The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Stichting PKN, 2019-02-05 15:54:21

GoudsePijpenmakersEnHunMerken

GoudsePijpenmakersEnHunMerken

CIP-gegevens Koninklijke Bibliotheek, Den Haag ·

ISBN 90-72660-02-1
NUGI 693
Goudse pijpenmakers en hun merken IJ. van der Meulen
Leiden: Pijpelogische Kring Nederland. - ill.
Uitgave in samenwerking met de Stedelijke Musea Gouda
Met literatuur opgave en register
Trefwoorden: Goudse pijpen, merken, datering
Druk: Labor Vincit, Leiden
Omslagontwerp: J.P. Brinkerink

~ 2003 J. van der Meulen
www.tabakspijp. nl

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel
van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de schrijver.


GOUDSE PIJPENMAKERS EN HUN MERKEN

door

J. van der Meulen

l, .,,_p61SCHc 'I'
PH

...,. .. .
~)
~llt:A\.""

Pijpelogische Kring Nederland, Leiden en de Stedelijke Musea Gouda


INHOUD

Voorwoord........................................... ............................... ..... .. .. ...... 7
9
1. Inleiding................. ........................ ..................... ....................... ... 11
11
2. De Goudse kleipijp................... ............ .......... ................................. 12
18
2.1. Inleiding........... ..................... ......... ..................................... 28
28
2.2. Modellen zonder decoratie.. .. ................................................. 32
34
2.3. Gedecoreerde pijpen...................................... .. ..................... 34
38
3. De merken......................................... ...... ...................................... 39
42
3.1 . Inleiding................ ..................................................... ......... 43
52
3.2 . Beeldmerken........... .. ...... .. .... .. ... .............. ... .. .. ........... .. .. .. ... . 55
56
3.3 . Register van de beeldmerken.... ...... .... .. ................................ . 56
58
3.3.1 Personen................. ........... .. ........ .. ..................... 60
87
3.3.2 Lichaamsdelen.. .. .............. .. ......... .. ..... ......... .. ...... 88
99
3.3.3 Fauna.. ...................................................... .... ... .. 100
104
3.3.4 Flora.. ................................................... ... .. ...... ... 109
111
3.3.5 Gebruiksvoorwerpen............. ... ...... .. ........... .......... 111
132
3.3.6 Heraldiek.................... ... ................. .....................

3.3.7 Gebouwen. .... ................. .....................................

3.3.8 Hemellichamen...... ..... ..........................................

3.3.9 Varia.................. ..................... .. ......... .... ....... ......

3.4. Lettermerken. ... .............. .. ............. .... .......... ......... .......... ......

3.5. Register van de lettermerken............... .. .............. .. .. .... ... .. .. :. ..

3.6. Cijfermerken........................................................................

3.7. Register van de cijfermerken.... .... .. .. .. .. ... .. .. ... .. ... .. .. ..... .. .. .... ..

3.8 . Gebruik van de registers........................................................

4 . Namen op stelen............ .. ..... ............ ............ ...... ............................

5. Overige pijpenmakers........... ............................... ....... .....................

Bronnen............. .. ...............................................................................

Index........................... .. .............. .... ...... .. .... ... ....................................

Pijpenmakers............ ............................ ... .. .. .. ... ........ .. .......... .... .....

Merken.................................................. .... ....... .. ............ .. ....... .....

5


VOORWOORD

Al geruime tijd is sprake van samenwerking tussen de Pijpelagische Kring Nederland en
de Stedelijke Musea Gouda. Dat heeft geresulteerd in de publicatie De 'Gecroonde roos'
en andere pijpenmakersmerken van Gouda van Hans van der Meulen uit 1994 en de
tentoonstelling Pijp en politiek uit 1998. Daarnaast heeft de PKN haÇir kennis ter
beschikking van het museum gesteld bij de registratie van de pijpencollectie. Nu de PKN
in 2003 haar 25-jarig bestaan viert, is de samenwerking nog eens geïntensiveerd. Niet
alleen is in dit jaar Museum 'De Moriaan' de tentoonstelling Gouda had er tabak van te
zien, maar ook worden opnieuw de Goudse pijpenmakers met de voor u liggende
gezamenlijke uitgave onder de aandácht van het publiek gebracht.
In de uitgave uit 1994 is gememoreerd dat de gildenboeken uit de Bragge collectie van
het British Museum in microfilm beschikbaar zijn gesteld voor onderzoekers op het
Streekarchief Hollands Midden te Gouda. Inmiddels is daar van de film ook een papieren
versie beschikbaar, zodat het raadplegen van deze belangwekkende bron
gebruikersvriendelijker is geworden. Op basis van deze archiefstukken heeft Hans van
der Meulen van de Pijpelagische Kring opnieuw een berg werk verzet door de gegevens
nu door middel van een andere invalshoek voor het publiek toegankelijk te maken. Nog
altijd komen op vele plaatsen, Gouda uiteraard voorop, vele Goudse pijpenkoppen en
pijpen uit de grond. Door de niet altijd doorzichtige politiek ten aanzien van het voeren
der merken is het vaak lastig om vast te stellen door wie welk merk in welke periode is
gevoerd. De vinder van een Goudse pijp kan met dit boek in de hand gemakkelijk
terugvinden welke pijpenmaker het betreffende merk in welke periode heeft gevoerd. Zo
is het aanzienlijk eenvoudiger geworden om een pijp te determineren. Naar ik hoop zal
de samenwerking tussen de Pijpelagische Kring Nederland en de Stedelijke Musea Gouda
worden voortgezet, opdat kennis en waardering van de Goudse pijp een grotere
verspreiding zullen krijgen.

Stedelijke Musea Gouda,
Ewoud Mijnlieff
conservator oude kunst en kunstnijverheid

7


1. INLEIDING

In steeds bredere kring wordt het belang onderkend van de studie van de kleipijp. Vooral
het postmiddeleeuwse (stadskern)onderzoek is gebaat bij een betrouwbare methode om
de herkomst en de datering, van dit breekbare consumptieartikel, vast te stellen. Door
de beperkte levensduur van de pijp is deze uitermate geschikt om een eventuele
strategrafische opbouw zichtbaar te maken en de vondsten te dateren.
De toegevoegde waarde van het determineren van kleipijpen werd overduidelijk
aangetoond in het Smeerenburgproject. Bij de opgravingen van de traankokerijen op
Spitsbergen werden consequent alle pijpfragmenten verzameld en geïnventariseerd.
Mede door het vaststellen van de herkomst van de "neuswarmertjes" was het mogelijk,
binnen het complex, de locatie van de verschillende kamers van de Noordse Compagnie
te bepalen (1).
Ook in het kader van het Deltaplan Cultuurbehoud, waarbij het onderzoek naar de
materiële inhoud van de afvalkuilen en de beerputten centraal stond, heeft de goede
dateerbaarheid van de kleipijp zijn waarde bewezen (2). De inhoud van een beerput is in
de regel een betrouwbare afspiegeling van de welstand van de gebruiker. Naast het
aardewerk, glas en andere gebruiksvoorwerpen kan het bepalen van de herkomst en de
kwaliteit van de pijpen een belangrijke bijdrage leveren in het vaststellen van de
maatschappelijke status van de bewoners (3).

Het onderzoek naar de datering van de kleipijpen is door Friederich (4), in 1975, in gang
gezet. Zijn studie vormt nog steeds de basis van de huidige pijpelogie. Aanvankelijk was
het dateren uitsluitend gebaseerd op de maatvoering van de pijp. Uit later onderzoek
bleek echter, dat tussen de diverse pijpenmakerscentra vormverschillen konden bestaan.
Tevens bleek dat de aanwezigheid van een merk op de pijpenkop van groot belang kan
zijn voor het vaststellen van de herkomst en de datering. Na de publicatie van Friederich
is door veel anderen onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de merken en de
makers (5,6,7,10,30,31,32).

Ondanks de toegenomen kennis blijkt in de praktijk het dateren van de pijpen geen
eenvoudige zaak te zijn. In de regel zijn diverse boeken nodig om tot een eindconclusie
te komen. Een extra handicap is dat, mede door de ontdekking van de gildenboeken uit
de periode 1660- 1724 (6,36), de meeste naslagwerken verouderd of onvolledig zijn,
bovendien hebben ze niet altijd een gebruiksvriendelijke opzet. Deze publicatie heeft als
doel de bestaande gegevens te bundelen en het determineren en dateren van de Goudse
pijpen voor een breder publiek toegankelijk te maken.
Het vervaardigen van pijpen, het wel en wee van de Goudse pijpenindustrie en het
functioneren van het pijpenmakersgilde zullen slechts incidenteel aan de orde komen.

9


Over deze onderwerpen zijn reeds meerdere publicaties verschenen (24,29,30,32,37) en
vallen buiten de doelstelling van dit boek.
Het determineren van de vondsten wordt veelal gedaan door enige "specialisten", die als
amateur-archeoloog een ruime praktijkervaring hebben opgebouwd. Vaak is het gebrek
aan contact met deze beperkte groep niet professionele deskundigen er de oorzaak van
dat veel pijpmateriaal, geborgen bij officiële opgravingen, niet nader wordt onderzocht
en ongezien in het bodemarchief verdwijnt. Een belangrijke stap om te voorkomen dat
belangrijke informatie verloren zou gaan, kan gezet worden door de bestaande gegevens
beter toegankelijk te maken en overzichtelijker te rangschikken, zodat ook een "leek" in
staat wordt gesteld om de keipijpen te dateren.
De publicaties 'De "gecroonde roos " en andere pijpenmakersmerken van Gouda' (6) en
'Goudse Pijpen' (30) hebben als uitgangspunt gediend voor deze inventarisatie. De
artikelen in het kwartaalblad van de Pijpelegische Kring Nederland en de boeken van D.
Duco (5, 10,37) hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de toegenomen kennis
over de individuele merken, de datering van pijpen en de kleipijpennijverheid.
De meeste afgebeelde merken bevinden zich in de collectie van de auteur. Belangrijke
aanvullende informatie is verstrekt door de volgende personen: Peter Bakker, Jos
Engelen, Bert van der Lingen, Jan van Oostveen en Piet Smiesing. De schrijver wil hen
bedanken voor hun enthousiaste medewerking en de tijd die zij hebben besteed om deze
inventarisatie te vervolmaken. Tevens wil ik Fred Tijmstra en Hans Brinkerink bedanken
voor hun bijdrage aan de realisatie van dit boek.

10


2. DE GOUDSE KLEIPIJP

2.1 . INLEIDING

De kleipijp heeft tot het eerste kwart van de 198 eeuw een gestage ontwikkeling
doorgemaakt, niet alleen qua model maar ook qua grootte. Tot op zekere hoogte groeide
de inhoud van de pijpenkop (ketel) mee met de stijgende aanvoer van t abak en de
dalende prijs. De korte levensduur en de toename van het volume maken het betrekkelijk
eenvoudig om een pijp binnen een tijdsbestek van ca. 50 jaar te plaatsen. Voor het
vaststellen van een nauwkeuriger productiedatum moet gebruik worden gemaakt van
andere karakteristieken, zoals de vorm, de productie-eigenschappen, het merk en de
decoratie.

Diverse onderzoekers hebben zich beziggehouden met het ontwikkelen van een systeem
voor een betrouwbare en nauwkeurige datering. De methode, die door Friederich (4)
werd geopperd, mogelijk gebaseerd op het niet gepubliceerde werk van Ö.A.
Goedewaagen, benaderde tot op zekere hoogte het gestelde doel. Door de afmetingen
van de hoogte, de breedte en de inwendige diameter van de ketel met elkaar te
vermenigvuldigen, meende hij een verband te kunnen leggen tussen de toename van de
grootte en de productiedatum. In een grafiek staan op de X en Y-as respectievelijk het
product van de afmetingen en de t ijd uitgezet. Helaas was het materiaal, dat hij voor zijn
onderzoek gebruikte, hoofdzakelijk afkomstig van vondsten uit Haarlem en omstreken.
Hierdoor was de steekproef te beperkt en te eenzijdig. Ondanks dat Friederich de
kleipijpen splitste in een twaalftal typen is hij teveel uitgegaan van een mathematische
wetmatigheid. Over de afwij kende vormen en de evolutie van de ketel in andere
pijpenmakerscentra was in die tijd nog weinig bekend en zij zijn dus niet in de grafiek
verwerkt. Uit meerdere publicaties is gebleken dat ook voor de Goudse pijpen de
datering volgens deze methode met de nodige reserve moet worden toegepast (8,9) .
Om ~en redelijk betrouwbare datering te krijgen moet gemiddeld een marge van ca.1 0
jaar, aan weerszijden van het in de grafiek gegeven jaartal, worden genomen.
Een andere benadering wordt gevolgd door D. Duco (1 0), die gebruik maakt van de
specifieke eigenschappen van de pijp. Deze methode wordt door hem het deductief
dateringsysteem genoemd. Hij verdeelt de vorm van de pijp in een vijftal basistypen en
het merk, de decoratie, de afwerking en andere productiekenmerken zijn, tot in detail,
uitgesplitst en in een tijdtabel geplaatst. Voor elk van deze eigenschappen wordt de ·
periode weergegeven, waarop deze zijn toegepast. Door in het schema het moment op
te zoeken, waarop alle karakteristieken van een bepaalde pijp samen vallen, wordt de
datering verkregen. Deze methode is zeer omslachtig en vereist een zekere mate van
basis kennis van de gebruiker. Een combinatie van de mathematische en deductieve

11


methode kan een foutieve determinatie voorkomen, maar zal nauwelijks een kortere
tijdspanne opleveren, waarbinnen de pijp vervaardigd is.

In deze publicatie is gekozen om aan de hand van een groot aantal afbeeldingen, op
schaal, te komen tot een snelle en eenvoudige determinering van Goudse pijpen. Het
merk, de decoratie op de ketel of de steel en de aanwezigheid van een naam op de steel
kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het juist dateren van de kleipijp.

2.2. MODELLEN ZONDER DECORATIE

In het eerste kwart van de zeventiende eeuw werden in Holland voor het eerst kleipijpen
gemaakt, door immigranten uit Engeland (11 ). Het roken als cultuurfenomeen werd
echter reeds voor de eeuwwisseling geïntroduceerd, voornamelijk door Engelse soldaten
en bootslieden. In de oude literatuur werden de pijpjes, die zij gebruikten, vergeleken
met een uitgeholde noot.
De eerste pijpenmakers hadden ongetwijfeld hun gereedschap en pijpenmallen uit
Engeland meegenomen, zodat hun producten nauwelijks afweken van de ingevoerde
exemplaren. Deze pijpen kenmerken zich door hun elegante vorm en geringe afmetingen
en een ruw oppervlak [1,2]. De bovenzijde van de ketel was met een trimmes recht
afgesneden, maar niet afgewerkt. De steel gaat direct over in een vlakke hiel of heeft
een klein spoorvormig uitsteeksel. Op de hiel kan een merk voorkomen in de vorm van
een roos, een eenvoudig lettermerk of een geometrisch patroon, maar het merendeel is
niet voorzien van een merk.

De pijpen, die na ca.1620 werden vervaardigd, vertonen wel de karakteristieken van
lokale producten [3,4,5]. Ze hebben reeds de aanzet tot een "buikige" ketel, wat hen
onderscheidde van de Engelse vormontwikkeling. Tevens werd een begin gemaakt met
een betere afwerking. De ketelopening werd regelmatig "gebotterd" met een houten
schijfje, met een cirkelvormige uitholling, die overeenkwam met de diameter van de
pijpenkop. Door de botter op de rand te plaatsen en te draaien werd deze afgerond
[4,5]. Bovendien werd de ketel, net onder de bovenrand, met een radeermes omcirkeld,
waardoor op de ketel een streepjespatroon van 1 à 2 mm ontstond.
Rond 1640 werd een serie pijpen gemaakt, die afgaande op hun afmetingen, te vroeg
gedateerd zouden kunnen worden [6]. De goede afwerking verraadt echter een latere
productiedatum. De ketel was gebotterd en geradeerd en de buiten kant was, voordat de
pijp werd gebakken, met een agaatsteen gladgestreken, waardoor de kleiplaatjes in
dezelfde richting kwamen te liggen . Dit proces wordt "glazen" genoemd en had als doel
het oppervlak te polijsten. Op de vroegste en geïmporteerde pijpjes worden deze
bewerkingen niet aangetroffen.

rIn het tweede kwart van 1 eeuw werd de ketel nog boller van vorm, dit type wordt

dubbel conisch genoemd [7,8, 9]. Zowel in Amsterdam als Gouda veranderde het model
praktisch uniform. In de praktijk zijn ze dan ook zeer lastig van elkaar te onderscheiden.
Regelmatig werden de stelen versierd met Franse lelies [7,9, 10]. In een enkel geval
plaatste de pijpenmaker zelfs zijn initialen [7] of een merk [8] op de steel. Uitzonderlijk
zijn, in deze periode, de stelen waarop de naam van de pijpenmaker staat. Deze werd
rondom de steel, met een bandstempel, aangebracht. Hoewel de steel relatief dik is,
bleek de ruimte soms te beperkt om de volledige naam weer te geven. Dit ondervond
Jan Jacobsz. van der Aerde. Op de steel kon hij wel zijn beide voornamen plaatsen,

12


2 34

56 ~
8~ ~
~
9

10

11

13


waarvan de beginletters overigens overeenkwamen met het merk dat hij voerde, maar
van zijn achternaam resteren alleen de letters VA [ 12]. Mogelijk wilde hij zich op deze
wijze onderscheiden van Jan Jonasz. de Vriend, die ook het merk 11 zette. Meer
algemeen was overigens het versieren van de steel met één of meer banden, bestaande
uit cirkels, zigzag lijnen en/of strepen [12, 13]. Deze vorm van verfraaiing liep door tot in
de 19e eeuw [17,18,25,28,29,34,37].

Tegen het einde van de 1r eeuw ging de vorm van de pijp geleidelijk over van bol naar

taps toelopend [13, 14,15,16]. De toegenomen kennis over de kleisamenstelling en het
bakken bij een hogere temperatuur maakte het mogelijk met minder pijpaarde tot een
beter eindproduct te komen. De wanddikte van de ketel en van de steel namen, tot ca.
1720 steeds verder af, waardoor de pijp aan sierlijkheid won. De techniek van het pijpen
maken was nu op zijn hoogtepunt. De dikte van de steel was aanzienlijk afgenomen met
het gevolg dat deze zeer fragiel werd. De op de steel aangebrachte bandversiering [17]
is meestal een combinatie van ongeveer 8 patronen, bestaande uit parelranden, zigzag
lijnen en/of golfjes, die soms in twee groepen van vier, op enige centimeters van elkaar,
werden aangebracht. Dit type pijp, het trechtermodel, werd in grote ·hoeveelheden
geproduceerd. Daarnaast werd, in een veel kleinere oplage, een meer plomp type
vervaardigd, waarvan de steelversiering direct achter de hiel begon [18).
De ontwikkeling van het ovoïde model startte ongeveer in dezelfde periode, ca. 1730,
en zou tot ver in de 20e eeuw een geliefd model blijken te zijn. De inhoud van de ketel
nam toe en de vorm werd meer ovaal [19 ,20,24]. Dit type pijp is ongetwijfeld het meest
succesvol geweest. Op vrijwel alle archeologische vindplaatsen, uit de tweede helft van
de 18e eeuw, wordt dit model in grote aantallen aangetroffen.
Gouda had in deze periode de concurrentie overvleugeld en was toonaa ngevend voor de
ontwikkeling van nieuwe modellen.

Een peildatum voor het dateren van kleipijpen is 1739. Op dat moment kregen de
pijpenmakers toestemming om het wapen van Gouda op hun beste "porceleinen"
kwaliteit pijpen te zetten. Een jaar later werd het octrooi uitgebreid en gold het ook voor
de "fijne" soorten. Voor deze, op één na beste kwaliteit, moest boven het wapenschild
een S worden gezet. Hierdoor konden "fijne" pijpen zich onderscheiden van de vaak
mindere producten en imitaties, die in andere centra werden gemaakt. De aanwezigheid
van het Goudse wapen en merk is evenwel niet altijd een waarborg om de herkomst
vast te stellen. De concurrentie buiten Gouda plaatste deze kenmerken ook op hun"
producten, hoewel zij daartoe niet gerechtigd waren (12). Door een kritisch onderzoek
van de kwaliteit en de afwerking van de pijp is het vaak mogelijk deze vervalsingen op
te sporen.

Omstreeks 1750, toen de lokale industrie op zijn hoogtepunt was, veroorloofden de
pijpenmakers zich een grotere vrijheid in de vormgeving. In deze periode ontstonden de
dop of kelkvormige pijpen [21,22,25,31), de rondbodem pijpen zonder hiel [23,32] en
de kromkop [27 ,28]. Een goed overzicht van de typen, die in de periode 1750-1775
werden geproduceerd laat het assortiment van Frans Verzijl [25-34) zien. Hoewel de
meeste pijpen in het binnenland werden afgezet, was een aanzienlijk deel bestemd voor
de omliggende landen (13). De export nam zodanig toe dat naast de ovoïde pijp een
speciaal model, de "kromkop" of casjatte pijp, werd ontwikkeld [27,28,30,34].
Ook de plaats van het merk was aan verandering onderhevig. In plaats van op de hiel
werd in veel· gevallen het merk op de ketel, aan de rokerszijde, gezet [26,27,28,29,
33,38]. Op de hielloze rondbodem pijpen staat het merk wel op de plaats van de hiel
[23,32,37]. De stelen werden op de klassieke wijze versierd [25,28,29,37]. Een enkele
maal werden schubben [26, 73], wijnranken [3 1, 74) of meer uitvoerige decoraties [34)
gebruikt.

14


0

13
15 16

17

20

15


Veel pijpenmakers plaatsten hun naam aan het begin van de versiering en sloten deze af
met "IN GOUDA" [25,29,34,72].
Bij opgravingen worden meestal wel de pijpenkoppen meegenomen, maar steelfrag-
menten blijven in de regel liggen. Maar juist de stelen kunnen behu lpzaam zijn om een
juiste datering te verkrijgen. Aan de hand van de tekst op de steel (zie hoofdstuk 4) kan
de pijpenmaker worden achterhaald en de vondst op een betrouwbare manier worden
gedateerd.
De grootte van de ovoïde pijpenkop nam tot ca. 1850 toe [35,36], terwijl de afwerking
slordiger werd. Aangezien Gouda nauwelijks nog landelijke concurrentie had te duchten
bleef het zetten van het stadswapen op de hiel steeds meer achterwege. Het symbool
voor kwaliteit had zijn functie verloren. Het wapen van Gouda was gereduceerd tot een
miniem schild, waaraan de details ontbreken [35,44]. De steel, direct achter de ketel,
werd geruwd met een patroon van elkaar kruisende lijnen [35,36,38,41 ].
Incidenteel worden pijpen gevonden die niet wit maar gekleurd zijn [36]. De gewenste
kleur ontstond door roodbakkende klei als grondstof te gebruiken of de witte pijpen in
aanwezigheid van eikenhout, opnieuw te bakken. Deze variatie op de traditionele
ivoorkleurige pijpen kwam, vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw, in
beperkte mate voor.

Na 1850 was er van een geleidelijke vormontwikkeling geen sprake meer. Sommige
basismodellen, zoals de rondbodempijp, nu doetel [41] genaamd, en de kromkop
[38,44], werden in een vergrote versie uitgevoerd. Van de vele nieuwe modellen, die
werden ontworpen, zijn slechts de meest karakteristieke afgebeeld, zoals de polkapijp
[39], de elleboogpijp [42], de beker [45,46], de mostaardlepel [43], de hoorn [84] en de
isabé [47]. Enkele fabrikanten plaatsten hun naam op de steel en op de andere zijde de
plaats van herkomst [39,43,47].
Mede door de aanvoer van kleipijpen uit Frankrijk en het toenemend gebruik van andere
grondstoffen werden de pijpenmakers gedwongen tot een grotere creativiteit in het
ontwerpen van nieuwe modellen. Vooral de houten pijpen, en in mindere mate de
meerschuim en porseleinen exemplaren, eisten een steeds groter marktaandeel op. Soms
werd zelfs een type pijp, die uit een ander materiaal was vervaardigd, exact in pijpaarde
gekopieerd.
Rond 1900 waren nog slechts een handvol pijpenmakerijen actief. De twee grootste en
meest toonaangevende bedrijven, de firma's P. Goedewaagen & Zoon en P. van der
Want Gz. gaven catalogi uit met daarin de vele tientallen modellen uit hun assortiment.

Rond de eeuwwisseling werd, naast de arbeidsintensieve methode van de vervaardiging
van pijpen in een metalen mal, de zogenaamde "gekaste" pijpen, een nieuw procédé in
gebruik genomen, waarbij minder handelingen nodig waren. Een gipsen mal werd gevuld
met gietklei, vervolgens werd, na enige tijd, de overtollige klei verwijderd. Door de
poreusheid van de mal werd water aan de klei onttrokken, zodat er een dun laagje
achterbleef. Na het opdrogen werd de pijp of de pijpenkop uit de mal gehaald en
vervolgens gebakken. Met aniline werd een aanvankelijk nog niet zichtbare voorstelling
op de kop geschilderd en afgedekt met glazuur, waarna de pijp opnieuw werd gebakken.
Door veelvuldig gebruik van de pijp en de inwerking van de tabakssappen werd de ketel
bruin en verscheen langzamerhand het geschilderde plaatje. Deze pijpen werden om
begrijpelijke redenen doorrokers genoemd . Later werd de schildering vervangen door een
plakplaatje of stempel, waarvan de voorstelling direct zichtbaar was. Meestal heeft dit
type een losse steel van gummi, hout of caoutchouc, die met een vernikkeld metalen
buisje aan de ketel werd bevestigd. Ook pijpen met een lange steel, de "gouwenaars",
werden in gipsen mallen gegoten en zijn soms nog in de tabakswinkel te koop.

16


..... 32
34
30
17
sr· - - - - - -

33


2.3. GEDECOREERDE PIJPEN

Het is mogelijk dat er vóór ca. 1625 pijpen gemaakt zijn met een versiering, doch dit zijn
uitzonderingen. De eerste uitbundig gedecoreerde pijpen die in Gouda werden gemaakt
hebben op de ketel een al of niet gekroonde gestileerde (Tudor)roos met kelkbladeren
[48A9]. De bovenzijde van de ketel is versierd met een rand, waarop Franse lelies
staan. Op de voorzijde kan een royaal uitgevoerde roos [48] staan of een blad omgeven
door lauriertakken [49]. Er zijn ook exemplaren bekend, waarbij de roos in het midden
van de ketel is vervangen door een Franse lelie. Van dit type zijn veel variaties in omloop
geweest. De steel werd verfraaid met bloemmotieven [48] of omsloten door een
opengesperde bek met tanden [49]. Deze pijpen zijn meestal merkloos.
Behalve als onderdeel van de rijk versierde pijpen, komen de lelie en vooral de
gestileerde roos veel voor als een enkelvoudige decoratie [50]. In vrijwel alle centra
werden producten met dit motief vervaardigd. Helaas werden ze meestal niet gemerkt,
waardoor de herkomst moeilijk is vast te stellen. Een enkele maal staan op of net boven
de hiel letters of een beeldmerk, waaruit een mogelijke maker valt af te leiden. Vooral in
Haarlem en omstreken zijn veel variaties van dit type gevonden (14). De kwaliteit is
matig tot slecht en ze worden tot de "groffe" soorten gerekend. Dit is mogelijk de reden,
waarom er verhoudingsgewijs in Gouda niet veel zijn aangetroffen. In die plaats lag de
nadruk meer op het vervaardigen van kwaliteitspijpen. Een tweetal pijpen met een roos
zijn afgebeeld, de eerste werd omstreeks 1650 [50] gemaakt, de tweede is ru im een
eeuw jonger [70].
Gelijktijdig met de gestileerde rozen werden ook gezichtspijpen gemaakt [51 ]. Over de
voorstelling zijn twee hypothesen in omloop. De oudste opvatting is dat dit de beeltenis
is van Sir Walter Raleigh. Hij zou door een krokodil, die op de steel staat afgebeeld, zijn
verslonden, maar omdat hij naar tabak smaakte werd hij snel weer uitgebraakt. De
andere theorie is het de profeet Jonas betreft, die door een walvis werd opgeslokt.
Gaandeweg liep de kwaliteit terug en vervlakt het reliëf, zoals de pijp, uit omstreeks
1670, laat zien [52]. In tegenstelling tot de Amsterdamse gezichtspijpen hebben de
Goudse geen hielmerk. Wel kunnen op de latere Goudse exemplaren aan weerszijde van

de steel initialen staan. Opvallend is dat de krokodil I walvis tot ver in de 19e eeuw als

een op zichzelf staand versieringsmotief werd gebruikt [49,83].

Een ander genre pijp kwam in het vierde kwart van de 1r eeuw tot ontwikkeling. Deze

pijpen kunnen beschouwd worden als vroege "Oranje" pijpen, omdat zij betrekking
hebben op Willem 111. Op ketel kan het wapen van de stadhouder of een provincie [53]
staan. Soms werd de prins zelf, al of niet te paard, afgebeeld. Ook zijn exemplaren
bekend met de tekst VIVA ORAN(G)IEN. De steel is versierd met één of twee
slingerende takken met bladeren, waaraan bloemen en vruchten hangen. De eerste
pijpen uit een nieuw gegraveerde mal hadden een hoog reliëf. De scherpte van de
voorstelling is echter, door het persen van de klei in de mal, aan sterke slijtage
onderhevig. Deze pijpen werden, vanwege het reliëf, niet geglaasd (gepolijst) , wat een
bezuiniging opleverde in de productiekosten.
Tegen het einde van de eeuw werden vergelijkbare pijpen gemaakt met een bollere ketel.
Op deze pijpen komen afbeeldingen voor van Bacchus of een rokende inlander [54]. Op
de andere zijde staan een vos en een tabaksvat. De ca. 19 cm lange steel is versierd
met wijnranken en druiventrossen, maar minder overdadig dan bij de Oranjepijpen (15).

Vanaf omstreeks 1700 komen de provincie- en stadswapens in zwang [55]. Vooral de
wapens van Gouda, Haarlem en Leiden werden veelvuldig afgebeeld. Een enkele maal
werd de voorstelling omkranst door lauriertakken en langs de vormnaad parelsnoeren
[55,57]. De steel werd bij dit type niet versierd en de pijp werd niet gemerkt. Naast de
wapens komen ook andere onderwerpen voor, zoals rokerscènes, een duif en

18


38
40

41

44

19


een doffer, Erasmus [57] met op de andere zijde de Goudse toren en het ontzet van
Leiden. Deze wijze van decoreren bleef tot ca. 1760 in gebruik, waarbij de hoeveelheid
details en de scherpte van de voorstellingen toenam [58].
Een eenvoudiger type pijp uit de eerste helft van de 18e eeuw heeft alleen een parelrand
langs de vormnaad. De voorstellingen op de ketel kunnen taferelen uit het dagelijks
leven zijn met b.v. rokers, boeren en boerinnen, hanen en hennen. Bij uitzondering werd
een scène uit de bijbel afgebeeld, zoals de offerande van Abraham. ·
Een vreemde eend in de bijt is de pijp met de tekst KRIJN DIRKSE VORMMAKER rond de
ketelopening [56]. Deze pijp, uit omstreeks 1700, is in meerdere opzichten een unicum,
omdat pas rond 1730 de gezichtspijp weer in de belangstelling kwam. Bovendien was
het niet gebruikelijk dat de naam van een vormmaker zo duidelijk werd weergegeven.
Als er al een relatie was met de vormmaker bleef dit beperkt tot het plaatsen van
initialen op de pijp. De reden waarom hier een uitzondering werd gemaakt was dat Krijn
Dirkse (Veverloo) niet alleen de mallen maakte, maar tevens pijpenmaker was. Op de
steel staat dan ook zijn merk de boom. Dit is een van de weinige pijpen, die
oorspronkelijk beschilderd zijn geweest (17). Door dezelfde pijpenmaker werd bovendien
nog een pijp gemaakt met twee gezichten.

In het tweede kwart van de 18e eeuw verscheen een tussenvorm van. een trechter
[16, 17] en een ovoïde model [19,20,24] op de markt. Dit type wordt zijmerkpijp [59-62]
genoemd en draagt het pijpenmakersmerk, gezien vanuit de roker, meestal op de linker
zijde van de kete l. Het voordeel was dat door de toegenomen ruimte het merk vergroot
afgebeeld kon worden. Omdat het merk reeds in de mal was gegraveerd werd het zetten
van een hielmerk overbodig. Door het reliëf op de ketel was het niet mogelijk om de kop
met een agaatsteen te polijsten. De besparingen op de arbeidskosten hadden een
gunstige invloed op prijs, maar de kwaliteit liep terug. Dit type moet tot de goedkope
"grofte" pijpen gerekend worden. Hoewel niet elke pijpenmaker zijmerkpijpen in zijn
assortiment had opgenomen, komen we een grote verscheidenheid aan cijfer- [60] en
lettermerken [62] tegen, maar ook de beeldmerken, zoals b.v. de trompetter [59] en de
triton [61], waren goed vertegenwoordigd. Hoewel ook na 1740 dit model nog in Gouda
werd gemaakt [61,62] nemen vooral Gorinchem (16), Schoonhoven (7) en in mindere
mate Alphen aan den Rijn (18) en Utrecht (19) de productie over. In de centra, buiten
Gouda, werden vaak boven of onder de voorstelling initialen gezet. Vanaf omstreeks
1760 waren in bovengenoemde plaatsen een tweetal motieven zeer populair, ten eerste
een gekroonde N, maar bovenal een vis boven een aantal golfjes (20).
Gelijktijdig met de zijmerkpijpen kwamen ook de pijpen met lobben tot ontwikkeling. In
de publicaties kan dit type knorren, kelk, schelp, ribben of lobbenpijp worden genoemd.
De aanzet tot de productie ligt bij de centra rond Gouda, die zich specialiseerden in de
goedkopere soorten. Vanaf omstreeks 1740 werden ze ook in Gouda vervaardigd. De
afgebeelde exemplaren zijn in de periode 1750- 1770 gemaakt door respectievelijk Frans
Verzijl [67,68] en Arij van Houten [69]. De kwaliteit van de Goudse exemplaren is in de
regel beter dan die van de concurrentie. Het merk werd aan de rokerszijde van de ketel
boven de ribben gezet. Slechts een enkele maal werd het merk, in de vorm van een
zijmerk, op de ribben geplaatst. Van de lobbenpijpen zijn veel uitvoeringen bekend, met
o.a. boven de ribben, in aantal poortjes afwisselend afbeeldingen van het Goudse
wapen, een portret en een zwaan of een gestileerde roos en een Franse lelie. Ondanks
de ruime keuze uit een breed scala van gedecoreerde pijpen bleef ook de eenvoudige
merkloze pijp met de gestileerde roos in productie [70].
Een buitenbeentje is een kromkoppijp, waarvan het merk vergroot is weergegeven aan
de voorzijde van de ketel [72]. Onder het merk is een kleine versiering aangebracht in de
vorm van een waaier. Op de steel, van dit voor de export bestemde product, staat de
naam van de pijpenmaker Frans Verzijl.

20


48
52

21


Tegen het midden van de achttiende eeuw vonden een aantal belangrijke gebeurtenissen
plaats in de vaderlandse historie. Prins Willem IV werd in 1747 benoemd tot stadhouder
en een jaar later werd er een nieuwe Oranje telg geboren, de latere Willem V. Bovendien
kwam, in 1748, een einde aan de Oostenrijkse successieoorlog door het sluiten van de
vrede van Aken (21 ). Deze voorvallen hadden een grote emotionele waarde voor de
burgerbevolking. De pijpenmakers grepen de gelegenheid aan om hun sympathie en
politieke voorkeur uit te dragen [63-66]. Dit resulteerde in een serie rijk versierde pijpen
met gedetailleerde voorstellingen, die de gehele ketel bedekken. Deze pijpen laten tevens
zien, dat het vakmanschap van de graveur tot een hoog niveau was gestegen. Op een
van deze "Oranje" pijpen, van het dop of kelk type, die ter gelegenheid van de geboorte
van prins Willem V werd gemaakt, staat prinses Carolina afgebeeld met een tak,
waaraan oranjeappels hangen [63]. In een lint staat de tekst: VIVAT DE JONGE
ERFPRINS GRAAF VAN BUREN, op de andere zijde staat het wapen van de Oranjes met
in het centrum het wapen van Van Buren. Een andere pijp, die enige tijd later op de
markt verscheen, laat het voltallige vorstenhuis zien [65]. Op de linkerzijde staat Anna
van Hannover met de jonge prins Willem V en op de andere zijde staat prins Willem IV
met prinses Carolina. Over de vormnaad heen staat een oranjeboom in een kuip, met
daarachter de Hollandse leeuw, die over de koninklijke familie waakt. Boven en onder
het tafereel staat respectievelijk <le tekst: HET VORSTELIJKE HUYS VAN ORANJE en
VIVAT ORANJE.
Een pijp, die sterk afwijkt van de traditionele vormgeving, heeft het uiterl ijk van een
siervaas [64]. Van dit type was ook een kleinere versie in omloop. In een viertal
medaillons zijn Maria Theresia en Franciscus van Oostenrijk weergegeven en de
wapenschilden van Hongarije en Habsburg. Van latere datum is de ovoïde pijp die
opgebouwd is uit vier min of meer vlakke zijden [66]. Op ieder vlak staat in een ovaal
een portret omzoomd door een lint. De afgebeelde personen zijn volgens de tekst op de
ketel achtereenvolgens: WILLEM.V en CAROLINA de PRINSEN V. ORANJE, FREDERICUS
de K.(oning) van ENGEL(and), FREDERICU(s) de K.(oning) van PRUYSE(n). Waarschijnlijk
is deze pijp gemaakt ter herinnering aan het sluiten van de vrede in 1748. Opvallend is
dat Willem V en zijn zuster Carolina als volwassenen staan afgebeeld. Diverse
pijpenmakers hebben zich bezig gehouden met de vervaardiging van "Oranje" pijpen.
Over de pijpen met het vorstenhuis als onderwerp is reeds een uitgebreide publicatie
verschenen (22).

De trend, die tegen het einde van de 1r eeuw ontstond, om de band met het

vorstenhuis weer te geven, zette zich tot ver in de twintigste eeuw door. Het waren
echter niet alleen de orangisten die hun voorkeur uitdroegen, ·ook de patriotten onder de
pijpenmakers lieten hun politieke gezindheid blijken door pijpen te maken met de leuze:
"Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap".

Evenals rond 1700 werd, in het derde kwart van de achttiende eeuw, de heraldiek een
geliefd motief. Van diverse steden, zoals Borssele, Gouda, Groningen en Leeuwarçien, en
provincies werden de wapenschilden afgebeeld. De pijpen met het wapen van Zweden,
Denemarken, Pruisen, Frankrijk, Spanje, Hongarije en Rusland waren waarschijnlijk voor
de export bestemd. Ook familiewapens werden, omstreeks de eeuwwisseling, door
Hermanus Swart(jes), Jan Trip en Pieter Stomman [76] als versiering gebruikt. In
dezelfde periode werd ook de handel, gesymboliseerd door de goden Mercurius en
Neptunus [77], als onderwerp voor decoratie gekozen (23). Het feit dat de
pijpenindustrie baat had bij een bloeiende overzeese handel en vrije scheepvaartroutes
zal ongetwijfeld debet zijn geweest aan de keuze van dit thema (24). Dit soort pijpen
werd tot in de twintigste eeuw geproduceerd.
In geringe mate werden pijpen gemaakt buiten de eerder genoemde onderwerpen. Enige
voorbeelden zijn de kromkoppijp met de beeltenis van Sint Antonius van Padua [73] en
de grote ovoïde pijp met twee tevreden rokende en drinkende personen [74]. In een lint

22


57
58
62

68 69 70

23


boven de scène staat: DE GOEDE VRINTSCHAP. Deze pijp kent diverse uitvoeringen,
o.a. waarbij aan de tekst EN VREDE was toegevoegd.
Het maken van een mal, waaruit de rijk versierde pijpen werden gemaakt, was een
aanzienlijke investering. Bovendien was het reliëf aan grote slijtage onderhevig en moest
de mal regelmatig terug naar de graveur om de details opnieuw aan te brengen. Dit is de
reden waarom deze pijpen niet in grote hoeveelheden werden gemaakt en tot de
duurdere soorten behoren.

Tussen de uitbundig gedecoreerde pijpen en de exemplaren zonder reliëf is een categorie
met een eenvoudige versiering. Op deze pijpen, van het ovoïde type, staat een
mannenbuste geflankeerd door de letters VP [71], 1.1 W of HD. De aanleiding voor dit
motief is niet geheel duidelijk. Gesuggereerd wordt dat het motief betrekking zou hebben
op een toneelspel of klucht.
Omstreeks 1770 werd een pijp geproduceerd met het wapen van Hamburg, met op de
achtergrond een anker. Er zijn twee uitvoeringen bekend met dezelfde voorstelling, de
ene is van Frans Verzijl [75] en de ander, een kleinere uitvoering met het merk de
trompetter, is van Hendrik of Johannes van der Valk.
Bijzonder aardig zijn de pijpjes met een vismotief. Op de onderzijde van de ketel staat
een vis afgebeeld, waarschijnlijk een snoek, met een opengesperde bek. De steel heeft
een schubbenpatroon, dat na 4 tot 6 cm wordt afgesloten met een band, waarin een
enkele maal de naam van de pijpenmaker staat vermeld (25). De hoogte van de ketel is
gering. Het gladde gedeelte werd met een agaatsteen gepolijst en het geheel is goed
afgewerkt. In de geopende bek staat het Goudse wapenschild, zodat we ze tot de
betere soorten mogen rekenen. Het versieringsmotief doet sterk denken aan de decoratie
op de Raleigh I Jonas pijpen [51 J uit de eerste helft van de vorige eeuw. De vis die eerst
op de steel stond afgebeeld is nu vergroot en opgeschoven naar de onderzijde van de
pijpenkop. Meerdere pijpenmakers hebben dit type vervaardigd. Uitzonderlijk is een
zwarte uitvoering met deze voorstelling.
Om de pijpen zwart te maken moet de van oorsprong witte pijp nogmaals worden
gebakken, in aanwezigheid van eikenkrullen en afwezigheid van lucht, het zogenaamde
reducerend bakken. Het hoogtepunt van de productie van dit model ligt rond 1780. Het
ontwerp komt waarschijnlijk uit het Duitse Westerwaldgebied, dat in toenemende mate,
o.a. dit type, naar Holland exporteerde (26).
In het laatste kwart van de achttiende eeuw kwamen pijpen met tekstlinten in zwang.
De opschriften konden een politieke overtuiging uitdragen, zoals LIBERTE, VRIJHEID,
GELIJKHEID, BROEDERSCHAP, VREEDE BEST, EENDRAGT MAAKT MAGT, of reclame
maken voor een sociëteit of genootschap, zoals FELIX MERITIS, ONS GENOEGEN en
CONCORDIA.

Aanvankelijk bleef de ovoïde vorm tot het begin van de 19e eeuw favoriet, zij het dat de
ketel een buitenproportionele afmeting kreeg [35,36]. Mede door de invloed van de
Franse concurrentie, met hun elegante modellen, werd meer en meer afgeweken van de
klassieke vormgeving en ontstond een grotere diversiteit. Een explosieve ontwikkeling
van het aantal pijptypen begon omstreeks 1840. De niet versierde pijpen [38-47] bleven
hierin achter bij de gedecoreerde pijpen [78-87]. De versieringen op de pijp kunnen in
drie groepen worden gesplitst: eenvoudige versieringen, historische motieven en
vormvolgende versieringen. De eerste groep, waarvan de ketel is versierd met lobben
en/of parelsnoeren [78], dorens [79], bloemmotieven, lijnen, fantasievoorstellingen
[82,83] of geometrische figuren, heeft een eenvoudige vorm.
Een reeks historische pijpen werd, vanaf 1863, vervaardigd met belangrijke of minder
importante nationale gebeurtenissen als thema. Een van de eerste had betrekking op de
verbeterde verbinding van de beide havensteden met de Noordzee. Op de ketel staat dit
heugelijke feit vermeld met de tekst: WATERWEGEN en onder de respectievelijke

24


77

76

79
78

25


stadswapens staan de plaatsnamen AMSTERDAM en ROTTERDAM. In hetzelfde jaar
werd het 50-jarig jubileum van de staat herdacht met het opschrift: LEVE NEERLANDS
VORSTEN, 1813 november 1863. Langs de rand van de ketel staat: HULDE AAN HET
ORANIE FEEST.
Op een andere pijp die de verbondenheid van het Nederlandse volk met de Oranjes
weergeeft staan Willem I en Willem 111 afgebeeld en is gemaakt door Bartholomeus van
der Maas. De steel van deze pijp is S-vormig, zoals bij veel herinneringspijpen het geval
is. In 1870 werd een pijp uitgegeven ter nagedachtenis aan de slag bij Sedan. Op de ene
zijde staat een mitrailleur en de andere zijde laat de overgave van Napoleon! (27) zien.
De vijfentwintig jarige troonsbestijging door Willem 111 was in 1874 aanleiding voor een
tweetal herdenkingspijpen, met een rechte steel. Op beide exemplaren staat aan de ene
kant de koning onder een baldakijn en op de keerzijde een gekroonde W of het
borstbeeld van Willem 111. Bij de laatste pijp is in de overgang tussen de ketel en de steel
een minuscule dia (kijkglaasje) aangebracht met de beeltenis van de kon ing.
De slag bij Waterloo (1815) werd, in 1875, met een serie speciale pijpen herdacht.
Hierop wordt de vluchtende Napoleon I achtervolgd door Willem 11.
Ook voorvallen, die niet van landsbelang waren, maar waarschijnlijk wel leefden onder
de bevolki ng, konden worden vereeuwigd. Uit een advertentie uit 1875 blijkt dat de
fabrikant G.J. Wagenaar een pijp in productie had, die de dubbele moord op mevr. van
Kouwen en haar dienstbode als onderwerp had. De portretten van beide slachtoffers
staan aan weerskanten van de ketel afgebeeld (28).
Bij de pijpen met een vormvolgende versiering werd de traditionele vormgeving geheel
losgelaten en zijn de voorstelling en model geheel in overeenstemming met elkaar
[81,84,85,86,87]. Hoewel hier slechts enkele voorbeelden zijn gegeven is het aantal
variaties zeer groot. Een geliefd thema was het afbeelden van dieren, zoals een hond
[80], een haan, een aap, een bok, een vis [81], een zwijn [84] of een paard.
Tot dezelfde groep behoren ook de gezichtspijpen, die opnieuw in de mode kwamen .
Opmerkelijk is dat hieronder veel huzaren [85], in verschillende afmetingen, zouaven en
Turken voorkomen. Een andere categorie zijn de narachtige figuren en fantasiepijpen, die
mogelijk aan kluchten zijn ontleend. Bij uitzondering stond een historisch figuur model
als motief. Enige voorbeelden zijn koningin Victoria van Engeland en een afbeelding van
de jonge Wilhelmina, die omstreeks 1890 werd geproduceerd. Dit in tegenstelling tot
Frankrijk waar juist veel politieke en openbare figuren in pijpaarde werden "vereeuwigd".

Overeenkomstig het systeem bij de bruyèrepijpen, werden er rond 1900 ook kleipijpen
vervaardigd, die uit meerdere onderdelen werden samengesteld. Bij dit type eindigde de
steel, na ongeveer 4 centimeter. Over het uiteinde van de steel werd een verchroomd
buisje gemonteerd, waarin een losse steel, van hout, riet of caoutchouc kon worden
gestoken. Een ander type was de manchetpijp. Deze had een verwijding van het
rookkanaal en een plaatselijke verdikking van de wand. Met behulp van een kurkje kon
de steel verlengd worden.
De cultuurverandering in de rookgewoonte leidde tot een toenemend omzetverlies. Het
gebruik van sigaretten, sigaren en shag nam hand over hand toe. De pijpenmakers
speelden hierop in door voor dit doel geschikte pijpjes te maken. Dit kon echter niet
verhinderen dat de nijverheid steeds verder in verval raakte (29). Na 1925 is de
nijverheid zodanig teruggelopen dat de overkoepelende vereniging voor de pijpennering
opgeheven werd. Na de tweede wereldoorlog zijn alleen de fabrieken van Goedewaagen
en P.J. van der Want, later Zenith genaamd, nog werkzaam (30). De productie is
marginaal en is hoofdzakelijk nog van toeristische en mogelijk nostalgische betekenis.

26


80

. 84 85
27


3. DE MERKEN

3. 1. INLEIDING

Het plaatsen van een merkteken op een eigendom, product of onder een overeenkomst
was reeds ver voor het begin van de pijpennijverheid een algemeen gebruik. Het is niet
verwonderlijk dat ook de pijpenmakers op hun producten een herkenningsteken zetten.
Voor de determinatie van de kleipijpen zou het plezierig zijn als van alle merken de
eigenaar bekend zou zijn, doch dit is helaas niet het geval. Landelijk ontbreken nog veel
gegevens over de merken die gebruikt werden. Van Rotterdam, Dordrecht en Den Haag
is zelfs de omvang van de lokale kleipijpenindustrie nauwelijks bekend. Bij andere
plaatsen, b.v. Amsterdam en veel kleinere centra, zijn de gegevens beperkt. Zelfs de
kennis over de Goudse merken vertoont talrijke hiaten en onzekerheden, ondanks de
uitgebreide studie in het goed gedocumenteerde pijpenmakersarchief en bestuderi ng van
de notariële en rechterlijke documenten. Uit de periode voor 1660 zijn slechts
incidenteel en met veel moeite enkele merken en hun eigenaren teruggevonden. Pas na
de oprichting van het gilde werden de in gebruik zijnde merken geregistreerd, hoewel dit
in eerste instantie zeer onvolledig gebeurde (6).

Aanvankelijk bestond het merk uit eenvoudige geometrische patronen van elkaar
kruisende rechte lijnen. Het merk werd, door middel van een stempeltje, op het
uitsteeksel (de hiel) aan de onderzijde van de pijpenkop aangebracht. Ongeveer
gelijktijdig kwamen ook figuratieve voGrstellingen en letters in gebruik. Van hef
lettermerk ka n soms een mogelijke maker worden achterhaald. Het blijkt dat enkele
pijpenmakers, zowel voor de ondertekening van officiële documenten als voor het
merken van hun producten, dezelfde letters gebruikten, namelijk hun eigen initialen.

In de loop van de 1r eeuw nam het aantal f iguratieve voorstellingen gestaag toe . Het

nadeel van de beeldmerken was dat ze, in vergelijking met de lettermerken, eenvoudiger
zijn te vervalsen. Aangezien de voorstelling slechts een doorsnede heeft van hoogstens

5 mm. is een kleine verandering voldoende om een ander merk op te leveren, tie b.v. de

overeenkomst tussen de merken de krijgsman en koning David.
Mede door de snelle groei van de nijverheid en om een halt toe te roepen aan de
voortdurende geschillen over het eigendomsrecht, werd in 1641, het uit 1629 daterend
reglement door de Goudse overheid vernieuwd. In deze keur, die uit 8 artikelen bestond,
werd herhaald, dat op het vervalsen van een merk een boete staat van 6 gulden. Op de
tonnen, waarin de kwetsbare pijpen werden verpakt voor transport, moest een vergrote
versie van het makersmerk worden aangebracht. Hierdoor was het voor de klant direct
duidelijk welke pijpenmaker de pijpen had geleverd. In de nieuwe verordening werd
tevens het plaatsen van het eigen merk op de tonnen van collega's ten strengste
verboden (30).

28


Het toegenomen economische belang van de pijpenindustrie voor Gouda maakte het in
1660 noodzakelijk om tot een uitgebreidere regelgeving over te gaan en een gilde op te
richten. Zij volgden hierin Gorinchem op, die als eerste stad in 1656, een dergelijke
vakvereniging kende (16). Door de bundel ing van krachten werd de concurrentiepositie
verbeterd en de strenge bepal ingen beperkten het aantal interne conflicten. De Goudse
gildenbrief bestond uit 45 artikelen, w·aarop in de loop der tijd aanvullingen en
veranderingen werden aangebracht.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw groeide de Goudse nijverheid dusdanig uit
dat het zich een toonaangevende posit ie verwierf, tevens werd het afzetgebied
aanzienlijk uitgebreid. Ontwikkelingen in het uiterlijk van de pijp werden op de voet
gevolgd door de andere centra. Om hun positie te consol ideren en te verstevigen werd
meer aandacht besteed aan de kwa liteit van de pijp en het vakmanschap van de
beginnende pijpenmaker. Een collega, die tot het gilde w ilde toetreden, moest eerst een
proeve van bekwaamheid afleggen. Uit een bepaalde hoeveelheid pijpaarde moest een
dozijn "fijne" pijpen gemaakt worden. De term "fijne" duidde op een zodanige kwaliteit,
dat deze pijpen tot de betere soorten gerekend moet worden.
De eerste gildenboeken, over de periode 1660 tot 1724, waarin de namen van
pijpenmakers en de merken zijn opgetekend, leken aanvankelijk verloren te zijn gegaan.
Tien jaar geleden zijn deze documenten, in de collectie van het British Museum te
Londen, ontdekt (6) . Deze gildenboeken blijken in 1870 aan de verzamelaar W illiam
Bragge geschonken te zijn en meegenomen naar Engeland.
Tot 1724 was de administratie van het gilde uiterst onnauwkeurig. Wel werden de
namen van de toegetreden gildenbroeders opgeschreven, maar vaak bleef het merk, dat
zij in gebruik namen, onvermeld. Ook de datum, waarop een merk van eigenaar
wisselde, werd slechts spaarzaam opgetekend . Bovendien werd niet altijd een jaartal
vermeld en ontbreekt soms de chronologie van de notities. De registers werden van
1691 tot 1723 bijgehouden door Nicolaes Waeghals, zijn opvolger was Jan Millaerd, die
aanbleef tot 1746 (31 ). Naarmate de tijd vorderde werd de administratie nauwkeuriger.
Ondanks de vele doorhalingen en het vaak slordige handschrift is door de ontdekking
van deze gildenboeken een grote stap voorwaarts gezet in het pijpelagische onderzoek.

rIn het laatste decennium van de 1 eeuw ging een aantal pijpenmakers ertoe over hun

merk op de zijkant van de ketel te plaatsen. Dit had het voordeel dat het merk groter en
met meer details uitgevoerd kon worden, waardoor vervalsen moeilijker werd en de
herkomst van de pijpen duidelijk was. De voorstelling op de pijpenkop kan als versiering
beschouwd worden, maar het kwam de kwaliteit zeker niet ten goede. Door het
reliëfmerk [59-62} ontbrak de karakteristieke satijnglans, die de betere kwaliteit pijp
kenmerkte. De zijmerk-pijpen waren, vanwege de slechtere afwerking , goedkoper en
werden tot de "groffe" soorten gerekend. Het zetten van een merk op de kete l was, in
1698, aanleiding voor de magistraten van Gouda om een aanvulling op de gildenbrief op
te stellen, om te voorkomen, dat "twee Gildebroeders een en het selve Figuur of
Lofwerk sullen setten ".
Mede door het succes van Gouda, nam ook de concurrentie toe in Utrecht (19), Alphen
aan den Rijn (18), Gorinchem (16) en Schoonhoven (38). Er was echter in het algemeen
wel een duidelijk kwaliteitsverschil met de Goudse producten. Alphen vormde hierop
echter een uitzondering, aangezien zij bewust de betere soorten pijpen poogden te
imiteren. Deze pijpen werden zelfs voorzien van gerenommeerde Goudse merken. ·
Malafide pijpenhandelaars schroomden niet om de goedkopere imitatie 'gouwenaars' te
mengen met de originele (18). Deze handelwijze brac ht de industrie in diskrediet. De
lokale overheden konden evenwel bu iten de jurisdictie van Gouda geen stappen
ondernemen om aan deze praktijken een halt toe te roepen. Op dat moment was er van
een provinciale of landelijke merkbescherming nog geen sprake. Op aandringen van de

29


overlieden en dekens van het gilde werd de kwestie voorgelegd aan de provinciale
overheid. Dit had succes, want in 1739 verleenden de Staten van Holland en West-
Friesland aan de Goudse pijpenmakers het alleenrecht om het stadswapen op de zijkant
van de hiel te plaatsen, zodat de herkomst van de pijpen te zien was. Nadrukkelijk werd
in de verordening vermeld dat het bijmerk uitsluitend geplaatst mocht worden op de
beste "porceleine" soort pijpen. Het probleem was hiermee slechts gedeeltelijk opgelost,
want ook de handel in de "fijne" pijpen had ernstig te lijden van de vermenging met
goedkope imitaties. Een jaar later zou het octrooi ook voor deze categorie gelden. Als
onderscheid met de beste kwaliteit moest boven het Goudse wapen een S worden
geplaatst.
Ondanks alle maatregelen ging het vervalsen van de bekende Goudse producten en
merken gewoon door. Door de toevoeging van een punt(en) of ster(ren) aan het Goudse
stadswapen werd de verordening omzeild, terwijl men toch niet strafbaar was. Pas in
1791 werd aan het vervalsen paal en perk gesteld, door een ordonnantie met de
volgende tekst: " ... dat niemand op eenige pypen buiten de Stad Gouda, het Wapen der
Stad Gouda, of ook eenige Sterretjes, Bloemen of stippen, of iets diergelyks eenigsints
naar het Wapen der Stad Gouda gelykende, nog ook den naam der Stad Gouda, zal
mogen stellen of doen stellen. Ten tweeden, dat geen Pypen Fabriqueur op desselfs
Pypen een anderen naam, dan zyn eigen; en dat bysonder niemand op de Pypen, buiten
Gouda gemaakt wordende, de naam of het merk van een Pypen-Fabriqueur te Gouda zal
mogen stellen". Tevens werd het verboden om namaak "gouwenaars" te verhandelen.

Het merk ging niet automatisch over van vader op zoon. Afhankelijk van de populariteit
kon een merk een aanzienlijke marktwaarde hebben. De prijs om een merk in eigendom
te krijgen liep uiteen van zes flessen wijn tot honderden guldens. Sommige pijpenmakers
verhuurden hun merk om verzekerd te zijn van een soort oude dagvoorziening. Het
kwam ook voor dat het gebruik van een merk, uitsluitend voor een bepaald soort pijpen,
aan een ander werd verhuurd. Zo gaf, In 1753, Jan Gerritse de Jong toestemming aan
Gerrit Moleman om op zijn lange pijpen het merk WP te zetten, voor de andere soorten
hield Jan de rechten (32). De merkenregistratie en het eigendomsrecht werden op deze
manier zeer ondoorzichtig en was een doorn in het oog van de overlieden van het gilde.
In 1753 werd in een keur de vererving, de verkoop en de verhuur opnieuw geregle-
menteerd.

De tweede helft van de 18e eeuw kenmerkte zich door een verontrustende teruggang
van de nijverheid. Dit werd tot op zekere hoogte veroorzaakt door de concurrentie van
Gorinchem en Schoonhoven, die zich hoofdzakelijk op de vervaardiging van goedkope
zijmerkpijpen concentreerden. Uit de verspreiding en de frequentie van dit soort pijpen,
die bij opgravingen worden aangetroffen, blijkt de grote populariteit. De grootste
problemen kwamen echter voort uit het teruglopen van de export van de betere kwaliteit
pijpen naar het buitenland. Gaandeweg werden in de buurlanden pijpenfabrieken
opgericht, die zich aanvankelijk richtten op de namaak van het succesvolle Goudse
product. Zij gebruikten zelfs bekende namen en merken van Goudse pijpenmakers. In
Duitsland, België en Frankrijk lagen de productiekosten lager dan in Gouda, door lagere
arbeidslonen en de aanwezigheid van groeven voor de winning van pijpaarde. Toen de
Duitse overheid de invoer van "vreemde" pijpen ook nog extra ging belasten met
heffingen, ging deze lucratieve markt geheel verloren. Zelfs in Holland werd in
toenemende mate pijpen geïmporteerd. Vooral het oosten van ons land betrok, in de
tweede helft van de 188 eeuw, meer en meer pijpen uit het Westerwaldgebied. Een
andere bedreiging vormde de toepassing van meerschuim, hout en porseleinaarde om
pijpen te maken.
Door het verval van de industrie werden de strenge gildenregels versoepeld, zodat deze
geen belemmering meer zouden zijn voor de beginnende pijpenmakers. Toch nam het

30


aantal gildebroeders verder af, met het gevolg dat veel merken vacant kwamen. Officieel
werd het vanaf 1778 mogelijk om meer dan één merk te voeren. De fabrikant moest dan
wel kiezen uit de vrijgekomen merken, want nieuwe merken werden niet geaccepteerd.
In deze periode werd tevens een groot aantal merken geroyeerd, vanwege hun gelijkenis
met andere merken.

Met de komst van de Franse tijd (ca . 1795) werden in het kader van de "vrijheid,
gelijkheid en broederschap", de gilden opgeheven. Het elitaire karakter van de beroeps-
verenigingen met zijn toelatingseisen paste niet in de nieuwe tijdgeest. Aangezien
nieuwe richtlijnen uitbleven handelde men in grote lijnen volgens de oude reglementen
(24). De dagelijkse gang van zaken werd geleid door de "provisioneele commissarissen
van het geweeze Pypmaakersgilde".
Direct na de bevrijding werd het oude gilde in ere hersteld. Dit kon evenwel niet
verhinderen dat de nijverheid, door de oorlog en de beperkingen in het handelsverkeer,
steeds verder aan belang inboette.
De versoepeling van de regels had tot gevolg dat de concurrentie opnieuw de Goudse
merken gingen imiteren. In Alphen aan den Rijn en Gorinchem, maar vooral in het
zuiden, zoals in 's-Hertogenbosch (42), Maaseik, Luik en Gent (43), werd op grote
schaal plagiaat gepleegd. Na sterk aandringen door de Goudse pijpenmakers werd op 25
december 1818, bij Koninklijk Besluit, een landelijk reglement van kracht, die het gebruik
van merken in goede banen moest leiden . ledereen moest opgave doen van de merken,
die in gebruik waren. Deze gegevens werden centraal verzameld en vastgelegd in een
verzamellijst. Vanaf dat moment mocht niemand een nieuw merk zetten zonder
toestemming van het plaatselijk bestuur. Dit was echter niet het doel wat de Goudse
pijpenmakers voor ogen hadden. Immers het merk genoot geen landelijke bescherming
meer en de lokale overheden konden, naar eigen goeddunken, een verzoek inwilligen of
afwijzen (43). Ondanks de wettelijke bepalingen ontstonden toch regelmatig geschillen
over het oneigenlijke gebruik van de merken (6). Een vermakelijke anekdote, over de
inventiviteit om de bepalingen te omzeilen, ontstond in 1849, toen Joost Sparnaay in
Waddinxveen, een randgemeente van Gouda, een verzoek indiende om de volgende
merken te mogen zetten; de groenteboerin, de schermmeester, de schol, de geit onder
de boom en de ongekroonde WS. Door een naamsverandering van de reeds bestaande
bekende merken: de melkmeid, de krijgsman, de bot, het lam onder de boom en de
gekroonde WS, meende hij zijn slag te kunnen slaan. Deze actie werd echter door zijn
collega's allerminst in dank afgenomen (32).

In 1855, een jaar nadat de kantonrechter de eerdere bepalingen over het merkenrecht
als niet bindend had verklaard, richtten de pijpenfabrikanten een nieuwe vereniging op.
Het huishoudelijk reglement, in de vorm van een contract, werd door 54 bazen
ondertekend (30). Vanaf dat moment werd geen limiet meer gesteld aan het aantal
merken. De grote bedrijven kochten de bekendste merken op en hielden deze in bezit,
soms zonder ze te gebruiken.
Het zou tot 1881 duren voordat, van overheidswege, de merken opnieuw landelijk
bescherming genoten. Dit was echter mosterd na de maaltijd, want de teloorgang van
de nijverheid was reeds ver gevorderd. Naast een aantal van de eerder genoemde
redenen kwam hier ook nog een kentering in de rookgewoonte bij. Het gebruik van
sigaren, sigaretten en snuif nam hand over hand toe.
Toen op 28 november 1911 de vereniging van pijpenfabrikanten werd opgeheven ·
kwam, na twee en een halve eeuw, een einde aan het georganiseerd optreden van de
Goudse pijpenmakers. Toch heeft de nijverheid zich tot op de huidige dag kunnen
handhaven, hoewel de uitoefening van dit oude ambacht steeds verder afneemt.

31


3.2. BEELDMERKEN

Bijzonder illustratief zijn de figuren, die als merk op de hiel of zijkant van de ketel
werden aangebracht. Het vervaardigen van een duidelijk herkenbare voorstelling op het
hielstempel of in de mal vereiste een grote vakbekwaamheid van de stempelsnijder en de
graveur. Vooral de diepte van het reliëf is van belang voor een duidelijke weergave van
het merk en een goede herkenbaarheid.

Als een van de eerste beeldmerken werd de roos gebruikt. Het aantal variaties van dit
merk is enorm. Niet alleen in Gouda en Amsterdam, maar in vrijwel elke plaats waar de
pijpenmakers zich gevestigd hadden, duikt het merk op. De reden waarom de roos zo
populair was ligt mogelijk in het feit dat de eerste pijpenmakers uit Engeland afkomstig
waren. Vanuit een emotioneel standpunt gezien was het logisch, dat zij het wapen, de
Tudorroos, van hun geliefde koningin Elizabeth I, op hun producten zetten. De sterke
voorkeur blijkt ook uit de vele conflicten, die ontstonden over het recht om dit merk als
herkenningsteken te mogen gebruiken. Reeds in 1625 diende voor het gerecht in Gouda
een zaak, waarin het roosmerk centraal stond. De Engelse William Baernelts spande
tegen zijn landgenoot Willem Hoppe, een geding aan, omdat deze een identieke
gekroonde roos op zijn pijpen zette. De uitspraak van het hof luidde dat Hoppe zijn
producten van een bijmerk moest voorzien. Enige jaren later, in 1628, was het Robert
Jaxon die op de vingers getikt moest worden. Hij mocht wel het roosmerk blijven zetten
maar dan zonder kroon. Nog in hetzelfde jaar diende opnieuw een rechtszaak, nu tussen
Wiltem Flud, die inmiddels de rechten op het merk had verkregen, en de vrouw van
Daniël Andriesz. De eiser Willem Flud kwam als overwinnaar uit de strijd, want de
gedaagde merkte haar pijpen in het vervolg met een gekroonde ster. De lokale overheid
moest hierna nog diverse keren ingrijpen bij geschillen over het gebruik van een merk. Zij
stelde een reglement op om problemen in de toekomst te voorkomen. Overtreding van
de verordening zou bestraft worden met een boete van fl. 6, - en de inbeslagname van
de betreffende pijpen (32).

rHet roosmerk werd vooral in de eerste helft van de 1 eeuw veelvuldig gezet. Hierna

was het aantal autochtone pijpenmakers zodanig toegenomen, dat het merk zijn
(emotionele) betekenis had verloren. In een gestileerde vorm, zou tot in de 18e eeuw,
het merk hoofdzakelijk nog gebruikt worden als versieringsmotief op de zijkant van de
ketel [50, 70]. Opvallend is dat, vooral in de omgeving van Haarlem/ buitensporig vaak
het gestileerde roosmerk voorkomt/ waarbij aan het basismotief initialen of figuren
werden toegevoegd (14). Het aantal stippen waaruit het merk was opgebouwd kan
sterk verschillen. Bovendien werden regelmatig kelkblaadjes tussen de stippen geplaatst.
Een ander vroeg merk is de lelie. Hoewel in mindere mate dan het roosmerk werd de
lelie in veel productiecentra gezet en kende diverse uitvoeringen. Rond het midden van
de zeventiende eeuw was het tevens een veel voorkomende steeldecoratie, waarbij één
of meerdere lelies in een ruit werden opgesloten. De versiering werd hoofdzakelijk bij de
kwalitatief betere soort pijpen aangebracht, op de bovenkant van de steel.

Uit bodemvondsten is gebleken dat, in de eerste helft van de 1r eeuw, de volgende

beeldmerken gezet werden: de engel, de visser, de hand/ het melkmeisje, de duif/ de
haan, de os, het paard, de uil, de vos, het zeepaard/ het klaverblad/ de knol, de
goudsbloem, het anker, de posthoorn, de trompet, de klok, de dubbele arend, de leeuw,
het Goudse wapen, de zon, de ster/ de knoop en de vijf schijven. In de periode voor de
registratie door het gilden/ in 1660, zijn in het algemeen de beeldmerken moeilijk aan
een eigenaar toe te schrijven. Slechts in een klein aantal gevallen fungeerde de
achternaam van de pijpenmaker tevens als merk/ b.v. bij de Vos, Knol, Blom
(goudsbloem) en van /t Ancker.

32


Uit de inschrijving van een merk in de opeenvolgende merkenregisters blijkt dat de
naamgeving van een aantal merken aan verandering onderhevig was. Het is niet altijd
duidelijk of de omschrijving één merk betreft, of dat hier sprake is van meerdere min of
meer identieke merken. Uit de chronologische rangschikking, de éénmalige vermelding
van het merk onder een bepaalde naam en de sterke overeenkomst in het uiterlijk van de
betreffende merken, valt te concluderen, dat de benaming in de loop der tijd kon
veranderen. Een aantal voorbeelden van een naamsverandering die plaats kon vinden
zijn: de molenaar - Atlas, prins en prinses - man en wijf, jager - musketier -
scherpschutter, aambeeld - smid, juk - bierboom. In de registers (hoofdstuk 3.3.) zijn de
diverse schrijfwijzen overgenomen en is aangegeven onder welke naam het merk van de
pijpenmaker stond ingeschreven.

Over de herkomst van de beeldmerken bestaan verschillende theorieën. Behalve een
directe relatie tussen de eigennaam en het merk kan er tevens een verband bestaan met
de naam van het pand waarin het bedrijf was gevestigd. Opvallend is dat het merendeel
van de merken een grote overeenkomst vertoont met de symbolen, die ook in de
heraldiek worden gebruikt, b.v. de morenkop, het doodshoofd, de leeuw, de windhond,
de zwijnskop, het lam Gods, de haan, de haring, de St.-Jacobsschelpen, de lelie, de
klaver, de wassenaar (halve maan), de kroon, de rijksappel (wereldkloot), de burcht, de
sleutel, de zuilen, het kasteel, het anker, het scheepje, de helm, de toernooilans
(standaard), de spade, het rad, de posthoorn, de passer, de draak, de eenhoorn, het
hert, de hond (vos), de ramskop, het pentagram, het fortuin, de granaatappel, de merlet
(merel) en de stormladder (leer).
De hypothese dat pijpen, waarop een ambacht staat afgebeeld of een karakteristiek stuk
gereedschap, speciaal voor deze beroepsgroep zou zijn vervaardigd lijkt niet logisch. Ten
eerste was het in het belang van de pijpenmaker om een zo groot mogelijke omzet te
halen, dus zal hij zijn productie niet afgestemd hebben op een beperkte doelgroep. Ten
t weede was het aantal merken dat een baas mocht voeren lange t ijd gebonden aan
strenge regels, hij za l zijn merk zorgvuldig hebben gekozen om gewaarborgd te zijn van
voldoende klandizie.

Een aantal merken is lange tijd onderwerp van discussie geweest. Een bekend voorbeeld
is het merk de beugel. In een aantal publicaties werd de passer ten onrechte als beugel
betiteld en visa versa (40) . Een vergelijkend onderzoek van onder andere gevelstenen en
prenten maakte het n:ogelijk deze fout te corrigeren. Ook de merken de koffiekan,
koffieketel, koffiepot en schenkkan leverden problemen op bij de determinatie. Het was
onduidelijk welke voorstelling bij welk merk hoorde. Een bodemvondst van een pijp met
de naam van de maker bracht veel opheldering (39). Op een pijp, met een lang stuk

steel, staat de naam L. VERRYST als fabrikant gestempeld. Op de hiel staat een slanke

pot met een deksel, oor en een lange tuit. Volgens de gildenboeken voerde Lieve Verrijst
rond 1730 het merk de koffieketel. In 1746 werd hetzelfde merk omschreven als de

koffiepot. Hierdoor werd duidelijk dat de koffieketel I koffiepot een ander merk is dan de

koffiekan.

In het tweede kwart van de achttiende eeuw ontstond naast het hielmerk ook het
zijmerk. Het merk, dat aanvankelijk met een ca. 3 mm groot stempeltje op de hiel werd
geplaatst, verscheen nu in een vergrote vorm op de zijkant van de ketel. De
herkenbaarheid voor de consument werd hierdoor sterk bevorderd en het verlevend igde
het uiterlijk van de pijp. De gedetailleerde voorstelling werd in de mal aangebracht en
verscheen direct met de vorming van de pijp op de ketel. In de registers (hoofdstuk 3.3.,
3.5. en 3.7.) zijn de zijmerken niet door een cirkel omgeven en verkleind weergegeven.

33


3.3. REGISTER VAN DE BEELDMERKEN

3 .3.1 PERSONEN

offer van Abraham 1700-1720 fortuin (vrouwe Fortuna) 1677-
Arij Paschierse 1706-
® 1667- Passchier VertuijniFortuijn 1730-
171 3-59 Arij VertuijniFortuijn 1734-
molenaar (1) - Atlas (2) voor 1759 Jan Balbian 1766-
Gerret Jansz. Aernz (1) Gerrit Houbraak 1 7 8 2- 1 7 8 5
Arie de Visser (2) Cornelis Mansvelder 1787-03
geroyeerd Hendrik Houbraak
wed. Hendrik Houbraak -1811
Bas op ton (1 ) - Bacchus op het vat 1696- Leendert van der Vin 181 1-
Baertelemees de Schoenmaclcer (1 ) ·1714 wed. L. van der Vin 1838-1849
Jan Lammertsz Weldrager Jan van Baaien (huur) 1840-1849
Pieter de Bruijn 1714- Jan van Baaien 1849-
Anthonij Kalf 1731- Gerardus Johannes van Baaien 1881-1893
Hannes van der Valk
Jan de Wilde - 1751 gerechtigheid (vrouwe Justitia) 1692-
Hannes van der Valk 1761 - Cornelis Klaesen Schoorrel
vacant 1763-82 1683-
Klaas de Roos 1782 hoop 1693-
Maarten de Jong Adrijaen Andrijesse 1722-59
wed. Maarten de Jong -1 785 Joost Pietersz. Scharp
Pieternella de Jong 1 7 8 5- Jan Joosten Scharp 1 7 1 8- 1 7 5 4
1720-
· 181 9 jager zie musketier 1754-
- 1 8 50
~ -1782
w 1782-03
\!53)
~
boutw ijfje - juffrouw met kipperson I cappersol (1 l Job op de mesthoop
Jacobus Versluijs
Pouwelis van der Put 1677- Hendrick Luchter ?
Jacob Nobel
Jan Paulisz. van der Put 1701- wed . Jacob Nobel
Abraham Veenendaal (huur)
Maarten Tijsz. Monk 17 14-

Jan Jansz. Verwint (1) 1726-

Leendert Visser (1) -1 74 5

Lammert Dros 1745-

Willem van Velzen 1746-

Ruth Boot -1759

engel 1646- Jonas in de w alvis 1688-
Jan Jansz. Duijst 1696- Jacobus de Mol
Maerten Jansz. 1730-
Maarten van den Ring na 1746 juffrouw met de kipperson I cappersol
Matthijs van den Ring voor 1768 zie boutwijfje
geroyeerd

34


Jacob Sijpesteijn (1 l 1768-
Jacobus van der Draaij (1 ,2) 1782-03

kind in de wieg 1689- man in de boot -17 18
Reijnier Vos 1691- Claas den Roester 1719-
Pieter Arijse Vloeker 1708- Jan IJserman 1749-
Aelbert Reiniersz. de Vos ,734-1768 Arij IJserman
Cornelis Gruijtershof Cornelis Luijnenburg -1771
1666-1686 Joris de Liefde 1782-
kok wed. Joris de Liefde
Gerrit Dircxsz. Koek ·1807
1675- boer in de kan - man in de kan
koning David 1682- Arent de Groot 1726-
Pieter Jacobsz. Gilbo/Girreboo 1729- Arij Oosterhout 1726-
Jan Girreboo 1773- Jan de Jong 1743-1775
Jacob Bos 1795-
Jacob Wout 1844- man bij de karn 1667-
Pieter Wout 1865 Jan Jansz. Kool 1737-82
Willem Frederik Endenburg 1865- Frans Glas
Pieter Goedewaagen 1881- 1718-
P. Goedewasgen & Zoon man op de kwakel 1739-
Goedewasgen N.V. -1945 Joris van Straale 1754-03
Pieter 't Hoen
x~e 1706- Jan de Mol
1743-
koorddanser 1746-68
Jacobus Tubal 1780-1805
Willem Schipper 1813-1850
Hendrik Ophuijsen 1860-
Dirk Weldrager
Hendrik van Duyn

Gerrit Prince & Zonen

krijgsman 1670- (man op del olifant 1730-
Jan Vis 1732- Klaas Bruijne 1745-1753
Pieter Vis 1745- Hermanus/Adrianus Boot 1753
Jan van Leeuwen 1802- geroyeerd
Johannes de Loos 1822-
Coenraad Weijman Blom 1844-
Pieter van Essen 1848-
P. & W.F.C. van Essen 1865-

man in schilderhuis (1l - schildwacht (2) -

schildershuis (3)

Jan Flippe (1 ,2) 1712-

Jan Versluis (1 I 1732-

kruier- man met kruiwagen en een mand pijpen (1I Joost Versluijs (2)

wed. de Vinck 1730-46 Krelis de Jong (2)

Dirk Beukman (1) 1749-59 Jan Crelisse de Jong (2) 1742-

Jan Versluijs (1 ,3) 1746-68

landman (1 )-man met schop (2)-boer met schop (3)

PieterEngelen van der Put (1) 1705- man in het schilderhuis + IF

Pieter van der Putten (2) 1745- Jan Flippe 1712-

Jan van der Putten (3) 1759- 35


man in het schilderhuis + IS 1712-1722 meisje zonder armen { + SH) 1667-1695

sjees - man op de sjees (1) 1718- Steven Hendricksz. de jonge
Cornelis van Hoorn 1727-
Thijs Melkert 1730- melkboer
Dominicus van Klaveren 1733-46 Barent Dircksz. Jonckhart
Jan van Klaveren 1749-59
Willem Hendricksz. van Bocksel 1765 melkmeisje- Friese meisje (1)- melkmeid
Jan van der Werf (1) 1782
Corneli s van der Werf (1) Hendrick Godvree 1660-
1707-
man met ster 1715- Jacob Willemsz. (1l 1666-
Jan van der Vos 1732-
Ary Jansz. Stickert 1737- Joris Heindricksz. Godfre 1668-
Jan de Vos 1745-
Frans Glas Heijndrick Jansz . IJserman 1682-
Abraham van der Vos -1782
wed. Abraham van der Vos 1782-03 Leendert Albertse van Wijck -1696
Klaas de Roos
Hendrik Jans Eperman 1697-
man op de stoel
Willem Henderichsz. Houbraeken Cornelis van Leeuwen 1716-
wed. Houbraak
Cornelis Endenborgh I Endenburg Cornelis van der Wal 1744
Jan van der Zwalm
vacant Leendert de Jong 1744-
Cornelis van der Werf
Maarten Monk 1774-
man op de zwaan
Aart Hendericksz. van Brugge wed. Maarten Monk -1803
Hendrik van Brugge
Andries Brenkman Cornelis Prince 1803-1 81 9
Krijn van Vliet
Jan Prince 1834-
meermin
Jacob Claris Jan Gzn. Prince 1851-
Boudewijn Claris
Hendrik Sijpesteijn Jan Prince & Cie 1881-
Jan Souffreu
Pieter Versluijs Fa. P.J. Azn van der Want 1898-
Hendrik Spanenburg
Johannes Broer molenaar zie Atlas

1709- jager (1) - man met het musket (3)- musketier (2)-
1730-
1745- scherpschutter (4)
1754-
Jan Harmensz. de Jager (1) 1679-
-1782
1782-03 Willem Willemsz. Marele (3) 1713-

1708- Jan I Johan Versluijs (3) 1732-
1728-
1746-1755 Jan de Jong (2,3) 1746-1776
1759-68
vacant ca 1782
1745-
1749- Adam Schoute (2) 1784-
1768-
1770- Willem Mansvelder (2) 1785-03
1773-
1829- Willem Hendriksz. Herbus (2) 1815-1819
1 8 4 3- 1 8 4 6
Jan Verspuij (4) 1838-48

prins 1660-
Jan Willemsz. Bridjet 1674-
Jan Jansz. de Vriendt 1686-
Cornelis Smient
1670-1 690
prins + PM

36


prins + PO ®...
.
ca 1690 aambeeld (3) - smid (1) - man bij het aambeeld (2)

Lammert Willemse Weldrager (3) 1689-

Jan Jorisse van der Dus (1) 1714-

Arie Dus (2) 1739-

Jacobus van Holland (1,2) -1746

prins en prinses (1) - man en w ijf I vrouw (2) ®...

Jan Pieters Schoonevelt (1) 1674- speelman
Cornelis Sorgh
Pieter Pietersz. van Aspere (1) 1711 - Jan Sorg
Dirk Pzn van der Want
Jan Arijse Espeel (2) 1719- Gerrit Pz van der Want
Gerrit Dzn van der Want
Jan Eelspeel (1 ,2) 1745- wed . Gerrit van der Want
Gerrit Cornelis Pzn van der Want
Jan Hulstpas (2) 1749- Johannes Marinus van der Want 1705-
Fa.P. Gzn van der Want 1727-
vacant 1782 1763-
1809-
ruiter te paard 1699- 1818-1848
Jan Verbanek 1719- 1850
Jan Hendericksz. Sprot 1865
Abraham van Heijningen -1740 1865
Dirk Mansvelder 1740- 1881 -1930
Willem de Jong 1748-
Sijbrand Smient 1803- tamboer 1713-1735
Hendrik van der Burg 1810- Jan Bockhove 1 7 3 5- 1 7 4 5
Arij varrEijk 1814-1819 Adrianus van Es 1745-
Jan de Munnik
ruiter + VO 1680-1 690 Jan de Lange ·1746
Salomon de Lange 1746-82
geroyeerd 1782

schaatsenrijder 1712- triton 1715-
Jan Jansz. Volckert 1730- Klaas Kreeft 1727-59
wed . Hendrik Kool 1746- Cornelis Smit 1782
Pieter Kool 1749- geroyeerd
Joris de Liefde 1803-1807 1674-
Joris van der Dus 1813 trompetter 1686-
Jan de Ronde 1813-48 ?
Gijsbert de Ronde Aert Pouwelsz. Vaeck -1691
1705- wed . Aert Pouwels Vaeck 1691-
twee schermmeesters 1705-1740 Aremanis Lichte 1711 -
Teunus Abrahamsz. 1740- Jan Leendersz. Maarenhoef 1738-
Jan Jacobsz. Hartendonck 1782 Jan Puijt 1763-
Gerrit de Ridder 1803- Hendrik van der Valk 1782-1799
Hendrik Denijs I de Nijs Johannes van der Valk 1799-
Pieter Ruijmslot · 1813 Maarten van Zutphen
Erven Pieter Ruijmsloot 1813-19 Jan Maartensz. van Zutphen -1 867
Maarten van Zutphen Pieter Goedewaagen 1867-
P. Goedewaagen & Zoon 1881-
Goedewaagen N .V.
-1945

37


® (mensenIhart (1I - hartenaas (21 - hartenaas in de

visser (2) - hengelaar (1) 1667-1720 (laurierlkrans (3)
Jan Jansz. Roesenboom (2) 1720-
Anthony van der Vin (1) 1729- Arien Dircksz. Jonckhart (1 1 1675
Samuel lamot (1)
Josua van Wijk (2) -1745 Barent Dircksz. Jonckhart (1 I -1683
Andries van Dijk (1,2) 1745-
Dirk de Beij (2) 1782- Gerrit Cornelisse Schravesant (1 I 1684-
Hendrik Spernaay (21 1791-19
wed . Hendrik Spernaay (21 Cris Woutersz. (1 I 1711-
-1846
3.3.2 LICHAAMSDELEN Armanus de Mol (1,2) 1725-

arm met tulp Jacobus Jansz. Heeneman (2) 1730-
Lieve van Keulen
Jacob van Keulen Klaas Begeer (21 1741-

Cornelis van der Vin (2) 1743-

Cornelis luijnenburg (3) 1 7 4 6- 1771

wed. Cornelis luijnenburg (31 -1782

1715- twee harten 1686-
1754-82 Jacob Sijpesteijn 1745-
Evert het Wout 1746-
Dirck van Son/Janson 1751-
Hermanus de Roos

dood -doodshoofd (1) - doodshoofd met de

schinkels (2) drie harten 1677-
Floris Jerassemus 1745-
Dirck Harmensz. Boon 1696- Abraham Eling - den ouden 1749-
1730- Cornelis van den Berg 1749
Jacobus de Leeuw (1I Hendrik van den Berg

Jan de Jong (1 I 1733-

Jan Claris (2) 1750-59

®...
I
hand - handschoen (1) -rechterhand (21 mariaanshoofd - moriaan (1 I - moor (21

Jonas Jansz. de Vriendt ca 1660 Dirck Hendericksz. Nije (1 I 1686-

Jan Jansz, de Vrient 1667- Jacob van der licht 1692-1704

Cornelis Jansz. de Vriendt ca 1670 Jillis Gerritsz. Knippel 1698-

Jacobus Jonasz. de Vriend 1697- Reijnier Vos 1704-

Jan de Vrint 1700- Klaes Kloutter (21 1708-

Jacobus de Vrind 1709- Jan Faloer 1721-

leendert Jansz. Boot (1I 1721- Klaas van Velsen 1727-68

Dirck van Rijswijk 1730-

Jan van Rijswijk (2) 1749-82

trouw 1755-1768

schrijvende hand 1714-59
Hage Jaspersz. van Kint

twee handen 1686- voet 1714-
Jan Sijmonse Kunst Jop Jansz. Janbroerssoon/Jonkhoen 1728-
Cornelis Oosterhout 1745-68
Jan Oosterhout 1777-82
Thomas Verhage

38


3 .3.3 FAUNA @

® 1680- bot 1722-
1693- Gerrit Verschut 1747-
aap met pijp - aap op zijn gat (1) 1703-1748 Pieter Lens - de jonge 1781-1819
Elias Jooste 1782 Christiaan Smit 1833-
Arij Jeroense Espeel Jan Prince 1865-1898
Pieter Claesz. Reijnaert (1) Jan Prince & Cie
geroyeerd 1730-1735
~
dubbele arend zie onder heraldiek (3.3.6) 1712-
liggende dolfijn 1737-
arendsklauw 1714-46 Dirck van Herwijne 1744
Jillis Palmboom 1745-59
~
@ 1677- 1667-
1686- draak 1677-
vis- baars (1) 1721· Dirk Pietersz. van Aspere ca 1730
Jan Vis 1730- Krijn van Eijk 1737-1759
Gerrit Janse Ancker (1) Engel van Zutphen
Hendrik Gerritsz. van 't Ancker (1) Jan Floers -1761
Ansen Verschut (1) 1761-
® 1775-12
® 1731- 1818-
1734- duif 1834-1843
zittende beer 1737-46 Jan Jansz. Nesel 1861 -
Jacobus van der Vreede 1759- Arij Ariensz. van Hoorn 1893-1898
Pieter Blijenburg 1782 wed . Dirk Peek
Cornelis Mansvelder Paulus Brenkman 1675
Martinus de Lange 1692- Teunis van Son 1688-
geroyeerd Jan Houtam 1709-
Teunis van Son 1721-
@ Hendrik Borst 1759-
Hendrik Roedolf 1765-
bij Jan van Baaien 1800-
Jan Bijeman Jan Prince
-1860
® 1677- ®
1708- 1745-59
bok+ B twee duiven 1765
Pieter Willemsz. Bockhoven 1727- ? 1765-82
Jan de Bok 1732- Jan Teunisse Souman
(zie ook bij initialen BOK) 1764- Gerrit Jansz. Souman
Jillis Jonker 1785- Willem Hendricksz. Sprot
Pieter de Bruijn 1788- Theunis van Dieveren
Jan Smit Pieter Schinkel
Hendrik Smit 1806-1819 Cornelis Oudshoorn
Abraham Booy 1835-38 Johannes Comelisse Oudshoorn
Jan van Zutphen 1844-1850
wed. J. van Zutphen @
Hendrik van Zutphen -1869 -
Matthijs Jbzn Boot
F. Sparnaay & Zoon drie duifjes
Hendrik Bakker
Roelof Valk

Teunis den Haag I Hagenaar

39


eenhoorn 1 6 6 0- 1 6 8 6 Jan Luijnenburg -1726
Arij Davidse Konijnenbrouck Adrianus Luijnenburg 1726-
wed. A. Luijnenburg
haan Cornelis van der Werf (huur) · 1760
Servaes Mourits Bouvaert Hendrik Nieuwland (huur) 1754-1 756
Jan de Bock Jan Nieuwland (huur) 1756-1760
Pieter Zwanenburg 1756-1760
Jan van Buuren Willem de Vet
Leendert Slobbe -1775
Andries ·comelisz. Brem geroyeerd 1782
Dirk Azn van der Want
1665-1704 kikvors 1721-46
drie haringen 1708- Willem Hendricksz. Sprot
IJsack van Kraanenburg 1735- 1 6 7 0- 1 6 8 0
1751 - konijn
1766- 1670-1690
1822-
1823-1864

1703-1760 lam (Gods)

springend hert - vliegend hert (1) 1660- Jam onder de boom 1724-
Barent Dircksz. Jonckhart 1688- Pieter Versluijs 1744-
Jan de Vinck ,730- Jan Pieterse Versluijs 1801-
Pieter Versluijs 1808-
Jan Vink (1) ·1764 Johanna Versluijs 1808-
Louwera Vink, wed. Hendrik Borsele 1764- Quirina Versluijs 1821-
Cornelis Prince 1834-
Hendrik Bos ·1776 Gerrit Prince
Leendert van Borselen 1776 Jan Prince & Cie ·1898
Fa.P. Gzn van der Want 1898-1930
geroyeerd
leeuwenkop met ring in de bek , 723-1730
springende hond? 1670-1685 Klaas van Straale 1731-82
Huijbert Verzijl
@ 1709- 1664-
1728- merel 1692-
hond in de pot 1751-59 David Jansz. Maerl 1696-
dit merk komt ook ongekroond voor Jan Davitse Maerlo 1725-
Hendrik Wijmes Boudewijn Jacobse Claris 1733-1775
Jan van Wijmen Jacob Sijpesteijn 1782
Jan Bons(sijn) Willem de Vet
geroyeerd
kat met muis in z'n muil 1705-
Willem de Ronde ca. 1730
geroyeerd

kievit 1675- muis- rat (1) 1686-1692
Jan Jacobse Luijnenburgh Wijtsje Everse 1742-
Cornelis Zonne (1)
40


olifant zie man op de olifant (3.3.1) rat zie muis
ooievaar zie onder heraldiek (3.3.6)
drie schelpen
os 1660- Willem Hendericksz. Peck 1715-
Claes de Jonge 1693- Hendrick Overman 1730-46
Cornelis Verhoek 1727-
Steven Houtam 1764- schildpad 1679-
Arij Proefhamer 1781 - Jan Louwijsz. Graci
Jacobus Jansz. de Ronde 1813-38 1667-
slang 1679-
paard (1) -springend paard (2) 1660- Arij Jansz. Overweezei 1706-
1691- Jacob Jansz. van Overweesel 1717-
? 1721- Arij Vermeulen 1720-
Heijndrick van Bocksel (1) 1725- Cornelis Vermeul 1733-
Willem Hendricksz. van Bocksel (1) 1728- Anna Bijland 1744-59
Jacob de Vinck (1 ,2) Cornelis Vermeul
·1 746 Cornelis van der Wal -1770
Jan Soutman (1) na 1746 Lucas Eversz. de Jong 1770-1782
Willem van Bocksel (1) 1776- Cornelis Verzijl
Jacob de Vink (1,2) 1795- Willem 't Hoen -1788
Gerardt Carlier (2) 1798- wed. Willem 't Hoen -1788
Gijsben Korver (2) 1828- Willem de Vink 1788-
Leenden Welter (2) 1839- Louis Mishout 1794-1808
Joost Welter (2) 1850-
Willem Maninus Weijman (2) 1861- uil -1660
Pieter van Essen (2)
P. & W.F.C. van Essen (2) ·1869 1714-
Jan van Baaien (2)

papegaai in de ring 17 13- uil op de krik
Jan Nootenboom 1732- Abraham Malgom
Cornelis Endenborgh I Endenburg 1744-1780
Jan Zonne

pelikaan (met zijn jongen) 1660- vink ? 1707-
Jan Machielsz. M edtfon 1723- David Jansz. Srnan
WouterSplees 1737- 1660-1675
Abraham Boersveld 1745- vogel + Gl
Gerrit Spille 1749- 1670-
Salomon van der Vin 1750- 1712-
Jan Nieuwenhuysen 1750-59 1729-
Cornelis Luijnenburg ca 1740
1753-
ramshoofd 1676- vos op zijn gat 1788-
dit merk komt ook ongekroond voor 1701 - Jacob Hendricksz. de Vos
1730- Koobus van Kleef 41
Jan Claesz. Bos 1741-1769 Jacob de Vos
Cornelis Jansz. Bos Hendrik van Brugge
Gerrit Maarling Jan van Rossen
Hermanus Turf Arnout Carlier


Willem Begeer 1798- Martinus van Wijmen 1764-
Hermanus Begeer 1827-1866 Evert Meurs 1772-
wed. Evert Meurs 1808-1826
vos op zijn gat + AR 1670- Gerrit Meurs 1808-
Hermanus Swartjes (huur) 1808-1826
Aelbert Reiniersz. de Vos Hermanus Swartjes 1826-
Jan Prince & Cie
vos op zijn gat + RA ·1898

Reinier Aelbertse de Vos 1660-1675 zwijnshoofd - zwijnshoofd met kroon (1)

windhond 1667- Jan Hendricksz. 1713-
lsack Goosenson 1686-
Cornelis Cornelisz. de Lange 1709-1750 Jan van Brugge 1720-
Daniel van Hoorn 1765
Dirk van Rijswijk 1782- Gerrit Mooieman 1741-
Jan van Rossen 1794-03
Frederik Willem Frutel Pieter Proefhamer 1753-

zeepaard Lieve Pijl (1 l 1753-
Mels Loreijn
Jeroen Luijnenburgh Cornelis Slingerland (1 l 1759-03
Jacob Luijnenburg
wed. Luijnenburg Pieter Slingerland (huur) (1l 1770-1782
Jan Mossel
Hieronimus Dorhand/Dortland Jan Enkelman/Henkelman 1801-1811
Teunis Boot
3.3.4 FLORA

1660- aker 1667-
1697- Gerrit Pietersz. 1686-
1730- Barent Cornelisse 't Hoen 1737-1762
Nathan Splees
·1746
-1776
1776-
1803-1811

zwaa n 1667- boom 1677-
Govert Davitsz. 1719- Krijn Dirksz Veverloo 1724-
Jan Tijse de Jong 1730- Krijn Veverloo
Jan Verbesem 1759-68 Dirk Veverloo -1740
Cornelis Mansvelder ca. 1782 Pieter Verschut 1740-
Dirk Mansvelder 1786-03 Comelis Slingerland 1742-
Jan de Wit Theunis van Dieveren 1765-1768

®.... drie bomen 1734-82
brandewijnschaaltje (1 l- zwaan in het schaaltje 121 Hendrik van Oosten
1663-1695
Jan de Twinder (1 l -1693 druiventros 1711-
Hendrick Willems Proefhamer 1744-68
Jacobus van der Lee (1 ,2) 1693- Jan Heijndricksz. Proefhamer
Barend Evers/van Even -1782
Willem van der Lee (2) 1746- Willam Monk

Pieter Verheul (2) -1754

Willem van Noppen (2) 1754-1790

varken (1) - zwijn 1724-
Lieve Pijl (1l 1753-59
Gerrit Mooleman/Meulman

42


goudsbloem 1660-1702 Gerrit Scholten 1744-
Reijnier Janse Blom 1683- Hendrik Spruit 1748-59
granaatappel lzaak Blom
Elias van Noort -1768
rozenboom
klaverblad Lieve van Steenderen 1726-1748
Pieter Dammasz. Jan van Rijswijk 1749-59
Dirk Pietersz. Krijger
Jan Arijse Danens 1660- t ulp 1682-
Cornelis Zonne 1717- Heijndrick Jansz.IJserman 171 5-
Abraham van der Spelt 1720-1730 Antony Spitsberge 1759-03
Jan Danens Krijn van Eijk
Arij Danens -1746
Jan Danens (huur) -1755 3 .3 .5 GEBRUIKSVOORWERPEN
Pieter van Geelen 1758-
Jan Scholten (huur) 1781. aambeeld zie smid (3.3. 1)
Jan Scholten 1782
1800-1817
t w ee klaverbladen 1800-1817
Dirk van der Kist 1817-38
Anthonie van IJsendoom
Joost Bloed 1731 - an ker 1675-
Joost Bloed Jr 1742- ? 1686-
1759- Gerrit Janse Ancker 1717-
drie klaverbladen 1782-42 Frans van Heijningen 1719-
Roelof Janse Reijnegom Jan Hendericksz. Sprot 1730-
Barend Verzijl 1683- wed. van der Lee 1737-1782
Gerrit Meulman 1731 - Jan van Dieveren 1795-1811
Gerrit van Ham 1753-59 Leendert Vlak 1819-38
Caret van Ham 1766- Abraham van 't Anker 1839-1865
1781-03 Johannes Revet 1686-
knol tussen t wee messen
Krijn Veverloo anker + Gl 1686-
Gerrit Jansz. Ancker
knol+ HC 1683-
Huijch Cornelisz. Knol anker + Hl
Heijndrick Jansz. Ancker 1660-1670
roos
Jan Fransz. van 't Landt 1724-46 43
Arij de Moor
anker + 11
Jan Janse Ancker

1660-1671

anker + Tl

1686-
1695-


dubbel anker 1724- blok+ PI 1688-46
Christiaan Verzijl 1769- Pieter Roosenboom 1688-
Jan Verzijl 1773-
Hendrik van Wijmen 1811-1821 blok + PB
Anthonij van Wijmen 1827- Jan Tijse van Es
Jan van Gent 1828-1863
Pieter Pietersz. Zandijk ®
1725-1774 vinkenkorf (2) - boogkorfje (1) - boogkooi (3)
bel zie klok
Emanuel Verzijl (2) 1704-
beugel - beugeltas
Jan Vertoren Armanus Verzijl (1) -1 730

®.. Anthony Softree (1) 1730-
.
Thomas Softree (1) 17 31-
bezem
Willem Pietersz. Vroese Jan Souffreu (1 ,3) 1732-1782
geroyeerd
171 8- boor 1686-
ca. 1730 Louwijs Agestijn van Duuren 1730-1754
Pieter Poorens

juk- bierboom (1) 168 1- brandemmer 1682-
Jan Thielen Proost 1700- Johannes Blom 1686-
Cornelis Leendertsz. Glasbeek (1I 1709- Cornelis Jansz. Verson 1687-
Pieter Jansz. Bakker (1) Josua Reiniersz. de Vos 1713-
Josua van Leeuwen 1720-68
Jan van Cassij

bijl brandewijnschaaltje zie zwaan in het schaaltje
Cornelis Aersz. Bremmert
Jan Barentsz. 't Hoen (3.3.3)
Jacob de Vinck
Jan de Vriend 1697- Jan Huybertsz. 1667-
Pieter Looman 1708- IJsack van Holland 1701-
Jan Puijt 1725- Dirk van Holland 1744-
1734- Albert de Leeuw 1745-68
1737
1738-82 bril + I 1 6 8 0 - 17 0 0

®.
...
bisschopsmuts (1) - kardinaalsmuts (2)

Pieter Olikan (1 , 2) 1716-

Andries Brenkman (2) 1745-

Pieter Houtekus (1) 1750-

Paulus Brenkman (1) na 1759

bloempot - fles met bloemen (1) 1686- drie degens 1714-
Jan Pietersz. Verhulst 1714-59 Antonij van der Sweet 1719-
Jan Spiering (1) Leendert Floore van den Ring 1756-68
Elias van den Ring

44


dissel (kuipersdissel) halve glaasje - glaasje uit leiden (1) - g.laasje (2)
Jan Willemse Vijn
Abraham Blom 1684- zie ook bij roemer
lammmert Weldrager 1693-
zoon van lsack Hendriksz. 1696- Jan Andriesz. 1701-

de Schouweman 1710- Adrianus Deij (1 l 1709-
Ysack Ouwerton 1730-
Josua van Wijk 1736- Cornelis van der Werf (2) 1749-68
Hendrik van Dijk 1742-59

driekoningenkaars 1686- hamer 1683-
lambert Willemsz. Proefhamer 1691- Jan Teunijsse de Mooij 1687-
Jacob Pieterse van der Meijde 1718- Pieter Pietersz. Verhulst 1692-
Barend Versluijs 1719- Tobias Jacobsz. Sonnevelt
Barent Pietersz. 1752-59 wed . Tobias Jacobsz. Sonnevelt -1730
Jan Hanog Pieter looman 1730-

®. 1670-1680
.

hamer + WW

handschoen zie hand (3.3 .21

oorlogsschip - schip met drie masten /driemaster (1)

Pieter Jansz. Hola 1680-

Dirck Meerling 1691-

Jan Bos (1) 1730- handschroef
Comelis van der Werf
geroyeerd ca. 1730 1749-03
hangijzer 1730-59
duiventorentje zie wapen van Hamburg (3.3.6) Klaas van Veen

eiermand - eierkorf (1) 1722- harp 1667-
Jacob Claris 1747-1779 Claes Jansz. de Geus 1687-
Boudewijn Claris 1782- Pieter de Mol 1729-
Jacobus Zwart 1789- Cornelis van M eehele 1733-
Jan van Ham 1804- Willem de Vet 1749-
Gerrit Kruijsheer 1811-1819 ca. 1782
Maria van der Valk, Jacob Danis 1831-1850
1667- vacant 1865-
wed. J. van Zutphen (1) 1719-59 Pieter Gerrit Pzn van der Want 1865-
Johannes Marinus van der Want
fles - botteltje (1) Gerrit Cornelis Pzn van der Want -1898
Aelbert Reijniersz. Jan Prince & Cie
Jan Barte Scheij (1)
harp + DS 1699-
@...
Dirck Smedelingh
fruitben
Jan Nieuwveld hartenaas zie bij lichaamsdelen (3.3.2)

1725-

helm -1686
louris Jacobsz. Sonneveld 1696-46
Andries (Arij) Groeneveld

45


heng met een steen 1703- Hendrik van der Draaij 1730-46
Dirck van Erffe Hendrik de Nijs 1749-1782

hoed 1683- kerkkroon 1687-
Dirck Janse Doesburgh 1686- Claes de Vroom -1725
Jan Pietersz. van der Hoff 1705- wed. D. Vroom
Comelis van Leeuwen Dirk van Wijk 1725-68
Lijsbeth Geus, -1753 Josua van Wijk 1746-59
1753-
wed. Cornelis van Leeuwen
Hendrik Bos 1667- klok (1) -gouden bel (2) 1677-1708
1705-46 Pieter Jacobsz. van Eist (1) 1708-
hoefijzer 1754-68 Willem Pietersz . Steenvoerder (1) 1726-
Jan Dircxs Wanda Jacobus van Elst .(1) voor 1746
Dirk Groenhof 1719- Willem van Eist (1J voor 1746
Jacob Nieuwveld 1721- Arij Oosterhout (1 l na 1746
1733-1747 Cornelis Oosterhout/Sout (1 ,2) ca. 1782
hoorn van overvloed vacant
Jan IJserman 1677-1708
Jacobus Jansz. Heeneman bel+ PI
Anthony Dilbaar Pieter Jacobsz. van Eist 1706-

bel met 3 angelotte (munt)
Cornelis Jansz. Houtman

ijsslee 1708- koets - postwagen 1701-
Abraham van Kleef 1747- Jacob Andriesz. 1714-
Klaas Blok Jacob Weldrager 1749-59
wed. Hendrik van den Berg -1755 Salomon van der Vin
Barend den Hagenaar 1756-1782
Abel Herbus (huur) 1777-1782 koffiekan 1717-
Abel Herbus 1782- Jacobus Dircksz. van der Aerde (1) 1743-1759
Willem Herbus 1787- Thomas Middelmeer (1)
wed. Willem Herbus
Hendrik Herbus -1811
Gerrit Prince 1811-
1833-1850
juk zie bierboom
1719- koffieketel (1 l - koffiepot (2) 1689-
kandelaar 1730- Maerte Kaen (1) ca 1730
Jan van Duyn 1737- Jan van Duyn (2)
Jacob Vermey 1753 Lieve Verrijst (1 ,2) -1746
Pieter Proefhamer 1760- Jan Brenkman (2) 1746-59
Lieve Pijl 1806-38
Willem Luijnenburg komfoor 1695-
Jacob Luijnenburg 1724- Arij Jansz. Boot 1708-
Rijs Pietersz. Vries 1730-1770
kartouw Pieter Lens - de oude 1772-
Leendert van der Draaij Evert Meurs 1774-
Jacob Meurs
46


Cornelis de Hoop 1782- drie kronen 1679-
wed. C. de Hoop 181 1- Jacobus Gerritsz. Witsius ca. 1730
Jan Scholten 1818 Kobus Witsius 1736-
Frans van der Kist 1818-38 Gerrit Verblaauw 1768-03
Teunis Korver 1845-48 Sijbrand van Kemberland
Dirk van Steenbergen 1722-
@ 1746-59
~
theeschotel met een kopje (1) - bak en schotel (2) ~

- kopje in het bakje I kop en schotel (3) vier kronen
Jan Verblaauw
Jan van der Noot (1J 1723- wed. Teunis de Munnik

Dirk van der NootNarnoot (2) 1749-

Willem Meurs (3) 1759-68

Hermanus de Roos (3) na 1768

vacant 1782

kraan ®..l
Willem Duijff ..
Jacob van Holland twee zwaarden - twee degens (1) - kruisdegens (2)
Claes van den Bos 1682-1695
Frans Majoor 1695- Jan Heijndericksz. van Bale 1686-
Jan Jorisse van der Dus 1696-
Arij Versluijs 1701 - Pieter Pieterse Peuselaar (2) 1727-
Willem Begeer
Hermanus Begeer 1764- Cornelis Versluijs (1) 1730-46
1792-
@~iV 1811-1819 Pieter Peuselaar (2) -1768

kroon - keizerskroon (1 J 1699- kruisdegens + AA 1660-1680
Louwijs Cornelisz. 1725-
Hendrik Sanddijk (1) 1732- ®..
Jacob Balje (1) 1749- twee gekroonde pijpen (1) - dubbele tabakspijp (2) -
Antony Gouderdrie (1) 1757-
Maarten Bruijnvis (1 J 1759- kruispijp
Barend van Berkel (1 J 1782
wed. Barend van Berkel (1) 1792-03 Huybert Jacobsz. Bos (1 J 1695-
Frans Spernaay (1 l
1670-1690 Dirck Dircksz. (2) 1702-
~
~ Dirk Bockhoven 1720-

keizerskroon + IR Jan van Breukelen 1735-

Hendrick Zantvoort 1 7 6 5 - 1781

kruiwagen ca. 1730

twee kronen 1685- kwispedoor 1725-
Gerrit Morlion 1723-59 Johan Kip 1737-1802
Cornelis van Dievere Barend Palmboom 1814-1819
1685- Pieter van der Hoek
@.. 1730- 1696-
1732- ® 1795-1819
twee kronen met ster 1745-1746
Pieter Pietersz. van Asperen laars 47
Pieter van Aspere Anthonij Jansz. Soudaen
Abraham van Aspere Jacob Wout
Pieter Vis wed . Jacob Bos


Cornelis Carlier 1838- @. 1 74 5 - 1 7 7 0
Jan Prince & Cie 1865-
Fa.P. Gzn van der Want 1898-1930 oliekruik 1732-
Andries Valkenburg 1743-
dD 1698- ca. 1782
1733-1783 oorlogsschip zie driemaster
lamp 1688-
Hendrik Vertoren (i).. 1706-1730
Abraham van der Helm 1730-
papegaai en kooi
kan-gekroonde kan (3) -melkkan (1)- lampetkan (2) Cornelis Endenborgh I Endenburg -1782
Benjamin Weeldenburg 1782-
Jacob Willemsz Proefhamer 1670- geroyeerd
-1803
Jan Willemsz Proefhamer (1) 1684- ®@ .
. 1667-
Frans Alijkas (3) 1698- 1709-46
parel
Hendrik Peuselaar (2) 1709- Jan Pieterse Meurs 1677-
Benjamin Pietersz. Lens
Leendart Visser (2) 1731- Abraham Eling - de oude 1705-
wed. Abraham Eling 1724-
Leendart van Wijk (2) na 1736 Benjamin Eling (huur - eigendom) 1725-59
Jan de Jong voor 1782
Willem IJserman (2)
~®. . 1727-
Jan Weldrager (2) na 1746 \............•..: 1729-
1730-46
Anthony Nobel (2) 1771-1801 passer 1755-
Cornelis Jansz. de Vriendt 1756-
00 1723- Gerrit Sas
-1773
leer + AO ~. 1773-
Arij Oosterhout . 1775-1795

(j) 1725-46 passer + DB
1 7 2 5- 1 7 4 9 David Bouwijsz. Verblauw
leer + PI
Pieter van Holland ~

~ twee pijlen - kruispijl (1l
Marseelis
leer + PV Jan Smit
Lammert de Klouwer
® 1730- geroyeerd (1l

leihamer 1675- §
Maarten Tobiasz. Sonnevelt 1686-
1688- pijp
®@ 1696- Willem van Waas
1708- Jan (Johan) Damman
muil 1731- Leendart de Roos
Cornelis Vergeer
? -1765 Lucas Eversz. de Jong
1765-1810 Klaas de Roos
Arij Janse Schouvliedt 1814- wed. Klaas de Roos
Leendart Albertse van Wijck 1817- Klaas de Jong
Arij Fijn
Jan Lambertsz.
Arij Muilaard
Salomon Lamot
Cornelis Kalf
Lieve Bollonje
wed. Cornelis Belonje (huur)

48


twee gekroonde pijpen zie kruispijp

rad van avontuur- rad van een wagen (1)- wiel (2)

Floris Jerassemus 1677-

twee liggende pijpen Cornelis Dirckse Hocvenier 1684-
Pieter van Keulen
wed. Pieter van Keulen 1737- Salomon van der Vin (1) 1713-
1782
Leendert van Velse (1l 1714-

Hermanus van der Spelt (2) 1746-59

pijpenton 1686- riek - mestvork (1) 1722-
Jan Klaesse de Geus 1691- Andries Scharp 1744-
Jacob Koppedraijer 1697- Maarten Proefhamer 1782
Sijme Gijsbertse van Os vacant (1)

posthoorn 1674- roemer- Rhijnse wijnkelk (1) - Rhijnse wijnroemer
Abram Danielsz. van Hoorn ·1722
Willem Gijsbertse de Vinck (2) zie ook glaasje
Willem de Vink 1722-
Teunis de Vink 1745- Willem Claesz. Boot 1686-
wed. Teunis de Vink
-1782 Pieter Schoonevelt 1699-
posthoorn + A
1670-1680 Pieter TierensNierensNuurens 1728-
posthoorn + IL
1670-1690 Bartholomeus de Pier (1) 1759-
posthoorn + NB
Dirk Goedewaagen (2) 1779-1811
drie posthoorns
Daniel van Hoorn Abraham Goedewagen (2) 1814-
Arij van Hoorn
Jan Korthals ®·[i··········.. 1712-
Jan van Rossen 1730-
Daniel van Hoorn '~~ 1734-
1745-
..•.·.-..=...o.·.•.:

rooster
Pieter Fransz. de Lange
Klaas de Rooster
Cornelis van den Berg
Joost Bloed

1665-1680

treef + IK (rooster) 1699-

Jan Korte

1709- roskam 1717-
1745- Gerrit van Brakel 1745-
Jan Sluiter
-1759

-1780

drie potjes 1725- sabel 1660-
Albertus van der Kraan 1735- Jan Abrahamsz. van Noort 1666-
Jacob de Ronde 1770- Hendrick Stevensz. 1705-
Poulus de Ronde 1782 Willem Jorisz. Metfort 1721-
vacant Jan Willemsz. Metvoort 1729-46
Willem Meurs 174$-
Dirk van der NootNerooot
49


Cornelis de Roos -1759 schietspoel 1 6 6 0- 1 6 8 6
Hermanus de Roos 1759- Gerrit Dircxsz. Cock
Abel Herbus 1776-1788 1679-
® 171 1-
snijdersschaar (1)) - schaar 1685-
Kobus de Meij (1) 1723- schoen -1717
Jacobus van Holland 1741-1769 Jacob Cornelisz. van Geneve 1719-
Willem van Velzen docht er van Jacob van Geneve 1731-
Jan Arijse 1743-68
schaats Pieter Peuselaar
IJsack Capteijn Arij Verheul
Willem Willemse Meul Jan de Jong
Maarten Thijsz. Monk
1713- twee schoppen I twee staande graven
1726-
1746-59 Pieter Heijndricksz. Volckert 1717-

twee schaatsen 1724- sleutel 1730-
Salomon de Lange 1742-59 Machiel Storm 1762-
Nijs Darnee Jan van Borselen 1782-
Sijmen Groenendaal 1811-19
wed. Sijmen Groenendaal

dubbele sleutels zie wapen van Leiden (3.3.6)

drie schalmeien 1692- snaphaan (musket) 1719-
Jan Machielse Heeneman 1723- Steven de Lange 1730-
Henderick Heeneman 1738-46 Flip Alevoe
Jan Heeneman
1667- spaarpot 1710-
~ 1686- Pieter Jansz. Verswaen 1730-
1696- Pieter Verzwaen 1731-1737
boot (1) -hoeker (2) - scheepje 1702- Jan van den Broek
Cornelis Jansz. Nurk (1) 1721-46
Kamsijn Adamse Verschut (1) 1755- spinnewiel 1692-
Pieter Arijse van der Heul (2) Frans Pieterse 170 1-
Pieter Dirckse Pooren (1) · 1809 Cornelis Jansz. Bos 1720-
Hendrik Gerritsz . van 't Ancker 1809- Gijsbert Jansz. Smient 1730-
Willem van Noppen Jan Remard
Nicolaas van Noppen ·1824 Jacobus Eeneman/Eieman -1759
Frans Swartjes 1824-
wed. Frans Swartjes 1824-
Hermanus Swartjes
Miehiel Swartjes -1850
wed. M. Swartjes 1865
Hendrik van Rijst 1881
Anthonius Johannes van Velzen
Nico van Duyn-van Velsen -1925

schenkkan 1674- stoel 1702-
David lsaacsz. Ree 1703- Reijnier Jeroensz. -1745
Klaas Leendertsz. de Roos 1727- Reijnier Reijnhart
Cornelis de Roos 1759-1770 Cornelis Leendertsz. Glasbeek
Maarten Verzijl

50


Click to View FlipBook Version
Previous Book
invitation 4pages
Next Book
2019 ASPG Online Catalog