwde kern behoren in eerste instantie de
handels- en dienstenfunctie. Het doel is om op basis van het uitzicht van de gebouwen
deze functies af te leiden en aldus de concentratie van handel en diensten in het centrum
vast te stellen. De grens van het centrum bevindt zich vervolgens daar waar je
vertrekkende van de centrale plaats drie opeenvolgende gebouwen tegenkomt die geen
handels- of dienstenfunctie hebben, maar bijvoorbeeld wel de woonfunctie. De
woonfunctie is in het centrum van een bebouwde kern immers van minder belang. Langs
uitvalswegen en in de stadsrand van de stedelijke kern komen concentraties van
grootwarenhuizen en grote ketenwinkels voor die regiogebonden zijn. We noemen het
secundaire handelscentra.


6.4.6.3 Didactische verwerking
OPDRACHT
Duid op het onderstaande kadasterplan met een rode lijn het centrum van de bebouwde
kern aan. Hou hiervoor rekening met de volgende tips: (1) het centrum wordt gekenmerkt
door een concentratie van handel en diensten, (2) buiten het centrum bevinden zich
voornamelijk woonwijken, en (3) wanneer je vertrekkende van de centrale plaats van het
centrum drie opeenvolgende gebouwen vindt die geen handels- of dienstenfunctie
hebben, maar wel woonfunctie, dan mag je de grenslijn van het centrum tekenen



































Figuur 95: Kadasterplan van een bebouwde kern

OPDRACHT
Noteer in de pijlen op volgende tekening wat er toe/afneemt in de bebouwde kern van de
rand naar het centrum toe. Kies uit: bouwhoogte, werkgelegenheid, winkels & diensten,
verkeer, groen, bouwdichtheid, oude gebouwen, halfopen/open/gesloten bebouwing.




1 AA VS 2 154 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 96: Functies in de bebouwde kern


6.4.6.4 Kritische bemerkingen
Coupes van de skyline van steden, zoals hierboven, suggereren vaak dat de bouwhoogte
en de bevolkingsdichtheid afnemen van het centrum naar de periferie van de stad. Deze
ste
situatie gold wel tot het midden van de 20 eeuw, maar door het verschijnen van hoge
kantoorgebouwen bij stations en aan ringlanen en de ontvolking van de stadscentra is de
bevolkingsdichtheid nu veelal het hoogst in de dichtbebouwde stedelijke wijken rond de
stadscentra geldt dat oude profiel niet meer.

6.4.7 Soorten bebouwde kernen


6.4.7.1 Leerplandoelen
(3.1) Op basis van terreinwaarnemingen, landschapsbeelden en topografische
waarnemingen een stedelijke kern, verstedelijkte kern en plattelandskern onderscheiden.
(3.2) (V) Een vergelijking maken tussen een centrum van een stad en het centrum van de
verstedelijkte kern of plattelandskern en daaruit een verschil in aantrekkingskracht naar
de omgeving afleiden.


6.4.7.2 Begripsomschrijving
In de didactische wenken van het leerplan worden de criteria voor indeling van de
bebouwde kernen en vergelijking van het centrum geformuleerd. Er staat immers
vermeld dat de leerlingen op basis van de uitgestrektheid van de bebouwing en de aard
en de verscheidenheid aan handel en diensten een onderscheid moeten kunnen maken
tussen een stad of stedelijke kern, een verstedelijkte kern en een plattelandse kern, en
dat de leerlingen een stedelijk centrum met een verstedelijkt of plattelandscentrum op
basis van deze criteria moeten kunnen onderscheiden en de verschillen in
aantrekkingskracht moeten kunnen afleiden. De criteria zijn dus: uitgestrektheid van het
centrum, aantal en verscheidenheid aan functies, verschillen in werkgelegenheid en
verplaatsingen.




1 AA VS 2 155 © 2019 Arteveldehogeschool

Op basis van de uitgestrektheid van de bebouwing en de aard en de verscheidenheid van
handel en diensten kunnen we drie soorten van bebouwde kernen onderscheiden:

- Plattelandse bebouwde kern: In de plattelandse bebouwde kern, kortweg
plattelandse kern, is de geconcentreerde bebouwing beperkt. Dit zijn kernen met een
klein bevolkingsaantal en weinig uitgestrekt in oppervlakte. Je vindt er weinig
appartementen maar veel eengezinshuizen en boerderijen. Tussen de
landbouwgronden en bossen komt er verspreide bebouwing voor. Langs de
invalswegen tref je kleine stukjes lintbebouwing aan. Het aanbod aan handel en
diensten is gering. De inwoners moeten zich verplaatsen voor onderwijs, winkels enz.
Met de oprukkende bebouwing wordt de open ruimte almaar schaarser, ook op het
platteland. Steeds meer groeperingen zetten zich in voor het behoud van open
ruimte en groen. Open ruimte wordt een waardevol, duurzaam bezit.
- Verstedelijkte bebouwde kern: In de verstedelijkte bebouwde kern, kortweg
verstedelijkte kernen, neemt de geconcentreerde bebouwing meer open ruimte in.
Qua inwonersaantal en qua oppervlakte zijn deze kernen een tussenvorm tussen
plattelandse en stedelijke kernen. In het centrum domineert de gesloten bebouwing.
Aan de rand vindt men veelal lintbebouwing en verkavelingen met zowel gesloten,
als halfopen en open bebouwing. Een verstedelijkte woonkern heeft een ruim
aanbod aan handel en diensten. Toch moeten de inwoners zich voor meer
gespecialiseerde functies verplaatsen naar de stedelijke kern. De meeste
middelgrote bebouwde kernen in Vlaanderen zijn te typeren als verstedelijkte
kernen.
- Stad of stedelijke bebouwde kern: De stad of stedelijke bebouwde kern heeft een

uitgestrekte geconcentreerde bebouwing. Het aanbod aan handel en diensten is er
uitgebreid en gespecialiseerd. Inwoners van de plattelandskern en van de
verstedelijkte kern maken er ook gebruik van; deze bebouwde kernen trekken dus
met hun handel en diensten mensen van buiten de kern aan. In de stad wonen,
werken en leven veel mensen dicht bij elkaar. De stad is ook aantrekkelijk: winkels,
kantoren, scholen en openbaar vervoer zijn dichtbij. Er zijn veel gelegenheden om
elkaar te ontmoeten, zoals horeca of een speelplein, en er is een groot aanbod van
activiteiten, zoals een filmzaal en shoppingcentra. Verkeersoverlast, verkrotting en
leegstand, vervuiling en criminaliteit maken het wonen in de stad minder
aangenaam.


Het begrip dorp kan veelal correct worden toegepast op een plattelandse kern, maar is
niet zo correct als daar een grote verstedelijkte kern mee bedoeld wordt. Onder gehucht
verstaan we een zeer kleine bebouwde kern.


6.4.7.3 Didactische verwerking
OPDRACHT
Plaats de nummers van de foto’s in de juiste vakjes en noteer telkens de juiste benaming.
Kies hiervoor uit plattelandskern (P), verstedelijkte kern (V) of stedelijke kern (S).









1 AA VS 2 156 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 97: Soorten bebouwde kernen

OPDRACHT
Beantwoord bondig de onderstaande vragen over de plattelandse kern.










































Figuur 98: De plattelandskern




1 AA VS 2 157 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Beantwoord bondig de onderstaande vragen over de verstedelijkte kern.




































Figuur 99: De verstedelijkte kern (1)



































Figuur 100: De verstedelijkte kern (2)

OPDRACHT

Beantwoord bondig de onderstaande vragen over de stedelijke kern.





1 AA VS 2 158 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 101: De stedelijke kern of stad

6.4.8 Structurering van de stedelijke bebouwde kern


6.4.8.1 Leerplandoel
(3.3) (U) Grote steden ruimtelijk structureren in een centrum, dichtbebouwde wijken (met
hoofdzakelijk gesloten bebouwing en (hoge) appartementsgebouwen) en de stadsrand
(met meer halfopen en open bebouwing).
(2.1) In de bebouwing op basis van terreinwaarnemingen in de eigen leefruimte en/of
luchtfoto’s bebouwde kernen herkennen
(2.2) Op basis van terreinwaarnemingen in de eigen leefruimte en/of luchtfoto’s de
bebouwde kernen structureren en daarbij het centrum onderscheiden van wijken met
andere functies

6.4.8.2 Begripsomschrijving
Zowel bij grote, regionale als kleine steden kan men drie delen onderscheiden: het
stadscentrum, de dichtbebouwde stadswijken en de stadsrand:


- Stadscentrum: Centraal in de stedelijke bebouwde kern, in het hart van de stad, ligt
het stadscentrum. Het stadscentrum omvat het historisch centrum met de markt,
het stadhuis en de kerk. Ook centraal liggen de drukke winkelstraten en
kantoorgebouwen; er is zowel regionale als lokale handel en diensten terug te
vinden. De woonfunctie in het stadscentrum is beperkt. Een stedelijke kern kan
meerdere centra hebben.
- Stadswijken: Rondom het stadscentrum ligt een zone met overwegend rijwoningen,
hoge appartementsgebouwen, oude industriële gebouwen en scholen. Dit gebied
met gesloten bebouwing is de zone met dichtbebouwde stedelijke wijken. Dicht bij
de
het stadscentrum bestaan ze uit delen van de historische binnenstad en 19 -eeuwse


1 AA VS 2 159 © 2019 Arteveldehogeschool

uitbreidingen: arbeidershuizen, oude burgershuizen (al dan niet niet in enkele
appartementen opgedeeld) en moderne appartementsgebouwen. Verder van het
centrum bestaat de bebouwing uit huizen en appartementswoningen recenter en
met meer bouwlagen hoger opgetrokken. De dicht bebouwde stedelijke wijken zijn
een gebied met vooral woningen, maar waar ook andere activiteiten zoals handel,
scholen, ambachten, ziekenhuizen, kleine en grote bedrijven gemengd voorkomen.
- Stadsrand: De stadsrand wordt gekenmerkt door halfopen en open bebouwing. Het
is een minder dichtbebouwde zone met overwegend woningen, nieuwe bedrijven,
kantoren en grote winkels aan belangrijke invalswegen. Bij kleine steden blijft echter
de woonfunctie primeren. In grotere steden vind je in de stadsrand ook allerlei
activiteiten die nodig zijn om de stad leefbaar te houden, zoals elektriciteitscentrales,
afvalverwerkingsbedrijven. Ze vragen de nodige ruimte, zijn vaak belastend voor het
milieu en ontsieren de stadsrand.



















Figuur 102: Schematische voorstelling van een stedelijke bebouwde kern











Figuur 103: Kenmerken van de stedelijke bebouwde kern

De stedelijke woonkern wordt begrensd door landbouwgrond, bossen, braakliggende en
woeste gronden, waartussen zich eventueel verspreide bebouwing bevindt. Deze
begrenzing van de stedelijke bebouwde kern wordt de stadsgrens of bij grote steden de
agglomeratiegrens genoemd. Lintbebouwing langs drukke uitvalswegen vormt
langgerekte uitlopers van de agglomeratie, waar ook concentraties van handel en
diensten in de vorm van nieuwe secundaire handelskernen kunnen voorkomen.


Grote of regionale steden ontwikkelen zich tot een stadsgewest, als resultaat van
functionele en morfologische verstedelijking. Bij kleine steden, zoals de meeste Vlaamse
steden, is er geen ontwikkeling tot een stadsgewest. De stedelijke bebouwde kern is dan
klein en de continue bebouwing overschrijdt nauwelijks de grenzen van de centrale
gemeente. Veelal is het stadscentrum ook klein en zijn de dichtbebouwde stadswijken
niet uitgestrekt. Verderop nemen wijken van de stadsrand, met overwegend nieuwere




1 AA VS 2 160 © 2019 Arteveldehogeschool

halfopen en open bebouwing relatief veel plaats in van het geheel van de bebouwde kern.
Buiten de kleinstedelijke bebouwde kern komt niet-continue bebouwing voor en
verderop komen verstedelijkte en plattelandse bebouwde kernen voor.

De stedelijke bebouwde kern heeft tal van functies voor de eigen bevolking maar ook voor
de inwoners uit de ruime omgeving. Zo zijn de industriële functie, de verkeersfunctie en
de culturele en recreatieve functie van de stad tevens zeer uitgebreid en gespecialiseerd.
Vele van die functies bieden werkgelegenheid, ook aan mensen die buiten de stad wonen.
Dagelijks heen en weer reizen tussen woon- en werkgemeente noemt men pendelen.
Pendelaars zijn mensen die minstens een half uur nodig hebben om zich van hun
woonplaats naar hun werkplaats te begeven.




























































Figuur 104: Structurering van de bebouwde kern bij een stadsgewest en bij een kleine stad







1 AA VS 2 161 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 105: Overeenkomsten tussen stadsgewest en stedelijke bebouwde kern

6.4.8.3 Didactische verwerking
OPDRACHT
Noteer in de lege vakjes de namen van de delen van de stedelijke kern. Overtrek ook de
agglomeratiegrens.







































Figuur 106: Delen van de stedelijke kern







1 AA VS 2 162 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Noteer in de oranje vakjes in de onderstaande figuur de delen van de stedelijke kern.
Noteer in de tekstballonnen de nummers van de bijhorende foto’s.
































Figuur 107: Delen van de stedelijke kern

OPDRACHT
Noteer in de lege vakjes bij elk van de onderstaande foto’s wat typisch is voor dat deel van
de stedelijke kern waar de foto genomen is (zie hierboven).

































Figuur 108: Functies van de verschillende delen van de stedelijke kern (1)





1 AA VS 2 163 © 2019 Arteveldehogeschool

OPDRACHT
Noteer in de lege vakjes bij elk van de onderstaande foto’s het deel van de stedelijke kern
waar deze foto thuishoort, op basis van de functie die te zien is in de foto.


































Figuur 109: Functies van de verschillende delen van de stedelijke kern (2)

6.4.9 Een grote Europese stad


6.4.9.1 Leerplandoel
(4.1) Kennismaken met een grote Europese stad door een eenvoudige vergelijking met
een gekende Vlaamse stad op basis van uitgestrektheid en bevolkingsaantal.


6.4.9.2 Begripsomschrijving
De criteria uitgestrektheid en bevolkingsaantal bepalen of een stad al dan niet als groot
mag bestempeld worden. De leerlingen vergelijken een stad uit de eigen leefruimte, of
een grote Vlaamse stad, met een grote Europese stad op basis van uitgestrektheid van de
stad en het bevolkingsaantal, en leiden de spectaculaire grootte af.


6.4.9.3 Didactische verwerking
OPDRACHT
Bekijk de stadsplannen van de grote steden Parijs en Brussel en los daarna de vragen op.


















1 AA VS 2 164 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 110: Stadsplannen van Parijs en Brussel




































6.4.10 Structuur van een Europese wereldstad


6.4.10.1 Leerplandoel
(4.2) Op basis van luchtfoto’s en kaarten de bebouwde kern van de Europese wereldstad
structureren.








1 AA VS 2 165 © 2019 Arteveldehogeschool

6.4.10.2 Begripsomschrijving
Naar analogie met de structurering van de grote stad uit eigen leefruimte of een grote
Vlaamse stad dienen leerlingen de Europese wereldstad ruimtelijk te structureren, zowel
morfologisch als functioneel.

6.4.10.3 Didactische verwerking
OPDRACHT
Verbind de onderstaande foto’s met dezelfde functie door middel van pijlen en noteer
boven de pijl welke deze functie is.


























































Figuur 111: Functies van grote Europese steden (Brussel en Parijs)
OPDRACHT

Vul in de onderstaande tabel de kenmerken van de grote Europese steden Brussel en Parijs
aan. Gebruik indien nodig je atlas.







1 AA VS 2 166 © 2019 Arteveldehogeschool

Tabel 11: Kenmerken van de grote Europese steden Brussel en Parijs




































6.4.11 Problemen en veelzijdigheid van bebouwde en open ruimte


6.4.11.1 Leerplandoelen
(5) Een aantal problemen van overbelasting voor mens en milieu in bebouwde kernen
vaststellen en bespreken.
(6.1) Open ruimte waarderen als waardevol, duurzaam en maatschappelijk bezit.
(6.2) De veelzijdige mogelijkheden van het leven in een stad nagaan.


6.4.11.2 Begripsomschrijving
Mogelijke problemen voor mens en milieu in bebouwde kernen zijn vervuiling,
verkeersoverlast, verkrotting, leegstand en criminaliteit. Het waarderen van de open
ruimte heeft te maken met de meerwaarde die deze open ruimte biedt ten opzichte van
de oprukkende bebouwing en verstedelijking van het platteland. De veelzijdigheid van
het leven in een stad wordt bepaald door het culturele aanbod, de mogelijkheden om uit
te gaan, de gemakkelijke contacten, de nabijheid en de keuzemogelijkheden van handel
en dienste en het grote aanbod van openbaar vervoer.

6.4.11.3 Didactische verantwoording
Het gaat er hierbij om dat leerlingen de overbelasting kunnen vaststellen via foto- en
kaartmateriaal, terreinwerk, tabellen en krantenartikels.

OPDRACHT

Benoem op de onderstaande foto’s de activiteiten in de stadsrand die de stad leefbaar
houden.





1 AA VS 2 167 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 112: Activiteiten die de stad leefbaar houden

Wat betreft waarderen van de open ruimte dienen de leerlingen aan de hand van
fotomateriaal of terreinwerk te leren dat het behoud van open ruimten een meerwaarde
is in vergelijking met de oprukkende bebouwing en verstedelijking van het platteland.
Deze meerwaarde kan beoordeeld worden met een evaluatietabel met (gewogen)
puntenschaal.

OPDRACHT

Kies uit de onderstaande figuur drie elementen uit die je waardevol vindt aan groen en
open ruimte. Aanvullen mag.

























Figuur 113: Waardering van de open ruimte

6.4.12 Multiculturele aspecten

6.4.12.1 Leerplandoelen
(7.1) Uit het straatbeeld afleiden dat er veel culturen voorkomen.
(7.2) Uit statistieken en grafieken afleiden dat er verschillende nationaliteiten voorkomen.
(7.3) Respect opbrengen voor de eigenheden en de specifieke leefwijze van mensen uit
andere culturen, ook in onze multiculturele samenleving.










1 AA VS 2 168 © 2019 Arteveldehogeschool

31
6.4.12.2 Begripsomschrijving
Het is nuttig om de begrippen omtrent ‘andere nationaliteiten’ te verduidelijken:
immigrant, vreemdeling, Belg van vreemde origine… over wie hebben we het nu eigenlijk?

Immigranten hebben een migratiebeweging gemaakt; ze verlieten als emigranten of
uitwijkelingen hun land van herkomst en migreerden naar een ander land waar ze als
immigrant of inwijkeling aankwamen. Vreemdelingen hebben een andere nationaliteit
dan die van het land waarin ze verblijven, maar ze hoeven niet per se ooit in een ander
land te hebben verbleven en dus een migratiebeweging te hebben gemaakt. Niet alle
vreemdelingen zijn dus immigrant. Vreemdelingen die in België zijn geboren en nooit
migreerden, zijn eigenlijk de kinderen van migranten. Ze worden vaak aangeduid met de
termen ‘tweede of derde generatie’. Omgekeerd zijn niet alle immigranten vreemdeling.
Een groot deel van hen heeft de Belgische nationaliteit verkregen sinds ze in België zijn
aangekomen. Dus, we kunnen stellen: het geboorteland is het criterium voor
immigranten, de huidige nationaliteit definieert wie vreemdeling is.


Daarnaast is er nog een derde groep van mensen die vreemdeling noch immigrant zijn,
maar toch een vreemde origine hebben: ze zijn geboren in België met een vreemde
nationaliteit en zijn intussen Belg geworden. Deze zijn de Belgen met een vreemde
origine of afkomst.

De drie groepen samen vormen de Belgische bevolking van vreemde origine. Van de 11,2
miljoen inwoners in België anno 2015 zijn er zo meer dan 2 miljoen mensen. Dit is bijna
één vijfde van de bevolking. Hoe deze groepen zich verhouden tegenover elkaar, kan je
afleiden tot de volgende figuur.































Figuur 114: Personen met vreemde origine in België






31 Naar (Myria, 2015).


1 AA VS 2 169 © 2019 Arteveldehogeschool

6.4.12.3 Didactische verantwoording
OPDRACHT
Vul de onderstaande vragen aan over multiculturaliteit in onze samenleving. Gebruik het
cijfermateriaal dat hieronder ook terug te vinden is.
































Figuur 115: Multiculturaliteit in onze samenleving
































Figuur 116: Multiculturele aspecten van onze samenleving

OPDRACHT

Beschrijf de multiculturele aspecten die je in de onderstaande foto’s ziet. Geef ook uit uit
welke cultuur deze aspecten komen, en of het gaat om de autochtone of allochtone
cultuur.




1 AA VS 2 170 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 117: Multiculturele aspecten van onze samenleving


6.5 Ruimtelijke ordening in Vlaanderen

6.5.1 Inleiding

6,5 miljoen Vlamingen leven op een relatief klein gebied samen. Wonen, werken,
recreatie, natuur, industrie, transport, e.d. zijn functies die voorkomen op een beperkt
grondgebied. De veelheid aan functies leidt dan ook geregeld tot conflicten. Er gaat geen
week voorbij of ruimtelijke ordening haalt de pers: de Oosterweelverbinding, het
voortbestaan van het dorp Doel en de betonstop zijn enkele grote projecten die de
nationale media geregeld halen. Maar ook de herinrichting van een stads- of
dorpscentrum, de bouw van een nieuwe wijk, lokale overstromingen bij hevige regenval,
de dagelijkse files en de fijn stofproblematiek halen geregeld de media.

In het ganse spel van ruimtelijke ordening en het oplossen van ruimtelijke conflicten in
onze leefomgeving heeft de overheid een regulerende rol. De overheid moet soms
scheidsrechter zijn tussen de verschillende ruimtegebruikers. Omwille van de beperkte
ruimte in Vlaanderen ontstaan er soms discussies tussen belangengroepen die voor
eenzelfde ruimte een andere bestemming willen. Landbouw versus natuur, industrie
versus wonen, industrie versus natuur, etc. Globale belangen worden door overheid
afgewogen tegenover lokale belangen. Vaak wordt men geconfronteerd met het NIMBY-
verschijnsel (not in my backyard): burgers zijn voor bepaalde ruimtelijke ingrepen, zolang
ze niet in hun eigen woonbuurt worden gerealiseerd. Vlaanderen heeft duidelijk nood aan
een ruimtelijk beleid om de vele uitdagingen waar we dagelijks mee geconfronteerd
worden onder controle te houden. De eerste stappen in een ruimtelijk ordeningsbeleid
e
werden pas gezet in de jaren zestig van de 20 eeuw. De overheid kwam dus pas vrij laat
met een wetgeving. Er zijn vier belangrijke kantelmomenten in het ruimtelijk
ordeningsbeleid in Vlaanderen-België.

- 1962: Wet op de stedenbouw
- 1980: ruimtelijke ordening wordt bevoegdheid van Vlaams Gewest
- 1999: Decreet op de ruimtelijke ordening
- 2016: Beleidsplan Ruimte voor Vlaanderen



1 AA VS 2 171 © 2019 Arteveldehogeschool

6.5.2 Vóór 1962
Voor 1962 hadden de meeste gemeenten eigen stedenbouwkundige voorschriften. Door
het ontbreken van voorschriften op een hoger niveau – de wet op de stedenbouw was er
nog niet – had men nauwelijks tot geen invloed op ruimtelijke ordening in Vlaanderen,
zeker wanneer vanaf de jaren ’50 er een sterke aangroei was van de individuele
woningbouw op het platteland en langs bestaande wegen. Door de groeiende
suburbanisatie werd massaal gebouwd buiten de steden en werd de lintbebouwing een
feit. Dit wordt heel sprekend wanneer we Vlaanderen vanuit de lucht bekijken en
vergelijken met Nederland. Vlaanderen kent een wanordelijk uitzicht. Het voorbeeld uit
Nederland toont dat een compacte bebouwde kern zonder lintbebouwing ook kan.























32
Figuur 118: Vlaanderen en Nederland vanuit de lucht
6.5.3 Wet op de stedenbouw (1962)

In 1962 maakte de Belgische overheid werk van een beleid op ruimtelijke ordening: de
wet op de stedenbouw ging in 1962 van kracht.
Deze wet gold en geldt nog steeds voor gans België.
Er werd hierbij een hiërarchisch systeem van
plannen opgezet, met gewestplannen, APA’s en
BPA’s (zie figuur hiernaast), waarbij een lager plan
steeds in overeenstemming moet zijn met een
hoger plan. De wet van 1962 bepaalt ook dat steeds
het recentste plan moet gevolgd worden. Doen
over eenzelfde perceel meerdere BPA’s een
uitspraak, dan moet het meest recente gevolgd
worden. Een BPA most altijd gevolgd worden, en
gaat boven een APA en een gewestplan. Een APA
gaat boven het gewestplan. Op elk van deze
Figuur 119: Hiërarchisch systeem van plannen wordt in wat volgt dieper ingegaan.
plannen volgens de wet op de stedenbouw






32 (Van Hecke, Vanderhallen, & Devos, Zenit 5/6 Infoboek ASO, 2013)




1 AA VS 2 172 © 2019 Arteveldehogeschool

6.5.3.1 Gewestplan
Het gewestplan, opgemaakt voor volledig België, is een bestemmingsplan waarbij voor elk
perceel de bestemming, zoals wonen, landbouw of recreatie, juridisch is vastgelegd.
Dergelijke plannen hebben dus eenzelfde juridische kracht als een wettekst. Per
bestemming zijn er kleurafspraken. De belangrijkste kleuren zijn: rood = wonen, paars =
industrie, groen = natuur, geel = landbouw, oranje = recreatie. In Vlaanderen werden er
25 gewestplannen opgemaakt.

Het gewestplan kent echter verschillende problemen. Zo zijn de plannen erg
gedetailleerd, zonder een globale visie op de regio. Ook ontstond er het probleem van de
zonevreemdheid. Als een gebouw in een zone lag waar het niet thuishoorde volgens het
gewestplan, werd het ‘zonevreemd’ genoemd. Dit kon gaan over zonevreemde woningen,
bedrijven of recreatie, zoals een kasteel in natuurgebied of een woning in
landbouwgebied. Een ander probleem is de plannen intussen al meer dan 40 jaar oud zijn
en dat ze intussen nauwelijks gewijzigd werden – de procedure voor wijziging is dan ook
erg log en tijdrovend – terwijl de maatschappij en de ruimte wel sterk geëvolueerd zijn.

6.5.3.2 Algemeen Plan van Aanleg
Een Algemeen Plan van Aanleg of APA geldt voor het volledig grondgebied van de
gemeente en is opgemaakt door de gemeente zelf. Een APA is gedetailleerder dan het
gewestplan. Er zijn in België slechts weinig APA’s opgemaakt. Degene die momenteel nog
bestaan, zijn meestal niet meer geldig.


6.5.3.3 Bijzonder Plan van Aanleg
Een Bijzonder Plan van Aanleg of BPA, dat opnieuw wordt opgemaakt door de gemeente
zelf, geldt voor een deel van het grondgebied. Hiervan zijn er in België zeer veel
opgemaakt. Vandaag zijn ze nog geldig, behalve als er een RUP gemaakt is over het gebied
(zie verder). Een BPA is gedetailleerder dan het gewestplan en een APA en moet dus
steeds gevolgd worden. Een BPA bevat gegevens over de bestaande toestand van het
grondgebruik, de gewenste bestemming en de stedenbouwkundige voorschriften m.b.t.
vorm, grootte, plaatsing gebouwen.

6.5.3.4 Verkavelingsplan
Dit is een plan met de verdeling van de kavels. Het moet informatie geven over wat en
hoe er kan gebouwd of verbouwd worden. Ook andere info moet worden weergegeven,
zoals hoe breed/diep de woning mag zijn, hoe hoog mag gebouwd worden, de ligging
wegenis en nutsvoorzieningen, e.d.

6.5.4 Decreet op de ruimtelijke planning (1999)

Het ruimtelijk ordeningsbeleid In België kende heel wat problemen en er kwam steeds
meer kritiek op. Het gewestplan zorgde niet voor een goede ruimtelijk ordening in België.
Er kwamen bovendien steeds meer ruimtelijke conflicten, waardoor de nood aan een
nieuw ruimtelijk beleid nog scherper werd gesteld.

In 1980 werd mobiliteit en ruimtelijke ordening een bevoegdheid van het Vlaams gewest.
Voortaan konen het Brussel Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest en het Vlaams
Gewest een eigen beleid vorm geven.



1 AA VS 2 173 © 2019 Arteveldehogeschool

Het Decreet op de Ruimtelijke Ordening in 1999 zorgde voor een volledige ommekeer:
voortaan spreken we over de planning van ruimte! Er is een systeem op poten gezet met
twee soorten plannen dat op termijn alle voorgaande plannen moeten vervangen.

6.5.4.1 Ruimtelijke Structuurplan
Het Ruimtelijk Structuurplan of RSP is een beleidsdocument, opgemaakt voor het
volledige grondgebied van Vlaanderen, de provincies en de gemeentes, dat als eerste stap
(voor RUP) de toekomstige visie weergeeft van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling, met
principes. Er is hierbij geen aanduiding van de concrete bestemming voor een stuk grond,
noch zijn er exacte afbakeningen op perceelsniveau of zijn er stedenbouwkundige
voorschriften. Wel is er een grafische voorstelling met pijlen, symbolen en schetsen die
de dynamiek van de regio moeten weergeven. Het is zelf ook een dynamisch beleidsplan,
dat regelmatig moet worden bijgestuurd en aangepast aan de nieuwe ruimtelijke en
maatschappelijke noden. Een RSP bestaat steeds uit een grafisch plan samen met drie
tekstdelen: een informatief gedeelte, met info over de bestaande structuur en bestaande
evoluties en processen, een richtinggevend gedeelte met beleidskeuzes die men wil
maken naar de toekomst toe en een bindend gedeelte, met wat men echt wil en moet
realiseren in het kader van het ruimtelijk beleid.

6.5.4.2 Ruimtelijke Uitvoeringsplan
Een Ruimtelijk Uitvoeringsplan of RUP wordt steeds opgemaakt voor een deel van het
grondgebied van Vlaanderen, de provincie of de gemeente. Het wordt opgemaakt na het
RSP, als uitvoering ervan en moet de principes en keuzes ervan dus volgen. Er kan nooit
een RUP gemaakt worden als er nog geen RSP bestaat. Een RUP is een plan met concrete
stedenbouwkundige voorschriften, die kunnen gaan over de bestemming (functie), de
inrichting (bv. bouwhoogte, materiaalgebruik …), e.d. Een RUP bevat zowel kaart als tekst.
Grafisch lijkt een RUP sterk op een BPA: het is een exacte afbakening op perceelsniveau
van bestemmingen en functies per gebied. Een RUP vervangt steeds alle voorgaande
bestemmingsplannen!

6.5.4.3 Subsidiariteitsprincipe
Elke ruimtelijke beslissing moet genomen worden op het best passende niveau. Er zijn
drie overheidsniveaus bevoegd: de gewestelijke, provinciale en gemeentelijke overheid.
Elke overheid maakt zowel een structuurplan als ruimtelijke uitvoeringsplannen.


6.5.5 Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen
De overheid wil steeds zeer bewust een algemene ruimtelijke visie ontwikkelen waarbij
ondermeer de volgende twee pijlers belangrijk zijn: (i) inspraak en participatie van de
verschillende belangengroepen; (ii) een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Een
duurzame ruimtelijke ontwikkeling houdt in dat er bij de opmaak van RSP’s en RUP’s
rekening wordt gehouden met de erfgoedwaarde en de natuurwaarde van een gebied;
de ruimtelijke kwaliteit en de ruimtelijke draagkracht. Daarbij hanteert de overheid een
aantal principes binnen ruimtelijke ordening zoals het begrenzen van ruimtelijke groei en
het bundelen van bepaalde activiteiten of juist het mengen van sommige functies. Op
e
basis van deze visie, uitgangspunten en principes werd eind de jaren negentig van de 20
eeuw het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) goedgekeurd.




1 AA VS 2 174 © 2019 Arteveldehogeschool

De hoofdidee van het RSV is ‘Vlaanderen open en stedelijk’. Daarmee geeft het RSV aan
dat het zowel gaat voor het maximale vrijwaren van de open ruimte als het verdichten en
beter uitbouwen van de stad en haar functies. Om dit te bereiken formuleert het RSV vier
hoofddoelen: (i) streven naar meer stedelijkheid, (ii) versnippering tegengaan in de
buitengebieden, (iii), concentratie en goede locaties vooropstellen voor economische
activiteiten, en (iv) de lijninfrastructuur uitbouwen en optimaliseren.


6.5.5.1 De stedelijke gebieden
In een stedelijk gebied overheerst de dichte bebouwing. Het
stedelijk gebied is het gebied waar een intense ruimtelijke,
culturele en socio-economische verweving bestaat tussen de
menselijke activiteiten (wonen, diensten, werken, e.d.). De
doelstelling is te streven naar meer stedelijkheid. Dit realiseert
men door de afbakening van stedelijke gebieden en de
uitwerking van stedelijke netwerken. Een aantal pijlers
moeten dit realiseren:
Figuur 120: RSV (1)
- De gedeconcentreerde bundeling. Dit is het principe waarbij bundeling staat voor het
selectief concentreren van de groei van het wonen, het werken en de andere
maatschappelijke functies in de steden. Gedeconcentreerd betekent dat men rekening
houdt met het bestaande (niet-geconcentreerde) spreidingspatroon van de functies in
Vlaanderen.
- Stedelijke netwerken realiseren. Zo zal de Vlaamse Ruit verder verstedelijkt worden.
- Er zal een afbakening komen van de stedelijke gebieden door het realiseren van een
afbakeningslijn. Er zal een lijn getrokken worden als afbakening van de grootstedelijke
gebieden, zoals de afbakening van het grootstedelijk gebied Gent. Dit moet de verdere
suburbanisatie en de aantasting van de open ruimte in de hand houden.
- Het uiteindelijke doel is van de stedelijke gebieden aangename plekken maken om te
wonen, te werken en te ontspannen. Daarom moeten er in de steden meer woningen
komen, maar ook meer kantoren, een aangename leefomgeving met parken en
mogelijkheden tot recreatie.

6.5.5.2 Het buitengebied
Het buitengebied is het gebied waarin de open (onbebouwde)
ruimte overweegt. Het doel is de eigenheid van het
buitengebied te bewaren en de open ruimte maximaal te
behouden. Volgende pijlers moeten dit realiseren:


- Verdere versnippering tegengaan.
- Het creëren van grote aaneengesloten gebieden, zoals de
Vlaamse Ardennen, de Kempen en de Westhoek.
- Het creëren van open ruimteverbindingen tussen die Figuur 121: RSV (2)
grotere aaneengesloten gebieden. Een open ruimteverbinding is een niet of weinig
bebouwde ruimte in de buurt van sterk bebouwde gebieden.
- Alles wordt geënt op het samenhangend geheel van rivier- en beekvalleien.
- Verdere ontwikkelingen van extra woningen en bedrijventerreinen matigen.




1 AA VS 2 175 © 2019 Arteveldehogeschool

6.5.5.3 De gebieden voor economische activiteiten
Het doel is de verdere verspreiding van de werkgelegenheid
tegen te gaan. Dit zal gebeuren door de economische
activiteiten te concentreren in een aantal economische
knooppunten en in de poorten. Een economisch knooppunt is
een gebied met een hoog aandeel aan werkgelegenheid.
Concreet betekent dit:


- De economische knooppunten zijn vooral de stedelijke
gebieden, maar ook een aantal economische netwerken Figuur 122: RSV (3)
zoals de strook langs het Albertkanaal en het kanaal Gent-Terneuzen.
- De poorten van Vlaanderen functioneren als de motor van ontwikkeling. Onze poorten
zijn de zeehavens (Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende), de luchthaven van
Zaventem en het HST-station in Antwerpen en Brussel.


6.5.5.4 De lijninfrastructuren
De bedoeling is het verder uitbouwen en optimaliseren van de
diverse infrastructuren van autowegen, spoorwegen,
waterwegen. Concreet betekent dit:


- Er moet een duurzame mobiliteit gerealiseerd worden.
- Bestaande infrastructuur moet maximaal benut worden.
- Nieuwe ontwikkelingen worden ingeplant op locaties waar
zij zo weinig mogelijk nieuwe verkeersstromen genereren.
- Het uitbouwen van multimodale knooppunten en grote Figuur 123: RSV (4)
knooppunten van openbaar vervoer, waarop andere functies zoals wonen en kantoren
zich kunnen enten, zoals het Sint-Pietersstation in Gent.


6.5.5.5 Enkele begrippen
Vanuit voorgaande alinea’s moeten enkele begrippen geduid worden:


- Duurzame ontwikkeling: Duurzame ontwikkeling is de ontwikkeling die voorziet in de
behoefte van de huidige generatie zonder daarmee voor de toekomstige generaties
de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoefte te voorzien.
- Duurzame ruimtelijke ontwikkeling: Dit is een ruimtelijke ontwikkeling gebaseerd op
draagkracht en kwaliteit voor het zorgen van een leefbare ruimte voor de volgende
generaties, zonder de aanspraken van de huidige generatie te hypothekeren. Dit wordt
als uitgangshouding genome in het RSV.
- Ruimtelijke draagkracht: De ruimtelijke draagkracht is de mate waarin iets aan de
ruimte kan worden toegevoegd of ontnomen zonder dat er een verstoring optreedt
van het evenwicht tussen de verschillende functies.
- Ruimtelijke kwaliteit: Het begrip ruimtelijke kwaliteit wordt opgevat als de waardering
van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit handelt niet in de eerste plaats om de kenmerken
van het object op zich (bv. de objectieve kenmerken van een landschap, een stedelijke
ruimte ...) maar om de waarde die eraan wordt gehecht. Die waardering wordt in
belangrijke mate mee bepaald door de perceptie en de betrokkenheid van de






1 AA VS 2 176 © 2019 Arteveldehogeschool

beoordelaar (bewoner ...). Die waardering is m.a.w. sociaal-cultureel bepaald en hangt
niet af van de kenmerken van de ruimte zelf.
- Natuurwaarde: Het landschap en onze leefomgeving ruimtelijk ordenen, kan
onmogelijk gebeuren zonder rekening te houden met de aanwezige fauna en flora, de
ecologische rijkdom, de variatie en de biologische dynamiek. Bv. het landschap van
een natuurreservaat heeft een grotere natuurwaarde dan die van een
landbouwgebied.
- Erfgoedwaarde: Wanneer we het landschap bestuderen en ruimtelijk willen ordenen,
dienen we ook rekening te houden met de erfgoedwaarde van landschapselementen
(kunnen objecten zijn, vegetatie, gebouwen … maar ook vergezichten). Erfgoed is een
verzamelbegrip. Het staat voor alles wat we overerven van vorige generaties én wat
we het bewaren waard vinden: gebouwen en monumenten, maar ook archeologische
vondsten, kunstwerken, historische voorwerpen …
- Bestemmingsvoorschrift: De bestemmingsvoorschriften zijn het geheel van regels en
voorwaarden waaraan een activiteit in een gebied met een bepaalde bestemming
moet voldoen. Het bestemmingsvoorschrift is een begrip met juridische waarde.
- Verdichting: Verdichting is één van de sleutelbegrippen in een ruimtelijk beleid.
Verdichting betekent het concentreren van het wonen en het werken in de stedelijke
gebieden en de kernen van het buitengebied.
- Verkeersgenererende activiteiten: Een verkeersgenererende activiteit is een activiteit
die veel verplaatsingen veroorzaakt, hetzij verplaatsing van goederen, hetzij
verplaatsing van mensen (personeel, klanten, bezoekers ...).

6.5.6 Beleidsplan Ruimte Vlaanderen
33
Ingrijpen in de ruimte is een werk van lange adem, en de gemaakte keuzes uit het verleden
blijven de toekomst lang bepalen. Zonder langetermijnvisie en zorg voor continuïteit lukt
het niet. Met het RSV begon Vlaanderen voor het eerst te plannen met een visie op lange
termijn. Daardoor werd het ruimtelijk beleid professioneler en gerichter. Het Beleidsplan
Ruimte Vlaanderen of BRV wil voortbouwen op de robuuste lijnen van het RSV en de lat
weer hoger leggen.

6.5.6.1 Vlaanderen verandert mee met de rest van de wereld
Vlaanderen is nog steeds een welvarende regio. Tegelijkertijd worden we geconfronteerd
met heel wat uitdagingen en ruimtelijke problemen. Deze ruimtelijke uitdagingen zijn de
aanleiding geweest voor de opmaak van het Beleidsplan Ruimte voor Vlaanderen:

- We nemen steeds meer ruimte in beslag.
- We benutten onze ruimte slecht.
- Lage bebouwingsdichtheden zorgen voor een hogere CO2-uitstoot.
- Meer, langere en autoafhankelijke verplaatsingen door verspreid wonen.
- Publieke diensten buiten de stad kosten meer geld.
- Schaarste aan grote en verbonden gebieden voor efficiënte landbouw en natuur.




33 Naar (Vlaamse Overheid. Departement Omgeving, 2017)




1 AA VS 2 177 © 2019 Arteveldehogeschool

- De bebouwde ruimte in Vlaanderen neemt sterk toe: elke dag wordt 6 hectare open
ruimte in beslag genomen.
- Het fijn stofgehalte en andere luchtvervuiling.
- Overstromingen door een te groot verstedelijkt gebied.

6.5.6.2 Het witboek beleidsplan ruimte Vlaanderen
De Vlaamse Regering keurde op 30 november 2016 het Witboek Beleidsplan Ruimte
Vlaanderen goed. Dit is een belangrijke nieuwe stap op weg naar het Beleidsplan Ruimte
Vlaanderen, dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zal vervangen. De Vlaamse
Regering formuleert in het Witboek doelstellingen en ruimtelijke principes die de basis
zullen vormen om de ruimte van Vlaanderen te transformeren. De krachtlijnen zijn de
volgende. De Vlaamse Regering wil een ambitieus veranderingstraject op gang trekken
om het bestaand ruimtebeslag beter en intensiever te gebruiken en zo de druk op de open
ruimte te verminderen. Het doel is het bijkomend ruimtebeslag terug te dringen van 6
hectare per dag vandaag naar 3 hectare per dag in 2025. De inname van nieuwe ruimte
moet tegen 2040 volledig gestopt zijn. Dit is de zogenaamde ‘betonstop’. De ontwikkeling
van nieuwe woningen, werkplekken en voorzieningen zal dus meer en meer moeten
gebeuren op goed gelegen locaties in onze steden en dorpen. In de meeste gevallen kan
dat met beperkte ingrepen zoals het opsplitsen van grote woningen of kavels. Op een
beperkt aantal plaatsen kan dat betekenen dat er voor hoogbouw gekozen wordt om een
sterke verdichting te realiseren. Men zal het ruimtelijk rendement verhogen door te
‘intensiveren’, ‘hergebruik’ van oude gebouwen te stimuleren, de ‘verweving’ van
functies te versterken en het ‘tijdelijk ruimtegebruik’ nog meer mogelijkheden te geven.
De leefomgevingen dienen kwaliteitsvol ingericht te worden. Wonen en werken zullen
worden geconcentreerd nabij collectieve vervoersknopen en voorzieningenconcentraties.
Door een robuuste open ruimte uit te bouwen hoopt men de biodiversiteit en de
voedselproductie te verzekeren. Een netwerk van groenblauwe aders (van waterlopen en
groen) moet Vlaanderen een meer klimaatbestendige inrichting geven.



6.6 Voorbeeldexamenvragen

In wat volgt zijn een aantal voorbeeldexamenvragen geformuleerd over dit thema. Voor
de figuren wordt verwezen naar de PowerPoint-presentatie van dit subhoofdstuk.

VOORBEELDEXAMENVRAAG

Hieronder vind je vier vragen die betrekking hebben tot stadsgeografie, met enkele
mogelijke antwoorden. Duid voor elke vraag het (de) correcte antwoord(en) aan.

a. Welke combinatie van functies vind je niet terug in de plattelandse kern?
o Wonen – kleinhandel – diensten
o Recreatie – kleinhandel – wonen
o Onderwijs – kleinhandel – diensten
b. Welke ruimtelijke volgorde ‘toename van groen’ is de meest waarschijnlijke?
o Forenzenwoonzone – stadswijken – stadsrand
o Stadskern – forenzenwoonzone – stadsrand
o Stadswijken – standsrand – forenzenwoonzone




1 AA VS 2 178 © 2019 Arteveldehogeschool

c. Welk deel van het stedelijk leefcomplex had de grootste toename in
bevolkingsdichtheid tussen 1991 en 2006? Bekijk hiervoor de cijfergegevens.
o Agglomeratie
o Stadsgewesten
o Banlieue
o Forensenwoonzone
























d. De Brusselse agglomeratie …
o Strekt zich uit tot over de taalgrens
o Loopt door tot in Oost-Vlaanderen
o Bestaat uit verschillende gemeenten
o Is kleiner dan het Brusselse stadsgewest











































1 AA VS 2 179 © 2019 Arteveldehogeschool

7 BEVOLKINGSGEOGRAFIE











COMPETENTIES
▪ Statistische bronnen van bevolking kritisch gebruiken en voorstellen in kaarten en
grafieken om manipulatie in de media te detecteren, de demografische samenstelling
van Vlaanderen, België en Europa te herkennen en te analyseren om de eigen
maatschappelijke situatie beter in te schatten.
▪ Statistische bronnen voor bevolkingsdata opsommen, de data voorstellen in kaarten
en grafieken, en ze functioneel aanwenden in relevante lesthema’s.
▪ Uitgaande van een kaartbeeld formuleren dat de klassegrenzen tussen cijfergegevens
het ruimtelijk patroon en dus een mogelijke streekindeling beïnvloeden.
▪ Uitgaande van het kaartbeeld de voor- en nadelen van de bestudeerde
klassenbegrenzingsmethodes verwoorden.
▪ De demografische samenstelling en ontwikkelingen van Vlaanderen, België en Europa
herkennen en analyseren om manipulatie in de media te detecteren, de eigen
maatschappelijke situatie beter in te schatten. En de culturele diversiteit van de
Vlaamse, Belgische en Europese bevolking te begrijpen.
▪ De belangrijkste demografische kengetallen opsommen.
▪ Vanuit teksten en grafieken een coherente synthese maken van de demografische
kenmerken en ontwikkelingen in Vlaanderen, België en de wereld om de socio-
economische gevolgen ervan voor de wereldgemeenschap, de Europese, Belgische en
Vlaamse samenleving te kunnen verwoorden.
▪ De Europese, Belgische en Vlaamse migratiegeschiedenis herkennen en analyseren
om de culturele diversiteit van de Belgische bevolking te begrijpen en de etnische
samenstelling van de eigen leefruimte te duiden om de eigen maatschappelijke
situatie beter in te schatten.
▪ Vanuit teksten en grafieken een coherente synthese maken van de Europese,
Belgische en Vlaamse migratiegeschiedenis om de socio-economische gevolgen
hiervan voor de Belgische en Europese samenleving naar de toekomst toe te kunnen
verwoorden.




7.1 Inleiding

De bevolking is een gegeerd gegeven in vele wetenschapsdomeinen. De demografie is
bijvoorbeeld vooral geïnteresseerd in hoeveel mensen er op aarde wonen en hoe snel de
bevolkingscijfers wijzigen. De sociologie houdt zich dan weer vooral bezig met het zoeken
en verklaren van antwoorden op vragen zoals ‘waar woont men?’, ‘waarom daar?’, ‘met
welk gevolg? en ‘wat is gewenst?’. In de bevolkingsgeografie gaan wij daarentegen vooral
nadruk lukken op de bevolkingsspreiding en migratiepatronen. We zullen trachten om de
ruimtelijke verschillen in kengetallen, bevolkingsevolutie en leeftijdsopbouw te verklaren.




1 AA VS 2 180 © 2019 Arteveldehogeschool

7.2 Bevolkingsgegevens

7.2.1 Kengetallen omtrent bevolkingsgegevens

Er zijn verschillende kengetallen van belang voor bevolkingsgegevens:

- Inwoneraantal: Het aantal inwoners van een land is een gegeven dat jaarlijks
gepubliceerd wordt in bijvoorbeeld het Demographical Yearbook van de Verenigde
Naties.
- Bevolkingsdichtheid: Grote landen hebben normaliter een grotere bevolking dan
kleinere landen. Wil men landen vergelijken, dan dringt zich een verhoudingsgetal
op, zoals de bevolkingsdichtheid als de verhouding tussen het aantal inwoners van
een land en de oppervlakte van het land.
- Verstedelijkingsgraad of urbanisatiegraad: Dit kengetal drukt uit in welke mate de
ruimtelijke eenheid (het land of de gemeente) verstedelijkt is. Dit kan op
verschillende manieren gebeuren, via het aandeel van de stedelijke bevolking in de
totale bevolking van een land, of het aantal steden in een land met meer dan 100
000 inwoners, of het percentage van de stedelijke bevolking in steden met meer dan
500 000 inwoners.
- Nataliteit, geboortecoëfficiënt of geboortecijfer: De geboortecoëfficiënt drukt het
aantal geboorten per totaal aantal inwoners uit, uitgedrukt in promille. De
berekening hiervoor is als volgt: Geboortecoëfficiënt= (aantal geboorten/aantal
inwoners) x 1000.
- Mortaliteit, sterftecoëfficiënt of sterftecijfer: De sterftecoëfficiënt drukt het aantal
sterftegevallen per totaal aantal inwoners uit, uitgedrukt in promille. De berekening
hiervoor is als volgt: Sterftecoëfficiënt= (aantal sterfgevallen/aantal inwoners) x
1000.
- Natuurlijke aangroei: De natuurlijke aangroei is het verschil tussen de
geboortecoëfficiënt en de sterftecoëfficiënt. Dit getal kan zowel positief, dan is er
sprake van een geboorteoverschot, als negatief, dan is er sprake van een
sterfteoverschot, zijn.
- Migratiesaldo: Het migratiesaldo is het verschil tussen het aantal inwijkelingen of
immigranten en het aantal uitwijkelingen of emigranten. Dit getal kan ook relatief
uitgedrukt worden in procent ten opzichte van het aantal inwoners.
- Jaarlijkse aangroei: De jaarlijkse aangroei is het verschil tussen het inwonersaantal
van het huidige jaar en het inwonersaantal van het voorbije jaar, procentueel
uitgedrukt. De berekening hiervoor is als volgt: Jaarlijkse aangroei = (inwonertal
huidig jaar – inwonerstal vorig jaar) x 1000 / inwoners vorig jaar.
- Verdubbelingtijd: De verdubbelingstijd is de tijd waarin de bevolking verdubbeld is.
Dit getal geeft een idee hoe snel een bevolking aangroeit. Voor een constant
groeipercentage tot 10% geldt de volgende vuistregel: Verdubbelingtijd = 70 /
groeipercentage.
- Levensverwachting: De levensverwachting is de gemiddelde leeftijd die in een land
bereikt wordt bij overlijden.
- Kindersterfte: De kindersterfte is het aantal sterfgevallen in een jaar van kinderen
tussen jonger dan één jaar per 1000 geboorten.




1 AA VS 2 181 © 2019 Arteveldehogeschool

- Fertiliteit of vruchtbaarheidsindex: De fertiliteit geeft een beeld van de
voortplantingsmogelijkheden en groeikansen van een bevolking, omdat deze index
steunt op de vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Deze index wordt als volgt berekend:
Fx = (Gj x 1000) / (Vj-1(15-44) + Vj(15-44)) / 2, met Gj als totaal aantal levend geboren
in jaar J en met Vj (15-44) als de vrouwelijke bevolking van 15 t/m 44 jaar op 31
december van het jaar j.
- Reproductiecoëfficiënt: De reproductiecoëfficiënt wordt bruto of netto berekend
door al dan niet rekening te houden met de sterftekans van meisjes voor en tijdens
de vruchtbaarheidsperiode (15-49 jaar). De bruto-reproductiecoëfficiënt (BRC) geeft
het gemiddeld aantal meisjes aan dat elke vrouw ter wereld zal brengen tijdens haar
vruchtbaarheidsperiode, indien de huidige vruchtbaarheids-coëfficiënten constant
blijven en indien er niets verandert aan de nuptialiteit (de huwelijksfrequentie en
huwelijksleeftijd). De BRC wordt berekend als sommatie van alle leeftijdsspecifieke
reproductiecoëfficiënten tussen 15 en 49 jaar. Als deze coëfficiënt hoger is dan 1, zal
de nieuwe generatie vrouwen de vorige generatie volledig vervangen. Deze
coëffciënt wordt als volgt berekend: BRCj = Mj(15) / Vj(15) + Mj(16) / Vj(16) + …..+
Mj(49) / Vj (49), met Mj(15) als het aantal meisjes geboren uit 15-jarige moeders, en
Vj(15) als het totaal aantal 15-jarige meisjes.
- Leeftijdsstructuur: De leeftijdstructuur geeft aan hoe de leeftijd van de bevolking van
een land verdeeld is. Dit wordt het best grafisch weergegeven in een
bevolkingshistogram; uit de vorm van het bevolkingshistogram kan men de
leeftijdsstructuur afleiden.
- Seniliteitcoëfficiënt: De seniliteitcoëfficiënt geeft een beeld van de ouderdom van
een bevolking. Deze coëfficiënt wordt als volgt berekend: Seniliteitcoëfficiënt =
aantal bejaarden (>65 j) x 100 / aantal jongeren (<20 j).
- Afhankelijkheidscoëfficiënt: De afhankelijkheidscoëfficiënt geeft weer hoe sterk de
economische niet-actieve bevolking afhankelijk is van de economisch actieve
bevolking. Deze coëfficiënt wordt als volgt berekend: Afhankelijkheidscoëfficiënt =
(aantal jongeren (<20j) + aantal bejaarden (>65j)) x 100 / aantal volwassenen (20j-
64j).

OPDRACHT

Maak volgend kruiswoordraadsel over kengetallen over bevolkingsgegevens. Opmerking:
Soms moet je twee woorden invullen. Dan laat je een wit hokje tussen.























1 AA VS 2 182 © 2019 Arteveldehogeschool

7.2.2 Bronnen van bevolkingsgegevens

▪ Burgerlijke stand

In België staat elke bewoner opgetekend in de registers van de burgerlijke stand. Elke
geboorte, elk sterfgeval, huwelijk of migratie moet bij de burgerlijke stand van de
gemeente worden aangegeven. Op basis van deze gegevens kan men het
bevolkingsaantal berekenen. De resultaten hiervan werden jaarlijks gepubliceerd door
het ADSEI. Sinds 1988 wordt het bevolkingscijfer berekend op basis van de gegevens van
het Rijksregister van natuurlijke personen. Het Rijksregister is een computerbestand dat
wordt beheerd in real-time. Gegevens uit het bevolkingsregister over al de burgers die in
het land verblijven worden erin samengebracht. Zo worden geboorten, overlijdens,
wijziging van verblijfplaats, huwelijken, alsook bepaalde eigenschappen zoals




1 AA VS 2 183 © 2019 Arteveldehogeschool

nationaliteit en geboortedatum, scholarisatie, activiteiten, gezondheid, e.d.
bijgehouden. Een aantal mensen zijn tegenstander van het bevolkingsregister omwille van
het gevaar op inbreuk in de privacy en omdat er misbruiken kunnen gebeuren.

Doordat het om een computerbestand gaat, kunnen deze statistieken nu geproduceerd
worden met relatief bescheiden middelen. Tevens worden de gegevens nu sneller
gepubliceerd. In de praktijk wordt het overgrote deel van de bewegingen geregistreerd
binnen een periode van 4 tot 6 weken. Om de statistiek binnen een redelijke termijn klaar
te krijgen moet men het Rijksregister gebruiken met de inhoud die het op een bepaalde
datum heeft. Als een compromis tussen snelheid en precisie opteert men voor de staat
van het Rijksregister op het einde van de maand maart, volgend op het jaar waarvoor de
loop van de bevolking wordt geanalyseerd. De kwaliteit van het uiteindelijke resultaat is
afhankelijk van die van elke schakel in de ketting: de gemeenteregisters, de overzending
naar het Rijksregister, het beheer bij het Register en de verwerking op het vlak van het
ADSEI. De nauwkeurigheid van de gegevens behoort waarschijnlijk, samen met de
Scandinavische landen, tot de beste ter wereld. Omwille van en vrije verkeer, de vrije
keuze van woonplaats en de afwezigheid van controles en het feit dat er in België dagelijks
ongeveer 1500 inschrijvingen en schrappingen worden verricht, kan men moeilijk
verwachten dat de bevolking nog nauwkeuriger wordt vastgesteld.

In andere landen stelt men zich tevreden met de grote gebeurtenissen in het leven der
individuen in registers in te schrijven. In sommige landen is de meldingsplicht bij de
burgerlijke stand nog nieuw. In Bolivia is ze in 1940 ingesteld. In een groot deel van Afrika
voor de onafhankelijkheid hadden de bevolkingsregisters slechts betrekking op de
Europese bevolking. Migratieregistratie is moeilijk omdat er een verschil bestaat tussen
tijdelijke en definitieve migratie. Ook zijn er heel wat illegale migraties. De grens tussen
transit en immigatie is niet altijd duidelijk.


▪ Volkstellingen

Geregeld heeft per land een volkstelling plaats. Volkstellingen zijn zo oud als de
beschaving. Het is bekend dat zij al voor het begin van onze jaartelling plaats vonden in
Egypte en in andere landen met een vroege beschaving zoals Japan, China en Perzië. De
meest bekende uit de Oudheid vond plaats bij de geboorte van Christus, in Palestina
onder keizer Augustus. Deze tellingen hadden beperkte doeleinden zoals de telling van
het aantal bewoners, aantal weerbare mannen, de verdeling van grondbezit, e.d. In de
Middeleeuwen ontstond in Engeland een van de belangrijkste statistische documenten
uit de geschiedenis van Europa: het Domesday Book (1086). Willem de Veroveraar
wenste een inventaris van zijn rijk en kwam tot 300.000 gezinshoofden en 1,5 miljoen
inwoners. Middeleeuwse tellingen zijn bijna altijd van beperkte omvang, onvolledig,
gebrekkig uitgevoerd. Mits een kritische verwerking kan men er toch nuttige gegevens
uithalen.

de
De eerste volkstellingen van het moderne type dateren van het eind van de 18 eeuw.
Het tijdstip waarop de eerste tellingen met nationaal karakter plaatsvonden verschilt van
het ene land tot het andere: Finland (1749), Zweden (1750), Noorwegen en Denemarken
(1769), USA (1790), Engeland en Frankrijk (1801), Nederland (1829). In België werd in



1 AA VS 2 184 © 2019 Arteveldehogeschool

opdracht van de overheid voor het eerst een volkstelling gehouden door het Bureau de
Statistique Générale en de Commission centrale de Statistique in 1846 onder leiding van
Adolphe Quételet. De werkwijze was grotendeels gebaseerd op de telling die in 1829 nog
onder het Hollandse bewind werd gehouden. De inlichtingen werden ingewonnen op
basis van een zogenaamd huishoudelijk telformulier, en verwerkt per gemeente. In 1856
volgde een nieuwe telling en werd wettelijk bepaald voortaan om de tien jaar een nieuwe
telling te organiseren. De (eerste) volkstelling in ons land (1846 dus) kan beschouwd
worden als de eerste wetenschappelijke telling op wereldvlak. Zij heeft bovendien geleid
tot de inrichting van de bevolkingsregisters in de gemeenten. Ongeveer om de 10 jaar
werd er een volkstelling gehouden. Na de tweede wereldoorlog werden er volkstellingen
gehouden in 1947, 1961 en 1970 telkens op 31 december. De volkstelling van 1981 had
plaats op 1 maart. Op 1 maart 1991 tot slot werd de laatste volkstelling gehouden.
Ingevolge een wetsaanpassing werd de volkstelling nadien immers afgeschaft. Op 1
oktober 2001 werd er nog een laatste exhaustieve Algemene socio-economische enquête
georganiseerd door het NIS (het vroegere ADSEI), waaraan alle op dat ogenblik in het
bevolkingsregister ingeschreven inwoners deelnamen. Het was de allereerste keer dat er
zonder tussenkomst van een enquêteur onderzoek werd gedaan. Slechts de huishoudens
die ook na een herinneringsbrief niet reageerden werden door enquêteurs bezocht. De
participatiegraad lag desondanks met 96,9% drie procent hoger dan bij de laatste
volkstelling in 1991.

De volkstellingen in ons land hadden een dubbel doel. Enerzijds waren er wettelijke en
administratieve doeleinden, zoals het vaststellen van de werkelijke bevolking, de
herziening van de bevolkingsregisters en sinds 1971 werd in de Grondwet opgenomen dat
het aantal senatoren en volksvertegenwoordigers per arrondissement bepaald wordt op
basis van de gegevens van de volkstelling. Anderzijds waren er statistische doeleinden.
Door de combinatie van de diverse inlichtingen die door verschillende telformulieren
verzameld worden, zal het mogelijk zijn een beeld te verschaffen van de demografische,
culturele, economische en sociale toestand van het land, de gewesten en de gemeenten.
Deze inlichtingen vormen de basis van talrijke studiën zowel op administratief als op
wettelijk gebied. Uitgebreide formulieren dienen ingevuld te worden om de bestaande
toestand nauwkeurig te kennen. Eventuele fouten en nalatigheden bij de jaarlijkse
berekeningen kunnen aldus verbeterd worden.


De tellingen gebeuren aan de hand van diverse vragenlijsten die aan elk gezin worden
uitgereikt per post. De ophaling van deze vragenlijsten worden uitgevoerd door ongeveer
15.000 tellers die de formulieren controleren en in vele gevallen zelf zorgen voor het
invullen ervan. Elk gezin dient één gezinstelformulier bestemd voor het gemeentebestuur
en één bestemd voor het ADSEI alsmede een woningtelformulier in te vullen en
bovendien evenveel individuele telformulieren als er personen in dat gezin aanwezig zijn.
In het totaal behelzen de vragenlijsten samen een honderdtal te beantwoorden vragen.
De gegevens van een volkstelling worden uitsluitend benut voor het opstellen van
naamloze statistieken waarbij de strengste geheimhouding in acht wordt genomen. De
antwoorden op de vragen van de volkstelling zijn dus strikt vertrouwelijk. Deze
antwoorden mogen aan niemand worden medegedeeld. Al de tellers zijn gebonden aan
het meest strenge beroepsgeheim. Elke inwoner is verplicht zo eerlijk en volledig mogelijk



1 AA VS 2 185 © 2019 Arteveldehogeschool

op de vragen te antwoorden. Tot voor de volkstelling van 31 december 1970 waren in ons
land geen bevolkingsgegevens beschikbaar voor onderdelen van gemeenten. Om interne
verschillen binnen een gemeente beter tot uiting te laten komen worden nu de
volkstellinggegevens per onderdeel van een gemeente verzameld. Zo een onderdeel van
een gemeente werd een statistische sector genoemd. Sinds de volkstelling van 1991
worden de statistische sectoren statistische buurten genoemd.


Een klassieke volkstelling levert om de 10 jaar een volledig en gedetailleerd beeld van de
bevolking. Nadelen zijn de hoge kost en het feit dat al bij al toch slechts om de 10 jaar een
momentopname wordt gemaakt. Het verschijnen van de resultaten laat ook te lang op
zich wachten. Een alternatief dat thans door het ADSEI wordt onderzocht, is een continue
enquêtering van individuen. Via het systeem van de vernieuwing van identiteitskaarten.
Vermits deze vernieuwing om de 10 jaar moet gebeuren, zal de houder van een
identiteitskaart minstens één keer per 10 jaar worden bevraagd en kan in een tijdspanne
van 10 jaar een groot deel van de bevolking relatief gemakkelijk worden gecontacteerd.


▪ Volksschattingen

In veel ontwikkelingslanden bestaan er geen bevolkingsregisters en slechts af en toe
worden er tellingen georganiseerd van een beperkte omvang. Om enig idee te krijgen van
de bevolkingssituatie in deze landen is men vaak verplicht te steunen op schattingen,
steekproeven en berekeningen op basis van vermoedelijke geboorte- en sterftecijfers. Zo
neemt men steekproeven over de bevolking van een aantal representatieve dorpen uit
de streek. Ook worden enquêtes gehouden i.v.m. geboorten, sterften, enz. om de
bevolkingsevolutie in te schatten. Soms blijven er grote onzekerheden. Het is daarom op
geen tientallen miljoenen na te zeggen hoe groot de wereldbevolking is.

7.2.3 Cartografische voorstelling van bevolkingsgegevens

De bevolkingsspreiding wordt meestal weergegeven door twee soorten kaarten. De
eerste soort maakt gebruik van verschillende dichtheidscategorieën, relatieve waarden,
die bekomen worden uit de verhouding van het aantal mensen tot een bepaald gebied
(oppervlakte). Daar de tellingen van de bevolkingen gewoonlijk slechts beschikbaar zijn
volgens de staatkundige en bestuurlijke indelingen zijn deze indelingen ook gewoonlijk de
basis voor de meeste dichtheidskaarten. De tweede soort maakt gebruik van absolute
waarden. Zowel de punten- als de dichtheidskaarten zijn relatief eenvoudig, daar ze enkel
rekening houden met het aantal mensen en niet met hun eigenschappen. Zij
veronderstellen dus dat mensen van verschillende culturen en achtergronden gelijk zijn
wat betreft hun verworven eigenschappen en er wordt geen rekening gehouden met de
grote verscheidenheid van hun vaardigheden, technologische niveaus, fysisch welzijn,
genoten onderwijs en de mogelijkheden als voortbrengers en gebruikers. Er is dus geen
overbevolking uit af te lezen. Dergelijke kaarten verwaarlozen eveneens het feit dat
gebieden van vergelijkbare grootte markante verschillen kunnen vertonen in verband met
de natuurlijke hulpbronnen voor het onderhoud van menselijk leven. De meeste
bevolkingskaarten hebben dus ernstige tekortkomingen daar zij uitgaan van
gelijkschakeling van zowel de bevolking als van de oppervlakte.






1 AA VS 2 186 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Absolute kaartvoorstelling

Men streeft ernaar de spreiding van de bevolking zo nauwkeurig en zo duidelijk mogelijk
weer te geven. Het is duidelijk dat absolute bevolkingscijfers hier dienen gebruikt te
worden, maar vermits de bevolkingsaanduiding waarheidsgetrouw op de kaart gespreid
wordt, is het nodig dat equivalente kaarten (oppervlaktegetrouw) gebezigd worden. Het
meest sprekend is de puntjesmethode, waarbij elk puntje een zeker aantal mensen
vertegenwoordigt. Het komt er dan op aan de puntjes oordeelkundig te verdelen over de
kaart. Bij grote bevolkingsconcentraties maakt men gebruik van cirkels waarvan de
oppervlakte evenredig is met het bevolkingsaantal.

Als voordelen van deze methoden kan men vermelden:
- De werkelijkheid wordt het dichtst benaderd daar het verschijnsel kwantitatief wordt
aangeduid op de plaats waar het zich voordoet. Het beeld is sprekend en praktisch.
- Gebruikt in ontwikkelingslanden waar nederzettingen beter bekend zijn dan grenzen

van administratieve territoria.
- Men kan een kwalitatief aspect hieraan toevoegen bv. door verschillende kleuren in
de puntenvoorstelling in te brengen bv. voor verschillende etnisch groepen.


Als nadelen moeten vermeld worden:
- De constructie van de kaarten is tijdrovend;
- Nauwkeurige inlichtingen aangaande de kwantitatieve verhoudingen kunnen slechts
moeizaam verkregen worden door optelling van de puntjes.
- Een stipje stelt een aantal personen voor, zodat een dergelijke kaart noodzakelijk de
gedachte oproept van concentratie, hetgeen niet steeds zo is.
- Hoe het aantal puntjes spreiden over de administratieve oppervlakte (gelijkmatig of

geconcentreerd?).

De nadelen zijn niet zo afbrekend. Het doel van een duidelijke sprekende indruk te krijgen
van de bevolkingsspreiding wordt bevredigd; wil men preciese gegevens dan is het
noodzakelijk cijfermateriaal te raadplegen. In plaats van allemaal identieke puntjes te
gebruiken wordt een legende opgesteld van steeds groter wordende cirkels. Hierdoor
wordt het optellen van een groot aantal punten overbodig.

▪ Relatieve kaartvoorstelling

Bij deze methode geeft men de bevolking weer in verhouding (relatie) met de
oppervlakte. We gebruiken hier het begrip bevolkingsdichtheid. Om de kaart
overzichtelijk te houden is het nodig over te gaan tot groeperingen in dichtheidski assen
waarvan de grootte en grenzen oordeelkundig gekozen moeten worden. Gebieden van
eenzelfde klasse worden gekleurd of gearceerd. Het is belangrijk de kleurenvolgorde goed
te kiezen. Dat de keuze van de klassengrenzen van groot belang is kan duidelijk gemaakt
worden door de figuren die volgen. Volgens de keuze komt men tot sterk uiteenlopende
indrukken van ruimtelijke spreiding.

Deze methode biedt wel belangrijke nadelen:






1 AA VS 2 187 © 2019 Arteveldehogeschool

- Bepaalde schakeringen gaan verloren, gezien de gehele oppervlakte der gemeenten
(eventueel land of werelddeel) met eenzelfde kleur of arcering overdekt.
- Ook de uitwerking van de klassen is niet eenvoudig. Men mag niet te veel

schakeringen kiezen, of de kaart verliest aan overzichtelijkheid, maar ook niet te
weinig, of de kaart geeft een vals beeld. Ook de grenzen der grootteklassen moeten
representatief zijn. Tenslotte wat zal men als oppervlakte-eenheid nemen: de
gemeente, het arrondissement, een land, een werelddeel? Mag men woeste
gronden, bossen samen nemen met landbouwgrond?


Als voordelen kunnen we vermelden:
- Met deze voorstellingswijze komen de grote steden in de hoogste dichtheidsklasse
terecht. De oppervlakte wordt gerespecteerd. Dit is niet steeds mogelijk in de
absolute voorstellingswijze: indien de bevolkingsconcentraties hoog is, wordt het
bevolkingsaantal voorgesteld door een cirkel die wellicht de grenzen overschrijdt.
Wenst men binnen de administratieve of reële grenzen te blijven voor de steden in
de absolute voorstellingswijze dienen de symbolen voor de dunbevolkte
plattelandsgebieden te fel gereduceerd te worden.
- De mogelijkheden bij het weergeven van de ruimtelijke spreidingspatronen stijgen
wanneer de grootte van de statistische gebieden afneemt. Per gemeente bekomt
men een veel nuttiger beeld.
- Het gebruik van de rekenkundige dichtheid is praktisch algemeen daar deze gegevens
het gemakkelijkst beschikbaar zijn.

▪ Meer voorstellingswijzen en varianten op bevolkingsdichtheid

Naast deze twee belangrijkste voorstellingswijzen zijn er nog andere voorstellingswijzen,
zoals potentiaalkaarten, per vierkante i.p.v. administratieve grenzen, isolijnen, e.d. Een
meer verfijnde vorm van dichtheid wordt uitgedrukt door de verhouding totale
bevolking/bebouwbaar land. Dit wordt ook fysiologische dichtheid genoemd. Alle land dat
niet geschikt is voor bewerking wordt verwijderd uit de noemer van de breuk. Hier wordt
dus het productieve niet-bouwland uitgeschakeld, dus niet alleen woeste en
onvruchtbare gronden, maar ook wouden, natuurlijke weiden, mijnbouwgebieden. Ook
worden de verschillen in opbrengst van het bouwland ingevolge de differentiële
klimatologische, pedologische en draineringseigenschappen niet in rekening gebracht.
Nochtans is de fysiologische dichtheid reeds beter in staat een vergelijking te maken
tussen de bezetting van een gebied en zijn mogelijkheden wat betreft voedselproductie
en de productie van vegetatieve grondstoffen. In Egypte is 4% landbouwland. De
fysiologische dichtheid is dus 25 maal hoger dan de rekenkundige dichtheid.

7.2.4 Invloed klassengrenzen op voorstelling van bevolkingsgegevens

OPDRACHT

Ga de invloed van de verschillende klassenbegrenzingsmethodes na op de voorstelling
van bevolkingsgegevens. Doe dit door de opdrachten te maken bij elke methode. Bij alle
‘kaarten’ die hierbij aan bod komen, stellen de vakjes 10 ha voor. De totale oppervlakte is
dus 10 km². De getallen stellen het aantal inwoner voor per vakje.




1 AA VS 2 188 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ Groeperen volgens gelijke intervallen


Bij de klassebegrenzingsmethode van gelijke intervallen wordt het verschil in waarde
tussen de vakjes met de hoogste en deze met de laagste waarde gedeeld door het aantal
gewenste groepen.

OPDRACHT

Kleur het model volgens deze methode, volgens de aangegeven kleur. Bespreek dit model
in relatie met de kaart van België die volgens die methode is gemaakt.



Groen Geel Oranje Rood Bruin

Grenswaarde
Aantal per groep


125 345 40 9030 9500 11500 5400 980 320 90
170 35 75 310 570 17050 1540 385 140 87
85 9000 735 870 490 5000 675 4730 2100 150
8000 14000 730 450 520 850 6050 1020 12100 9020
370 990 680 750 630 1500 9800 1250 605 540
1100 740 680 150 890 20259 7650 440 550 60
654 1210 2050 740 920 1100 732 150 300 41
570 1450 5500 2030 430 950 100 30 23 35
810 2150 3500 830 525 733 110 45 120 340
275 255 1200 990 756 420 70 165 250 270

▪ Groeperen volgens gelijke frequenties

Bij de methode van gelijke frequenties komt iedere kleur of arcering overeen met
hetzelfde aantal vakjes.

OPDRACHT

Vul aan: 100 vakjes voor vijf groepen betekent telkens ………………………. vakjes. Verdeel de
rangschikking naar grootte volgens die groepen en kleur het model volgens die methode.
Bespreek dit model in relatie met de kaart van België die volgens die methode is gemaakt.


Groen Geel Oranje Rood Bruin

Grenswaarde

Aantal per groep

125 345 40 9030 9500 11500 5400 980 320 90
170 35 75 310 570 17050 1540 385 140 87
85 9000 735 870 490 5000 675 4730 2100 150
8000 14000 730 450 520 850 6050 1020 12100 9020



1 AA VS 2 189 © 2019 Arteveldehogeschool

125 345 40 9030 9500 11500 5400 980 320 90
370 990 680 750 630 1500 9800 1250 605 540
1100 740 680 150 890 20259 7650 440 550 60
654 1210 2050 740 920 1100 732 150 300 41
570 1450 5500 2030 430 950 100 30 23 35
810 2150 3500 830 525 733 110 45 120 340
275 255 1200 990 756 420 70 165 250 270

▪ Groeperen volgens gelijke frequenties t.o.v. het gemiddelde

Deze groeperingsmethode beoogt een verbetering van de techniek met gelijke
frequenties waarbij een eventuele scheefheid in de frequenties van de waarde
gecorrigeerd wordt. Men neemt het gemiddelde en groepeert de vakjes met lagere en
hogere waarde in gelijke frequenties.

OPDRACHT

Kleur volgend model volgens die methode en vergelijk met de nader modellen. Bespreek
dit model in relatie met de kaart van België die volgens die methode is gemaakt.


Groen Geel Oranje Rood Bruin

Grenswaarde

Aantal per groep

125 345 40 9030 9500 11500 5400 980 320 90
170 35 75 310 570 17050 1540 385 140 87
85 9000 735 870 490 5000 675 4730 2100 150
8000 14000 730 450 520 850 6050 1020 12100 9020
370 990 680 750 630 1500 9800 1250 605 540
1100 740 680 150 890 20259 7650 440 550 60
654 1210 2050 740 920 1100 732 150 300 41
570 1450 5500 2030 430 950 100 30 23 35
810 2150 3500 830 525 733 110 45 120 340
275 255 1200 990 756 420 70 165 250 270

▪ Bevolkingsdichtheid in België als voorbeeld


Grenswaarden 23 4066 8114 12162 16210 20259
# gemeenten 573 7 2 5 2
Grenswaarden 23 124 228 374 666 20259
# gemeenten 118 118 118 118 117
Grenswaarden 23 230 696 698 700 1189 20259
# gemeenten 241 241 Gem. 54 53









1 AA VS 2 190 © 2019 Arteveldehogeschool

Gelijk interval











Gelijke frequentie











Gelijke oppervlakte












Gelijke Gelijke
Gelijke Gelijke Gelijke Gelijke
frequenties tov frequenties tov
intervallen frequenties intervallen frequenties
gemiddelde gemiddelde
23 680 23 680 23 680 270 1450 270 1450 270 1450
30 730 30 730 30 730 275 1500 275 1500 275 1500
35 732 35 732 35 732 300 1540 300 1540 300 1540
35 733 35 733 35 733 310 2030 310 2030 310 2030
40 735 40 735 40 735 320 2050 320 2050 320 2050
41 740 41 740 41 740 340 2100 340 2100 340 2100
45 740 45 740 45 740 345 2150 345 2150 345 2150
60 750 60 750 60 750 370 3500 370 3500 370 3500
70 756 70 756 70 756 385 4730 385 4730 385 4730
75 810 75 810 75 810 420 5000 420 5000 420 5000
85 830 85 830 85 830 430 5400 430 5400 430 5400
87 850 87 850 87 850 440 5500 440 5500 440 5500
90 870 90 870 90 870 450 6050 450 6050 450 6050
100 890 100 890 100 890 490 7650 490 7650 490 7650
110 920 110 920 110 920 520 8000 520 8000 520 8000
120 950 120 950 120 950 525 9000 525 9000 525 9000
125 980 125 980 125 980 540 9020 540 9020 540 9020
140 990 140 990 140 990 550 9030 550 9030 550 9030
150 990 150 990 150 990 570 9500 570 9500 570 9500
150 1020 150 1020 150 1020 570 9800 570 9800 570 9800
150 1100 150 1100 150 1100 605 11500 605 11500 605 11500
165 1100 165 1100 165 1100 630 12100 630 12100 630 12100
170 1200 170 1200 170 1200 645 14000 645 14000 645 14000
250 1310 250 1310 250 1310 675 17050 675 17050 675 17050
255 1350 255 1350 255 1350 680 20259 680 20259 680 20259







1 AA VS 2 191 © 2019 Arteveldehogeschool

7.3 Demografische ontwikkelingen in België

34
7.3.1 Recente ontwikkelingen

7.3.1.1 Bevolking op 1 januari 2018
Op 1 januari 2018 telde ons land 11.376.070 inwoners. Van die bevolking woont 58% in
Vlaanderen, 32% in Wallonië en 10% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Iets minder
dan 1% woont in een van de gemeenten van de Duitstalige Gemeenschap.















Figuur 124: Bevolking van België en de gewesten op 1 januari 1998, 2008 en 2018

De bevolking van de Europese Unie (EU28) werd op 1 januari 2018 geschat op 512.647.966
inwoners. Met een niet te verwaarlozen demografisch gewicht staat België op de negende
plaats en vertegenwoordigt het 2,2% van de totale bevolking van de Europese Unie. Ons
land verstevigt die positie de laatste jaren zelfs, dankzij een demografische dynamiek die
boven het Europese gemiddelde uitsteekt.


























Figuur 125: Bevolking in de EU op 1 januari 2018

7.3.1.2 Loop van de bevolking
In de loop van 2017 is de in België wonende bevolking met 53.982 personen toegenomen.
Die bevolkingsaanwas is grotendeels toe te schrijven aan het internationale migratie-
saldo, dat 44.536 personen bedraagt. Het overschot van de geboortes op de overlijdens
bedraagt 9.473 personen. Het aantal overlijdens stijgt licht ten opzichte van 2016. In 2017
stierven er 109.629 personen in ons land, in 2016 waren dat er 108.056. De jaarlijkse groei
is met 0,48% gelijk gebleven.


34 (Waeyaert, 2018)


1 AA VS 2 192 © 2019 Arteveldehogeschool

Figuur 126: Jaarlijkse bevolkingsgroei in België
Het merendeel van de 589 gemeenten van het land kende in 2017 een positieve
bevolkingsgroei. 138 gemeenten zagen hun bevolking dalen. De sterkste stijgingen
werden opgetekend in Antwerpen, Brussel, Gent en Leuven. De snelste relatieve groei
echter is merkbaar in kleine gemeenten (met minder dan 10.000 inwoners).


7.3.1.3 Bevolkingsstructuur per leeftijd en vergrijzing
De bevolking die op 1 januari 2018 in België woonde, vergrijst aanzienlijk. De opbouw naar
leeftijd en geslacht van de bevolking, die door middel van een leeftijdspiramide wordt
weergegeven, illustreert deze evolutie op een duidelijke manier.


De leeftijdsklassen boven 80 jaar nemen ten opzichte van 2008 iets in omvang toe. De
leeftijdsklassen van de babyboomgeneratie blijven weliswaar omvangrijk, al nam hun
overwicht de voorbije tien jaar enigszins af. Het aantal zeer jonge kinderen is niet
gestegen. Bij de jongeren zijn er meer mannen dan vrouwen (de geslachtsverhouding blijft
in België, zoals bijna overal, op 105 jongens per 100 meisjes bij de geboorte) . Vrouwen
worden talrijker op hogere leeftijd door een hoger sterftecijfer bij mannen dan bij
vrouwen op alle leeftijden.





















Figuur 127: Leeftijdspiramide van België op 1 januari 2008 (links) en 2018 (rechts)






1 AA VS 2 193 © 2019 Arteveldehogeschool

Het gevolg is een onevenwicht tussen de geslachten dat steeds groter wordt naarmate de
leeftijd toeneemt. Zo zijn er binnen de groep tachtigers meer dan 60% vrouwen. Bij de
negentigers zijn vrouwen meer dan drie keer zo talrijk vertegenwoordigd als mannen.

De leeftijdspiramide is niet gelijk voor heel het land. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
is duidelijk jonger dan de twee andere gewesten: hier woont een groter percentage
jongeren (23% van minder dan 18 jaar) en een kleiner percentage bejaarden (13%). Het
Waals Gewest staat dan weer dichter bij het nationale gemiddelde. Het Vlaams Gewest
wijkt er sterker van af door een meer uitgesproken vergrijzing. Er worden namelijk minder
jongeren (19%) en meer bejaarden (20%) geteld. De verschillen in de leeftijdsstructuur
tussen de gewesten zijn de voorbije jaren eerder toegenomen.

Het percentage bejaarden geeft een indicatie van de vergrijzing op lokaal niveau. Op dat
vlak zijn er aanzienlijke verschillen over heel het land. Zo ligt in meerdere kustgemeenten
het percentage 65-plussers boven de 30% (tegenover slechts 18,5% voor geheel België).
Dit is het geval in De Panne, Blankenberge, De Haan, Middelkerke, Nieuwpoort, Knokke-
Heist en Koksijde. In meerdere Waalse gemeenten bedraagt het aantal 65-plussers meer
dan 20%: Chaudfontaine, Vresse-sur-Semois, Spa, Neupré, Bouillon, Daverdisse,
Florenville, Montigny-le-Tilleul, Gerpinnes en Waterloo. In het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest kent het fenomeen duidelijk tegenstellingen: in de centrumgemeenten is minder
dan 10% van de bevolking ouder dan 65 jaar (Sint-Joost-ten-Node, Sint-Gillis en
Schaarbeek), terwijl de zuidelijke gemeenten het nationale gemiddelde overschrijden
(Watermaal-Bosvoorde, Sint-Pieters-Woluwe en Ukkel).













Figuur 128: Verdeling volgens leeftijdsgroepen op 1 januari 2018 per gewest
Parallel aan de toenemende vergrijzing in België, neemt ook de levensverwachting bij de
geboorte toe. Van 1997 tot 2017 is ze met 4,0 jaar toegenomen van 77,4 tot 81,4 jaar, of
een toename van de levensverwachting van gemiddeld 2,3 maand per jaar gedurende 21
jaar.









Figuur 129: Levensverwachting bij geboorde (in jaren)
Van die evolutie profiteren mannen (+4,9 jaar) meer dan vrouwen (+3,1 jaar), waardoor
de kloof in levensverwachting tussen mannen en vrouwen geleidelijk verkleint. In 2017
bleef de levensverwachting van de vrouwen veel hoger dan die van de mannen:
respectievelijk 83,7 jaar en 79,0 jaar.




1 AA VS 2 194 © 2019 Arteveldehogeschool

7.3.1.4 Buitenlandse bevolking
Op 1 januari 2018 telde België 1.357.556 personen van vreemde nationaliteit, namelijk
12% van de totale bevolking. Tien jaar daarvoor bestond 9% van de Belgische bevolking
uit buitenlandse staatsburgers, namelijk 971.448 personen.

Deze buitenlandse bevolking bestaat voornamelijk uit staatsburgers van een land van de
Europese Unie. Personen uit de Europese Unie vertegenwoordigen 67% van de
buitenlandse bevolking op 1 januari 2018. Dit percentage blijft constant, aangezien het op
1 januari 2008 68% bedroeg. Fransen, Italianen en Nederlanders blijven ook in 2018 het
vertegenwoordigd talrijkst binnen de vreemde bevolking in ons land.




























Figuur 130: Voornaamste nationaliteiten van de buitenlandse bevolking in België

De voornaamste nationaliteitslanden van de buitenlandse staatsburgers waren Frankrijk,
Italië, Nederland, Marokko en Roemenië. Burgers uit die landen vormen vrijwel de helft
van de buitenlandse bevolking in België (48%). Tien jaar geleden stonden dezelfde landen
(behalve Roemenië) ook vooraan in het klassement van herkomstlanden van inwoners
met een vreemde nationaliteit, maar in een iets andere volgorde. Roemenië en Polen zijn
landen waarvan het aantal staatsburgers het snelst gestegen is in de loop van deze jaren
in ons land. Het aandeel Roemenen blijft groeien: van 6% van de vreemde bevolking op 1
januari 2017 is dit gestegen naar 6,5% een jaar later. Binnen de andere veel voorkomende
landen, blijft het relatieve aandeel van Italië (van 17% in 2008 naar 11,5% in 2018),
Marokko (van 8% naar 6%) en Turkije (van 4% naar minder dan 3%) verminderen na
verloop van tijd. Die afname ging gepaard met een belangrijke golf verwervingen van de
Belgische nationaliteit.


De spreiding van de bevolking met een vreemde nationaliteit is niet homogeen in België.
Veel buitenlandse staatsburgers wonen in de Brusselse agglomeratie, waar ze in bepaalde
gemeenten een bijna even grote groep vormen als de Belgische staatsburgers. Dat is
onder meer het geval in Elsene (49%), Sint-Gillis (48%) en Etterbeek (48%). Ook buiten de
grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft het percentage inwoners van
vreemde nationaliteit hoog. Dit is namelijk het geval in alle gemeenten die grenzen aan
het Zoniënwoud, van Tervuren tot Waterloo. In de grote meerderheid van de gevallen



1 AA VS 2 195 © 2019 Arteveldehogeschool

gaat het over Europese staatsburgers. Zo vindt men nogal wat Nederlanders, Britten en
Duitsers terug in de Vlaamse gemeenten ten westen van Brussel: Tervuren en Overijse.
Ten zuiden van Brussel zijn het eerder staatsburgers van Romaanse landen die het meest
vertegenwoordigd zijn: Fransen en Italianen zijn bijvoorbeeld de grootste buitenlandse
bevolkingsgroepen in Waterloo. De grote stedelijke centra zoals Antwerpen en Luik
herbergen ook een groot aandeel vreemdelingen (ongeveer 20% voor deze twee steden).
Daarnaast wonen er veel buitenlandse staatsburgers in een aantal grensgemeenten aan
de rand van de agglomeraties Rijsel (Frankrijk), Aken (Duitsland), Maastricht (Nederland)
en Luxemburg, van waaruit ze vaak verhuisd zijn. In bepaalde andere grensgemeenten
wonen er ook veel vreemdelingen. In de gemeente Baarle-Hertog in de provincie
Antwerpen bijvoorbeeld is meer dan de helft van de bevolking van vreemde nationaliteit
(51%) - de vreemde bevolking omvat 89% personen met de Nederlandse nationaliteit. Tot
slot wonen er ook veel buitenlanders langs de oude Waalse industriële as, waar hun
aanwezigheid nu historisch genoemd mag worden. Voorbeelden zijn de Italianen in de
gemeenten van de Borinage en van de streek Centre (rond La Louvière).

In 2017 lieten 37.399 mensen zich tot Belg naturaliseren. De voornaamste
herkomstlanden van mensen die in 2017 Belg werden zijn Marokko, Roemenië, Polen en
het Verenigd Koninkrijk. In twee jaar tijd is het aantal mensen uit het Verenigd Koninkrijk
die de Belgische nationaliteit verwierven vertienvoudigd (127 in 2015, 506 in 2016 en
1.381 in 2017). Tien jaar geleden waren Marokko, Turkije, Italië en de Democratische
Republiek Congo de vier belangrijkste landen van herkomst van de nieuwe Belgen.





























Figuur 131: Vroegere nationaliteit van personen die de Belgische nationaliteit hebben verworven

35
7.3.2 Demografische vooruitzichten
7.3.2.1 Inleiding
Demografische projecties impliceren hypothesen. De demografische hypothesen die in
deze oefening werden gekozen, trekken de huidige trends door en zien er als volgt uit:




35 Naar (Vandresse, 2018)


1 AA VS 2 196 © 2019 Arteveldehogeschool

▪ een internationale migratie van buitenlanders die oploopt tot 120.000 immigraties
en 100.000 emigraties per jaar.
▪ een levensverwachting die in 2070 toeneemt tot 90 jaar voor de vrouwen en 88
jaar voor de mannen.
▪ een gemiddelde van 1,9 kinderen per vrouw tegen 2070.


Verder werd in de hypothesen ook rekening gehouden met de effecten van de uitdoving
van de babyboomgeneratie.

7.3.2.2 Demografische groei van België
Na 2055 doven de babyboomgeneraties geboren na de Tweede Wereldoorlog namelijk
volledig uit, waardoor het aantal overlijdens vermindert. Het natuurlijk saldo wordt dan
opnieuw de belangrijkste determinant van de demografische groei in België, wat niet
meer werd waargenomen sinds het begin van de jaren ‘90. Sinds die periode werd de
Belgische demografische groei immers sterk ondersteund door het internationaal
migratiesaldo.

Rekening houdend met bovenstaande, wijzen de demografische projecties uit dat de
Belgische bevolking stijgt van 11,3 miljoen inwoners in 2017 tot 13,4 miljoen in 2070. De
bevolking van het land stijgt elk jaar gemiddeld met 40.000 inwoners. De demografische
groei op lange termijn is echter minder sterk dan die tijdens de voorbije drie decennia.


Omdat de babyboomers geleidelijk hogere leeftijden bereiken, versnelt de vergrijzing van
de bevolking tot 2040 en stabiliseert die zich vervolgens tot 2070. In 2017 telt België één
67-plusser voor 4 personen tussen 18 en 66 jaar. In 2040 bedraagt die verhouding 1 voor
2,6 en blijft die op dat niveau over de periode 2040-2070 als gevolg van het feit dat de
babyboomgeneraties uitdoven en de vruchtbaarheid constant blijft op lange termijn.


De vergrijzing van de bevolking heeft ook een impact op de evolutie van de
huishoudenstypes: het aandeel éénpersoonshuishoudens stijgt fors. Door de
samenlevingstrends door te trekken, stijgt ook het aandeel huishoudens met een
samenwonend koppel of eenoudergezinnen. Als gevolg van die evoluties – zowel op het
gebied van de bevolkingsstructuur als op het gebied van de samenlevingsvormen – daalt
de gemiddelde huishoudensgrootte in België en stijgt het aantal particuliere huishoudens
sneller dan de bevolking.


7.3.2.3 Demografische groei van de gewesten
In elk van de drie gewesten is de geprojecteerde bevolkingsgroei tot 2070 positief, maar
wel lager dan de groei die tijdens de laatste drie decennia werd waargenomen. In het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de bevolkingsgroei (23% tussen 2017 en 2070) groter
dan die in de andere gewesten (20% in het Vlaams Gewest en 17% in het Waals Gewest).
Het internationaal migratiesaldo speelt een belangrijke rol in deze groei, vooral voor het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de drie gewesten ligt dat saldo echter onder de niveaus
die tijdens de jaren 2000 werden waargenomen.


Over de volledige projectieperiode zet die migratie een rem op de demografische groei
van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, terwijl ze die groei stimuleert in het Waals en het



1 AA VS 2 197 © 2019 Arteveldehogeschool

Vlaams Gewest. Sinds 2014 trekt het Vlaams Gewest nog meer inwoners aan vanuit het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest. Met die evolutie wordt gedeeltelijk
rekening gehouden in de projectie, wat intern migratiesaldo van het Vlaams Gewest
opdrijft ten koste van de andere twee gewesten.

In het Waals en het Vlaams Gewest groeit het aantal huishoudens sterker dan de
bevolking. Door de leeftijdsstructuur en het multicultureel profiel van zijn bevolking is de
evolutie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tegengesteld: het aantal huishoudens
groeit minder sterk dan de bevolking. In tegenstelling tot de andere twee gewesten, stijgt
het aandeel éénpersoonshuishoudens niet en is het aandeel huishoudens dat is
samengesteld uit een gehuwd koppel met kind(eren) stabiel tegen 2070.

7.3.2.4 Demografische groei van de arrondissementen
De bevolkingsgroei in België en de drie gewesten is positief tot 2070. Uit de analyse van
de projectie volgens arrondissement komen evenwel negatieve groeicijfers naar voren in
bepaalde arrondissementen. Die arrondissementen worden gekenmerkt door een groot
aandeel 67-plussers. Andere arrondissementen kennen een relatief sterke demografische
groei tussen 2017 en 2070 (rond 40 %). Het gaat in het bijzonder om de arrondissementen
waar het fenomeen van peri-urbanisatie speelt: migratie van jonge huishoudens van de
steden naar de periferie.


7.4 Demografische ontwikkelingen in Europa en de wereld
36

7.4.1 Algemene bevolkingscijfers
Medio 2017 bereikt de wereldbevolking bijna 7,6 miljard mensen, wat 1 miljard meer is
dan in 2005 en 2 miljard meer dan in 1993. Naar schatting is 50,4% van deze
wereldbevolking mannelijk en 49,6% vrouwelijk. 9% van de wereldbevolking is jonger dan
5 jaar, 26% jonger dan 15 jaar, 13% is 60 jaar of ouder en 2% is ouder dan 80 jaar. Volgens
de huidige schattingen worden er jaarlijks ongeveer 83 miljoen mensen aan de
wereldbevolking toegevoegd. Hierdoor wordt verwacht dat er in 2030 8,6 miljard mensen
zullen zijn, in 2050 9,8 miljard en in 2100 11,2 miljard, zelfs in de veronderstelling dat de
vruchtbaarheid zal blijven dalen.

7.4.2 Vruchtbaarheid

Er wordt aangenomen dat het wereldwijde vruchtbaarheidsniveau zal dalen van 2,5
geboortes per vrouw in 2010-2015 tot 2,2 geboortes in 2045-2050, en vervolgens zal
dalen tot 2,0 geboortes in 2095-2100. Dit is dus net onder het vervangingsniveau van 2,1
geboortes per vrouw!


De laatste jaren is deze vruchtbaarheid in vrijwel alle regio's van de wereld al gedaald. Zo
daalde de vruchtbaarheid in 2010-2015 al in 117 van de 125 landen waar de
vruchtbaarheid in 2005-2010 nog boven het vervangingsniveau lag, zoals het geval is in
China, de Verenigde Staten van Amerika, Brazilië Rusland, Japan, Vietnam, Duitsland, Iran,
Thailand en het Verenigd Koninkrijk. Ook in Afrika, waar de vruchtbaarheidscijfers het


36 (United Nations. Department of Economic and Social Affairs. Population Division, 2017)


1 AA VS 2 198 © 2019 Arteveldehogeschool

hoogst zijn, is de totale vruchtbaarheid al gedaald van 5,1 geboortes per vrouw in 2000-
2005 tot 4,7 geboortes in 2010-2015. In dezelfde periode daalde het vruchtbaarheids-
niveau ook in Azië (van 2,4 naar 2,2), Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (van 2,5 naar
2,1) en Noord-Amerika (van 2,0 naar 1,85). Europa is de afgelopen jaren een uitzondering
op deze trend geweest: de totale vruchtbaarheid is er gestegen van 1,4 geboortes per
vrouw in 2000-2005 tot 1,6 geboortes in 2010-2015. De totale vruchtbaarheid in Oceanië
is sinds 2000 weinig veranderd, met ongeveer 2,4 geboortes per vrouw in zowel 2000-
2005 als 2010-2015. Men verwacht wel dat de vruchtbaarheid in Europa en Noord-
Amerika in 2045-2050 opnieuw zal stijgen, tot respectievelijk 1,85 en 1,9 geboortes per
vrouw. In de andere regio’s zal de vruchtbaarheid wel dalen in die periode, met de
grootste daling in Afrika.


De 47 minst ontwikkelde landen hebben nog steeds een hoog vruchtbaarheidsniveau, met
4,3 geboortes per vrouw in 2010-2015, alsook een snelle bevolkingsgroei van 2,4% per
jaar. Hoewel dit percentage de komende decennia zal vertragen, zal de totale bevolking
van deze landen, die in 2017 ongeveer een miljard inwoners telt, tussen 2017 en 2030
toch nog met 33% toenemen en in 2050 1,9 miljard inwoners bereiken.

7.4.3 Vergrijzing

Een daling van het vruchtbaarheidsniveau leidt niet alleen tot een langzamere
bevolkingsgroei, maar ook tot een ouder wordende bevolking. Zowel op wereldniveau als
op het niveau van vele landen en regio’s is het aandeel ouderen gestegen, terwijl het
aandeel van jongeren is afgenomen. In 2017 zijn er wereldwijd meer dan twee keer zoveel
kinderen jonger dan 15 jaar dan personen die ouder zijn dan 60 jaar. In 2050 zal het aantal
zestigplussers echter ongeveer gelijk zijn aan het aantal kinderen onder de 15 jaar, met
ongeveer 2,1 miljard per groep. Dit is een verdubbeling in vergelijking met 2017 (met
slechts 962 miljoen zestigplussers), en in 2100 verwacht men een verdrievoudiging (met
3,1 miljard zestigplussers).

In Europa is al 25% van de bevolking 60 jaar of ouder en dat percentage zal in 2050 35%
en in 2100 36% bedragen. Ook de bevolking in andere regio's zal de komende decennia
aanzienlijk ouder worden. In Latijns-Amerika en het Caribisch gebied zullen de
zestigplussers van slechts 12% in 2017 naar 25% in 2050 gaan, wat ook zo is voor Azië. In
Noord-Amerika zullen deze percentages stijgen van 22% naar 28%, en in Oceanië van 17%
naar 23%. Afrika, dat de jongste leeftijdsverdeling van elke regio heeft, zal ook een snelle
vergrijzing van zijn bevolking doormaken de komende decennia, waarbij het percentage
van zestigplussers zal stijgen van 5% in 2017 tot 9% in 2050.

Het aantal personen ouder dan 80 jaar zal in vergelijking met 2017 (met slechts 137
miljoen tachtigplussers) verdrievoudigen in 2050 (tot 425 miljoen) en maar liefst
verzevenvoudigen in 2100 (tot 909 miljoen). In 2017 woont 27% van deze tachtigplussers
in Europa, maar dat aandeel zal dalen tot 17% in 2050 en 10% in 2100, aangezien de
bevolking van andere regio's in omvang blijft toenemen en zelf ouder wordt.

Hoewel verwacht wordt dat de bevolking van alle landen binnen afzienbare tijd ouder zal
worden, zal de bevolking in regio's waar de vruchtbaarheid nog hoog is, relatief jong




1 AA VS 2 199 © 2019 Arteveldehogeschool

blijven, althans op korte termijn. In Afrika bijvoorbeeld is momenteel 60% van de
bevolking jonger dan 25 jaar, maar dit percentage zal in 2030 licht dalen tot 57% en in
2050 verder afnemen tot ongeveer 50%.

7.4.4 Bevolkingsgroei en -krimp in regio’s
Naar verwachting zullen tien landen samen verantwoordelijk zijn voor meer dan de helft
van de verwachte toename van de wereldbevolking in de periode 2017-2050: India,
Nigeria, DR Congo, Pakistan, Ethiopië, Tanzania, de Verenigde Staten van Amerika,
Oeganda, Indonesië en Egypte.


In Afrika blijft de bevolkingsgroei zeer hoog. Men verwacht dat tussen 2017 en 2050 de
bevolking van 26 Afrikaanse landen ten minste zal verdubbelen, en voor zes Afrikaanse
landen zal de bevolking tegen 2100 toenemen tot meer dan vijf keer de huidige omvang:
Angola, Burundi, Niger, Somalië, Tanzania en Zambia.

Naar verwachting zullen 51 regio’s tussen 2017 en 2050 een bevolkingsafname ondergaan
en in tien regio’s zal de bevolking tegen 2050 met meer dan 15% gedaald zijn: Bulgarije,
Kroatië, Letland, Litouwen, Polen, de Republiek Moldavië, Roemenië, Servië, Oekraïne en
de Maagdeneilanden van de Verenigde Staten.

7.4.5 Levensverwachting

De levensverwachting is wereldwijd de afgelopen jaren aanzienlijk verbeterd: voor
mannen is de levensverwachting gestegen van 65 jaar in 2000-2005 tot 69 jaar in 2010-
2015, en voor vrouwen gaat het om een stijging van 69 jaar tot 73 jaar. Er bestaan echter
grote verschillen tussen de landen. Zo bedraagt de levensverwachting in Australië,
Hongkong, IJsland, Italië, Japan, Macau, Singapore, Spanje en Zwitserland voor beide
geslachten samen momenteel 82 jaar, terwijl dit in de Centraal-Afrikaanse Republiek,
Tsjaad, Ivoorkust, Lesotho, Nigeria, Sierra Leone, Somalië en Swaziland minder dan 55 jaar
is. De hiv/aids-epidemie en conflicten liggen hier vooral aan de basis van. Ook binnen
Europa zijn er grote verschillen: in Oost-Europa is de levensverwachting maar 72 jaar, wat
veel minder is dan West-Europa. Mogelijke oorzaak hierbij zijn de verslechterde
levensomstandigheden sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

Ook in de LDC’s is de levensverwachting aanzienlijk gestegen de voorbije jaren, namelijk
met zes jaar tussen 2000-2005 en 2010-2015. Deze stijging is twee keer zo groot als de
stijging in de rest van de wereld. Toch lopen de minst ontwikkelde landen nog steeds
achter op andere ontwikkelingslanden. Hoewel verwacht wordt dat de verschillen tussen
regio's en inkomensgroepen in de komende jaren zullen aanhouden, zullen ze wel
afnemen tegen 2045-2050.

Naar verwachting zal de wereldwijze levensverwachting stijgen van 71 jaar in 2010-2015
tot 77 jaar in 2045-2050 en uiteindelijk tot 83 jaar in 2095-2100.


7.4.6 Tienermoeders, kindersterfte en hiv/aids-gerelateerde sterfte
In de meeste landen is het aantal tienermoeders, vaak een indicator voor de gezondheid
en de sociaal-maatschappelijke situatie van jonge vrouwen en kinderen, de voorbije jaren




1 AA VS 2 200 © 2019 Arteveldehogeschool


Click to View FlipBook Version