The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Jan Toonen, 2022-04-12 13:29:38

deel 1

Keywords: Heemkunde Geleen

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 51

wortel <JaLim 1868, 165-166>. Merkwaardigerwijze zag DE VRIES worden verstaan, dat er op elk van die plaatsen een inter-
in Glane een Germaans woord, terwijl hij Geleen uit een lokale oversteekplaats was en bijgevolg beide dezelfde naam
Keltisch woord verklaarde <Vries 1958, 90 en 95; 1962, 63 en 65>. rechtstreeks aan de rivier zouden hebben ontleend. Zoals wij
KRAHE merkte op, dat ”eine einzige Sprache nicht zur zagen kan immers één van die dorpen naar de belangrijkste
Erklärung des gesamten anscheinend unter sich verwandten oversteekplaats zijn genoemd, terwijl het andere dorp zijn
Namenvorrates” dienen kan. Daarom verdeelde hij de Glan- naam aan het nabuurdorp kan hebben ontleend.
namen in Keltische en Germaanse groepen. Tot de eerste
rekende hij de Glan-rivieren in Zuid-Duitsland, terwijl hij Gedeelte van de vroegere Dorpstraat in Spaans-Neerbeek,
die van Noord-Duitsland met een Germaans woord in gezien in noordelijke richting; links (west) de Keutelbeek <Foto
verband bracht <Krahe, 252>. SCHWARZ en BACH sloten zich bij M. Verjans 1948>.
die opvatting aan. Voor de Germaanse Glan-rivieren steun-
de de laatstgenoemde vooral op het Noorse woord glane, dat De Keutelbeek: zijriviertje van de Geleen
”helder” betekent <Schwarz, 108. - Bach II, 2, 15>.
Maar D.P. BLOK vroeg zich af of de formulering van die Een niet te onderschatten factor voor de vroegste ontwikke-
vraag in de vorm van een dilemma, nl. ofwel Keltisch ofwel ling van Geleen is het beekje geweest, dat uit de vijvers van
Germaans, wel de juiste benadering van het probleem van de kasteel Genbroek [ten zuiden van Beek] komend, door Beek
taalkundige oorsprong was; hij wenste dit vanuit een bredere en Neerbeek stroomde, de [vroegere] Hof-, Daal- en
gezichtshoek te benaderen <Celt 1962, 343>. Ook TUMMERS Kummenaedestraat doorsneed, langs Beekhoven en de Steeg
zocht naar een breder verband; hij schreef: ”Niet alleen de [Norbertijnenstraat] vloeide, vervolgens tussen weiden en
Italiaanse maar ook de Oostnederlandse en Noordwestduitse tuinen doorliep om in het centrum van Oud-Geleen uit te
waternamen pleiten tegen Keltische afkomst en daarom komen, waar het, op de hoek Dorpstraat [Marcellienstraat] -
reken ik Geleen en de namen met Glan- tot de oud- Peschstraat, de dorpspoel vormde, om daarna zijn loop langs
europese”. Daarop verklaarde WEIJNEN, ”dat we verder de noordzijde van de Peschstraat voort te zetten, vóór de
kunnen gaan dan te zeggen, dat hij [= de naam Geleen]
pregermaans is. De Gl-anlaut, die we zowel in Scandinavië De ”Steeg” (Norbertijnenstraat), met rechts (oost) de Keutelbeek,
als in Italië aantreffen, zou erop kunnen wijzen dat de naam in 1927 <Foto ”Limburg in Beeld”>.
zelfs voorindogermaans is” <Toponymica 21 (1968), 27 en 35-36>.
Teneinde misverstand te voorkomen, dient hierbij te worden
opgemerkt, dat die discussie primair op de oorsprong van
het woord glan en pas secundair op het toponiem Glane
betrekking had. Er kan immers veel tijd tussen het vroegste
gebruik van een woord en zijn aanwending als plaats- of
riviernaam hebben gelegen.

Gelijknamige plaats- en riviernamen: oversteekplaatsen
Er is geen Limburgse rivier van enig belang, of men vindt
aan zijn oevers een gelijknamige plaats. Gelijksoortige waar-
nemingen kan men in de rest van Nederland en in de
naburige landen maken <M’geleen, 51-54. - TsHKVGel 1991, nr. 2, 7-
13>. De Belgische toponymist AUG. VINCENT merkte reeds in
1929 op, dat de overdracht van een riviernaam op een plaats
speciaal wordt waargenomen waar een weg die rivier
kruist(e) <T&D 1929, 86-87>. Ook H. HARDENBERG schreef: ”In
het algemeen wijzen plaatsnamen van een riviernaam
afgeleid, vaak op oude rivierovergangen” <PSHAL 1947, 234>. De
Belg A. CARNOY schreef in 1952 eveneens, ”dat de dorps-
namen, aan rivieren ontleend, in de meeste gevallen precies
daar te vinden zijn waar de heirbanen die waterlopen over-
brugden” <VATL 1952, 399>. En andermaal merkte hij op, dat
men tot dan toe niet sterk genoeg had doen uitkomen, dat
de plaatsnamen, die aan waterlopen ontleend zijn, meestal
daar worden gevonden, waar heerbanen deze rivieren
kruisten <AC 1954, 13>. Derhalve mogen we dit ook te Geleen
en/of te Munstergeleen aannemen.
Dit dient echter niet noodzakelijkerwijze in die zin te

51

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 52

Koebrug [bij Huize Koekamp] de weg over te steken en ten Onze Keutelbeek kan niet worden gescheiden van de Duitse
zuiden van die brug in de Geleenbeek uit te monden. Dit beken, die Cuttel-, Kötel- of Küttelbach heten. Volgens
watertje was gedurende vele eeuwen voor de dorpen Duitse toponymisten duidt het eerste deel iets kleins aan:
Neerbeek, Krawinkel, Lutterade en Oud-Geleen een echte ”einen kleinen Bach, der nur stossweise fliesst” <Frmn II, 1,
levensader. Om diezelfde reden werden op zijn oevers onder 1766>. Op de vraag of Keutelbeek een pejoratieve naam was,
Beek en Geleen verscheidene grote hoeven gebouwd. antwoordde H. VAN BOMMEL: ”ja, maar niet omdat het een
In 1589 bepaalden de schepenen van Geleen, dat dit beekje onwelriekende beek zou zijn geweest (ze was visrijk). Het
over zijn gehele lengte ”ten gronden [= op de bodem] vier denigrerende zit alleen in de betrekkelijke nietigheid van de
voet [= 1,25 m], ende opwaerts [= tussen zijn oevers] acht stroom. Dat men het later anders aanvoelde, doet daar niets
voeten [= 2,5 m] wijt” moest zijn, maar zij gebruikten toen aan af” <Veldeke 1976, nrs. 1/2, 28>.
niet de in de volksmond levende benaming <Msg 1911, 33>. In
1652 sprak men van die cleijne Keutel Beecke <LvO nr. 1310>. 2. Het vroegste plaatselijke wegennet
Pastoor Leurs [eerste helft zeventiende eeuw] schreef zowel
Koetelbeeck als Kuytelbeeck, terwijl de landmeters Bollen (ca. De straten, wegen, stegen en paden, die door vroegere
1700) de spellingen Keutelbeek en Kuetelbeek gebruikten. Geleense generaties werden gebruikt, zijn ons grotendeels uit
Soms schreef men ook Kleene Beeck, maar Keutelbeek werd de kaarten, nagelaten sporen, toponiemen en beschrijvingen
officiële naam. bekend.
In de twintigste eeuw heeft de Keutelbeek een aantal
veranderingen ondergaan. Bij haar verlegging van de noord- Op zoek naar de oudste weg(en),
zijde naar het midden van de Peschstraat en haar over- die de Geleen kruiste(n)
kapping aldaar in de jaren twintig van de twintigste eeuw
werd de uitmonding ten noorden van de Koebrug aan- Al weten wij, dat te Oud-Geleen en/of te Munstergeleen
gebracht. Daar de Staatsmijnen op dat beekje loosden en dit reeds zeer vroeg een interlokale weg de rivier Geleen moet
laatste ook als riool werd gebruikt, was er voor de hebben gekruist, toch is de juiste plek van die kruising niet
omwonenden nogal veel overlast. Om die reden werd het zonder meer duidelijk. Bij het zoeken naar de vroegste
vanaf het begin van de jaren vijftig over heel zijn verloop kruisingen dient men moerassige oevers te elimineren, want
binnen de gemeente Geleen overkluisd. Bijgevolg verdween zij waren de grootste belemmeringen voor het verkeer. Waar
het uit het gezicht en geleidelijk aan ook uit het geheugen. een rivier dicht langs een hoogte liep, waren de oevers
Wegens te geringe afvoercapaciteit kwam in 1967 een smaller en droger; daarom boden die plekken betere
nieuwe verbinding met de Geleenbeek via de Danikerstraat gelegenheden tot oversteken.
tot stand en werden bovendien parallelriolen aangelegd. Voor de huidige Geleners moge bij Huize Koekamp de voor-
naamste oversteekplaats van de Geleenbeek zijn, toch
passeerde daar vroeger geen interlokale weg. De Koebrug
vormde eeuwenlang primair de verbinding tussen de op de
westelijke oever van de Geleen gelegen Hanenhof en het aan
de oostzijde gelegen deel van zijn gewande; tot ver in de
negentiende eeuw liep van daar uit slechts een voetpad in de
richting Puth. Ook de weg vanuit Oud-Geleen naar de
vroegere molens van Munstergeleen lijkt niet ver genoeg in
de tijd terug te gaan, want hij liep grotendeels door de
gewande van de Hanenhof. Bovendien wijst niets erop, dat
de brug bij die molens ooit voor doorgaand verkeer diende;
zij lijkt primair te zijn aangelegd om de inwoners van
Munstergeleen toegang tot de op de westelijke oever gelegen
molen te bieden.

Aan de ”Dörpsbrök”, in het centrum van Oud-Geleen, in 1916. De ”Dorpstraete” met haar zuidelijke en noordelijke
Van rechts komt de Keutelbeek uit de Hoog Steeg, stroomt langs verlengden
het tuintje van het huis uit 1753 - met de initialen IV Op grond van het huidige wegenpatroon zal menigeen
[= Jan Vroemen] en CD [= Catharina Dullens] - en onder de geneigd zijn om de weg van Oud-Geleen langs [vroeger ten
brug door naar de dorpspoel. Het huis geheel rechts, waar de westen van] de Kluis in de richting Neerbeek als het vroegste
gezusters Smeets woonden, werd bij de verbreding en ophoging zuidelijke verlengde van de Pieterstraat te zien. Doch die
van de Hoog Steeg [tot Pastoor Vonckenstraat] in de jaren weg kruiste nergens de Geleenbeek. Derhalve zullen we een
twintig afgebroken <Tekening door P.A. Schols>. eventuele beekovergang in een ander zuidelijk verlengde van

52

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 53

De Peschstraat gezien vanuit het centrum in oostelijke richting Voorhistorische vondsten kunnen hier een verdere
circa 1894. De kinderen links op de voorgrond staan aan de bevestiging verschaffen. In het hoofdstuk over de Romeinse
rand van de dorpspoel. Die rand helt af omdat daar een drenk periode werden diverse vondsten uit die tijd langs of in de
voor het vee is. De Keutelbeek loopt verder oostwaarts vlak langs nabijheid van die Groenstraat en onder het wegdek van de
de aan de noordzijde gelegen huizen. De gebouwen van bak- Eindstraat vermeld. Daaraan kan nog worden toegevoegd,
steen zijn kennelijk vrij recent terwijl de gebouwen met witte dat vanaf het veld tussen de Kluis en Sint-Jansgeleen tot aan
gevels duidelijk ouder zijn. Het witte huis links werd circa de Rijksweg, d.w.z. aan weerszijden van die route, de veel
1900 vervangen door het huis Ramakers, later huis Suijlen oudere bandkeramische vondsten werden gedaan.
<Foto J. Houben s.j.>. Bovendien werden op de Sweikhuizerberg, aan wiens voet
die route de Geleenbeek bereikte, zeer veel vondsten uit alle
drie perioden van de Steentijd gedaan <Sweykh, 936>. Derhalve
mogen we aan de route vanaf ongeveer de Biesenhof via de
Pieterstraat, Marcellienstraat en Eindstraat zonder bezwaar
een formidabele ouderdom toekennen.
Het noordwestelijke verlengde van de Eindstraat werd in
1589 ”den gemeynen wegh die vuyt de Hongerstraet
[= Ridder Vosstraat] gaet naer Limbricht” genoemd <Msg
1911, 35>. Aangezien vlak bij de oude kerk van Limbricht twee
Romeinse sarcofagen werden gevonden <Habets, 1865-67, 38>,

die straat dienen te zoeken. Tot in de tweede helft van de Boom met wegkruis (aan de voorzijde) aan het vroegere zuide-
twintigste eeuw stond bij de knik, waar de Pieterstraat in de lijk einde van de Pieterstraat, bij de splitsing van de wegen naar
Irenelaan overgaat, een grote boom met een wegkruis; hij de Kluis (links) en naar Ten Eijsden (rechts), gezien vanuit het
stond op de splitsing van de wegen naar Neerbeek en naar de zuiden <Tekening P.A. Schols, 1942>.Het wegkruis uit 1836 staat
hoeve Ten Eijsden. De laatstgenoemde weg, die bij de na- thans in Spaans-Neerbeek tussen een paar bomen.
oorlogse uitbreiding grotendeels werd opgeheven, blijkt bij
nader onderzoek een deel van een oeroude route te hebben
uitgemaakt.
In 1569 noteerde men: ”van den gasthuys valderen [onge-
veer midden in de huidige Pieterstraat]... all totten wege ten
Eysden geyt” <PSHAL 1898, 31>. En in een stuk van 1589 staat:
”die straet, die van Beeck door Neerbeeck gaet all tot bij
Geleen aen den wegh der nae den Eysden gaet” <Msg 1911, 33>.
Ook blijkt uit oude kaarten, dat de weg naar Ten Eijsden
meer in het rechtstreekse verlengde van de Pieterstraat lag
dan dit met de weg naar Neerbeek het geval was. Op grond
hiervan kan de weg naar Ten Eijsden niet zonder meer
- althans niet oorspronkelijk - als een zijweg worden
beschouwd.
De in 1589 vermelde ”Groenstraet langhs Eesder gewande”
<Msg 1911, 35>, d.w.z. langs de landerijen van de hoeve Ten
Eijsden, lijkt zowel wegens haar verloop alsook omwille van
haar veelzeggende naam, nl. een straat, die vroeger drukker
gebruikt was, heel goed in dit systeem te passen. Een
Groenstraat was immers niet hetzelfde als een Groene weg.
Ook het feit, dat die Groenstraat toen als begrenzing van die
landerijen diende, wijst op een hoge ouderdom. Volgens
oude kaarten liep zij in de richting van de Biesenhof. Thans
valt echter niet meer nauwkeurig uit te maken waar die oude
route eertijds de Geleenbeek kruiste.

53

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 54

lijkt de weg van Geleen naar Limbricht reeds in de Romeinse bestaan van zo’n weg in die periode terecht worden
tijd te hebben bestaan. Later werd het Geleense gedeelte van verondersteld. Volgens sommigen zou dit een aftakking van
die weg Raadskuilderweg genoemd, terwijl het verdere noor- de route Maastricht-Heerlen zijn geweest, terwijl volgens
delijke gedeelte [op Limbrichts grondgebied] in de anderen een rechtstreekse verbinding Maastricht-Tüddern
Middeleeuwen als Trichterweg (1351) of [in het Latijn] via zou hebben bestaan.
Traiectensis (1360) werd aangeduid <PSHAL 1877, 367. - VROA De in 1842 ontdekte moeras- of veenbrug tussen Tüddern
1904, 120 en 214>. Dit was niet de huidige Maastrichterbaan en Broeksittard gaf aanleiding tot verscheidene publicaties
aldaar, die van latere datum is. <M’geleen, 55-59>. Volgens JOS. HABETS waren in zijn tijd
archeologen van mening, dat een Romeinse route uit het
”Romeinse” wegen stadje Valkenburg de Sittarderweg via het gehucht
Toen de Romeinen in onze streken arriveerden, moeten zij er Broekhem, het Ravensbos en de plaatsen Schimmert, Beek,
reeds een wegennet hebben aangetroffen, waardoor de Geleen en Sittard naar Tüddern had gevolgd <Habets 1865-67,
bewoners van de inheemse nederzettingen met elkaar in 37>. In de beschrijving, die deze auteur later van diezelfde
verbinding stonden en waarover zij hun goederen transpor- weg [in het Frans] gaf, komt o.a. de volgende passage voor:
teerden. Daarom kan de uitdrukking ”Romeinse weg” drie ”vormt hij de grens tussen Spaubeek en Beek; hier krijgt hij
verschillende betekenissen hebben, nl. allereerst een weg, die de naam Maestrichterstraet en voorbij Neerbeek wordt hij
reeds vóór de komst van de Romeinen bestond en tijdens de Langstraat genoemd. Bij Daniken kruist hij de Geleenbeek.
Romeinse periode in die staat werd gebruikt; verder een Onder Munstergeleen heet hij weer Sittarderweg. Daar loopt
reeds eerder bestaande weg, die door de Romeinen werd hij door de buurten Haag, Houbeneind en Leyenbroek. Als
verbeterd; en tenslotte een door de Romeinen nieuw aan- holle weg gaat hij de Kollenberg op, waar hij de weg
gelegde weg. W. J. H. WILLEMS merkte terecht op, dat voor- Doenrade-Sittard bij de St. Rosakapel snijdt...” <BCRAA 1878>.
historische wegen en de meeste Romeinse wegen niet of In 1947 verklaarde HARDENBERG, dat de plaats Geleen zou
slechts met veel moeite en geluk terug te vinden zijn, omdat zijn genoemd ”naar het gelijknamige riviertje en gelegen aan
zij als archeologisch fenomeen [grondspoor] niet of nauwe- een ouden weg, die in den Romeinse tijd wellicht de ver-
lijks meer bestaan <HGTs 1987, 1/2, 6-11>. Men mag vooral niet binding vormde tussen Maastricht en Tuddern... welke weg,
allerlei [onder de bescherming van de regionale ”Heer” van Meerssen komend, bij Daniken de Geleen overschreed”
staande] middeleeuwse ”heerstraten” zonder meer als [ten <PSHAL 1947, 234>. In datzelfde jaar projecteerden KESSEN en
behoeve van het ”heer” of leger aangelegde] Romeinse ”heer- BROUWERS een rechtlijnige verbinding tussen Trajectum en
banen” bestempelen. Teudurum, die de Geleenbeek ergens ten zuiden van Oud-
Bij de Sint-Pietersberg te Maastricht lag reeds vóór de komst Geleen kruiste <Kessen, 12>.
van de Romeinen een oversteekplaats. Gedurende de tijd dat
de Maas ter plekke met een veer [trajectum] werd over- Romeinse wegen door Zuid-Limburg volgens Kessen en
gestoken, ontstond de plaatsnaam Trajectum [ad Mosam], die Brouwers <Kessen, 12>.
in de huidige naam [Maas]tricht voortleeft. Later vervingen
de Romeinen dat veer door een brug; ook in de In 1951-1954 heb ik de zienswijze, dat een Romeinse weg te
Middeleeuwen waren daar de oevers door een brug ver- Daniken de Geleenbeek zou hebben gekruist, op gezag van
bonden. Wegens het grote belang van die oversteekplaats die auteurs overgenomen <Abshoven, 6. - Geleen, 16. - LimDag 13-4-
ontstonden op beide oevers van de Maas waaiervormige 1954>. Tevens meende ik toen in enige weg- of straatnamen
patronen van wegen, die allemaal in de richting van dat veer een bevestiging daarvan te vinden. De in 1272 tussen Beek
of die brug liepen. Vandaar dat bijna elke Zuid-Limburgse en Daniken vermelde Herwech of Herstrate <AHEB 1907, 348>
plaats een Trichterstraat of Trichterweg heeft <Msg 1879, 11-12>. werd in 1549 ”der Herwech der van Tricht nae Syttert geijt”
Door Geleen liepen in de Middeleeuwen zelfs twee wegen, genoemd <Grauwels, nr. 672> en werd in 1558 en 1559 als de
die Trichterweg heetten. De vraag is nu of ze tot de Romeinse
tijd teruggingen.

De veronderstelde routes van een Romeinse weg tussen
Maastricht en Tüddern (D.)
In geen enkele ons bekende Romeinse bron wordt een recht-
streekse verbinding tussen Trajectum [= Maastricht] met
Teudurum [= Tüddern, D.] vermeld. Op de kaart van de
belangrijkste Romeinse wegen in Limburg door W. J. H.
WILLEMS (1987), staat wel een weg langs de oostoever van de
Maas, maar zoekt men vergeefs naar een weg van Maastricht
naar Tüddern <HGTs 1987, 9>. Gezien de vele vondsten uit de
Romeinse tijd te Tüddern en naaste omgeving mag het

54

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 55

Treechter wech of Trichter weg aangeduid <PSHAL 1884, 284. - Msg aanzien van een dergelijk verloop blijkt de nodige twijfel te
1911, 33>. In 1637 noemde pastoor Leurs het traject langs de bestaan, want ENGELEN wilde rekening houden met een
Bronkboom [ten oosten van Abshoven] ”der Trichterwegh ligging van Sittard tussen twee Romeinse wegen vanuit
nae Daniken”. Bij Leyenbroek werd die route in 1351 Tüddern, nl. een weg ten oosten van de stad naar Heerlen en
Trichterweg genoemd <PSHAL 1877, 366>. Bovendien staat in de een andere vlak ten westen van het huidige stadscentrum
Geleense archieven uitdrukkelijk vermeld dat in de acht- naar Maastricht <ArchLim 56 (juli 1993), 26-27>. In dat geval zou
tiende eeuw een vrij druk bevaren weg van Maastricht door een veronderstelde Romeinse weg via Munstergeleen komen
Daniken naar Heinsberg liep. te vervallen.
Doch een daarna door mij ondernomen analyse van de De zienswijze van VAN HONTEM, dat een aantal gerenom-
beschikbare gegevens leverde geen enkel bewijs voor een meerde archeologen in hun publicaties een Romeinse route
Romeinse oorsprong van enig onderdeel van die weg op. Maastricht-Tüddern onvermeld lieten, omdat daarover
Derhalve concludeerde ik, dat het identificeren van die route slechts hypothesen bestonden en zij tot nu toe nergens was
als Romeins onvoldoende gemotiveerd was. Die zienswijze getraceerd <SittardBron I, 12>, zal wel juist zijn. Maar een
heb ik in 1965 voor het eerst verdedigd en in 1978 en 1985 Romeinse brug over de Rode Beek en een aansluitend stukje
gehandhaafd <M’geleen, 55-85. - Oud-Geleen, 9. - Mzhw, 109>. Romeinse weg verschaffen nog geenszins de tracering van die
Omdat hij aan die argumentatie een bredere strekking gaf route. Over het verloop van een Romeinse verbinding
dan door mij werd bedoeld, verklaarde VAN HONTEM in Tüddern-Maastricht zal men zich voorlopig dan ook wel
1993 dat ze onjuist zou zijn <SittardBron I, 10-13>. Mijn betoog met hypothesen tevreden dienen te stellen. Dat is ook het
was evenwel niet, dat er geen Romeinse verbinding geval met de projectie van ”die Verbinding von Xanten-
Maastricht-Tüddern zou hebben bestaan, maar veeleer dat Tüddern über Maastricht nach Tongern... etwa in der Flucht
het identificeren van de route door Daniken als Romeins Sittard-Geleen-Beek-Meerssen-Maastricht” door PIEPERS,
onvoldoende gemotiveerd was, want alles wijst erop, dat ze want op de bij die tekst gevoegde plattegrond projecteert hij
uit de Middeleeuwen dateerde. Al werd sinds het verschijnen dat traject als een kaarsrechte lijn, die de Geleenbeek ergens
van mijn betoog aangevoerd, dat een onmiddellijk ten tussen Munstergeleen en Oud-Geleen kruist <Piepers 1989, 105
zuiden op de moerasbrug te Tüddern aansluitend wegstuk en 446-447. - ArchLim 56 (1993), 27>.
Romeins zou zijn, toch volgt daaruit geenszins, dat dit ook
voor de route door Daniken naar Maastricht zou gelden. Romeinse ”Staatsstraßen” tussen Maas en Roer volgens Piepers
Verder is de opmerking door VAN HONTEM, dat een weg <Piepers, 105>.
”over de Kollenberg” naar of van die - in de Middeleeuwen
gebruikte - moerasbrug een fictie zou zijn, in strijd met Een Romeinse weg over het kerkhof te Oud-Geleen?
beschikbare gegevens. Het noordelijk verlengde van de in In dit kader past ook de hypothese van architect P. A. SCHOLS
1351 vermelde Trichterweg tussen Munstergeleen en van een in de Romeinse tijd uit Maastricht komende weg,
Leyenbroek ”over” de Kollenberg <PSHAL 1877, 366> is tot in die in het rechtstreekse noordelijke verlengde van de
onze tijd blijven voortbestaan, terwijl uit zeventiende- en Pieterstraat en de Marcellienstraat zou hebben gelopen:
achttiende-eeuwse kaarten blijkt, dat toen een interlokale ”Deze weg komt van Maastricht door de dorpen Rothem,
route tussen Maastricht en Heinsberg bij Tüddern de Rode Meerssen, Ulestraten, Geverik, Beek, Geleen en vertikt het
Beek kruiste. Derhalve heeft men wel degelijk eeuwenlang ogenschijnlijk om bij de kerk [van Oud-Geleen] in de
met paard en wagen ”over” een deel van de Kollenberg richting Sittard en Tuddern te blijven doorlopen. Gaan wij
gereden.
In 1981/82 werd dit probleem opnieuw actueel. Toen
werden op ongeveer 1.500 m ten westen van de in 1842
gevonden moerasbrug forse vierkant gehouwen en aan-
gepunte eiken palen gevonden <BJ 1984, 623>. Niet alleen
wezen deze op een noord-zuid over de Rode Beek aangelegde
”stabile Holzkonstruktion”, maar ook werden ze via de
C-14-methode ”van enkele decennia vóór het begin van de
jaartelling tot kort na het midden van de eerste eeuw”
gedateerd. Bovendien werd een in het zuidelijk verlengde
daarvan gevonden stukje wegdek als Romeins geïden-
tificeerd.
Hiervan uitgaande werd door VAN HONTEM het zuidelijk
verlengde van die weg langs de kop van de huidige Putstraat
te Sittard en via Leyenbroek in de richting Munstergeleen
geprojecteerd. Daarna werd opgemerkt: ”Iedere verdere
wetenschappelijke aanduiding ontbreekt”. Maar ook ten

55

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 56

echter door de Jodenstraat tot achter de kerk, dan vinden wij Munstergeleen in een ver verleden aanleiding tot de
daar een onaanzienlijke landweg, de ’Geleenderweg’, die overdracht van de naam van die rivier op de streek en/of op
later weer overgaat in de dorpstraat van Ophoven en dan de belangrijkste dichtbij gelegen groep woningen heeft
verder loopt naar Sittard en Tüddern. Toen Trajectum ad gegeven, toch lijken diverse details ten gunste van die ziens-
Mosam en Tuederum belangrijke Romeinse nederzettingen wijze te pleiten.
waren, moet die weg de verbinding geweest zijn” <Msg 1948, Ter plekke werd de oude bedding van de Geleenbeek in de
90>. historische tijd gekruist door een interlokale weg, die als
Al achten wij de zienswijze, dat de Marcellienstraat eertijds Eeckerweege (1443), Eckerwege (1472), Eyckerweich, -weeg of
haar rechtstreekse voortzetting [via het latere kerkhof] in de -weg (16de eeuw), Eycker- of Eycherwegh (circa 1600),
Geleenderweg zou hebben gehad, geenszins bewezen, toch Eckerwegh (1659) en Aeckerweg (1745) werd vermeld. In de
werden er tussen Oud-Geleen en de oude kern van archieven van Munstergeleen staat hij ook als Aker- of
Munstergeleen zoveel vondsten uit de Romeinse tijd gedaan, Ekerweg aangeduid <M’geleen, 86>.
dat een weg door dat terrein in die periode voor de hand lijkt Ook werd ter plaatse van die kruising reeds in 1367 en 1440
te liggen. Maar een dergelijke weg zal veeleer naar de een brug vermeld <Jansen, 25. - VROA 1904, 138>.Voor het platte-
oversteekplaats bij de [latere] oude kerk van Munstergeleen land is dat nogal vroeg, want op andere plekken reed het
hebben gelopen. asverkeer eeuwenlang door het water, terwijl voetgangers via
een rij dikke stenen konden overstappen. Misschien werd die
Brug over de Geleenbeek bij de vroegere rechts (zuidwaarts) brug vooral gebouwd voor het vee en dan speciaal het klein-
gelegen kerkheuvel van Munstergeleen <Uit collectie A. Chorus>. vee, dat uit het dorp Munstergeleen naar de ten westen van
De oude oversteekplaats bij de [verdwenen] kerkheuvel te de Geleenbeek gelegen Veeweide en/of naar het nog verder
Munstergeleen westwaarts gelegen Graetbos werd gevoerd.
Al kan nog geen strikt bewijs worden geleverd, dat de De z.g. dubbelnaam Aker- of Eekerweg heb ik eerder trachten
overgang van de Geleenbeek bij de vroegere [rond 1970 te verklaren als een weg, die Eyck, d.w.z. Aldeneyck [bij
jammer genoeg afgegraven] grote kerkheuvel van Maaseik], met Aken zou hebben verbonden. Ten westen van
de Geleen zou hij Eyckerweg zijn genoemd, terwijl hij ten
oosten daarvan als Akerweg zou zijn aangeduid <M’geleen, 86-
87>. Ofschoon dat toen aardig gevonden leek, kan ik thans
slechts beamen dat dit in de Middeleeuwen een weg naar
Aken was. Maar of het westelijke verlengde van die weg naar
Aldeneik liep, valt uit de versies Eeckerweg, Eyckerweg of
Eckerweg niet te concluderen en komt mij zelfs twijfelachtig
voor, want ze zijn waarschijnlijk umlautvormen van Aker-
weg geweest. Eenzelfde fenomeen deed zich immers vlak ten
zuiden van Zuid-Limburg voor. Volgens BOILEAU zijn
Eykerweg te Aubel (B.), Eckerstraat onder Homburg (B.) en
Eekerstraat bij Gemmenich (B.) oude Limburgse benamingen
voor de aldaar lopende weg naar Aken <Meded 1958, 142-143. -
Boileau I, 147, 192 en 222; II, 116 en 151>. Ook werd in de
Middeleeuwen een Aker munt in onze streken Eycx helder of
Eycx halder genoemd <Habets 1891, 163 en 213>. Gezien zijn krui-
sing van de Geleen bij de vroegere kerkheuvel van
Munstergeleen en zijn oriëntatie op Aken dient aan die weg
een vrij hoge ouderdom te worden toegekend.
Bovendien liep vanaf die kruising ten westen van die rivier,
d.w.z. op Geleens grondgebied, een weg met een zuid-
westelijke boog in de Oude Maastrichterweg uit. Welnu, dit
laatste is voor de problematiek van een Romeinse weg door
Geleen van groot belang.

De Oude Maastrichterweg door het centrum van de
gemeente Geleen
Uit Beek komend liep de [Oude] Maastrichterweg door de
huidige Keerstraat, Gerardusstraat en Hegstraat. In 1377
werd hij als die Trichter Strate vermeld <Franquinet, OLV I, 300>,
en in 1589 werd hij als ”den Trichter wegh de vuyt

56

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 57

Crauwinckel [in zuidelijke richting] gaet naer den witten Vroegere splitsing van de Janskamperweg (links) in de richting
steen” aangeduid <Msg 1911, 34>; die witte steen lag op de grens Sittard en de Lintjensweg (rechts) naar de brug te Munster-
van Beek en Geleen. geleen; thans is daar de kruising van de Janskamperstraat en de
Bij de aanleg van de Rijksweg [in de jaren veertig van de Geleenbeeklaan <Foto J. Willems>.
negentiende eeuw] werden sommige stukken van die oude
weg [in vernieuwde vorm] in de nieuwe route opgenomen.
Toch kan zijn vroeger verloop nog vrij goed worden
gereconstrueerd. Die weg liep als Hegstraat in noordelijke
richting, zwenkte dan - bij de Kummenaedestraat en Op de
Vey - even naar het oosten en vervolgde zijn loop ten westen
van de huidige Rijksweg; dit laatste gedeelte heet thans nog
Oude Maastrichterweg. Vanaf de Wolfstraat-Pastoor
Vonckenstraat tot dicht bij de Eindstraat liep hij ongeveer ter
plaatse van de huidige Rijksweg. Aan de rooilijnen van de
huizen vlak vóór de Eindstraat is nog duidelijk te zien hoe
die Oude Maastrichterweg de Eindstraat kruiste om als
Janskamperweg in de richting Sittard te lopen.

oevers van de Geleenbeek moerassig waren - liep, maar in
een tot in onze tijd bewaard gebleven en gebruikte boog naar
de oversteekplaats bij de [latere] oude kerk van Munstergleen
voerde en dat de rechtstreekse voortzetting van die
Janskamperweg in de richting Sittard pas uit de
Middeleeuwen dateert. Welnu, bij dat doortrekken van de
die weg naar Sittard kunnen die Romeinse graven verstoord
zijn.
Tevens kan voor een hoge ouderdom van die Oude
Maastrichterweg worden aangevoerd, dat hij - althans voor
een groot gedeelte - langs de rand van een plateau liep;

Het ”Tolhuisje” (op de hoek Eindstraat-Rijksweg) ligt tussen
de Rijksweg (links) en de Oude Maastrichterweg of
Janskamperweg (rechts). De plek van waaruit deze foto werd
genomen, vormde eertijds een onderdeel van de laatstgenoemde
weg <Foto M. Verjans, 1979>.

De verstoring van Romeinse graven werd als een bezwaar Zicht vanaf ongeveer halfweg de Eindstraat in de richting van
tegen een hoge ouderdom van de Janskamperweg aan- de kerk circa 1894. Op de achtergrond rijst het schip van de
gevoerd. Ook schreven LOUWE KOOIJMANS e.a.: ”Er zijn kerk boven het witte brouwerijgebouw uit. De eerste persoon
vooralsnog geen argumenten voor de opvatting dat deze weg links is de koperslager Antoon Kentgens (1865-1934) - zie de
tot de Romeinse Tijd zou teruggaan en dat de graven ter pomp op de kruiwagen - en de tweede persoon links is zijn vader
weerszijden werden aangelegd” <PSHAL 1992, 254-255>. Hier Jan Pieter Kentgens (1817-1897). De - vooral bij de beide
dient men evenwel rekening te houden met de waarschijn- witte gebouwen links - opvallend hoog van de begane grond
lijkheid, dat de weg, die vanaf het Einde het noordelijke geplaatste ramen bewaren de herinnering aan het feit, dat die
verlengde van de Maastrichterweg vormde, aanvankelijk niet straat eertijds een holle weg was, waarvan de randen aanzien-
rechtdoor naar [het nog niet bestaande] Sittard - waar de lijk hoger dan de weg lagen <Foto J. Houben s.j.>.

57

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 58

vandaar dat de meeste wegen, die hem oost-west kruisten,
zoals de Daalstraat, Kummenaedestraat, Groenstraat, Hoog
Steeg [= Pastoor Vonckenstraat] en Eindstraat vanaf die
kruispunten [in oostelijke richting] eertijds holle wegen
waren.
Al komt het ons als zeer waarschijnlijk voor dat de voor-
naamste verbinding tussen de Romeinse plaatsen Trajectum
[Maastricht] en Teudurum [Tüddern] via de [later aldus
genoemde] Oude Maastrichterweg en de hierboven ver-
melde oversteekplaats bij Munstergeleen liep, toch zal een
doorslaand bewijs wel van verdere bodemvondsten tussen
Tüddern en die oversteekplaats afhangen.

Oost-westwegen Tussen de haag en de bomen (rechts) en de voormalige slagerij
Somers (links) - waar thans de Norbertijnenstraat (naar Op de
Naast de hierboven besproken noord-zuid of zuid-noord- Vey) de Beekhoverstraat snijdt - liep eertijds het oostelijke
wegen vertoont de vroegere plattegrond van Geleen een verlengde van de Groenstraat naar de Keutelbeek <Tekening P.A.
aantal west-oost- of oost-westwegen. Dit waren hoofd- Schols 1940>.
zakelijk drenkwegen in oostelijke richting naar de beide
beken, veewegen in westelijke richting naar het Graetbos of eindigde zij bij de Keutelbeek, terwijl aan de oostzijde daar-
de Graetheide en/of molenwegen naar Daniken. van enkel een voetpad in de richting van de latere Kluis liep.
De Lutterader Groenstraat en haar oostelijk verlengde, dat
De ”Hoog Steeg”, vóór haar ophoging en verbreding (Pastoor thans Beekhoverstraat heet, vertoonde eenzelfde patroon.
Vonckenstraat) in de jaren twintig, gezien vanaf de Rijksweg. Ook die straat vond ten oosten van de Keutelbeek geen
Verder oostwaarts - waar thans de Antoniusstraat en Meijsstraat rechtstreekse voortzetting. In 1589 werd ”den wegh van
erop uitkomen - was dit een diepe holle weg. Het kruis tegen de Beeckhoven vuytter beecken gaende do(o)r de Groenstraet
boom (rechts) werd later in het midden van de - voortaan voor van Luttelrae aen de linde” vermeld <Msg 1911, 34>. Derhalve
asverkeer versperde - ingang geplaatst. Deze foto werd kennelijk werd die straat, die voor de Lutteraders aan de Keutelbeek
na een snoeibeurt van die boom genomen; rondom liggen de eindigde, in omgekeerde richting als veeweg vanuit
afgesneden takken en rechts staat de ladder tegen de gevel van Beekhoven naar het Graetbos of de Graetheide gebruikt. De
het naaste huis <Foto P. Rademakers>. Groenstraat heeft haar naam waarschijnlijk te danken aan
het feit, dat ze na het aanleggen van putten te Lutterade - de
Drenkwegen naar de Keutelbeek en de Geleenbeek oudste gegevens over die putten dateren van 1552 en 1555 -
Hierboven werd opgemerkt, dat de wegen, die vanaf de minder werd gebruikt en bijgevolg het [groene] gras er welig
(Oude) Maastrichterweg in oostelijke richting lopen, eertijds kon tieren.
holle wegen waren. Het ligt voor de hand, dat sommige van Zoals reeds vermeld, heette de Pastoor Vonckenstraat eertijds
die wegen hun ontstaan te danken hebben aan het feit, dat Hoog Steeg; in de achttiende eeuw schreef men ook soms
door het lagere oostelijke terrein twee beken stroomden, die Hoofdsteeg <Pijls, 88>, maar dat was niet de eigenlijke naam.
water voor mens en vee verschaften. Langs die wegen werd Die ”steeg” was tot in de jaren twintig van de twintigste
eeuwenlang het vee naar de drenkplaatsen gevoerd, terwijl eeuw een holle weg met hoge taluds. Het adjectief Hoog
men daar aanvankelijk ook water voor menselijke consump- werd allicht toegevoegd om die ”steeg” van de vlakbij
tie ging halen. gelegen andere Steeg [Norbertijnenstraat] te onderscheiden.
Het lijdt geen twijfel, dat de Daalstraat eertijds een drenk- Ze begon eigenlijk niet aan de Rijksweg, maar was de voort-
straat voor de inwoners van Krawinkel was, want lange tijd zetting van de Wolfstraat, een zijweg van de Geenstraat.
Wegens haar verloop kan de Hoog Steeg aanvankelijk best
een drenkweg voor het vee van de grote hoeve van Lutterade
[aan de Geenstraat] en misschien ook van de hoeve Stucken
[Op de Vuling] zijn geweest, want zij eindigde waar de
Keutelbeek het centrum van Oud-Geleen bereikte.
De Molenstraat, de vroegere zuidelijke tak van de Peschstraat
[ten oosten van de Oranjelaan], kwam ten oosten van de
spoorweg Heerlen-Sittard aan de Geleenbeek uit; aan de
overkant van die beek bestond geen rechtstreekse voort-

58

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 59

Maastrichterweg tot aan de Graetheide aan de Vehestraet
[= Krawinkeler ”Dorpstraat”] lagen. In 1740 werd geklaagd,
dat de gewassen op het aan de zuidkant van die weg gelegen
[tot die kloosterhoeve behorend] land veel schade leden ”van
de beesten gaende naer de Graetheijde, schapen, koijen,
peerden, verckens” en ook van het pluimvee uit de
gebouwen, die aan de noordkant van die straat lagen. Later
zouden delen van die straat Spoorstraat en Kloosterstraat
worden genoemd. Maar het meest westelijke deel bleef nog
lang de naam Kooiestraat of Koestraat houden en werd later
Steinstraat genoemd.
Zelfs nog in 1768 werd de ”Onderste Dorpstraat” [= Geen-
straat] van Lutterade ”vehewegh” genoemd <LvO nr. 1322>.
Zoals reeds onder de drenkwegen werd opgemerkt, werden
de Groenstraat en ”Bovenste Dorpstraat” [= Tunnelstraat] als
veeweg vanuit Beekhoven naar het Graetbos of de
Graetheide gebruikt. Ook het westelijke verlengde van die
straat heette nog lang Koestraat; in 1924 werd ze tot
Burgemeester Lemmensstraat omgedoopt. Het westelijk
verlengde van de laatstgenoemde straat heette tot in de jaren
zeventig van de twintigste eeuw, toen dat gedeelte in het
industrieterrein werd opgenomen, Urmonder Koestraat.
Ook de Tomeiker- en Groenseykerwegen, die volgens duide-
lijke opgaven door de landmeters Bollen vroeger slechts tot

Het vroegere oostelijke verlengde van de Groenstraat gezien
vanaf de Keutelbeek in westelijke richting. In het midden de
voormalige slagerij Somers <Tekening P. A. Schols>.

zetting als weg, al liep daar wel een pad in de richting Puth.
Derhalve lijkt ook dit een weg te zijn geweest, waarlangs vee
naar een drenkplaats werd gevoerd of water werd gehaald.

Veewegen naar het Graetbos of de Graetheide De Kummenaedestraat als holle weg vanaf (ongeveer) de Rijks-
Een opvallend groot aantal oost-westwegen waren veewegen, weg in de richting van de Keutelbeek vóór 1920 <Foto H. Leufkens>.
waarlangs groot- en kleinvee naar het Graetbos en later de
Graetheide werden gevoerd. Voor de oude Dorpstraten van
Krawinkel en Lutterade was dat vanzelfsprekend. De
opvallende breedte van de vroegere Dorpstraat van
Krawinkel kan uit haar functie als veedrift worden verklaard.
In een document uit 1589 lezen we dat deze straat ”opwarts
ter heyden ende nederwarts all ’t do(o)rp [Krawinkel] op
ende neder die hehrstraet tot op de [Keutel-] Beeck” ander-
halve roede [= 5,65 m] breed was <Msg 1911, 34>.
Uit de archieven weten we, dat langs die weg het vee van de
kloosterhoeve van Krawinkel [aan de Keutelbeek] naar de
Graetheide werd gedreven. In 1676 schreef Jan Bollen de
oude, dat de landerijen van die hoeve vanaf de

59

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 60

aan de rand van de Graetheide liepen, waren oorspronkelijk hadden gebruikt, was die ”verkwelming” eveneens een
veewegen. In 1589 werd ”den Tom Eycker wegh, die uyt hindernis <GAG nrs. 16 en 1216>. De molen kon van Oud-
Nierbeeck naer de heyde gaet” vermeld <Msg 1911, 34>. Uit de Geleen uit ook via de Danikerstraat worden bereikt.
hoeven Ten Eijsden en Kummenade kon vee langs de Ook het gedeelte van de Kinkenweg tussen de Rijksweg en
Kummenaedestraat en de Groenseykerstraat naar het bos of de [huidige] Norbertijnenstraat staat op oude kaarten als
de heide worden geleid. Tenslotte kon de Bosweg, die in het Molenweg vermeld. Verder liep er nog een Molen-Wegsken
westelijke verlengde van de Eindstraat liep, als veeweg vanuit uit Lutterade langs [ten zuiden van] het latere klooster van
Oud-Geleen naar de Graetheide worden gebruikt. de paters karmelieten aan de Rijksweg [thans Carmelieten-
straat] rechtdoor tot bij de Keutelbeek, die aan de zuidkant
van de Steeg [Norbertijnenstraat] liep. De weg die vroeger
vanaf die beek rechtstreeks naar Daniken voerde, heette
eveneens Molenweg. Thans wordt die laatste route door het
oostelijke deel van de Beekhoverstraat, het westelijke stuk
van de Oranjelaan en de Danikerstraat ingenomen.

Splitsing - bij het wegkruis uit 1898 (links) - van de Peschstraat
in een noordelijke en een zuidelijke tak. Deze laatste (rechts),
die oorspronkelijk naar de Geleenbeek liep, werd ook Molenweg
genoemd. Tussen de beide takken van de Peschstraat lag de
boerderij Otten, later Feron <Tekening P.A. Schols>.

Molenwegen naar Daniken Huizen aan de zuidzijde van de zuidelijke tak van de Pesch-
Ofschoon de oorsprong van de graan- en oliemolens van straat, ook Molenweg genoemd. Deze woningen lagen tegenover
Daniken in het duister is gehuld, mogen we - op grond van huis Otten <Tekening P. A. Schols>.
latere gegevens - toch aannemen, dat in Daniken reeds vrij
vroeg een graanmolen heeft gelegen. Derhalve moeten er Hier dringt zich de vraag op of er geen ”molenwegen” vanuit
toen ook reeds molenwegen in die richting hebben gelopen. Krawinkel en Spaans-Neerbeek naar Daniken liepen. Oude
Volgens een ordonnantie van 24 april 1510 moest een kaarten geven hierover geen inlichtingen. Het ligt echter
molenweg, waarop door personen ”hoofdzakken” naar en voor de hand, dat de inwoners van Spaans-Neerbeek hun
van de molen werden gedragen, zes voet breed zijn, en moest granen naar de veel dichterbij gelegen molen van Sint-
een ”molenwegh te peerde sonder ander getauwe”, d.w.z. Jansgeleen brachten. Misschien was dit ook voor veel
zonder kar of wagen [want de paarden droegen de zakken op inwoners van Krawinkel het geval.
hun ruggen], een breedte van acht voet hebben <PSHAL 1872, Tenslotte wordt in de archieven de zogenaamde Teertestraat
343>. Dit verklaart waarschijnlijk, dat men vaak de kortste of Tiertenstraet (1756) naar de oliemolen van Daniken
afstand naar de molen dwars door het veld als ”molenweg” vermeld. Deze liep vanaf het Nieuw Huis [op de huidige
koos. Daarnaast kon men de molen ook bereiken via wegen Frans Erenslaan, ongeveer halverwege tussen de Vondellaan
of straten, die breed genoeg voor asverkeer waren. en de Beatrixlaan] naar de Geleenbeek. Ten oosten van de
Vanuit de Peschstraat liep de Molenweg, ten oosten van de spoorlijn Heerlen-Sittard is haar verloop nog terug te vinden
spoorweg, via een zijweg, die later als Quaet gaet (1722) <LvO in een veldweg, die de scheiding tussen het Kempken en de
nr. 1316> en quaet gat (1724) werd aangeduid <PAG>, naar de Eysdener Kamp vormt. Volgens een opgave uit 1874 was die
graanmolen van Daniken. In 1844 schreef men, dat dit weg toen nog maar 2 à 3 m breed, maar moest zijn officiële
Quaet of Kwaad Gat [dialect: ”Kaod Gaat”] voorheen een breedte 4,55 m zijn. Wegens het verval van de oliemolen
openbare weg was geweest, maar dat hij reeds meer dan geraakte de Teertestraat in onbruik.
zestig jaren tevoren was verlaten, omdat hij wegens zijn Volgens J. RUSSEL zou die straat aldus genoemd zijn, omdat
vervening tot ”kwelm” nauwelijks in bruikbare staat kon daar eertijds veertien wevers van teertei of tirtayen [Frans:
worden gehouden en bijgevolg ”geen schijn van weg” meer tiretaine = half wollen half linnen stof] zouden hebben
had. Voor de inwoners van Daniken, die hem als kerkweg gewoond <Russel 1860, 41>. De ons bekende plaatselijke over-

60

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 61

levering sprak van pottenbakkers, wier huizen bij het en de Steeg [Norbertijnenstraat] naar Oud-Geleen ter kerke.
uitbreken van een besmettelijke ziekte in brand zouden zijn Doch volgens de bovenvermelde kaart begon de Kerke Weg
gestoken. Men zou er later veel potscherven hebben voor andere inwoners van dat dorp in een noordelijke zijweg
gevonden. In 1637 lagen huis en hof van een familie [pad] van de Groenstraat. Na de Oude Maastrichterweg en
Claessen aan ”die straet gaende nae die olyemuelen” <PAG>. de latere Rijksweg te hebben gekruist, waar nu de Dr.
Maar nergens wordt in de archieven van wevers of potten- Poelslaan de Rijksweg bereikt, liep dat pad door de
bakkers ter plekke gerept. Het ligt dan ook veeleer voor de Geleenderkamp [het latere Patersveld] en kwam in de Steeg
hand, dat die straat aldus werd genoemd naar een familie [Norbertijnenstraat] uit. Nadat het klooster van de paters
Tirtey, die waarschijnlijk in het Nieuw Huis nabij die straat karmelieten aan de Rijksweg was gebouwd, gingen de
woonde. Reeds in 1565 was er sprake van het ”Tyrteshuys by inwoners van Lutterade die vroegere kerkweg tot aan dat
gen Eysden” <LimTsGen 79-85> en circa 1620 werd een Jacob klooster ’t Patesjpaedje noemen, terwijl de inwoners van
Tirtey in verband met de Tirteystraet vermeld <RAM, KapOLV nr. Oud-Geleen aan het oostelijke gedeelte van die weg diezelf-
855>. Mogelijkerwijze waren leden van die familie teertei- de naam gaven, omdat dit voor hen de gang naar de
wevers en ontleenden zij hun naam aan dat beroep. Patesjkirk was geworden.

Kerk- en lijkwegen Kerkpad, dat bij de Krawinkeler Daalstraat (D) begon, op de
oostelijke oever van de Keutelbeek (B), door het huidige
Op de huidige plattegrond van Geleen is nog steeds Burgemeester Damenpark (P) en langs de boom met het kruis
duidelijk te zien, dat de Hegstraat, Op de Vey, de ”Op het Ritske” (R) liep, om zich in ”de Steeg”
Norbertijnenstraat en ’t Straatje [te Oud-Geleen] in elkaars (Norbertijnenstraat) (S) met de kerkweg uit westelijk
verlengde liggen. Welnu, zij waren eeuwenlang de gebruike- Krawinkel te verenigen <Militaire stafkaart>.
lijke kerkroute voor de inwoners van het westelijke deel van
Krawinkel naar Oud-Geleen.
Langs diezelfde route brachten zij ook hun doden naar het
kerkhof aldaar. Op een oude kaart staat de huidige weg Op
de Vey als Luyck Wegsken aangeduid; dit is naar alle
waarschijnlijkheid een kopieerfout voor L(e)yck Wegsken,
want in 1589 wordt uitdrukkelijk vermeld: ”de stiege
[Norbertijnenstraat] is vanoudts gehouden voor eenen
gemeynen [= gemeenschappelijke] Lyckwegh” <Msg 1911, 35>;
welnu, die Lyckwegh lag in het rechtstreekse verlengde van
Op de Vey. De dubbele route van de Norbertijnenstraat om
het grasperk [in de volksmond: ”de Lòng”] is van vrij recente
datum; de oostelijke tak is het oorspronkelijke verloop van
de Steeg, die nagenoeg recht op de kerk van Oud-Geleen
toeliep.
Sommige inwoners van Lutterade gingen via de Groenstraat

Het ”Patesjpaedje” vanuit ”de Steeg” (Norbertijnenstraat) circa Nog andere inwoners van Lutterade kozen hun kerkgang
1925. Dit was voorheen een onderdeel van een kerkweg uit door de Lutterader Onderste Dorpstraat [Geenstraat] en de
Lutterade. Op de achtergrond het klooster van de paters karme- Hoog Steeg [Pastoor Vonckenstraat]. In een ”Staat der
lieten aan de Rijksweg <Uit archief v. d. paters karmelieten>. buurtwegen en openbare voetpaden” uit de negentiende
eeuw staat uitdrukkelijk, dat de Hoog Steeg toen de lijkweg
van Lutterade naar Oud-Geleen was. Overigens mocht ze
slechts gedurende zes weken in de oogsttijd door andere
voertuigen worden gebruikt. Tevens leest men in de
archieven, dat de Vuling, Hongerstraat [Ridder Vosstraat] en
Eindstraat voor de kerkgang werden gebruikt, als de Hoog
Steeg wegens zware sneeuwval onbegaanbaar was geworden.
De in de achttiende eeuw vermelde ”Kerckwegh van
Nierbeeck naer Geleen” liep langs de westzijde van de Kluis.
De meeste bewoners van de Krawinkeler Daalstraat, die nog

61

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 62

Dit pad moet lang in gebruik zijn gebleven, want volgens de
familietraditie hing de weduwe van burgemeester Göbbels in
1863 een crucifix aan een boom ”op het Ritske”, waar de
lijkstoeten uit de Daalstraat halt hielden om er te bidden.
De kerkwegen uit Lutterade en Krawinkel via de Steeg
[Norbertijnenstraat] of Hoog Steeg [Pastoor Vonckenstraat]
kwamen door ’t Straatje - dat in 1795 als ”lijkenweg” werd
aangeduid - in de Dorpstraat [Marcellienstraat] uit <TsHKVGel
1989, 15>. Pas bij de oprichting van de parochie Lutterade-
Krawinkel (ca. 1860) kwamen de meeste van die kerk- en
begrafenisgangen naar Oud-Geleen als zodanig te vervallen.

In de boom vergroeid crucifix ”Op het Ritske” <Foto M. Verjans,
1950>. Boomstam en crucifix werden later naar de noordweste-
lijke buitenzijde van het Burgemeester Damenpark verplaatst.

lang tot de parochie van Oud-Geleen bleven behoren, ’t Straatje komt uit op de Dorpstraat (Marcellienstraat); op de
hebben die kerkweg uit Neerbeek niet gevolgd. Zij kozen achtergrond het huis Hoofs. Dit was het laatste stuk van de
hun kerkgang over een ten oosten langs de Keutelbeek kerkwegen uit Lutterade en Krawinkel <Tekening H. Janssen>.
lopend breed voetpad, dat - na het beekje te hebben gekruist
- midden in de Steeg [Norbertijnenstraat] uitkwam.

3. Ontginningen in het woud
tussen de Maas en de Geleenbeek

Eertijds heeft tussen de Maas en de Geleenbeek een woud
gelegen, waarvan het later aldus genoemde Graetbos slechts
een betrekkelijk klein overblijfsel was. Gezien de vele
bodemvondsten van voorhistorische culturen blijken gedeel-
ten van dat woud, die in voorhistorische tijden - inclusief de
Romeinse tijd - werden ontgonnen, later weer grotendeels
met bos te zijn bedekt.

Het zuidelijk begin van ’t Straatje - vroeger ook ”Engwegen- Zwentiboldsage in strijd met toponymische en
straatje” genoemd - vanaf de Pastoor Vonckenstraat historische gegevens
<Tekening P.A. Schols, 1930>.
De sage van de [veronderstelde] schenking van het Graetbos
op het einde van de negende eeuw door koning Zwentibold

62

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 63

aan veertien omliggende kerspels, die niet alleen generaties Ville bij Brussel] te Krawinkel een groot stuk grond
lang maar zelfs nog in onze tijd door geschiedschrijvers als grenzend aan het woud, dat in de volksmond de Graite
een historisch feit werd beschouwd <PSHAL 1869, 461-466. - Habets [= Graete] heette: nemus quod vulgo dicitur li graite. De door
1891, 390-396. - Born, 19-43. - Overmunthe, 19-22>, kan hier buiten ERNST gegeven versie li grave <Ernst VI, 13> is een kopieerfout
beschouwing blijven, want het enige document, waaruit die voor li graite <AEB nr. 10969, f. 11ro>. Het zeldzaam voorkomen-
sage bekend is, nl. het ”Bescheyt van den Graet”, dateert op de lidwoord li is een Middellatijns equivalent voor het
zijn vroegst uit de tweede helft van de veertiende eeuw. Franse le [= de]. In 1271 was er sprake van: silvam commu-
Het valt trouwens op, dat een aantal in dat document nitatis que Grate nuncupatur, d.w.z. ”het gemeenschappelijke
genoemde plaatsen ten tijde van die vermeende schenking bos, dat [de] Grate wordt genoemd” <Hennes, II, 72>.
nog niet bestonden. Ook blijken sommige historische Uit die teksten volgt niet, dat dit woud zich toen nog oost-
gegevens met een dergelijke schenking in strijd te komen. waarts tot aan de Keutelbeek, waar die kloosterhoeve werd
Als het hele gebied tussen de Maas en de Geleen onverdeeld opgetrokken, zou hebben uitgestrekt. Niet alleen staat in die
en onverdeelbaar aan veertien kerspelen zou zijn geschon- oorkonde dat de geschonken grond aan dat woud grensde,
ken, zouden de ontginningen, die reeds in de dertiende eeuw maar ook blijkt uit latere bronnen, dat de bij die hoeve
diep in dat woud waren doorgedrongen, onmogelijk zijn behorende gewande zich reeds vroeg vanaf die beek tot een
geweest, terwijl anderzijds de grenzen van het - volgens die heel eind ten westen van de latere spoorweg Maastricht-
sage geschonken - centrale niemandsland pas eeuwen na Sittard uitstrekten. Ook staat in een document uit 1272 dat
Zwentibold totstandkwamen <M’geleen, 30-31. - HJLvZ 1980, 11-19; twee bunders akkerland iuxta Graden super Hellincscoit,
1986, 58-88; 1988, 105-123>. d.w.z. ”bij de Grade(n) op de Hellincscoit” lagen <AHEB 1907,
Ook de door sommige auteurs a priori aangenomen stelling, 162>. Dit laatste terrein werd later Hellingstock genoemd; het
dat het Graetbos als koningsgoed slechts via een schenking lag tussen Krawinkel en Lutterade ten westen van de [latere]
door de omwonenden zou kunnen zijn gebruikt, vindt in de spoorweg, waar vele eeuwen later de eerste schachttoren van
beschikbare gegevens geen steun. Het was immers sedert oer- de mijn Maurits zou worden geplaatst.
oude tijden in heel West-Europa de regel, dat onontgonnen Een bron van informatie over pas vrij laat ontgonnen
land en wouden ten dienste stonden van de omwonenden, Geleense terreinen waren de vier velden van de grote tiende,
die daar ”in de mate van hun noodwendigheden” gebruik nl. de Raadskuilder-, Rommelye- [= Romanie-], Gasthuis-
van mochten maken. Mettertijd werden de woeste gronden, veld- en Kleinveldtienden, die eerst aan de Heer van Valken-
die door hen als weide- en woudgebied werden gebruikt, burg, vervolgens aan de hertog van Brabant en uiteindelijk
door de omwonenden als hun gemeenschappelijk eigendom, aan de Heer van Geleen moesten worden geleverd. Daar
de ”gemeinde”, beschouwd <Behets, 51-53>. dergelijke tienden oorspronkelijk als compensatie voor het
ontginnen van bosgrond verschuldigd waren, mogen die
Ontginningen in verschillende fasen eertijds beboste terreinen als een vroeger privé-eigendom van
de Heren van Valkenburg worden beschouwd.
Aangezien in onze streken de oudste nederzettingen in de Het gebied van de Raadskuildertiende werd in 1754 aldus
rivierdalen ontstonden, zullen de vroegste ontginningen van beschreven: ”eene sijde ruijmende op de limieten van het
dat woud vanaf de oevers van de Maas en de Geleen zijn Landt van Gulick [Sittard in het noorden], d’andere sijde de
ondernomen. Men drong er ook vanuit het noorden en het dorpstraete van Lutterade ende Geleen [in het zuiden], aen
zuiden in door. Maar niet alle bosgrond, die door diverse de Graetheijde beginnende tot over de Beecke op het voors.
kerspels binnen hun grenzen werd getrokken, de zoge- Guilkerlandt met een hooft stotende [Munstergeleen in het
naamde bijvanck, werd aanstonds ontgonnen. Menig kerspel oosten], het ander hooft de Graetheijde voorschreven [in het
blijkt flinke lappen van dat woud in beboste toestand te westen]”.
hebben ”genaast” en pas veel later te hebben ontgonnen. De tienden van het Gasthuisveld moesten worden geleverd
Ook waren niet alle kerspels even oud. Zo moeten de voor het gebied tussen Oud-Geleen en Spaans-Neerbeek.
ontginningen, waarop de kerspels Born, Limbricht en Het middeleeuwse gasthuis lag ongeveer op de hoek van de
Guttecoven - vrij diep in het oorspronkelijke woud - Pieterstraat en de [latere, d.w.z. huidige] Van Lennepstraat
ontstonden, tot een jongere fase dan de aan de rand gelegen en de benaming Gasthuisveld sloeg op heel het terrein ten
kerspels Beek, Elsloo, Geleen en Urmond hebben behoord. zuiden van dat gebouw. Uit de meetboeken van Bollen (circa
Bovendien ontstonden binnen het gebied van sommige 1700) blijkt, dat dit veld de Geleenbeek [tussen de hoeve
kerspels nieuwe nederzettingen, zoals Krawinkel en Lutte- Ten Eijsden en de Biesenhof] raakte en zich zuidwaarts tot
rade binnen het kerspel Geleen, die elk hun eigen ”levens- ”den Reijn [= grens] tusschen Spaubeek, Beeck ende Geleen”
ruimte” ten koste van het woud opeisten. uitstrekte.
Het Rommelyeveld [= Romanieveld] lag tussen de dorpen
Het getuigenis van de geschreven bronnen Lutterade en Krawinkel; dat toponiem leeft in de
Romaniestraat voort. Het Cleyne veld [dialect: Kleiveldj] lag
In augustus 1250 verwierf de abdij van Villers [Villers-la- ten noordwesten van Spaans-Neerbeek.

63

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 64

Naar ontbossing verwijzende plaats-, dat langs de westzijde van de Vuling en de Geenstraat de
weg- en veldnamen grote middeleeuwse hoeven Stucken en Lutterade werden
gesticht. Ongeveer in het centrum van de gemeente Geleen,
Het tweede lid -rade of -rode van de toponiemen Lutterade nl. ter plaatse van het latere Patersveld, lag de Geleender
of Luttelrode (1377) <Franquinet, OLV II, 299> en Heimstenrade Kamp. Circa 1700 werd de omvang hiervan door Bollen als
of Himstenrode (1351) <PSHAL 1877, 365-366> is een aanduiding volgt opgegeven: ”geleghen tusschen de Groenstraet [thans
voor het kappen en ”roden” [= rooien] van bomen en wijst gedeeltelijk Beekhoverstraat] ende die Hoogh Stegh [thans
dus op een ontginning in de Middeleeuwen. Pastoor Vonckenstraat], naer Luttelrae [= naar het westen]
Dat een groot deel van het z.g. Raadskuilderveld - ten die weyden, ende naer Daneken [= naar het oosten] die
noorden van de Jodenstraat, Eindstraat en Geenstraat - nog Kuetel Beeck”. Aangezien het woord kamp op omheinde
vrij lang met bos bedekt is gebleven, blijkt uit de veldnaam veldtuinen wijst, duidt de benaming Geleender Kamp erop,
Haeset [= ”uitgedund bos”], waarmee dat terrein eertijds in dat dit terrein van Oud-Geleen uit in cultuur werd gebracht.
de volksmond werd aangeduid. Pas na de ontginning van dit
Haeset ging men van Haesetveld spreken; en nadat dit tot 4. De vroegste woonkern
Haes(s)elt was samengetrokken, ontstond de versie van het latere Geleen
Haesselterveld. Thans is Haesselderstraat de naam van een
niet in het eigenlijke Haeset gelegen straat. Ofschoon menige Het ligt voor de hand, dat Op-Geleen en Munstergeleen niet
haas het Hasepedtgen (1623) of de Hazepaad - vanaf het terzelfdertijd dezelfde naam zullen hebben gekregen, maar dat
Conincxvalderen te Lutterade in de richting Ophoven de riviernaam eerst op de oudste van die twee nederzettingen
lopend - zal hebben gekozen, heeft dat toponiem toch niets overging, en dat de jongere nederzetting haar naam niet recht-
met die langoren uit te staan. Het betekent gewoon streeks aan de rivier maar aan de oudere nederzetting
Haesetpaadje of Haesetpad, m.a.w. het pad door het Haeset; ontleende. Wij zagen immers, dat de gelijknamigheid van
soms leest men Haesepaeterwegh. vlakbij elkaar gelegen plaatsen volgens D. P. BLOK aan erf-
De Vuling, die van de Eindstraat afsplitste, en de in haar deling van een domein ofwel aan parochiesplitsing moet
verlengde gelegen Geenstraat zouden als een vroegere weg worden toegeschreven en dat we in beide gevallen met een
langs de zoom van het woud kunnen worden beschouwd. moeder- en dochternederzetting te doen hebben <NTTC, 20>.
Die indruk wordt nog versterkt door de vlakbij gelegen Wij weten echter niet met zekerheid of de eerste nederzetting,
toponiemen Bosweg en Dassenkuil en vooral wegens het feit die Geleen werd genoemd, ten oosten [te Munstergeleen] dan
wel ten westen [te Oud-Geleen] van die rivier lag. Zelfs
De oudste kern van Oud-Geleen rond de parochiekerk met de ingeval de nederzettingsnaam Geleen via de oversteekplaats
Marcellienstraat (van rechtsonder naar linksmidden), de Joden- bij de heuvel van de latere kerk van Munstergeleen van de
straat (van linksmidden naar rechtsboven), de Leursstraat riviernaam werd overgenomen, volgt daar niet per se uit, dat
(rechts van de kerk) en een restant van ’t Straatje (linksonder) Munstergeleen het oudste Geleen zou zijn. Sommige aspecten
<Foto DSM, 1979>. wijzen zelfs op Op-Geleen als het oudste Geleen.
Op de eerste plaats zijn samengestelde toponiemen door-
gaans jonger dan enkelvoudige. Daar het samengestelde
toponiem Munsterglene reeds in 1202 werd vermeld, terwijl
Geleen nog lang daarna louter als Glene voorkwam en pas in
1275 als Upglene <Lac II, 394> en in 1280-1297 als Opglene
werd vermeld <Hennes II, 422. - Ernst VI, 87>, kan men de indruk
krijgen, dat de prioriteit aan Geleen toekomt.
Bovendien kan op grond van de overbrenging van de
relieken van de patroonheiligen Marcellinus en Petrus
zonder bezwaar worden gesteld, dat de oudste kerk van
Op-geleen in de eerste helft van de negende eeuw werd
gesticht, terwijl de verering van de H. Pancratius, de
patroonheilige van Munstergeleen, in onze streken pas na de
verovering van Rome door keizer Arnulf in 886 werd
verspreid <M’geleen, 265-266>.
Het allereerste begin van het dorp Geleen moet ongetwijfeld
op en bij het kerkplateau te Oud-Geleen worden gezocht, nl.
het op de westoever van de Geleenbeek gelegen terrein, dat
door de vroegere Jorisstraat [waarvan een gedeelte thans
St.-Jorisstraat heet] en de Joden-, Marcellien-, Pesch- en

64

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 65

Bergstraat wordt omsloten. En daar dit op veel andere verdient, kan toch op grond van de combinatie van een
plaatsen het geval blijkt te zijn geweest, mag ook ten aanzien aantal factoren de stichting van de vroegste Geleense kerk
van de oudste kern van Oud-Geleen worden aangenomen, in de negende eeuw als hoogstwaarschijnlijk worden
dat hij gedurende verscheidene eeuwen uit niet veel meer beschouwd.
dan een grote hoeve met stallen en schuren, een kerk met
pastorie en een handvol eenvoudige woningen voor de op De kerstening in deze contreien
die grote hoeve werkende horigen of laten heeft bestaan (zevende-negende eeuw)
<Behets. - Dorp, 11-35>.
De verbreiding van het christendom in de Maasstreek kan
De Romeinse villa en de Hanenhof niet louter aan de H. Servatius (vierde eeuw) en diens
opvolgers in het bisdom Tongeren-Maastricht-Luik worden
In de vroege Middeleeuwen lag op het oostelijke gedeelte toegeschreven. Er ontbreken namelijk aanwijzingen dat die
van het zojuist omschreven terrein de Hanenhof, terwijl op godsdienst tijdens de Romeinse periode buiten de steden
het westelijke gedeelte daarvan de kerk [met het kerkhof] en Tongeren en Maastricht werd verspreid. En al begon na de
de pastorie lagen. Op de huidige plattegrond van Geleen bekering van de Frankenkoning Clovis (ca. 500) een nieuwe
moeten de vroegere gebouwen van die hoeve op het kruis- periode van kerstening, toch hebben de bisschoppen van
punt van de Beekstraat en de spoorlijn Heerlen-Sittard Maastricht tijdens de zesde en in het begin van de zevende
worden geplaatst. Zij zijn reeds sedert eeuwen verdwenen, eeuw blijkbaar vooral het zuidelijke gedeelte van hun bisdom
maar hun vroegere locatie werd tot in onze tijd door de er bekeerd. POST merkte [in een Duits artikel] op: ”Nördlich
later omheen gelegde grachten aangegeven. von Maastricht musste noch sehr viel, wenn nicht alles getan
Als men nu bedenkt, dat althans een deel van dit plateau bij werden... die damaligen Bewohner eines Territoriums, das
de [hoogstwaarschijnlijk] aldaar gelegen Romeinse villa jetzt niederländisch Limburg heisst, um das Jahr 690 noch
behoorde, kan men nauwelijks aan de indruk ontkomen, dat nicht das Christentum akzeptiert hatten” <AKKN 1961, 238-239>.
een Frankische heerboer zich op een door Romeinen Op het einde van de zevende eeuw en gedurende de achtste
verlaten domein heeft gevestigd. Het zou evenwel allicht te eeuw hadden twee verschillende maar nauw samenhangende
ver gaan om hier continuïteit te veronderstellen, want in bewegingen plaats. Enerzijds breidden de Pippijnen vanuit
onze streken werden de Romeinse villa’s al in de tweede eeuw hun stamland in de Ardennen hun bezittingen en hun
verwoest. Die Romein en die Frank hebben blijkbaar elk - zij macht langs de Maas stroomafwaarts uit en ging met die
het met enkele eeuwen onderbreking - hetzelfde terrein als machtsuitbreiding tevens een missioneringsgolf gepaard;
geschikt voor hun woning en/of boerderij beschouwd. Die circa 700 hadden zij o.a. Meerssen, Susteren, Asselt en St.-
Frank bouwde zijn hoeve echter niet ter plaatse van die villa Odiliënberg in bezit <Niermeyer, 4-6. - D.P. Blok, 32>. Anderzijds
maar dichter bij de grote beek. deed zich in de Maasstreek de invloed van de Zuid-Vlaamse
[later: Frans-Vlaamse] missioneringscentra gelden; dezelfde
Kerk hoogstwaarschijnlijk in de eerste helft van de kerkelijke figuren, die in die streek werkzaam waren, missio-
negende eeuw gesticht neerden in Limburg <AKKN 1961, 239-243>. In die context mag
dan ook het vroege verwerven van bezittingen in het
Het terrein waar de kerk met het kerkhof en de pastorie met Geleendal door de abdij van Sint-Vaast [Vedastus] te Atrecht
haar tuin en weide lagen, moet eertijds tot het gebied van de [Arras, F.] worden gezien <M’geleen, 31-35>.
Hanenhof hebben behoord. Niet alleen werd het kerkhof tot De Karolingische capitularia getuigen ervan ”hoezeer in de
in de zestiende eeuw aan de oostzijde over zijn volle breedte laatste helft van de achtste en het begin van de negende eeuw
door de Hanenhofsweiden begrensd, maar ook kan uit de het bouwen van kerken was toegenomen” <Verbesselt I, 75>.
nabije ligging van de kerk ten opzichte van de Hanenhof Sommige historici zijn dan ook van oordeel, dat de meeste
redelijkerwijze worden geconcludeerd, dat zij door een oude parochiekerken van Limburg in de periode van de
eigenaar of bewoner van die hoeve werd gesticht. Nog te achtste tot de tiende eeuw werden gesticht <LimVerl II, 462>.
bespreken geschiedkundige gegevens over die bezitters en de POST benadrukte tevens, dat ”die Kirchen an erster Stelle
patronaats- en collatierechten wijzen eveneens in die laikalen Eigenkirchen waren und... die Grundherren durch
richting. Het is geenszins bevreemdend, dat die kerk niet den Kirchenbau unmittelbar die Evangelisation gefördert
vlak bij die hoeve werd opgetrokken. In deze streken blijken haben”. Voor ons Geleen gold dat blijkbaar voor de eerste
de oudste dorpskerken bij voorkeur aan interlokale wegen te helft van de negende eeuw, d.w.z. ”kurz nach oder noch in
zijn gebouwd, zodat ze ook voor andere bewoners van de der Zeit der Christianisierung” <AKKN 1961, 243-245>.
streek toegankelijk waren. Welnu, de Marcellienstraat was
eertijds een onderdeel van een interlokale weg. Fundamenten van een zaalkerkje
Ofschoon de bewering van RUSSEL, dat het middenschip van
de kerk, die in 1862 werd afgebroken, ”tegen omtrent het In 1979 werden bij werkzaamheden in de parochiekerk van
jaar 850” zou zijn gebouwd <Russel 1860, 54>, geen vertrouwen Oud-Geleen fundamenten van met kleileem en/of bruingele

65

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 66

bestaande
kerk

verwarmings-
sleuf

teruggevonden
muurresten
zaalkerk

teruggevonden
vloerresten
zaalkerk

hypothetisch
verloop muren

zaalkerk

mergel

metselwerk
van baksteen
(grafkeldertje)

Sarcofaag met relikwieën van de HH. Marcellinus (links) en
Petrus (rechts) te Seligenstadt (D.) <Foto W. Wiemeyer, Seligenstadt, D.>.

De gevonden en veronderstelde fundamenten van een zaalkerkje [priester] en Petrus [exorcist], die circa 304 onder keizer
geprojecteerd op een plattegrond van de kerk uit 1862 <Tekening Diocletiaan gemarteld waren, uit Rome, via Soissons,
H. Vromen>. Maastricht en Aken, naar Michelstadt en daarna naar
Mülenheim [Obermühlheim] aan de Main gebracht; die
mortel gevoegde Maaskeien blootgelegd, waarin o.a. een plaats werd daarna Seligenstadt genoemd. Tijdens hun
fragment van een Romeinse wrijfschaal, stukken van uitstalling in de Sint-Servaaskerk zouden verschillende
Romeinse tegels en dakpannen, scherven van een Karolin- wonderen zijn gebeurd. Op de verdere tocht naar
gische amfora uit de negende/tiende eeuw en vrij veel ander Michelstadt zouden in de buurt van Aken nog meer
Karolingisch materiaal werden aangetroffen. De door wonderen hebben plaatsgehad <MGH-SS XV, pars I, 238-264. -
J. SLUIJS en H. VROMEN onderzochte resten van die funda- Migne, deel CXXIII, 243. - AS, deel 62, 2 juni>.
menten lieten toe een schema te maken van een eenvoudig Bij de overbrenging uit Rome werd te Soissons een gedeelte
zaalkerkje van ongeveer 11 x 12 m binnenruimte en een van die relikwieën achtergehouden. Toen Eginhard dit
rechthoekig koor van 4,5 m breedte <ArchLim mei 1980, 3-6>. vernam, liet hij ook deze via Aken naar Mülenheim
Zolang nadere aanduidingen ontbreken, zal de vraag of dat [Seligenstadt] overbrengen. WILLEMSEN was van mening,
eerste kerkje [op die fundamenten] in steen dan wel in hout dat die tweede overbrenging ”wellicht de aanleiding was,
werd opgetrokken onbeantwoord moeten blijven. dat de HH. Marcellinus en Petrus kerkpatronen in Geleen
werden” <Willemsen, 20>. Doch O. MÜLLER, conservator van
HH. Marcellinus en Petrus als patroonheiligen het Landschaftsmuseum, dat in de vroegere klooster-
gebouwen van Seligenstadt is ingericht, deelde mij mee, dat
Ook de keuze van de patroonheiligen maakt een stichting in dit kerkpatroonschap in verband moet worden gebracht met
de negende eeuw waarschijnlijk. Op bevel van Eginhard het feit, dat Eginhard een deel van de uit Soissons gebrachte
werden in 827/828 relikwieën van de HH. Marcellinus relikwieën aan het munster te Aken en aan de abdijen van
Maastricht en Gent schonk. Overigens worden in opvallend

66

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 67

veel kerken in Italië, België en Duitsland echte of vermeende
relikwieën van beide heiligen bewaard <Bondois, 46-47>.

Reliëfbeeld van de H. Petrus op het vroegere hoofdaltaar van
Oud-Geleen, thans in de kerk te Oirsbeek <Foto M. Verjans, 1950>.

Reliëfbeeld van de H. Marcellinus op het vroegere hoofdaltaar 5. Geleen als onderdeel
van Oud-Geleen, thans in de kerk te Oirsbeek <Foto M. Verjans. van een grotere parochie?
1950>.
In aansluiting op het voorgaande dient de aandacht te
Ecclesia integra worden gevestigd op de zienswijze van D. FLACH, ”daß Beek
mit den benachbarten Pfarreien von Geleen, Schinnen und
In 1307 werd de kerk van Geleen - evenals de kerken van Spaubeek über das Ineinandergreifen der Pfarreigrenzen
Beek, Schinnen, Hulsberg, Meerssen, Heerlen en Voerendaal einen ursprünglich größeren, zusammengehörigen Komplex
- een ecclesia integra genoemd <PSHAL 1906, 348>, d.w.z. een anzudeuten scheint. So teilen sich... die Pfarreien Beek und
kerk die het volle ”huldegeld” aan de geestelijke overheden Geleen den Ort Neerbeek, die Pfarreien Geleen und
leverde. Dat bedrag moet met de welstand, de uitgestrekt- Schinnen den Ort Daniken und die Pfarreien von Schinnen
heid en de ouderdom van die parochies in verband hebben und Spaubeek treffen in Hegge aufeinander... könnten die
gestaan. Derhalve lijkt ook dit een factor ten gunste van een Pfarreiabgrenzungen innerhalb der Ortsfluren von Neer-
vrij hoge ouderdom van de kerk van Geleen te zijn. beek, Daniken und Hegge Hinweise auf einen ursprünglich
zusammengehörigen Komplex bieten, aus dem die Grund-
Eenderde van de grote tiende voor de pastoor herrschaften von Beek, Geleen, Schinnen und Spaubeek mit
ihren zugehörigen Pfarreien hervorgegangen sind. Ob es sich
Tenslotte kan hier de volgende uitspraak van de deskundige bei den vier genannten Pfarreien um einen ursprünglich
J. VERBESSELT worden aangehaald: ”daar waar het parochie- selbständigen Komplex - mit Elsloo als denkbarem Zentrum -
archief ons leert dat de pastoor het derde van de tienden zelf gehandelt hat oder um Zubehörteile des Meerssener
int, mag men aannemen, dat de parochie meestal van vóór Haupthofes, bleibt letzlich ungeklärt. Nach den Patrozinien
het midden van de 9e eeuw dateert” <Verbesselt, 144>. ihrer Kirchen zu urteilen, könnte der Prozeß der
Kirchengründungen bereits im 10. Jahrhundert zum

67

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 68

Abschluß gekommen sein, wobei die Wahl der Patrone...
massive Förderung des karolingischen Herrscherhauses und
seines höfischen Adels vermuten lassen. Ohne Zweifel
bewegen wir uns in Beek und Schinnen mit ihren großen
Pfarreien und den ihnen zugrunde liegenden großen
Grundherrschaften auf Reichsgut aus ältester Zeit” <Sittard-
Bron I, 54 -55>. Wat nu hiervan te denken ?
Zowel wegens de algemene ontwikkeling van het parochie-
wezen in deze streken alsook op grond van een vergelijking
met situaties elders, mag het bestaan van een oorspronkelijke
”oerparochie”, waarvan Geleen ooit een onderdeel uitmaak-
te, worden verondersteld. Maar uit de beschikbare gegevens
kan noch een bewijs voor noch een bewijs tegen een
parochieel complex, dat aanvankelijk Beek, Geleen,
Schinnen en Spaubeek zou hebben omvat, worden geleverd.
Wel kan worden opgemerkt, dat die auteur een vrij zwak
uitgangspunt voor zijn zienswijze heeft gekozen. Vooreerst
heeft het gehucht Daniken wel gedeeltelijk tot de heerlijk-
heden en/of gemeenten Geleen en Schinnen maar nooit
gedeeltelijk tot de parochies [Oud-]Geleen en Schinnen
behoord; immers, voor zover wij weten was Daniken steeds
in zijn geheel bij de parochie [Oud-]Geleen inbegrepen.
Maar die heerlijkheden of gemeenten gingen nooit tot een
deling van dat gehucht over; de nederzetting Daniken
groeide eenvoudig oostwaarts over de grenzen van Schinnen
heen. Derhalve is die zogenaamde verdeling vrij recent.
Een bijna identiek geval deed zich te Neerbeek voor. De
parochies Beek en Geleen gingen geen deling van dat dorp
aan. Het oorspronkelijke Neerbeek lag geheel binnen het
kerspel Beek. Maar toen die nederzetting zich naar het
noorden uitbreidde, werd de oude grens tussen de kerspels
Beek en Geleen overschreden. Bijgevolg werden de bewoners
van de huizen, die ten noorden van die grens werden
gebouwd, als parochianen van Geleen beschouwd. Ook die
zogenaamde verdeling is derhalve vrij recent.
De reeds in 1288 vermelde hoeve Hegge <Franquinet, St.Gerlach,
28-29> lag hoogstwaarschijnlijk binnen de grenzen van de
parochie Schinnen. Maar ook hier is het wellicht niet uit-
gesloten, dat het later daarbij ontstane gehucht de grenzen
van die parochie overschreed.
Verder valt op te merken, dat FLACH zich blijkbaar baseert
op een oorkonde van 1002, waaruit zou blijken, dat keizer
Hendrik II zich te Elsloo zou hebben opgehouden en
waaruit dan verder zou volgen, dat daar een keizerlijke palts
zou hebben gelegen. Reeds in 1972 heb ik aangetoond, dat
enerzijds het in een kopie van die oorkonde vermelde
toponiem Elisla - waarin men Elsloo meende te zien - een
kopieerfout was van Elista, een oude vorm van Elst in de
Betuwe <Naamk 1972, 118-124>, en dat anderzijds ook de andere
argumenten voor een keizerlijke palts te Elsloo niet
steekhoudend zijn <JaLimME 1981, 18-38>.

68

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 69

III dienstige verscheurdheid ten einde gekomen, terwijl kort
nadien de zogenaamde Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)
Het kerspel zou uitbreken, die in onze streken bijna een eeuw zou duren.
van Geleen
(1201-1558) 1. De politieke en jurisdictionele

In een zich te Rolduc bevindende oorkonde, die op 1148 verhoudingen
werd gedateerd, maar pas na 1175 werd opgesteld, wordt een
Willelmus nobilis vir de Glene, d.w.z. ”de edelman Willem Voor een goed begrip van de lokale geschiedenis dient men
van Geleen”, vermeld. Hij werd door P.C. BOEREN als doorgaans ook met de regionale en in sommige gevallen zelfs
”Willem van Sint-Jansgeleen” aangeduid <PSHAL 1920, 46-47. - met de nationale en internationale geschiedenis vertrouwd te
Boeren, 96>, maar in de twaalfde eeuw kon er noch van Sint- zijn, want deze verschaffen vaak een context, waardoor een
Jansgeleen noch van een kasteel aldaar sprake zijn <St.Jansgel, klaarder licht op bepaalde plaatselijke gebeurtenissen wordt
22-24>. De meest voor de hand liggende verklaring lijkt te geworpen.
zijn, dat die edelman op een grote hoeve te Glene woonde. Naar oorkonden van 1204, 1252 en 1257 verwijzend,
Onze eerste keuze valt op de Hanenhof, maar dat valt niet te schreef ik in 1952: ”Men kan aldus de indruk hebben, dat
bevestigen. Ook is daarmee nog niets gezegd ten aanzien van Geleen eerst tot Gelder (1204), daarna tot de heerlijkheid
een kerspel Geleen. Sittard (1252) en vervolgens tot de heerlijkheid Valkenburg
Dat is echter wel het geval met een document van 1 april (1257) heeft behoord” <Geleen, 23>. Deze ”indruk” als uit-
1201, waarin voor het eerst sprake is van een pastoor van gangspunt nemend beweerde een andere auteur in 1962:
Glene <Lac I, 3, waar de kopieerfout Gleye staat. - Habets 1875, 401>. Die ”Na mogelijk eerst Gelders te zijn geweest en vervolgens
mededeling wijst immers impliciet op dat Glene als een behoord te hebben tot de heerlijkheid Sittard, maakte het
kerspel of kirspel. Dit eertijds vrij algemeen gangbare woord [= Geleen] in 1257 (definitief in 1276) deel uit van het Land
was geen samentrekking van ”kerstpoel”, zoals HABETS van Valkenburg” <NMGKL 3de st., afl.1, 158>. Maar noch de
schreef <Habets 1875, 312>, maar van kerkspel of kirkspel [Duits: indruk uit 1952 noch de bewering uit 1962 komen volledig
Kirchspiel]. Het tweede lid spel vindt men ook in het Engelse met de historische werkelijkheid overeen.
gospel [= goodspel, niet ”Godspel”] in de betekenis van goed
nieuws, blijde boodschap of evangelie, en van het Duitse De graven van Loon en Gelder
Beispiel.
Een kerspel was oorspronkelijk een district waarover de De graaf van Gelder had in 1204 bezittingen [allodia] te
geloofsverkondiging vanuit een kerk zich uitstrekte, m.a.w. Roermond, Dieteren, Wehr en Glene met wat daarbij
een parochie. Na verloop van tijd bleef dat begrip niet louter behoorde, nl. het dienstpersoneel, weiden, bossen, wateren,
de godsdienstige gebondenheid van een gemeenschap aan- in cultuur gebrachte en ongecultiveerde gronden. In
duiden, maar werd het ook in de zin van een - [nagenoeg] genoemd jaar schonk hij dit alles aan de bisschop van Luik
met de omvang van die parochie samenvallend - wereldlijk en ontving hij het weer van hem in leen <SLL I nr. XVIII>. Dit
bestuurs- en rechtsgebied gebruikt. In deze laatste zin schreef leenverband werd door de graven van Gelder nog in 1334
men in 1555: kirspeldorp Opgeleyn <PSHAL 1898, 336>, waarmee erkend <HistOpst, 157-158. - PSHAL 1956-57, 145>.
blijkbaar niet alleen het kerkdorp Oud-Geleen maar het hele Volgens LINSSEN zouden die goederen voorheen aan de graaf
gebied van Geleen, met inbegrip van de dorpen Krawinkel, van Loon (B.) hebben toebehoord; deze zou het bestuur
Lutterade en [het later aldus genoemde] Spaans-Neerbeek, over de gehele, d.w.z. zowel ten oosten als ten westen van de
werd bedoeld. Maas gelegen, Opper-Maasgouw - met ongeveer de Roer
Als het einde van de historische periode ”het kerspel Geleen” als noordgrens - hebben gehad. Maar de gebieden ten
werd het jaar 1558 gekozen, omdat toen ”de heerlijkheid oosten van de Maas zouden hem van rijkswege zijn
Geleen” werd opgericht. In werkelijkheid bracht die ontnomen en kort vóór 1190 aan de graaf van Gelder zijn
oprichting zelf weinig of geen verandering in het dagelijkse toegewezen <Msg 1958, 97-106>. Die zienswijze vond steun bij
leven van de gewone Geleners. Dat jaar kan evenwel ook om PANHUYSEN <Akadem, 72-73> en JAPPE ALBERTS <Alberts 1972, 47;
andere redenen als de vrij geschikte afbakening van een 1978, 50>.
geschiedkundige periode worden gekozen. Kort tevoren Uit dat bezit kan echter niet zonder meer worden geconclu-
waren immers de eigenlijke Middeleeuwen door gods- deerd, dat Geleen ooit tot het graafschap Loon zou hebben
behoord. Evenmin kan men op grond van het bezit door de
graaf van Gelder besluiten, dat Geleen ooit onderdeel van
het graafschap Gelder zou hebben uitgemaakt. Afgezien van
het feit, dat de goederen van die graaf te Dieteren, Wehr en
Geleen buiten zijn eigenlijke graafschap lagen, schijnt toen

69

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 70

ook slechts de oudste kern van Geleen, nl. de Hanenhof met In een aantekening uit 1787 werd de in 1252 geschonken
de daarbij behorende gewande, aan de graaf van Gelder te tiende vereenzelvigd met de tiende, die de kloosterlingen van
hebben toebehoord. Op dit probleem zal in verband met de Reichenstein genoten van 33 bunders, waarvan 23 bunders
patronaats- en collatierechten te Geleen nader worden tot de gewande van de Hanenhof behoorden <PAG>. Dit
ingegaan. komt aannemelijk voor, want daardoor zou de oorsprong
van dit bezit door Reichenstein worden verklaard. Tevens
Geleen was nooit een onderdeel van de zou dit inhouden, dat ridder Reinhardus of Reinaldus de
heerlijkheid Sittard eigenaar - en misschien bewoner - van de Hanenhof was.
Wij beschikken echter over geen enkel gegeven om dit te
Walram de Lange, zoon van Walram III van Limburg, was bevestigen, want onze betrouwbare informatie over de
Heer van Monschau en Sittard <Ernst VI, 8. - Schopp, 118, nota 14>. adellijke families, die later in verband met die Hanenhof
Nadat hij in 1242 was gesneuveld, kwamen beide heerlijk- optraden, reikt niet zo ver in de tijd terug.
heden aan zijn zoon Walram, die men als ”de Goede” of ”de Wat ook het geval moge zijn geweest, uit die oorkonde blijkt
Vrome” van zijn vele naamgenoten kan onderscheiden. niet, dat Walram van Monschau toen enig grondgebied
Tezamen met zijn moeder Elizabeth verleende hij in 1243 binnen het kerspel Geleen bezat of daar enige autoriteit
stadsrechten aan Sittard <Jansen, 4-6. - PSHAL 1876, 110-123. - uitoefende. En zelfs als dit laatste wel het geval zou zijn
SittardHG, 20-24. - Luyn, 9 en 50>. In 1251 huwde hij met Jutta van geweest, zou daaruit nog geenszins volgen, dat Geleen toen
Ravensberg. een onderdeel van de heerlijkheid Sittard zou hebben
De bewering, dat Walram van Monschau, zijn moeder uitgemaakt.
Elizabeth en zijn echtgenote Jutta op 21 mei 1251 ”de hof
en de tienden van Lutterade” aan het klooster van Geleen onder de Heren van Valkenburg
Reichenstein zouden hebben geschonken <HJLvZ 1995, 122>, is
niet alleen ongefundeerd - de auteur gaf geen bron op en een Het vroegste rechtstreekse bewijs, dat het kerspel Geleen tot
oorkonde van die datum met die inhoud is ons niet bekend - de heerlijkheid Valkenburg behoorde, staat in een oorkonde
maar is ook met de historische feiten in strijd. Zij berust van 1257. Dirk II, die van 1229 tot 1268 Heer van
wellicht op een verkeerde interpretatie van de inhoud van Valkenburg was, verbleef in genoemd jaar in Geleen en liet
een oorkonde van 10 mei 1252. de overdracht van daar gelegen goederen aan het klooster van
In deze laatste - zich in het stadsarchief van Monschau Villers [Villers-la-Ville bij Brussel] door tussenkomst van
bevindende en door LACOMBLET <Lac II, 204-205, met verkeerde zijn voogd en de schepenen van Geleen uitvoeren; die voogd
spelling Kelencke> gepubliceerde - oorkonde schonken Walram, was zijn vertegenwoordiger ter plaatse <Ernst VI, 18-19>.
zijn moeder Elizabeth en zijn vrouw Jutta aan de norberti- Aangezien dit in 1257 als een reeds eerder bestaande situatie
nessen van Reichenstein decimam curie in Keleneke militis werd voorgesteld, kan de inlijving van het kerspel Geleen bij
Reinhardi eiusdem ville in Keleneke, d.w.z. ”de [of een] tiende de heerlijkheid Valkenburg vroeger worden geplaatst.
van de in Keleneke gelegen hoeve van ridder Reinhard in In dit verband kan tevens naar een paar andere oorkonden
hetzelfde dorp Keleneke”. Ofschoon hier klaarblijkelijk ons worden verwezen, waaruit blijkt dat toen ook naburige
Geleen werd bedoeld, weten wij noch wie die ridder plaatsen al [geheel of ten dele] aan de Heer van Valkenburg
Reinhard was noch waar diens hoeve lag. Vermoedelijk was toebehoorden. Zo sprak diezelfde Dirk II in 1241 en 1247
hij identiek met ridder Reinaldus de Glene, die in een andere van zijn voogd te Beek <Franquinet 1877, 10. - Grauwels 1966, 7> en
schenkingsakte uit 1252 - in verband met de kloosterhoeve bezat zijn grootvader Gozewijn IV in 1202 niet alleen een
van Krawinkel - werd genoemd <RAB-AEB nr. 10969>. grote hoeve onder Munstergeleen maar ook de helft van het
Omdat het klooster Reichenstein later verscheidene tienden patronaatsrecht aldaar <Franquinet 1877, 1-3. - M’geleen, 136>.
te Geleen bezat, zal men misschien geneigd zijn om de In 1268 werd Dirk II door zijn zoon Walram de Rosse als
voorkeur te geven aan de grote hoeve van Lutterade, die Heer van Valkenburg opgevolgd. Circa 1280 werd deze ook
eveneens in het bezit van dat klooster zou geraken. Doch in Heer van Sittard <HJLvZ 1983, 39-51. - Luyn, 51-52>. Walram de
1252 was die hoeve nog steeds het eigendom van de Heer Rosse werd in 1302 door zijn zoon Dirk III opgevolgd. Na
van Valkenburg en haar overdracht aan Reichenstein zou pas het vroege overlijden van deze laatste († 1305) werd zijn
in de veertiende eeuw plaatshebben. broer Reinoud Heer van Valkenburg († 1333); hij werd door
Ook de bewering van ERNST, dat Walram en Elizabeth op 10 zijn zonen Dirk IV (1333-1346) en Jan (1346-1352)
mei 1252 de tienden van de parochie Geleen aan opgevolgd. De laatstgenoemde werd evenwel niet Heer van
Reichenstein zouden hebben geschonken <Ernst VI, 15>, wordt Sittard, want die heerlijkheid was in 1338 door Dirk IV
niet door de inhoud van die oorkonde gesteund en kan al overgedaan aan zijn oom Jan, die reeds in 1321 Heer van
evenmin op historische gronden worden aanvaard. De Born en in 1334 Heer van Susteren was geworden. Zowel
tienden van de parochie Geleen behoorden immers van Dirk IV als diens broer Jan overleden kinderloos.
oudsher aan de pastoor van Geleen en konden niet aan In 1354 verkocht hun zuster Philippa de heerlijkheid
derden worden geschonken. Valkenburg aan Reinard van Schoonvorst. Aangezien Jan

70

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 71

van Valkenburg, Heer van Born en Sittard, de heerlijkheid
Valkenburg voor zich opeiste, verkocht genoemde Reinard
ze aan de graaf van Gulik. Op 25 december 1356 werd die
graaf door de Duitse keizer tot hertog bevorderd en werd de
heerlijkheid Valkenburg tot graafschap verheven. Omdat Jan
van Valkenburg († 1356), Heer van Born en Sittard, en zijn
zoon Walram het graafschap Valkenburg met geweld bezet
hielden, droeg de hertog van Gulik zijn rechten aan de
hertog van Brabant over. Pas na de dood van genoemde
Walram (1378) stond diens broer Reinoud alle aanspraken
op Valkenburg aan de hertog van Brabant af <PSHAL 1869, 100-
101. - VdVenne, 74-115>.

De vier ”Landen van Overmaas” Plattegrond van Oud-Geleen circa 1800. De dubbele donkere
onder de hertogen van Brabant en Bourgondië zuid-noord lopende lijn rechts is de Geleenbeek. De enkele
donkere van beneden (op ongeveer een vierde van links) naar
De hertogen van Brabant verwierven niet alleen het graaf- het centrum lopende lijn is de Keutelbeek. In het midden loopt
schap Valkenburg maar ook het hertogdom Limburg, de de Pieterstraat uit het zuiden naar het centrum. In dat centrum
heerlijkheid Rode, met als hoofdplaats ’s-Hertogenrade (thans het Wilhelminaplein) is de dorpspoel getekend. Duidelijk
[thans Herzogenrath, D.], en de heerlijkheid Dalhem, met is de vroegere weg van de Pieterstraat - uit het midden naar
als hoofdplaats Dalhem ten zuidoosten van Visé (B.). Vanuit rechtsonder - in de richting van Ten Eijsden aangegeven. Vanuit
Brabant gezien lagen die vier gebieden ”over de Maas”; van- het centrum loopt de Peschstraat naar rechts (oost) en splitst dan
daar dat zij voortaan gezamenlijk als de ”Landen van in twee takken. Daar begint ook de Dorpstraat (Marcellien-
Overmaas” werden aangeduid. straat) om bij de kerk een bocht naar links (west) te maken en
In februari 1387 stond Johanna van Brabant al haar in de Eindstraat haar voortzetting te vinden. Bij de overgang
domeinen in de Landen van Overmaas af aan Filips van van de Dorpstraat in de Eindstraat begint de Jodenstraat, die
Bourgondië. Na nog enige transacties met hem te zijn een bocht om de kerk en de oude pastorie heen maakt. Het grote
aangegaan, gaf zij in 1396 ook het restant van haar rechten vierkante gebouw in de rechterbovenhoek is Abshoven.
in die gebieden op ten gunste van genoemde Filips <LimVerl II, Linksdaaronder ligt Huize Koekamp <Tranchotkaart>.
56>. Daarna bleven ook de afstammelingen van deze hertog
de soevereinen in deze regio. De ”dorpsstraten”
De Jodenstraat lijkt aanvankelijk slechts de toegangsweg van
2. Ontwikkeling van het kerspel Geleen de Hanenhof tot die interlokale weg [Marcellienstraat-
Eindstraat] door Oud-Geleen te zijn geweest; die indruk
De groep huizen en boerderijen bij de kerk van Oud-Geleen wordt versterkt door het feit, dat volgens J. RUSSEL in de
bleef eeuwenlang de kern van het kerspel Geleen. Daarnaast negentiende eeuw een verhard verlengstuk van de Joden-
ontstonden op de oevers van de beide beken en in het straat in de Hanenhofsweiden zou zijn gevonden <Russel 1860,
[vroegere] Graetbos nog meer nederzettingen. Van deze 36>. Langs de zuidzijde van de Jodenstraat lagen er vóór de
groeiden een paar tot gehuchten of dorpen uit, terwijl zestiende eeuw geen gebouwen, omdat de daar gelegen
andere alleenliggende boerderijen bleven. Aangezien Daniken percelen ofwel tot de Hanenhof behoorden ofwel kerkgoed
pas later bij de heerlijkheid Geleen blijkt te zijn gevoegd, waren. De weiden van de Hanenhof strekten zich toen nog
dient dit gehucht apart te worden besproken. tot aan het kerkhof uit, terwijl de tuin en de weide van de
pastorie het noordwestelijke deel van het kerkplateau
Het middeleeuwse dorp [Oud-]Geleen besloegen.
Pas rond het midden van de zestiende eeuw werd door Johan
Zoals wij zagen, moet de vroegste kern van het middel- Beltjens van de Hanenhof een huis vlak aan het kerkhof en
eeuwse Geleen op het kerkplateau worden gezocht. Voor zeer dicht bij de oude pastorie gebouwd <Kreijns 1991, 158>. Dit
zover wij weten, lagen daar tot in de zestiende eeuw geen werd later de woning van Willem de Gavarelle en stond in
andere gebouwen dan de Hanenhof, de kerk en de pastorie.
De vroegste vorming van een dorp moet aan de vóór de kerk
passerende interlokale weg - de Marcellienstraat en haar
zuidelijk verlengde, de Pieterstraat - worden gezocht.
Vandaar dat het patroon van Oud-Geleen toen grotendeels
een ”lintbebouwing” vertoonde <Dorp, 15>.

71

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 72

De Dorpstraat (Marcellienstraat) vanaf de ”Dörpsbrök” in de wanneer daar het eerste gebouw werd opgetrokken. Als ook
richting van de kerk circa 1894. Het eerste huis rechts, met een dat stuk eertijds kerkland is geweest - zoals uit de geografi-
leiboom tegen de zijgevel, werd kort daarna door nieuwbouw sche situatie kan worden vermoed - kan aan die eerste
(Kentgens) vervangen. Het witte huis op de achtergrond in het woning ter plekke geen al te vroege oorsprong worden
midden, dat uit 1728 dateerde, werd in 1906 door het huis toegekend.
Eussen vervangen <Foto J. Houben s.j.>. De vroegste dorpsvorming heeft waarschijnlijk langs het
tussen de kerk en de Keutelbeek gelegen stuk van de
de eerste helft van de twintigste eeuw als het Ramakershuis Marcellienstraat plaatsgehad. Woningen in de Pieterstraat en
bekend. Aan de noordzijde van de Jodenstraat kunnen al de Peschstraat lijken latere uitbreidingen van de vroegste
vroeg enige woningen van arbeiders of laten van de kern te zijn geweest, terwijl in een nog latere periode
Hanenhof hebben gelegen. woningen langs de Eindstraat werden geplaatst. Ten aanzien
Ook het tussen de kerk en de Jodenstraat gelegen bovenstuk van de Marcellienstraat en haar zuidelijke en noordwestelijk
van de Marcellienstraat schijnt pas vrij laat bebouwd te zijn verlengden schreef men in 1589: ”T’dorp die hehrstraet op
geworden. Ter plaatse van het geboortehuis van de schrijver ende neder onderhalf roede [= 5,65 m] wyt, met den
lag in de eerste helft van de zeventiende eeuw wel een huis hongerstraeten [= Ridder Vosstraat] tot in ’t velt op den
met aan weerszijden weiden, maar het is niet bekend haesepaeter wegh” <Msg 1911, 35>.
Langs de [later aldus genoemde] Eindstraat lagen vele
eeuwen lang geen woningen, want het dorpsputvalderen lag
ter plekke waar de Eindstraat [vanaf de Jodenstraat] begon
en zo’n valderen werd steeds aangebracht waar de bewoning
eindigde. In de Eindstraat lieten de hoge straatvensters van
de oudste (ons) bekende woningen, de steil oplopende ”luif”
langs de zijkant van die huizen en de hoge ligging van de
daarachter gelegen tuinen en weiden er geen twijfel over
bestaan, dat die straat eertijds een holle weg was.
In het centrum van Oud-Geleen moet de huidige Pastoor
Vonckenstraat worden weggedacht; zoals wij zagen dateert ze
pas uit de jaren twintig van de twintigste eeuw en heeft ze de
Hoog Steeg vervangen. Bij het aanleggen van die bredere
straat werd het grote huis van de gezusters Smeets in het
centrum, d.w.z. aan de westzijde van de Marcellienstraat,
vlak naast het begin van de Hoog Steeg, afgebroken. Wel
dient men daar de Keutelbeek te plaatsen, die thans onder
het Wilhelminaplein stroomt, maar eertijds - na over een
korte afstand langs de Hoog Steeg te hebben gelopen - in het
centrum uitkwam en na onder de dorpsbrug [tussen de
Dorpstraat en de Pieterstraat] door te hebben gestroomd
vlak vóór de Peschstraat in de dorpspoel uitliep.
Uit opgaven van pastoor Leurs blijkt, dat de Pieterstraat, die
aanvankelijk slechts tot aan het Gasthuisvalderen [ter hoogte
van de Dohmenstraat] liep, in de eerste helft van de zeven-

Het oostelijke begin van de Eindstraat in de richting van de De Pieterstraat vanaf de dorpsbrug (vooraan rechts) van noord
kerk circa 1920. Het hoge straatraam van het eerste huis rechts naar zuid gezien circa 1900. Rechts de (half weergegeven) gevel
herinnert aan het feit, dat de Eindstraat eertijds een holle weg van het hoekhuis uit 1753, een van de weinige thans nog
was. Tussen het eerste en het tweede huis liep een pad omhoog aanwezige details <Reconstructie door P.A. Schols>.
naar de ingang van het eerstgenoemde. De ingang tot het tweede
huis, dat geheel in vakwerk was opgetrokken, werd via de
ernaast gelegen poort bereikt. Links de bierbrouwerij
Schrijnemakers op de hoek Dorpstraat (rechts) - Jodenstraat
(links) <Schilderij F. Overing>.

72

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 73

tiende eeuw nog niet was volgebouwd, m.a.w. er waren nog Wegens de vochtige terreingesteldheid moet de vroegste
flinke hiaten tussen de huizen. In 1569 schreef men, dat bewoning langs de drogere zuidzijde van die straat worden
”den wech van den Gasthuyss valderen”, d.w.z. de noorde- gezocht. Ook om een andere reden moet die zuidelijke
lijke helft van de huidige Pieterstraat, twee roeden [= 7,53 bewoning als de vroegste worden beschouwd. Er zijn name-
m] breed was, maar dat de weg, die vanaf dat valderen in lijk duidelijke aanwijzingen, dat de gewande van de
zuidelijke richting liep, slechts één roede [= 3,767 m] breed Hanenhof zich eertijds tot aan de noordoever van de
was <PSHAL 1898, 337>. Bijgevolg sloot dat valderen slechts een Keutelbeek uitstrekten <AKA B III 5 bis> en dat de langs die zijde
wegbreedte van één roede af. Niet alleen wordt die situatie van dat beekje gelegen terreinen als laatgoed aan andere
op oude kaarten weergegeven, maar zelfs thans nog kan men Geleners werden afgestaan om er hun huizen te bouwen. Op
een overblijfsel van het verschil in breedte tussen die door 5 maart 1763 kocht de priester Arnold Hittorf, voor 950
het valderen gescheiden wegdelen zien in de hoek tussen de gulden, van de erfgenamen van Martin Penris, een huis met
oudere boerderij [voorheen huis Albert Pelssers] en het tuin [tezamen 611/2 roede], die tussen de Keutelbeek en de
ernaast gelegen jongere café. vloedgraaf [ten zuiden langs de Hanenhofsweide] lagen. In
Daar het woord pesch uit het Latijnse pascuum [= weide- de koopakte werd bepaald, dat de nieuwe bezitter - naast het
plaats] is ontstaan <Dittmaier, 222-225>, wijst de naam van de leveren van een jaarlijks vat haver aan prins de Ligne en een
Peschstraat - in de volksmond de Pesj - op weidegrond; ook molter zaad aan de kerk - van dat ”laatgoed” elk jaar aan de
in naburige plaatsen, zoals Puth en Sweikhuizen, komt dat erfgenamen van drossaard Van den Stock, die toen in het
toponiem in die betekenis voor. Derhalve zal daar de bezit van het aangrenzende gedeelte van de gewande van de
huizenbouw pas in een later stadium hebben plaatsgehad. vroegere Hanenhof waren, moest leveren: drie koppen rogge,
Bovendien is er de grond - zoals bij de tweede verlegging van een halve kapoen, een kip, een ei en een vierde steen vlas.
de beek [in de jaren twintig] is gebleken - erg drassig. Een onmiskenbaar teken van het vroegere behoren van dat
Aanvankelijk was de Peschstraat breder dan thans; in een terrein tot de gewande van de Hanenhof was het feit, dat de
wegenbeschrijving van 1589 staat: ”Item op den pesch twee erfgenamen Van den Stock ook nog recht hadden op een
roeden [= 7,53 m] wyt, langhs de hoeffreyden [= erven], zesde deel van een levende keurmede, dat elke nieuwe
ende te midden eenen voerwegh wyt genoecht” <Msg 1911, 34>. eigenaar van dat huis en die tuin [waarschijnlijk in geld]
Tot aan zijn eerste verlegging circa 1900 liep het beekje vlak verplicht was te leveren.
langs de huizen aan de noordzijde, die aanzienlijk verder In oostelijke richting splitste de Peschstraat zich reeds vroeg
noordwaarts dan hun huidige plaatsvervangers lagen <GOA II, in een noordelijke en een zuidelijke tak. Over de noordelijke
30>. Ten gevolge van de zuidwaartse verlegging van de beek- tak schreef men in 1589: ”Noch sal eenen wech gaen over
bedding (circa 1900) werd de Peschstraat smaller <Oud-Geleen, den pesch langhs de Beeck omme, ende onteghen ’s Haenen
48-49>. hoff langs de Geleen al tot in ’t velt” <Msg 1911, 34>. Die weg
stond dus niet in rechtstreeks verband met de brug bij het
De Peschstraat gezien in oostelijke richting in 1923. Op de latere Huize Koekamp, maar boog vlak vóór die brug naar
achtergrond, bij het wegkruis vóór het complex Otten splitst het noorden om vanaf die plek tussen de Geleenbeek en de
deze straat zich in een noordelijke en een zuidelijke tak. De Hanenhofweide naar het veld ten noorden van de dorpskern
laatste begint achter de heg, die vóór het huis Baggen staat te lopen. Het verloop van die weg langs de beek en om de
(midden). De huizen links staan aanzienlijk dichter bij de Hanenhof heen staat hoogstwaarschijnlijk met een vroegere
straat dan de aan weerszijden ernaast gelegen [hier niet zicht- molen aldaar in verband.
bare] oudere huizen. Ook ligt het bed van de Keutelbeek [links] Voor een goed begrip van de vroegere situatie dient men de
hier verder zuidwaarts dan haar oud bed. Een paar jaren later tegen het einde van de negentiende eeuw aangelegde Geleen-
zou het beekbed naar het midden van de straat verlegd en se deel van de spoorweg Heerlen-Sittard met zijn hoge dijk
overkluisd worden <Ansichtkaart>. weg te denken. Vlak langs de Geleenbeek lag wel een
landrug - die in oude stukken als ”de Berg” voorkomt - maar
de beide takken van de Peschstraat, die aan weerszijden van
die landrug aan de Geleenbeek uitkwamen, liepen voorheen
niet omhoog naar de spoordijk, zoals thans nog het geval is;
de zuidelijke tak, ook Molenweg genoemd, was zelfs -
althans ten dele - een holle weg.

De vroegere graanmolen bij de Hanenhof
Watermolens waren reeds aan de Romeinen bekend en in de
Middeleeuwen werden ze op grote schaal in steden en bij
praktisch alle aan stromend water gelegen kloosters
aangelegd. Op het platteland werden watermolens niet door
de gemeenschap maar door adellijke personen opgericht.

73

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 74

Voor de gemeenschap was dit blijkbaar een te zware jurisdictie van de Heer van Valkenburg viel. Hij was immers
financiële opgave, terwijl een molen voor de welgestelde niet de eigenaar van de Hanenhof, terwijl Daniken, waar
bouwer een winstgevende investering was <Danckert, 126-127. - [later] een molen lag, destijds nog niet tot Geleen behoorde.
White, 80-84. - Gimpel, 1-24. - Gies, 34-35, 48-49, 113-114>. In zijn meetboek van 1676 schrijft Jan Bollen de oude, dat
de ”reijn” tussen Munstergeleen en Geleen door een weide
van Abshoven liep tot aan de Geleenbeek, waar ”die oude
muelen tegens die straet gaende naert Veltvalderen” lag of
had gelegen <GAG nr. 1>. Dat was een plek op de westelijke
oever van de Geleenbeek tegenover [het toen nog niet
bestaande] Huize Koekamp. Een Sittards archiefstuk blijkt
dit te bevestigen; in een ongedateerde omschrijving van
wegen, voetpaden en watergangen staat o.a. dat de
Geleenbeek in haar bovenloop tot de oude molen achter de
Hanenhof... [en verder] tot in Sittard aan het Steijnen
Meurken 1 ro(e)de breed moest zijn <SAS nr. 747. - MM 21-7-
1993>. Daarmee kan noch een der molens van Munstergeleen
noch die van Daniken bedoeld zijn geweest.
Het lijkt trouwens voor de hand te liggen, dat de Hanenhof,
die de oudste kern van Geleen uitmaakte, reeds vrij vroeg
een eigen molen ter beschikking zal hebben gehad. Ook zou
de ligging van een molen op die plaats het zojuist besproken
openbare wegenverloop tussen de Hanenhof en de Geleen-
beek nader verklaren; langs die wegen kon men zo’n molen
immers zowel via de Peschstraat als via de Jodenstraat
bereiken. Tenslotte werden op die plaats - bij de kanalisatie
van de Geleenbeek in de jaren dertig - oude paalresten
gevonden, die destijds als overblijfsels van een vroegere brug
werden beschouwd. In de negentiende eeuw heeft daar of
vlakbij die plek inderdaad een brug naar Huize Koekamp
gelegen, maar door die archivalische gegevens komen die
resten wellicht in een nieuw licht te staan.

Het ”Kwaad Gat” vanaf het zuidoostelijke einde van de De overige wijken van het kerspel Geleen
Bergstraat, dat vroeger een onderdeel van de Molenstraat was,
langs de molenafslag (links) naar de vroegere graanmolen van Naast het hierboven besproken moederdorp ontstonden
Daniken <Foto H. Smeets, 1977>. binnen het kerspel Geleen nog meer nederzettingen.

Ofschoon een in 1296 vermelde molen te Munstergeleen en Beekhoven in de zomer (vóór 1945). De Kinkenweg gezien in
een al circa 1200 vermelde molen bij Sint-Jansgeleen binnen westelijke richting; bij de dikke boom in het midden kruiste die
het bereik van de Geleners lagen <Ernst VI, 40. - M’geleen, 125-126, weg de Steeg (Norbertijnenstraat) <Tekening P.A. Schols>.
324-326. - St.Jansgel, 145-161>, zullen deze laatsten toch reeds vroeg
de behoefte aan een eigen graanmolen hebben gevoeld. De
vroegste geschiedenis van de Geleense molen(s) is echter in
het duister gehuld. In de oorkonde van 1285, waarbij de
Heer van Valkenburg de plaatsen Geleen, Brunssum en
Jabeek aan de graaf van Namen overdroeg, werden zijn
bezittingen en rechten in die drie plaatsen opgesomd. Bij
Brunssum en Jabeek was er sprake van twee molens, maar in
verband met Geleen werd niet van een molen gerept. Toch
volgt daaruit niet, dat de Geleners toen geen eigen molen ter
beschikking zouden hebben gehad. Er kan toen in of vlak bij
Geleen best een molen hebben gelegen, die niet onder de

74

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 75

Het gehucht Beekhoven schoonzoon Willem Hamers. Op 11 april 1639 kwam het
De Beekhoverstraat bewaart de herinnering aan een neder- aan Willem Genders, zoon van Daem Penris van
zetting, die eertijds ten noorden van die straat aan de Beeckhoven, op 23 oktober 1685 aan Martin Banens en op
Keutelbeek lag. Het huidige verloop en de hedendaagse 23 augustus 1704 aan Jan Bollen de oude. Vervolgens ging
naam van die straat zijn in dat opzicht enigszins misleidend. het op diens zoon Jan Bollen de jonge over en op 31 juli
Het westelijke gedeelte van de Beekhoverstraat was eertijds 1751 kwam het in bezit van Reinier Dullens <PSHAL 1929,
het verlengde van de Groenstraat, terwijl haar oostelijke 158>.
gedeelte van vrij recente datum is. Voorheen was het zuide- Al wijst de versie Beeckhoven niet noodzakelijkerwijze op een
lijke gedeelte van de Norbertijnenstraat de eigenlijke meervoud, toch schreef RUSSEL, ”dat in 1615 nog meerdere
Beekhoverstraat. Als de Geleners van Bèèkeve spraken, huizen gelegen waren te Beekhoven” <Russel 1860, 40>. Dat
bedoelden zij daarmee een terrein ten oosten van de zuide- blijkt ook uit de meetboeken Bollen (circa 1700), waarin de
lijke helft van de huidige Norbertijnenstraat. De vroegere ”huijsplaetsen tot Beeckhoven” van de families Paes,
nederzetting Beekhoven dient dan ook tussen de huidige Crousen en Bollen [voorheen Penris] vermeld staan. Tevens
Beekhoverstraat, Norbertijnenstraat en Van Itersonstraat aan staat in een meetboek Bollen ”Houb Martens sijne huijs-
de Keutelbeek te worden gelokaliseerd. plaetse tot Geleen genaemt den Boeterpot”, en op 1 juni
In 1257 trad Noul van Bekehove in verband met Geleen op 1754 overleed ”Lisbeth Martens uit de Boterpot”. De
<Ernst VI, 19> en in 1272 werden Christianus van Bechove en Boterpot lag tussen de Pieterstraat en Beekhoven; misschien
Truden van Bechoven in verband met de kloosterhoeve van heeft de woning Martens eveneens tot het laatstgenoemde
Krawinkel vermeld <AHEB 1907, 163 en 348>. Uit een [verloren gehucht behoord. Daar in 1768 een Anna Vromen te
gegane] oorkonde van 1264 blijkt, dat ”de onder Geleen Beekhoven overleed, is die nederzetting zeker tot in dat jaar
gelegen hof Beekhoven” toen aan ridder Dirk II van blijven voortbestaan. Maar niet lang nadien moeten de
Schinnen toebehoorde <LibFest, 64. - St.Jansgel, 28-29>. In 1534 gebouwen verlaten en vervallen zijn. Het is mij niet bekend
werd genoteerd dat voorheen 151/2 bunder land ”Beeck- of bij de vrij recente huizenbouw ter plaatse sporen van die
hovener goet gelegen te Geleen” achtereenvolgens te vroegere nederzetting aan het licht zijn gekomen.
Schinnen verheven waren door Willem, Stas, Johan en
Hermen van Beeckhoven. Die vier personen zullen wel met
elkaar verwant zijn geweest, maar het is niet zeker, dat de
opvolging telkens van vader op zoon plaatshad.
Het Schinnense leengoed Beekhoven schijnt in de eerste
helft van de zestiende eeuw aan Andries Haven te zijn
gekomen. Op 5 januari 1534 werd het in naam van diens
onmondige kinderen door een mulder van Daniken
verheven. Daarna kwam het in het bezit van de Geleense
secretaris Sander van den Hove en na hem in dat van zijn

Beekhoven in de winter, na 1945. Zicht vanaf het perk tussen Plattegrond van Lutterade circa 1800. Uit de rechter boven-
de beide takken van de Norbertijnenstraat (”de Lòng”), waarop hoek leidt de Onderste Dorpstraat (Geenstraat) naar het
het naoorlogse kapelletje staat, via de Kinkenweg in de richting centrum. De aan die straat, ongeveer in een driehoek rond een
Daniken <Tekening P.A. Schols>. grote binnenplaats, gelegen gebouwen vormen het complex van
de ”Lutteraeder Hoff”. Rechts (noordoost) daarvan ligt het
vroegere huis Gadé ”Op de Vuling”. Links naast ”de Hoff” ziet
men het ”Drossaardhuis” met een (links ernaast gelegen) tuin-
plan. Van midden rechts leidt de Groenstraat naar het centrum.
Bij ”de Linde”, waar de Onderste Dorpstraat uitkomt, begint
de Bovenste Dorpstraat (Tunnelstraat); zij loopt in het weste-
lijke verlengde van de Groenstraat. De van noord naar zuid
(links) in een bocht gelegen woningen en boerderijen liggen
”aan de Hei”. Daar zijn eveneens een aantal poelen te zien. De
tamelijk rechte, zuid-noordlopende, weg geheel links is de in de
Franse tijd aangelegde Napoleonbaan <Tranchotkaart>.

75

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 76

Het dorp Lutterade Was de grote hoeve de oorsprong van het dorp Lutterade?
De vroegste vermeldingen van het toponiem Luttelrode Volgens RUSSEL zou de grote hoeve van Lutterade de
dateren uit 1373 <Grauwels, nr. 256> en 1377 <Franquinet, OLV II, oorsprong van het dorp zijn geweest <Russel 1860, 39>. Dit kan
299>. Vermoedelijk werd daarmee in beide gevallen het dorp evenwel niet zonder meer worden bevestigd. Afgezien van
aangeduid. Nochtans kan aannemelijk worden gemaakt, dat het feit, dat de hoeve niet de eigenlijke kern van het dorp
die naam oorspronkelijk aan de hoeve werd gegeven en Lutterade scheen uit te maken, lag ze ook op een vrij grote
daarna van de hoeve op het dorp overging. afstand van de Groenstraat, die de drenkstraat voor dat dorp
Op de eerste plaats zijn in Zuid-Limburg heel wat gevallen was. Op oude kaarten kan wel worden vastgesteld, dat de
van de uitbreiding van hoevenamen tot gehuchts- of dorps- hoeve en het dorp door tussenliggende huizenbouw [in het
namen aan te wijzen. Ook zou het vreemd zijn om het zuidwestelijke verlengde van de Geenstraat] met elkaar
gebied van het hele dorp Lutterade ”kleine rode” te noemen. verbonden waren; maar het is niet bekend of die verbinding
Verder bevat dat eerste lid Luttel- [= Klein] impliciet een tot de vroegste ontwikkeling heeft behoord.
vergelijking met een ”grote(r) rode”. Daar gerust mag
worden aangenomen, dat de plaatsnaam Luttelrode in de De Dorpstraat (Tunnelstraat) te Lutterade, vanaf de spoorweg-
mond van Geleners is ontstaan, lijkt het voor de hand te overgang bij het station in westelijke richting gezien, in 1907.
liggen, dat zij met dat [impliciete] ”grotere rode” een ander Rechts van de man bij de door een paard op een slede getrokken
Geleens rode beoogden. Welnu, het enige ons bekende eg staat een overdekt crucifix. Daar stond in vroeger tijden een
Geleense rode, dat hiervoor in aanmerking komt, is het lindeboom; vandaar dat die plek gedurende vele generaties
vroegere [hierna nog te bespreken] Heimstenrode tussen ”Aan de Linj” werd genoemd. Daar kwam het zuidwestelijke
Munstergeleen en Ophoven; ook dit was geen dorp of stuk van de ”Onderste Dorpstraat” (Geenstraat) op de ”Bovenste
gehucht maar een alleen liggende grote hoeve. Uit het feit, Dorpstraat” uit. Hier was eeuwenlang het centrum van het
dat notaris J. M. Luijten in 1789 Lutterae schreef, valt af te dorp Lutterade <Ansicht>.
leiden, dat de plaatselijke uitspraak toen reeds Lötterao
luidde.
De bewering van RENES, dat het dorp Lutterade door het
geleidelijk verder splitsen van een boerderij zou zijn
ontstaan, berust op een verkeerde interpretatie van de door
HEKKER verschafte bouwgeschiedenis van een sedert de
zeventiende eeuw ontstane complex aan de vroegere
Putstraat <BKNOB 1965, 25-34. - Renes, 159>. [Voor de bouw en
afbraakgeschiedenis van dat complex: zie hoofdstuk X in
deel II.]

”Innerer Hof” of binnenplaats van het door de Duitse De beide Lutterader Dorpstraten en de Groenstraat
congregatie der ”Arme Dienstmägde Jesu Christi” gestichte De huidige Geenstraat werd vroeger Onderste Dorpstraat
klooster aan de Geenstraat. De donkere bakstenen en de ramen genoemd; in de context van andere geografische, historische
met hardstenen omlijsting (en houten luiken) in de linkergevel en toponymische gegevens maakt zij de indruk eertijds een
zijn resten van de grote hoeve van Lutterade. Boven de ingang weg langs het Graetbos te zijn geweest. In de negentiende
stond vroeger een steen met het jaartal 1764. Bij het eeuw werd de Onderste Dorpstraat in Geenstraat omgedoopt,
bombardement van 5/6 oktober 1942 werd dit complex omdat de vroede vaderen de aantekening ”Geen Straat”
verwoest. [dialect: ”Gen Sjtraot” = de straat] van een landmeter
verkeerd begrepen. Na een bocht in zuidwestelijke richting
- ten westen van het latere spoorwegstation - te hebben
gemaakt, kwam zij bij ”de Linde” uit; in onze tijd werd ter
plekke het [thans weer verdwenen] Graalhuis gebouwd. Bij
de Linde begon in westelijke richting de Bovenste Dorpstraat.
Wegens haar westelijk verloop naar de Graetheide kan die
straat eveneens als een oorspronkelijke veeweg worden
beschouwd.
In het rechtstreekse oostelijke verlengde van de Bovenste
Dorpstraat lag [ligt] de Groenstraat. In een document uit
1589 staat: ”den wegh van Beeckhoven vuytter beecken
[= Keutelbeek] door de Groenstraet tot Luttelrae aen de

76

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 77

linde eene roede [= 3,767 m] wyt” <Msg 1911, 34>. Later werd uitbreiding in die richting. Vandaar dat de huizenbouw in
de Bovenste Dorpstraat zonder meer Dorpstraat genoemd. een later stadium grotendeels plaatshad langs noord-zuid-
Na het graven van de Julianatunnel werd die [verlengde] straten, die min of meer parallel met dit wallenstelsel liepen.
Dorpstraat tot Tunnelstraat omgedoopt. Aldus kreeg dat dorp een T-vorm. De zuidelijke zijweg van
de Bovenste Dorpstraat werd in de volksmond Weg op de
Bovenste Heide of Heikant links genoemd, terwijl de noorde-
lijke zijweg als Weg op de Onderste Heide of Heikant rechts
werd aangeduid. Wegens aldaar gelegen putten werden ze
later officieel respectievelijk Waterstraat en Putstraat
genoemd. Uit eenzelfde ontlening ontstonden de namen
Onderste Putsteeg [thans Johan Evertsenstraat] en Bovenste
Putsteeg, de eerste ten noorden en de tweede ten zuiden van
en beide parallel met de Bovenste Dorpstraat [= Tunnelstraat]
lopend.

De Groenstraat in westelijke richting gezien in 1931. Rechts
staat een puthuisje. Op de voorgrond wordt die straat thans
door de Henri Hermanslaan doorsneden <Linoleumsnede door Jacob
van Hoof naar een tekening door P.A. Schols>.

De zienswijze van RENES, dat Lutterade langs een of meer Put op de hoek van de Waterstraat en de Bovenste Putsteeg te
veestraten of veedriften van Geleen naar de Graet Lutterade. Hij stond voor het huis van het echtpaar Sassen-
[= Graetbos] ontstond en dat de uitbreiding van die neder- Sassen <Tekening P.A. Schols, 1930>.
zetting de verschuiving van de grens tussen de gecultiveerde
gronden en de weidegronden van de Graet [in westelijke De vroegst bekende put van Lutterade werd in 1552 vermeld
richting] volgde <Renes, 87>, kan in grote trekken juist zijn, in een document, waarvan een afschrift door een Lutterader
maar uit de beschikbare gegevens blijkt, dat de dichter bij familie Sassen werd bewaard; uit de context blijkt, dat hij
Oud-Geleen gelegen Groenstraat later werd bewoond dan de vlak bij de Graetheide lag en toen al enige tijd bestond. Het
dichter bij het Graetbos gelegen Bovenste Dorpstraat. originele stuk, dat zich in het Rijksarchief te Maastricht
De opvatting van genoemde auteur, dat die uitbreiding van bevindt <LvO nr. 1506>, geraakte in de loop der jaren zwaar
de nederzetting Lutterade reeds vóór het midden van de beschadigd. Toen daarop met een latere hand de weggevallen
dertiende eeuw zou hebben plaatsgehad, schijnt door de woorden werden ingevuld, werd ook het verkeerde jaartal
vroege vermelding van veldnamen ten westen van de latere 1560 aangebracht. Uit de te Lutterade bewaarde kopie, die
spoorweg Maastricht-Sittard bevestigd te worden. Doch de vóór die beschadigingen werd gemaakt, blijkt immers, dat
bewering, dat die westwaartse uitbreiding van dat dorp rond dit document uit 1552 dateerde. Op die kopie werd door
het midden van de dertiende eeuw reeds tot staan zou zijn een nog latere hand aangetekend, dat die put toen op het erf
gekomen, valt moeilijk te verifiëren. Verdere huizenbouw in van P. J. Römers stond.
westelijke richting werd immers in feite door de rond 1500 Op 28 september 1552 verschenen een aantal personen, die
aan de westzijde van Lutterade opgeworpen landweer te Lutterade aan de Graetheide woonden, voor de schepenen
belemmerd. van Geleen om voor zichzelf en hun nakomelingen de voor-
waarden van het recht om water te halen en te gebruiken uit
Lutterader Putstraat en Waterstraat: straten met waterputten ”den put staende op Lens Pouls erff ende mesthof” schrifte-
De zojuist genoemde landweer lag ongeveer ter plaatse van lijk vast te leggen. Toen werd bepaald dat eenieder, die recht
de huidige Ringovenstraat en Heidestraat, die eertijds op die put had, verplicht was hem ”bouwelijck van water-
respectievelijk Bovenste Heigraaf en Onderste Heigraaf werden ganck” te houden, d.w.z. het ophaalwerk in werkende staat
genoemd. Was het wellicht al vroeger rechtens niet toe- te houden. Wie die plicht niet zou nakomen, zou dat recht
gestaan om de huizenbouw nog verder westwaarts, d.w.z. op
de Graetheide zelf, uit te breiden, in feite was die graaf of
landweer een landschappelijke barrière tegen verdere

77

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 78

voor zichzelf en zijn nakomelingen verliezen. Eventuele worden gezocht <Russel 1860, 39>, is niet juist. Toen deze hoeve
disputen werden aan twee gekozen mannen voorgelegd. rond het midden van de dertiende eeuw werd gesticht, was
Op 22 mei 1555 werd eenzelfde regeling getroffen voor immers niet alleen de plaatsnaam Krawinkel al in gebruik,
degenen, die recht op een andere put te Lutterade hadden. maar bleken er ook in de nabijheid reeds woningen te liggen.
Toen werd door die rechthebbenden meegedeeld, dat zij In 1257 wordt een Willem van Crawinkel als schepen van
onlangs een put op het erf van een van hen hadden aan- Geleen vermeld <Ernst VI, 19>.
gelegd en dat zij nu wensten de gerechtigdheid ”ten ewige Daar in de beschikbare bronnen geen gebouwen van de pas
dagen” van een tien voet breed pad over diens erf naar die in 1381 voor het eerst vermelde grote leenhoeve [niet de
put door de schepenbank bekrachtigd te zien <LvO nr. 1307>. kloosterhoeve] van Krawinkel met haar 48 bunders akker-
Op 27 maart 1598 decreteerde schout Marten Snijders, dat en weideland worden vermeld, kan ten aanzien van haar
alle naburen, die geen put op hun eigen erf hadden, moesten eventuele ligging nabij de Keutelbeek niets met zekerheid
bijdragen in het onderhoud en de reparatie van de dorpsput worden gezegd <PSHAL 1884, 425-426>. Derhalve kan noch de
te Lutterade <LvO nr. 1275>. Deze put, die in de Onderste bewering dat ze in de Daalstraat lag noch de zienswijze dat
Dorpstraat [= Geenstraat] lag, was blijkbaar de derde uit de het dorp Krawinkel uit die hoeve zou zijn ontstaan <B&MNO
zestiende eeuw bekende put van Lutterade. Maar omdat hij 1988, 1, 36-37> worden gestaafd.
een dorpsput was, werd hij waarschijnlijk eerder dan de
beide bovengenoemde aangelegd.

Plattegrond van Krawinkel circa 1800. De van dwarsstreepjes Boerderijen aan de Dorpstraat (Spoorstraat) te Krawinkel
voorziene donkere zuid-noordlopende lijn (geheel rechts) is de gezien in westelijke richting, d.w.z. naar de spoorweg
Keutelbeek. Duidelijk is de driehoek (”winkel”) van wegen te Maastricht-Sittard toe <Tekening P.A. Schols, 1930>.
zien, waaraan dat dorp zijn naam ontleende. De uit de s van
Valderensveld (onderaan) naar het noordoosten en rechts langs Kra + winkel: door drie wegen gevormde driehoek, waar zich
die driehoek lopende weg is de (Oude) Maastrichterweg. kraaien ophouden
Midden-rechts (oost) loopt de Daalstraat. Naar links (west) De oudste kern van Krawinkel dient ons inziens bij de Oude
loopt de Dorpstraat, waarvan later de ten oosten en ten westen Maastrichterweg te worden gezocht. Al moet de nabijheid
van de spoorweg gelegen gedeelten respectievelijk Spoorstraat en van water vanaf het begin een belangrijke rol hebben
Kloosterstraat werden genoemd; daar liggen alle huizen en gespeeld, toch wijst niets erop, dat het oorsponkelijke
boerderijen aan de noordkant. Het hele terrein ten zuiden van Krawinkel vlak bij de Keutelbeek lag. Het nederzettings-
die straat behoorde tot de gewande van de klooster- of kapittel- patroon aan de vroegere Maastrichterweg vertoont thans nog
hoeve. Deze laatste lag ter plekke van het donkere vierkant in een opvallende driehoek, waarvan de oostzijde door die weg
de rechterbenedenhoek, waar de Keutelbeek de Hofstraat kruiste werd gevormd; dat stuk heet nu Gerardusstraat. De zuid-
<Tranchotkaart>. westzijde, die vroeger de westelijke voortzetting van de
Hofstraat was, heet thans nog zo, terwijl de noordwestzijde,
Het dorp Krawinkel die eertijds de verbinding tussen de Dorpstraat [Spoorstraat]
De Geleense wijk Krawinkel bestond gedurende verscheide- en de Daalstraat vormde, thans Cornelisstraat heet. Welnu,
ne eeuwen hoofdzakelijk uit een lange sliert van huizen en vooral op grond van de plaatsnaam Krawinkel dient ons
hoeven, die zich van ongeveer bij de Keutelbeek in het inziens de oudste kern van dat dorp in die driehoek te
oosten tot aan de Graetheide in het westen uitstrekte. In de worden gezocht.
twintigste eeuw zouden alle huizen die ten westen van de Uit de analyse van bepaalde gevallen blijkt, dat winkel niet
spoorweg Maastricht-Sittard lagen, aan de moderne
industrie worden opgeofferd.
De bewering, dat de oorsprong van dat dorp in de [nog te
bespreken] kloosterhoeve aan het vroegere oostelijke
verlengde van de Hofstraat bij de Keutelbeek zou moeten

78

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 79

zonder meer ”hoek” maar veeleer ”driehoek” betekende. Zo westelijke richting plaats. Aangezien reeds in de dertiende
werd een door drie straten begrensd stuk grond aan de eeuw heel wat terrein ten westen van de [latere] spoorlijn
Helmstraat te Maastricht Winkel genoemd <Msg 1935, 44>. Maastricht-Sittard ontgonnen was, moet die westwaartse
Bovendien vindt men de veldnaam Winkel vrij frequent als stoot reeds vrij vroeg zijn begonnen. Wij zagen al, dat de
aanduiding van stukken land, die in een scherpe hoek tussen ”Dorpstraat” door Krawinkel haar westelijk verlengde had in
twee samenkomende wegen liggen. Latere generaties ver- de Koestraat, die naar het Graetbos of de Graetheide voerde,
stonden de oorspronkelijke betekenis van de Geleense en dat een oostelijk verlengde, nl. de Daalstraat, een drenk-
veldnaam De Winkel niet meer; in de Franse tijd (1794- straat was. Daarom moet de zienswijze van RENES dat de
1814) werd hij vertaald als ”La Boutique”. nederzetting Krawinkel zich met het verschuiven van de
Er is geen afdoende reden om in het eerste lid Kra- of Cra- grens van het Graetbos langs een veedrift steeds verder naar
iets anders te zien dan de voor de hand liggende vogelnaam het westen verplaatste <Renes, 87> als juist worden beschouwd.
kraai [dialect: krao]. De langs die ”winkel” of driehoek van Doch die veedrift door Krawinkel kan niet uit Oud-Geleen
wegen staande hoge bomen zullen een geliefde verblijfplaats zijn gekomen, zoals die auteur meende. Bovendien valt de
voor kraaien zijn geweest. Vandaar de aanduiding Crawinkel bewering, dat die uitbreiding rond het midden van de
of Craywinkel. In het plaatselijk dialect luidt die wijknaam dertiende eeuw tot stilstand zou zijn gekomen moeilijk te
Kraonkel. Dit was blijkbaar ook reeds enkele eeuwen geleden verifiëren. Ook te Krawinkel betekende de rond 1500 aan-
het geval, want in de meetboeken Bollen (circa 1700) staat gelegde landweer het definitieve einde van verdere west-
de Craenkeler straet en in een bokkenrijdersproces (ca. 1770) waartse uitbreiding. Vandaar de noord-zuidlopende [later
staat Craenkel. aldus genoemde] Kloosterdwarsstraat.
Ofschoon het Geleense Krawinkel in de bewaard gebleven Het nederzettingspatroon van Krawinkel vertoonde de
schriftelijke bronnen pas in 1252 wordt vermeld <CD folio eigenaardigheid, dat in het westelijke gedeelte eeuwenlang
10vo>, dient het waarschijnlijk als ouder te worden alle huizen en hoeven aan de noordzijde van de ”Dorpstraat”
beschouwd. De bekende Duitse plaatsnaamkundige - later Spoorstraat en Kloosterstraat genoemd - lagen en
E. SCHRÖDER, die veel naamgenoten van ons Krawinkel niemand een overbuur had. Dit was toe te schrijven aan het
bestudeerde, schreef: ”In Wirklichkeit ist Krähwinkel ein feit, dat het hele terrein ten zuiden van die ”Dorpstraat” tot
ziemlich alter, d. h. seit dem 11. Jahrhundert bezeugter und de gewande van de kloosterhoeve behoorde, zoals uit de
noch heute über den deutschen Westen und Süden weit- opmetingen van Bollen blijkt.
verbreiteter Ortsname, nur daß es sich freilich immer um
kleine und kleinste Siedlungen handelt” <Schröder, 288>.

Uitbreiding van Krawinkel naar het oosten en het westen
De uitbreiding van het dorp Krawinkel had hoofdzakelijk in

Dorpstraat (Kloosterstraat) te Krawinkel ten westen van de Boerderij in de Daalstraat op de oostoever van de Keutelbeek.
spoorweg Maastricht-Sittard, gezien in oostelijke richting, Naast de brug, waarover de straat loopt (links), ligt een privé-
d.w.z. naar de spoorweg toe. Dit was eeuwenlang voor de brugje (midden) naar het gebouwencomplex <Tekening P.A. Schols,
inwoners van Krawinkel de weg naar de Graetheide. De 1930>.
woningen aan de linkerzijde (noord) vielen ten offer aan het
Stikstofbindingsbedrijf (SBB), terwijl de straat zelf en de De Daalstraat kreeg haar naam blijkbaar niet zozeer omdat
huizen aan de rechterzijde (zuid) later door het DSM-bedrijf ze naar de Keutelbeek afhelt, maar omdat ze in de richting
werden opgeëist <Ansicht ca. 1909>. van de Daell, het aldus genoemde terrein ten oosten van de
Keutelbeek, liep. Vandaar dat het oostelijke gedeelte van het
dorp circa 1700 ook Daell Crauwinckel werd genoemd.
Ofschoon bij het begin van de achttiende eeuw in de

79

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 80

Plattegrond van Spaans (Geleens) en Hollands (Beeks) Neerbeek en omgeving circa 1800. De grens tussen de Geleense en Beekse
delen wordt door een donkere dubbele lijn aangegeven; over een korte afstand volgt ze als een stippellijn de Dorpstraat. Dit overzicht
toont Geleens Neerbeek als een noordelijke - over de grens gegroeide - aanwas van Beeks Neerbeek. Duidelijk is te zien hoe de
Keutelbeek eerst in Beeks Neerbeek links (ten westen) van de Dorpstraat liep, deze bij een wegkruising naar rechts (het oosten)
overstak, een eind verder haar verloop weer links van die straat nam en ongeveer halfweg Geleens Neerbeek de Dorpstraat verliet
om tussen de weiden door naar de klooster- of kapittelhoeve aan de Hofstraat te stromen. Boven midden, waar de Kummekerweg
naar links (west) aftakt, heeft een valderen gestaan. De vroegere Dorpstraat van Geleens Neerbeek heet thans ”Spaans-Neerbeek”.
<Tranchotkaart>.

Daalstraat nog slechts weinig huizen lagen, lag toch reeds in genoemd, voorheen Bijersleen of Beijensleen <Becha 25/26-87 en
1637 een huis ten oosten van het beekje. Pastoor Leurs 5/6-88>. De ontwikkeling van de nederzetting Neerbeek dient
tekende hierover aan: ”Peter Manders erffg. [tot Crauwinckel] vooral als een groei in noordelijke richting te worden gezien.
huyss over die Beeck naer het creutz”. Dit wegkruis werd De overschrijding van de grens tussen Beek en Geleen moet
later door het Sint-Rochuskapelletje bij de [nog latere] Kluis
vervangen <GAG nr. 1. - Kluis, 18. - TsHKVGel 1984 nr. 1, 36-48>.

Geleens Neerbeek
Het toponiem Nederbeke, dat in 1225 voor het eerst werd
genoemd <Franquinet, OLV I, 16>, betekent: ”het verder stroom-
afwaarts gelegen deel van de nederzetting Beek”. De
verwijzing van de beide woorden, waaruit het toponiem
Nederbeke werd gevormd, naar het Oudgermaans door
GYSSELING <TW, 731> heeft louter taalkundige waarde en heeft
niets met de ouderdom van de naam of van de plaats
Neerbeek uit te staan.

Van Beek uit noordwaarts langs de Dorpstraat over de grens Het vroegere zuidelijke begin van Geleens Neerbeek. Op de
met Geleen gegroeid voorgrond rechts begint de op- of afrit naar of van de brug over
Het lijdt geen twijfel, dat een grote hoeve op Beeks gebied het mijnspoor en de autoweg. Op het naambord rechts staat
de oorspronkelijke kern van Neerbeek is geweest. ”Spaans-Neerbeek. Gem. Geleen”. De Keutelbeek, die langs
Waarschijnlijk heeft de Aldenhof de oudste papieren, want de westzijde (links) van deze straat stroomde is reeds overdekt
niet alleen is die naam veelbetekenend, maar ook heette de <Foto W. Storcken>.
andere grote hoeve aldaar, die later Neerbeekerhof werd

80

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 81

reeds vóór het einde van de veertiende eeuw hebben Bij de beschrijving van de ligging van een perceel te
plaatsgehad, want rond 1383 was er sprake van zes bunder Neerbeek sprak pastoor Leurs in 1637 van de Kickmans-
land, gelegen te ”Nederbeecke in Glener gericht” <PSHAL straet, terwijl die naam in een beschrijving van datzelfde
1884, 436>. perceel in 1696 door Keumekerstraet werd vervangen. Ook
In de archieven komt het toponiem Daelnerbeck voor <LvO nr. de landmeters Bollen (ca. 1700) gebruikten deze laatste
4085>. Aangezien het voorvoegsel Dael- dezelfde betekenis als benaming. In 1723 kwam de versie Coemeker Straet voor,
Neer- had, zou men daaraan misschien de betekenis ”Neer- maar reeds in 1736 werd de spelling Cummeker Straet
Neerbeek” of ”Geleens Neerbeek” kunnen toekennen. Doch gebruikt. Het verschil tussen Kickmansstraet en Keumeker-
het lijkt waarschijnlijker dat het - evenals dit bij Daell straet is wel zo opvallend, dat zonder verdere informatie niet
Crauwinckel het geval was - aan de veldnaam de Daell werd valt uit te maken of de jongere naam een verbastering van de
ontleend. Deze laatste kwam ook voor in het toponiem oudere dan wel een geheel nieuwe naam was.
Daellerveldt, dat ten noorden van Neerbeek lag. De Neerbeeker Trijnenstraat werd in 1758 door de auto-
Bij het ”Partagetraktaat” van 1661 zou Beeks Neerbeek riteiten van Beek als DaameTrijnstraetje aangeduid <Msg 1969,
onder de jurisdictie van de [”Hollandse”] Staten-Generaal 63>, terwijl de autoriteiten van Geleen in 1779 van ”de
komen, terwijl Geleens Neerbeek aan de koning van Spanje Brugge aen Daemen Trijnen” [op de grens van Beek en
zou blijven. Bijgevolg zouden in de volksmond de aan- Geleen] spraken <LvO nr. 1229>. Derhalve schijnt die straat
duidingen Hollands-Neerbeek en Spaans-Neerbeek ontstaan. ofwel naar een Trijn [= Catharina], dochter van Daem
Het oude dorp Spaans-Neerbeek zou in de jaren zestig van [= Adam], ofwel naar een Daem, zoon van een Trijn, te zijn
de twintigste eeuw aan de modernisering van de gemeente genoemd.
Geleen ten offer vallen <GOA II, 95-108. - Hamers>. Thans bewaart
slechts de straatnaam Spaans-Neerbeek de herinnering aan De alleenliggende grote boerderijen
de vroegere situatie.
Het nederzettingspatroon van het uitgebreide kerspel Geleen
werd eeuwenlang geaccentueerd door een aantal grote,
alleenliggende, boerderijen, die aan adellijke personen en/of
geestelijke orden toebehoorden en door halfers of half-
winners werden gepacht. Over die hoeven, hun eigenaars en
hun bewoners zijn heel wat gegevens uit de Middeleeuwen
bewaard gebleven. Ten aanzien van de vóór onze tijd
verdwenen hoeven zal hier tevens over de latere lotgevallen
worden uitgeweid. Op de latere geschiedenis van de thans
nog bestaande hoeven Ten Eijsden en de Biesenhof en op die
van de grote hoeve van Lutterade, die - zij het met grondige
veranderingen - tot 1942 bleef voortbestaan, zal in hoofd-
stuk X [”Historische Gebouwen”] van deel II nader worden
ingegaan.

In de Kummekerweg of ”’t Sjträötje” te Neerbeek <Foto M. Verjans, De Hanenhof
1950>. Deze hoeve werd reeds in verband met de vroegste
ontwikkeling van Oud-Geleen vermeld. Ook werden in het
Zijstraten van de Neerbeeker Dorpstraat voorgaande de mogelijkheden van een twaalfde-eeuwse
Een zijstraat van de Dorpstraat door Geleens Neerbeek riddereigenaar Wilhelmus en een dertiende-eeuwse eigenaar-
heette Krijgsmansstraet (1565) <AB nr. 574>, Kigmansstraet bewoner ridder Reinhard of Reinald naar voren gebracht.
(1589) <Msg 1911, 33>, Kijrckmansstraet (1615-23) <KapOLV nr. De gebouwen van die hoeve lagen op de huidige kruising
855> en Kickmansstraet (1637) <PAG>. Uit het parochiearchief van de Beekstraat en de spoorweg Heerlen-Sittard. Zij
van Oud-Geleen blijkt, dat dit de later aldus genoemde werden omgeven door weiden, die zich ten noorden van de
Kummekerweg tussen de Dorpstraat en de Rijksweg was. Keutelbeek vanaf de Geleenbeek tot aan het kerkhof van
Een klein stukje Kummekerweg - met elf woningen - bestaat Oud-Geleen uitstrekten. Haar akkers, de Hanenhofsgewande,
nog als onderdeel van de Jos Klijnenlaan, daar waar die op lagen ten noorden daarvan tot vrij dicht bij de molens van
de Rijksweg Zuid uitkomt. Munstergeleen <M’geleen, 125-126>. Maar ook ten oosten van de
Geleenbeek lag een gedeelte van de gewande, dat via de
Koebrug bereikbaar was. Tenslotte lagen elders in het kerspel
Geleen percelen, die tot deze hoeve behoorden. Volgens een
meetboek Bollen (circa 1700) besloegen de gewande van de
Hanenhof ruim 108 bunder.

81

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 82

Munt van Philip van Heinsberg, aartsbisschop van Keulen vader Godart de oude circa 1407 als voogd van Roermond
(1167-1191), ter plekke van de vroegere Hanenhof gevonden opvolgde, te zijn gekomen, maar aan zijn broer Willem, die
door J. Sluijs; ware grootte: 18 x 19 mm <Foto’s G. H. Maassen>. tevens de heerlijkheid Leut (B.) van zijn vader had geërfd.
Na Willems dood (vóór 1411) kwam die heerlijkheid aan
Het adellijk geslacht Van Vlodrop zijn minderjarige zoon Godart, die de Hanenhof op 15 juni
De naam Hanenhof heeft niets met pluimvee uit te staan. 1455 te Valkenburg verhief. Hoe die hoeve een leen van
Hij moet veeleer ontleend zijn aan een eigenaar of bewoner, Valkenburg werd, is niet bekend. Uit de zeventiende-eeuwse
die Hane werd genoemd. [Zo kreeg ook de Spaubeekse processen van de gebroeders Maes blijkt, dat ze toen ook te
Hanenhof die naam blijkbaar naar zijn leenman Willem Millen leenroerig was.
Haen <Becha 45-91>.] Op 22 april 1291 verkocht Dirk Hane De zojuist genoemde Godart van Vlodrop schijnt in 1475 te
een bij Opgeleen gelegen half bunder leengoed, dat gedeelte- zijn overleden. In 1537 werd de Hanenhof te Valkenburg
lijk moeras en gedeeltelijk weide was, tegen een jaarlijkse door zijn achterkleinzoon Balthasar van Vlodrop verheven.
cijns van twee Luikse denariën aan de abt van Godsdal Na zijn dood werd de hoeve op 2 april 1546 door zijn broer
<Ruwet, 232>. Die abt, aan wie o.a. Abshoven toebehoorde, had Willem van Vlodrop verheven en in 1562 door diens gelijk-
op 24 december 1287 de banmolen van Munstergeleen met namige zoon. Daarna volgden verheffingen door Adriaan
ongeveer 21/2 bunder beemd en akkerland van de Heer van Balthasar van Vlodrop in 1603, Jan Willem van Vlodrop in
Born gekocht <Ruwet, 223-225>. Genoemde Dirk Hane moet de 1613 en Otto Hendrik van Vlodrop in 1615.
eigenaar van de Hanenhof zijn geweest, want een halfer had In 1627 kwam de Hanenhof aan Johan van Virmundt, Heer
niet de bevoegdheid om enig land te vervreemden. Het half van Schönau en Neersen, die met Johanna-Maria van
bunder, dat hij in 1291 afstond, lag waarschijnlijk op de Vlodrop was getrouwd. Hij nam als aanvoerder van een
westelijke oever van de Geleenbeek aan het noordelijke uit- regiment aan de Dertigjarige Oorlog deel en toen hij niet
einde van de gewande van de Hanenhof; daar bezat de abdij genoeg geld had om de soldij aan zijn soldaten te betalen,
Godsdal later immers het zogenaamde Abtsbroek, dat thans verpandde hij de Geleense hoeve aan Pieter Bock van
in de volksmond nog steeds Tappesbrook wordt genoemd. Haesdal. Op 5 maart 1633 werd ze door advocaat Alexander
In 1326 hield een Michel de Hane ”VI hoven lants te Glene Snijders namens de onmondige kinderen van Johan van
mit den hove de gheheijten is ten Hove” van de graaf van Virmundt verheven. Deze laatsten zouden de hoeve in 1641
Gelder in leen <Doorninck, 5>. De aanduiding ten Hove sloeg aan Geleners verkopen.
hier ongetwijfeld op de Hanenhof. Het woord hove [mansus]
werd ook als een oppervlaktemaat gebruikt en besloeg door- Halfers op de Hanenhof
gaans ongeveer twaalf bunder grond <BrH 1980, 30>; vandaar de Voor zover wij weten, hebben de adellijke eigenaars niet op
aanduiding ”VI hoven lants”. Later was er sprake van de de Hanenhof gewoond; zij verpachtten hem met de lande-
Haeven hoff <LvO nr. 2101, 43>. Ofschoon Haeven een variant rijen aan halfwinners of halfers. Werden later de leenmannen-
van Hove kan zijn geweest, is het geenszins uitgesloten, dat eigenaars van de Hanenhof niet langer als Hane aangeduid,
die spelling een schrijf- of kopieerfout van Haenen was. toch bleef die naam onder de halfers voortleven. Zo werd in
Omstreeks 1381 werd een Godart Hane in verband met 1474 ”Wilhelm Haenen, voogd des Jonkers Godfried van
land te Krawinkel vermeld. Waarschijnlijk was hij Godart of Vlodrop in de Geleense Haenenhof” vermeld <Msg 1879, 34>.
Godfried van Vlodrop, voogd van Roermond, want in 1378 Hij werd blijkbaar naar de hoeve genoemd.
en 1386 was er te Geleen sprake van ”des voechts land van In 1515 en 1526/27 blijkt Lemmen of Lambrecht Beltgens
Ruremonde”. De speciale band tussen de familie Van als halfer in de Hanenhof te wonen. In 1546 werd hij als
Vlodrop en Geleen kwam ook tot uiting in het feit, dat het schepen van Geleen vermeld, in 1550 betaalde hij een cijns
huwelijksverdrag van Godarts oudste zoon Gerard van op goederen, die bij de Peschstraat aan de Keutelbeek lagen
Vlodrop en Elisabeth van Schönau op 26 november 1391 en in 1556 was hij - wegens ruim acht bunder land te
mede door Gerlach van Antwilre, pastoor van Geleen, Lutterade - leenman van het leenhof van Schinnen.
ondertekend en bezegeld werd.
De Hanenhof schijnt echter niet aan deze Gerard, die zijn De Hanenhof in handen van Geleners
In 1641 verkochten de kinderen van het echtpaar Van
Virmundt - Van Vlodrop de Hanenhof aan Marten van
Nierbeeck en consorten; de kopers verhieven die hoeve op
25 september 1641 te Valkenburg. In 1653 werd het
grootste gedeelte eigendom van drossaard Jan van den Stock.
In 1661, 1693 en 1725 werd de Hanenhof achtereenvolgens
verheven door respectievelijk Gonzales van den Stock [zoon
van de drossaard], Willem Paes en Johan de Macker; deze
drie zijn waarschijnlijk als ophelders [= vertegenwoordigers]
van de gezamenlijke bezitters opgetreden. Tot het einde van

82

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 83

de achttiende eeuw blijken afstammelingen van drossaard land met een daarop gelegen woning [octo bonnaria vel circa
Van den Stock eigenaars van gedeelten van de gewande van terre arabilis ac mansionem quandam] aan de ridders van de
de Hanenhof te zijn gebleven. Duitse Orde te Alden Biesen (B.). De door haar beide
Ofschoon in een der meetboeken Bollen (ca. 1700) sprake dochters Agnes, kanunnikes te Keulen (D.), en Sophia,
is van ”die huijsplaetse van s’ Haenen hoff”, zijn vanaf kanunnikes te Gerresheim (D.), reeds in 1247 aan diezelfde
het einde van de zestiende eeuw geen bewoners van die orde afgestane stukken grond, waarvan acht bunder aan de
hoeve bekend. Derhalve mag worden aangenomen, dat de Geleenbeek lagen, werden allicht aan de gewande van die
gebouwen rond die tijd vervallen zijn <GAG nr. 1. - Jansen, 27. - hoeve toegevoegd; genoemde Sophia had zes aan de Geleen
gelegen bunder tegen een lijfrente afgestaan <Hennes II, nrs. 78,
Msg 1879, 34; 1951, 42; 1962, 69-84; 1963, 140; 1972, 127-130 en 187-191. - 131, 133 en 144. - OB nrs. 24, 42 en 43>.
PSHAL 1885, 19-21; 1887, 106-136; 1889, 90-91 en 155; 1929, 166. - ZAGV De ridders van de Duitse Orde hadden te Beek 28 bunder
akkerland van de proosdij van Meerssen gepacht, die dicht-
1886, 129 en 144. - Kreijns, 187>. bij de plaats, genaamd Stocke, lagen. Na verloop van tijd
waren ze die gepachte grond niet alleen als hun eigendom
De Biesenhof gezien vanuit het zuidoosten. Rechts onder liggen gaan beschouwen maar waren ze zelfs zover gegaan om hem
de (witte) woonvertrekken van de eigenaar en de pachter. aan derden over te dragen. Teneinde dit onrecht ongedaan te
Boven, langs de noordgevel van de grote schuur, loopt de weg maken, gaven zij op 9 juni 1271 aan de proost van Meerssen
van Geleen (links) naar Sweikhuizen (rechts). In vroeger tijden hun hoeve [curiam] te Geleen en 25 daarbij behorende
liep die weg langs de zuidkant van die schuur over het erf, bunder land. Omdat zij drie bunder te kort kwamen - want
omdat de brug over de Geleenbeek vlak ten oosten van de poort zij hadden zich 28 bunder toegeëigend - werd de hoeve zelf
tussen de woonvertrekken en de grote schuur lag <Foto KLM bij die overdracht inbegrepen <Hennes II, nr. 486>. Het valt
Aerocarto, circa 1950>. moeilijk in de overgedragen goederen iets anders dan de
De Biesenhof alias Kleine Biesen Biesenhof te zien.
Ook de Biesenhof, op de westelijke oever van de Geleenbeek Toch was die situatie niet van blijvende aard, want kort
aan de voet van de Sweikhuizerberg gelegen, heeft een nadien was de Geleense hoeve weer in handen van de Duitse
eerbiedwaardig verleden. Hij moet reeds lang hebben Orde. Er werd een commanderij gevestigd, waarop ridders
bestaan voordat hij in 1259 aan de Duitse Orde kwam, want verbleven, terwijl de boerderij werd verpacht. In 1274/75
hij maakte oorspronkelijk deel uit van de in het Geleendal was er sprake van commandeur Bruno van de [heren]hoeve
gelegen bezittingen van de abdij van St.-Vaast te Arras of bij Geleen: Bruno commendator curie juxta Gleine <Ritz II, nr.
Atrecht, waaraan Abshoven en Munstergeleen hun namen 7>. In 1284 werd hij ”Bruder Brun van Gelene” genoemd
ontlenen <Hennes II, nr. 144>. <Buntinx, 192>. In 1278 sprak de landcommandeur zowel van
”ons huis te Geleen” als van ”zijn confraters te Geleen”
Aan de ridders van de Duitse Orde te Alden Biesen (1259) <Hennes II, nr. 490. - OB, nrs. 68 en 69>.In 1297 schreef men curtem
In genoemd jaar (1259) schonk Aleidis, weduwe van Willem apud Opglene, d.w.z. ”hoeve te Opgeleen” <Hennes II, nr. 502>. In
van Beekhoven [onder Beek], ongeveer acht bunder akker- 1341 werd broeder Winand van Spaubeek vermeld als
commandeur van ”het huis van de orde van de H. Maagd
Maria van het Duitse huis van Jerusalem te Opgeleen”:
domus de Opgelene ordinis beate Marie virginis domus
Teuthon. Jerosol. <Hennes II, nr. 450. - OB, nr. 184>.
Ter onderscheiding van [Alden] Biesen bij Bilzen (B.) kreeg
die bezitting de naam Kleine Biesen. In 1468 werd de
commanderij opgeheven; voortaan zou Kleine Biesen slechts
een pachthoeve zijn <PSHAL 1931, 110>. Circa 1770 werd ze
door een landmeter den jongen Bissen genoemd <Becha 15-95>,
maar dit was blijkbaar een vergissing, want Jongen of Jungen
Biesen was de officiële naam van de aan de balije van Alden
Biesen onderhorige commanderij te Keulen.

Omvang van de Biesenhof en zijn gewande
Rond 1300 omvatte ”tguet vanden hove van Gelene... C
ende L bunre [= 150 bunder] lants” <Buntinx, 153>. Bij die
opgave waren waarschijnlijk nog andere goederen van de
Duitse Orde inbegrepen. De omvang van de eigenlijke
gewande van de Biesenhof bleef niet constant. In 1297
werden drie bunder land aan de buurman Rutger van Esde

83

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 84

Gerade of Gerat van Geleen als pachters van de Biesenhof
aangeduid <Buntinx, 235, 273, 277, 282, 283, 289, 293 en 295>. Gezien
de uitdrukking ”hostat [= hofstede] ten Bisen do er [= waar
eertijds] Gerat van Gelene op sat” blijkt die pachter op die
hoeve te hebben gewoond. Omstreeks 1380 werd ”Hein-
drech van den Bese” een vroegere buurman van de bewoner
van de hoeve Ten Eijsden genoemd <PSHAL 1885, 16>. De in
1380 vermelde ”Wilhem onsen wenne [= pachter] van
Ghelene” <Grauwels, nr. 268> werd in 1383 als ”Wilken van den
Biessen” vermeld <PSHAL 1884, 436>. Daarna zwijgen de
bronnen gedurende bijna anderhalve eeuw over de pachters
van de Biesenhof. [Voor de latere geschiedenis van die hoeve
en haar bewoners zie deel II, hoofdstuk X.]

De oostelijke vleugel met de woonvertrekken van de Biesenhof
langs de Geleenbeek (rechtsonder) <Tekening B. van Dam, ca. 1925>.

[= Ten Eijsden] in ruil voor drie andere bunder afgestaan De hoeve Ten Eijsden vanuit het westen, tegen de achtergrond
<Hennes, nr. 502. - OB, nr. 902>. In 1303 werden twee bunder van Danikerberg en -bos, gezien in 1932 <GAG>.
weidegrond, tegen een jaarlijkse cijns van twee Brabantse
denieren, van de eigenaar van het nabij gelegen - later Sint- De hoeve Ten Eijsden of Bagijnshof
Jansgeleen genoemde - kasteel gekocht <Hennes, nr. 363. - OB, nr. Ofschoon de op de westelijke oever van de Geleenbeek
102>. Vóór 1525 werden bijna zes bunder aan de Gelener gelegen hoeve Ten Eijsden pas in 1297 voor het eerst werd
Alart Alarts verkocht <OB, nr. 585>. In 1531 werden vier bun- vermeld, mag men aannemen, dat zij veel vroeger werd
der akkerland, die dicht bij genoemd kasteel lagen, met de gesticht. In oktober van genoemd jaar verklaarde Walram
aldaar wonende Arnold I Huyn tegen vier andere bunder van Valkenburg, dat Rutger van Esde drie bunder akkerland,
akkerland geruild. Tevens werden toen aan diezelfde ridder die dicht bij de Biesenhof lagen, met de ridders van de
tien bunder akkerland bij de Belboum, voor een jaarlijkse Duitse Orde had geruild tegen drie bunder akkerland van
erfpacht van vijf mud rogge, overgedragen <OB, nr. 601>. gelijke of betere kwaliteit, die dichter bij zijn hoeve lagen
Volgens een overeenkomst uit 1550/51 met Arnold II Huyn, <Hennes II, nr. 502>.
werden in 1603 door Arnold III Huyn tien te Geleen De bewering, dat de hoeve Ten Eijsden de ”stamzetel” van
gelegen bunder akkerland aan de Duitse Orde afgestaan in de ”Bagijns” zou zijn geweest <PSHAL 1969/70, 88>, gaat blijk-
ruil voor tien te Limmel gelegen bunder <OB nrs. 692 en 926. - AB baar niet op. Gelet op de door hem uitgevoerde grondtrans-
nr. 39 (1994), 2>. actie kan Rutger van Esde niet als een halfer van die hoeve
In 1549 besloegen de gewande van de Biesenhof 75 bunder, worden beschouwd. Bijgevolg ligt het voor de hand, dat hij
negen grote en twee kleine roede. Daarvan namen de zijn familienaam niet aan die hoeve had ontleend maar dat
gebouwen, het erf met de mesthof, de boomgaard en de deze veeleer naar hem of naar een familielid werd genoemd.
groentetuin een gezamenlijke oppervlakte van anderhalf Ook was er vóór 1380 sprake van Johan Bagijns zoon [d.w.z.
bunder in beslag. Later werden bij ”den hof of bouw- Johan, de zoon van Bagijn] van Esde, die toen in de plaats
plaaetse” zowel een ”klein coolhofken” als een ”groten Eijsden [ten zuiden van Maastricht] twee lenen bezat. Een
coolhof” en niet alleen de kleine wei en [aan de overzijde van van die lenen ging daarna over op zijn zoon Goswijn Bagijn
de Geleenbeek] een grote wei, maar ook de onderste wei en van Esde <PSHAL 1885, 271>, die rond diezelfde tijd ook als
de nieuwe wei vermeld. eigenaar van de hoeve Ten Eijsden onder Geleen werd
De meeste akkers lagen ten westen van de hoeve tussen Ten vermeld.
Eijsden en de Kluis [in het noorden] en Hobbelrade en Op 24 mei 1376 droeg Ritzart [= Richard] van Esde het
Neerbeek [in het zuiden]. Een ten oosten van de Geleenbeek voogdijschap van zijn neef Goswijn of Goyssken van Esde
gelegen stuk van drie bunder, vijftien grote en vier kleine
roede werd Biessenbergh genoemd. Aan diezelfde [oost-] kant
van de beek, verder naar het zuiden, tegenover het kasteel
van Sint-Jansgeleen, behoorde een stuk bos van drie bunder
tot de Biesenhof. Tenslotte lagen onder Spaubeek een paar
beemden, die eveneens onderdelen van de gewande van de
Biesenhof uitmaakten <AB nrs. 672, 819 en 2347. - Becha 15-95>.

Middeleeuwse halfers op de Biesenhof
In de jaren 1275-1286 werden Mergriten van Geleen en

84

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 85

over aan diens moeder Stijna van den Bruycke of Broek, oorspronkelijke geheel was toen reeds lang in twee helften
weduwe van zijn zojuist genoemde broer Johan Baghine van verdeeld. [Voor de latere geschiedenis van Ten Eijsden, zijn
Esde, en aan haar tweede echtgenoot ridder Werner Buffel eigenaars en bewoners zie deel II, hoofstuk X.]
van Gusten. Deze Goswijn werd in 1381 beleend met ”den
hoeve tot Esden mit XXX boenre lants daertoe gehoerende”. De hoeve Heimstenrade
Daaraan werden toen nog zeven bunders land toegevoegd, Dicht bij Ophoven, waar tot 1 januari 1982 de grenzen van
die ”by der Heren lant van den Biessen” [= Biesenhof] lagen. de gemeenten Geleen, Munstergeleen en Sittard samen-
Naar deze eigenaar werd de hoeve ook soms Bagijnshof kwamen, komen de veldnamen In het Heimstenradt en
genoemd <PSHAL 1880, 166-167; 1885, 16>. Met die naam werd de Heijense Put voor; dit laatste is een verbastering van
hoeve zelfs nog in 1615 aangeduid; iemand, die niet met zijn Heimschen Put, welke versie in oude akten wordt aan-
oorsprong en betekenis vertrouwd was, ”vertaalde” hem in getroffen. Beide herinneren aan de grote middeleeuwse
het Latijn als Beginagium [= begijnhof] <KapOLV nrs. 851 en 855>. hoeve Heimstenrade, die binnen de grenzen van het kerspel
In 1392 trouwde Goswijn Bagijn van Esde met Jutta van der Geleen lag. Haar gewande strekten zich blijkbaar tot over de
Veurt. In de akte van de huwelijksvoorwaarden van 28 grens met Sittard uit, want daar lag de veldnaam aan
januari 1392 staat o.a., dat zij zouden hebben en behouden Himstenrade <Offermans, 47, 54, 57 en 104. - TsHKVGel 1992, 6-9>.
”den hoff tzo Esden mit allen ind yegeliken synen tubehoren, De vroegste vermelding van de ”hove to Himstenrode” staat
so wie die gelegen is in naten (= natte) in drugen (= droge) in de grensbeschrijving van Sittard uit 1351 <PSHAL 1877, 365-
mit moelen niet vytgescheiden”. Het is niet duidelijk wat de 366>. Men kan ze zelfs nog een paar jaren vroeger dateren,
uitdrukking ”mit moelen” hier betekende. Een van de want in 1337 stond de abt van Godsdal zeven bunder land
getuigen bij die akte was Gerlach van Antwilre, pastoor van tegen een jaarlijkse rente van twee mud rogge in erfpacht af
Geleen <PSHAL 1885, 167-170>. aan Winand van Havert, die Heimstenrade van het leenhof
Na het overlijden van genoemde Jutta trouwde Goswijn van Daniken in leen had <Ruwet, 270-271>.
Bagijn met Aleyda van Ghoor [Goer], dochter van Arnold Uit het tweede deel van dit toponiem blijkt, dat aldaar bos
van Ghoor [Goer]; het huwelijksverdrag werd op 15 gerooid was. Naast de versies Himstenrode (1351) en
september 1419 ondertekend <AKH, nr. 808>. Op 12 januari Heymstenroede (1410, 1472 en 1474) [met een t] kwamen
1425 werd Goswijn Bagijn door Nicolaas Hoen van ook de vormen Heymscheroede (1472), Heymschenroede
Hoensbroek, ”zijn lieve zwager en vriend” genoemd (1473), Heymscheroede (1474), Heymsenrade (1487),
<Hoensbroek, 46 en 50>, maar de juiste aard van die verwantschap Hijmsenroed (1493) en Heymsenraede (1503) [zonder t] voor.
is niet duidelijk. Zowel de frequentie van de laatstgenoemde versie als een
Op 23 juni 1427 werd Aleyda van Goer de weduwe van vergelijking met de toponiemen Amstenrade en Imstenrade
ridder Goswijn Bagijn genoemd <VROA 1904, 164. - Hanssen, 116>. doen vermoeden, dat de vormen zonder t dichter bij de
Als eigenaar van de hoeve Ten Eijsden werd hij blijkbaar oorspronkelijke versie hebben gestaan. Waarschijnlijk was
door zijn zoon Hendrik opgevolgd. Daarna kwam de hoeve het eerste gedeelte een beknopte vorm van een voornaam in
door erfenis achtereenvolgens aan Lambrecht van Goer en de genitief.
aan Herman en Johan van Boedberg. In 1537 werd ze Als oudste bezitters komen leden van het riddergeslacht Van
verheven door Cornelis van Boedberg, die met Agnes Huyn Havert voor. Op 4 juni 1410 schonken Gerard van Havert
van Amstenrade was getrouwd. In 1546-1550 behoorde de en zijn vrouw Bertha van Parlaer de hoeve Heimstenrade aan
hoeve aan zijn zoon Adriaan van Boedberg, in 1565 aan hun kinderen Dirk, Eva en Aleida. De beide dochters waren
diens erfgenamen en in 1568 aan diens zoon Arnold van in het klooster getreden, zodat Dirk na verloop van tijd
Boedberg <PSHAL 1885, 16-18; 1929, 147>. alleeneigenaar van die hoeve werd. Hij volgde het voorbeeld
van vijf oudere familieleden en trad - op zijn laatst in 1467 -
De gewande van Ten Eijsden in de Duitse Orde. Op 6 juli 1472, toen hij huiscomman-
Circa 1688 werd opgegeven, dat 38 bunders land en acht deur van Nieuwen Biesen te Maastricht was, schonk hij de
bunder weide van het Eijsdenerleen binnen het graafschap hoeve Heimstenrade bij testament aan de pitantie [= levens-
Geleen lagen <Msg 1951, 42>. In een der meetboeken Bollen onderhoud] van die orde te Alden Biesen (B.) <PSHAL 1905,
(circa 1700) staan ruim 52 bunder - waarvan zeven bunder 247; 1966, 89. - Msg 1922, 2-3. - LDOBB, 68-69>. Nadat hij op 10
laatgoed - als de gewande van Ten Eijsden vermeld <GAG nr. januari 1473 was overleden, kwamen andere familieleden
1>. In 1754 werden 45 bunder leengoed opgegeven, die tegen die schenking in verzet. Dit leidde tot een langdurig
tussen de Molenbeek [= Geleenbeek], de Danikerstraat, de proces, dat uiteindelijk van hogerhand in het voordeel van
Lang(e)straat en de Biesenhof lagen. Daarbij waren kennelijk de landcommandeur werd beslist. [Zie ”Kroniek” onder
de aan de overzijde van de Geleenbeek onder Schinnen 1472.]
gelegen ”15 bonder soo landt, weijde en heijde” niet Op 17 maart 1493 verkocht Merten van Strijthagen,
inbegrepen. In 1777 treffen we de volgende opgaven aan: commandeur te Sint-Pietersvoeren, die de hoeve Heimsten-
ruim 45 bunder leen onder Geleen, zeven bunder laat onder rade namens de Duitse Orde had verheven, met goedkeuring
Geleen en elf bunder laat onder Schinnen. Doch dat van de landcommandeur, een erfrente van zes malder rogge

85

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 86

voor 50 goudgulden en 49 stuivers, waarvoor hij ”den betekenis van camenade of kemenade was ”verwarmbare
gansen hoff gelegen en ghenannt zo Hijmsenroed... met kamer”, d.w.z. ”kamer, die van een schoorsteen was voor-
acker landen, weijden en bempden” als onderpand stelde, en zien”. Het was verwant aan kemeneye, een vernederlandste
op 8 april 1503 werden ruim twee bunder uit de gewande vorm van het Franse cheminée [= schoorsteen]. Omdat in
van die hoeve aan Jan Reintgens in erfpacht gegeven <BCAL 26 kastelen en herenhuizen bij voorkeur de eetkamers en de
vrouwenvertrekken werden verwarmd, kreeg kemenade ook
(1973-74), 193-201. - Grauwels, nrs. 313, 428, 434-441, 444, 459, 460, 464, 469, de betekenis van vrouwenverblijf <Oudemans III, 306 en 353-354. -
Stallaert II, 52>. In de archieven wordt die hoeve o. a. Kemme-
470 en 498>. Wellicht was het aan dergelijke transacties toe te node, Kemmenaten Commenade, Kommenade, Comenaden,
schrijven, dat deze hoeve sindsdien niet meer in de bewaard Kemmenauwen, Camenae, Commeneau, Commenaen en
gebleven archieven van Alden Biesen voorkomt en voor- Cummenaen genoemd; in de negentiende eeuw schreef men
taan als een rechtstreeks groot leen van Valkenburg werd officieel Kummenaanderstraat. In mijn jeugd sprak iedere
beschouwd. autochtone Gelener van ’t Kam(m)enaol.
In 1537 werd Meerten in de Lirps te Valkenburg met De vroegere situatie is geenszins duidelijk, want de archieven
Heimstenrade beleend. Na zijn dood in 1547/48 werd die vermelden twee hoeven van die naam. Ofschoon het woord
hoeve achtereenvolgens door Jan, Claes, Andries (1572), ”hoeve” ook vaak voor landerijen zonder gebouwen werd
diens zoon Jan (1629) en door een andere zoon (1630) (Van) gebruikt, wekken de oudste gegevens toch de indruk dat
Mutzenich verheven en hoogstwaarschijnlijk bewoond en er gedurende een bepaalde periode twee verschillende
geëxploiteerd. Daarom werd ze ook wel het Mutzenichleen gebouwencomplexen bestonden. Ingeval er werkelijk twee
genoemd <PSHAL 1885, 25-26>. hoeven van die naam hebben bestaan, is een van hen reeds
De gebouwen waren reeds verdwenen, toen Jan Bollen de vroeg vervallen, terwijl haar gewande in erfpacht waren
oude op 16 maart 1676 zijn eerste opmetingen van de uitgegeven. De andere brandde rond het midden van de
”Meetinghe der graeffschappe Geleen” in de noordoosthoek achttiende eeuw af, werd weer opgebouwd en brandde in het
van dat graafschap aan ”de Moelie” [= de naar de brug van begin van de negentiende eeuw andermaal af. Uit de
Munstergeleen lopende grensweg tussen Geleen en Sittard] beschikbare gegevens valt niet steeds met zekerheid uit te
begon. Bij de eerste 23 percelen, die het eigendom van maken wie de eigenaars of bewoners van welk Kemenade
particulieren waren en tezamen ruim tien bunder besloegen, waren.
tekende hij telkens aan, dat ze tot Heimstenrade hadden
behoord <GAG nr. 1>.

Houten vonder over de Keutelbeek in de Kummenaedestraat Een naamgenoot bij Rimburg
circa 1920. Het asverkeer ging door de beek. Rechts van de weg Ons Kemenade had verscheidene naamgenoten in Duitsland
werden oude fundamenten gevonden <GAG>. <Jellinghaus, 85>. Ook bij Rimburg lag een kasteel, dat
Kemenade werd genoemd. Al kan men op grond daarvan
geneigd zijn om aan de Keutelbeek te Geleen eveneens een
versterkte ridderwoning te veronderstellen, toch kan bij
gebrek aan nadere gegevens ten aanzien van de oorspronke-
lijke nederzetting geen andere conclusie worden getrokken
dan dat het woonhuis hoogstwaarschijnlijk uit steen was
opgetrokken.
JAN VAN HEELU vermeldde onder de deelnemers aan de slag
van Woeringen (1288) een Wilhelm van der Kemenaden
<Heelu, v. 7225>. Deze ridder werd door SLANGHEN op
Kemenade te Geleen geplaatst <Slanghen 1865, 142>. Hij streed
evenwel onder het banier van Mulrepas van Rimburg;
derhalve plaatsten H. HANSSEN en W. VON NEGRI hem ons
inziens terecht bij Rimburg. Eerstgenoemde zocht diens
burcht te Nivelstein, maar laatstgenoemde wist het kasteel
Kemenade tussen Rimburg en Finkenrath te lokaliseren
<Hanssen, 85. - ZAGV 1950, 110-111>.

De hoeve(n) Kemenade of Kummenade De Geleense hoeve Kemenade van Gielis van de Weijer
De huidige Kummenaedestraat bewaart de herinnering aan De vroegst vermelde Geleense hoeve Kemenade werd circa
een of twee hoeven, waarvan de naam ofwel Kemenade 1381 door Gielis van de Weijer [Egidius de Vivario] te
luidde ofwel een variant hiervan vertegenwoordigde. Volgens Heerlerheide bij het leenhof te Valkenburg verheven.
JELLINGHAUS was een kemenate een ”nur für sich stehendes Daarbij werd genoteerd, dat die verheffing de gehele hoeve
(steinenes) Wohngebäude” <Jellinghaus, 85>. Een vroegere [integralis curtis de kamenoeden] betrof <LvO nr. 823. - PSHAL

86

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 87

1885, 13-14>. Hij overleed in 1411. Bij de erfdeling van 2 oudste inwoners van Upgeleen de pacht van de hoeve
februari 1417 kreeg zijn schoonzoon Arnold van Ghoor Kemenaden, geheten ”den heijdenpacht”, steeds aan de Heer
[Goer], die met zijn dochter Catharina was getrouwd, o.a. de van Wijnandsrade had toebehoord; de hoeve zelf werd toen
goederen te Geleen. Toen hij die verhief, werd opgemerkt, door hen als ”den heijden-pachthoff” aangeduid <Hermans II,
dat hij daarop het beste paard verschuldigd was. Het echt- 66>. Bij het verkrijgen van de heerlijkheid Geleen in volle
paar Van Ghoor-Van de Weijer had zes kinderen. De derde eigendom (1609) werden aan Arnold III Huyn en zijn
zoon Daniel kreeg de goederen te Geleen, terwijl zijn zusters opvolgers twintig vat rogge in de erfpacht van Kemenade
Catharina en Aleyda een rente van negen Rijnse gulden toegekend <AKA Charters nr. 19. - LvO nr. 1227>.
aldaar ontvingen. Zoals wij zagen trouwde genoemde Aleyda Zoals wij zagen kwam die hoeve Kemenade in 1450 als erf-
in 1419 met Goswijn Bagijn van Eijsden. Naar het schijnt, pacht aan Stas van Daniken de jonge. In 1503 is een Stas van
hebben de leden van het geslacht Van Ghoor hun aandelen Comenaden schepen van Geleen <Grauwels, nr. 498>. Wegens
in Kemenade verkocht <BSVAH 1954, 21. - LvH 1956, 124-125>. zijn voornaam kan hij waarschijnlijk als een lid van het
J. HABETS en DE CRASSIER schreven, dat het Kemenade van geslacht Van Daniken worden beschouwd. Dit Geleense
Gielis van de Weijer achtereenvolgens aan de geslachten Van geslacht, waarvan ook in de zeventiende en achttiende eeuw
Holzit, genaamd Oost, Van Hulsberg, genaamd Schaloen, verscheidene leden worden vermeld, zal wel - tegen de
en Hoen van Cartils zou zijn gekomen <PSHAL 1885, 13; 1931, verplichting van een erfpacht - in het bezit van de gewande
112>. Doch in de cijnsrol van de kloosterhoeve van Krawinkel van die hoeve zijn gebleven, maar van hoevegebouwen is na
staat uitdrukkelijk vermeld, dat de ”hoffstadt [= hofstede], 1450 geen sprake meer.
die her Gielis vanden Wher [= Weijer] was”, in de vijftiende Bij de opheffing van het leen- en laatverband op het einde
eeuw aan ”her Werner van Merode” toebehoorde <ASMAkt, nr. van de achttiende eeuw bleven de percelen van die erf-
54c>. pachten - tezamen ruim 26 bunder - in het volle bezit van de
Op 13 december 1430 droeg Werner van Merode vier circa vijftien Geleense pandhouders <TsHKVGel 1993, 51>.
bunders akkerland van de hof Commenade voor een erfpacht
van vier mud rogge aan Maas van den Steenberg over Het Geleense Kemenade van Goswijn Bagijn van Eijsden
<JanssenLimp 1974, 56>. Twintig jaar later, op 13 december 1450 Ofschoon Goswijn Bagijn met Aleyda, dochter van Arnold
gaf hij - voor zichzelf en zijn erfgenamen - aan Stas van van Ghoor [Goer], welke laatste in het bezit van het
Daniken de jonge zijn ”hoff toe Kemmenaten soe wije der Kemenade van Gielis van de Weijer was geraakt, trouwde,
gelegen is op huijden diesen dagh... in den kerspele tot had hij zijn bezit van ”Kemenade” niet aan die relatie te
Opgeleen mijt sijnen gefürchten, hoffreijden [= erf], danken. Reeds vóór 1392 was ”het andere” Kemenade in het
bongarden und weijden, nijet daer aen vuijtgescheijden, bezit van zijn moeder Styna van den Broek, die wij reeds bij
unde daertoe XII buijnre und 8 roeden ackerlants der de hoeve Ten Eijsden hebben ontmoet. In het huwelijks-
straeten reign... und noch eijne kempken beneben... verdrag van Goswijn en Jutta van der Veurt van 28 januari
schietende op die straet und hilt acht undt sieventigh 1392 staat immers, dat zij en hun kinderen zullen verwerven
roeden, und noch dardehalff buijnre ende noch 80 roeden ”na dode [van] vrouwe Stynen die vurss Goisswyn mueder...
camps voor den voors. hoff oder bach” in erfpacht <AKA. - den hoff tzo Kemmenode mit allen ind yegeliken synen
PSHAL 1884, 417>. Deze Stas de jonge was blijkbaar een halfers- tubehoeren so wie die gelegen is niet(s) vytgescheiden”. Op
zoon, want reeds in 1400 werd een Stesken, zoon van Stas 1 april 1413 verdeelden Goswijn Bagijn en Godard Buffel
van Daniken, als halfer van Kemenade vermeld <ASM-Akt nr. van Bernsberg de nalatenschap van Styna van den Broek
54c>. <PSHAL 1880, 167-168. - Hanssen, 103 en 322-323>.
Maria van Merode, dochter van Werner, huwde in 1468 met Daarna moet dit Kemenade in het bezit van het ridder-
Johan van Schönrode. In 1502 ging zij met haar kinderen geslacht Van Holzit, genaamd Oost, zijn geraakt. In 1537
Werner en Margaretha een deling van het ouderlijk erfgoed werd genoteerd: ”Heynrich van Holzet genant van Oest hylt
aan. Daarbij verkreeg Margaretha de erfpachten van toe leene... den hoff tot Kemmenauwen, hoem tuebehoeren-
Kemenade. Na de dood van Maria van Merode (1516) de bynnen der banck van Geleyn”. Hij huwde met Maria van
kwamen Werner en Margaretha’s echtgenoot Wijnand (van) Eynatten. Op 9 februari 1545 werd dit goed, in naam van
Maschereil, Heer van Wijnandsrade, overeen, dat Wijnand zijn onmondige kinderen, door zijn broer Christoffel en in
die erfpachten zou verkrijgen. Daarop verhief deze dit leen te 1557 door Mathijs Knubben, als momber van diezelfde
Valkenburg. In 1532 werd het door zijn schoonzoon Willem kinderen, verheven <PSHAL 1885, 13>.
van den Bongart verheven. Vervolgens zouden die erf- De dochter Maria van Holzit-Oost die circa 1550 met
pachten in 1555, 1590, 1601, 1645, 1679, 1717, 1715 en Reinier van Hulsberg, genaamd Schaloen, was gehuwd,
1741 door de Heren van Wijnandsrade uit het geslacht Van verkreeg Kemenade. Daarna kwam dit goed aan haar zoon
den Bongard worden verheven <ZAGV 1883, 251. - PSHAL 1885, 15- Gerard van Hulsberg. Omdat diens huwelijk met Maria
16>. Raets van Frentz kinderloos bleef, droeg hij op 11 augustus
Op 19 mei 1563 berichtten de schepenen van Geleen aan de 1629 zijn aandeel in de hoeve Kemmenae aan zijn neef
Heer van Wijnandsrade, dat volgens verklaringen door de Walraaf Schellaert van Obbendorp, Heer te Schinnen, over.

87

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 88

In een document uit 1671 staat: ”Den Hoff Kemmenae moeten hierbij nog drie bunder worden vermeld, die van het
toebehorende de Erffgnamen van wylen Hendrik van Oest kapittel van O.-L.-Vrouw te Maastricht afkomstig waren en
tot Liebeck <NRhWfD-Merg. Abg., St Abg., Akten I, 116>. waarop een cijns rustte <KapOLV nr. 855>.
De vermelding in een meetboek Bollen, dat Kemenade in
1676 aan de Heer van Sloen [= Schaloen] zou hebben Halfersgeslachten op de pachthoeve Kemenade
toebehoord, kan niet kloppen, want Gerard van Hulsberg, In 1615 en 1623 werd Thijs Custers als de ”winne” van de
genaamd Schaloen, was reeds in 1642 overleden. Deze pachthoeve Kommenaede vermeld <KapOLV nr. 855>. Hij werd
laatste had zijn bezittingen aan Johan Reinier Hoen van opgevolgd door zijn zoon Stas Custers, schepen van Geleen,
Cartils, een neef van moederszijde, vermaakt. Op 13 juni die met Jen Geelen trouwde. Die halfer overleed op 30
1657 verkocht Reinier Theobald Schellaert, zoon van de augustus 1661 en werd opgevolgd door zijn zoon Peter
zojuist genoemde Walraaf Schellaert, aan diezelfde neef een Custers (*23-8-1631, † 7-2-1712). De schepen Gelis
deel van zijn bezittingen; daarbij was ook zijn aandeel in Custers (*ca. 1500), die o.a. in 1563 en 1566 voorkwam en
Kemenade inbegrepen. ook wel ”Gielis van Kemmenade” werd genoemd <LimTsGen
Daarna werd die hoeve in 1665, 1710, 1750 en 1754 door 1994, 115>, was waarschijnlijk een zoon van een halfer van
leden van het geslacht Hoen van Cartils te Valkenburg Kemenade, maar wordt zelf niet als halfer van die hoeve
verheven <Slanghen 1859, 194-195. - PSHAL 1884, 279-280; 1885, 13-15. - vermeld.
Philippens 1987, 112 en 16>. In 1782 overleed Maximiliaan Circa 1750 brandde de boerderij af; ze werd echter weer
Hendrik Hoen van Cartils, die Kemenade in 1754 had opgebouwd. Rond die tijd vinden we er als halfer de uit
verheven, kinderloos <PSHAL 1884, 279-282; 1885, 13 en 15>. Stein afkomstige Peter Feron (*31-1-1711, † 2-9-1763), die
op 10 februari 1734 te Geleen met Jen Lenarts alias Custers
De gewande van Kemenade (*4-6-1716) was getrouwd. De in het sterfregister op 6 april
In 1671 werd de omvang van de gewande op 34 bunder, drie 1769 vermelde Jen Custers op Commeneau heeft wellicht tot
morgen en 38 kleine roede bepaald <NRhWfD-Merg. Abg., St.Abg., een oudere generatie behoord, want in 1788 bleek de
Akte I, 14-16>, terwijl rond 1688 werd genoteerd, dat het weduwe van de halfer Peter Feron nog in leven te zijn. Deze
Cummenaderleen 34 bunder land en acht bunder weide laatste werd opgevolgd door zijn zoon Frans Feron (*23-10-
omvatte <Msg 1951, 42>. Omstreeks 1700 werden door de land- 1743), van wie in 1781 werd vermeld, dat hij ”halffwin op
meters Bollen 37 bunder, drie zillen en negentien roede van den Pagthoff Camenae” was, terwijl hij op 14 maart 1782
het Commenaenleen gemeten <GAG nr. 1>. Ook uit een docu- ”gewesen halfwin van Cummenade” werd genoemd. Op 30
ment van 9 maart 1754 blijkt, dat die hoeve met de gewan- mei 1769 huwde hij met Anna Catharina Haerden († 7-5-
de toen officieel 371/2 bunder besloeg; daarvan lag een deel 1778) en op 16 februari 1779 met Catharina Willems (*22-
in de Kummenaedestraat bij de Keutelbeek <PSHAL 1885, 15>. 1-1754). Toen Frans Feron op 13 januari 1782 overleed, was
Gezien het feit dat de halfer, volgens de landmeters Bollen, hij slechts 38 jaar oud. Hij liet uit zijn eerste huwelijk vijf en
rond 1700 slechts 26 bunder exploiteerde, kan men zich uit zijn tweede huwelijk twee kinderen na <PSHAL 1884, 280-282;
afvragen of hun opgave van de gewande misschien een 1885, 13 en 15>.
combinatie van de beide Kemenades is geweest. Tevens
Kemenade in handen van Geleners
Middeleeuws kannetje (14 cm) en potje (81/2 cm) gevonden ter Zoals wij zagen overleed Maximiliaan Hendrik Hoen van
plekke van de vroegere hoeve Kemenade <In bezit van L. Schrijne- Cartils, die Kemenade in 1754 had verheven, een half jaar na
makers; foto door de schrijver>. Gelijkaardige kannetjes worden circa de dood van zijn halfer Frans Feron, zonder kinderen na te
1300 gedateerd <RheinMaas, 39>. laten <PSHAL 1884, 280-282; 1885, 13 en 15>. Daar leden van de
familie Feron daarna in het bezit van de gebouwen en van
een deel der gewande bleken te zijn, moet er in het vierde
kwart van de achttiende eeuw een eigendomsoverdracht
hebben plaatsgehad. De ons ter beschikking staande
gegevens verschaffen echter geen duidelijk beeld van de
situatie. Ook wijst niets erop, dat de nieuwe eigenaars dit
leen te Valkenburg hebben verheven.
Op 14 maart 1782, d.w.z. twee maanden na de dood van
Frans Feron, hield zijn weduwe Catharina Willems een
verkoop van de haar toebehorende ”gereyden, bestialen ende
effecten, bestaende in karren, wagens, peerden, koeijen,
schaepen en andersints”. Het is niet duidelijk of zij op 21
augustus 1783, op welke datum zij met Reinier Dullens
(*26-8-1760), een halferszoon van de Biesenhof, trouwde,
nog op Kemenade woonde. Haar tweede echtgenoot had

88

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 89

o.a. ruim negentien bunder van de (vroegere) kloosterhoeve Klooster- en kapittelhoeve met de grote schuur te Krawinkel
van Krawinkel onder de ploeg. Het echtpaar Dullens- Afgaande op de voorheen ten westen van de spoorlijn
Willems kreeg minstens zeven kinderen, van wie er ver- Maastricht-Sittard gelegen en reeds in 1676 vermelde
scheidene heel jong stierven. toponiemen Aan het Klooster en Op het Klooster en de later
Volgens een akte voor notaris J. M. Luijten liet de weduwe daarnaar genoemde Kloosterstraat en Kloosterdwarsstraat,
van Peter Feron, ”halfwin op desen hoff Camenae tot meende ik in 1952 de middeleeuwse kloosterhoeve van
Crawinckel” op 14 en 15 maart 1788 een publieke verkoop Krawinkel ongeveer op de hoek van die twee straten te
houden van ”alsulcke gereijden, bestialen ende effecten, mogen lokaliseren <Geleen, 21>. Jammer genoeg werd die
bestaende in karren, wagen, peerden, koeyen, schaepen en verkeerde locatie door R. C. HEKKER overgenomen <B&MNO
andersints”. Daarbij werden geen onderdelen van de hoeve 1988, 1, 36>. Vóór de aanleg van de spoorweg Maastricht-
zelf of de daarbij behorende landerijen vermeld. Het was Sittard werd het grootste gedeelte van de Krawinkeler
allicht geen toeval, dat de verkopen van 1782 en 1788 allebei ”Dorpstraat” Weg op het Klooster genoemd, en uit latere
rond half maart plaatshadden, want volgens de oude traditie gegevens blijkt, dat praktisch alle terreinen, die ten zuiden
verhuisden de halfers van de grote hoeven in die tijd van het langs die straat lagen, eertijds tot de landerijen van de
jaar. Derhalve lijken beide verkopen met verhuizingen in kloosterhoeve behoorden. Na de aanleg van de spoorweg
verband te hebben gestaan. In 1782 en 1788 werd ook ene werd het oostelijke gedeelte van die straat Spoorstraat
Jaspar Willems van Camenade vermeld. genoemd, terwijl men het westelijke gedeelte als Klooster-
Op 14 november 1791 hielden ook de kinderen van het straat ging aanduiden. Ook de naam Kloosterdwarsstraat is
echtpaar Frans Feron en Anna Catharina Haerden voor niet van oude datum.
genoemde notaris een openbare verkoop van vee, huisraad, Ondanks hun namen is geen van die straten een aanduiding
tuin en veldvruchten <Göbbels, 51-54>. De hoeve en de gewande voor de locatie van de kloosterhoeve, want in een meetboek
van Kemenade verdeelden ze blijkbaar onder elkaar en met Bollen (1676-1706) staat uitdrukkelijk, dat de ”huijsplaetse”
de beide kinderen van hun vader en diens tweede echt- van die hoeve aan het zuidelijke verlengde van de huidige
genote. Op 16 juni 1795 droeg een van hen, nl. Jenne Hofstraat - door die landmeter hoeverstraet genoemd - bij
Lisbeth Feron (*23-9-1776), en haar echtgenoot koster de Keutelbeek lag. Die plek dient bij het huidige kruispunt
Lambert Meys, ”seeker huys, schuyr, stallinge met annexe van de Marisstraat en de Van Ostadestraat te worden
bouagie genaemd Camenae” [met een oppervlakte van bijna gezocht.
96 roeden], een ”moeshoff gelegen tegens over gemeld huys”
[ruim 34 roeden groot] en 58 roeden land, die achter die Stichting en uitbreiding (sedert 1250) van de kloosterhoeve
hoeve lagen, over aan de bovengenoemde Reinier Dullens en In augustus 1250 ontvingen de cisterciënzermonniken van
Catharina Willems. Andere gedeelten van de gronden en Villers [Villers-la-Ville bij Brussel] van Dirk II, Heer van
gebouwen behoorden aan Jan Lambert Hoedemakers en Valkenburg, en diens echtgenote Bertha in volle eigendom
diens echtgenote Maria Ida Feron (*19-2-1773), een andere en voor altijd een plaats te Geleen om een hoeve te bouwen,
dochter van Frans Feron; later deden ook zij hun aandelen die dicht bij het Graetbos was gelegen: locum unum ad
van de hand. Het echtpaar Dullens-Willems is niet op edificandam curtem unam... in territorio de glene prope nemus
Kemenade gebleven, maar verhuisde naar Krawinkel. Daar is quod vulgo dicitur li graite, allodialiter et libere perpetuo
Reinier Dullens op 23 september 1833 overleden. Zijn possidendum. Daaraan werden nog een aantal rechten toe-
echtgenote Catharina Willems overleefde hem nog geen jaar gevoegd. Zo zouden de monniken in verband met het beheer
en stierf op 21 augustus 1834. van die te bouwen hoeve elk jaar tien vrachten wijn,
De nieuwe eigenaars van Kemenade waren Jan Baggen vruchten of andere benodigdheden [utensilia] vrij van
(† 28-12-1801) en zijn uit Beek afkomstige echtgenote rechten [a thelonio] binnen het Land van Valkenburg mogen
Catharina Keulen († 7-4-1803), die tot dan toe in Krawinkel vervoeren en zouden zij ook ten aanzien van hun vee van tol
hadden gewoond. Zij hadden vier dochters. Op 5 januari [a pedagio] ontheven zijn. Bovendien vergunde Dirk II hun
1804 deelden hun erfgenamen het woonhuis, de stallen en vrijstelling van alle belastingen en dienstbaarheden. Verder
andere bijbehorende gebouwen [o.a. een schuur], afkomstig schonk hij hun het recht om zowel het door henzelf gevoe-
van de hoeve Camenae [”la maison d’habitation, écuries, et de alsook hun aan anderen toevertrouwde vee op de gemeen-
autres bâtiments en dependants... grange... provenant de la schapsgronden te weiden: usum pascuorum communium ad
cense Camenae”]. Toen werd tevens bepaald, dat binnen acht opus animalium suorum <CD, fol. 11ro. - Ernst VI, 13. - Russel 1860,
maanden de schuur van Kemenade naar een perceel van een 102-104>.
andere erfgenaam moest worden overgebracht. Niet lang In juli en augustus 1252 kochten de cisterciënzers nog 60
nadien brandde die hoeve andermaal af; ze werd niet meer bunder land te Krawinkel van Goswin van Oud-Valkenburg,
opgebouwd <Russel 1860, 39-40. - PSHAL 1928, 257 - Strijkers, Feron, 17- kanunnik van St.-Servaas te Maastricht. Die grond werd in
18 en 24-26>. Ze staat dan ook niet op de Tranchotkaart twee verschillende transacties verworven, want van 45
aangegeven. bunder genoot het kapittel van St.-Servaas op het feest van
St.-Lambertus [= 17 september] een cijns, terwijl het

89

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 90

Maastrichtse kapittel van O.-L.-Vrouw op het feest van goederen te Krawinkel was geweest <Moreau, 281>. In 1290
St.-Stephanus [= 26 december] een cijns van de overige werd frater conversus Arnoldus als de beheerder van de
vijftien bunder genoot. Voortaan zouden die cijnzen door de kloosterhoeve te Krawinkel vermeld <CD, folio 12vo>. Een
eigenaars van de kloosterhoeve van Krawinkel worden conversus was geen priester-monnik maar een lekenbroeder.
geleverd en/of betaald <CD, folio’s 10vo - 12vo - AHEB 1907, 348-349>. Uit de ons beschikbare gegevens valt niet met zekerheid op
In 1257 kochten de monniken nog dertien bunder akker- te maken of de monniken van Villers hun hoeve van
land te Krawinkel. Één daarvan had aan het klooster Krawinkel hoofdzakelijk door hun eigen lekenbroeders
St.-Gerlach te Houthem toebehoord <CD, folio 24ro>. Verder lieten exploiteren dan wel vooral personen uit de naaste
werden twaalf bunder door Alard van Brecht overgedragen, omgeving in dienst namen. Volgens een opgave uit de
waarvan er elf te Valkenburg leenroerig waren. De Heer van dertiende eeuw had hun hoeve van Krawinkel toen tien man
Valkenburg ontsloeg deze elf bunder uit het leenverband in personeel <Moreau 1909, 184>.
ruil voor een jaarlijkse cijns van zes Luikse denariën, die de
monniken van Villers dienden op te brengen. Tevens Middeleeuwse cisterciënzers aan de ploeg volgens een latere
behielden deze laatsten de verplichting om de sinds lang op voorstelling <Naar Clark en Gordy, What men from Europe brought to America
het twaalfde bunder liggende, jaarlijks met Allerheiligen aan (1929), 95>.
de kerk van Geleen verschuldigde, cijns van zes Luikse
denariën te betalen <Ernst VI, 18-19>. De grote schuur, de eigenlijke grangia
Ook daarna had er blijkbaar nog een aantal transacties De cisterciënzers waren gewoon om bij elk van hun boerde-
plaats, want volgens een opgave uit 1272 ontvingen de rijen een vrijstaande schuur [grangia] van buitengewone
kloosterlingen toen pacht van vijftien bunder grond [met afmetingen op te trekken. Dergelijke schuren waren zó’n
een boerderij], inden zij cijnzen in geld en kapoenen van karakteristiek aspect van cisterciënzerhoeven, dat de naam
ruim zes bunder grond [met drie gebouwen] en waren zij aan grangia op de hoeven zelf - incluis de schuren - overging.
verscheidene instanties inkomsten verschuldigd. Zo moesten Ook bij hun hoeve van Krawinkel hebben de cisterciënzers
zij jaarlijks - behalve de zojuist genoemde zes denariën - van Villers zo’n opvallend grote schuur gebouwd. In een
twaalf Luikse denariën als tiende op twee bij hun hoeve Latijns stuk van 1377 werd ze horreum genoemd <Franquinet,
gelegen weiden aan de pastoor [investitus] van Geleen OLV II, 298>, terwijl in de zestiende eeuw sprake was van ”den
betalen <AHEB 1907, 162-163 en 348-349>. voetpaedt komende van den hoff te Crauwinkel door hoeffs
Tenslotte voegden de monniken nog dertien bunder bempt [= beemd van de hoeve] rechtvuyt door Mercken
- bestaande uit stukken van vijf en acht bunder - die in 1225 Custers weyde langs de schuir tot over de hehrstraet” <Msg
aan het kapittel van O.-L.-Vrouw te Maastricht waren 1911, 34>. Uit diverse contexten valt op te maken, dat die
geschonken, aan hun landerijen toe. Daarop bleven zij een ”schuir” ten oosten van de andere gebouwen van de kloos-
jaarlijkse cijns van twee Rijnlandse gulden en twee kapoenen terhoeve heeft gelegen. Ofschoon ze circa 1700 nog in
schuldig, die op het feest van St.-Thomas [= 21 december] documenten werd vermeld <KapOLV, nrs. 851 en 855>, komt ze
moest worden voldaan, terwijl er bovendien een paarden- niet voor in de meetboeken van de landmeters Bollen uit
keurmede op rustte. Volgens een verklaring van de schepe- 1676 en 1706.
nen van Geleen mocht deze laatste slechts worden geheven
van terreinen, waarop gebouwen stonden; en aangezien in De kloosterhoeve van Krawinkel aan het Münsterstift van Aken
1377 op het stuk van acht bunder een gebouw stond, was verkocht (1465)
die regeling hier van toepassing <Franquinet, OLV I, 16-17; II, 63-64 en In 1465 verkochten de monniken van Villers hun ”hoff van
298. - KapOLV nrs. 851 en 855>. Crauwinckel gelegen inden lande van Valckenborch met
Het ligt voor de hand, dat de kloosterboerderij van allen sijnen toebehueren ende aenhangen het sije in landen,
Krawinkel kort na 1250 zal zijn opgetrokken. In 1272 werd bosschen, bempden, chij(n)sen, renten oft anderssyns” voor
ze door de monniken van Villers aangeduid als domum 3.150 Rijnlandse goudgulden aan het kapittel van O.-L.-
nostram [= ons huis] en curtem nostram [= onze hoeve] <AHEB Vrouw [= Mariastift] te Aken. Ofschoon de pauselijke goed-
1907, 348-349>. De meeste van haar gewande lagen tussen de keuring tot de verkoop van de Grangiam seu Curtem
Kummenaedestraat [in het noorden] en de Tomeikerweg [in Crauwelinges alias Crauwinckel pas op 15 augustus 1465
het zuiden] en strekten zich vanaf ongeveer de weg van Oud- werd verleend <ASM-Urk. 429>, had reeds op 10 juni 1465 de
Geleen naar Neerbeek [in het oosten], ”allegans die dorp betaling van de eerste termijn van de koopsom plaats; de rest
straet” van Krawinkel, tot aan het Graetbos [in het westen]
uit <ASM-Akt. nr. 36. - GAG nr. 1>.
Bij de transacties van 1252 en 1257 traden conversus
Albertus en frater conversus Lambertus namens de abdij van
Villers op. Volgens DE MOREAU was deze laatste dezelfde als
frater Lambertus, van wie in 1272 werd gezegd, dat hij
voordien de bedrijfsleider [magister of grangarius] van de

90

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 91

werd op 11 maart en 10 april 1466 voldaan. Op 24 mei huwde hij met Catharina Proosten. Thijs Banens overleed op
1466 verklaarden de gezamenlijke monniken van Villers zich 20 oktober 1683; zijn echtgenote stierf op 6 september 1701
met die overdracht akkoord. Toen deelden zij tevens mee, <LimTsGen 79-88; 1994, 108>. Hun zoon Dries Banens (*15-1-
dat daarbij ook de percelen waren inbegrepen, ”die van 1670) nam het bedrijf over.
smalen [= door kleine] heeren gehouden [= gepacht] werden In een meetboek Bollen (1676-1706) staat, dat het kapittel
soe met kueren [= keuren] soe anderssins”. Zij wezen twee van Aken zijn hoeve van Krawinkel met 70 bunder, 1 zil en
medebroeders aan om in dit verband officieel in hun naam 371/2 roede aan Dries Banens had verpacht, en dat het
op te treden <ASM-Urk. 431>. Op 29 mei 1466 werd die over- bovendien 21 bunder, 1 zil en 271/2 roede had ”uytgegeven
dracht - met alle daarop betrekking hebbende stukken - in onder die Naebueren”. In het pachtcontract van 24
een notariële akte vastgelegd <ZAGV 1979/80, 281. - ASM-RHs 6, f. december 1691 - ingegaan op de voorafgaande St.-Remeis
114ro-119ro>. [= 1 oktober] - staat dat Dries Banens de hoeve voor zes jaar
Bij die koop waren eveneens de dertien bunder inbegrepen, pachtte, maar dat ”twe(e) en twintig bonders offt ontrent
waarop een cijns en een keurmede aan het kapittel van (waren) uijtgegeven aen Gerard Creckels [= Krekels]”. In
O.-L.-Vrouw te Maastricht verschuldigd waren. Ter regeling latere contracten staat, dat het apart verpachte gedeelte ruim
hiervan benoemden de kanunniken van Aken een hunner als 21 bunder bedroeg.
de ophelder van die percelen. De bewering, dat die keur- Dries Banens huwde op 11 november 1696 te Geleen met
mede ”eine jährliche Pferdekurmut” zou zijn geweest <HJLvZ Anna Luijten (*25-3-1676) uit de oliemolen van Munster-
1993, 87>, is niet juist. Volgens de algemene regel moest een geleen; in drieëntwintig jaren (1697-1720) zou zij hem acht-
paardenkeurmede [cormedam equi] niet jaarlijks doch slechts tien kinderen schenken. Ofschoon hij op 25 september 1697
bij de dood van de ophelder worden geleverd. In werkelijk- zijn toust, die met St.-Geertruid [= 17 maart] van het
heid werd meestal geen paard geleverd, maar werd zijn volgende jaar zou ingaan, voor twaalf jaar vernieuwde, werd
tegenwaarde in geld betaald; die waarde bedroeg tien Rijnse toch in het begin van 1704 een nieuw pachtcontract voor zes
gulden in 1466, achttien Brabantse gulden in 1511, tien jaar gesloten <ASM-Akt. nr. 54c>. Maar vóór 25 augustus 1708
goudgulden in 1601, zestig gulden Maastrichtse koers in heeft het gezin Banens-Luijten de hoeve verlaten. Dries
1635 en twintig patakons [= honderd gulden] in 1662 <DAA, Banens stierf op 30 januari 1729, zijn echtgenote Anna
X A 30>. Luijten op 13 januari 1733.
Bovendien namen de kanunniken van Aken bij die transactie Op 25 augustus 1708 ging Laurens Dortu of Dorteux een
de aan de hoeve van Krawinkel verbonden inkomsten aan contract voor zes jaar aan, dat met St.-Geertruid [= 17 maart]
cijnzen over. Van de terreinen en gebouwen, waarop die 1709 zou ingaan. Merkwaardigerwijze werd zijn toust reeds
cijnzen rustten, lagen er twintig onder Geleen en achttien op 17 november 1713 in een in het Frans gesteld contract
onder Beek. Daar het innen van die cijnzen voor hen vrij [die halfer was waarschijnlijk een Waal] voor twaalf jaar
omslachtig was, vereenvoudigden de kanunniken die - ingaande met St.-Geertruid 1715 - vernieuwd. Maar nog
procedure later door ze voor zeven en een halve patakon per voordat de eerste toust zou zijn verlopen, had er een ramp
jaar aan de halfer van hun hoeve te verpachten. Uit een plaats.
document van 1478 [zie ”Kroniek”] blijkt, dat de gewande
van de kapittelhoeve toen aan verscheidene personen De boerderij afgebrand (1714) en de gewande verkocht (1798)
verpacht waren. Op een nacht tegen half januari 1714 werd de hoeve van
Krawinkel door brandstichting [zoals het gerucht ging]
Pachters, tousten en gewande van de kapittelhoeve van volledig in de as gelegd: nostra villa de Crawinckel tempore
Krawinkel nocturno ab incendiis [uti refertur] incensa, et in cineres
Op 17 april 1518 ging Bartholomeus Mertens zoon [= zoon omnino redacta sit. Ze zou niet meer worden opgebouwd.
van Merten] een ”toust” van twaalf jaar aan; op 29 augustus Ook de halfer schijnt toen vertrokken te zijn, want op 7 april
1530 en 8 oktober 1543 deed diens zoon Johan Mertens 1714 werden de ruim 70 bunder, die hij onder de ploeg had
hetzelfde. Daarna is er een hiaat van ongeveer een halve eeuw gehad, voor twaalf jaar aan acht Geleners verpacht. Omdat
in onze gegevens. In 1601 en 1613 sloot schepen Dries de vereiste leveringen van deze pachters nagenoeg gelijk
Custers, die met Nelleken (Severens ?) was gehuwd, telkens waren, mag worden aangenomen, dat ieder van hen
pachtcontracten voor twaalf jaar af <ASM-Akt, nrs. 54a, 54b en 55g>; ongeveer negen bunder kreeg toegewezen. Intussen bleef Jan
hij stierf vóór 1639. Als halfer werd hij opgevolgd door zijn Krekels de andere 21 bunder pachten. Na zijn dood (31-10-
schoonzoon Marten Banens, wiens vader Peter Banens 1730) werden deze aan drie Geleners verpacht. Één van hen
pachter van de Neerbeekerhoeve en van de Biesenhof was was Lemmen Banens, zoon van de vroegere halfer Dries
geweest. Deze Marten trouwde met Bilken Custers en over- Banens. In de loop van de achttiende eeuw werden die
leed op 25 oktober 1655; zijn weduwe leefde nog in 1663 contracten regelmatig vernieuwd. Sommige stukken land
<LimTsGen 1994, 108-109>. Daarna was hun zoon Mathias of werden na verloop van tijd verder verdeeld <ASM-Akt. nr. 54c>.
Thijs Banens halfer van de hoeve van Krawinkel; ook hij was In 1798 werd het eigendom van het Akense Mariastift te
tevens schepen van het graafschap Geleen. Circa 1652 Geleen door de Fransen geconfisqueerd en verkocht. Op 2

91

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 92

januari 1798 werd een kavel van ruim achttien bunder door van de familie Leurs en in 1615 door Peter Maes. Deze werd
Werner J. Wulff uit Hoensbroek gekocht en op 1 februari als ophelder voor die helft achtereenvolgens opgevolgd door
d.a.v. werd de rest door genoemde Wulff en inwoners van Thijs Custers (1651), Renier Hagens (1674), Jan Bollen
Luik en Maastricht gekocht <FA nrs. 1265, 1279 en 1831. - Bergen, 32- (1704) en Lambert Göbbels (1751); de laatstgenoemde
34. - HJLvZ 1993, 91-93; 1995, 23>. [Zie hoofdstuk VI.] De nieuwe woonde in de Hegstraat.
eigenaars bleven de gronden verpachten; na verloop van tijd Dat elk van die helften verder gesplitst was, blijkt uit het feit,
geraakten deze in handen van Geleners. dat de Swartsenberger helft in 1751 door Peter Cremers
namens de bovengenoemde Lemmen of Lambert Banens
De ”leenhoeve” van Krawinkel ”en consoorten” werd verheven, terwijl de andere helft toen
Ten aanzien van deze ”hoeve”, die een groot leen van door Lambert Göbbels ”en zijne consoorten” werd verheven
Valkenburg uitmaakte en volgens HABETS oorspronkelijk 48 <PSHAL 1884, 425-426>. Bij de afschaffing van het leenstelsel en
bunder akkerland en weiden omvatte, bestaat de mogelijk- van de cijnzen aan het einde van de achttiende eeuw, zijn al
heid tot verwarring. Op de eerste plaats dient ze te worden die percelen blijkbaar in volle eigendom aan de bezitters van
onderscheiden van de zojuist besproken ”klooster- of die erfpachten gebleven.
kapittelhoeve” van Krawinkel, die geen leen van Valkenburg
was. Uit een meetboek Bollen [ca. 1700] blijkt trouwens, dat De grote hoeve van Reichenstein te Lutterade
de respectieve percelen van beide hoeven op geheel verschil- Zoals reeds eerder werd vastgesteld, moet de bewering, dat
lende plaatsen lagen. De door mij in vroegere publicaties Walram van Monschau de hoeve van Lutterade op 21 mei
gebruikte uitdrukking ”grote hoeve van Krawinkel” sloeg op 1251 aan het klooster van Reichenstein zou hebben
die kloosterhoeve, omdat mij geen andere grote middel- geschonken <HJLvZ 1995, 122>, als onjuist worden beschouwd.
eeuwse boerderij aldaar bekend was. Afgezien van het feit, dat een oorkonde van die datum met
Verder kan de vermelding door HABETS, dat ”de hoeve van die inhoud onbekend is, kon Walram van Monschau die
Krawinkel” eerst onder Beek en later onder Geleen was hoeve ook niet wegschenken, want in 1257 bleek ze nog
gelegen, tot verwarring leiden. Hij beweerde daarmee echter steeds in het bezit van Dirk II, Heer van Valkenburg, te zijn.
niet, dat de grens tussen die kerspels zou zijn verlegd, maar Op de zondag na het feest van de HH. Petrus en Paulus (29
wel dat die ”hoeve” later administratief anders geklasseerd juni) van het laatstgenoemde jaar verbleef hij op zijn hoeve
werd. Doch zijn opmerking, dat ze in 1884 nog onder Beek te Geleen [in curia nostra de Glen(n)e] om daar - in de
zou zijn gelegen <PSHAL 1884, 339 en 425> komt bedenkelijk aanwezigheid van zijn voogd, de schepenen van Geleen en
voor, want niet alleen is daar geen hoeve van die naam sommige leenmannen - zijn goedkeuring te hechten aan een
bekend, maar ook werd rond 1688 vermeld, dat het onder paar grondtransacties te Krawinkel ten gunste van de abdij
Geleen gelegen Krawinkelerleen uit veertig bunder land en van Villers <Ernst VI, 18-20>, die hierboven ter sprake kwamen.
achttien bunder weide bestond <Msg 1951, 42>. In een meet- Aangezien hier geen andere hoeve in aanmerking blijkt te
boek Bollen werd voor het ”Crauwinckels leen” binnen komen en ook de hierna te vermelden schenking op het bezit
Geleen een totaal van 55 bunder, 2 zillen en 55 roeden van die hoeve door de Heer van Valkenburg wijst, mag als
opgegeven <GAG nr. 1>. Volgens een andere bron lag van de praktisch zeker worden aangenomen, dat het hier de grote
107 percelen, die tegen het midden van de achttiende eeuw hoeve van Lutterade betrof. Deze lag aan de ”Onderste
dit leen uitmaakten, een zestal buiten Geleen <LvO nr. 1390. - Dorpstraat” [Geenstraat], waar later het zusterklooster kwam
TsHKVGel 1993, 51>. Het complex landerijen ontleende zijn en thans het appartementencomplex Kloosterhof ligt.
naam ”Hoeve van Krawinkel” klaarblijkelijk aan het feit, dat De beschikbare gegevens wijzen erop, dat die hoeve in de
de grootste groep van veertig percelen in of bij Krawinkel loop van de veertiende eeuw aan het klooster van Reichen-
lag. stein bij Monschau (D.) werd geschonken; daarom werd ze
De oudste bekende leenverheffingen hadden door niet- in 1377 als curia conventus Rikelsteyn, d.w.z. ”de hoeve van
Geleners vóór 1381, in 1381, circa 1386 en in 1454 plaats. het klooster Reichenstein”, aangeduid <Franquinet, OLV II, 299>.
Nergens is daarbij van enig gebouw sprake, al kan dit in Ofschoon dat klooster in 1487 in een mannenklooster werd
vroeger tijden wel aanwezig zijn geweest. Het is evenwel niet veranderd, werd die hoeve in een document van circa 1560
duidelijk of al die percelen dan wel slechts onderdelen daar- [wellicht een kopie van een ouder document] nog steeds
van reeds vroeg erfpachten waren. Al in 1537 bleken die ”der Nonnen hoff van Ryckerstein” genoemd. Tevens werd
landerijen in twee groepen te zijn gesplitst, die elk een toen vermeld, dat de eigenaar of de halfer van die hoeve in
verschillende ophelder [= vertegenwoordiger] hadden. Een tijd van oorlog een ”heerwagen” aan de Heer van Valkenburg
helft werd in 1537 door Jan van Bensenraedt verheven en ter beschikking moest stellen <ZAGV 1893, 286>. Dit laatste
vervolgens gedurende ruim een eeuw door leden van het aspect wijst ongetwijfeld op een vroeger verband met de
geslacht Van Swartsenborch, dat uit Schwartsenberg bij Heer van Valkenburg.
Kornelimünster stamde <Msg. 1886, 4>. In 1729 werd de zoge- Volgens opgaven door Reichenstein konden bij het begin
naamde Swartsenberger pacht door Jan Maes van Lutterade van de zeventiende eeuw slechts 62 van de oorspronkelijke
verheven. De andere helft werd eerst verheven door leden 68 bunder gewande van die hoeve worden geïdentificeerd.

92

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 93

Hiervan besloeg de vlak bij die hoeve gelegen boomgaard [dat aan de westzijde van de Onderste Dorpstraat of haar
vier bunder, terwijl 38 bunder ”op den Boschpatt” en in de verlengde de Vuling lag], in het oosten aan ”de gemeijne
Raadskuil lagen. De overige gronden lagen verder; zo lagen straet” en in het noorden aan de ”Hongerstraet” <GAG nr. 1,
vier bunder aan de Lintjensweg in het veld tussen Oud- folio 763>. En rond 1724 werd genoteerd, dat op diezelfde
Geleen en Ophoven. Volgens de landmeters Bollen ”boemgaerde ofte weijde gelegen tot Lutterad... op de
besloegen de gewande rond 1700 ruim 54 bunder. [Voor de gemeijn straet... ter sijde naer Geleen [= het oosten] de
latere geschiedenis van die hoeve zie deel II, hoofdstuk X.] voors[egde] straet genaempt de Veestraet [= Onderste
Dorpstraat], ter sijden naer Sittaert [= het noorden] de
Twee hoeven Stucken: in Beeks Neerbeek en dicht bij het Hongerstraet... voordesen van immemoriale tijden eenen
Einde te Oud-Geleen pachthof met schuijre en stallingen... den Stuckender hoff
Het feit, dat er twee - niet ver van elkaar gelegen - hoeven gelegen (gestaen) heeft” <AB, oud nr. 2348, nieuw nr. 1687>.
waren, die elk Stucken werden genoemd, heeft tot verwar- De opgave van pastoor Leurs uit circa 1637: ”Meerten van
ring geleid. Zo gaf J. RUSSEL, die kennelijk het Geleense Nirbeecks des alden Weduwe offt sijn erffgenamen gelden
Stucken op het oog had, een verkeerde locatie op, toen hij jaerlix onderhalff vat roggen van huys ende hoff gelegen
schreef: ”De hof te Stucken... was gelegen in het zooge- tegen den Hoff van Stucken oyck genandt der Wolff” <Codex
noemde Stuckenderveld” <Russel 1860, 40>. Aanvankelijk heb blz. 79, nr. 51> houdt niet in, dat de hoeve Stucken door de
ook ik het daar, op de grens van Beek en Geleen, gezocht, Geleners ”der Wolff” zou zijn genoemd. Zelfs als hier met
omdat men in 1271 [in het Latijn] schreef: ”bij het dorp ”der Wolff” naar Stucken zou zijn verwezen, zou daarmee
Beek op een plaats die Stocke heet, naast het gemeenschaps- ons inziens niet de hoeve zelf maar een stuk van haar
bos, dat Grate [= Graetbos] wordt genoemd” <Hennes II, nr. 417. gewande zijn aangeduid. Vlak daarvoor noteerde die pastoor
- PSHAL 1888, 36>, en in 1278 en 1280 een Theodericus van immers dat een ander stuk land van Meerten van Nirbeeck
Stocken of Stuckin werd vermeld, die ruim vier bunder akker- was ”geheyten der Wolff” <Codex Leurs, nr. 50>. Ook vermeldden
land, gelegen te Neerbeek, aan de Duitse Orde schonk en de landmeters Bollen meerdere ”op de Wolff” gelegen
van deze weer in pacht ontving <Hennes II, nrs. 490 en 492>. stukken land van andere eigenaars.
Bovendien vermeldt een document uit 1545, dat ridder Landmeter Jacob Dirix noemde de langs of door ”de Wolff”
Balthasar van Vlodrop toen niet alleen eigenaar was van westoostlopende weg ”de stege oft kerkwegh”. Dit was de
de Hanenhof te Oud-Geleen en van ”den hoff Nerbeck huidige Wolfstraat, het westelijke verlengde van de Hoog
[= Aldenhof <Becha 24-88>] mit allem seinem zubehör”, maar Steeg [= Pastoor Vonckenstraat] <AB oud nr. 2348, nieuw nr. 1687>.
ook nog van ”den hoff zu Stuckem mit allem seinem inn In onze tijd zou notaris Mélotte in de voorgevel van zijn villa
und zubehör, auch in dem kirspell von Nerbeck gelegen” op de hoek van de Wolfstraat en de Rijksweg de benaming
<PSHAL 1889, 155>. De laatstgenoemde hoeve moet hoogst- ”Huys op de Wolff” laten aanbrengen <GOA II, nrs. 68 en 69>.
waarschijnlijk ter plaatse van de - op de grens van Beek en Van de gewande van de hoeve Stucken, die ruim 45 bunder
Geleen gelegen - kadastrale benaming Stukkender Veld of besloegen, lagen de meeste niet vlakbij de gebouwen - zoals
Stokkender Veld worden gelokaliseerd. De gebouwen zullen dit bij de andere grote hoeven wel het geval was - maar door
wel binnen de grenzen van Beek hebben gelegen, want in de de hele heerlijkheid [later het graafschap] Geleen verspreid,
archieven van Geleen komt die hoeve naar ons weten niet ter o.a. te Hobbelrade, aan de Kummekerstraat bij [Spaans-]
sprake. Bijgevolg kan ze hier verder onbesproken blijven. Neerbeek, bij de Rommelije [of Romanie], in de Helling-
Daarnaast lag er ook een hoeve Stucken binnen de grenzen stock [tussen Krawinkel en Lutterade], in de Giesekuil, aan
van Geleen. Na vermeld te hebben dat die hoeve, tezamen de Groenseykerstraat, Hegstraat en Groenstraat, bij
met de Biesenhof, reeds in een dispuut van 1369 ter sprake Kemenade, in het Gasthuisveld, aan de Borrekuil, in de
was gekomen [zie ”Kroniek” onder 1369], schreef men in Winkel [bij de Heigraaf en de landwering aan de rand van
1682 ”dat die twee Hoeven in questie al over de vierhondert de Graetheide] en aan de Molscuylkesweg in de
jaren zyn geweest Duyts-Ordens-Goederen, gehorende Haesenpaedt [ten noorden van Lutterade] <AB nr. 298. - GAG nr.
aende Commanderye van den [Nieuwen] Biessen tot 1, Register>. Het ziet er naar uit, dat de ridders van de Duitse
Maestricht” <Deductie,15-16>. Orde in de loop der tijden allerlei gronden onder Geleen
FR. HERMANS heeft er de aandacht op gevestigd, dat de verwierven en die verspreid gelegen stukken aan de halfer
hoeve Stucken van de Duitse Orde dicht bij de Ridder van hun hoeve Stucken verpachtten.
Vosstraat moet hebben gelegen <TsHKVGel 1997, nr. 1, 12>. Uit
een combinatie van gegevens uit het archief van Alden Zestiende- en zeventiende-eeuwse halfers
Biesen <Nrs. 1687 en 287-298> en de meetboeken Bollen valt In 1572 is Jan Renckens de ”wijn” [= halfwin of halfer] van
inderdaad te concluderen, dat die hoeve op de westelijke de hoeve Stucken van de Duitse Orde. Op 20 juli 1591
hoek van de Vuling en de Hongerstraat [= Ridder Vosstraat] noemt Meijcken Custers, ”halfwinnerse te Stucken”, Jan
lag. Volgens die meetboeken grensde de enige daarin Renckens haar zoon en Jan Beltgens, gehuwd met haar
vermelde weide van Stucken - die toen ongeveer 31/2 dochter Catharina, haar schoonzoon. De schapenkoopman
bunder besloeg - in het zuiden aan het huis Hagens of Gadé Leonard Renckens, zoon van Jan Renckens, bijgenaamd

93

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 94

”van Stucken”, woont in 1587-1589 in de Daalstraat te Clemens van Nierbeeck <AB nr. 298> gepacht. Tot de terreinen
Krawinkel <AB nr. 288. - Genealogieën IV, 304>. Maria Beltgens, van Marten de jonge behoorden ook het ”kalverweytgen” en
dochter van Jan Beltgens, is met Johan Boschouwers de ”plaetse, alwaer den Backhuijs gestaen heeft”. Op 17
getrouwd. Deze laatste is op 17 maart 1581 een toust voor september 1656 maakte Clemens van Nierbeeck, ziek te bed
twaalf jaar aangegaan en zal tot 1606 op de hoeve Stucken liggend, zijn testament <Kw.Eijs>; hij overleed twee dagen
blijven <LvO nr. 1263. - AB nr. 291. - LimTsGen 1990, 4>. Daarna is later, op 19 september 1656. In 1682 wordt gezegd: ”elcken
Mathias Banens - broer van Johan Banens, halfer op de Pachter vande gespletene Goederen des hoefs Stucken onder
Biesenhof, en van Marten Banens, pachter op de (vroegere) Geleen heeft sijne eygene wooninge” <Deductie, 84>. De lande-
kloosterhoeve van Krawinkel - halfer van Stucken <LimTsGen rijen van Stucken werden tot het einde van de achttiende
1994, 108-109>. Daar in de jaren 1614-1623 Anselmus Laeijen eeuw door de Duitse Orde aan Geleners verpacht. In 1798
als pachter op die hoeve wordt vermeld, zullen de gebouwen werden ze door de Fransen geconfisqueerd en verkocht. [Zie
er toen nog wel [grotendeels] hebben gestaan. Maar in 1625 hoofdstuk VI.]
wordt Laeijen ”gewesener halffen zue Stucken” genoemd <AB
nr. 294>, terwijl daarna geen ”halfer” van die hoeve meer
vermeld wordt.

Splitsing van de gewande in 1623 Daneken of Daniken en naaste omgeving circa 1800. Op deze
Al moet het ver uiteenliggen van de gewande van de plattegrond is duidelijk te zien, dat het (later aldus genoemde)
Stuckenhof een moeilijke situatie voor de pachters van die ”Kwaad Gat” - middenboven, ten westen van en parallel met de
hoeve hebben geschapen, toch is wellicht het verval van de Geleenbeek - een onderdeel van de route vanuit Oud-Geleen
gebouwen de voornaamte reden geweest om die gewande op naar de graanmolen van Daniken vormde. Daar op deze kaart
13 maart 1623 ”stuckweiß”, d.w.z. in gedeelten - elk bunder de weg door Daniken door de Geleenbeek wordt onderbroken,
land voor twintig vat rogge en elk bunder weide voor 22 schijnt destijds bij de graanmolen geen brug over die beek
gulden - aan ”den Nachpauren [= naburen = inwoners] zue te hebben gelegen. De donkere rechthoek (middenlinks)
Gelehen und Luttelraij” voor negen jaar te verpachten. In geeft waarschijnlijk de plek aan van het zestiende-eeuwse
1653 waren er zeven pachters, en in 1682 werd gezegd, dat ”Tyrteshuys” of ”Nieuw Huis” van de familie Tyrtey alias Tirtey.
er ”vele verscheyde Pachters” waren, ”besittende daer af den Daar begon de weg naar de oliemolen; van deze laatste is hier
eenen maer eenige bunderen ende sillen, ende den anderen niets meer te zien <Tranchotkaart>.
meer oft min”.
Leden van de familie Van Nierbeeck, die te Oud-Geleen bij De heerlijkheid Daniken
of aan ”het Einde” - waar de Eindstraat de Maastrichterweg
bereikte - woonden, waren na die splitsing van de hoeve De nederzetting Daniken ontstond hoofdzakelijk langs de
Stucken de eerste pachters van het erf en zijn onmiddellijke Trichterweg [van Maastricht via Tüddern (D.) naar
omgeving. Zo werden Marten of Merten van Nierbeeck de Heinsberg], die bij de graanmolen aldaar de Geleenbeek
oude († ca. 1641) en zijn vrouw Liesken Penris in 1623 de kruiste. Het begin en de eerste ontwikkeling van dat gehucht
pachters van o.a. de ”hoiffreising” [= moestuin], waar zijn in het duister gehuld. PIJLS schreef, dat Daniken pas in
”Hauß, Stallung, Scheure und Wagenschop [= overdekte, 1698 onder de gehuchten van Schinnen werd vermeld
aan de voorkant open, bergplaats voor voertuigen] <PSHAL 1928, 182>. Hij bedoelde hiermee het oostelijke en
gestanden” hadden en waarbij ook de ”Misthoiff” [= waar-
schijnlijk het binnenerf] was inbegrepen, met een gezamen-
lijke oppervlakte van zes grote roede <AB nr. 296>. Het rond die
tijd door pastoor Leurs vermelde ”land gelegen tegen Daem
Penris huys ende hoff tot Stucken” <Codex Leurs, nr. 41> was
blijkbaar het tot de gewande van Stucken behorend stuk
land, dat vlak tegen de noordzijde van ”de huijsweijde van
den hoff van Rekensteen [= Reichenstein]”, d.w.z. de grote
hoeve van Lutterade aan de Geenstraat, lag <AB nieuw nr. 1687>;
op de laatstgenoemde hoeve verbleef toen Daem Penris als
halfer.
De onderdelen van Stucken, die Merten van Nierbeeck de
oude had gepacht, werden allereerst door zijn weduwe over-
genomen; in de archiefstukken van Alden Biesen wordt zij
als ”de R[elic]ta Marten van Nyrbeeck” aangeduid. Daarna
werden afzonderlijke stukken van diezelfde goederen door
haar zonen Marten of Merten van Nierbeeck de jonge en

94

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 95

jongste gedeelte van Daniken, dat binnen de grenzen van met Schinnen overschreden; derhalve kwam toen een gedeel-
Schinnen lag. Maar ook in de Geleense archieven komt het te van het gehucht Daniken onder die heerlijkheid te liggen.
westelijke en oudste gedeelte van dat gehucht opvallend laat Sedert de gemeentelijke herindeling van 1982 behoort ook
voor; in het wegenoverzicht van 1589 wordt het helemaal dat gedeelte bij Geleen.
niet vermeld. Dit laatste wijst er blijkbaar op, dat Daniken De beweringen van HABETS, dat Daniken eertijds ”kerkelijk
destijds nog niet tot de heerlijkheid Geleen behoorde. onder Schinnen en civiel onder Geleen” zou hebben behoord
en dat volgens de volksmond ”die van Daneken te Geleen
Het gezin Cuypers-Geurts aan de achterkant van het vakwerk- aan de galg en te Schinnen op het kerkhof” zouden komen
huis - het eerste huis van Daniken - tussen de weg vanaf het <PSHAL 1885, 23>, waren niet juist; het tegenovergestelde was
spoor naar Daniken en de afslag van de graanmolen, circa het geval. In tegenstelling tot de eerste bewering heeft heel
1924. Daniken steeds tot de parochie Oud-Geleen behoord, terwijl
Maar uit andere bronnen blijkt dat er verscheidene eeuwen maar een klein gedeelte [later] onder de gemeente Schinnen
voordien al een nederzetting Daniken bestond. Verder kan viel.
uit de vermelding dat rond 1700 te Daniken - binnen het In dat Schinnense gedeelte woonde de bokkenrijder Gerard
graafschap Geleen - niet minder dan negen ”huijsplaetsen” Custers, die op 16 mei 1752 op de Danikerberg [onder
lagen <GAG nr. 1>, worden geconcludeerd, dat daar reeds veel Schinnen] werd terechtgesteld. De juiste lezing van de door
eerder zo’n groep woningen heeft gelegen. Bij de verdere HABETS bedoelde uitdrukking luidde: ”Die van Daniken in
groei van dat gehucht in oostelijke richting werd de grens Schinnen aan de galg en te Geleen op het kerkhof”. De
clausule, dat de lijken der terechtgestelden enige tijd tot
”Figuratieve schets” van de woning Cuypers met aanhorige afschrikwekkend voorbeeld aan de galg moesten blijven
schuur, stal en erf gelegen ”op de Kamp” te Daniken, hangen om dan op de plaats van terechtstelling in de grond
”kadastraal bekend Sectie B nommer 2573, opgemaakt door te worden gestopt, werd niet in het vonnis van Gerard
P(ie) C(aspar) Diederen, landmeter te Puth 10 Februari Custers opgenomen. Daarom meende PIJLS, die de juiste
1896”. versie van die uitdrukking gaf <PSHAL 1928, 182>, dat hij op het
kerkhof van Geleen werd begraven <Pijls, 89>. Zijn naam staat
evenwel niet in het overlijdensregister van de parochie Oud-
Geleen. Overigens werd die uitdrukking door Geleners ook
in overdrachtelijke zin gebruikt, nl. sommige inwoners van
Daniken moesten te Schinnen belasting betalen en te Geleen
hun kerkelijke verplichtingen vervullen.

De plaatsnaam Daniken
De vroegst bekende vermeldingen van dit toponiem waren
Daneke (1236) <Haas 1971, 69>, Danecke (1236) <RAB-Cdds nr.
16594>, Danheike (1253) <Ruwet, 97>, Danegge (1259) <Hennes II,
nr. 144>, Daanecke (1272) <AHEB 1907, 348>, Donechem of
Danechem (1276) [in een Waalse tekst], Danekem (1442)
<Ernst VI, 33. - PSHAL 1885, 23 en 124> en [het bos van] Danege
(1280) <Ernst VI, 173, met het verkeerde jaartal 1208>.
Dit toponiem kan op verschillende wijzen worden verklaard.
P. TUMMERS beschouwde Danechehem als een mogelijke
afleiding uit * Daningaheim, d.w.z. woning van Dano en de
zijnen ofwel woning van Danik <Tummers, 25>. Dit heem kan
een versterkte hoeve of een kasteel zijn geweest. Maar het
valt op, dat de uitgang hem niet in de vroegst bekende versies
voorkomt. Bijgevolg kan men de indruk krijgen, dat de vor-
men Donechehem of Danechehem (1276) en Danekem (1442)
zijn ontstaan door de toevoeging van hem aan een oudere
versie Daneche, Danegge of Daneke.
BACH kende aan het Middelnederduitse woord dan de
betekenis van ”woud” toe <Bach II, 1, 159>, terwijl ecke of egge
een welbekend woord in de betekenis van hoek is, dat ook in
de zin van bergkam werd gebruikt <Frmn II, 1, 801-804>. Dit
komt zeer wel met het landschap ten oosten van het gehucht
Daniken overeen.

95

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 96

Een gedeelte van Daniken, dat eertijds tot de gemeente Een ridderburcht of versterkte hoeve te Daniken?
Schinnen behoorde. Links van deze huizen, waarin een café was In 1253 en 1259 noemde een zekere Hendrik zich naar
gevestigd, lag de steenfabriek ”Plinthos”. Bij het wegkruis (uit Daniken <Ruwet, 97. - Hennes II, nr. 144>; vermoedelijk vertegen-
1823) tussen de bomen draait de weg naar links in de richting woordigde hij een tak van het geslacht Van Hafkesdale
van het Danikerbos; hij was een onderdeel van de ”Koolweg”. [= Haasdal], waarvan leden in de dertiende eeuw in verband
Rechtdoor, aan de rechterkant, liggen nog een paar woningen met Abshoven voorkomen. In 1276 werd een ridder Gerard
<Tekening P.A. Schols>. van Donechem of Danechem vermeld <Ernst VI, 33. - PSHAL 1885,
23>.
Wegens de vroegst bekende vormen dient de door de Zowel omdat dertiende-eeuwse jonkers of edellieden zich
gemeente Schinnen gehandhaafde spelling Daneken [met naar Daniken noemden, alsook wegens de ontleding van de
een e] als authentieker te worden beschouwd dan de versie plaatsnaam in Daneg(g)e-hem is de vraag gewettigd of ter
Daniken [met een i], die later gangbaar werd en door het plaatse ooit een burcht heeft gestaan. De waarschijnlijkheid
gemeentebestuur van Geleen wordt gebruikt <Tummers, 24>. van zo’n burcht wordt blijkbaar nog versterkt door het feit,
dat de daar passerende interlokale weg reeds in 1272 als
Herwech of Herstrate werd vermeld <AHEB 1907, 348>, want
kastelen werden bij voorkeur dichtbij zulke verkeerswegen
gebouwd.
Ter [schijnbare] staving van zo’n slot of kasteel te Daniken
citeerde PIJLS een zestiende-eeuwse ”Dijrck van Daneken,
der alde op ’t Slott”. Doch die auteur schijnt Slott te hebben
gelezen, waar Hoff stond. Die Dijrck was immers de leenman
van het te Daniken gelegen - vijftien bunder omvattende -
goed Wassenberch, ook Luttergoed [= goed van de Heer van
Leut, B.] genaamd <PSHAL 1928, 182-183; 1929, 107 en 146>.
In dit verband werd de vraag gesteld of het - in 1945 door
een vliegende bom verwoeste - huis ”Op de Berg” [tussen de
spoorweg en de Geleenbeek] als de woning van de ridders
Van Daniken in aanmerking zou komen. Al kunnen de
ligging en de aard van dat - met een gracht omgeven -
vroegere gebouw de indruk hebben gewekt, dat dit eertijds
een ridderburcht was <Russel 1860, 36-37; 1878, 10-11. - PSHAL 1931,
110. - Philippens 1987, 20>, toch kan dit niet als een historisch feit
worden gepresenteerd. Maar zelfs als dit het geval mocht zijn
geweest, zou het nog bedenkelijk zijn om ter plekke de
woning van de dertiende-eeuwse ridders Van Daniken te

Grote middeleeuwse hoeve te Daniken Oorkonde uit 1236, waarin priorin Mechtild een uitvoerige
In 1236 schenkt Mechtild, magistra [= priorin] van het jaarrente te ”Danecke” aan het convent St.-Gerlach te Houthem
convent St.-Gerlach te Houthem, een jaarrente van een schenkt <RAB, Cdds nr. 16594>.
malder rogge uit haar goederen te Daniken aan het infirmi-
torium [= de ziekenzaal] van haar klooster. Bovendien
worden uit die goederen jaarlijks nog vierentwintig schapen,
een koe, een kalf, een zeug, zestien kippen en twaalf
lammetjes [vigintaquatuor oves, vaccam et vitulum et matrem
porcorum, sedecim pullos et duodecim annetas] aan genoemd
klooster geleverd <RAB-Cdds, nr. 16594>. Dit wijst op een
grote hoeve aldaar en het ligt voor de hand om daarin
het later vermelde Danikerleen te zien, dat 40 bunder
weiden, beemden en akkerland omvatte <PSHAL 1885, 22>.
In verband met andere gegevens dringt zich de vraag op of
dit een versterkte hoeve was ofwel een onderdeel van een
kasteel.

96

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 97

Boerderij aan de zuidzijde van de weg door Daniken. Hier lag de vertegenwoordiger [officiarius] van de eigenaars van
waarschijnlijk de middeleeuwse hoeve Wassenberch of Lutter- Abshoven en als de meier [scultetus] van de bij die grote
goed <Tekening P.A. Schols>. hoeve [curia] behorende goederen optrad. De abdij van St.-
Vaast [in Atrecht of Arras, F.] heeft lange tijd niet alleen
plaatsen, want voor zover bekend maakten dat gebouw en de Abshoven maar ook de [later aldus genoemde] Biesenhof in
erbij behorende gronden geen onderdeel van de heerlijkheid bezit gehad. Welnu, Daniken is ongeveer halverwege tussen
Daniken uit. Abshoven en de Biesenhof gelegen. Die abdij oefende geen
Het feit, dat in de zeventiende eeuw de schepen Gerard van rechtstreeks toezicht op die bezittingen uit, maar stelde ze
Daniken en zijn vrouw Meijcken Custers in het huis ”Op de onder het beheer van de - van haar afhankelijke - proosdij te
Berg” woonden <LimTsGen 1994, 109>, wijst niet op het tegen- Haspres bij Valenciennes. Deze laatste verbond het beheer
deel, want uit niets blijkt dat deze Gerard een jonker of van die bezittingen in het Geleendal met die van haar grote
ridder zou zijn geweest. Hij behoorde waarschijnlijk tot het hoeve te Halmaal in Belgisch Limburg. Op 5 oktober 1409
halfersgeslacht, waarvan leden op de zojuist genoemde verhuurde de proost van Haspres die hoeve van Halmaal -
Lutterhof te Daniken en op de hoeve Kemenade woonden. tezamen met de daarvan afhangende hoeven en goederen te
Een eventuele burcht of versterkte hoeve, die het centrum Dorne, Gronsel [= Gronsveld] en Gelene - voor negen jaar aan
van de grondheerlijkheid Daniken was, zou waarschijnlijk een zekere Dirk van Ruelingen <Piot II, 184-185. - M’geleen, 31-32>.
ter plekke van of nabij de latere mulderswoning moeten De juiste locatie van die goederen te Geleen is echter niet
worden gezocht. Die grondheerlijkheid bestond [later] uit bekend. Daarna wordt niets meer over enig contact tussen
een molen [met de molenrechten], weiden, beemden en Atrecht, Haspres of Halmaal enerzijds en Geleen anderzijds
akkers. Het grootste deel van dat grondgebied lag in of vlak vernomen.
bij Daniken, maar de rest lag verspreid; sommige akkers Door SLANGHEN werd ten onrechte verondersteld, dat een in
lagen in het Gasthuisveld, terwijl er twee op de z.g. 1388 vermelde Drake moelen de graanmolen van Daniken
Heinsberg - tegenover de oliemolen - binnen de jurisdictie zou zijn geweest. In werkelijkheid lag die molen te
van Schinnen lagen <GAG nr. 1. - LvO nr. 912. - TsHKVGel 1993, 50>. Hoensbroek <PSHAL 1885, 305. - Slanghen 1859, 51. - Hoensbroek, 258-
Dit geheel maakte een groot leen van Valkenburg uit <PSHAL 261>.
1885, 22-24. - Philippens 1987, 20>. Volgens HABETS ging de heerlijkheid Daniken van het
Het ontstaan van die heerlijkheid stond vermoedelijk in geslacht Van Daniken over aan het geslacht Van Hulsberg.
verband met het feit, dat Hendrik van Danheike in 1259 als Zo was Arnold van Hulsberg, ”Frank Struvers soen van
Buende”, in de tweede helft van de veertiende eeuw in het
bezit van de heerlijkheid Daniken <Philippens 1987, 20>. Op 13
oktober 1414 ontving Reinier van Hulsberg, genaamd
Schaloen, de grote tiende van Geleen, omdat zijn zojuist
genoemde oom Arnold in de slag van Baesweiler gevangen
was genomen en zijn familie een losprijs van 1.000 oude

Weg vanaf de spoorwegovergang naar de stenen brug over de
molenafslag te Daniken. Bij het wegkruis (rechts) begon een
pad, dat via bruggen over de afslag en de Geleenbeek naar de
graanmolen voerde. Het voorste huis is de woning Neilen <Foto J.
Paulissen>.

97

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 98

schilden of 1.500 oude daalders had moeten betalen <PSHAL de beschikbare gegevens is niet geheel duidelijk wat er sinds
1885, 29. - Philippens 1987, 30>. Hoogstwaarschijnlijk was 1479 door wie werd verheven, want in dat jaar werd de
genoemde Reinier van Hulsberg, die in 1457 overleed, ook grondheerlijkheid Daniken in een erfpacht veranderd.
in het bezit van de heerlijkheid Daniken, want zijn zoon
Reinier van Hulsberg de jonge werd in 1472 als leenheer van De grondheerlijkheid Daniken met de graanmolen in
het leenhof Daniken <BCAL 1973-74, 193. - Grauwels nrs.436, 439 en erfpacht uitgegeven (1479)
440> en dus als bezitter van de heerlijkheid Daniken vermeld. Op 20 januari 1479 verklaarde Johan van Cortenbach, stad-
Hij was tevens schout van Borgloon (B.). Door zijn huwelijk houder en leenheer van het leenhof van Valkenburg, dat
(1457) met Mechtildis van den Edelbampt, erfdochter van Reinier van Hulsberg en zijn echtgenote hun goederen ”tot
Meldert (B.) en Herten (B.) werd hij bovendien Heer van Geleen tot Daneken ende daerontrent gelegen, te weten de
die laatstgenoemde plaats <PSHAL 1885, 22-25>. Moolen tot Daneken, soo en gelijck met de huysinge ende
voorts met allen haer toebehoor gelegen is... erfflijk ende
voor altoos” in erfpacht hadden uitgegeven aan Arendt
Stassen op de Pesch van Opgeleen en zijn echtgenote Aleydis
Penners, hun erfgenamen en nakomelingen. Die erfpacht
bestond uit zeventien mud en een vat rogge, twee Rijnlandse
gulden en veertien grijpen [= 140 stuivers Brabants], die elk
jaar tussen het feest van St.-Andries [= 30 november] en
O.-L.-Vrouw Lichtmis [= 2 februari] aan huis of op zolder
van de zogenaamde Schaloenspoort in de Breestraat te
Maastricht moesten worden geleverd <AKA, port. 15, stuk 9>.

Bij de brug over de afslag te Daniken. Het vakwerkhuis is de
woning Hendricks. Deze afbeelding is kennelijk ouder dan die
op bladzijde 97 <Tekening P.A. Schols>.

Reinier van Hulsberg overleed op 21 maart 1504 en werd te De Daniker graanmolen met linksonder de poel. Het molenrad
Herten (B.) begraven <Philippens 1987, 33>. Zijn dochter Maria draaide vlak vóór die poel. Het latere turbinehuisje stond tegen
van Hulsberg erfde de heerlijkheid Daniken. Zij huwde met de westelijke zijgevel van het voorste gebouw, waarin het
Daniel van Nunhem, die Daniken in 1537 te Valkenburg molenwerk stond en waarvan een ander deel tot woning diende.
verhief <PSHAL 1885, 22>. Hun dochter Mechtildis van Geheel links het bakhuis. Rechtsonder het brugje, waarover op
Nunhem huwde eerst met Johan van Roest, Heer te Rosoux 10 mei 1940 Duitse troepen naar Oud-Geleen trokken, omdat
(B.), en daarna met Godgaaf van Hamel, ook genoemd de grote brug in de weg door Daniken door Nederlandse troepen
Godgaaf van Alsteren tot Kerkhem; haar tweede echtgenoot vernield was <Luchtfoto Nederland, circa 1940>.
verhief Daniken in 1539 te Valkenburg. Nadat ook hij was
overleden, verhief Mechtildis zelf die heerlijkheid. Uit haar De heerlijkheid Daniken met de erfpacht aan de Huyns
huwelijk met Johan van Roest had zij een dochter Barbara van Geleen (ca. 1615)
van Roest, die met Robert van Hinnesdael, Heer te Kerkhem Er staan ons geen rechtstreekse gegevens ter beschikking over
(B.), trouwde. de inlijving van de heerlijkheid Daniken bij de heerlijkheid
Volgens HABETS zou de heerlijkheid Daniken op 5 oktober Geleen, maar het lijkt voor de hand te liggen, dat dit
1572 door deze Robert zijn verheven. En volgens diezelfde gebeurde, toen de Heer van Geleen de heerlijkheid Daniken
auteur zou diens zoon Nicolaas van Hinnesdael reeds in met de daaraan verbonden erfpacht verwierf. Welnu, de
1578 Heer van Kerkhem zijn geweest en met Daniken overdracht van de heerlijkheid Daniken door de erfgenamen
beleend zijn. Hij huwde met Christina van Donchierf. Na Van Hinnesdael aan de Heer van Geleen zal waarschijnlijk
zijn dood werd ”die muelen ende erffgoeden genoempt rond 1615 hebben plaatsgehad, want in dat jaar werd door
Daneken” door diens gelijknamige zoon Nicolaas van Arnold III Huyn van Geleen over de betaling van de
Hinnesdael op 5 augustus 1600 verheven <LvO nr. 746. -
TsHKVGel 1993, 45>. Hij trouwde in 1607 met Antonetta de
Fumal, die hem drie kinderen schonk <PSHAL 1885, 22-24>. Uit

98

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 99

erfpacht van Daniken onderhandeld. Op 27 mei 1644 schonk hun bewoners toebehoorden en uitdrukkelijk als onderdelen
Arnold V Wolfgang Huyn die erfpacht aan zijn bruid Maria van het Danikerleen worden opgegeven. Bovendien worden
Huyn van Amstenrade <AKA>. in dat boek stukken land, weiden of beemden als onderdelen
Al werd de Heer van Geleen door de koop van die heerlijk- van het Danikerleen vermeld, die het eigendom van diverse
heid niet de eigenaar van de gronden, waarop de pand- particulieren zijn. Uit een ”denombrement [= opsomming]
houders woonden en werkten, wel inde hij de erfpachten, en specificatie” van 2 maart 1754 door ”ophelder” of
die deze personen - sedert het verwerven van die gronden - ”collecteur” Jan Sielis of Zelis blijkt, dat het Danikerleen
verschuldigd waren te leveren. In de verkoopannonce van toen uit twaalf onderdelen bestond, die een gezamenlijke
het graafschap Geleen uit 1776 staat, dat de eigenaar van dit oppervlakte van ruim 35 bunder hadden. Ook daarbij valt in
graafschap recht had op ”den Erfpacht [in de Franse versie: het oog, dat slechts 430 roeden beemd, 75 roeden land en 42
’la rente foncière’] van Daniken jaerlykx uytbringende 204. roeden grond, waarop de molen stond, aan prins de Ligne
vat 17/32 rogge, bedraegt gemeenelyck ontrent fl. 30-0-0” toebehoorden. Zowel volgens dat overzicht als volgens het
[= dertig gulden, geen stuiver en geen oortje] <LvO nr. 1227>. meetboek Bollen maakten die drie terreinen eveneens deel
van het Danikerleen uit <LvO nr. 912. - TsHKVGel 1993, 50>. Uit die
Graanmolen later niet het eigendom van de mulder opgaven blijkt dat het oorspronkelijke geheel in een groot
Ofschoon in het document van 1479 stond, dat de mulder aantal onderdelen was gesplitst, die aan particulieren toe-
van Daniken niet alleen de ”huysinge” maar ook de behoorden. Verder blijkt daaruit, dat een klein getal bunder
”moolen” als erfpacht ontving en dus de eigenaar van beide van het oorspronkelijke Danikerleen niet meer als zodanig
gebouwen werd, was dit laatste op het einde van de zeven- werd erkend.
tiende eeuw niet meer het geval. Dit blijkt niet alleen uit het Sedert de overdracht aan de Heer van Geleen werd de
feit, dat de adellijke personen, die de opbrengst van die erf- heerlijkheid Daniken niet langer door de adellijke ont-
pacht genoten, de graanmolen bij afzonderlijke contracten vangers van die erfpacht te Valkenburg verheven, maar door
aan de mulders verpachtten, maar ook staat in een der meet- de ophelder of vertegenwoordiger van degenen, die deze erf-
boeken Bollen (circa 1700), dat toen de molenaar Claes pacht moesten opbrengen <PSHAL 1885, 23>. Al mag het
Penris een ”huijs en hoffplaetse tot Daneken met wyers, merkwaardig lijken, dat soms een minderjarige jongen als
ende den meulen koelhoff” - tot een gezamenlijke grootte leenman of ophelder van het Danikerleen werd aangewezen,
van 382 roeden - bezat, terwijl ”het plaetsken daer die toch was dit een vrij algemene procedure in deze gewesten
Meulen op staet met een koelhoffken” - ter grootte van 42 <PSHAL 1929, 183>. Met de leen- en laatverheffingen, die na het
roeden - aan ”Haere Fürstl(iche) Genaeden van overlijden van de ophelder moesten worden herhaald,
Dedericksteen”, d.w.z. prinses Maria-Dorothea von gingen onkosten gepaard. Welnu, door een jeugdig persoon
Dietrichstein - Van Salm, toebehoorde. Vermoedelijk kwam als ophelder aan te wijzen, trachtte men de tijdsruimten
die situatie tot stand, toen de oude molen op kosten van de tussen die onkosten te verlengen. Die regeling leverde echter
adellijke bezitter van de erfpacht door een nieuwe werd niet steeds het gewenste resultaat op, want sommige
vervangen. ophelders van Daniken stierven op jeugdige leeftijd.
De eerstvolgende [niet gedateerde] verheffing na 1600 werd
Het Danikerleen en zijn latere verheffingen te Valkenburg gedaan door Lemmen Leurs van Daniken, die waarschijnlijk
In datzelfde meetboek Bollen staan ook acht andere, vlak bij een familielid van de in 1637 vermelde molenaar Peter Leurs
elkaar gelegen, ”huijsplaetsen” te Daniken vermeld, die aan was. Hij overleed op 21 december 1656; zijn echtgenote
overleed twee weken later op 5 januari 1657. Op 3 novem-
Het vakwerkhuisje van Truu Roks te Daniken <Tekening P.A. ber 1657 verhief Jacob Krowel of Crowel, die met Anneken
Schols>. Leurs [vermoedelijk een muldersdochter] was getrouwd en
te Daniken woonde, het Danikerleen in naam van zijn elfja-
rige zoon Peter Crowel; de vader overleed reeds vier weken
later op 30 november 1657. In 1676 werd Lintghen
Goeskens als ”ontfanger van het Daneker leen” vermeld. In
1717 werd dat leen door de mulder Jan Penris in naam van
zijn zesjarige zoon Claes Penris verheven, en nadat deze laat-
ste was overleden (4-12-1729), deed genoemde mulder een
nieuwe verheffing in naam van zijn bijna twaalf-jarige zoon
Herman Penris. Nadat ook de laatstgenoemde vrij jong was
gestorven (27-2-1742), had op 27 april 1742 een nieuwe
verheffing door mulder Jan Selis of Zelis in naam van zijn
elfjarige zoon Steven Hendrik Selis of Zelis plaats <LvO nrs. 912
en 907. - AKA. - PSHAL 1885, 23. - TsHKVGel 1993, 44-45>.
Over het leenhof van Daniken zal onder 6 van dit hoofdstuk

99

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 100

worden uitgeweid. [Voor de latere geschiedenis van die oliemolen op de westelijke oever van de Geleenbeek, terwijl
molen en haar mulders zie deel II, hoofdstuk X.] volgens een meetboek Bollen (ca. 1700) haar afslag ten
De oliemolen van Daniken oosten daarvan liep; deze laatste is nog te zien op een kaart
Ten zuiden van die graanmolen - volgens RUSSEL ”omtrent uit 1890/91. De eerste ons bekende vermelding van die olie-
300 ellen boven [= stroomopwaarts] den [toen] nog molen dateert uit 1589 <Msg 1911, 35>, maar haar vroegste
bestaanden graanmolen” <Russel 1860, 40-41> - lag de oliemolen, geschiedenis is in het duister gehuld.
die vanuit de eerder vermelde Teertestraat of Tiertestraat, een In het genoemde meetboek Bollen wordt die sluier enigszins
zijstraat van de weg uit Oud-Geleen naar Ten Eijsden, opgelicht. Daarin staat, dat ”de huijsplaetse van de
bereikbaar was. In tegenstelling tot de graanmolen lag die olismeulen”, met een oppervlakte van 327 roede, en twee
vlak daarbij gelegen beemden, met een gezamenlijke opper-
Gedeelte van een kaart van het verloop der Geleenbeek uit vlakte van 356 roede, onderdelen van het Krawinkelerleen,
1889. Tussen ”Op het Kempke” en de ”Eijsenderkamp” liep de d.w.z. de hierboven besproken ”leenhoeve” van Krawinkel,
Teertestraat naar de oliemolen. Het terrein van die vroegere waren <PSHAL 1884, 425>. Bovendien was de eigenaar van die
molen had het kadastraal nummer 1273. Omdat de afslag voor oliemolen rond 1700 ook in bezit van 342 roede beemd uit
de oliemolen (rechts van de ”Eijsenderkamp”) door Schinnens het Danikerleen en van 94 roede beemd en 4441/2 roede
grondgebied liep, is die hier slechts aan zijn begin en einde kort weide aan de Teertestraat, die geen leengoed maar laatgoed
aangeduid. Aan de noordzijde van ”Op het Kempke” begon de waren. Derhalve was die oliemolen met de erbij liggende
afslag voor de graanmolen om zich een heel eind ten noorden gronden niet als zodanig een leen van Valkenburg. Het feit,
van dat complex weer met de Geleenbeek te verenigen <GAG nr. dat ze ”voor het meeste deel leenroerigh aan den Leenhove
1210>. des voors. Landts van Valckenborgh” was <TsHKVGel 1993, 48>,
kan blijkbaar op de leenroerigheid van het Krawinkelerleen
en het Danikerleen worden teruggevoerd.
Tussen 1577 en 1608 wordt ”Rutgen Olislager wonende te
Eisden [= bij de hoeve Ten Eijsden] in den Oliemeulen”
vermeld <Becha 26-95>. Pastoor Leurs noteert zonder juiste
datum tussen 1605 en 1654 het huwelijk van ”Seefke in die
olyemolen” met Trijn Zelis. In 1637 vermeldde hij ”Rutt in
die Olymolen” en rond diezelfde tijd ook diens zuster Enken
[= Anna]. Daarna werd Tiske Olyeschleger als de opvolger
van genoemde Rutt aangeduid <PAG>. Olislager of Olye-
schleger is hier waarschijnlijk niet zozeer een familienaam
maar veeleer een beroepsaanduiding. In 1647-1649 waren
Jan Wymers en zijn vrouw Maria Maes eigenaars van de olie-
molen. Volgens één bron zouden zij daar hebben gewoond
<Msg 1925, 27 en 43>, terwijl een andere opgeeft dat zij die molen
verpachtten <TsHKVGel 1993, 48>. In 1650 woonde een Jan
Mutzenich in de oliemolen van Daniken <LvO nr. 1374> en
circa 1671 werd Steven Olijsleger aldaar vermeld <LvO nr.
1523>. Op 18 februari 1753 overleed een Jan Zelis in de
Daniker oliemolen.
Tot 1649 was die oliemolen ”los en vrij”, d.w.z. zonder
schuldenlast of hypotheek, gebleven. Maar op 12 februari
van dat jaar stelden de eigenaars ”de oliemolen gelegen tot
Opgeleen op de Geleijnderbeek” als onderpand voor een
lening van 2.200 gulden <LvO nr. 925>. Deze hypotheek was er
vermoedelijk de oorzaak van, dat die molen reeds vóór 1706
in het bezit van drossaardfamilie Duycker geraakte <GAG nr.1>.
Leden van die familie gingen op 9 mei 1737 een lening aan
bij het bestuur van de St.-Martinuskerk te Wyck-Maastricht,
waarbij de oliemolen van Daniken in onderpand werd
gegeven <LvO nr. 931>. Volgens een officiële bron zouden de
gezusters Duycker die molen met een cijnskaart van de
Hanenhof in 1761 aan Reyner op den Camp hebben
verkocht <LvO nr. 1295, s.a. 1766>, terwijl uit een andere
authentieke bron blijkt, dat zij de molen en die cijnskaart op

100


Click to View FlipBook Version