The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Jan Toonen, 2022-04-12 13:29:38

deel 1

Keywords: Heemkunde Geleen

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 251

Winand de Preez een lid van de bende was, want de
secretaris noteerde hun namen niet in de gerechtsrollen,
maar duidde elk van hen als N. N. [non nominandus = niet
met naam te noemen] aan <Pijls, 25>. Pas op 17 september
1751 werd [onder 5 maart 1751] bijgeschreven: ”Nota dat
het verbael tegen Willem de Gavarelle en Jan Wijnand de
Preez ter dese rolle van den 5 Meert hadde moeten
geregistreert worden, maar bij abuis uytgebleven ende den
17 Sept. 1751 eerst ter griffie is worden gebrocht” <LvO nr.
1246>. De klacht van Hendrik Glaesmakers, dat ”sij kriegen
de kleine dieven en de grooten laeten se loopen” <Pijls, 112>,
bleek dus wel enige waarheid te bevatten.

W. de Gavarelle, W. de Preez en andere leden van de bende op
de vlucht
De absurde bewering door TH. DORREN, dat de beschuldi-
gingen tegen Willem de Gavarelle en Winand de Preez
”waarschijnlijk een uitvloeisel zijn geweest van afgunst der
magistraatsfamilies tegen vreemde indringers” - zij hadden

Deur van de gevangenis te Sint-Jansgeleen <Tekening P. A. Schols>.

te Krawinkel woonden en hem kenden, beloofde hij geld als Een gedeelte van de gestyleerde ”Carte chorographique des Pays-
zij hem hielpen ontsnappen. Zij lieten zich echter niet Bas” van J. de Ferraris uit 1777. In de noordelijke hoek van het
omkopen. graafschap Geleen - schuin onder de S van Sittart - staat een
Op 28 januari 1751 overleed Geerling Daniels op Terborg rad op een staak. Daar lag de Ra(a)dskuil, waar de op Sint-
ten gevolge van een infectie van de wonden, die hij zichzelf Jansgeleen veroordeelden werden terechtgesteld. Vlak ten zuiden
bij zijn arrestatie had toegebracht. Op 31 januari werd zijn van de grens van het graafschap Geleen met Beek - onder de K
lijk ”anderen tot exempel” door een vilder naar de van Kraywinckel - staan drie galgen en een rad. Daar werden
Danikerberg gesleept en daar met een been aan een galg de veroordeelden uit Beek terechtgesteld.
gehangen. Op diezelfde plek werden op 9 februari 1751 drie
bokkenrijders van Schinnen terechtgesteld.
Daarop kwam de scherprechter andermaal naar Sint-
Jansgeleen. Nadat Mevis Offermans van Spaubeek en
Bernard Spirlet aan een ”pijnlijcke inquisitie” [= onder-
vraging met foltering] waren onderworpen, verrieden zij o.a.
Joannes Bisschops van Krawinkel. Kort daarop zat ook deze
”in boyen en banden” te Sint-Jansgeleen. In de nacht van
25/26 april 1751 wist hij echter te ontsnappen; hij begaf zich
naar Düsseldorf (D.), waar hij in militaire dienst trad. Doch
men wist hem op het spoor te komen en op 9 juni 1751 zat
hij weer te Sint-Jansgeleen.
Op 15 mei 1751 werden nog twee bokkenrijders uit
Schinnen op de Danikerberg terechtgesteld. Het gerecht van
Geleen had echter geen haast. Men wenste blijkbaar niet
alleen steeds meer informatie te achterhalen, maar tevens
voorzichtig tewerk te gaan. Zoals wij reeds zagen werd
aanvankelijk weinig geloof gehecht aan de verklaringen van
gevangenen, dat Willem de Gavarelle als leider fungeerde en

251

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 252

Franse namen en kwamen van elders - en dat speciaal verscheen, bleek hij onvindbaar te zijn. Op 17 juli 1751
secretaris R. Corten de ”aanzienlijke nalatenschap zijner begaven de schepenen zich naar het woonhuis om zijn
schoonzusters” op die manier zou hebben willen veilig goederen te inventariseren en in beslag te nemen. Op 6
stellen <PSHAL 1933, 400>, moet aan onvertrouwdheid met de augustus 1751 werd besloten tegen hem te procederen en de
lokale verhoudingen worden toegeschreven. De gezusters gerechtsbode te gelasten aan de kerkdeur en aan zijn woon-
Gadé waren trouwens niet zijn schoonzusters maar tantes huis de daging te hechten om op vrijdag 20 augustus 1751
van zijn vrouw. ’s morgens om 9 uur op ”de ordinaire plaetse van rechts-
Ook de uit de volksmond opgetekende bewering van RUSSEL vergaderinge” te verschijnen. Ofschoon die dagingen werden
- die door MELCHIOR en VAN OLDENBURG ERMKE werd herhaald, bleef ook die vogel gevlogen. Misschien verbleef
herhaald - dat een der gezusters Gadé bij de overval Winand hij enige tijd bij zijn jongste broer Adriaan de Gavarelle,
de Preez in haar slaapkamer zou hebben herkend en hem dit advocaat te Luik.
kort nadien door woord en gebaar te verstaan zou hebben
gegeven <Russel 1877, 12-13. - Pijls, 56>, zodat deze ”rook look in Doodvonnissen
de meersch” <Melchior, 116> en ”dankbaar voor de tijdige Rond diezelfde tijd werd Joannes Ronden van de Peschstraat,
waarschuwing, de postkoets naar Brussel” kon nemen bijgenaamd ”de Pijpe”, gearresteerd. Toen hij op 11 augus-
<Oldenburg, 89-102>, vindt in de plaatselijke archieven geen tus 1751 te Sint-Jansgeleen ondervraagd werd, ontkende hij
steun. Volgens het getuigenis van deelnemers aan die overval alles. Op 18 augustus 1751 overleed aldaar Michel Hennix
had hij zich trouwens helemaal niet in dat huis gewaagd. Op van Spaubeek, die maandenlang met Hendrik Glaesmakers
5 maart 1751 had Winand de Preez, die toen blijkbaar niet de kerker had gedeeld. Op diezelfde dag werd het dood-
meer te Geleen verbleef, een zogenaamd alibi [= bewijs van vonnis over diens zonen Joannes en Peter Hennix, Mevis
verblijf elders] tijdens de diefstal bij Gadé laten bezorgen. Offermans uit Spaubeek en de drie Geleners Joannes
Maar omdat dit stuk niet door een legale rechtsgeleerde was Bisschops, Bernard Spirlet en Hendrik Glaesmakers uit-
opgesteld en gedagtekend, lukte het hem niet om bij de gesproken.
Soevereine Raad gedaan te krijgen, dat hij in absentia [= in
afwezigheid] zou mogen procederen; hij zou zich persoonlijk Het huis van drossaard Duycker te Raath [Bingelrade]
moeten komen verdedigen. Doch hij waagde het niet zich in afgebrand (1751)
Geleen te laten zien. Hij zou naar gene zijde van de Maas Op 20 augustus 1751 werd het lijk van de oude Hennix
zijn gevlucht. door een vilder uit Aken naar de Raadskuil gesleept en onder
Zoals wij zagen had op 30 december 1750 de overheid de galg begraven. Nog diezelfde avond bracht zijn dochter
besloten ”den capiteyn woonende aen het Eijnde” te arres- Jenne Marie Hennix, tezamen met Peter Tacken en Willem
teren; toen bleek hij echter onvindbaar te zijn, omdat men [niet Nol] Caldenberg van Spaubeek en drie zonen van
hem ”abusieff onder den naem Peter” had gezocht. Nadat Honds-Jenneke [Jeurissen] van Merkelbeek, haar wraakplan
men had vastgesteld, ”dat desen geaccuseerden capiteyn aen ten uitvoer. In Raath legden zij de lont aan het huis van
het Eijnde sijnen naem is Leonard”, werd op 19 mei 1751 drossaard Duycker; daarbij gingen het huis, met het grootste
een nieuw arrestatiebevel uitgevaardigd. Maar toen de bode deel van de inboedel, de stallen en schuren, met de daarin
hem op 23 mei ging zoeken, was hij reeds gevlucht. De geborgen oogst, verloren. De drossaard zelf noemde het een
herhaalde dagingen om zich te melden, die aan de kerkdeur wonder, dat hij, zijn zusters, de pachtboer en de andere huis-
en aan zijn huis werden bevestigd, bleven zonder uitwerking. genoten niet levend verbrand waren <LvO nrs. 1246 en 2027. - Pijls,
De vermelding van ”de gevangen slotenmaker Peter op het 94. - Haas 1986, nr. 1607. - A. Blok 1991, 202-203>.
Eijnde te Geleen” door PIJLS <Pijls, 113> schijnt op een
vergissing te berusten. Terechtstellingen in de Raadskuil [op de grens met Sittard]
Op 26 april 1751 stelden de schepenen vast, dat Willem de Het was de algemene gewoonte om ter dood veroordeelden
Gavarelle een ”quade faem” had en al eerder ”discoursen uit de donkere kerker te halen en in een verlicht vertrek op
[= gesprekken] gehouden heeft passende op de genegentheyd te sluiten, zodat zij hun laatste levensdagen zonder ont-
van stelen” en ook ”al van oudts verkeerd heeft met bekende beringen konden doorbrengen en zich op een christelijke
goudieven van de fameuse bande”. Derhalve verbaasde het dood konden voorbereiden. Op 23 augustus 1751 werd te
hen niet, dat hij ”uyt Geleen, plaetse van syn domicilie, sig Sint-Jansgeleen het doodvonnis nogmaals aan de Geleners
heeft geabsenteert en absent is gebleven op het geruchte van Joannes Bisschops, Bernard Spirlet en Hendrik Glaesmakers
de eerste accusatie”. Hij schijnt reeds op 27 januari 1751 en aan de drie beschuldigden van Spaubeek voorgelezen.
afwezig te zijn geweest, want op die datum verkochten zijn Daarna werden die zes veroordeelde mannen op een of meer
schoonzoons, mede namens hun schoonvader, een stuk land. met rouw omfloerste karren langs de Kluis en via de [later
Na het advies van twee rechtsgeleerden te hebben ingewon- aldus genoemde] Kinkenweg - die door vroegere generaties
nen, gaven de schepenen op 5 mei 1751 het bevel om ook ”Gallingweg” [galling = galg] werd genoemd - naar de
Willem de Gavarelle te arresteren. Doch toen de gerechts- Raadskuil op de grens met Sittard gevoerd.
bode, vergezeld van een aantal schutten, aan zijn woning Voorop ging de gerechtsbode met de roodgeverfde justitie-

252

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 253

geestelijke bijstand werd verleend. Daarop beklom de
veroordeelde de ladder; en zodra de drossaard, die de
justitieroede ter hand had genomen, deze liet zinken, stiet de
beul de gedoemde van de ladder <PSHAL 1889, 25. - Pijls, 44>.

Nog meer arrestaties, vonnissen en terechtstellingen
Van de consternatie op 23 augustus 1751 wist Joannes
Ronden gebruik te maken om uit de kerker van Sint-
Jansgeleen te ontsnappen. De schepenen vermoedden, dat
iemand hem daarbij had geassisteerd. Maar hij wist zich
blijkbaar niet goed schuil te houden, want twee weken later
zat hij weer op dezelfde plek in boeien geklonken. Bij
”scherpe examinatie”, d.w.z. na foltering, bekende hij zijn
medeplichtigheid.
Op 23 september 1751 werd het arrestatiebevel tegen de
”Hekselsnijder” Joannes Raets uit de Pieterstraat uitgevaar-
digd; nog diezelfde dag zat ook hij in de kerker. Doch zijn
eveneens verraden zonen liet men blijkbaar ongemoeid.
Ofschoon Raets aanvankelijk alles ontkende, wist de beul
hem tot bekentenissen te brengen. Op 11 december 1751
werden Joannes Ronden en Joannes Raets, tezamen met

Op de grens met Sittard, waar de Raadskuilderweg (achter de
boom) eindigde. De juiste plaats van terechtstelling is niet
bekend, omdat de verhoging waarop het rad en/of de galg(en)
stond(en), circa 1790 werd afgegraven. Vóór de boom staat het
”Gallingkruuts” [= kruis bij de galg] <Foto 1980, archief HKVGel>.

roede, nl. een doornen stok van ruim een meter lang, die Het ”Gallingkruuts” op de vroegere grens met Sittard, dat rond
met gouden eikels was beladen. Dan volgde de drossaard, de 1985 verloren ging <Foto G.H. Maassen>.
schepenen en de griffier. Rond de kar liepen de schutten met
geladen geweren. De tocht had onder somber tromgeroffel
plaats; ook vaandel en trommen waren met rouwfloers
bedekt. Doorgaans bevonden zich ook enkele priesters
- gewoonlijk dominicanen uit Sittard - in de stoet. Daar dit
elders bijna steeds het geval was, mag worden aangenomen,
dat zich ook te Geleen onderweg een steeds groeiende
menigte bij die stoet aansloot.
Op de gerechtsplaats aangekomen vormden de schutten een
ring om de galg(en) en de veroordeelden teneinde het toe-
gestroomde volk op afstand te houden. De autoriteiten
gingen naast de veroordeelden staan en op een teken van de
drossaard roffelden de tamboers op hun trommen. Daarna
traden de beul en zijn helpers naar voren. De griffier las de
vonnissen nogmaals voor, waarna door priesters de laatste

253

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 254

Peter Schols uit Spaubeek, tot de galg veroordeeld, en op de betalingen had afgetrokken, bleef er nog 91 gulden schuld
16de werd dat vonnis in de Raadskuil voltrokken. over. Peter Keulers legde niet alleen een ”chirographaire
Toen zaten in de gevangenis te Sint-Jansgeleen nog slechts [= schriftelijke] obligatie” van 43 gulden voor, maar had ook
Peter Tacken en Willem Caldenberg uit Spaubeek. Op 30 nog twaalf geleende vaten rogge terug te vorderen. Joannes
juni 1752 verklaarde de te Aken verblijvende drossaard Willems eiste zeven gulden wegens geleverde vruchten
Leopold Duycker, dat beide mannen onder tortuur hun [= graan], geleend geld en ”anderssints”. Bij de winkelierster
medeplichtigheid aan de brand van zijn woning hadden Anna Catharina Meuffels stond de Gavarelle voor thee, zeep,
bekend en dat zij waren terechtgesteld. Voor de executie van suiker en ”anderssints” voor twaalf gulden in het krijt.
Tacken gaf hij geen datum op, terwijl Caldenberg volgens Willem Peussens had nog een gulden wegens ”gemaekde
hem op 16 mei 1752 was terechtgesteld <Haas 1986, nr. 1607>. schoonen” [= schoenen] tegoed. De meest verrassende vorde-
Die datum is echter twijfelachtig, want uit de archieven ring kwam van de E. H. Hendrik Corten, kapelaan te
blijkt, dat Peter Tacken op 14 mei 1752 aan de Raadskuil Schinnen en broer van de secretaris, nl. de Gavarelle was
werd opgehangen en het ligt voor de hand, dat Caldenberg hem vier gulden aan stipendium voor de door hem
toen zijn lot deelde. Daarmee kwam aan deze wijze van ”geleesene missen” schuldig gebleven.
rechtspleging in het graafschap Geleen voorlopig een einde. Op 23 mei 1753 werden de goederen van Willem de
Wel werd twee dagen later, op 16 mei 1752, Gerard Custers Gavarelle definitief in beslag genomen en daarna gedeeltelijk
uit Daniken, die tot de parochie Geleen behoorde, uit de verkocht. Zo werden de veldvruchten, o.a. ”peertsboonen”,
kerker van Terborg naar de Danikerberg gevoerd en daar op zijn landerijen aan derden overgedragen. Maar het graan,
geëxecuteerd. dat op de zolder van zijn woning lag opgeslagen, bleek door
Jenne Marie Hennix van Spaubeek, die de eigenlijke ”aan- muizen helemaal ”verdorven” te zijn. Het huis werd voor-
stichtster” van de brand bij drossaard Duycker was geweest, lopig niet verkocht, en teneinde de erbij gelegen schuur voor
zat rond half januari 1752 in de gevangenis te Sint- verval te behoeden, liet de overheid haar strooien dak
Jansgeleen en gaf op 20 april 1752 onder foltering haar rol vernieuwen <LvO nr. 1261>.
toe. Volgens de hierboven genoemde drossaard werd zij ter
dood veroordeeld en zou zij eveneens op 16 mei 1752 zijn Een mysterieuze ”speelman”
terechtgesteld <Haas 1986, nr. 1607>. Doch in de Geleense JOS. RUSSEL schreef dat men hem had verzekerd, dat de
archieven staat, dat zij in de nacht van 2/3 juni 1752 uit de ”Speelman van de Wall” aan de diefstal bij de gezusters Gadé
gevangenis ontsnapte. had deelgenomen <Russel 1877, 13>. MELCHIOR nam dit niet
De uit Oud-Geleen afkomstige Leonard Jessen, bijgenaamd alleen kritiekloos over, maar voegde daar zonder bron-
”het Cuijperke”, die bij de kerk van Schinnen woonde en vermelding aan toe, dat deze speelman tevens ”dansmeester”
reeds lid van de allereerste bende was geweest, werd op 26 was geweest <Melchior, 116 en 255>. Op 16 maart 1751 werd
april 1751 gearresteerd, maar hij wist uit de gevangenis van inderdaad een zoon van de speelman Andreas van de Wall,
Terborg te ontsnappen; daarom werd hij op 28 augustus die te Lutterade woonde, aan het keldergat te Sint-
1753 in effigie [= als een aangeklede stroman] opgehangen Jansgeleen in gesprek met de gevangene Glaesmakers aan-
<Ramaekers, 65>. getroffen <Pijls, 111>. maar uit de archieven is in dit verband
geen enkele aanklacht tegen die speelman of zijn zoon
De afrekening bekend. Wel werd in juni 1752 vermeld, dat Aret of Arnold
De arme drommels, die ofwel terechtgesteld waren ofwel de van de Wall, veldbode te Lutterade, voortvluchtig was. Al
vlucht hadden genomen, lieten aan de justitie niet veel kan men uit de context gemakkelijk de indruk krijgen, dat
waardevols achter, maar Willem de Gavarelle verschafte zijn men hem van lidmaatschap van de bende verdacht, toch is er
schuldeisers de kans om althans een gedeeltelijke voldoening geen enkele rechtstreekse aanduiding in die zin bekend.
te krijgen. Zij kwamen dan ook een voor een opdagen. De bewering, dat Nolleke van de Wall zich bij de bende van
Namens zijn schoonmoeder, de weduwe van luitenant Gadé, Willem de Gavarelle aansloot, door deze tot onder-
toonde secretaris R. Corten een door Willem de Gavarelle aanvoerder werd bevorderd en over de Maas wist te
ondertekend document van 6 juni 1741, waaruit bleek dat ontsnappen om te Bree (B.) een nieuwe bende te stichten
deze dertig gulden en zestien stuivers schuldig was gebleven. <GvL 30-10-1959>, raakt kant noch wal. M. BUSSELS schreef
De erfgenamen van Peter Lemmens eisten dertien gulden eveneens ten onrechte: ”Bij de bestraffing van de 1ste bende
”soo van geleverde vruchten [= graan] als geleent gelt”. uit het Land van Overmaas verhuisde een Bokkerijder van
Collecteur Lambert Claessens had niet alleen 68 gulden Geleen naar Bree. Zijn zoon Arnold van de Wal, alias
wegens ”verachterde schatpenningen tot het jaar 1750” van Nolleke van Geleen, werd te Bree geboren op 30 januari
hem te vorderen, maar ook was hij hem elf gulden schuldig 1749 en zou tot een zeer gevaarlijke Bokkerijder opgroeien”
gebleven ”van gelevert brood op den kerf, twaalf vaten <JanssenSang I, 25>. De vader van speelman Nolleke van de Wall
roggen ende noch van gelevert brood sonder kerf”. Nadat [te Bree] was immers helemaal geen bokkenrijder. Joannes
Coen Boyens van de verschuldigde som ”wegens gelevert van de Wall (*5-5-1707) was wel uit Geleen afkomstig, maar
vlees successievelyck ab anno 1733 tot anno 1739” alle hij was niet in 1743 of later uit zijn geboorteplaats gevlucht,

254

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 255

want reeds op 15 april 1737 was hij te Neeroeteren (B.) met Aardbevingen en overstroming (1755-1760)
Elisabeth Wil(l)ox getrouwd. Uit de doopplaatsen van de Volgens POTHAST had er op 26 december 1755 zo’n zware
kinderen blijkt, dat dit echtpaar in 1738 te Tongerlo (B.) en aardbeving plaats, dat de klokken in de kerktoren van Sittard
in 1741-1752 te Bree woonde <TsHKVGel 1987, 56. - Verheyen, 106- ”ohne menschliche Handanlegung gehört worden sind” en
113. - Corstjens, 30-35, 53-61 en 86>. dat in de huizen metalen en porseleinen gebruiksvoorwerpen
van de kasten vielen <DunckPot, 28>. DUNCKEL had die feiten
Geleense veldwachter bij Ophoven in het nauw gedreven - zonder nadere datering - foutief in 1754 geplaatst <Msg 1897,
(1753) 91>, waarna JOS. RUSSEL ze in datzelfde [verkeerde] jaar op
Jacob Rourbach, veldbode van Geleen, stelde op 26 maart Geleen toepaste <Russel 1860, 69-70>. Maar pastoor Hoen van
1753 vast, dat de schapen van Willem Breukers van Schinnen noteerde dat die aardbeving in de nacht van 26/27
Ophoven in het Geleense Craveld op het koren [= met december 1755 plaatshad <PSHAL 1928, 207>; dat blijkt
winterrogge bezaaide akker] van Jaspar Dullens van de trouwens ook uit andere bronnen <Rummelen, 42-47>.
Peschstraat graasden; derhalve maakte hij aanstalten om die Bijna acht weken later zou zich dit herhalen en deze keer zou
schapen te ”panden” [= in beslag te nemen]. Maar de zoon de Gelener Andries Claessens in zijn dagboek schrijven: ”den
van Breukers gaf de veldbode een slag op een schouder en de 18 februar (1756) smorgens om 8 uijren en een minute heeft
scheper, die hem met een schoppensteel bedreigde, snauwde sigh tot Lutteraed eene Eerdtbievinge beroerdt, dat ik selver
hem toe de schapen vrij te laten, ”of ich houw dich, dat de gesien hebbe, het schudden; in de kamer stondt eenen moer
harren [= hersens] op gen eerd valle”. Twee mannen uit [= moor = waterketel] om water warm te houden, om tee te
Schimmert, die daar passeerden, kwamen de Geleense veld- drincken, denselven viel strack van de stoef [= stoof] en in
bode te hulp. de keucken het flees [= vlees] dat aen de solder [= plafond]
Nadat de beide Ophovenaren assistentie waren gaan halen, hingh, sloegh tegen malkanderen, en in de schuyre so een
kwam een menigte met mesthaken en gaffels gewapend de stercke beroerte dat de deschers [= dorsers] niet konden
veldbode zodanig in het nauw drijven, dat deze de schapen derschen [= dorsen]”. Ook die hevige schokken werden door
in de steek moest laten om zich tijdig uit de voeten te de pastoor van Schinnen bevestigd <PSHAL 1928, 207>. De
maken. Ofschoon men hem achtervolgde en riep: ”Slaat de schokken van die aardbeving werden op datzelfde uur op ver
schelm dood!” wist hij heelhuids naar Oud-Geleen te uiteenliggende plaatsen, zoals Amsterdam, Londen, Rouen
ontkomen om er een rapport over het gebeurde op te maken. (F.) en Straatsburg (F.) gevoeld <Rummelen, 48-56>.
Bijna zeven maanden nadien, nl. op 8 september 1756,
Landlopers en vagebonden vervolgd (1753 en 1755) noteerde diezelfde Lutterader, dat ”op 24 uijren tijds” zoveel
Op 14 december 1753, de dag waarop de nieuw benoemde regen viel, dat de Keutelbeek het water niet snel genoeg kon
drossaard Reinier Corten zijn ”patent” van benoeming aan afvoeren en als gevolg daarvan het centrum van Oud-Geleen
de schepenbank van Geleen presenteerde, vaardigde deze overstroomd werd. Toen trad ook de Geleenbeek buiten
zijn eerste ordonnantie uit. Daarbij beval hij aan de burge- haar oevers en werden niet alleen Sittard maar ”auch viele
meesters om nog diezelfde avond in hun eigen wijken een, umliegende Dörfer unter Wasser gesetzet” <JCS 1941, 71>.
wel gewapende, ”rotte” op te roepen en alle aangetroffen Volgens bovengenoemde pastoor hadden op 23 augustus
vagebonden naar zijn huis aan de Onderste Dorpstraat 1759 en op 20 januari 1760 te Schinnen weer aardbevingen
[Geenstraat] te Lutterade te brengen. plaats. Bij de laatste tekende hij aan, dat het hevig schudden
Op 15 november 1755 vaardigde hij een gelijksoortig bevel met een geweldig gedruis gepaard ging <PSHAL 1928, 207>.
uit. Toen kreeg de gerechtsbode Giel Eummelen de opdracht Daar beide aardbevingen tevens uit Maastricht werden
om ”aen alle Corporaels [= ”rotmeesters”] des Graefschappe gemeld, lijdt het geen twijfel, dat ze ook te Geleen werden
Geleen van officie wegen aen te seggen dat deselve gevoeld. Tien dagen later, op 30 januari 1760 had er in deze
Corporaels uijt jeder Rotte sullen commanderen twee wel streek weer een aardbeving plaats, die lang duurde en grote
gewapende mannen... sullen arre(s)teren alle vre(e)mde schrik veroorzaakte <Rummelen, 62-66>.
bedelaers, lediggangers, landtloopers ende vagabonden alsoock
derselve vrouwen”. Tevens werd hun bevolen om alle passe- Willem de Gavarelle gevangen, overleden en tweemaal
rende joden, die geen geldig paspoort bezaten, te arresteren, begraven (1757-1759)
en de pakken en korven van hen, die wel een geldig paspoort Willem de Gavarelle, die in 1751 uit Geleen was gevlucht en
hadden, op gestolen goederen te controleren. Bovendien in het klooster van de sebastianen te Neuß (D.) een onder-
werden die patrouilles geautoriseerd om ’s nachts groepjes komen had gevonden, werd na zes jaar gevat. Had hij zich
van ”bij malkanderen” staande personen te benaderen en ”aff weer in Geleen gewaagd of had men zijn schuilplaats
te vraegen wie sij sijn met hunne respective naemen off ontdekt? De mededeling van BLOK, dat hij pas in 1759 zou
toenaemen”. Als dergelijke groepen hen ”niet souden laeten zijn gearresteerd <A. Blok 1991, 294>, is niet juist, want op
bijkomen off kenbaar willen geven” zouden de patrouil- 26 juni 1757 stelden zijn dochters en schoonzoons ”cautie”
lerende Geleners ertoe mogen overgaan ”van op dieselve vier [= borgtocht, onderpand] voor de kosten van het proces, dat
[= vuur] te geven en om verre te schieten” <LvO nr. 1243>. drossaard Corten tegen hun ”gedetineerden” [= gekerkerde]

255

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 256

vader en schoonvader Willem de Gavarelle had aangespannen. aanklacht zoo niet valsch dan toch onbewezen is”. In diens
Zij stelden hun ”huijs, moeshoff en weijde gelegen agter de voetspoor volgde E. VAN LIDT DE JEUDE met zijn artikel
kercke tot Geleen” en ”ontrent de dry bounders landt onder ”Bokkerijder, die geen Bokkerijder was. Rechterlijke dwaling
deselve Heerligheijt Geleen gelegen” tot onderpand. Die in 1760” <PSHAL 1880, 88-89. - Tel 17-8-1930>. Maar noch HABETS
goederen hadden zij van hun moeder geërfd en hun vader noch VAN LIDT DE JEUDE waren blijkbaar op de hoogte van
had daarvan slechts het vruchtgebruik gehad. Zij verzochten de informatie over het optreden van Willem de Gavarelle,
procureur Adam Mathias Gudi en P. Banens, ”der beijde die uit de archieven van Geleen en Schinnen kan worden
rechten advocaet”, om hun (schoon)vader tegen de aan- geput.
klachten van de drossaard te verdedigen <LvO nr. 1321>.
Op 25 juli 1759 was er sprake van ”wijlen de heer Willem Andermaal verdachte vreemdelingen geweerd (1760-1762-
de Gavarelle” en op 7 november 1759 werd uitdrukkelijk 1765)
verklaard, dat Dirck Claessens - schoonzoon van de gerechts- Op 8 februari 1760 vaardigde drossaard Corten weer een
bode Giel Eummelen - Willem de Gavarelle ”ten tijde van ordonnantie uit tegen de uit naburige gebieden naar het
twee jaeren en eenen maent” had bewaakt en verzorgd. Daar graafschap Geleen gekomen ”vrembde bedelaers, landt-
Claessens te Geleen woonde, lijkt het voor de hand te liggen, loopers ende vagabonden”. Volgens het hierboven [onder
dat de aanvoerder van de bokkenrijders het grootste gedeelte 1749] geciteerd keizerlijk plakkaat van 26 juli 1749 kon dit
van die twee jaren in de kerker te Sint-Jansgeleen had door- niet ”getollereert” [= toegestaan] worden. Daarom werd
gebracht. Het is niet zeker of hij daar dan wel in de kerker andermaal aan alle korporaals opgedragen om tezamen met
van het kasteel van Amstenrade overleed; dit laatste lijkt twee gewapende mannen op alle ”cassien” [= steenwegen] en
waarschijnlijker, omdat hij op bevel van de schepenen van groene wegen binnen het graafschap Geleen te patrouilleren
Geleen door een vilder te Treebeek onder de galg werd en alle daarop aangetroffen ”bedelaers, leedighgangers ende
begraven. vagabonden” te arresteren.
Zijn dood en begrafenis gaven aanleiding tot controversen. Op 8 augustus 1762 liet hij datzelfde plakkaat nogmaals
Het gerucht, dat hij door zijn eigen familieleden zou zijn afkondigen. De korporaals, die elk zes gewapende mannen
vergiftigd - zoals RUSSEL beweerde <Russel 1878, 34> - verdient aanvoerden, dienden alle verdachte personen, die geen geldig
geen vertrouwen. Ook de bewering, dat hij zelfmoord zou paspoort bij zich hadden, te Sint-Jansgeleen op te sluiten
hebben gepleegd, lijkt onvoldoende gefundeerd te zijn. <LvO nr. 1243>.
Volgens sommigen zou hij ten gevolge van de tortuur Op 25 juni 1765 liet drossaard Franssen eveneens - op grond
[= foltering] zijn overleden <Pijls, 24>, maar daarvoor staan al van het keizerlijk bevel uit 1749 - ”eene patrouille in desen
evenmin bewijzen ter beschikking. Het lijkt heel wat waar- dorpe en heerlichheyt Geleen commanderen tot opsoecking-
schijnlijker dat de 67-jarige een natuurlijke dood stierf, al he en uytroeyinge der vagabonden en andere suspecte
kan zijn gevangenschap die verhaast hebben. personen, waermede het landt zedert eenigen tijdt seer is
Toen de gezusters de Gavarelle vernamen hoe en waar hun geinondeert [= overstroomd] geweest”.
vader was begraven, lieten zij op 4 juni 1760 door Frans
Meyer bij de Soevereine Raad te Brussel een protest indienen Notaris Looijmans in de gevangenis (1759-1761)
tegen ”het irreguliere begraven des doode lichaems van Paul Martinus Looijmans was op 26 januari 1709 te Ekeren
gemelte heer Willem de Gavarelle”. Zij voerden aan, dat hun (B.) gedoopt als zoon van notaris Adriaan Looijmans en
vader niet alleen niet veroordeeld was maar zelfs stichtelijk Isabella Basseliers. Op 8 maart 1729 was hij te Antwerpen
was gestorven. Derhalve verlangden zij, dat zijn lijk ofwel in getrouwd met Maria Corten (*24-10-1697) uit Schinnen en
gewijde grond zou worden begraven ofwel [gekist] in de in 1730 verwierf hij het notariaat. In juli 1745 kwamen zij
gevangenis zou blijven totdat een rechterlijke beslissing zou zich ten huize van Christiaan Peusens te Wolfhagen
zijn gevallen. Op 17 november 1760 werden zij in het gelijk [Schinnen] vestigen. Daar kreeg hij geen al te beste reputatie.
gesteld. Daarop werd het lijk van hun vader opgegraven en In juni 1754 werd hij wegens valsheid in geschrifte, ver-
zonder ceremonie op het kerkhof te Amstenrade ter aarde denking van lidmaatschap van de bokkenrijdersbende en
besteld, terwijl de schepenbank van Geleen de gerechtskosten beschuldiging van overspel te Terborg gevangengezet. In
van dit beroep moest dragen. februari 1755 werd hij weer in vrijheid gesteld en werd hem
Zich op die uitspraak van het gerechtshof baserend schreef verboden om gedurende tien jaar als notaris op te treden.
JOS. HABETS, dat Willem de Gavarelle was ”het slachtoffer Toch hervatte hij zijn praktijk reeds in mei 1759; maar hij
geworden eener dier gerechtelijke méprises [= misgrepen], achtte het blijkbaar raadzaam om uit Schinnen te vertrekken.
die destijds ten gevolge der strenge wetten en onvoldoende Op 7 juni 1759 huurden hij en zijn vrouw het huis de Preez
rechtskennis niet zelden voorvielen... In 1760 hadden eenige in de Dorpstraat [Marcellienstraat] te Geleen <LvO nr. 1321>.
kwade tongen Jonker Willem de Gavarelle beticht deel- Dat zou evenwel niet van lange duur zijn. Op 26 juli 1759
genomen te hebben aan de toen alom beruchte dievenbende schoot hij Joannes Janssen van Lutterade in een gevecht in
der Bokkenrijders... Uit de procesakten en de revisie daarvan het Ophovenerveld dood. Daarop werd hij te Sint-
door het hof van Brussel is ons echter gebleken, dat deze Jansgeleen gevangengezet. Ter verdediging voerde hij aan,

256

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 257

dat hij door genoemde Janssen en Arnold van de Wall, naar de woning van Joannes Knubben te Schinnen gebracht
beiden ”domestiquen” van drossaard Corten, achtervolgd en overleed er de volgende dag. Op 19 juni werd hij op het
werd en zich zodanig in het nauw voelde gedreven, dat hij kerkhof van Schinnen ter aarde besteld. Hij werd niet te
”in den uytersten noodt gedwongen is geweest sijn leiff te Meerssen begraven, omdat hij op 22 oktober 1777, als lid
verweeren”. van een bokkenrijdersbende, te Valkenburg - onder de galg
Na verloop van tijd gingen niet alleen zijn echtgenote maar en met de strop om zijn hals - gegeseld, gebrandmerkt en uit
ook een paar ”vreemde vrouwen” [waarschijnlijk dienst- de Staatse delen van de Landen van Overmaas verbannen
boden] hem in de kerker gezelschap houden. Na 21 was; zijn bijnaam was ”de Toren” <Sleinada, 50. - Ramaekers, 127-129.
maanden gevangen te hebben gezeten, wist Looijmans half - A. Blok 1991, 227>.
maart 1761 te ontsnappen. Op 21 augustus 1763 werd hij
voor altijd verbannen; die ban werd op 19 november 1766 De bokkenrijdersbende herleeft andermaal
herhaald. Desondanks lukte het hem ook deze keer - zij het Het oprollen van de bokkenrijdersbende in 1750-1752
na vele jaren - terug te keren en zijn praktijk te hervatten. betekende voor sommigen, die aan de justitie hadden weten
Op 11 februari 1778 trad hij weer in het openbaar als te ontkomen, niet het einde van hun roverspraktijken. Onze
procureur op. Looijmans en zijn vrouw zijn respectievelijk streken kregen een derde periode van het optreden der
op 26 juni en 1 mei 1780 ten huize van een neef van deze bokkenrijders te verduren. Doch het zou deze bende niet
laatste te Schuijteneinde [Schinnen] overleden <Pijls, 71-73>. beter vergaan dan de vorige. In 1773/74 werden niet minder
dan 21 bokkenrijders uit Beek op de Graetheide terecht-
H. Vormsel aan Geleners en anderen toegediend (1760 en gesteld. Dezen waren te Valkenburg gevangengezet en daar
1767) door folteringen tot bekentenissen gedwongen. Op de dag
Op 19 augustus 1760 kwam bisschop Antonius de Robiano van hun terechtstelling werden ze op karren - onder begelei-
van Roermond op visitatie naar Geleen. Toen werden niet ding van Beeker schutten en gewapende mannen te paard -
alleen kinderen uit die parochie maar ook uit Beek en Geulle van Valkenburg naar Beek en vervolgens naar de Graetheide
gevormd. Op grond van de Staatse wetten in Staats Valken- gebracht. Onder hen bevond zich ook Willem Glaesmakers,
burg was het kerkelijk voorschrift, dat de rooms-katholiek die in Geleen was geboren en sinds 1768 te Beek op het
gevormden de ”vormdoek” drie dagen om het hoofd moesten Wolfeinde woonde. Hij stierf op 23 september 1773 op de
dragen, niet op die uit Beek en Geulle van toepassing Graetheide aan de galg <Sleinada, 47. - A. Blok 1991, 344>.
<GABACob>. In een beschrijving uit 1775 lezen we, dat bij ”dem
Op 29 augustus 1767 kwam die bisschop andermaal naar Thumeicker weg [= Tomeikerweg], wo die Geleen- und die
Geleen en diende hij het vormsel toe aan kinderen uit Beekische gerichtbarkeit scheidet... ist auf dem Rand der
Geleen, Borgharen, Limmel, Itteren, Bunde en Geulle. Na Graetheide ein Galgen und etwa 30 bis 40 schritt weiter in
de nacht in de pastorie te hebben doorgebracht, vormde hij die Haidt [heide] sind deren nog zwei von wegen Beek auf-
’s anderendaags nog enige personen, die van elders kwamen gerichtet”. Een kaart uit die tijd vertoont drie galgen en een
<Habets 1890, 580>. rad in de noordwestelijke uithoek van Beek, vlak bij de
meest westelijk gelegen huizen van Krawinkel. Naar mensen-
Vermoord, verdronken of verongelukt (1768-1779) heugenis hadden op die plaats nooit eerder galgen of een rad
Tijdens een dozijn jaren in de tweede helft van de achttiende gestaan.
eeuw verloren zes personen uit Geleen of de naaste omgeving Het plaatsen daarvan - door de autoriteiten van Staats
op noodlottige wijze het leven. Op 25 januari 1768 werd Valkenburg - werd door Karel Theodoor, keurvorst van de
Geret Penners uit Hollands-Neerbeek in het Spaubeekse Palts, die toen als hertog van Gulik ”die hohe Gerichtbahr-
Vrouwenbos onder een met hout geladen kar doodgedrukt keit über hals und hand auf besagten Gradheid” opeiste, als
[sub carrucâ ligno repletâ]; hij werd te Geleen begraven. Op een aantasting van zijn soevereiniteit beschouwd. Toen op 23
18 juli 1769 werd de 22-jarige Jan Hamers van Munster- september 1773 de bokkenrijders uit Beek naar de gerechts-
geleen tijdens veldarbeid door de bliksem gedood. Op 29 plaats werden gevoerd, werd daartegen ter plekke dan ook
juni 1772, feest van de HH. Petrus en Paulus - toen de door de afgevaardigden van de keurvorst geprotesteerd <Msg
meesten van haar dorpsgenoten naar de kerk waren - werd 1904, 31>. De autoriteiten van Staats Valkenburg stoorden zich
Greetgen Salden te Krawinkel in haar eigen huis vermoord. daar evenwel niet aan en gingen door met hun terecht-
Op 7 juni 1774 verdronk Hendrik Bovens te Sint-Jansgeleen stellingen in het Beekse gedeelte van de Graetheide. De
in de Geleenbeek. Op 11 februari 1777 werd Margaretha executies van 26 mei 1774 waren de laatste ter plaatse;
Reijners uit Born, echtgenote van Jan Christophoor Zelissen daarna werden de bokkenrijders uit het Staats gedeelte van
van Ophoven, te Geleen begraven; zij was bij de oliemolen Valkenburg - met uitzondering van Heerlen - te Valkenburg
van Daniken verdronken. terechtgesteld.
Bij herstelwerkzaamheden aan een put te Lutterade werd de Bij MELCHIOR vindt men - zonder bronopgave - de vreemde
”steenbreker” Herman Corstjens uit Meerssen op 17 juni bewering, dat van die derde bende in de jaren zeventig [van
1779 door een val zwaar gekwetst. Hij werd op een ladder de achttiende eeuw] binnen vijf jaar in de heerlijkheden

257

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 258

Geleen en Schinnen 65 leden zouden zijn opgehangen en verwonderlijk, dat andere onderzoekers geen enkele
veertien andere in de gevangenis zouden zijn gestorven, familierelatie tussen de op 13 januari 1775 gehangen
terwijl er acht uit ”het prison” zouden zijn ontsnapt en niet bokkenrijder en ”Nölke van Geleyn” konden vaststellen
minder dan 24 voortvluchtig zouden zijn geweest <Melchior, <TsHKV Gel 1987, 59 en 81>, want de op die datum te Stein
123>. In die periode werd evenwel noch te Geleen noch te gehangene was de twintigjarige Leonard Houben, ook
Schinnen een bokkenrijder terechtgesteld, terwijl in dat genoemd ”Leentje de speelman”, uit Meers <A. Blok 1991, 222,
verband te Geleen slechts naar één enkele persoon officieel 327 en 329>.
werd gezocht. Sommige auteurs hebben een zogenaamde Geleense bokken-
Dat neemt evenwel niet weg, dat verscheidene inwoners van rijder Leonard van de Graaf als een der deelnemers aan de
Geleen door leden uit andere plaatsen verraden werden. Van overval bij de gezusters Gadé vermeld <Russel 1877, 13. - Melchior,
de beschuldigden woonden er vier in Spaans-Neerbeek, nl. 116>. Ofschoon destijds te Geleen een familie Van de Graaf
Andries Sch., Geerke B., Steven Dr. en Geurt M., vijf in woonde, kon die informatie toch niet worden geverifieerd.
Krawinkel, nl. ”Gerrike de groote broeck”, door anderen Heeft de omstandigheid, dat de zojuist genoemde Leonard
”groote Oom” genoemd, in de Daalstraat, diens neef Peter Houben ”op den graaf” van het Steinder bos werd terecht-
Cr., Gerrit D., Joannes, ”bijgenaemt Stijven Hans”, een gesteld <Msg 1904, 31>, misschien de indruk gewekt, dat hij
slotenmaker, en Nicolaas die uit Spaubeek stamde en ”te ”Leonard op de Graaf” heette?
Cranckel [= Krawinkel] op de Camp” woonde; verder een
Joannes ”van Daneken onder Geleen, eenen snijder, klijn Herman Luijten:
van postuur sijnde” en tenslotte ”Joannes woonende halfweg een der [onder-] kapiteins van de bokkenrijdersbende
de straat genaemd Endt” [= Eindstraat] in Oud-Geleen, een Werd door gefolterde gevangenen te Valkenburg bijna een
slotenmaker wiens vrouw niet uit Geleen afkomstig was en dozijn Geleners als leden van de in de tweede helft van de
als keukenmeid op de Lutteraderhof had gediend. achttiende eeuw herleefde bokkenrijdersbende aangewezen,
De bovengenoemden waren blijkbaar uitsluitend uit zonder dat de Geleense overheid tegen hen optrad, de
bekentenissen van gefolterde bokkenrijders te Valkenburg beschuldiging van Herman Luijten als een der aanvoerders
aan de autoriteiten van Staats Valkenburg bekend. van die bende werd in de kerker van het kasteel van
Aangezien die autoriteiten geen al te vriendschappelijke Amstenrade, d.w.z. ten overstaan van de drossaard van het
relaties met hun collega’s van Spaans Valkenburg onder- graafschap Geleen, uitgesproken en zou om die reden tot een
hielden, bleven deze laatsten waarschijnlijk om die reden arrestatiepoging leiden. Evenals Willem de Gavarelle, zo was
onkundig van de beschuldigingen tegen inwoners van ook Herman Luijten ontvanger van de in- en uitvoerrechten
Geleen en traden zij bijgevolg niet tegen hen op. in het Oostenrijks gedeelte van het Land van Valkenburg. En
evenals dit bij zijn voorganger het geval was geweest, zo werd
Geen Geleense speelman Van de Wall maar Leonard door dat beroep ook zijn deelname aan de activiteiten van de
Houben uit Stein gehangen bokkenrijders aanzienlijk vergemakkelijkt; ambtshalve
SLEINADA schreef: ”Te Stein aen de Maese gehangen den 13 moest hij immers contacten met zijn collega’s elders onder-
January 1775 Leonard den Speelman” <Sleinada, 53>. JOS. RUSSEL houden.
veranderde dit in: ”Te Stein werd gehangen, den 13 Januarij Herman Luijten werd op 22 februari 1715 geboren als enig
1775: Leonard V. de W., gen. de Speelman, uit Geleen” kind van Willem Luijten en Helena Kraegs. Zijn moeder
<Russel 1877, 39>. Niet alleen werd dit door MELCHIOR klakke- had aan haar eerste man Peter Jessen een zoon Lintje
loos als ”Leonard van de Wall” overgenomen <Melchior, 140 en [= Leonard] geschonken (*1-12-1695). Deze halfbroer ging
255>, maar ook leidde die foutieve bewering tot een nog te Schinnen bij de kerk wonen en kreeg de bijnaam ”het
absurdere, nl. dat ”twee jonge kerels uit Geleen, Nolleke en Cuijperke”. Hierboven werd reeds vermeld, dat hij lid van de
Leonard van de Wall”, leden van de bende van Willem de eerste bende was, na zijn vlucht terugkeerde, zich bij de
Gavarelle zouden zijn geweest en op een gure herfstavond herleefde bende aansloot, werd gearresteerd, uit de gevange-
van het jaar 1769 door de gerechtsdienaars in hun huis nis wist te ontsnappen en in effigie werd opgehangen <Pijls, 18,
zouden zijn verrast, waarbij Nolleke de dans zou hebben 23 en 83. - Ramaekers, 65. - A. Blok 1991, 290>.
weten te ontspringen, maar zijn broer Naard bij de kraag zou Op 19 mei 1735 huwde Herman Luijten met Stincken
zijn gevat <NLim 8-5-1964>. [= Christina] Daemen, die de moeder van zeven kinderen
Afgezien van het feit, dat er in 1769 geen sprake meer van werd. Nadat zij op 2 april 1747 het leven aan een tweeling
een bende van W. de Gavarelle kon zijn, dringt zich ook de had geschonken, overleed zij op 26 mei van datzelfde jaar.
vraag op hoe een te Geleen gearresteerde te Stein aan de galg Op 21 juni 1748 hertrouwde Herman met Maria Johanna
kon komen te hangen. VENKEN liet eveneens aan zijn Penris, die hem nog elf kinderen zou schenken. Hij schijnt
fantasie de vrije teugel, toen hij schreef, dat de op 13 januari bij sommige Geleners een vrij goede reputatie te hebben
1775 te Stein gehangen [zogenaamde] Leonard van de Wall genoten, want in 1765 werd hij als een van de drie kandi-
uit Bree (B.) zou stammen en de vader van ”Nolleke van de daten voor het ambt van koster voorgedragen. Hij kreeg toen
Wall” zou zijn geweest <Venken, 14>. Het is geenszins echter slechts drie van de 170 stemmen, omdat zijn plaats-

258

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 259

genoten de voorkeur aan Andries Claessens gaven. Ook valt Het complex Luijten in de Jodenstraat. Herman Luijten
zijn goede reputatie af te leiden uit het feit, dat hij op 17 woonde in het witte gedeelte. Rechts van de poort lagen de
maart 1767 een van de drie getuigen was bij de installatie stallen, terwijl de woonvertrekken achteraan links op het erf
van de hulppastoor Werner Schmitz als beneficiant van het lagen. De huidige gevel dateert van 1799 <Foto M. Verjans, 1950>.
Sint-Nicolaasaltaar. Toen werd hij aangeduid als: Apostolicae
Majestatis Reginae Hungariae receptor, d.w.z. ”Ontvanger van Wegens loslippigheid van de bode aan arrestatie ontsnapt
haar Apostolische Majesteit de Koningin van Hongarije” (1775)
[= keizerin Maria-Theresia]. In 1772 noemde hij zichzelf: In de voormiddag van 2 november 1775 liet drossaard Strens
”Ontfanger van sijne Majesteijts inkomende en uytgaende te Sint-Jansgeleen aan de gerechtsbode Dirck Claessens
rechten ten comptoire [= op het bureau] tot Geleen”. weten, dat hij tegen het middaguur de opdracht zou
Toch stond hij niet bij iedereen gunstig bekend, want op 25 ontvangen om ”den persoon van Herman Luyten t’appre-
oktober 1769 werd in het plaatselijk archief genoteerd, dat hendeeren [= arresteren]”. Tevens beval hij hem om daarover
Herman Luijten ”op de criminele rolle [= boeken met ”de grootste geheimenisse, conform de plichte ende obligatie
verslagen van door de schepenbank onderzochte en van een gerichtsbode” te bewaren. Maar van die ”plichte
beschreven feiten] bekent is complice [= medeplichtige] te ende obligatie” blijkt de bode zich niet al te sterk bewust te
syn van de bende, die over eenige jaaren alhier in het landt zijn geweest, want toen hij vlak daarop, bij het verlaten van
geexisteert en verscheijde huysbreucken als andersints het herenhuis, de mulder P. W. Smeijsters ontmoette, flapte
begaen heeft”. Al werd daar toen fel tegen geprotesteerd, hij al meteen ”het groot nieuws” eruit. Dat nieuws werd
omdat er geen proces tegen hem was gevoerd, toch kwam die door de aangesprokene aanstonds aan zijn schoonvader, de
notitie met de werkelijkheid overeen. Merkwaardigerwijze oude mulder W. Kerckhoffs, doorgegeven. En deze laatste
werd deze opvallende figuur uit de geschiedenis van de liet de schoenmaker Hendrik Vroemen uit Spaubeek, die op
bokkenrijders door A. BLOK niet vermeld; doch niet alleen 13 mei 1772 met Johanna Catharina Luijten, een dochter
zijn over hem in de Geleense archieven gegevens te vinden, van Herman Luijten, was getrouwd, ”ten sijnent” op de
maar ook heeft G. RAMAEKERS zijn uit de bekentenissen van molen roepen. De mulder vertelde aan de schoenmaker wat
medeleden bekende rol zowel in zijn boek alsook in zijn hij had vernomen, ”waerop dito Vroemen naer Geleen
correspondentie met de schrijver in het daglicht gesteld. geloopen is ende sijnen schoonvaeder Herman Luyten
Volgens bekentenissen door medeleden was Herman Luijten geadverteert ende geholpen in sijne evasie [= ontsnapping],
eerst de onderkapitein of majoor voor het rayon Schinnen- alle het gheene oorsaeck is geweest van desselfs vluchtig-
Geleen en trad hij na de terechtstelling van chirurgijn heyt”. Toen de gerechtsbode en zijn schutten in de namiddag
Kerckhoffs te ’s-Hertogenrade (1772) als de belangrijkste ten huize van Herman Luijten in de Jodenstraat verschenen,
aanvoerder van het gehele restant van de derde bende op.
Soms nam hij te paard aan de rooftochten deel. Zijn rechter-
hand was toen blijkbaar zijn collega Caspar van Mechelen,
tollenaar te Schin op Geul, die vaak bij Luijten aan huis
kwam en eveneens door hem in zijn woning werd bezocht.
In de kerker verklaarde deze Caspar, ”dat onder hunne bende
was gehoorende Herman Luyten van Geleen, wesende eene
van d’officieren, die oock overalle ’t meeste wilde te seggen
hebben”.
Zo had Luijten op 22/23 augustus 1756, gewapend met een
”hersevenger” [= lang jachtmes], het commando gevoerd bij
het bestelen van Peter Walraven in Maasband onder Stein.
Ook bij de overval op Hendrik Ritzen te Wijnandsrade op
19/20 april 1762 speelde de Gelener, die toen te paard aan-
wezig was, een belangrijke rol. Bij de overval op het land-
goed Stein bij Havert (D.) op 13/14 september 1770, die
door de hele bende onder aanvoering van chirurgijn
Kerckhoffs plaatshad, vervulde Herman Luijten de rol van
onderkapitein. Genoemde Caspar vertelde ook, dat in
opdracht van Herman Luijten een brandbrief werd gelegd
op de Wittevrouwenhof te Scharn. En bij de mislukte over-
val op pastoor J. Brandt te Margraten op 21/22 november
1774, het ”laatste misdrijf” van de bokkenrijders, zou Luijten
als aanvoerder van de hele bende zijn opgetreden <Sleinada, 21.
- RJ 1939, 206-208. - Ramaekers, 85, 90-95, 122, 136-142, 171-176>.

259

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 260

was de vogel dan ook gevlogen. Een eeuw later circuleerde ”Recht zeyde eens een hoofd van de bende in een gezelschap,
onder de Geleners nog het volgende, niet geheel accurate, als hem ook van eenen medepligtigen gevraegt wierd (dezen
verhaal: ”Luyten wist zich bijtijds uit de voeten te maken en is gehangen) mijn heer vraegde Casper van M(echelen) zegt
vluchtte over de Maas. Toen de gerechtsbode hem ging my eens wat mag dog de oorzaeke zyn, dat die bende zoo
vatten, liet deze de tong te lang hangen; een vriend van sterk is, daer nogtans zoo wynig gestoolen word? daer op
Luyten hield hem inmiddels enige tijd aan de praat en zond antwoorde hem den andere myn heer H(erman) L(uijten)
een vertrouwde knecht om de beschuldigde te waarschuwen, dat en weet den rechter niet, dat en weeten de geestelyke niet
die zich alzo kon wegmaken” <Russel 1878, 33>. die hun bystaen, en dat weet gy niet, en den geenen die het
Bij een eerdere beschrijving van deze gebeurtenis heb ik weet en zal het noyt zeggen; diens volgens zyn de insigten,
verondersteld, dat Herman Luijten toen wellicht op een waerom de bende zoo sterk ende groot geweest is, anders
verborgen plek in zijn huis zou hebben gezeten <St.Jansgel, 89- niet, als een verholentheyd en geheymenisse van de Hoofden
90>. Het geheime vertrek, dat tot voor enkele jaren nog op de ter zelve” <Sleinada, 99-100>.
eerste verdieping aanwezig was, blijkt echter niet te zijn Ook een andere bron wijst erop, dat de bokkenrijders-
aangebracht tussen de oostelijke zijmuur van dit huis en een beweging meer beoogde dan het gezamenlijk op roof
westelijke zijmuur van een daarnaast gelegen huis - want uitgaan. Op 2 november 1775 bekende Geertruij Bosch,
toen lag daar nog geen huis - maar tussen de vroegere ooste- dochter van de glazenier Antoon Bosch, een der voort-
lijke buitenmuur van vakwerk en de later op ongeveer een vluchtige hoofdfiguren uit de laatste bende uit Heek
meter daarvan aangebrachte oostelijke buitenmuur van - zonder daartoe door foltering gedwongen te zijn - dat de
baksteen. Welnu, die bakstenen zijgevel schijnt pas in 1799 leiders van plan waren geweest ”om allerheylige dag
door zijn zoon Jan Mathijs Luijten te zijn opgetrokken. [= 1 november] des jaars 1774 met hunne benden eenen
Derhalve zal dat geheime vertrek pas uit de Franse tijd religie-oorlog aan te vangen” <Thym 1953, 305-307>. Haar
hebben gedateerd. Waarschijnlijk is Herman Luijten - even- verhaal lijkt betrouwbaar, omdat de besprekingen van de
als zovele anderen - naar de overzijde van de Maas gevlucht. leiders van die laatste bende met een zekere Lehaen uit Luik
De bewering, dat vervolgde bokkenrijders zich in zelf- in het huis van haar vader plaatsvonden <MSGoud, 354. - A. Blok
gegraven holen in de Graetheide probeerden te verbergen 1991, 144-147>.
<Rutten, 17>, is zonder meer uit de lucht gegrepen. Na een groot aantal ondervragingen kwamen de autoriteiten
Toen de drossaard en de schepenen vernamen, dat de van Staats Valkenburg in 1776 tot de conclusie, ”dat het
ontsnapping van Luijten aan de loslippigheid van de samenzweren van dit vloekgespan niet slechts is geweest een
gerechtsbode was te wijten, werd deze niet alleen prompt associatie tot stelen en roven, maar dat het wezenlijk inzicht
ontslagen maar moest hij ook de kosten van het proces tegen [= doel] is geweest om door een nieuwe op te richten religie
H. Luijten betalen <LvO nr. 1282>. Niet lang daarna kreeg hij die van de christelijke religie met en nevens de politie te
zijn baan weer terug; in 1782 was hij weer in functie. Op 22 vernietigen, alle goederen gemeen te maken en dus de
december 1779 was er sprake van ”den fugitijven Hermanus soevereine macht haar wettig gezag te ontweldigen, hierom
Luijten” <LvO nr. 1283>. Op 21 december 1814 verklaarde zijn hebben de hoofden der bende van dorp tot dorp binnen Uw
dochter Maria Joanna Luijten, dat haar vader sedert 35 jaar Hoog Mogende [= Staats gebied] en naburige landen zo
verdwenen was <NRA nr. 2205, akte 57. - LimTsGen 1995, 96>. Zijn sterk voor hun bende doen rekruteren” <A. Blok 1991, 149>.
achtergebleven tweede echtgenote M. J. Penris overleed te
Geleen op 12 januari 1794. Besmettelijke ziekte en sterfte onder het vee (1777)
In het voorjaar van 1777 heerste in deze streken weer een
Hadden de latere aanvoerders van de bokkenrijders andere epidemie onder het hoornvee. Op 22 en 23 april van dat jaar
doeleinden dan stelen? werd door de burgemeesters en de schepenen een inventaris
J. M.VAN DE VENNE was van mening, dat de leden van de van de Geleense veestapel opgemaakt, waarvan een gedeelte
eerste bokkenrijdersbende (tot 1743) gewone rovers zouden is bewaard gebleven. Daaruit blijkt, dat in Oud-Geleen 88
zijn geweest, maar dat de leiders van de latere benden (na huishoudens een totaal van 161 stuks rundvee bezaten. Van
1749) een ander einddoel zouden hebben nagestreefd. deze hadden er 39 slechts een enkele koe of rund, terwijl
Boven chirurgijn Joseph Kerckhofs, die de opperste leiding schepen Haerden met zijn vijf koeien en twee runderen de
van de organisatie in de Landen van ’s-Hertogenrade en grootste plaatselijke veestapel had. Hierbij waren kennelijk
Valkenburg had, zou naar alle waarschijnlijkheid nog een de omvangrijke kudden van de hoeve Ten Eijsden en van de
overste hebben gestaan. Dit laatste zou ook het geval zijn Biesenhof niet inbegrepen. Te Oud-Geleen werd ongeveer
geweest met de leiders van de Kempische benden. eenvierde van het hoornvee door de ziekte aangetast, maar
Genoemde auteur dacht speciaal aan de verlichte geesten van bij de meeste gevallen staat vermeld, dat zij ”gebeterd”
de achttiende eeuw en/of een godsdienstoorlog <MSGoud, 350- waren. In die lijst werd geen enkele os vermeld.
354>. Te Lutterade waar de veestapel aanzienlijk groter was, was de
Daarmee komt overeen wat SLEINADA volgens het getuigenis situatie veel erger. In de stallen van 98 veehouders werden
van een medelid aan Herman Luijten in de mond legde. nl.: daar 257 ”beesten” door de ”contagieuse sieckte” aangetast;

260

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 261

van deze waren er slechts 71 ”gebeterd”, terwijl er 186 december 1779 slechts zeventien personen, terwijl alleen bij
”ongebeterd” waren. Ofschoon op die lijst blijkbaar alleen de twaalf van hen ex dyssenteriâ als doodsoorzaak werd
aangetaste dieren werden vermeld, lijken deze toch bijna de opgegeven. De familie Vroemen, die achter de kerk woonde,
hele veestapel van Lutterade te hebben uitgemaakt. Van de werd wel bijzonder zwaar getroffen; behalve de 62-jarige
vier stieren en zes ossen waren respectievelijk een stier en vier schepen Jacob Vroemen overleden diens 21-jarige dochter
ossen ”gebeterd”. Maria Johanna, 25-jarige zoon Petrus Mathias en 30-jarige
In Oud-Geleen was bijna de helft van het rundvee rood, zoon Hans Willem, die notaris was.
ruim eenvierde bruin en ongeveer eenzesde zwart, terwijl de Wellicht heeft POTHAST bij bovengenoemde opgave het
rest grijs, vaal, bont of wit was. Uit de door de Lutteraders aantal slachtoffers van 1779 met dat van 1781 verward. In
opgestelde lijst blijkt, dat zij voor het vee in hun dorp slechts 1781 heerste de dysenterie vanaf Maastricht, waar ze meer
onderscheid maakten tussen bruin, grijs en zwart. Uit een dan 1000 slachtoffers maakte <Flament, 138>, tot Venlo, waar
totaal van 257 stuks rundvee, gaven zij er 205 als bruin op, 150 mensen stierven <Uyttenbroeck III, 7>. Op 4 september 1781
terwijl de rest volgens hen ofwel grijs ofwel zwart was. Het wordt te Geleen voor het eerst dysenterie als doodsoorzaak
lijkt evenwel onwaarschijnlijk, dat zich in zo’n grote vee- vermeld; daarna volgen tot daags vóór Kerstmis de namen
stapel geen enkele rode koe, rund of kalf zou hebben van niet minder dan 85 personen, waarbij diezelfde doods-
bevonden, en dit des te meer, omdat er in Oud-Geleen oorzaak wordt opgegeven. Op 25 september 1781 lagen er
zoveel rood gekleurd vee was. Derhalve lijken de Lutteraders in Geleen negen lijken ”op ’t sjouf” [= opgebaard]. Met
het rode vee van hun dorp in dezelfde categorie als het respectievelijk [minstens] 33 en [minstens] 23 dodelijke
bruine vee te hebben geplaatst <LvO nr. 1511. - St-Jansgel, 213>. gevallen waren Lutterade en Krawinkel de zwaarst getroffen
wijken. De meeste slachtoffers waren kinderen en bejaarden;
De ”Verenigde Staten van Overmaas” (1778) tot hen behoorde ook de 64-jarige Jan Helgers van de hoeve
Op 29 januari 1778 besloot keizerin Maria-Theresia het Ten Eijsden.
hertogdom Limburg en de drie andere Landen van
Overmaas onder één administratie te plaatsen. Voortaan zou Huize Koekamp <Luchtfoto Nederland>.
er voor de ”Verenigde Staten van Overmaas” - die doorgaans
als ”de Provincie van Limburg” zouden worden aangeduid - Landhuis Koekamp gebouwd (1781/82)
slechts ”eenen Raedt Pensionnaris ende eenen Ontfanger” In 1781/82 liet Jan Joseph Frederik Meyer, zoon van Frans
zijn. Ook zouden in die vier gebieden geen afzonderlijke Meyer en Maria Theresia de Gavarelle, een nieuw landhuis
vergaderingen van de drie standen meer plaatshebben; zij bouwen op een ten oosten van de Geleenbeek maar binnen
zouden slechts in een algemene vergadering bijeenkomen. de grenzen van het graafschap Geleen gelegen terrein, dat als
Met die nieuwe regeling ging tevens een verandering in de Koekamp bekend stond en een onderdeel van de gewande
belastingaanslag gepaard; voortaan zouden in elke plaats de van de vroegere Hanenhof had uitgemaakt. In het meetboek
belastingen volgens de daar gelegen ”ploegbare landen, Bollen uit 1706 staat dat toen ”eenen Camp aen de
hoven ende boomgaerden, bemden ende weyden, bosschen koeijbrugge ter eenere sijden allegelanghs die Meulenbeeck”
ende haegen, vijvers, inculte [= niet gecultiveerde] gronden, en naast Abshoven gelegen aan de erfgenamen Van den
molens, huysen en thiende” worden geheven. Volgens die Stock toebehoorde.
formule moest Geleen van elke 1000 gulden, die in de De bouwer trad als jongeman bij de jezuïeten te Maastricht
”Verenigde Staten” werden geheven, 19 gulden, 17 stuivers in en ging na de opheffing van die sociëteit (1773) te Leuven
en 3 duiten bijdragen. Op 6 juli 1778 gaf drossaard rechten studeren. In 1777 vestigde hij zich als advocaat te
N. Strens aan de bode de opdracht om dat document van 22 Maastricht. Hij overleed daar op 16 februari 1810 en werd
bladen, waarin die veranderingen werden aangekondigd, te op zijn verzoek begraven op het kerkhof te Munstergeleen,
publiceren.

Dysenterie maakt veel dodelijke slachtoffers (1779 en
1781)
De schrijver van de ”Kurze Chronik von Sittard” beweerde,
dat in het najaar van 1779 niet minder dan 100 Geleners aan
de ”rothe Ruhr” [= dysenterie] zouden zijn gestorven
<DunckPot, 31>. Wel stierven van 18 september tot 18 novem-
ber 1779 te Sittard 97 personen aan die ziekte <HJLvZ 1994,
98>. Onder de Sittardse slachtoffers bevond zich op 7 oktober
1779 ook Maria Sibilla Helgers van de hoeve Ten Eijsden,
die op 12 januari 1779 was gehuwd met Petrus Linssen [zie
”Kluis” in hoofdstuk X van deel II].
Doch te Geleen stierven van 10 oktober tot en met 1

261

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 262

waar ook zijn vader de laatste rustplaats had gevonden <JDMI zijn parochianen in het Schinnense deel van Daniken en
mogen die niet bij de inwoners van Geleen worden geteld.
25 en 27 februari 1810. - BARB IX (1852). - PSHAL 1870, 508. - Abshoven, 87- Ook latere opgaven lijken met de cijfers van 1784 in strijd te
zijn. In 1795 werd het aantal inwoners van Geleen op 1.852
88. - M’geleen, 317-318>. [Zie ”Huize Koekamp” in deel II, hoofd- gesteld <FA nr. 210>, terwijl voor 1796 nu eens 1.796, dan weer
stuk X.] 1.808 en een derde keer 1.836 inwoners werden opgegeven
<FA nrs. 2425 en 4290> en in 1811 de bevolking 1.841 zielen
Landerijen van de hoeve Ten Eijsden voor de helft verkocht omvatte <LimDag 5-12-1962>. Pas in 1873, zou het aantal
(1782/83) inwoners, nl. 2.169, het voor 1784 opgegeven getal nabij-
In 1613 had Adriaan van Hoensbroek de hoeve Ten Eijsden komen <Witkamp, 265 en 1022>. Bij de in 1784 voor Geleen
van zijn oom Arnold van Boedberg geërfd en in 1618 was hij vermelde getallen waren de inwoners van Spaubeek niet
een deling met de andere erfgenaam Hans Willem van inbegrepen. Die plaats werd toen afzonderlijk genoemd met
Bocholtz aangegaan, waarbij ieder de helft van die hoeve een totaal van 796 inwoners, die als volgt verdeeld waren:
verkreeg. Het gedeelte van de laatstgenoemde kwam daarna twee geestelijken, 328 mannen, 286 vrouwen, 87 jongens en
in handen van de grafelijke familie De Hoen de Neuf- 93 meisjes.
château. De Hoensbroekse helft werd op 16 december 1782
”perceelsgewijs ten meestbiedende” openbaar verkocht. Bij het verdrag van Fontainebleau: graafschap Geleen ver-
Mathijs Vroemen van Geleen en Hans Peter Lemmens, kleind (1785)
halfer op de grote hoeve van Lutterade, behoorden tot de In 1785 werd van Staatse zijde voorgesteld om de
kopers. Aangezien toen niet al het gebodene van de hand was Geleenbeek een natuurlijke grens voor Staats Valkenburg te
gegaan, hadden op 10 november 1783 en 7 januari 1784 maken, zodat Geleen, Spaubeek, Nuth en Wijnandsrade bij
andermaal openbare verkopen plaats <NAJML nr. 378>. dat gebied zouden worden ingelijfd. Doch uiteindelijk werd
De bewering van HABETS, dat bij de verkoop van 16 door de keizer van Oostenrijk slechts het 42 huizen tellende
december 1782 de gebouwen door de Gelener Gerlach gehucht (de) Bies afgestaan, omdat dit eigenlijk tot het
Geerlings zouden zijn gekocht, lijkt niet juist te zijn. Niet Staatse dorp Schimmert behoorde <PSHAL 1988, 306, 316, 319-327
alleen schreef hijzelf, dat Ten Eijsden in 1782 aan en 343>.
Maximiliaan Laurens graaf de Hoen de Neufchâteau toe-
behoorde, maar ook was deze graaf nog in 1794/95 in het Gewelddadige familievete wegens een erfenis (1789)
bezit van die hoeve. Wel verloor halfer Helgers door die Op 29 november 1749 was Anna Drummen van Schinnen
verkopen een groot gedeelte van het land, dat hij tot dan toe te Spaubeek met Hendrik Goossens getrouwd. Haar man
onder de ploeg had gehad <AKH nr. 2549. - LvO nr. 1324. - PSHAL was op 2 maart 1764 overleden en op 7 februari 1769 was
1885, 17-18. - JPGL 1917, 38. - Hoensbroek, 90-91 en 272>. [Zie ”Ten zij hertrouwd met Reinier Cremers, met wie ze te Krawinkel
Eijsden” in deel II, hoofdstuk X.] ging wonen. Bij haar dood op 27 februari 1789, op 82-jarige
leeftijd, liet zij aan haar (stief)zoon Andries Cremers een
Moordenaar gearresteerd, gevangengezet en uitgeleverd koopakte na. Maar sommigen van haar bloedverwanten
(1783/84) maakten aanspraak op een deel van haar erfenis en Peter
Th. Daelmans uit Susterseel, die een doodslag had begaan, Latten uit Douvergenhout eiste zijn aandeel op. Toen de
werd in mei 1783 in het graafschap Geleen gearresteerd en pogingen van de laatstgenoemde om zijn vermeend erfdeel
gedurende bijna 15 maanden te Sint-Jansgeleen opgesloten. te verkrijgen geen resultaat opleverden, nam hij zijn
Daarna werd hij aan de Gulikse autoriteiten uitgeleverd <LvO toevlucht tot bruut geweld.
n. 1285>. Op 1 mei 1789 begaf hij zich met Laurens Drummen uit
Haasdal en nog twee kameraden, terdege toegerust met
De volkstelling van 1784 ”römmelen” [= knuppels], naar de woning van kleermaker
Op 17, 18 en 21 mei 1784 werd, op bevel van keizer Joseph Andries Cremers te Krawinkel. Op het erf aangekomen,
II, een volkstelling in zijn gebied gehouden. Volgens de zagen zij de gezochte op een tafel zittend zijn stiel uit-
officiële resultaten zouden er toen te Geleen 2.187 personen oefenen. Na een korte woordenwisseling sloeg Latten hem
hebben gewoond, die als volgt verdeeld waren: drie geeste- van de tafel en achtervolgde hij hem tot in de schuur, waar
lijken, 880 mannen, 770 vrouwen, 263 jongens en 271 hij hem twee gaten in zijn hoofd en ernstige kwetsingen aan
meisjes <BSSLL 1852, t.o. 230>. Deze gegevens lijken echter niet een schouder en een arm toebracht. Op het hulpgeroep van
geheel betrouwbaar te zijn, want volgens een opgave van de Cremers kwamen diens vrouw en dochter toegesneld. De
pastoor had hij in 1780 niet meer dan 1.776 parochianen, vrouw, die uit de koestal kwam, werd eveneens danig toe-
terwijl er in heel Geleen - voor zover bekend - geen ”anders- getakeld; zij liep een gapende hoofdwonde en twee gebroken
denkenden” woonden. Het getal 1.776 sloeg allicht niet vingers op. Maar de dochter trad kordater op. Uit het woon-
uitsluitend op de volwassenen, die hun paasplicht [= eens huis komend greep zij een mestvork en ofschoon zij even-
per jaar - rond Pasen - biechten en communiceren] ver- eens rake klappen kreeg, wist zij een van de aanvallers met
vulden, want die categorie werd in 1722 op ongeveer 1.100
gesteld <Habets 1892, 332>. Bovendien woonden sommigen van

262

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 263

die vork in een bovenbeen te prikken en vervolgens ook van de bevolking ontevredenheid veroorzaakten. In 1786
Latten daarmee te confronteren. Daarop droop het viertal af. schreef hij voor, dat alle kermissen op de tweede zondag na
De drossaard greep de daders echter spoedig bij hun vlerken. Pasen zouden worden gevierd. Dit had voor de Geleners het
Niet alleen beweerde Latten, dat de familie Cremers een voordeel, dat ze er nog een kermis bijkregen, want de tradi-
verdraaide versie van de ware gebeurtenissen had opgehangen, tionele kermissen werden toch gevierd, al gebeurde dit
maar bovendien daagde hij het gerecht uit om zijn allicht niet met de traditionele uitbundigheid. De volgende
[vermeende] schuld te bewijzen. Hij merkte o.a. op, dat de jaren vergat men de ”keizerkermis” en keerde men tot de
chirurgijn, die de wonden van de slachtoffers had onder- oude gewoonte terug.
zocht, daaraan niet kon zien wie ze had toegebracht. Doch De keizer bemoeide zich evenwel ook met kerkelijke zaken.
de drossaard weigerde de leden van de familie Cremers als Niet alleen beval hij, dat zijn plakkaten door de pastoors van
”geloofsloose” personen te beschouwen. Hij prees zelfs de de preekstoel zouden worden afgelezen en aan de kerkdeuren
dochter, die ”sulke groove vlegels” met haar mestvork in zouden worden aangeplakt, maar ook verbood hij alle
bedwang had weten te houden en aldus het leven van haar processies op de drie Kruisdagen [= maandag, dinsdag en
vader had ”verlengd”. Het verweer van Latten was volgens woensdag vóór het steeds op een donderdag - tien dagen
hem niets anders dan ”veel papier te bevuylen”. Hij en zijn vóór Pinksteren - vallende feest van O.-L.-Heer Hemelvaart]
handlangers werden voor hun euveldaad dan ook flink en reduceerde hij de andere processies tot twee, waarvan er
beboet <LimDag 13-12-1955>. één op H. Sacramentsdag kon plaatshebben <PSHAL 1888, 369>.
De Brabantse Revolutie, het liedje van de keizer en het Doch ook daarbij liet hij het niet. De Gelener Jan Sassen
wapenschild van het comptoir (1790) noteerde in zijn dagboek: ”Eene nieuwigheid in onze landen
Als een ”verlichte” vorst voerde keizer Joseph II allerlei die droevig is: anno 1789 heeft Keizer Joseph de kloosters
nieuwigheden in, waarvan sommige bij een aanzienlijk deel uitgejagt en hun [= aan de verdreven kloosterlingen] gehalt
[= pensioen] gegeven. Te Roermond zijn er 7 uitgejagt”.
De jonge prins Joseph II in 1762. Toen zijn vader in 1765 In juni 1789 leidde het optreden van de keizer tot de z.g.
stierf, werd hij keizer, doch slechts als mederegent van zijn Brabantse Revolutie. Te Brussel werd toen de onafhanke-
moeder. Toen deze laatste in 1780 overleed, werd hij pas keizer lijkheid van de Zuidelijke Nederlanden van Oostenrijk uit-
in de volle zin van dat woord <Door J.E. Livotard, collectie Fürst von geroepen en in het najaar werd heel Brabant van keizerlijke
Schwartzenberg>. troepen gezuiverd. De Oostenrijkse regering trachtte het tij
te keren door o.a. een korps van vrijwilligers te werven. Op
de gedrukte affiches, die in november 1789 te Geleen
werden aangeplakt, werden ”Jonge-Lieden, die het handelen
van de Bus [= geweer] gewoon zyn, genoodt van in dit Corps
te komen... wiens dienstneming maer en zal dueren tot dat
de Rebellen van Brabant tot de gehoorzaemheyd zullen
gebracht zyn” <LvO nr. 1536>.
Aan de kerkhal, d.w.z. vóór het kerkhof, te Oud-Geleen
speelde zich op zondag 25 april 1790 een hiermee in
verband staande scène af. Het ”comptoir”, d.w.z. het bureau
van in- en uitvoerrechten van Jacob Ferdinand Meyer, klein-
zoon van Willem de Gavarelle, was destijds in een huis vlak
bij de kerk gevestigd. Tot voor kort was het officiële aspect
van dat ”comptoir” afgebeeld door een wapenschild met de
rijksadelaar van de keizer. Maar nadat de ”Verenigde Staten
van Overmaas” zich op 9 maart 1790 bij de opstand tegen
de keizer hadden aangesloten, werd het oude wapenschild
door sympathisanten met de revolutie door een nieuw schild
vervangen, waarop de leeuw van de ”Verenigde Staten van
Overmaas” stond. Daar sommige inwoners van Geleen de
zijde van de keizer bleven kiezen, zou dat nieuwe schild op
genoemde zondag tot dramatische demonstraties leiden.
Gerechtsbode Dirck Claessens - die sedert zijn ontslag in
1775 in zijn betrekking hersteld was, maar nog steeds weinig
realiteitszin bleek te bezitten - las op 25 april 1790 na de
vroegmis bij de ingang tot het kerkhof met luide stem een
ordonnantie voor, die door keizer Joseph II op 19 oktober
1789 was uitgevaardigd. Het merkwaardige was, dat die

263

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 264

Huis uit 1728 naast het oude kerkhof te Oud-Geleen. Zowel Intussen werd het voorval in de diverse herbergen bij de kerk
binnenshuis als buitenshuis speelden zich hier op 25 april 1790 druk besproken. In café Dullens werd er door aanhangers
verschillende scènes ten gunste van de keizer af <Foto J. Houben s.j.>. van de keizer bij schoenmaker Jan Paes van Krawinkel op
In 1906 werd het woonhuis door een bakstenen gebouw aangedrongen om een ”liedeken” voor de keizer en tegen de
vervangen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de daarachter Brabantse patriotten te zingen. Paes zong eerst twee couplet-
gelegen stallen en schuren in vakwerk afgebroken. ten; maar nadat de ontvanger Meyer ”Allons! courage!
courage!” had geroepen, zong hij het lied ten einde. Daarop
keizer reeds op 20 februari 1790 was overleden en toen door beloonde de vrouw van de ontvanger hem met een flink glas
zijn broer Leopold II was opgevolgd. Tegenover een kennis brandewijn.
motiveerde de bode zijn handelwijze met de verklaring, ”dat Daar de drossaard en de schepenen van Geleen de zijde van
wij wederom keijsers waeren”. de ”Verenigde Staten van Overmaas” tegen de keizer hadden
Dit laatste bleek zeer naar de zin van sommige omstanders te gekozen, zal de gerechtsbode wel een flinke uitbrander
zijn, die ”Vivat den keizer” begonnen te roepen. Doch daar hebben gekregen. En ofschoon ze ook niet erg tevreden over
bleef het niet bij. Terwijl de bode nog bezig was die keizer- het optreden van de liedjeszangers waren, lieten ze dezen
lijke ordonnantie voor te lezen, trachtte de echtgenote van toch ongemoeid. Maar ”de onbedaghde stoutigheijt” van
de ontvanger, vanuit een bovenraam het nieuwe schild van Strijdhagen beschouwden ze als een onduldbare aantasting
de gevel te verwijderen; maar toen er op straat ”tumult” van de ”eere en prëeminentie der agtbaere en vereenigde
ontstond, staakte zij haar pogingen. Daarop werd van het erf heere Staeten van Limborg”, die een ”lijffstraefe is meritee-
van Dullens [ten westen naast het kerkhof] een ”boon- rende [= verdienend]”. Na een aantal getuigen te hebben
geerde” [= bonenstaak] gehaald en aan de uit Heerlen gehoord, besloten de autoriteiten op 12 mei 1790 tot een
afkomstige en te Krawinkel wonende Steven Strijdhagen ”prise de corps” [= arrestatie] van Steven Strijdhagen, d.w.z.
overhandigd. Deze zei tegen de omstanders: ”Als het [voor- ”den selven aen handen en voeten geslooten in gevanckenisse
gelezen] placcaert van den keijser is, dan kan men ook dat te stellen met annotatie en sequestratie [= inventarisatie en
wapen afstooten”. De daad bij het woord voegend, slaagde beslagname] van desselfs goederen”. Maar toen de gerechts-
hij erin om - ”onder verscheide injurieuse propoosten” bode en niet minder dan tien assistenten op 14 mei 1790
[= beledigende uitdrukkingen] - het schild af te stoten. aan diens woning verschenen, ”om den selven te apprehen-
Nadat dit op de grond was gevallen, bracht hij het tot bij de deeren en te brengen in gevanckenisse op het Casteel van St.
woning van Jan Penris [vlak naast de ingang tot het kerkhof] Jans Geleen”, bleek hij onvindbaar te zijn. Waarschijnlijk
om het daar niet alleen te vertrappen maar ook met een uit had hij zich naar familie te Heerlen begeven. Ook nadat aan
dat huis gehaalde ”aaks” [= grote bijl] in stukken te slaan. de kerkdeur een oproep om zich te melden was gehecht,
Een paar volwassenen, onder wie ene Bemelmans van kwam Strijdhagen niet opdagen. Op 18 mei 1790 werden
Abshoven, hielden stukken van dat schild in hun handen, zijn bezittingen geïnventariseerd en in beslag genomen.
terwijl de rest ”door differente omlopende kinderen ver- Ruim een maand later, op 23 juni 1790, liet de voort-
spreijt” werd. vluchtige door advocaat De Limpens bij de schepenbank van
Geleen een rekest indienen, waarin hij o.a. verklaarde, dat hij
wegens het aflezen van de keizerlijke ordonnantie op 25 april
1790 in de mening had verkeerd, dat de keizer weer als
hertog van Brabant en soeverein van de provincie Limburg
erkend was. Hij was daarin des te meer gesterkt, omdat tot
dan toe geen manifest van de ”Staten van Overmaas”, ”bij
welcke wijlen Syne Keijserlyke Majesteyd van de souvereini-
teyd vervallen” werd verklaard, in het openbaar was
afgekondigd. Toevallig zou dit laatste ’s anderendaags, op 24
juni 1790, gebeuren.
Een andere inwoner van Krawinkel geraakte eveneens even
in het nauw. Hij had pastoor Havenith er publiek van
beschuldigd een brief naar Hoogcruts te hebben gestuurd
om van daaruit ”aen den Commandant van de Brabantse
trouppen in het Limborger Land” te worden gezonden,
teneinde hem op de hoogte te stellen van hetgeen zich op 25
april te Geleen had afgespeeld. De pastoor noemde dit echter
een ”vals en verdigt” gerucht. Daarop verklaarde de ver-
spreider van dat gerucht slechts te hebben herhaald wat hij
van een ”vremde bedelaersse, die bij hem aen de deur
geweest is”, had vernomen <LvO nr. 1250>.

264

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 265

Het proces tegen Steven Strijdhagen werd tot 14 juli 1790 haast terug. Dit had ook te Geleen zijn weerslag. Zo werden
voortgezet; daarna werd er niet meer van gerept. op het einde van de maand november 1792 verscheidene
Waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan het diplomatiek Geleners gelast om ”met hunne karren en peerden naer het
en krachtdadig optreden van de nieuwe keizer Leopold II, keyserlyk magazyn tot Herve (B.) haever en stroye te vaeren”.
die met het keren van de krijgskansen ook een ommekeer in Toen zij in die plaats ten noordwesten van Verviers (B.)
de publieke opinie wist te bewerken. Op 9 mei 1790 had aankwamen, werden zij ”gecommandeert om keyserlyke
drossaard Strens nog in alle plaatsen van het graafschap bagagiën te laden, en die naer Ceulen [= Keulen] te vaeren”.
Geleen [in ruime zin] een declaratie laten aflezen, waarin Maar ook dat was nog niet voor allen de eindbestemming
- op grond van een resolutie van de ”Vereenigde Staaten van van hun tocht. Eenmaal te Keulen gearriveerd, werden de
Limborgh [= Overmaas]” - tot waakzaamheid tegen de desertie voerlieden van Mattis Cloots en Marie Luijten gedwongen
van rebellentroepen werd aangespoord, en beloningen voor om hun paarden en de ”tweespannige karre met oogst-
het aanbrengen van deserteurs uit die troepen in het voor- getuyg” naar Mülheim (D.) aan gene zijde van de Rijn te
uitzicht werden gesteld. voeren. De paarden echter, die weinig of geen voer kregen en
Doch toen het tij keerde, besloot hij zich weer voor de ’s nachts niet konden worden uitgespannen, bleken daar niet
belangen van de keizer in te zetten. In de streek van Limburg tegen bestand; beide bezweken onderweg. Ook de oogstkar
(B.) en Herve (B.) werden de keizerlijke troepen versterkt moest worden achtergelaten <NAJML nr. 365>. De overige voer-
door enkele honderden vrijwilligers uit de Landen van lieden schijnen met hun paarden en karren behouden te
’s-Hertogenrade en Valkenburg. De uit 89 Valkenburgse Geleen te zijn weergekeerd.
manschappen bestaande elfde compagnie werd onder de
leiding van drossaard Strens geplaatst, terwijl notaris Paulzen De Fransen arriveren en vertrekken weer haastig (1792/93)
zijn assistent was. Tegen het eind 1790 was de opstand De Franse troepen volgden de terugtrekkende Oostenrijkers
onderdrukt <Slanghen 1859, 126-127. - Leconte, 77>. en zouden spoedig te Geleen arriveren. Over hun kort
Steven Strijdhagen keerde naar Krawinkel terug om er nog verblijf hier in de winter 1792/93 is slechts weinig bekend.
gedurende bijna een kwart eeuw het verhaal van zijn Maar één feit staat gedetailleerd opgetekend. De Franse
avonturen aan al wie het horen wilde te vertellen. Daar is hij luitenant-kolonel Barbier beval op 21 december 1792 aan de
op 18 maart 1814 overleden. Zijn echtgenote Anna Geleense overheid om 122 paar schoenen en 30 paar laarzen
Elisabeth Feron was bijna zeven weken eerder, op 30 januari aan zijn troepen te leveren. De volgende dag werd de
1814, gestorven. opdracht voor de fabricatie van dat schoeisel verdeeld.
P. Keulen en Jan W. Meys, beiden in de Oud-Gelener Dorp-
De executieplaats ”geëxecuteerd” (ca. 1790) straat, zouden tezamen 25 paar schoenen en 25 paar laarzen
Rond 1790 protesteerde de drossaard van Geleen bij de leveren, terwijl J. Rourbach en M. Cremers, beiden in de
voogd van Sittard, dat Peter Hartmans van Leyenbroek zich Peschstraat, respectievelijk voor tien paar schoenen en vijf
had verstout om ”de executie plaetse der Gaefschappe paar laarzen zouden zorgen. De levering van de resterende
Geleen [aan de Raadskuil] te violeeren [= schenden]” en zelfs schoenen werd als volgt verdeeld: 20 door Joannes Daemen,
te ”elimineren” [= verwijderen]. Niet alleen had hij ter 25 door Joannes Paes en 42 door Joannes Vleugels, alle drie
plaatse de ”Scheijd-Graef” [= scheidingsgracht] tussen Geleen te Krawinkel woonachtig. Bij notariële akte werd bepaald,
en Sittard genivelleerd, maar bovendien had hij de verhoog- dat het schoeisel volgens drie maten van ”goed rensleder
de gerechtsplaats - waarop het rad en de galgen hadden [= rundsleer] en swaer lapleder” moest worden vervaardigd.
gestaan - afgegraven, met de begane grond gelijk gemaakt en Voor de laarzen zouden ”Houzare Stievels” als model dienen,
bij zijn, op Sittards grondgebied gelegen, stuk heide nl. ”boven gebeurt [= geboord] met blauw ko(o)rde en voor
getrokken. Aangezien hij dit als ”eene hoogtens strafbaere aen den insniet een kleyn quastje hebbende”. Voor de goed-
feijtelijkheijd” zag, waardoor het soeverein recht van de gekeurde laarzen zouden twee Franse kronen per paar
gebiedende Vrouwe [d’Ansembourg] werd aangetast, worden betaald, en voor elk paar schoenen vier gulden. Het
verzocht de drossaard de voogd om aan Hartmans te gelasten afgekeurde schoeisel zou door betere exemplaren dienen te
”dit attentaet [= vergrijp] ten beste wederom te herstellen” worden vervangen. Deze opdracht moest uiterlijk 12 januari
[= ongedaan te maken] <LvO nr. 1229>. 1793 volledig zijn uitgevoerd <NAJML nr. 364>.
Eind 1792 of begin 1793 werden de gebrandschilderde kerk-
Het einde van het ”Ancien Régime” nadert ramen met de familiewapens Van den Stock, De Wilque en
In Frankrijk had de revolutie van 1789 een einde aan het Van Hoven op bevel van de Fransen verwijderd <FA nr. 3095>.
”Ancien Régime” gemaakt. Spoedig zou die revolutiegolf Dit schijnt praktisch de enige blijvende herinnering aan het
over de Franse grenzen stromen en deze streken bereiken. korte eerste verblijf der revolutionaire Fransen in Geleen te
Op 26 april 1792 verklaarden de Fransen de oorlog aan zijn geweest.
Oostenrijk, waarop zij de Zuidelijke Nederlanden binnen- De zojuist genoemde leveringsdatum van de schoenen en
vielen. Nadat de Oostenrijkse troepen op 6 november 1792 laarzen was zeer wel gekozen, want kort daarop moesten de
bij Jemappes (B.) waren verslagen, trokken zij zich in grote Fransen met zevenmijlslaarzen gaan lopen. Op 28 februari

265

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 266

werden ze aan de Roer verslagen, op 1 maart volgde de toe reeds 693 karrenvrachten voor de keizerlijke troepen
nederlaag bij Aldenhoven (D.) en op 18/19 maart verloren door Geleense voerlieden waren uitgevoerd. De niet lang
zij de beslissende slag bij Landen en Neerwinden (B.). tevoren door de hertog van Gulik aangelegde chaussee van
Daarmee verdwenen zij voor bijna anderhalf jaar uit deze Berg aan de Maas - via Sittard, Gangelt (D.), Geilenkirchen
regio. (D.) - naar Keulen (D.) was voor een deel van het Oosten-
Intussen was te Geleen bekend geworden welk drama zich in rijkse leger de terugtochtroute. Op 24 juli 1794 streken
de Franse hoofdstad had afgespeeld. De Gelener Jan Sassen 15.000 man in Sittard en omgeving neer. Reeds op dezelfde
noteerde: ”In Frankrijk is Koning Lodewijk door zijn volk dag moest de Geleense gemeenschap ”strooy en hout in het
gedood. Dat hebben die nationalen gedaan 22 Januari 1793, leger bij Sittard campeerende” leveren. Die eis werd op 31
omdat hij het gemeen [= gewone volk] zoo zwaar belastte dat juli en op 3, 8 en 9 augustus herhaald. Het benodigde hout,
ze niet leven en konden”. dat ten dele van particulieren werd gekocht en ten dele op
gemeentegrond of langs openbare wegen werd gekapt,
Geldlening van de geestelijkheid afgedwongen (1793/94) schijnt voor het militaire hospitaal bestemd te zijn geweest.
Al waren de Fransen teruggedreven, de oorlog ging Bovendien moest er aan Oostenrijkse troepen, die elders
onverdroten voort. Eind januari 1794 stuurde burgemeester lagen, worden geleverd. Op 28 juli 1794 had er een levering
J. Penris van Oud-Geleen zijn dorpsgenoot J. Dullens met te Luik (B.) plaats, en op 1 augustus 1794 volgde een
een lading haver naar de keizerlijke troepen te Luik. Die levering ”kooren en terf” [= rogge en tarwe] te Maastricht.
voerman keerde pas op de vierde dag terug <FA nr. 3095>. Ter Burgemeester Machiel Kubben van Lutterade had die granen
bestrijding van de krijgskosten vaardigde keizer Frans II op namens de gemeenschap van Geleners gekocht.
14 december 1793 te Brussel een decreet uit, waarbij aan Daarnaast kreeg Geleen ook zijn aandeel in de inkwar-
de geestelijkheid van de Landen van Overmaas werd tieringen. Hier werden o.a. de zo gevreesde Kroaten
opgedragen om zoveel mogelijk geld tegen een [na het gelegerd. Om niet al te veel last van die ruwe kerels te
sluiten van de vrede te betalen] rente van 41/2% aan de krijgen, werd bij het hoofdkwartier te Sittard om een
regering te lenen. sauvegarde voor Geleen gevraagd. Daarop kwam een groep
Op 5 februari 1794 zonden de abten van Godsdal [Val- ulanen [= lansiers te paard] de Kroaten in de gaten en zo
Dieu] (B.) en Kloosterrade [Rolduc], tezamen met de nodig in toom houden. Maar men kon niet ontkomen aan
afgevaardigde van het kapittel van Aken (D.), een rond- de eisen van die troepen om hun ”vrugten [= granen], stroye
schrijven aan de pastoors van Overmaas, waarin zij werden en andere leverantien” te bezorgen.
verzocht het keizerlijk decreet vóór 15 maart uit te voeren. Ook bleven de gedwongen karrenvrachten voortduren. Het
Elke pastoor, die niet over voldoende contanten beschikte, Oostenrijkse leger was van half juni tot einde september
zou een hypotheek van ten minste 1.500 gulden op de 1794 over een breed front op de terugtocht en de paarden en
kerkelijke goederen moeten nemen en dit bedrag in de wagens van de plattelanders werden ingeschakeld om de
staatskas te Herve (B.) storten, om op die wijze de keizer te legertros te vervoeren. Op 11 september 1794 gaf drossaard
helpen ”de godsdienst en het vaderland te redden”. Tevens Strens aan de burgemeesters van Geleen de opdracht om op
voegden zij daaraan toe, dat de rente op z’n allerlaatst na 14 september voerlui met twintig karren, van oogstladders
twee jaar zou worden uitbetaald, want langer zou die ramp- voorzien en elk door twee paarden getrokken en met
zalige oorlog toch niet kunnen duren. genoeg foerage en levensmiddelen voor acht dagen naar
Pastoor Havenith van Geleen liet niet alleen de gestelde ’s-Gravenvoeren (B.) te sturen, teneinde de reeds eerder
datum voorbijgaan, maar trachtte uit de opgelegde transactie daarheen gestuurde karren af te lossen. Op 15 september
ook nog 1/2% winst voor zijn parochie te behalen. Hij over- 1794 kwam uit Battice (B.) het bevel om gezeefd meel voor
handigde pas op 11 juni 1794 aan de staatskas het gevraag- het keizerlijk leger te Herve (B.) en te ’s-Gravenvoeren (B.)
de bedrag van 1.500 gulden [tegen een rente van 41/2%], te leveren <FA nr. 3095>.
die de parochie op 16 mei 1794 [tegen een rente van 4%] Ofschoon de meeste Geleense voerlieden met hun paarden
van P. M. Lemmens, schoonzoon van drossaard Corten, had en karren naar huis terugkeerden, moesten sommigen deze
geleend <NAJML nr. 365>. Toch kwam de berekening van de in den vreemde achterlaten. Reinier Helgers van Ten Eijsden
pastoor niet uit, want reeds zes dagen later vluchtte de keizer moest twee van zijn voerlieden met een tweespannige kar vol
de Maas over om via Sittard naar Wenen terug te keren. Zijn stro naar ’s-Gravenvoeren (B.) sturen. Nadat die vracht was
verslagen troepen zouden hem spoedig volgen. afgeladen, werd de kar door Oostenrijkse militairen met
”kriegs bagagie” beladen en werden de voerlui ”gecomman-
Vluchtende Oostenrijkse troepen andermaal tot last (1794) deert en geescorteert tot over den Rhijn dicht bij Mülheim
De terugtrekkende Oostenrijkers dwongen de Geleners tot (D.) alwaer deselve kar is ontlaeden”. Maar ook toen
voortdurende leveranties. Ook lezen we herhaaldelijk van mochten de Geleners niet aanstonds naar hun woonplaats
karrenvrachten naar Maastricht, Herve (B.), ’s-Gravenvoeren terugkeren. Zij werden gedwongen zolang bij het
(B.), Luik (B.) en andere plaatsen. Op 20 juli 1794 noteer- Oostenrijkse leger te blijven, totdat ”ten langen laesten, uyt
de de belastingontvanger Godfried Baggen, dat er tot dan gebrek van subsistencie [= voer] en de groote lasten, die de

266

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 267

selve paerden trecken moesten, het een voor en het ander 4. De Graetheide, straten en wegen,
naer gecreveert [= gecrepeerd] is, en de karre met getuyg is bruggen, vloeten, poelen en putten
worden weggenoemen door de Keyserlyke militairen”. Die
schadepost werd op 211 kronen geschat. De halfer van de Het belang van de Geleense gemeenschap was in grote mate
Biesenhof verging het al even slecht. Hij moest zijn voerlui afhankelijk van het gebruik van de Graetheide, straten en
met twee karren tot Deutz bij Keulen (D.) sturen. Daar wegen, bruggen, poelen en putten.
bezweek op 30 november 1794 een van de paarden ”door
gebre(e)k van fouragie”. Drie weken later bezweek ook het Het gebruik van de Graetheide
andere. Bovendien werden ”toum, teugel, voerkussen, heut-
zelen [= hoofdgetuig], schemelblokken en oogstleederen Het woord ”heide” duidt hier niet primair op struikheide
[ladders van oogstkar]” gestolen. Mede door het verlies van [Calluna vulgaris], die op drogere gronden groeit, of op
het veulen, dat de merrie droeg, bedroeg die schadepost dopheide [Erica tetralix], die men op vochtigere gronden
meer dan 600 gulden <NAMJL nr. 367>. aantreft; hier domineerden immers löss deposities. De
Sommige Geleners werden gedwongen verscheidene benaming Graetheide betekende allereerst, dat het gebied
maanden van huis te blijven. De voerlui van de Biesenhof, van het sterk uitgedunde of vergane Graetbos als weidegrond
die op zijn laatst op 24 augustus 1794 uit Geleen waren voor het vee werd gebruikt, al blijken er ook heidestruiken te
vertrokken, waren vlak vóór Kerstmis nog steeds aan de hebben gestaan.
overzijde van de Rijn. Ook Herman Feron en Martin
Vroemen werden ”by het retrait der Keyserlyke armée in het De ondeelbaarheid van de Graetheide met de schop
jaar 1794 gecommandeert om met eene laedinge tot over gehandhaafd (1678)
den Rhyn te vaeren”. Daar ”de Franse armée terstont de Als Heren van Born beriepen de hertogen van Gulik zich op
Keyserlyke armée involgde”, d.w.z. op de hielen zat, werden een veronderstelde schenking door koning Zwentibold om
zij gedwongen zo lang bij het Oostenrijkse leger te blijven hun soevereiniteit over het hele gebied van de Graetheide op
tot beide paarden ”uyt gebreck van onderhoud gecreveert te eisen. Het was echter vooral aan het verzet van de niet-
syn”, en ”de karre en getuyg door de soldaten, welke de Gulikse plaatsen, die aan de Graetheide deelachtig waren,
laedinge escorteerden [= begeleidden], is worden verkogt”. toe te schrijven dat die hertogen niet in hun opzet slaagden.
Die schadepost werd op 160 Franse kronen geraamd <NAJML Nadat de hertog van Gulik rond 1678 niet minder dan 100
nr. 367>. bunder heidegrond aan de jezuïeten van Keulen had
geschonken, liet hij dat gebied afbakenen en zelfs met
De overheid geëmigreerd grachten omgeven. Omdat dat uitgestrekte terrein daardoor
en het graafschap Geleen opgeheven als weideplaats aan de omliggende dorpen was ontnomen,
Toen die voerlui na maandenlange afwezigheid te Geleen trokken de inwoners van Beek, Elsloo, Geleen en Obbicht
terugkeerden, was daar de situatie grondig veranderd. Met [dat toen Oostenrijks was] met schoppen naar het
de laatste troepen van de keizer was tevens zowel de geeste- omstreden gebied en maakten alle afscheidingen ongedaan
lijke als de burgerlijke overheid vertrokken. <HJLvZ 1986, 69>.
Tijdens de terugtocht van de Oostenrijkse troepen werd
pastoor Havenith ”zoo door een Keijserlijken veldpater als Het te houden aantal schapen aan beperkingen onderhevig
naders door een dergelijken officier, bij hem successievelijk (1659 en 1690)
in quartier geweest” zo’n grote ”afschrik van de Republi- Daar sommige schapenhouders blijkbaar niet voldoende
keinsche [= Franse] Armée” aangejaagd, dat ook hij besloot voer voor hun eigen kudden hadden en deze daarom op de
te vluchten <JPGL 1917, 41>. Op 5 september 1794 onder- landerijen van anderen lieten grazen, werden door de lands-
tekende hij nog een aantekening in het overlijdensregister regering verordeningen over het te houden aantal schapen
van Geleen, maar kort daarop moet hij in de richting van de uitgevaardigd. Zo werd op 23 mei 1659 door het Hof van
Rijn zijn vertrokken. Brabant voorgeschreven, dat alleen grondeigenaars schapen
Drossaard Strens kwam tot kort vóór de komst van de mochten houden en dat het hun toegestane aantal schapen
Fransen te Geleen leveringen bevelen, regelen en autoriseren. maximaal vier per bunder bedroeg.
Maar ook hij zag met zo’n grote schrik het Franse leger Het spreekt vanzelf, dat dergelijke voorschriften op de eerste
naderen, dat hij - evenals de ”graaf van Amstenrade” - deze plaats van toepassing waren in plaatsen waar geen gemeen-
contreien verliet. Dat betekende het einde van het graaf- schappelijke weideplaatsen ter beschikking stonden. Maar
schap Geleen. het schaap was de koe van de arme man; bijgevolg werd deze
bevolkingslaag door die maatregel heel wat zwaarder
getroffen dan de grondbezitters. Daarom pasten de schepen-
banken van Oirsbeek en Brunssum die algemene voor-
schriften aan de plaatselijke behoeften aan en stonden ze toe,

267

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 268

dat inwoners van die heerlijkheden, die naar verhouding van die kort nadien - tezamen met zijn vrouw Mechtildis Jessen -
hun aantal schapen over te weinig land beschikten, die de door de uit Luik afkomstige en te Urmond wonende
dieren - volgens de eeuwenoude traditie - op de Brunssummer- Maasschipper E. Baudouin bij de knik in de Bergerweg
heide bleven weiden <LimDag 23-4-1958>. Er mag redelijkerwijze gebouwde hoeve betrok. Die hoeve stond later als de
worden verondersteld, dat de Geleense schepenbank voor boerderij Krux bekend; tot voor kort was in de gevel tussen
haar onderdanen eenzelfde aanpassing van die veror- de ramen - na het verwijderen van een aantal kalklagen - te
deningen zal hebben toegestaan. Op 19 januari 1690 vond lezen: ”Maison J. H. Krux-Zelissen” <SAS nr. 91 - SittardHG, 167.
de landsregering het nodig om de ordonnantie van 23 mei - StdR nr. 217 (sept. 1981). - Mededeling H. Leufkens>.
1659 te herhalen. Doch ook dat zal in deze streken wel niet Zulke verregaande ingrepen kon men in Geleen niet met lede
veel verschil hebben gemaakt. ogen blijven aanzien. Op 2 juli 1768 wordt daar opgemerkt,
dat enerzijds ”de Hollanders [Beek en Elsloo], Rijksche
Weiden van schapen buiten het eigen deel van de [Stein] en Gulikse [Born en Sittard] deselve [Graetheyde]
Graetheide (1725 en 1785) voor haeren grond en velden tot land maeken” en dat ander-
In 1725 klaagden de burgemeesters van Beek er over, dat zijds in Geleen zowel de ambachten als de ”commercien” zo
inwoners van Elsloo en Geleen ”onreine” schapen op het sterk vervallen zijn, dat menigeen ternauwernood in zijn
Beeker gedeelte van de Graetheide weidden. Met ”onreine” onderhoud kan voorzien. Daarom besloot de plaatselijke
werd hier blijkbaar bedoeld, dat die schapen aan een overheid om het gedeelte van de heide, dat onmiddellijk aan
besmettelijke ziekte leden <Lindemans I, 382>. De Beeker veld- de akkers der Geleners aansloot, onder de eigen inwoners te
boden kregen opdracht om de schapenhouders van Elsloo en verdelen. Buiten het te verdelen en te ontginnen gebied
Geleen te verbieden hun dieren nog langer binnen de zouden nog afzonderlijke terreinen voor het gemeenschappe-
grenzen van Beek te brengen. Bij overtreding zouden de lijk weiden van schapen en koeien worden gehandhaafd. Dat
schapen gepand en de eigenaars beboet worden. voorstel werd bij meerderheid van stemmen aangenomen.
Het is enigszins bevreemdend te lezen, dat toen schapen uit De aan de inwoners van Oud-Geleen toe te wijzen aandelen
Elsloo en Geleen op Beeker gebied werden geweid, want zouden aan de grens met Sittard beginnen en zich zuidwaarts
reeds eeuwen tevoren was bepaald, dat de inwoners van uitstrekken tot aan de aandelen van de Lutteraders. Ingeval
elk kerspel hun schapen binnen hun eigen, duidelijk dat terrein niet toereikend mocht zijn om aan alle huis-
afgebakend, gebied dienden te houden. Maar een volgende gezinnen van Oud-Geleen een gelijk stuk heide toe te
generatie van Beekenaren schijnt de schapen eveneens buiten kennen, zouden de bewoners van de Pesch- en de Pieterstraat
het eigen gebied te hebben geweid, want op 22 september hun aandelen ten zuiden van die van Lutterade krijgen toe-
1785 werd er een klacht ingediend, dat het weidegebied gewezen. Ten zuiden daarvan zouden de inwoners van
van Beek in de Graetheide wegens de ontginningen door [Geleens] Daniken hun aandelen krijgen. Vervolgens zouden
inwoners van Elsloo en Krawinkel verkleind was <GAB>. De die van Krawinkel aan de beurt komen en tenslotte zouden
laatstgenoemden zullen immers allicht hun eigen terreinen de aandelen van de inwoners van Spaans-Neerbeek vast
hebben ontgonnen. Volgens sommigen zou het verbod om tegen die van Beek aan komen te liggen. Ook werd besloten
eigen schapen op het weidegebied van andere kerspels te om, waar nodig, de naar die terreinen leidende veewegen op
brengen slechts van half maart tot nieuwjaar van toepassing een behoorlijke breedte te brengen.
zijn geweest. Indien die zienswijze met de feiten overeen- Nadat een uitvoerig reglement over de eigendoms- en over-
stemt, kan daardoor het weiden van schapen op het terrein drachtsrechten was opgesteld, werd een ”hei(de)raad” van zes
van andere kerspels in het winterseizoen worden verklaard. vertegenwoordigers opgericht, met aan het hoofd een
”directeur”. Daarna werd het hele gebied opgemeten om aan
Eerste verdeling onder de Geleners (1768) elk huisgezin een gelijk stuk grond toe te wijzen. Ter
Ofschoon ”de gemeinde” van de Graetheide eeuwenlang als bevordering van een efficiënte regeling lieten de burge-
ondeelbaar was beschouwd, gingen in de tweede helft van de meesters in hun wijken bekendmaken, dat iedere ”huijsman”
achttiende eeuw verscheidene plaatsen, die daarop gerech- twee palen van elk twee voet lengte naar de heide moest
tigd waren, grote delen als hun uitsluitend eigendom brengen om daarop het nummer aan te brengen, dat hem bij
beschouwen en gebruiken. In 1768 werd gemeld, dat de loting zou worden toegewezen. En om zeker te zijn, dat
inwoners van Elsloo een flinke lap grond in de Graetheide in eenieder bij het door hem gelote stuk heide zou blijven,
cultuur hadden gebracht. Daardoor aangemoedigd, vroegen noteerde de directeur elk nummer met de daarbij behorende
de plaatselijke autoriteiten van Beek in datzelfde jaar aan de familienaam. Ter controle van degenen, die zich ”te buiten”
Staten-Generaal verlof om het Beeker gedeelte van de mochten gaan, werd een speciale ”heibode” aangesteld.
Graetheide onder de inwoners van die plaats te mogen Tenslotte werd ”goetgevonden dat tot danckbaerheijt voor
verdelen. Bovendien werd op 26 maart 1768 in de kerk van de grote weldaet die Coninck Sanderbout [= Zwentibold]
Sittard afgekondigd, dat een deel van de Graetheide zou ons bethoont heeft, dat men jaerlix sal laeten doen eenen
worden verpacht. Er kwamen toen slechts twee gegadigden kerckelijken dienst tot troost en laffenisse van sijne edele
opdagen. Een van hen was Simon Schrijen uit Overhoven, ziele” <GAG nrs. 4 en 151. - FA nr. 3095. - Russel 1860, 49-51>.

268

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 269

Het Geleense initiatief had klaarblijkelijk de Gulikse thans op kaarten als Heksenberg staat aangeduid. Bovendien
autoriteiten, die de jurisdictie over de hele Graetheide werd toen in herinnering gebracht, dat die van Geleen
opeisten, verontrust. Daarom richtte de Gulikse beambte vroeger op de Graetheide zelfs ”Ziegeloven” [= brikkenovens
Von Blanckart von Alstorff op 10 september 1768 een of steenbakkerijen] hadden ingericht.
verzoek tot drossaard Strens om de drie burgemeesters van In 1777, 1778 en 1779 gaven de Staten-Generaal aan Beek
Geleen met de nodige documenten betreffende de heide- toestemming om uit de aan de akkers grenzende heide niet
grenzen naar Sittard te sturen teneinde het optreden der minder dan 280 bunder ”af te steken” en daarvan 80 bunder
Geleners te rechtvaardigen <LvO nr. 1229>. Het lijkt niet waar- in erfpacht uit te geven. Voor het kleinere Elsloo stelden die
schijnlijk, dat aan dit verzoek werd voldaan. Staten toen het aandeel op 140 bunder, waarvan er 40
mochten worden verpacht. Nadat die 280 ”Beeker” bunder
De hele Graetheide opgemeten (1775) waren opgemeten, werd door de plaatselijke overheid
Eind juni en begin juli 1775 werd te Sittard een conferentie besloten tot ”het leggen en opwerpen van een goede en
gehouden, waarop alle aan de Graetheide deelhebbende bekwame Landgraaf [= aarden wal], ten einde de bunderen
partijen waren vertegenwoordigd en waaraan ook drossaard uit de meergemelde heijde aan Beeck toegedeeld, binnen
Strens namens Geleen deelnam. Onder hun toezicht werd vaste en secure palen en limieten [= grenzen] werden gelegt”
toen het hele gemeenschappelijke complex afgebakend. Als <LvO nrs. 1343 en 1344. - Sassen, Pièces, 3-7. - HJLvZ 1986, 73-75>.
grens werden de landweringen en heigraven [= om de diverse
jurisdicties opgeworpen aarden wallen] aangehouden; waar Buiten de heigraaf 250 bunder onder Geleense jurisdictie
die verdwenen waren of waar de juiste plek omstreden was, In 1779 merkten de drossaard en de schepenen van Geleen
werden 90 genummerde palen geplaatst. De eerste paal op, dat buiten de landweer of heigraaf - die langs de west-
kwam bij de galg van Sittard - vlak bij de Geleense Raadskuil - grens van hun gebied liep - nog een groot terrein lag waar-
te staan. Maar drossaard Strens protesteerde, dat de Geleense over zij jurisdictie hadden: ”Van de voors: Justitie plaetse
”Gerichtsbahrkeit” zich ter plaatse verder uitstrekte dan door van Geleen [aan de grens met Sittard] tot aen voors:
die paal werd aangegeven. Thomeijcker wegh [aan de grens met Beek] bevindt sigh een
Het tweevoudige doel van de conferentie van 1775 was district van de voors: Graetheijde groot ontrent 250
enerzijds de soevereiniteit over het hele gebied vast te stellen bounders op welck de inwoonders ende parochianen der
en anderzijds door afbakeningen en opmetingen de basis Heerelijckheijt en de parochie van Geleen, ingevolge
voor een verdeling te leggen. Over het eerste punt waren de immemoriale possessie [= bezit], berechtight sijn - in hun
”Hollanders” [Beek en Elsloo] en de ”Oostenrijkers” particulier [= exclusief] - te genieten voor pascuagie [= het
[Geleen, Obbicht en Papenhoven] het niet eens met de weiden] van hunne koijen en schapen, van welck district
”Gulikers”, d.w.z. de tot het hertogdom Gulik behorende tegenwoordigh deselve gebroeken [= ontgonnen] ende
plaatsen, die rechten op de Graetheide hadden; deze laatsten geplandt [= beplant] hebben 170 bounder... welcken voor-
meenden, dat de soevereiniteit volledig aan de hertog van melden district van 250 bunder, volgens de lemijten van de
Gulik toekwam. voors: pascuagie [= weideplaats], altijt gehouden is worden,
Ook over het tweede punt kon men niet tot overeen- voor te wesen jurisdictie van Geleen” <LvO nr. 1229>.
stemming geraken. De ”Gulikers” stelden voor om het Ofschoon die Geleense jurisdictie toen waarschijnlijk geldig
geheel in veertien gelijke delen te verdelen, terwijl de was, omdat ook naburige plaatsen grote stukken van de
”Hollanders” en de ”Oostenrijkers” verklaarden, dat het niet eigenlijke Graetheide voor zich opeisten, moet ze in
billijk zou zijn om aan kleine plaatsen een even groot stuk als oorsprong een niet geheel wettige aanmatiging zijn geweest,
aan grote plaatsen te geven; daarom gaven zij de voorkeur want wij zagen dat de onverdeelbaarheid van de Graetheide
aan een verdeling naar het aantal ”huishoudens” of ”haard- nog in 1678 door de Geleners metterdaad werd
steden” in elk kerspel. gehandhaafd.
Bij die opmeting van 1775 stelde men vast, dat Geleen reeds
169 bunder en 212 kleine roede heidegrond in cultuur had Tweede verdeling onder de Geleners (1788)
gebracht, terwijl Elsloo 64 bunder ontgonnen had en Stein De verdeling van 1768 had geenszins het verhoopte resultaat
31 bunders [Steinder Kamp] aan de heide had onttrokken, opgeleverd. Niet alleen was men ”verre van de inhoud der
doch Beek slechts 15 bunder en 315 klein roede had conditien bij de eerste partage van de Grate Heyde gemaekt,
”gefricheert” [= gebroken = ontgonnen]. Tevens werd afgeweeken”, maar bovendien was gebleken, dat de toen
opgemerkt, dat een aantal plaatsen, waaronder Geleen, op gemaakte voorschriften ”over eenige puncten duyster en
een plek onder Born kwamen ”botten”, d.w.z. gruis en kiezel twijffelzinnig liggen, involveerende [= behelzende] ver-
halen om de straten en wegen te repareren. Dit was de reeds scheyde contradictien [= tegenspraken], waeruyt veele
eerder vermelde - ten noordwesten van Lindenheuvel en misbruycken, inegaliteyten [= ongelijkheden] in de besit-
thans binnen de grenzen van Geleen liggende - heuvel, die tinge der selve heyde ingesloopen zijn, dusdanig dat er som-
door opeenvolgende generaties respectievelijk Reursack of tijts wanorden oprijsen die de gemeyne ruste inturbeeren
Roorsack, Welschenheuvel en Botberg werd genoemd en [= verstoren], en groote ongeregtigheden te wege brengen”.

269

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 270

Teneinde ”deze inconvenienten [= nadelen] te doen veld vol onkruid, zodat de vruchten [= granen] door het
ophouden” werd besloten om op 24 september 1788 een onkruid overmeesterd stikten of niet konden te voorschijn
”gemeyne vergaederinge” onder de leiding van drossaard komen” <PAE>.
Strens en de drie burgemeesters ten huize van Joannes
Dullens te beleggen. ”Naer voorgaende gedaene convocatie Schapen uit Beek op Geleens gebied gehoed en gepand
[= bijeenroeping], voorleden sondag behoorlyk gepubliceert (1791)
ende geaffigeert [= aangeplakt]”, werd op de aangekondigde De negentienjarige ”koehert” [= koeherder] Jan Tummers,
dag de ”Nabuerklock” geluid en kwamen de Geleners uit alle zoon van Daem Tummers, die reeds meermalen had gezien,
wijken tezamen. dat de 28-jarige Matthijs Hensen, scheper van J. Schoen-
Nadat de hierboven vermelde nadelige gevolgen van de makers van Geverik onder Beek, zijn schapen op de
verdeling uit 1768 waren opgesomd, werd bij meerderheid Koeweide van Krawinkel kwam hoeden, zag op 19 mei
van stemmen een aantal herzieningen aangenomen. Op de 1791, dat die scheper tezamen met nog een viertal collega’s
eerste plaats werden de condities voor de verdeling uit 1768 uit Beek, andermaal een grote ”trobbe” schapen op dat
zo ”confuse [= verward] en duijster” genoemd, dat ze ”van terrein dreef. Toevallig passeerden daar zijn beide broers,
nu voor altoost genannuleert, dood, ende te niet gedaen” Hans-Peter en Steven, die in de haven van Urmond uit het
werden. De uit die verdeling voortgekomen toewijzingen gebied van Luik aangevoerde ”smitkolen” [= kolen voor de
werden evenwel niet helemaal teniet gedaan; men prefereer- smidse] waren gaan halen; zij stelden dezelfde inbreuk door
de ze veeleer in die zin te wijzigen, dat allen een deel van die de schepers van Beek vast en gingen dit aan burgemeester
toewijzingen zouden mogen behouden, nl. elk huisgezin van Jacob Paes van Krawinkel melden.
[het verder van de Graetheide gelegen] Oud-Geleen 200, Volgens de Geleense versie begaf Paes zich, tezamen met drie
van Lutterade 150 en van Krawinkel en Spaans-Neerbeek andere inwoners van Krawinkel naar de Koeweide, waar zij
175 kleine roede. Doch de politieke ontwikkelingen zouden de kudde schapen van Beek zagen. Toen herder Hensen die
de uitvoering van die besluiten vertragen <GAG nr. 4. - FA nr. vier mannen op zich af zag komen, ”vlugde hij zuydwarts
3095. - Russel 1860, 49-51>. De bewering, dat Sittard zich bij de naer den hollantschen kant”, maar de Krawinkelers wisten
verdeling van 1788 benadeeld had gevoeld <Rutten, 15>, gaat hem en zijn collega’s in te halen en te omsingelen, zodat zij
niet op. Dat was immers een verdeling onder de Geleners, ”in de heyde de selve schaepen nog onder hun geweld
waaraan de Sittardenaren niet te pas kwamen. kriegen”. Geen gehoor gevend aan het verzoek van de
herders om hen met hun kudde naar Beek te laten terug-
De Graetheide als bron van brandstof, stalstrooisel en mest keren, liet burgemeester Paes de 111 schapen, die aan drie
De Graetheide werd niet alleen vanouds als weideplaats personen van Beek toebehoorden, ”over de heyde en door de
gebruikt [en daarna grotendeels in akkerland veranderd], Koeystraet van Crawinckel naer den Pandstal binnen dito
maar leverde bovendien brandstof en stalstrooisel. Ofschoon gehugt” voeren <NAJML nr. 364>.
er weinig details bewaard zijn gebleven, blijkt uit de beschik- De vijf Beekse herders gaven een heel wat dramatischer
bare gegevens toch dat men voorheen heide kapte om als verslag, nl. dat zij op 19 mei, rond 4 uur ’s namiddags, in een
huisbrand te gebruiken. Bovendien haalde men heilappen ”indivies” [= onverdeeld] gedeelte van de Graetheide
om ze - in de plaats van stro - in de stallen onder het vee te ”gesitueert aen de noordzijde der limieten van Beek” door
strooien. ”ten minsten veertig luijden uit Lutterai, Crawinkel en
Een inwoner van Einighausen schreef, dat men vier Oostenrijksch (sic !) Neerbeek, alle gewapent soo met snap-
maanden vóór de oogst geen stro meer in de schuren had en haanen [= geweren], gaffels, schuppen off spaden, onder
dat iedereen voor zijn huis een hoop heiplaggen ”gelijk eene meenigvuldige insultante expressen [= beledigende uit-
Belgische batterij” opstapelde, die daarna als stalstrooisel drukkingen], jae zelfs onder het afbranden van schietgeweer,
werden aangewend. Wellicht hebben inwoners van de vlak aengerant en der selver schaapen gearresteert en op eene
bij die heide gelegen dorpen Lutterade en Krawinkel gewelddadige wijze medegevoert en naar Crawinkel, Spaans
hetzelfde gedaan. (sic !) territoir, overgebrogt, welke gewapende persoonen
SIMONIS schreef, dat roggestro niet als stalstrooisel werd door den borgemeester Jacobus Paes van Crauwinkel zijn
gebruikt, omdat het daarvoor te kostbaar was, want het werd worden aengevoerd”.
bij voorkeur als dakbedekking gebruikt. Bovendien vestigde Daar de autoriteiten van Beek volhielden, dat de plaats, waar
die auteur er de aandacht op, dat de stro-opbrengst vroeger, de schapen waren gehoed, niet uitsluitend voor de Geleners
wegens de schrale bemesting, veel geringer was dan in onze was gereserveerd, weigerde Schoenmakers de door zijn
tijd. Daarom heeft men van oudsher allerlei materiaal uit bos schapen veroorzaakte schade te vergoeden. Daarom besloten
en hei gehaald en als stalstrooisel gebruikt. Dit strooisel de inwoners van Krawinkel op 21 mei 1791 tegen hem te
kwam na gebruik op de mesthoop terecht en werd daarna als procederen. Ofschoon de drossaard van Geleen nog diezelf-
mest naar de akkers gebracht <Boeket, 122-123>. Maar dit had de dag aan de landsregering beloofde, ”dat hij die van
een averechts effect, want genoemde inwoner van Crawinkel zoude zoeken te persuadeeren [= over te halen]
Einighausen schreef: ”Door deze heilappen brachten zij het tot eene minsaeme restitueeringe [= teruggave] der schaapen”

270

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 271

besloot hij twee dagen later om - evenals de overige Straten en wegen
burgemeesters van Geleen - zijn steun aan de Krawinkelers
te verlenen. Rond het midden van de twintigste eeuw beschreef architect
Toen de Gulikse autoriteiten vernamen wat er zich had P. A. SCHOLS het vroegere straatbeeld te Geleen als volgt:
afgespeeld, kwam de voogd van Sittard, Millen en Born weer ”Het Limburgse dorp zag er een honderd jaar geleden heel
met het oude refrein, dat de jurisdictie over de Graetheide anders uit als nu. Langs de bochtige, met diepe karresporen
aan ”Seine Churfürstl. Durchleucht zu Pfalz Baijeren als doorgroefde wegen lagen de blinkend witte huizen, weg-
Herzog zu Gülich” toebehoorde. Bijgevolg verzocht hij de gedoken tussen boomgaarden en achter hoge doornhagen.
Geleners om de in beslag genomen schapen naar Beek Het zag er nog uit alsof alles vanzelf ontstaan was: langzaam
”zurück” te brengen <LvO nr. 1229>. gegroeid tot een landelijk schoon - waarvan men zich toen
De situatie werd enigszins gecompliceerd, toen vier uit geen rekenschap gaf, omdat het met de mensen op natuur-
Geleen afkomstige personen, die te Beek als herders in dienst lijke wijze verbonden bleef. Alles sprak er immers van de
waren, verklaarden, dat op het omstreden gedeelte van de boer en zijn bedrijf, van een landelijke ingetogenheid eigen
Graetheide de inwoners van Beek, Krawinkel en andere aan de aard der bewoners” <LvH 1951, 47>. Zo moet het ook
gehuchten gewoon waren hun schapen te ”pascueeren” gedurende de voorafgaande eeuwen zijn geweest.
[= weiden]. Doch die van Geleen hielden vol, dat geen
vreemde schapen op de Krawinkeler Koeweide mochten Reparatie van moeilijk begaanbare wegen
worden gehoed. De schepenen van Geleen riepen tien Reeds in de Middeleeuwen werd door de overheid bijzon-
bejaarde getuigen op, die onder ede verklaarden, dat zij niet dere aandacht besteed aan wegen, die voor de gemeenschap
alleen uit eigen ervaring maar ook uit de overlevering van van speciaal belang waren, zoals kerk- en molenwegen. Ook
hun ouders wisten, dat die van Krawinkel - evenals alle zagen wij dat bij de Geleense voogdgedingen gevraagd werd
andere wijken - in de Graetheide steeds hun eigen Koeweide of iemand klachten ten aanzien van straten, wegen, stegen of
hadden gehad en dat deze uitsluitend voor het weiden van voetpaden had. Een aparte categorie vormden de doorgangs-
hun eigen vee gereserveerd bleef. wegen, waarover interlokaal verkeer plaatshad, zoals de weg
Op 27 juni stelde men vast, dat de Beeker schapen in de van Maastricht via Daniken naar Heinsberg (D.) en de
pandstal ”merckelyk gebetert en gegroeijt zijn op den tijd, [Oude] Maastrichterweg door Krawinkel en langs ”het
dat alhier te Crawinckel gearresteerd hebben geweest”. Zij Einde” te Oud-Geleen naar Sittard
waren niet geschoren maar integendeel ”nog boven eenen Nadat was geconstateerd, dat de molenweg bij de
vinger in de wol opgegaen geduerende voors. tijdt”. Op 2 Keutelbeek te Beekhoven wegens het water ”inpracticabel”
juli verklaarde het schepengerecht van Geleen, dat [= onbruikbaar of onpasseerbaar] was geworden, werd op 5
Schoenmakers en consorten hun ”questieuse schapen” tegen juni 1703 aan degenen, die daar belendende percelen
een waarborgsom en tegen betaling van de gerechtskosten hadden, de opdracht gegeven om die weg ter plaatse in een
binnen drie dagen konden komen halen. ”Tot voorkoming betere staat te brengen. Zij zouden echter niet alleen voor de
van excessive [= buitensporige] kosten, welke aldaar [te kosten hoeven op te komen. Aangezien enerzijds ”die
Geleen] aangewend wierden tot onderhoud en bewaaring geheele gemeinte ende naebuiren den selve [weg] oock
der opgeligte schaapen” zagen die van Beek zich gedwongen moeten gebruicken” en anderzijds ”die selve reparatie groot
daarmee akkoord te gaan. Later klaagden zij, dat [= duur] valt” werd van officiële zijde bijstand verleend.
Schoenmakers ”zig ten die einde binnen het graefschap van Op 10 december 1737 laat Willem de Gavarelle, ontvanger
Geleen begeven hebbende, hy en de by sig hebbende van de in- en uitvoertollen, weten, dat ”differente coop-
persoonen zoodaanige onheusche ontmoetingen had onder- luydens aen hem hebben geclaegt hoe dat deselve niet
vonden, dat alleen op een veilig terug koomen bedagt was konnen passeren tot Daneken raeckende eenen behoor-
geweest”. lycken wegh komende uyt den lande van Gulick om te
Daarmee was deze affaire echter geenszins ten einde. Tussen passeren naar Aubel (B.) en Maestricht daer den voors. wegh
Den Haag [namens Beek] en Brussel [namens Geleen] werd onvaerbaer is tegens de erve van Peter Maes ende de weyde
erover gecorrespondeerd, terwijl het proces voor het van de molen dat daer door niet te passeren en is met de
Geleense gerecht werd voortgezet. Ten gevolge van dit laatste kerren”.
werd de waarborgsom, ten bedrage van ongeveer 900 En op 22 januari 1738 geeft hij te kennen, dat ”differente
gulden, door het gerecht van Geleen tot voldoening van de cooplieden aen hem hebben geklaeght hoe dat deselve niet
gerechtskosten verbeurd verklaard. Op 9 maart 1792 en konnen passeren met hunne karren tot Crawinkel tegens
schreven die van Beek: ”hebben wij het hartzeer moeten de erven van de weduwe Crekels [= Krekels] in de
onderstaen van onze onderdrukkers te zien triumpheren en Heghstraat wesende een behoorlycken wegh comende van
de gestelde cautie staende te worden geexecuteert [= waar- Beek op Sittard den welcken onvaerbaer is”.
borgsom geconfisqueerd]” <LvO nrs. 1229, 1231 en 4186. - NAJML nr. Kort daarna, op 5 maart 1738, richt hij tot de Geleense
364. - Sassen, Pièces, Litt. E>. overheid het verzoek om ”den wegh van de brugh over den
afslagh [te Daniken] tot aen het nieuw huys [verder zuid-

271

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 272

waarts in de richting Neerbeek]” door degenen, die daar verschaft: (1) De voerlui mochten in het geschikte seizoen
belendende percelen hadden, te doen repareren. worden opgeroepen om bij het repareren der gemeente-
wegen ”spandiensten” te verrichten. Zij moesten zich precies
”Botten” tot onderhoud van straten en wegen om acht uur ’s morgens op de aangewezen plaatsen bevinden
De Geleners waren vanouds verplicht om het hele wegennet en tot vier of zes uur in de namiddag karrenvrachten uit-
in een bruikbare staat te brengen en te houden. Kort vóór voeren. (2) De opgeroepen voerman, die in gebreke bleef om
de oogst werd kiezel uit de Welschenheuvel of Botberg op het vastgestelde uur op de aangewezen plaats te ver-
[= Heksenberg], ten noordwesten van Lindenheuvel, schijnen, liep een patakon boete op. Wie helemaal geen
gehaald. Wie een of meer paarden had, moest het materiaal gehoor aan die oproep gaf, kreeg vijf patakons boete. Die
vervoeren, terwijl de andere inwoners ”bij maniere van boetes mochten aanstonds worden opgevorderd. (3) Wie
pioniers” zouden dienen te werken, d.w.z. sommigen van vier, vijf of meer paarden bezat, was verplicht twee of drie-
hen moesten met schoppen en manden die karren bij de maal zoveel vrachten te doen als degene, die slechts twee
kiezelgroeve vullen, terwijl anderen deze karren op de paarden had. (4) De plaatselijke overheid zou de inwoners
plaatsen van bestemming moesten afladen. De hele onder- door de gerechtsbode laten oproepen. (5) De op- en afladers,
neming heette in de volksmond ”botten”. Volgens sommi- die te laat op hun werk arriveerden, liepen een halve patakon
gen zou dat Limburgse woord identiek zijn met het boete op. Maar wie van deze groep helemaal niet kwam
Hollandse woord batten. Ook heeft men wel eens op opdagen, moest een boete van twee patakons betalen. Ook
”böttele” [= de grond lichtjes met een schop bewerken] de betaling van die boetes zou onmiddellijk kunnen worden
gewezen om aldus een [verondersteld] verband tussen botten geëist. (6) Wie openlijk zou ”refuseren [= weigeren] te
en schop te vinden. Daarnaast was ”botte” ook een woord compareren gecommandeerd sijnde” of wie zich zou
voor korf. ”verstouten eenig revolt te veroorsaecken”, zou voor de eerste
Zoals wij in de ”Kroniek” zagen, werden de Geleners door overtreding met vijf patakons worden beboet en zou voor de
bezettende troepen herhaaldelijk opgeroepen om elders aan tweede overtreding het dubbele bedrag kwijtspelen. Mocht
vestingwerken te gaan ”botten”, d.w.z. graafwerkzaamheden hij dit een derde keer doen, dan zou hij ”arbitrairlijck”
te verrichten. De bewering, dat de mensen van Geleen elk gestraft worden volgens ”circumstantie en exigentie van
jaar een paar dagen, al naar gelang nodig, met kar en paard saacke”, d.w.z. zou hem een nog zwaardere straf worden
of kar en koe moesten werken voor het herstel van de wallen opgelegd, die naar de omstandigheden en het belang van het
van Sittard <Bouten, 27>, is met de geschiedkundige feiten in werk zou worden afgemeten.
strijd. Afgezien van het feit, dat daarover uit de archieven Op zaterdag 2 juni 1759 liet drossaard Corten die uitspraak
niets bekend is, behoorden Sittard en Geleen ook tot geheel van de Soevereine Raad voorafgaan aan zijn eigen bevel aan
verschillende gebieden en hadden de autoriteiten van het ene de gerechtsbode om zich naar de kerk van Spaubeek te
gebied geen enkele zeggenschap in het andere. begeven en daar de volgende dag na de mis ”te comman-
Op 5 juni 1715 beval drossaard G. Duycker aan de gerechts- deren alle botters om de kerren te laeden en aft te laeden
bode om op de eerstvolgende zondag aan de kerkdeur van alsmede te commanderen alle voerluijden... de publijcke
Geleen een ordonnantie aan te slaan, waarin hij liet weten, wegen... en andere wegen met steengruis aen te vullen en in
dat ”de Heeren van de Tholkamer” [te Brussel] in de Landen eenen goeden vaerbaaren standt te stellen” <Msg 1887, 121-122>.
van Overmaas de reparatie van de wegen hadden voor- Het lijdt geen twijfel, dat hij rond die tijd eenzelfde bevel
geschreven, en hij bijgevolg ”d’ingesetenen der graeffschappe voor de inwoners van Geleen uitvaardigde.
Geleen” gelastte om alle ”soo gemeene als nabure wegen hoe Evenals dit op andere plaatsen het geval was, zo waren ook
die namen moegen hebben” binnen acht dagen te repareren. te Geleen vrouwen niet per se van de verplichting tot
Wie zich aan die opdracht mocht onttrekken, zou overeen- ”botten” vrijgesteld. Dat dit soms zeer gevaarlijk werk was
komstig de plakkaten van de keizer worden gestraft. Daarom blijkt uit het feit, dat op 22 juni 1712 de 36-jarige Lisbeth
gaf hij aan ”de bouwmans in jeder gehucht” de autorisatie Raemaekers, echtgenote van Jan Nijssen de jonge uit
om - in overleg met de schepenen - degenen, die geweigerd Krawinkel en moeder van zes jonge kinderen, bij het
hadden die opdracht uit te voeren, ”naer goedtduncken” te ”botten” in de Graetheide verongelukte. Het ongeval, waar-
straffen en de geïnde boete als drinkgeld te verdelen onder bij een Lutterader op 5 april 1906 in de Botberg
degenen, die wel waren komen opdagen <LvO nr. 1243>. [= Heksenberg] tussen twee kiezelklompen bekneld raakte
Omdat de bevolking zich nogal weigerachtig had getoond, en zwaar gewond werd <LimKoer 7-4-1906>, toont niet alleen aan
wendden de Staten van het Oostenrijks gedeelte van het dat het botten tot in de twintigste eeuw werd gehandhaafd,
Land van Valkenburg zich tot de Soevereine Raad van maar ook dat dit riskant bleef.
Brabant met het uitdrukkelijk verzoek om hun de autoriteit
te verlenen de bevolking op te roepen en haar te comman- Bruggen
deren de wegen te herstellen. Op 15 juli 1751 werd die
autoriteit door die Raad verleend, en werden daarbij tevens Werden grote rivieren aanvankelijk met veerboten en later
richtlijnen in de vorm van de volgende zes artikelen via bruggen overgestoken, de kleinere rivieren en beken

272

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 273

werden eeuwenlang door het asverkeer op daartoe geschikte duiding tevens het bestaan van een vlakbij gelegen ”houten
plaatsen doorwaad, terwijl er voor de voetgangers dikke brug”. Zo verklaarde het gemeentebestuur van Geleen in
stenen lagen om daarover zonder nat te worden aan de over- 1804, dat Daniken via drie houten en hoog liggende
zijde te geraken. Toch werden later zowel over de Geleenbeek bruggen met Oud-Geleen verbonden was. Een van deze zal
als over de Keutelbeek bruggen gelegd. wel een brug in de weg bij de graanmolen zijn geweest. Ook
was daarbij allicht de zojuist genoemde Koebrug inbegrepen.
Bruggen over de Geleenbeek en de Daniker molenafslag Vanaf het erf van de graanmolen kon men [later] ook recht-
De brug over de Geleenbeek bij de vroegere kerkheuvel van streeks via bruggen over de Geleenbeek en de molenafslag
Munstergeleen werd reeds in 1367 en 1440 vermeld <Jansen, Oud-Geleen bereiken, maar het is niet zeker of die bruggen
25. - VROA 1904, 138>. Gezien de ligging van de twee molens van in 1804 reeds bestonden.
Munstergeleen op tegenovergestelde oevers van de Geleen, Er heeft ook een brug gelegen op de plaats waar de zuidelijke
mag men verwachten, dat ook daar reeds vroeg een brug zal tak van de Peschstraat - Molenstraat genoemd - de
hebben gelegen. Geleenbeek bereikte. In 1637 is er sprake van het huis van
Gerard van Daniken aan ”die gemeynstraete gaende naer de
Bij de beide molens van Munstergeleen naar een reconstructie Cappartzbruck”. Genoemde Gerard woonde niet in
door Jan Siskens. De graanmolen (links) lag sinds het begin van Daniken maar in een huis dat ”Op de Berg” lag. Destijds lag
de negentiende eeuw tot 1 januari 1982 op Geleens grond- dat huis op een driehoek, die in het oosten aan de
gebied, terwijl de oliemolen (rechts) op Munstergeleens gebied Geleenbeek grensde en waarvan de andere zijden door de
lag; deze laatste werd later in een houtzaagmolen veranderd. beide takken van de Pesch werden gevormd. De landmeters
Onder het afdak tussen beide molens ziet men twee hefbomen Bollen vermeldden een ”Kappes- of Cappisk(r)unkel” langs
om door het openen of sluiten van sluizen de raderen in de Geleenbeek tussen die weg en de straat door Daniken.
beweging of tot stilstand te brengen. Oorspronkelijk heeft hier Uit een document van 1728 vernemen we, dat die brug door
allicht slechts één brug gelegen. inwoners van Puth werd gebruikt om naar Geleen te komen.
Toen ze was vervallen had men ze door een plank vervangen.
De zogenaamde ”Koebrug”, d.w.z. de brug bij [het latere] Deze plank werd in de volksmond het ”Cappesholt”
Huize Koekamp, was eigenlijk niet voor doorgaand verkeer genoemd ”bij faute van eene brugge over de beeke die voor-
bestemd; tot in de negentiende eeuw liep aan de overzijde tydens daer over is geweest”. Aangezien dit voor de inwoners
slechts een voetpad in de richting Puth. Die brug werd door van Puth een groot ongerief was, stuurden de burgemeesters
de eigenaar van de Hanenhof over de Geleenbeek aangelegd, van Schinnen in 1728 een brief aan de drossaard en de
opdat zijn halfer de op de oostelijke oever gelegen gewande schepen van Geleen, waarin zij ”gantsch vriendt- ende
van die hoeve met zijn personeel en zijn vee kon bereiken. nabuurlyck” vroegen om ”de Cappes brugge over de Geleen”
Hier was de elders geldende betekenis van ”Koebrug” als te herstellen. Dit had evenwel niet de verwachte uitwerking,
”veer” niet toepasselijk, want de beek was veel te smal voor zodat het verzoek moest worden herhaald. Toen verzochten
een veer. de autoriteiten van Schinnen hun Geleense collega’s om ”de
Ofschoon er vanaf de Middeleeuwen tot ver in de achttiende persoonen die gehouden sijn de voorgemelde brugge over de
eeuw vrij veel verkeer door Daniken moet zijn geweest, beecke... te leggen ende te stellen daartou soo nodighe ex
wordt in de archieven van die tijd niet van een brug over de officio te dwingen” <LvO nr. 1504>. De inwoners van Puth
Geleenbeek aldaar gerept. Wel sprak Willem de Gavarelle in zullen wel het St.-Hubertuspad - tussen met hout begroeide
1738 van ”de brugh over den afslagh” en was er in de walletjes - door de beemd hebben gebruikt om die brug te
processen van de bokkenrijders sprake van de ”stenen brug” bereiken.
over de afslag van de molen. Wellicht impliceerde die aan- Ofschoon ook bij de hoeve Ten Eijsden reeds vroeg een brug
over de Geleenbeek mag worden verondersteld - o.a. om het
vee naar de oostelijke oever te brengen - is daarover toch
niets bekend. Maar bij de Biesenhof lag al eeuwen geleden
een brug over die rivier. Zij werd door de eigenaar van die
boerderij ten behoeve van de halfer aangelegd om daarover
de aan de oostzijde van de Geleenbeek gelegen gewande te
bereiken. Haar oorspronkelijke bestemming bleek trouwens
ook uit haar ligging. Zij lag niet ten noorden van de grote
schuur in de weg naar Sweikhuizen, zoals thans het geval is,
maar ten zuiden daarvan bij de oostelijke uitgang van het erf.
Als gevolg van deze situatie verwierven de inwoners van
Sweikhuizen de gerechtigdheid om zich over die brug en het
erf van de Biesenhof naar de westelijke oever van de Geleen
te begeven.

273

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 274

Bruggen over de Keutelbeek steen zouden worden aangebracht. En het feit, dat de
Op de grens tussen Hollands- en Spaans-Neerbeek lag reeds omwonenden de uitgegraven aarde moesten ”wegh
eeuwen geleden een brug over de Keutelbeek, omdat het maecken”, wijst er waarschijnlijk op, dat de nieuwe brug
langs de westzijde van de Dorpstraat stromende beekje daar breder dan haar eventuele voorganger zou worden. Naar de
werd gekruist door de weg, die uit deze straat aftakte en via gewoonte van die tijd werd aan het dagloon van tien gulden
de grens Beek-Geleen naar de Graetheide liep. In 1779 werd tevens voor ”jeder troffel drij potten bier s’daeghs” beloofd.
”de Brugge aen Daemen Trijnen” vermeld <LvO nr. 1229>. In Met ”jeder troffel” werd ”elke metselaar” bedoeld. Pan-
1810 leverde de gemeente Geleen o.a. een eik voor de huijsen moest beloven een brug van zulke kwaliteit te
reparatie van de grensbrug. maken, ”dat niemants met recht niet en sal konnen daer
In de bebouwde kom van Spaans-Neerbeek lagen ook tegens seggen en in cas [= geval] jets soude mancqueren” dit
bruggen voor de deuren en/of poorten van de op de weste- op eigen kosten te ”redresseren” [= in orde maken] <LvO nr.
lijke oever van de Keutelbeek gelegen woningen en boerde- 1505>.
rijen <GOA II, nrs. 98 en 100>. Ofschoon bij de kloosterhoeve in Op 11 juli 1802 werd Jan Arnold Haerden betaald, omdat
de Hofstraat en ook in de Daalstraat reeds vroeg bruggen hij ”dry schamppaelen... aen de dorpsbrugge” had ”gefour-
over de Keutelbeek kunnen hebben gelegen, werd daarover neert [= verschaft] ende ingezet” <FA nr. 3095>. Schamppalen of
tot nog toe niets in de archieven gevonden. Wel is er af en -stenen, zoals men ze thans nog aan weerszijden van
toe sprake van de Kommenaderbrugge. Maar omdat daar in sommige poorten - o.a. aan de poort van de vroegere
het begin van de twintigste eeuw nog slechts een smal voet- brouwerij ”De Kroon” aan de Marcellienstraat - aantreft,
brugje lag <Geleen, 30>, terwijl het asverkeer door het water dienden ter voorkoming van beschadiging door de raderen
ging, lijkt het twijfelachtig of daarmee een brede brug werd en de uitstekende aseinden van karren. Zo’n steen werd met
aangeduid. Ook aan het einde van het oostelijke verlengde de bolle kant naar buiten schuin tegen de hoek gezet, zodat
van de Groenstraat, dat thans Beekhoverstraat heet, lag tot wagenwielen daarop ”afschampten” <GOA II, nrs. 9, 10, 12 en 15>.
in onze tijd slechts een voetbrugje, waarover men de aan de Ook langs de noordzijde van de Pesch lagen verschillende
oostzijde van de Keutelbeek lopende paden kon bereiken. bruggen over de Keutelbeek om toegang tot de daarachter
Op 1 mei 1737 gingen de schepenen en burgemeesters van gelegen woningen en boerderijen te verschaffen <GOA II, nrs.
Geleen met Hendrick Panhuijsen een contract aan over 27-30>. Waar dit beekje kort vóór de Koebrug de straat over-
het ”maecken der dorpbrugge” tussen de Dorpstraat stak, lag eveneens een brugje. Op 4 september 1771 ordon-
[Marcellienstraat] en de Pieterstraat. Daar zal wel reeds neerde de drossaard - op verzoek van de burgemeesters - om
eerder een brug hebben gelegen, want de uitdrukking ”dorp- ”de brugge genaemt het kleyn bruxken gelegen op de Pesch
brugge” blijkt toen al een gangbare naam te zijn geweest. in de gemeyn straet te repareeren ende suffisant [= toe-
[Geleners bleven tot in onze tijd van ”dörp(s)brök” spreken.] reikend] te maecken om daer over te konnen gevaeren
Als hier een allereerste brug bedoeld zou zijn geweest, zou worden tot gerieff van de gemeynte ende also desen wegh
men allicht van ”een brug over het beekje” hebben over de voors. brugge eenen leydtbaren wegh is indispen-
gesproken. sabel [= onmisbaar] aen de gemeynte om daer over te vaeren”
Wel duidde ”maecken” in dit geval klaarblijkelijk op een <LvO nr. 1281>.
nieuwe brug, want een timmerman moest de houten
halfronde vormen vervaardigen waarover de bogen van Vloeten, poelen en putten

Aanvankelijk werd het drinkwater voor mens en vee uit de
Geleenbeek en vooral uit de Keutelbeek geschept. Het regen-
water werd via vloedgraven en ”vloeten” naar beide beken
afgevoerd, maar op sommige plaatsen werd het in poelen
opgevangen. Later werden ook putten aangelegd.

Gezicht vanuit de Pieterstraat naar het noorden circa 1900. In ”Vloeten” in de Eindstraat en Dorpstraat
het midden ligt de dorpsbrug. De schampstenen op de hoeken [Marcellienstraat]
van de beide stenen muurtjes (waarop ijzeren staketsels staan) Op oude foto’s <GOA II, nrs. 9-14> zijn duidelijk brede goten
zijn duidelijk te zien <Ansichtkaart>. van keistenen langs de Dorpstraat [Marcellienstraat] te zien,
waarlangs vooral het regenwater en soms ook mestwater naar
de Keutelbeek en de dorpspoel werden afgevoerd. Maar in
het begin van de achttiende eeuw schijnen die goten nog niet
met keistenen belegd te zijn geweest. Op 18 juni 1727 vroeg
pastoor Heimbach aan het schepencollege om de weg over
het kerkhof te vullen en te verhogen, en een opening op de
straat te maken ”om den waetervloet van den kerckhoff

274

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 275

haren cours te gheven sonder nochtans de gemeine straet genoemd. Ook lag er een poel tegenover het huis Gadé ”Op
bedorven te worden”. de Vuling”. Verder lag een poel van flinke afmetingen naast
Aan dat verzoek werd inderdaad gehoor gegeven, maar de de grote hoeve van Lutterade in de Geenstraat. Bovendien
”vloeten” langs de huizen aan de oostzijde van de Dorpstraat lag in de weide tegenover het huidige Drossaardhuis een
slibden telkens weer dicht. Daarom moesten de bewoners grote vijver. Verder westwaarts in de Geenstraat - ongeveer
herhaaldelijk worden vermaand om ”de watervloeten tegens ter plekke van de huidige spoorweg - lag een vijver op een
hunne huijsen te openen op dat het waeter van den kerck- driehoekig pleintje. Waar de Groenstraat in de Bovenste
hoff affcomende sigh in den dorp poul can deschargeren Dorpstraat [= Tunnelstraat] overging, lag de Essche(n)poel.
[= ontlasten]”. Door het dichtslibben van die goten werd Verder lag er een poel halverwege die Bovenste Dorpstraat
immers ”den [niet verharde] voerwegh t’eenemael geruineert naast de feestwei. En waar deze straat de landweer [bij de
ende in eenen onbruijckbaeren staet gestelt” <LvO nr. 1279>. Ringovenstraat en de Heidestraat] doorsneed, lagen zelfs drie
In de Eindstraat, die aanvankelijk een naar het centrum of vier poelen; een van deze heette de Borggraaf. Vermoede-
afdalende holle weg was, werd de wateroverlast op een lijk waren de uitdiepingen [van sommige] van die vier
andere wijze bestreden. Langs de noordzijde van het zuid- poelen onderdelen van de vroegere landweer. Tenslotte lag er
oostelijke gedeelte liep eertijds een vloedgraaf, waardoor het ook een poel of vijver tegenover de negentiende-eeuwse kerk
regen- en mestwater werd afgevoerd. Bij de dorpsput kruiste vlak bij het spoor aan de Groenseykerstraat.
deze vloedgraaf het begin van de Jodenstraat om zich dan Te Krawinkel lagen poelen aan de zuidkant van het ooste-
langs de zuidzijde van die straat - o.a. vlak langs de heg van lijke begin van de Spoorstraat en op de hoek van de
de vrij hooggelegen pastoorswei - in oostelijke richting voort Kloosterstraat en de Kloosterdwarsstraat; volgens een lucht-
te zetten en bij de Hanenhofsweiden in de Keutelbeek uit te foto uit mei 1929 was deze laatste met boompjes omgeven
monden. <GOA III, nr. 84>.
Over die vloedgraaf lagen brugjes, die toegang tot de Omdat de bodem van veel poelen door aanslibbing
erachter liggende huizen gaven. Voor de Eindstraat blijkt dat geleidelijk aan verhoogd werd, moesten ze op geregelde
o.a. uit het getuigenis van een gevangene uit 1750: ”den tijden ”oetgemoet”, d.w.z. ontmodderd, worden <LvH 1973,
Capiteyn... wonende tot Geleen aan het Eijnde... op de 103>; ”moet” is een oud Limburgs woord voor modder.
rechte hand als wanneer men naer het Eijnde [uit het
centrum in de richting Rijksweg] will uijtgaen... als wanneer Dorps,- nabuur- en privé-putten
men aldaer wilt naer het huijs ingaen, dat men komt over Na verloop van tijd werden op diverse plaatsen putten
een cleen brugsken het welcke light over een grachtsken aangelegd. Er waren ”dorpsputten”, waaraan alle inwoners
waeronder het mestwaeter doorloopt” <Pijls, 75>. Oudere van een wijk gerechtigd waren en die onder de bescherming
Geleners hebben mij verzekerd dergelijke brugjes nog circa van de overheid stonden, ”nabuurputten”, waarvan slechts
1900 ter plekke gekend te hebben. Uit latere documenten dicht bij die put wonende personen het gebruiksrecht
blijkt, dat ook voor de huizen aan het oostelijke einde van de hadden, en ”eigen putten”, die rechtens slechts één eigenaar
Jodenstraat, waarlangs de vloedgraaf liep, stenen boog- en gebruiker hadden. Dorpsputten werden ook soms ”swyngel-
bruggen lagen <GOA II, nr. 47>. putten” genoemd, omdat ze - later althans - voorzien waren
van een zwengel en een windas om de emmer gemakkelijk
Poelen uit de diepte omhoog te kunnen halen <Dorp, 26-27>. Het
Naast de beide beken, die eeuwenlang als drenken voor het water voor het huishouden werd gewoonlijk in twee, vaak
vee werden gebruikt, werden tevens poelen als drenkplaatsen aan een haam of juk gedragen, emmers bij de put gehaald en
gehandhaafd en onderhouden. De ”dorpspoel” ter plaatse thuis in een - in de gang of woonkeuken geplaatste -
van het Wilhelminaplein te Oud-Geleen werd door de ”putbaar” [= grote aarden pot] bewaard. Wie een dronk
Keutelbeek gevoed. Maar andere poelen waren - voor zover wilde, schepte met een kop uit die baar. Volgens sommigen
bekend - uitsluitend van regenwater afhankelijk. Aan het zou die baar, in geval van brand, tevens het eerste bluswater
vroegere einde van de Jodenstraat, waar een steeg naar de bevatten.
Peschstraat begon, vormde de zojuist besproken vloedgraaf
nog in de tweede helft van de negentiende eeuw een flinke Putten en puthuisjes te Lutterade
poel. Daarin kwam Petrus Joseph Göbbels, de vlakbij In hoofdstuk III [”Het Kerspel Geleen”] kwamen onder de
wonende grootvader van de schrijver, op een donkere avond jaren 1552, 1555 en 1598 drie verschillende putten te
terecht. De er toevallig passerende koetsier van Abshoven, Lutterade ter sprake. Ook werd daar vermeld dat schout
die zijn hulpgeroep hoorde, wist hem uit zijn benarde positie Martin Snijders op 27 maart 1598 aan alle omwonenden
te redden. Volgens de mondelinge overlevering zou er van de Lutterader dorpsput, die in de Onderste Dorpstraat
eertijds ook ter plaatse van het huidige Brouwersplein een [= Geenstraat] lag, beval om tot het onderhoud en de
poel zijn geweest. reparatie van die put bij te dragen. Waren degenen, die een
De Exelspoel [= Eicholtspoel] ten noorden van Lutterade, op eigen put op hun erf hadden, destijds van die verplichting
de grens met Sittard, wordt in de archieven meermalen vrijgesteld, op 28 oktober 1666 werd bepaald, dat niemand

275

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 276

Het vroegere puthuisje bij het - tijdens het bombardement van mannen gekozen, wier opdrachten ”sonder eenige
5/6 oktober 1942 verwoeste - huis Sassen-Sassen op de hoek van weijgeringe ofte eenige oppositie” moesten worden uit-
de Waterstraat en de Bovenste Putsteeg te Lutterade (later gevoerd. Wie mocht weigeren de van hem gevraagde
Lindenheuvel). Men kon van twee kanten water ophalen. De geldelijke bijdrage voor het opbouwen of repareren van de
schepemmer in de vorm van een biertonnetje is boven de - door put te betalen en aldus de reparatie van de put mocht
het schuren van de ophaaltouw of -ketting - sterk uitgesleten ophouden, zodat de andere buren daar hinder van zouden
putrand goed te zien. De emmer moest zwaar genoeg zijn om in ondervinden, zou ”van nu af ende altijdt ... voor hun ende
het putwater te zinken. Op de steen midden vóór de put werden alle hunne naecomelingen” de gerechtigdheid op die put
de van thuis meegebrachte emmers geplaatst om gevuld te verliezen. Tenslotte verklaarden de weduwe Corten en haar
worden. Voor de poort staat mevr. Gusta Sassen (1864-1941) zonen, dat zij die put, die ”bijna(er) gants en geheel op onse
<GOA III, nr. 36>. erve staet”, niet als een eigen put beschouwden, maar dat zij,
evenals de omwonenden, hun gerechtigdheid daarop bleven
daarvan uitgezonderd zou zijn. Op 24 november 1721 werd handhaven.
besloten die put te herstellen <LvO nr. 1275>. De ”gesamentlijcke nabuyren van den ondersten kandt
In het voorjaar van 1733 werd opgemerkt, dat ”den dorp- van Lutterade” - vooral die van de ”Onderste Dorpstraat”
puth... tusschen d’erve van de weduwe Corten [moeder van [= Geenstraat] - stelden op 11 maart 1733 via een affiche,
de drossaard] nu ten geheelen te gronde gaet waerdoor die op 15 maart 1733 aan de kerkdeur werd bevestigd, tot de
differente ongelucken staen te geschieden.” Daarom werd ”opperste” Lutteraders, d.w.z. degenen, die ”boven [= ten
besloten de nodige maatregelen te nemen. Op 25 februari zuiden en ten westen van] het huys van Leonard Corten tot
1733 verschenen ”de gesaemenlijcke nabuiren van het aen de heyde ende den geheelen heykant als sijnde de gheene
onderste deel van Lutteraede gehoorigh” - onder wie ook de hoogh in de straete ende aen de Graetheyde syn wonende”,
bewoners van de Groenstraat - voor de schepenbank om het de vraag of zij eveneens bereid waren tot het herstel van die
gebruik en het onderhoud van ”den dorpput tot Lutteraede vroegere dorpsput bij te dragen dan wel het recht op die put
gelegen in de erve van Ida Penris weduwe van Joannes uitsluitend aan hun ”onderste nabuyren” af te staan, zodat
Corten saliger” in de Geenstraat nader te regelen. dezen hem als een ”nabuyrputh” zouden kunnen
Allereerst werd besloten die put niet langer te beschouwen beschouwen en gebruiken. Het verzoek om bij te dragen
als een ”gemeijnen dorp put” maar veeleer als een ”nabuijren
put”. Degenen, die gerechtigd waren daar water te halen, Deze put in de Waterstraat - die niet identiek was met de put bij
zouden meer tot de opbouw, het onderhoud en het herstel het huis Sassen (hiernaast) - bleef nog lang in gebruik, zoals deze
van die put dienen bij te dragen dan degenen, die eigen foto uit 1928 toont. Hier wordt het water uit de putemmer in
putten op hun erf hadden. Deze laatsten waren enkel een van thuis meegebrachte emmer omgegoten. De putrand
verplicht om tot ”het grondtwerck” bij te dragen, maar blijkt tamelijk gaaf te zijn, maar dat zal wel aan een reparatie
zouden niet voor ”het loopwerck” [= zwengel, windas, zijn toe te schrijven. Ook nadat hij niet meer werd gebruikt,
katrol, ketting en ophaalemmer] aansprakelijk zijn. De heeft deze put nog vele jaren lang standgehouden. Toen hij in
andere ”nabuiren ende hunne naecomelingen” dienden verval was geraakt, werd hij in de jaren tachtig door leden van
echter gezamenlijk te doen wat tot onderhoud van het loop- de heemkundevereniging Geleen afgebroken en opnieuw
werk ”noodigh ende behoeffelijck” mocht zijn. De lasten opgebouwd. De daarna door een aanrijding veroorzaakte
zouden worden verdeeld volgens het gebruik van de put en beschadiging werd spoedig hersteld <TsHKVGel 1996, nr. 3. 43>.
naargelang de respectieve afstanden die bij het waterhalen
moesten worden afgelegd.
Voor de efficiënte uitvoering van die regeling werden twee

276

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 277

werd blijkbaar afgewezen; de ”opperste” Lutteraders hadden Puthuisje in de vroegere Kloosterstraat te Krawinkel in
immers zelf een of twee putten in hun naaste omgeving. 1928/29. De vroegere open put werd gesloten, d.w.z. van een
Toch zouden er nog bijna vier jaar verlopen alvorens alles in deksel en een pomp voorzien; sindsdien kon er niet meer ”geput”
kannen en kruiken was. Pas op 6 februari 1737 verscheen maar slechts gepompt worden. Nadat deze put naar het
Paul Fremmen, die als ”putmeester des naebuirputs tot Openluchtmuseum te Arnhem was overgebracht, werd bij de
Lutteraed” werd aangeduid, voor de schepenbank om de heropbouw aldaar het vroegere lage rechte muurtje door een
bepalingen van 25 februari 1733 officieel te laten realiseren rond muurtje vervangen, terwijl er ook weer een (niet uit
<LvO nr. 1318>. Geleen afkomstige) katrol werd aangebracht. Maar het geheel
In november 1776 kwamen degenen, die aan de Linde [in de bestaat daar enkel uit het bovengrondse gedeelte, want te
Bovenste Dorpstraat = Tunnelstraat] te Lutterade woonden, Arnhem werd geen nieuwe put gegraven <GOA III, nr. 89>.
overeen om op een straathoek op het erf van de weduwe
Elisabeth Sassen-Proosten, wier ”huijsinge ... in de wande- was men uitsluitend op het beekje aangewezen. De zich van
linge het Koningshof” werd genoemd, ”te erigeeren [= op te het vervuilingsprobleem bewuste inwoners van die wijk
richten] en te doen maecken... eenen waterputh” en om zeiden optimistisch: ”Es ’t water euver d’n driede sjtein hèèr
”samenderhand de onkosten, materiaelen, en alles wat daer- [= heen] is, is ’t al weer zuuver.”
toe vereijscht wierde” te ”contribueeren [= bij te dragen] en
fourneeren [= te verschaffen]”.
Einde december 1777 werden ”tot Lutteraed ten huijse
genaemt het Koningshof” - ter plaatse kwam het Graalhuis -
de voorwaarden voor de gerechtigdheid op die put vast-
gelegd. Een van de voorwaarden was, dat elke ondertekenaar,
diens vertegenwoordigers of erfgenamen, verplicht zouden
zijn om o.a. ”in cas van reparatie van ’t dack” te ”fourneeren
drij schoeven stroij en hout na proportie om het gemelte
dack boven voors[egde] puth liggende behoorlijk te repa-
reeren”. Wie niet tot de reparatie van de put wenste bij te
dragen, zou die gerechtigdheid verliezen. Ook werd bepaald,
dat bij het inrichten en/of bouwen van meerdere woningen
op één erf, slechts de bewoners van het ”stockhuijs” of stam-
huis en die van de oudste der andere woningen op die put
gerechtigd zouden zijn. In geen geval zouden ooit meer dan
24 omwonenden rechten op die put kunnen doen gelden.
Op 25 februari 1778 werd die overeenkomst voor de
schepenbank van het graafschap Geleen geratificeerd
<TsHKVGel 1996, nr. 3, 44>.
Volgens de familieoverlevering is die put bij een reparatie
ingestort, waarop hij werd volgestort en een nieuwe put aan
de binnenkant van de schuur werd gebouwd; deze is tot in
de twintigste eeuw in gebruik gebleven. Helder water werd
te Lutterade pas op een diepte van ongeveer 30 el [= circa 20
meter] bereikt <Bouten, 20-21>.

Putten te Krawinkel en Spaans-Neerbeek De dorpsput te Oud-Geleen
Vóór de negentiende eeuw zijn ons geen gegevens over De dorpsput van Oud-Geleen lag bij de plek, waar de
putten te Krawinkel bekend; het is evenwel waarschijnlijk, Jodenstraat op de Dorpstraat [Marcellienstraat] en
dat daar in vorige eeuwen een of meer putten in gebruik Eindstraat uitkwam. De voorkeur gaat hier uit naar de west-
waren. Van één put is ons de tijd van aanleg bekend. Dertien zijde van het begin van de Eindstraat, waar tot in onze tijd -
gezinshoofden te Krawinkel, die hadden besloten ”gezamen- vlak bij die straat - een grote koperen pomp stond <GOA II, nr.
derhand” een put aan te leggen en elk 1/13 van de kosten te 53>. Bij die put werd de Eindstraat afgesloten door het
dragen, legden op 26 december 1862 in een notariële akte de ”dorpsputvalderen”, dat in de eerste helft van de zeventiende
voorwaarden van gerechtigdheid vast <F.K.J. Russel, nr. 1351>. eeuw als zodanig werd vermeld.
Naar de namen van de ondertekenaars te oordelen lag die Op 24 januari 1748 werd over ”den quaeden [= slechte]
put dicht bij de hoek van de Cornelisstraat en de Hegstraat staet”, waarin de dorpsput verkeerde, geklaagd. Daarom
<GOA III, nr. 99>. kregen de ”bouwmeesters” van Geleen de opdracht om
In Spaans-Neerbeek was tot 1878 geen put aanwezig. Daar advies uit te brengen. Op 19 juni 1748 verklaarden zij, ”dat

277

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 278

voors. put alsnoch in denselven slechten jae noch ergeren
staet sich is bevindende”. Daarop werd de gerechtsbode op
26 juni 1748 door de drossaard gelast om ”tegens toe-
coemende Sondagh naer den dienst Godts” de inwoners van
Geleen en vooral degenen, wier plicht het was die put te
repareren, op te roepen om op 3 juli 1748, tegen één uur in
de namiddag, te ”compareeren ten huyse van d’ordinaire
rechtsvergaederingh” om dan een ”behoorlijcke repartitie”,
d.w.z. verdeling van de lasten, voor de reparatie van die put
vast te stellen <LvO nr. 1278>. Na de achttiende eeuw wordt die
put niet meer in de archieven vermeld. Dit kan waarschijn-
lijk zowel aan het aanleggen van diverse eigen putten alsook
aan het plaatsen van een pomp op de dorpsput worden
toegeschreven.

5. Allerlei aspecten van het leven te
Geleen in vroeger dagen

”De mensen vormden tezamen één grote dorps- De houten structuur van een vakwerkwoning met de vaktermen
familie, waar de een alles van de ander wist... Het voor de de onderdelen door P.A. Schols. De Limburgse spreuk in
dorp of gehucht blééf een ’besloten’ wereldje, de linkerbovenhoek luidt: ”Schauf en leim, den dèkker heim,
zodat de belangstelling van de bewoners ook niet nog witse en gèrde, kan hè gewèrde”, d.w.z. ”Schoof [bundel
verder reikte dan hun huizen en veld. Wat daar stro] en leem, de dakdekker aan huis, nog wilgetenen en roeden
weer buiten lag, was hun vreemd. Hun interesse [of gespleten takken], dan komt hij wel klaar” <Msg 1948, 55. - LvH
ging niet verder dan het dorpsgebeuren van alle 1958, 27>.
dag maar dan ook bijzonder intens. Het dorps-
verband, de gewoonten en gebruiken werden stipt
in stand gehouden... Hun leven, hun werk en hun
geloof waren sinds tal van eeuwen met elkander
verweven en het diende ook zó weer overgedragen
te worden aan het nageslacht.”

<Architect P. A. SCHOLS in LvH 1951, 73-74>

Met het opsommen van graven, drossaards en pastoors of duidelijk beeld van de eenvoudige, oprechte en goede mens.
het samenstellen van een kroniek is de geschiedenis van een Zij was nog niet aangetast door de zucht naar pronk en uiter-
plaats nog lang niet geschreven. De eigenlijke geschiedenis lijke praal” <Heimat II (1941), 86>.
was immers het dagelijkse leven van de elkaar opvolgende
generaties doorheen de jaarlijkse wisseling der seizoenen. Huis met schuur, stallen, bakoven, boomgaard en tuin
Het zou te ver voeren hier alle ons bekende gewoonten en Volgens SCHOLS behoorden vroeger de woningen bijna
gebruiken uitvoerig te beschrijven, maar wij kunnen niet uitsluitend tot het langgeveltype, met de korte zijde naar de
voorbijgaan aan een aantal aspecten van het plaatselijke straat en de lange zijde, met de deuren en de vensters van de
culturele milieu in vroeger eeuwen, die ons uit de archieven achterelkaar liggende vertrekken, naar de open plaats
en/of uit de overlevering bekend zijn. gekeerd. Pas rond 1900 begonnen sommige welgestelden op
de dorpen - in navolging van de steden - huizen te bouwen,
In en om de woningen der Geleners waarvan de huisdeur op straat uitkwam. Binnenshuis lag die
straatdeur aan het einde van een middengang, die de
Was het dorp met de kerk als centrum de ”leefwereld” van vertrekken verdeelde <Heimat II (1941), 86-87>.
vroegere generaties, hun dagelijkse activiteiten verrichtten zij Over de woningen van vroeger schreef die deskundige
bijna uitsluitend in en om de eigen woning. Over de aard verder: ”Nagenoeg alle huizen bestonden uit gewitte vak-
van de huizen van arbeiders en kleine boeren, die eertijds de werken. Een enkel ’stene(n)’ stond er tussen, was ook
grote meerderheid van de dorpswoningen uitmaakten, meestal gekalkt. De bobbelige voet der huizen, blinkend
schreef architect P. A. SCHOLS o.a.: ”De bouwer wilde niet zwart geteerd, vormde een markante tegenstelling tot het
meer dan een bruikbaar en duurzaam onderkomen voor zijn wit, waarop weer de kromme sym(m)etrische vakwerken
gezin en zijn bedrijf. Daarom was de landelijke woning zo’n zich duidelijk aftekenden. Bijna aan geen enkel venster, nog

278

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 279

hóóg geplaatst boven de grond, ontbraken de ijzeren of Het oostelijke einde van de Jodenstraat rond 1894. Het witte
essenhouten tralies. De vele groen en paars gekleurde glas- gebouw met de vierkante poort dateerde uit de zeventiende
in-lood ruitjes werden tegen de avond gesloten met dikke eeuw. Oorspronkelijk lag links (oost) van die poort eenzelfde
luiken, waarvan het soliede sluitwerk doelmatig greep achter spits toelopende straatgevel. Maar in de negentiende eeuw brak
stevige duimen... het dak gedekt met een dikke vacht stro, een erfgenaam deze af en plaatste er een gedeelte van de nieuw-
groen van mos en ouderdom. Ruim 300 jaar geleden bouw met de ronde poort. (Zie ook GOA II, nr. 45) <Foto
bestond er in dat gewone huis nog geen schoorsteen. Er was J. Houben s.j.>.
alleen een luik in het plafond, waardoor de rook naar de
zolder trok. In voor- en achtergevel op zolder was er evenwel boerderijen maakte, schreef hierover: ”De muur aan de
een gat, waardoor de rook kon ontsnappen”. Later bracht straatzijde, waarin zich de poort bevindt, is ook dikwijls van
men een dikke schoorsteen van baksteen of mergel aan, veel jongere datum dan de eigenlijke woning zelf. Dit is
”bekroond met een omgekeerde Keulse pot zonder bodem... altijd het geval waar men een zoogenaamde getoogde poort
om hagel en regen zoveel mogelijk buiten de heerd te aantreft, d.i. een poort met ronden boog. Zeer oude
houden en ook om de uitlaat zo hoog mogelijk boven het Limburgsche huizen hebben altijd vierkante poorten” <Ndms
strodak te brengen” <LvH 1951, 48; 1958, 38-39>. 1927-28, 40>.
In Maastricht werden daken van stro reeds in de zeventiende Op elke boerderij was er een mestvaalt, een rechthoekig
eeuw verboden, maar in het Land van Valkenburg werd pas uitgediepte plek, die soms door kleine muurtjes was
in 1716 voorgeschreven, dat de daken van brouwerijen en omgeven. Doorgaans lag die mestvaalt op de binnenplaats;
bakhuizen met pannen of leien moesten worden gedekt, dat maar soms werd hij achter de stallen aangebracht. Doch niet
er geen houtwerk meer door schoorstenen mocht lopen en alle stallen werden geregeld schoongemaakt. Tot zelfs in de
dat schoorstenen minstens vijf voet boven de daken moesten twintigste eeuw waren er in sommige Geleense boerderijen
uitsteken. In 1786 blijkt de Geleense pastorie nog een
strooien dak te hebben en zelfs nog in 1844 merkte burge- Een vierkante poort in een gevel van vakwerk en een ronde
meester Lemmens op, dat de meeste huizen van Geleen met poort in een gevel van baksteen in de vroegere Putstraat (gezien
stro waren gedekt. in de richting Tunnelstraat) te Lutterade <Tekening P.A. Schols ca.
Over het vervangen van de straatgevel van een oud vakwerk- 1930>.
huis door een nieuwe gevel van baksteen, mergel of spek-
lagen schreef SCHOLS: ”Om de stijlen [= verticaal geplaatste
posten] en trekbalken te behouden, noodzakelijke onder-
delen van een gesloten geheel, werd de nieuwe baksteengevel
ongeveer 1,50 m voor de oude geplant, niet om de voor-
kamer te vergroten, doch om de stenen gevel meer stabiliteit
te geven door de nu noodzakelijke twee stukjes zijgevel in
baksteen. Zo’n stenen voorgevel kan bezwaarlijk verbonden
worden met het scheef gezakte en voortdurend in beweging
zijnde vakwerk, vandaar dat de vernieuwde gevel van de
fundering tot de top geheel op zich zelve is aangewezen” <Msg
1943, 47>. ”De oude vakwerkgevel werd daarna afgebroken op
de moerbalken [= horizontaal liggende balken, die de posten
verbonden] na, die behouden bleven vanwege het ’gebon-
dene’. Veelvuldig zien wij ook, dat er vóór de oude vakwerk-
huizen een geheel nieuwe kamer gebouwd werd uit steen of
mergel en dat dan de oude vakwerkgevel de functie van
binnenmuur verkrijgt” <LvH 1951, 50-51>.
Tevens merkte die auteur op: ”Opvallend is steeds de lage
deurhoogte, voor vrouwen en de man van middelmatige
lengte wel voldoende, maar de meer rijzige persoon moet er
steeds zijn hoofd neigen om niet in aanraking te komen met
de bovendorpel. De moerbalk midden in het vertrek bevond
zich meestal ook niet op grotere hoogte. Vermoedelijk was
het slag mensen vroeger kleiner van stuk” <LvH 1958, 39>.
De zware, monumentale - volgens ECREVISSE blauwe of
groene - poort, in horizontale en schuine rijen met dikke
nagelkoppen beslagen, sloot het boerenerf af. J. H. HABETS,
die een speciale studie van de oude Lutterader woningen en

279

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 280

zogenaamde potstallen. Een potstal was een koestal met een
zeer lage bodem, eigenlijk een soort kelder zonder plafond.
Bij het begin van de winter stonden de koeien op een laag
stro vlak op de bodem. Omdat de uitwerpselen en het vuile
stro niet werden verwijderd doch telkens nieuw stro daar
bovenop werd gelegd, hoopte de mest zich op en kwam het
vee steeds hoger te staan. Tegen het voorjaar, als de koeien
naar de weiden werden gevoerd, was de bovenkant van de
mest ongeveer gelijk met de begane grond. Dan werd de
potstal uitgemest <Bouten, 48>.

Vijf woningen op één erf aan de Hei te Lutterade <Tekening P.A.
Schols, 1930>.

Het naar het Openluchtmuseum te Arnhem overgeplaatste vat rogge aan de kerk verschuldigd waren van ”een sil
bakhuis op zijn oorspronkelijke plaats in de huiswei van de plaatzen daer sij alle vier op whonen gelegen tot Lutterroede
familie Storcken-Menten, Kloosterstraat 46, Krawinkel, in aen den Slaghboum aen die heijde”. Ofschoon men hier vier
1928. Links het gedeeltelijk uit baksteen en gedeeltelijk uit bewoners van eenzelfde huis zou kunnen veronderstellen, is
vakwerk opgetrokken voorportaal, het z.g. ”sjtaokes” (= stook- dat wegens de geheel verschillende familienamen toch niet
huis); rechts - onder het lage dak - de oven. Te Arnhem werd het waarschijnlijk. Het lijken veeleer gezinshoofden te zijn
vakwerkgedeelte door baksteen vervangen. geweest, die elk met hun eigen gezin in vier naast elkaar en
langs eenzelfde erf gelegen woningen verbleven. Een derge-
lijke bewoning kwam immers op meerdere plaatsen te
Lutterade voor.

SCHOLS schreef verder: ”Op het erf, langs of om de mest-
vaalt, was de sprunk, een oplopend gangpad. Het dikke,
bochtige, veroverstekende strodak, gedragen door stutten en
consoles, zorgde er voor dat het regenwater de gewitte
wanden en het vakwerk niet kon bereiken en dat ook het
gangpad langs de huizing en schuren droog bleef. Op
behoorlijke afstand van de schuur [minstens 60 voet] lag dan
de bakoven onder een pannendakje met als voorportaal ’t
’sjtaokus’ [= stookhuis]. Aan het einde van de boomgaard of
ook wel direct naast het huis, tussen lage, keurig geschoren
hagen, lag de eigenlijke moestuin [of ’koalef’], vrij en open
naar de zon. Zijn nijvere vrienden, de bijen, [in de ’bijenhal’]
onder een afdakje naar het oosten gekeerd. De bijenkorven
waren uit stroringen opgebouwd, doorvlochten en om-
wonden met gespleten braamranken” <LvH 1951, 48-49>.
Eertijds was er op het platteland veel meer bijenteelt dan in
de negentiende en twintigste eeuw <PSHAL 1889, 18>.

Meerdere woningen langs eenzelfde erf
In 1637 noteerde pastoor Leurs, dat Hencken Heijnen, Nijs
Godtwaltz, Rog Jan en Claes Haemers jaarlijks tezamen een Haard <Tekening P.A. Schols>.

280

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 281

J. H. HABETS schreef: ”Wat het meest opvalt in de typische, duidde SCHOLS dit portaaltje als ere aan <Heimat II (1941), 87>;
oude Lutteraadsche huisjes, is de zeer langgerekte bouwwijze
van de straatzijde afgekeerd, de zoogenaamde ’lang- of het is niet duidelijk of hij dit als identiek beschouwde met
dieptebouw’. In heel Zuid-Limburg weet ik hiervan nergens
een voorbeeld. Hier vindt men dit verschijnsel bij de vleet. het door hem in een andere context gebruikte woord nère
Dikwijls wonen er een half dozijn of meer families in één
langgerekt woningcomplex, ’op eine luif’ zou de Limburger <LvH 1951, 73>. Volgens DORREN ontstond nèère uit het
zeggen” <Ndms 1927-28, 9>. Ook in Oud-Geleen bestonden zo’n
situaties <GOA II, nrs. 31 en 52. - Oud-Geleen, afb. 59>. Latijnse area, d.w.z. den ère werd tot de nère, m.a.w. de n van
De verklaring van dit verschijnsel is tweevoudig. Als bij de
deling van het ouderlijk erfgoed het ene kind het woonhuis nère is ”prothetisch” [= voorgeplaatst].
en het andere de bijgebouwen kreeg, veranderde dit laatste
soms een deel van die bijgebouwen tot woning. Ook gebeurde SCHOLS schreef ook: ”De heerd
het, dat een zoon of dochter trouwde en noch bij de ouders
bleef wonen noch bij de schoonouders introuwde, maar wel beschouwde men als een gewijde
in het bedrijf van de ouders bleef werken. Dan werd vaak op
het ouderlijke erf een nieuwe woning toegevoegd. Diezelfde plek, het hart van de woning”. Het
procedure kon zowel ten aanzien van meerdere kinderen als-
ook door op elkaar volgende generaties zijn toegepast. open schoorsteenkanaal was een vier-

Het interieur kante toren, ”geheel op zichzelfstaand
Volgens R. C. HEKKER bezat een normaal boerenvakwerk-
huis tot het midden van de zeventiende eeuw een kamer van midden in het huis, soms met een
doorgaans slechts één gebintvak en een woonkeuken [waar
zich de open schouw bevond] van twee gebintvakken en doorsnede van 1,50 x 1,50 m. Onder
werd pas later een derde vertrek toegevoegd <B&MNO 1988, 1,
34>. Dat [latere] derde vertrek was soms een ingangshal, de de grote rookvang hing boven het
zogenaamde nere, en soms een achterkeuken, in de Geleense
volksmond spenj genoemd <StMN 14-9-1962>. De kamer werd vuur aan de haal [= ketting] de zwart-
beschouwd als de ”goo [= goede] kamer”, waar de beste
spullen werden bewaard, maar die slechts zelden werd berookte moor. De binnenwanden
gebruikt.
Onder die kamer was bijna steeds de kelder, die vanuit de waren meestal gewit. De vloer was
keuken toegankelijk was. De kamer en de woonkeuken
waren soms gescheiden door een portaaltje, waar een [vaak meestal van aangestampte leem, min
door een deur afgesloten] trap naar de zolder voerde. Hier
of meer hobbelig, zelfs met kuilen,

waarin de baarpot [= grote aarden

kruik] een vaste plaats vond”. Volgens

SCHOLS werd voor het maken van een

goede vloer runderbloed in de leem

verwerkt <LvH 1958, 38 en 46-46>. Volgens

anderen werd de vloer naderhand

bedekt met ”dras”, een mengsel van

”auwdingsdrek” [= uitgebrande kolen

of kolengruis] en gebluste kalk, en

werd tijdens het mengen van die

ingrediënten zwarte poeder toe-

gevoegd <StMN 14-9-1962>. Nog later

bracht men grote rode plavuizen

aan. Nadat deze waren geschrobd,

werd daarover een laagje wit zand

gestrooid. Tijdens mijn jeugd heb ik

in een paar oude huizen - o.a. in het Haalketting in oud

laatste huis van Daniken - nog vaak huis te Lutterade

het vers gestrooide witte zand op die <Tekening J.H. Habets,

plavuizen gezien. 1927>.

Haalketting en haardtangen <Foto mevr. A. Dohmen-Deckers>.

De haard met gereedschappen, o.a. een haalijzer, een ”moor” en SCHOLS vervolgde: ”Onder het hooggeplaatste raam met
twee as- of doofpotten (vooraan), in het huis uit Krawinkel in glas-in-lood ruitjes stond de lange bank achter de tafel. In
het Openluchtmuseum te Arnhem <Foto door de schrijver>. die bank kon van alles geborgen worden met behulp van de
opklapbare zitting. Het 5 cm dikke eiken tafelblad langs die
vaste bank, waarop de kinderen meestal zaten, was voorzien
van ronde kuiltjes, waarin hun het eten gedaan werd. In dat

281

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 282

vertrek vinden we verder nog enige stoelen en de <LvH 1958, 50>. Menige bedkoets kon met deuren worden
kroekebank, een stellage tegen de muur, waarop onderaan afgesloten, zodat zij overdag op een kast leek. Maar in
grote potten en ketels konden worden gezet; bovenaan was sommige gevallen hingen er slechts gordijnen voor, zoals nog
er in de rekken plaats voor borden en schotels” <LvH 1958, 47- in de Geleense boerderij in het openluchtmuseum te
Arnhem te zien is.
52>. Vaak bevonden die bedkoetsen zich naast de haard in de
woonkeuken [zoals op de hoeve Ten Eijsden vóór de brand
De slaapgelegenheden van 1936 en in de in 1964 afgebroken boerderij in de
Vroeger hadden dorpswoningen slechts zelden kamers op de Putstraat te Lutterade <NMGKL V, 3, afl. 1, 168>] of in een ernaast
eerste verdieping. Daar was de graanzolder; de zoldervloer gelegen kamer tegen de achterkant van de haard [zoals in het
was gemaakt van ruwe ”Canadase” planken. Wie kinderen muldershuis te Munstergeleen]. In andere gevallen werden
had, maakte daar hokjes met wanden van ”witsen” [= twijgen] zij in de kamer vlak naast de koestal geplaatst en werd in de
en leem. De gehuwden sliepen beneden in bedkoetsen wand van de stal een schuif aangebracht, om op die manier
[= alkoven]. De samenstelling van zo’n alkoofbed was als ’s nachts een oogje op het vee te kunnen houden en te
volgt: ”Op een hoogte van circa 40 cm van de grond was een kunnen ingrijpen als een koe mocht gaan kalven of als er
raamwerk gemaakt van deugdelijke stokken, zo uit een heg zich iets anders voordeed. In de winter werden de deuren van
of uit het bos gehaald. Daarop kwam de strozak, een zak zo’n bedkoets gesloten en de schuif naar de stal geopend om
gemaakt van gewone zakkenstof gevuld met stro; vervolgens aldus de warmte van de stal binnen te laten <Bouten, 85>.
kwam een stevig vlaslinnen laken en daarop een paar
katoenen dekens” <StMN 14-9-1962>. Aan het voeteneinde werd
meestal een kribje getimmerd voor de zuigeling en aan het
hoofdeinde werd een plank geplaatst om wat op te zetten

Bedkoets met deuren <Tekening door Edwin Tunis, in Tunis, 69>.

Alkoof met gordijnen in het huis uit Krawinkel in het Tot ver in de twintigste eeuw was het de gewoonte, dat de
Openluchtmuseum te Arnhem <Foto door de schrijver>. paardenknecht in de ”vrie” van de paardenstal sliep. Zijn bed
werd slechts door een houten schot van de paarden geschei-
den; zo had ook hij het voordeel van de warmte van de stal.
Als er een aparte slaapkamer was, bevond zich daarin vaak
een bèdsjtaad [= bedstede], waarop een strozak of een
pluimenbed en een heutpulf [= hoofdkussen] in een kustiek
[= kussensloop] lagen. Ook de parochiegeestelijken van
Geleen waren voor hun nachtrust tevreden met een ”stroije
sack” <Bergen, 52>. Soms was het bed door van het plafond
afhangende gordijnen omgeven; zo herinner ik mij uit mijn
misdienaarstijd, dat de ongeveer 90-jarige weduwe Luijten-
Sassen († 1931) in het tolhuisje aan de Rijksweg nog in zo’n
midden in haar kamer staand bed met gordijnen lag <GOA II,

nr. 60>.

282

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 283

Het huisraad varieerde naargelang de welvaart Baar <Foto mevr. A. Dohmen-Deckers>.
Naast de eenvoudige woningen van de gewone man, die de
grote meerderheid uitmaakten, waren er ook grotere huizen marmieten [= vleesketels], melk en koekenpannen, schep-
van welgestelde Geleners, en over hun inboedel verschaffen lepels, schuimspanen, een seij of zij [= zeef of vergiet],
openbare verkoopakten vrij veel details. Het heeft echter koffiemolens, koffie en theepotten, lampen, kaarsensnuiters
weinig nut om alle in die akten vermelde voorwerpen op te en weegschalen. Bovendien waren er lampen, ketels en
sommen, doch de voorwerpen, die karakteristiek voor marmieten van ijzer in gebruik. Vaak waren er borden van
vroeger tijden waren of waarvan de vroegere namen ons niet tin; op Kemenade bevonden zich o.a. een tinnen peperbus
meer vertrouwd voorkomen, verdienen te worden vast- en zelfs een tinnen suyckerschoetel. Een achttiende-eeuwse
gelegd. bewoner van mijn ouderlijk huis gebruikte een tinnen inkt-
In alle huizen werd eeuwenlang in een open haard gekookt. en schrijfstel. Hier en daar vond men kamerpotten van tin.
De ketels hingen aan een ketting, de z.g. ”haol”, die korter Maar platelen [= schotels], telloren [= borden] en tassen
en langer kon worden gemaakt. Pas vrij laat kwamen stoven [= kopjes] waren veelal van porselein. Ook werden drink-
in gebruik. In 1794 bevonden zich op de pastorie - behalve glazen en glazen karaffen aangetroffen. Verder bevonden
in de keuken - ook stoven in twee kamers; dit waren geen zich in elk huis baren [= stenen kruiken] en een smaut kruyk
slaapkamers <Bergen, 52-53>. Op de hoeve Kemenade stond in [= oliekruik]. Houten schotels en houten lepels waren even-
de achttiende eeuw een ”houten rank om de stoef”; dit was eens in gebruik.
blijkbaar een rondom de kachel geplaatst houten scherm om In de keuken van de pastorie bevonden zich in 1794 - behal-
speciaal kinderen en huisdieren voor het gevaar van brand- ve drie ijzeren ketels en een ijzeren ”schuplepel” - een
wonden te behoeden. marmiet, een ïeker, een lamp en een schuimlepel van koper,
Als meubels vinden we naast de tafels, bank en stoelen o.a. twintig tinnen borden met de erbij behorende tinnen lepels
een schaap [= kast]. In sommige huizen gebruikte men en schotels en ook een tinnen ”mostards pot”. Verder waren
- waarschijnlijk op feestdagen - een gebilt [= gebeeld = met er zes porseleinen schotels <Bergen, 53>.
figuren geweven linnen] tafellaken en servetten. Ook waren Op veel boerderijen bevond zich een instrument voor het
in de achttiende eeuw spiegels en kleerborstels niet zeldzaam. breken van kemp [= hennep] of vlas. En in ieder huis stonden
Sommige Geleners gebruikten pendules, d.w.z. slinger- een of meer spoelen [= spinnewielen]. Ook ontbrak in geen
uurwerken, terwijl welgestelden ”klokkenkasten”, d.w.z. enkele woning een moolj of moelje [= baktrog], want
grote staande klokken, aanschaften. Deze laatste waren veelal praktisch iedereen bakte zijn eigen brood. Op menige plaats
van lokale makelij [zie hierna: de uurwerkmakersfamilie werd boter in een drayvaet gekarnd; dit was ofwel een vat
Wessels]; in de in 1964 afgebroken boerderij in de Putstraat
te Lutterade bevond zich een door Jean Jonckers van
Maastricht geleverde ingebouwde klok uit de tweede helft
van de achttiende eeuw <NMGKL V, 3, afl. 1, 168>. Op de pastorie
was in 1794 een ”horologie” aanwezig <Bergen, 53>.
Op Kemenade hing boven de deur een ”LieveVrouwekastje”,
d.w.z. een houten nis met een beeld van Onze-Lieve-Vrouw.
Kruisbeelden worden in de verkoopakten niet vermeld,
omdat die in de [verkochte] woningen op de schouw boven
de haard bleven hangen. Op de pastorie bevond zich circa
1800 een ”Livrouwen Bild” [= beeld van O.-L.-Vrouw] onder
glas <Bergen, 52>; dat glas zal wel een glazen stulp zijn geweest.
De woningen werden met kaarsen en/of olielampen verlicht;
deze laatste waren dan staande lampen ofwel aan het plafond
of de muren hangende luchters. De daartoe benodigde
smaut [= olie] werd uit vlas, raap en koolzaad geperst. Toen
er nog geen lucifers waren, werd ’s morgens vuur ofwel bij
een buurman gehaald ofwel van vuursteen geslagen - soms in
combinatie met staal - boven een stuk linnen. Het vuur werd
dan met een hennepstro of een snipper [= spaander] van de
haard naar de kaarsen, lampen of pijpen gebracht; wilgen-
spaanders werden in een naast de haard hangende houten,
ijzeren of koperen snipperdoos bewaard.
In de achttiende eeuw hadden sommige - blijkbaar wel-
gestelde - Geleners opvallend veel gebruiksvoorwerpen van
koper, zoals vijzels, iëkers [= ketels om water te dragen],

283

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 284

met ronddraaiend binnenwerk ofwel een vat, dat zelf op
uitstekende assen werd rondgedraaid.
Bij sommige verkopen waren vogelkooien inbegrepen.
Volgens de plaatselijke overlevering werden vroeger niet
alleen zelf gevangen vinken - zoals boekvinken, sijsjes, kneutjes
en goudvinken - en merels in kooitjes gehouden, maar zag
men hier en daar ook een speciale kwartelkooi met een voor-
portaaltje, waarin de kwartel kwam ”kwikken”. Op Kemenade
had men ook een vret of fret, d.w.z. een albinobunzing, om
konijnen uit hun holen te jagen. Daar bevonden zich tevens
een paar flinten en een pistool.

Rijmen met levenswijsheid en humor

Ofschoon mag worden aangenomen, dat sommige Geleners
in vroeger eeuwen hun gevoelens, gedachten en/of ervaringen
- hetzij in de officiële taal hetzij in het plaatselijke dialect -
op rijm zetten, zijn er geen ”poëtische” gedichten over-
geleverd. Wel zijn er een paar achttiende-eeuwse rijmen
bewaard gebleven, die om hun merkwaardige inhoud of
opzet het vermelden waard zijn.

Botervat met draaiend binnenwerk <Foto mevr A. Dohmen-Deckers>. Het alfabet van het mensenleven door Jan Bollen de oude
In zijn meetboeken maakte landmeter Jan Bollen de oude
allerlei aantekeningen; zo noteerde hij o.a. een lied met tekst
en noten van ”simpel sanck”, dat hij van Leonard Schols,
koster te Meerssen, had geleerd <LimDag 19-2-1988>. Ook
maakte hij graag rijmen; daarvan is ”Den A.B. van
’s Menschen leven van de Kindtsheyt totten grysen ouder-
dom” het langste en het interessantste.
De aanvangsletters van de eerste woorden der 24 coupletten
volgen het alfabet, waarbij de J en U ontbreken. Het laatste
gedeelte over de ”Ouderdom” kan niet als autobiografisch
worden beschouwd, want destijds (1675-1682) was de
auteur pas ongeveer 40 jaar.

Botervat op een stelling; het hele vat werd rondgedraaid <Tekening Die tekst luidt als volgt:
door William Henry Pyne (1769-1843), in Pyne, nr. 9>.
Als ick die werelt eerstmael aensach
met bitter geween en droovich geklach,
ick wasser gebooren nackt ende bloet [= bloot],
terstondt gedreyght met die bitter doodt.

Boven alle juweelen en schoenicheit,
alle speceryen hoe deur [= duur] van pris [= prijs],
boven alle dranck in dorp en stee,
met myn’s Moeders borst was ick tevrêe.

Cleyne doecken en windsels waren myn kleyder,
ick kost my keeren noch geminder (?)
en had myns moeders liefd n[iet] gedaen,
in vuylicheyt had ick vergaen.

Door ’t moederlyck hardt [= hart] dat niet en lieght
wordt gewindelt en geweight
tot dat ick kwam buyten op die straet, buiten op die straet
by myns gelyck of cameraad.

284

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 285

Gekleurde afbeelding door Jan Bollen de oude in het ”Laetboek Het docht my te wesen goeden raet,
van Schinnen” <LvO, nr. 2112>. De tekst luidt: ”Als dese twee des nachts te loopen achter straet,
engelen den krans laeten gaen dan sal oock dese caerte vergaen”. kyven en vechten met groot geteir, met groot geteir
Met ”caerte” doelde hij op het ”Zinsboeck” (= Cijnsboek), al door den smaeck van wyn en bier.
waarin de cijnzen werden vermeld, die door de laten moesten
worden geleverd <Foto J. Heijnders>. Ick meenden te blyven onbevleckt,
van veel jongh dochters werd ick begeckt
Eylaes dat was myn besten tydt, tot dat sy my kregen by der hande, kregen by der handt,
van groote sonde was ick bevreidt, ontsteeck dan in der minnen brandt.
tot dat ick oudt was 7 jaer, was seven jaer,
toen wordt ick oock met sond beswa(a)rdt. Kattivich [= armzalig] Leven o vol ondeucht,
die welck verquist syn jonge jeught
Fesschen [= vissen] en vincken was dat ick socht, met dansen en springen laet ende vroegh, laet ende vroegh;
klimmen en keyen [= met stenen werpen] met dangeir [= gevaar], men seidt [= zegt] tot godsdienst ist tydts genocht [= genoeg].
tot ick oudt was veerthien jaer,
soo ’t my toen gingh verhoort hier naer. Lachen en speulen was dat ick soch(t),
mynen tyd onnuttelyck overbrocht [= doorgebracht]
Goet Geselschap heb ick bemindt, tot dat ick was in trouwensbandt, in trouwensbandt,
sy presen my in quaet was ick gewent, eer dat ick had myn vol verstant.
ick was een kindt wel vol ondeucht, wel vol ondeucht
tot alle quaet genegentheyt. Mij docht te wesen van alles vernoecht
als my een vrouw was toegevoeght,
ick meenden te coemen uyt alle verdriet, uyt alle verdriet,
maer op het eynde en daght ick niet.

Nacht en dagh moet ick nu wercken,
des sondag gaen ick nauw ter kercken,
die naeringh is kleen den huysraet is groot, den huysraet is groot,
alle dinck is deur [= duur] ’t sy bier off broot.

Op Godt alleen ick nu gans vertrouw,
die sonde met gantscher heerten [= hart] schouw [= schuw],
den heer aenroep ick om genaedt, roep ick om genaedt,
des s’morgens vroegh en des avonds laet.

Perfect te leven sonder getruer
och man en vrouw sonder doleur [= pijn, verdriet],
het moet wel wesen een goet accoordt, een goed accoort,
daar nimmer meer in gevilt en wordt.

Ouderdom: Qualyck te pas zyn alle myn leden
en in mijn hardt selden tevreden,
mijn beste fleur die is gedaen, die is gedaen,
mijn jaeren beginnen mij aff te gaen.

Remedie daer tegen is ongewis,
want die qualyck te vinden is,
het gesight onclaert, ’t gehoor vergaet, ’t gehoor vergaet.
Als men kright drie verdel [ = 3 vierdel = 75] jaer.

’Snachts als ick te slaepen placht,
verlanght my nu seer naer den dagh,
ick ligt met fantasie gequelt, fantasie gequelt,
dat ick haest alleen razen teel.

’T en is niet meer dan kruchten en kermen,
dan pein in ’t ho(o)ft, dan in de armen,
hoesten en bulssen [= rochelen] is mijnen sanck, is mijnen sanck,
des s’morgens den mondt vol vuylen stanck.

285

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 286

Van wat ick heb byeen gespaert,
met grooten arbeyt hier vergaert,
’t en kan my ’t en minsten helpen niet, en helpen niet
al uyt des ouderdoms verdriet.

Wat sout [= zou ’t] my baeten al waer ick schoon, ryck,
oock edel, machtigh in pratyck.
Als hondert jaer my valt te lot, mij valt te lot,
dan is ’t niet meer dan kinder spodt.

Xxempel, die dit wel doorknouwt,
wy souden al geer [= gaarne] worden oudt,
maar een die compt tot diesen staet, tot diesen staet,
den ouderdom die wordt versmaedt.

Ylens [= ijlings] sal ick u gaen verhaelen,
wie [= hoe] ’t die verachters zullen betaelen
in bittere do(o)dt die niemant en spaert, die niemandt en spaert,
hy sy dan oudt off jonck van jaer.

Z, die leste letter is ’t
het oordeel volght die doodt gewis,
een bermhertigh oordeel wil Godt ons geven, wil Godt ons geven
en hier namaels het eeuwigh leven <Msg 1900, 62-63>.

Afwisselend rijm over huwelijks(on)trouw Gekleurde afbeelding door Jan Bollen de oude in het ”Laetboek
De Lutterader Andreas Claessens begon op 17 december van Schinnen” <LvO, nr. 2112. - Foto J. Heijnders>.
1755 in een ”boxken” [= boekje] te schrijven ”om t’snachts
den slaep te onthouden”. Het werd vooral gevuld met genamen. Daarnaast zijn over die onderwerpen ook gegevens
recepten om smakelijke gerechten te bereiden, o.a. om goede uit latere bronnen overgeleverd; in die gevallen kan uit de
”frickedillen” [= gehaktballen] te maken. Daartussendoor gaf context worden afgeleid, dat sommige van die gebruiken
hij ook praktische adviezen over allerlei zaken. Bovendien reeds in de achttiende eeuw of vroeger te Geleen in zwang
had hij gevoel voor humor; zo noteerde hij op de binnenkant waren.
van de omslag van zijn ”boxken” het volgende rijm, waarin
met dezelfde woorden - al naargelang de aaneensluitende of Nieuwjaarsdag
de verspringende nummering - ”tegengestelde” visies op De eerste dag van het nieuwe jaar werd vroeger te Geleen
huwelijk en (on)trouw worden gegeven: niet alleen gevierd met ter kerke te gaan, familieleden, vrien-
den en kennissen te ”vrasje(n)”, d.w.z. een ”Zalig Nuujaor en
1. den mensch is priselijck alles waat wunsjelijk is” te wensen, en grote hoeveelheden
5. die het houwelyck blammeert ”waffelen” te eten, maar ook met veel lawaai te maken. Dit
3. die doet seer wiselijck blijkt uit het herhaalde verbod van maire J. M. Luijten
7. die in overspeel hasteert [= zich stort] (1794-1818) om op nieuwjaarsdag ”pétards” [= klappers],
2. die eene vrouwe trout ”fusées” [= vuurwerk], ”boîtes pistolets” [= knalpotten] of
6. die is dwaes en sott ”autres armes à feux” [= andere vuurwapens] in de straten,
4. die hem eerlijck hout op binnenplaatsen, in tuinen of door vensters af te vuren.
8. die meijst doet tegens Godt.

Uit de achtereenvolgende, d.w.z. niet verspringende,
nummering, die de oorspronkelijke versie weergeeft, blijkt
dat ook Claessens dit als een grapje beschouwde.

Plaatselijke gebruiken en vermaken

Aan een aantal door de overheid uitgevaardigde verboden is
het toe te schrijven, dat wij enigermate ingelicht zijn over
diverse gebruiken en vermaken, waarmee de Geleners in
vroeger eeuwen het leven van alledag trachtten te veraan-

286

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 287

op zijn beurt, onder de gans door, deze trachtende in het
voorbij rijden bij den kop te vatten om dezen af te rukken.
Gewoonlijk werd de gans [tevoren] gedood, soms echter
waren ook levende ganzen opgeknoopt, wat weinig bijdroeg
tot verzedelijking des volks” <Russel 1878, 73>. ECREVISSE
verhaalde dat in 1768 te Limbricht gedurende de vasten-
avondsdagen een levende gans werd gereden <Ecrevisse, Clerx,

2021>.

Gansrijden in de zeventiende eeuw <Gedeelte van een gravure door G. van Vastenavond
Swanenburgh, in Jager, 120>. Reeds op 24 januari 1707 liet de drossaard weten, dat er
gedurende de aanstaande vastenavondsdagen geen ”meij
Gansrijden ende andere speelen” zouden mogen worden gehouden. Met
In 1762 klaagde drossaard Corten ”hoedat op den Sondagh de uitdrukking ”meispeel”, die tot in de twintigste eeuw
wesende 21 Februarij twee a drij uijhren ’s naermiddaghs ten door oudere Geleners werd gebruikt, werd een danspartij
tijde van de vesperen offte Godtsdienst verschillende aangeduid. Ruim een maand later, op 26 februari 1707,
inwoonders hebben connen gelusten [= zich permitteren] op achtte de drossaard het nodig om niet alleen de vroegere
publycke straete jae sellfs aen den inganck van den kerckhoff waarschuwingen tegen overdadig drinken te herhalen, maar
alhier eene ganse te rijden onaengesien de geestelijcke doch daaraan tevens een verbod toe te voegen tegen ”alle speelen
vruchteloose vermaeninghen van den heere onderpastoor ende mascarade ende loopen over straeten. Ende wordt die
alhier, hetgeene bovengemelt wel expresselijck verboden is wachte als oock die borgemeisters ende corporals gelast daer
bij eewigh edict ende placcaet soo van den jaere 1628, als opsichte van te houden die herbergen te visiteren ende alle
van den jaere 1711 beijde de dato den 10e Julii”. mascarade ende andere ongeregelde persoonen te arresteren
Uit het feit, dat maire Luijten in 1812 een verbod uit- ende houden in detentie [= opgesloten]”. Als die ambtenaren
vaardigde om zonder speciale vergunning vogel of gans te hun plicht zouden verzuimen, zouden ze een straf oplopen,
trekken - ”tirer l’oiseau ou l’oie” - blijkt, dat de Geleense maar ”in cas van aen brengen” zouden ze een beloning
jeugd van die dagen zich niet aan die vroegere verboden had ontvangen <LvO nr. 1243>.
gestoord. Luijten verbood dit gebruik trouwens niet als
zodanig; hij wenste het alleen toe te staan als men hem daar- Viering van 1 mei
toe vergunning had gevraagd en hij de meest geschikte en Op 25 april 1727 vond de jonge drossaard L. Duycker het
minst gevaarlijke plek had aangewezen, waar tevens door de nodig om tegen ”verkeerde” vieringen van 1 mei als volgt te
bode toezicht kon worden gehouden. waarschuwen: ”Alsoo door de jonckheijt bedreven worden
Ook later werd nog vaak gansgereden. Volgens RUSSEL had differente inconvenientien [= lasten], schaede, crakeel ende
dit bij voorkeur op ”vette donderdag”, d.w.z. op de laatste ongeregeldheden, door het setten der Meijen [= blader-
donderdag vóór de vasten, plaats. Hij beschreef dit ”spel” als takken] op ende ontrent de huijsen der inwoonderen, soo
volgt: ”Bij het ’ganzen rijden’ wordt eene touw boven de wort mits desen verboden aen alle personen, van gheene
straat gespannen, daaraan bevestigt men eene gans met de meijen te stellen op de daecken nochte aen de huijsen der
pooten, en de mededingers rijden te paard en in galop, elk innegesetenen op de poene [= boete] van drij goltguldens”

<LvO nr. 1243>.

Volgens de plaatselijke overlevering werd de gewoonte om
groene bladertakken aan huisdeuren van Geleense meisjes te
hangen tot in de negentiende eeuw gehandhaafd. Sommige
jonge Geleners, die een blauwtje hadden gelopen of om een
andere reden uiting aan negatieve gevoelens ten opzichte van
een bepaalde jongedame wensten te geven, vervingen die
groene tak door een dorre of door een doornstruik.
De drossaard maakte geen melding van het planten van de
meiboom of het uitroepen van ”meilieven”, ofschoon beide
activiteiten - volgens de plaatselijke overlevering - oude
gebruiken waren. De meiboom was de langste en rechtste
den of spar, die men in het Danikerbos kon vinden en - naar
men zegt zonder toestemming - werd weggehaald om te
Oud-Geleen geplant te worden. Daarna begon het kiezen
van de ”meikoning” en het toewijzen van de ”meilieven”
<Jaarkring, 47-49>. In 1860 schreef J. RUSSEL: ”Het gebruik van

287

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 288

het toewijzen der Meilieven, in de eerste nacht der maand Toch werd de herinnering aan dit gebruik tot in onze tijd

Mei, verliest jaarlijks meer en meer aanhangers, mede door geschrift en gezang levendig gehouden, dankzij het

wegens de misbruiken en baldadigheden welke meermalen door P. ECREVISSE uit Obbicht in 1858 gepubliceerde boek

de gevolgen van zoodanige bijeenkomsten zijn” <Russel 1860, ”Het Meilief van Geleen. Limburgsche zedenschets onder ’t

73>. Fransch beheer”, dat in latere drukken ook onder de titel

”De Meikoningin van Geleen”

verscheen.

Daarin beschrijft die auteur

een door hemzelf bijgewoond

tafereel, dat zich rond midder-

nacht van 30 april op 1 mei te

Oud-Geleen op straat afspeelt.

De bij acclamatie gekozen

meikoning kiest niet alleen

zijn eigen meikoningin maar

wijst ook aan elk [mannelijk]

lid van het meigilde zijn mei-

lief toe. Daarop begeeft iedere

jongeman zich naar het huis

van zijn uitverkorene om er

een groene meitak te planten

en onder het raam van haar

slaapkamer een liefdeslied te

zingen.

Dit boek werd niet alleen

meermalen herdrukt, maar

zelfs door EMILE VARENBERG

in het Frans vertaald en in

1868 bij H. Casterman te

Doornik [Tournai, B.] en bij

P.-M. Laroche te Parijs onder

de titel ”La Reine de Mai” uit-

gegeven, met herdrukken in

1874 en 1885 <TsHKVGel 1981,

18-19>. Op basis van het werk

van ECREVISSE werd door

M.J.H. KESSELS uit Tilburg

een operette in drie akten

samengesteld, waaraan hij de

titel ”De Meikoningin van

Geleen” gaf.

Die werd o. a. in 1902 en

1908 door de fanfare St.-

Caecilia van Heerlen in die

plaats opgevoerd <HOA, 160>.

Daarna heeft de Venlonaar

KARL HAMM - in samen-

werking met de Amsterdammer

K. HEEKELAAR - een nieuwe

operette in vier bedrijven onder

dezelfde titel geschreven.

Deze werd in februari 1938

door de vereniging Zanglust

Annonce voor de opvoering van de operette ”De Meikoningin” door het Geleense koor Zanglust in het Hubertuslokaal te Oud-

in het Hubertuslokaal (Pieterstraat) te Oud-Geleen op 20 en 27 februari 1938. Geleen ten uitvoer gebracht.

288

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 289

”Varen” en ”huil- of kwanzelbier” bij bruiloften de ”correctionele regtbanck” worden gebracht. Luijten
In 1860 beschreef J. RUSSEL een paar plaatselijke gebruiken waarschuwde tevens, dat nieuwgehuwden, die ”huijl of
bij bruiloften, die hij uit de mond van oudere Geleners had kwanzelbier” verschaften, zich eveneens aan een strafbaar feit
opgetekend. Daarbij maakte hij duidelijk onderscheid tussen schuldig maakten. Tenslotte eiste hij, dat nieuwgehuwden,
”varen” en ”huilbier”. Ten aanzien van het eerste schreef hij: die door hun buurtgenoten om ”huijlbier” werden lastig-
”Als voorheen een weduwenaar in echt trad met eene gevallen, dit terstond aan hem zouden melden, opdat de
weduwe, was hij verpligt aan de jongelingen zijner buurt, ten nodige maatregelen tegen de overtreders zouden kunnen
besten te geven, (te drinken betalen) of lijden dat met groot worden genomen <GAG nr. 22>. STALLAERT verklaart kwantsel-
getier en geschreeuw, ’s nachts, een mannetje van stroo, op bier of quantselbier als ”Eene der verschillende benamingen
eene kar, voorbij zijn huis werd gevoerd, om hem het slapen gegeven aan de malle samenkomsten van beide geslachten,
te verhinderen. Gedroeg zich een inwoner slecht, sloeg zijne ter gelegenheid van bruiloften, uitvaarten, enz. om zich aan
vrouw, of leidde een losbandig leven, zoo stond hem gelijk spijs en drank te goed te doen; deze vergaderingen gaven
lot te wachten”. Het andere gebruik beschreef RUSSEL aldus: aanleiding tot uitspattingen, welke door de wereldlijke en
”was de gewoonte, wanneer de jongmans voorheen trouw- geestelijke macht moesten te keer gegaan worden”. Zowel de
den, dat zij zoogenoemd huilbier (van huilen, weenen,) aan geestelijke als de wereldlijke overheden hadden reeds genera-
de andere in hunne nabijheid wonende jongelingen betaal- ties lang tegen dat gebruik gewaarschuwd. In april 1697
den, ten einde deze te troosten en niet langer te laten huilen vaardigden de bisschoppen van de Zuidelijke Nederlanden
over het verlies dat hun jonggezellencorps door die huwe- een decreet uit, waarin zij o.a. verboden ”het verfoeyelijck
lijken onderging” <Russel 1860, 73-74 en 76>. In 1878 beschreef misbruyck van die dertele [= dartele] ende onbeschaemde
die auteur beide gebruiken in één adem als volgt: ”Was het samenkomsten van jongmans ende dochters in de
een jongeling die huwde, dan was hij genoodzaakt huilbier herbergen, ende alle andere voorvallen, die men op sommige
aan zijne kameraden ten beste te geven; was het een plaetsen noemt labbayen, quanselbier, spinninghen, oft met
weduwenaar of eene weduwe die zich in den echt begaf, dan andere namen”. En in de plakkaatboeken van Brabant - die
behoorde een ton bier aan de jongelingschap aangeboden te ook [althans ten dele] in de Landen van Overmaas van
worden, zoo de gehuwde voorkomen wilde, dat te zijner eer toepassing waren - staat o.a. het volgende verbod van 10 juli
gevaren werd, d.i. dat gedurende meerdere opvolgende 1711: ”Wy verbieden andermael aen alle nieuwe getrouwde
nachten, onder groot getier en geschreeuw, een strooman op oft degene staende te trouwen, oft hunne vrienden, te
eene kar gebonden, voorbij zijn huis gevaren werd... Op beloven, geven oft te betaelen eenigh drinckgelagh ofte
gelijke wijze straften de dorpelingen hen, die door een slecht Quanselbier oft schotelspyse... Interdiceren [= verbieden]
levensgedrag aanstoot gaven, die zich aan zedeloosheid over- aen alle tappers [= herbergiers] van binnen hunne huysen oft
gaven, alsmede echtelieden, bij welke de noodige eendragt, daer buyten t’admitteren [= toe te laten] eenige jonckheyt oft
om een goed huishouden uit te maken, gemist werd” <Russel andere tot het drincken van het voorsz drinckgelagh oft
1878, 68>. quanselbier, oft om de voorz. schotelspyse te eten”. Dit
J. RUSSEL gaf aan het eerste lid van het woord ”huilbier” de verbod werd in 1714 en 1716 herhaald <Stallaert II, 123>.
betekenis ”wenen” <Loc. cit.>, terwijl H. JAMAR het als ”hulde” Daar dit ”kwanzel-, kwantsel- of kwanselbier” een soort
interpreteerde <Cramignon, 123>. Maar de bekende folklorist afgeperst bier was, zal men allicht geneigd zijn om hierin het
J. SCHRIJNEN zag daarin veeleer de betekenis van joelen en woord kwanselen in de betekenis van sjacheren of ruilen te
verwees ter staving van die interpretatie naar het Duitse zien. Toch was dat niet de taalkundige oorsprong, want de
”Heulbier” <Schrijnen I, 246>. correcte spelling blijkt kwantselbier [met een t] te zijn
Zich o. a. op verboden uit 1790, 1791 en 1812 baserend, geweest. Volgens STALLAERT was quant of kwant, in de
verklaarde maire Luijten op 30 november 1815, dat bij betekenis van ’lustige gezel’, de stam van dat woord <Stallaert
hem ”groote klagten tegens de meenigvuldige excessen” II, 123>.
[= buitensporigheden] door ”eene troup van 30 à 40 man” Ofschoon dit ”misbruik” volgens RUSSEL in zijn tijd (1878)
waren binnengekomen. Daarom beval hij, ”dat niemand wie door de politie als ”nachtelijke burengeruchten daar-
’t ook zijn mag voortaan meer huijlbier of zoo genaamd stellende”, verboden was, bleef het tot in het begin van de
kwanzelbier zal mogen geven of vraagen bij gelegenheid van twintigste eeuw bestaan. Mijn ouders heb ik vaker over
een nieuw houwelijk”, d.w.z. het tweede huwelijk van een ”varen” horen spreken; zo vertelden zij o.a., dat daarbij soms
weduwe of weduwnaar. Alwie onder voorwendsel van ”karrereipen”, d.w.z. de ijzeren banden van karrenwielen,
vriendschap, vrolijkheid of traditie voor of na een tweede door de uit veldkeien bestaande straatgoten werden gerold
huwelijk zo’n ”huijl of kwanzelbier” zou vragen ”’t zij in der om aldus een groot lawaai te veroorzaken. Mgr. prof. dr.
minne ’t zij met dreigementen”, nl. ”geraas van smikken F. Feron (*1896) uit Krawinkel vertelde mij, dat in zijn jeugd
[= zwepen], hoorens, trom(m)els, ketels of dat andersints op te Krawinkel eveneens werd ”gevaren”. Zelf had hij gezien,
wat maniere zulks zoude konnen weezen”, zouden als dat iemand een ”karrereip” in een langs de straat staande
”kneevelaars, afpersers, oproermakers en stoerders boom had gehangen en daarop met een zware hamer zat te
[= verstoorders] van de gemeijne ruste” gearresteerd en voor ”beieren”. Maar het gebruik om met een strooien pop te

289

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 290

”varen” was toen blijkbaar reeds verdwenen. In Belgisch Dat de plaatselijke traditie van plenken gaan en joegen reeds
Limburg werden zelfs nog in 1951 en 1955 gevallen van lang bestond, blijkt uit het verbod, dat maire Luijten op 15
”huilbier” en ”ketelmuziek” vermeld <Cramignon, 124-125>. december 1812 tegen dergelijke praktijken uitvaardigde. Hij
verbood toen uitdrukkelijk om nachtelijk lawaai te maken
en aldus de rust van andere Geleners hetzij met instrumen-
ten, zoals horens, zwepen of ketels, hetzij met schreeuwen en
joelen [”des huées”], zoals jongelui zich dat soms veroor-
loofden, te verstoren. Doch zijn verbod had blijkbaar niet de
verwachte uitwerking, want op 5 september 1818 verklaarde
hij: ”De Maire der Gemeente Geleen onderrigt zijnde, dat
nachts vergaderingen van tijd tot tijd op de straten plaats
hebben, waardoor de gemeene rust gestoert en dikwijls
twisten en zelfs handadigheden tusschen de Jonkheid
on(t)staen,... besluit bij herhaling: een Jeder die na tien uren
s’avonds op de straat zingende, juggelende off op eene
andere wijze de openbare rust stoerende, zal gevonden
worden, zal vervallen in eene geldboete van vijftien Francs”.

Twee aan hetzelfde erf gelegen woningen (links) - in een van ”Humoristische” plagerijen
deze woonde de familie H. Brenten - aan de Waterstraat te De onmiskenbare neiging van de Limburger tot goed-
Lutterade in 1927 <Tekening J. H. Habets in De Nedermaas V (1927), 8>. moedige plagerijen, in de zin van ”Was sich liebt das neckt
sich”, werd blijkbaar van geslacht op geslacht overgeleverd.
”Plenken” en ”joegen” Zo noteerde de achttiende-eeuwse Lutterader Andreas
Onder de vóór zijn tijd te Geleen in zwang zijnde gebruiken Claessens in zijn ”kook- en bakboek” een paar ”recepten” om
vermeldde RUSSEL ook het ”plenken gaan” en het ”joegen”. de evenmens ”poetsen te bakken”. Hij beval een soort poeier
Hij schreef: ”Veelal vond men ook voorheen vergaderingen aan om in iemands handschoenen of hoed te strooien en
in de buurten, aan een of ander daarvoor bekend huis... bij hem aldus ”swarte handen en aen(ge)sicht te doen hebben,
den smid, bij den wever, of bij den schoenmaker... welke niet wetende waer van dat het is”. Ook noemde hij een
’s avonds, en dikwijls tot laat in de nacht voortduurden. Men ingrediënt om in een drankje te gieten ”om te maecken dat
noemde dit plenken gaan... Daar werd meestal het nieuws te alle persoonen, die aen taevel [= tafel] sitten, moeten... onder
berde gebragt... Liefhebbers van zingen kwamen er mede... de taeffel sonder tijdt te hebben om uijt te gaen”. Verder
In deze vergaderingen had het den volke zoo vervrolijkend adviseerde hij een paar procedures om ”jemant een part te
zoogenaamde joegen plaats, bestaande uit het uitstooten van spelen sonder schaede”, nl. door iets onzichtbaars op zijn
eenen lange aanhoudenden keelkreet, die ver in de stilte der eten of eetgerei te strooien, zodat ”terwijl hij aen de tavel sit
nacht weêrgalmde, en, door ééne rot of één gezelschap niet en sal connen eeten, seer belachelijck om te sijn
gegeven, door eene andere, en eindelijk door meerdere [= zien]” of ”om te maeken eenen mensch gulsig sijnde in
herhaald werd” <Russel 1860, 74; 1878, 72-73>. De afleiding van het het eeten, dat hij niet kan eeten, dat hij geerne eet”.
woord ”joegen” uit juichen, die RUSSEL voorstond, zal taal- ”Om eenen kegels kloot [= kegelbal] te maken, daer
kundig wel juist zijn, maar het was veeleer een vorm van degenige die het niet en weten sal altijd scheef schieten”,
schallen of - zoals oudere Geleners in mijn jeugd zeiden - moest men een houten bol draaien, aan één kant flink
”baljoenen”. uithollen, daarin een pond lood gieten en tenslotte zo goed
dichtstoppen ”dat men sulx niet en merckt”. Bijgevolg ”sal
desen bol aan de eene sijde swaerder sijn als aan de andere
zijde”. Degene, ”die daer dan ontkendelijck [= zonder dit te
weten] mede speelt, sal no(o)it recht konnen schieten”. Maar
wie ”kendelijck sijnde” met die bal zou spelen, zou de
zwaarste kant steeds naar boven houden om die bal recht te
doen rollen.

Buitensporige drinkgelagen
De vroegere Geleners blijken de door hen vervaardigde
”zwakke” dranken [zoals cider] vooral aan vreemden te
hebben verkocht, maar de ”sterke” dranken [zoals bier en
brandewijn] bij voorkeur voor eigen consumptie te hebben
gereserveerd. Zo schreef PIJLS, dat in vroeger eeuwen het

290

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 291

Op 29 mei 1706 en 24 januari 1707 liet de drossaard de
ordonnantie van 7 januari 1696 [over drinken van brande-
wijn] nogmaals publiceren. Toen bleek de herbergsluiting
een uur te zijn opgeschoven: ”Oock wordt nochmaels...
verboden des avonts naer acht uren in de herberghe te sijn,
te speelen, drincken ofte eenigen ongeregeltheet te pleegen”.
Naderhand werd het sluitingsuur nog later geplaatst. In
maart en april 1755 werden Geleense jongelui beboet,
omdat zij zich na 9 uur ’s avonds in herbergen hadden
opgehouden. Kastelein Gerard Zelis werd eveneens beboet,
omdat hij ”naer negen uijren getapt” had <LvO nrs. 1243 en
1278>. In 1815 bleek het sluitingsuur andermaal te zijn
opgeschoven. Op 15 december van dat jaar achtte de maire
het nodig om aan de herbergiers te verbieden na 10 uur
’s avonds nog drank te schenken. Volgens een opgave uit
1798 waren er toen in Geleen dertien cafés. In Oud-Geleen
lagen er zeven, in Spaans-Neerbeek twee en in Lutterade drie
<FA nr. 4047. - Bergen, 95-96>.

Een drinklustige Gelener, met een voet op de ton en het glas in
een hand, zegt tot zijn gezel: ”Ick bringhs u mijnen vrindt”.
Tussen de beide personen staat: ”Drinckt Lustich om sonder
tr(e)uren Diesen Bleijckaert sal u he(e)rt verhuegen”. Getekend
door Jan Bollen de oude en gedateerd 9 december 1675 <RAM nr.
92A. - Foto Widdershoven>.

drinken van bier en brandewijn ”met het bakske” het enige Jan Bollen de oude adviseerde: ”Touback & drincken is goet,
genot voor de bewoners van deze streken was <Pijls, 125>. Ook Die het Maetelijck Doet” <RAM nr. 92A. - Foto Widdershoven>.
daartegen trad de overheid op. Op 7 januari 1696 liet de
drossaard o.a. het volgende afkondigen: ”Also men bij Kaartspelen en dansen
experientie siet, ende daghelix so van geeste- als wereltlicke Uit het bovengenoemde verbod van 21 december 1703
claghten hoort over die excessen [= buitensporigheden] so blijkt, dat in de herbergen niet alleen gedronken maar ook
tzedert eenigen tijdt voorvallen binnen de jurisdictie van gekaart werd. Uit niets blijkt evenwel, dat kaartspelen als
Geleen door het drincken van brandewijn principalick op zodanig verboden was; het lijkt veeleer slechts in de
sonne- ende heijlige daghen, maer oock tot groot scandael herbergen na het sluitingsuur met de voorschriften in strijd
vande inwoonders ende buijtenlantse... also eenige dusdanig te zijn geweest.
inden brandewijn excederen [= zich te buiten gaan], dat sij Het verbod van 25 april 1727 sloeg niet alleen op de
den geheelen dagh door drincken, niet alleen met groot traditionele 1-meiviering maar ook op het bespelen van
scandael, maer oock tot krenkinge ende verderff van haere instrumenten ”het zij vioel [= viool], bass ofte anderssints”
goederen ende gesontheijt, so ist dat hiermede in naeme en het dansen ”naer de voorss instrumenten”. Wie dans-
ende van weghen haere hooghvurstelicke doorluchtigheijt muziek ten gehore bracht zou met zes goudgulden worden
[de prinses] van Salm ende Dieterichstein... verboden des
naermiddaghs enig brandewijn inde herberghen te drincken
ofte tappen”.
Op 21 december 1703 werden die voorschriften herhaald,
omdat de overheid vond, dat ”dagelix viele disordres [= orde-
verstoringen] geschieden in de herbergen ende op de
straeten”. Het sluitingsuur werd nogmaals op 7 uur ’s avonds
gezet. Dat sloeg niet alleen op het tappen of drinken van bier
of brandewijn maar ook op de loutere aanwezigheid van
klanten in herbergen. Iedereen, die in overtreding zou
worden bevonden, zou een boete van drie goudgulden
oplopen, terwijl de kastelein een dergelijk bedrag voor elk
van zijn klanten, die na dat uur in zijn herberg werden aan-
getroffen, zou kwijtraken.

291

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 292

beboet, terwijl iedere danser een boete van drie goudgulden publique vreugden... uijtdruckelijck bij behoorlijcke affixie
zou oplopen. Het dansen op zich werd wel niet verboden, [= via affiches] en publicatie alhier in September lestleden
maar op bepaalde tijden was het niet toegestaan. Een van die verboden sijn geweest... bij welcke omstandigheden het aen
tijden was blijkbaar de eerste dag van de maand mei. de onderdaenen niet en betaemt alsulcke dansspelen te
Een andere tijd van dansverbod was de periode van openbare houden”. Hij moest dan ook een deel van de kermiswinst
rouw. Ter gelegenheid van het overlijden van keizer Frans op afstaan om de opgelegde boete te betalen <LvO nr. 1781>.
18 augustus 1765 werd door zijn weduwe keizerin Maria- In 1779 schreef de pastoor van Schaesberg over de situatie in
Theresia in september 1765 een algemene rouw afgekon- deze gebieden o. a.: ”zat zuypen, heele nagten met de kaert
digd. Bovendien werd de inwoners van het graafschap speelen... dit zyn de bezonderste redenen, waerom men ter
Geleen ruim een half jaar later bevolen om te rouwen over herberge gaet, men speelt en drinkt daer tot de laeste duyt”.
prins Claude-Lamoral II de Ligne, die op 7 april 1766 over- Daarom vond hij het ”zeer prysbaer”, dat op sommige
leed. plaatsen om 9 uur ’s avonds werd geluid om ”den tyd aen te
kondigen van het spel en de herberge te moeten verlaeten”
en dat de boden de naleving van dit bevel controleerden
<Sleinada, 87-88>.

Dobbelaars in een herberg <Schilderij door Adriaen van Ostade (1610-
1685). - Particuliere verzameling in Engeland>.

Keizer Frans van Lotharingen, echtgenoot van keizerin Maria- Op 24 februari 1810 liet maire Luijten weten, dat het reeds
Theresia, die op 18 augustus 1765 overleed <Uit de school van Martin sinds 26 juli 1777 verboden was om in de herbergen ”jeux
van Meytens, Österreichische Nationalbibliothek, Wenen>. d’hasard” [= kansspelen] te houden; daarmee zal wel hoofd-
zakelijk dobbelen bedoeld zijn geweest. Desondanks was
Maar zo’n rouwperiode kwam niet iedereen gelegen. hem ter ore gekomen, dat Geleense herbergiers in hun cafés
N. Haerden, die café aan de Hei te Lutterade hield, besloot ’s avonds laat dergelijke spelen, die vaak tot ongeregeldheden
zich noch de kermispret noch het kermisgeld te ontzeggen. leidden, toelieten. Daarom beval hij dat geen enkele
Op 18 juni 1766 merkte de drossaard op, dat genoemde herbergier dit hetzij overdag hetzij ’s nachts nog langer zou
Haerden ”sig niet ontsien heeft gehadt van ten tijde van leste toestaan. Op 15 december 1815 herhaalde de maire het
kermisse alhier ingevallen op den 25 May lestleden geduy- verbod aan de herbergiers om kansspelen in hun cafés te
rende eenige daegen opentlyck een vrij dansspel ten sijnen dulden. Toen verbood hij hen tevens om zonder zijn verlof
huyse te houden niettegenstaende diergelycke teeckens van op feestdagen in hun cafés op de viool of andere muziek-
instrumenten te laten spelen, omdat die samenscholingen
veroorzaakten. Als hij op verzoek vooraf zijn toestemming
zou verlenen, zou hij de burgerwacht sturen teneinde
toezicht te houden en scheldpartijen, twisten, handtastelijk-
heden, zware beledigingen en mishandelingen, die bij derge-
lijke volkstoelopen gewoonlijk plaatshadden, te voorkomen
<GAG nr. 22>.

292

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 293

De ”broen” als verdedigings- en aanvalswapen weeken pla(e)t te bedde heeft moeten blijven liggen”
De drossaards en schepenen moesten nogal eens optreden <Geleen, 94>.
tegen vechtlustige Geleners, die hun stokken met zo’n bruut Naar aanleiding van een vechtpartij te Brunssum, waarbij
geweld hadden gebruikt, dat zij anderen ernstig letsel iemand ”den ko(o)p ingeslaegen is geworden ende het
hadden toegebracht. Een paar voorbeelden mogen dit cranium geheel geborsten, sodanig dat denselven daeran
illustreren. gestorven is”, merkte J. F. A. Limpens, plaatsvervangend
drossaard van het graafschap Geleen, circa 1784 op, dat ”dit
Veelvuldige vechtpartijen met zware stokken grauwelijck quaedt van slagerije tegenwoordigh dagelijckx de
L. van O., die bij zijn zwager A. G. de vensters had ingeslagen overhant neemt”. Dat was speciaal het geval tussen jongelui
en ”dreijgementen ende affronten” aan diens adres had geuit, van verschillende dorpen, die elkaar bij voorkeur met
werd in de late avond van 16 oktober 1753 door A. G. en S. kermissen te lijf gingen. RUSSEL schreef over die veel ver-
Z., ”voorsien met stocken ende andere gevaerlijcke spreide vechtlust: ”In elk dorp vond men liefhebbers van
instrumenten”, op een flinke afrossing onthaald. De situatie kloppartijen, die de kermissen te baat namen om hunne ’lief-
werd gecompliceerd, toen de aangevallene acht dagen later hebberij’ bot te vieren. Hadden zij zich niet geklopt, dan was
overleed. Bij het daaropvolgend proces werd evenwel het voor hen niet kermis geweest... Doch ook enkelen
geconcludeerd, dat L. van O. ”niet gestorven is ter oorsaecke gingen in de nabijgelegen dorpen, om zich eens goed te
van de slaegen ende wonden hem geinfligeert [= toe- kunnen vechten... In de bewuste vechtpartijen speelden de
gebracht]”. Nochtans werden A. G. en S. Z. wegens die beslagen, mispelen stokken een voorname rol. Bezoekers van
”slaegerije” op 4 maart 1754 tot boetes van respectievelijk buitendorpsche kermissen of feesten, waren altijd van dat
twintig en vijftien goudgulden en tot vergoeding van de onmisbaar verdedigingswapen voorzien... Niet zelden bleven
gerechtskosten veroordeeld <LvO nr. 1320>. zwaar verwonden op het terrein, en menigeen heeft met het
Op de avond van 13 januari 1755 werd J. S., die te leven betaald, de deelname aan zoodanige kermispret, als
Krawinkel aan de Heide woonde, door een aantal knechten waarvan wij gewag maken” <Russel 1878, 70-72>.
van de grote hoeve van Lutterade, die hem van diefstal ECREVISSE schreef: ”De Geleendenaars kunnen den stok
verdachten, zo ernstig op stokslagen onthaald, dat hij ”over goed gebruiken; wij hebben er voorbeelden van gezien, die
het heele lichaem heel swart en blauw” was en ”aen de ongelofelijk schijnen” <Ecrevisse 1910, 119>. RUSSEL voegde
rechter kant van sijn hoofd een slag ontvangen” had. De vier hieraan toe: ”Minder zacht en vreedzaam eindigden de
daders werden elk tot een boete van twee goudgulden, vechtpartijen welke dikwijls tusschen de ingezetenen van
dertien gulden en twee en een halve stuiver veroordeeld <LvO naburige gemeenten zich opdeden, en bij welke de inwoners
van Geleen, wel met naam en daad, als moedige en bloedige
nr. 1249>. deelnemers bekend waren. Meerdere ingezetenen der plaats
[Geleen] gingen des Zondags namiddag in een bijgelegen
Drossaard Nicolaas Strens stelde vast, dat J. P. Cr. en N. L. dorp en vonden daar voor eene of andere onbeduidende
van Geleen op 26 juli 1759 ”hun niet en hebben onthouden oorzaak twist. Men begon met woorden en verwijtingen,
van soo los en ongebonden te sijn, dat sij in den dorpe dan volgden de vuistslagen, eindelijk verhieven zich de
Ophoven rusie gekregen hebbende, elckander met swaere beslagene stokken” <Russel 1860, 75>.
stocken overhoop geslaegen hebben met sulcken nadruck
dat sij beijde sijn worden geblesseert en van weerkanten De ”broun” of ”broen”
bloet geresen is... en alsoo dusdanige excessen en buijten- Menige Gelener verzekerde zich van een goede ”broen”. Juist
sporigheeden in een landt, alwaer politie en justitie vigeert zoals vele middeleeuwers voor hun persoonlijke veiligheid
[= van kracht is] niet en meugen worden gelaeten een dolk in hun gordel droegen, zo voorzagen de Geleners
ongestrafft”. Daarom werden zij beiden voor het gerecht van later eeuwen zich van een speciale stok, die tevens als
gedaagd. wandelstok kon dienen. Op 6 augustus 1780 ontstond een
Op de avond van 9 februari 1770 wachtte J. K. van vechtpartij in de herberg van Matthijs Bours [vrij dicht bij
Lutterade te Oud-Geleen Michiel Baggen op om hem met de kerk in de Marcellienstraat], waarbij ”aen Jacobus Paes
een ”swaeren stock op het hoofd en andere plaetsen van het het hooft ingeslagen geweest is”. In de processtukken werd
lijff” te slaan. Diens te hulp gesnelde broer werd ook op genoteerd dat toen o.a. een ”broun” werd gehanteerd <LvO nr.
stokslagen onthaald. De chirurg moest verschillende keren 1250>.
het ”heel versmettert” [= veretterde] hoofd van Baggen PIJLS beschreef die ”broen” als ”een mispelhouten [Mespilus
komen ”trepaneeren” [= openen]. Op 5 september 1770 germanica] in paardenmest gebruinde stok, welke aan den
werd de dader tot een boete van vijftien goudgulden veroor- benedenkant met koper zwaar beslagen, en waarvan het
deeld <LvO nr. 1243>. handvat met lederriemen omvlochten was.” Hij voegde
In 1781 werd geklaagd, dat P. F. ”eenen eijcken remmel eraan toe, dat men zo’n stok ook ”der mispele” noemde <Pijls,
[= zware stok] uijt eene schanse [= takkenbos] gereten 126>. De ammoniak in de mest bracht de bruine kleur
[= getrokken] hadde” en L. B. ”hadde aangevallen en het teweeg. Een achttiende-eeuwse Gelener noteerde een ander
geheel lichaem van het hooft tot de voeten toe gecontuseert
[= gekwetst] hadde soo danigh dat den selve wel vier ad vijff

293

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 294

”remmeden [= recept of procedure] om eenen mespelaeren Het was evenwel niet zo, dat alle jongelui van eenzelfde wijk
stock bruin te maeken”. Dit bestond uit een kooksel van bij elkaar stonden; zij waren verdeeld in groepjes van vijf of
ingrediënten, o.a. potas, waarmee die stok zo vaak werd zes van dezelfde partij tussen even grote groepjes van de
ingewreven tot hij de verlangde tint bruin had. In mijn jeugd beide rivalen. Wie erin slaagde dat brood boven zijn
kenden oudere Geleners het woord ”broen” blijkbaar niet schouders te heffen en te roepen: ”Kosjbroad mie broad!”
meer. Ook spraken sommigen niet van ”mispelaere” maar was de ”broodjeskoning” en had de strijd voor zijn wijk
van ”wespelaere”. Ik kan mij nog goed herinneren, dat mijn gewonnen.
vader soms de uitdrukking ”de mispele laote sjpele” [= met De woestheid van zulke worstelingen beschreef RUSSEL
de stok erop slaan] gebruikte. Maar dat was nooit als een aldus: ”de kleren scheurden, de voeten verloren hun
bedreiging voor zijn kinderen bedoeld. schoeisel, aan hoeden, mutsen en petten viel in ’t geheel niet
te denken; men zag alleen een drom van mensen, aaneen-
De plaats links op de voorgrond, tussen de straat en het oude hangende, ineengeklampt, rukkende, stotende, duwende,
kerkhof, werd door vroegere generaties de ”kerkhal” genoemd. snorkende, zwetende, stampvoetende, schreeuwende, iets
Hier begon de worsteling om het korstbrood. Het H. Hartbeeld ongehoords in één woord, dat zich beter laat denken dan
staat op zijn oorspronkelijke plaats (1930). In het hoekhuis, dat beschrijven” <Russel 1878, 65-66>. Vermoedelijk liet hij zich
niet alleen een cementen gevel kreeg (1900), maar ook in het daarbij door ECREVISSE inspireren. De door laatstgenoemde
linkerbenedengedeelte van de gevel veranderingen onderging, auteur verhaalde details, dat een straatpoort met de pilaren,
werd vele generaties lang café gehouden. Op de linkerverdieping waaraan ze was bevestigd, door het woeste geweld zou zijn
was een danszaal over bijna de gehele diepte van het gebouw. omvergeduwd en dat de worstelaars door het ijs van een
Het werd in 1957 afgebroken en bij de bouw van een nieuw bevroren aalpoel [= mestpoel] zouden zijn gevallen, werden
huis ter plekke werd de ingang tot het vroegere kerkhof verbreed in mijn jeugd door hoogbejaarden verteld. Hier kan men
<Reconstructie naar foto’s door H. Janssen>. zich afvragen of hun eigenlijke bron van informatie
genoemd boek was dan wel of die schrijver te Geleen
De worsteling om het ”Kors(t)brood” [= kerstmisbrood] circulerende verhalen in zijn boek verwerkte.
De voornaamste verdienste van de auteur P. ECREVISSE voor Ondanks zijn onmiskenbare verdiensten geeft ECREVISSE
de geschiedschrijving van Geleen ligt in zijn - waarschijnlijk soms vrij spel aan zijn fantasie. Zo beweert hij [zonder
iets te romantisch getinte - beschrijvingen van het kiezen van bronnen], dat dit gebruik sedert duizend jaren zou hebben
”meilieven” in ”Het Meilief van Geleen” (1858) en het bestaan. Ook zegt hij uit artikel 2 van het zogenaamde
worstelen om het zogenaamde ”kors(t)brood” in ”De Bokken- ”Boek der Statuten” van Geleen de volgende tekst te citeren:
rijders in het Land van Valkenberg” (1845). Dit extra harde ”Item, der koster sell sechs Wochen lang ein Broth backen,
brood werd op de eerste of tweede kerstdag na de vespers hard wie ein Stein, das Korsbroth genennt, und Jeden haus-
door de koster tussen de jongemannen geworpen, die zich halt gibt ihm davor ein Broth. Er soll dies Broth werfen nach
aan de kerkhal hadden opgesteld. Dezen waren volgens hun die Vesper des zweiten Geburtstages Christi”. Maar de
woonplaatsen in drie groepen verdeeld, nl. Geleen met volledige tekst van het ”bankboek van Geleen” is vanaf het
Daniken, Lutterade, en Krawinkel met Spaans-Neerbeek. In midden van de zestiende eeuw bekend <PSHAL 1898, 331-335>.
een Antwerpse uitgave ”De Bokkenrijders etc.” uit 1969 wordt In artikel 21 wordt de procedure voor het aanstellen van de
de ”strijd om het kors(t)brood” door de uitgevers in een koster beschreven, zoals die tot in de achttiende eeuw werd
nieuwe ondertitel ten onrechte te Lutterade geplaatst <p. 61>. gevolgd. Tevens wordt daarin zijn recht op broden ”als dat
De worsteling om het bezit van dat brood had in groeps- gewoenlick is” vermeld, doch van een ”kors(t)brood” wordt
verband plaats; het gold immers de eer van de eigen wijk. daar helemaal niet gerept. Bovendien was dat ”bankboek” in
het Nederlands of Nederduits opgesteld en werd de
Hoogduitse taal door de Geleense autoriteiten praktisch
nooit gebruikt. Naar mijn weten bevatten de Geleense
archieven nergens enige vermelding van de worsteling om
het ”kors(t)brood”.
De publicaties van ECREVISSE en RUSSEL zijn op een paar
punten met elkaar in strijd. Volgens de eerste zou de worste-
ling op tweede kerstdag hebben plaatsgehad, terwijl de
tweede ze in 1860 ”op Kersdag... den dag der geboorte des
Heilands” plaatste. Maar in 1878 schreef Russel, dat de
korstbroodworsteling tijdens ”het Kers(t)feest” plaatshad.
Dit kan zowel op de eerste als op de tweede kerstdag slaan.
Daar beide auteurs beweerden ooggetuige van zo’n worste-
ling te zijn geweest, terwijl geen andere geschreven of
gedrukte bronnen ter beschikking staan, valt de juiste datum

294

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 295

niet te bepalen. RUSSEL heeft zijn oorspronkelijke versie later maatregels willen nemen. Tevergeefs heb ik vermaand,
ten dele herzien. Beweerde hij in 1860, dat de koster dat berispt, verboden. Eindelijk heb ik, ouderling, gesmeekt; dit
brood uit de toren wierp, in 1878 schreef hij, dat het brood was te erg voor de brave lieden, zij hebben opgehouden”
door de koster ”van op het verheven kerkhof in de menigte <Ecrivisse 1884 I, 132; 1910, 122-123>. RUSSEL schreef in 1860, dat
geworpen” werd, terwijl ECREVISSE had geschreven, dat de dit gebruik ”tegen 1842” was afgeschaft, terwijl hij in 1878
koster dat brood daar over de grond liet rollen. schreef, dat dit in 1832 of 1833 gebeurde. Volgens
Volgens deze laatste zou de ”broodjeskoning” niet alleen bij ECREVISSE had dit na 1845 plaats.
alle vrije spelen de eerste plaats hebben mogen innemen Zijn jongere vriend MARTIN JANSEN, archivaris te Sittard,
maar ook zou hem in de kerk een ereplaats zijn toegekend. schreef over ECREVISSE: ”Het was voor hem eene behoefte en
Bovendien zouden de jongelui van de overwinnende wijk een genot telken jare eenige dagen in Limburg door te
tijdens de H. Sacramentsprocessie de ”hemel” hebben brengen en de oorden op te zoeken, die voor hem zoo rijk
mogen dragen. In een latere druk van zijn werk over de aan herinneringen waren”. In het voorjaar van 1878 - ander-
bokkenrijders schreef die auteur - die de worsteling in 1827 half jaar voor zijn dood - heeft hij Geleen voor het laatst
met eigen ogen had gezien - dat pastoor Voncken dit gebruik bezocht <Msg 1879, 201-202>.
sedert het verschijnen van de eerste druk (1845) had
afgeschaft. Tijdens een bezoek aan de pastoor zou de oude Vertalers en navolgers van het werk van ECREVISSE
herder op de vraag van ECREVISSE wat hem daartoe had Het boek van ECREVISSE over de bokkenrijders werd niet
bewogen, hebben geantwoord dat hij bij elke worsteling alleen in het Frans (1863) maar ook in het Duits (1876)
bevreesd was geweest dat sommigen daarbij het leven zouden vertaald en uitgegeven; de Duitse uitgave beleefde zelfs
inschieten. En wegens de geweldige inspanning in snerpen- herdrukken in 1887 en 1904 <TsHKVGel 1980, 76>. Bovendien
de koude zou menigeen een ziekte hebben opgelopen, die heeft het verhaal over de korstbroodworsteling een paar
hem al te vroeg naar het kerkhof zou hebben gesleept. De andere schrijvers geïnspireerd. De Limburger mr. L.H.J.
pastoor zou o.a. hebben gezegd: ”Tevergeefs heb ik strenge LAMBERTS HURRELBRINCK, die in zijn publicaties ”De
Bokkenrijders” (1885) en ”De Vrouw van den Bokkenrijder”
(1890) hele stukken letterlijk uit de werken van ECREVISSE
heeft overgenomen, publiceert in 1902 bij de Amsterdamse
uitgeversmaatschapij Elsevier zijn 111 pagina’s tellend opstel
”De Broodjeskoning van Eckeldonck” in een bundel met
dezelfde titel, waarin Eckeldonck een door hem willekeurig
gekozen naam voor Lutterade is. In dat werk combineert hij
thema’s uit de beide op Geleen betrekking hebbende boeken
van ECREVISSE. Ofschoon hij in een voetnoot verklaart zijn
beschrijving van de worsteling om het korstbrood aan
ECREVISSE ontleend te hebben, doet hij er nog een paar
flinke scheppen bovenop; zo spreekt hij o.a. van ”ontbloote,
opengereten borsten en ruggen” en van een been ”stuk-
getrapt boven den enkel” <p. 41>.
GEORGES EEKHOUD publiceert zijn opstel ”L’Honneur de
Luttérath” in zijn bundel ”Mes Communions”, dat in 1925
bij de uitgeverij ”La Connaissance” te Parijs verschijnt;
daarin vertaalt hij de door ECREVISSE gebruikte uitdrukking
”kersmisbroodje” [= kerstmisbroodje] foutief als ”petit pain
de kermesse” [= kermisbroodje]. Ook die auteur laat aan zijn
fantasie de vrije teugel. Zo plaatst hij tegenover de kerk te
Oud-Geleen het hotel ”Grand-Cygne” [= De grote Zwaan]
met een balkon en geeft hij aan Geleners ”uitheemse” namen
zoals Borlinck en Vogelsang.

De worsteling om het Korstbrood. Deze scène toont de over- Hoe is de kors(t)broodworsteling ontstaan ?
winnaar te midden van wijkgenoten en tegenstanders <Onbekende Hier dringt zich de vraag naar het ontstaan van dit gebruik
tekenaar, in P. Ecrevisse,De Bokkenrijders etc., (1910), 81>. op. H. WELTERS wenste het als volgt met de Germaanse
mythologie in verband te brengen: ”Onze heidensche voor-
ouders bakten tijdens hun Joelfeest, groote koeken,
Joelkoeken of deuvekaters genoemd, ter eere van hunnen
zonnegod. Naar het schijnt had het voormalig kerstbroodje

295

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 296

van Geleen in Limburg zijnen oorsprong aan dit gebak te Onze voorkeur gaat veeleer naar een ontstaan in een zuiver
danken” <Welters 1877, 12>. Die auteur verschafte echter geen christelijke context uit. Het schenken van brood was een van
enkele informatie om die bewering te staven. de opvallendste aspecten van de middeleeuwse liefdadigheid,
J. RASCH, die aan het Geleense ”kors(t)brood” eveneens een en het was gebruikelijk om op bepaalde dagen aan de kerk-
heidense oorsprong wilde toekennen, schreef: ”In Limburg deur brood aan de armen uit te delen. Te Munstergeleen en
kent men als gebak nog de Sint-Maartenshoorntjes, welke te Sittard ontstond de gewoonte om bepaalde soorten brood-
volgens prof. Schrijnen, evenals de Kerstbroodjes van jes voor de jeugd te grabbel te gooien. Welnu, een dergelijke
Geleen, oorspronkelijk heidense Joelkoeken waren, offer- gewoonte kan te Geleen tot de worsteling om het
koeken ter eere van Wodan!” <Rasch, 157-158>. Doch die ”Kors(t)brood” hebben geleid.
verwijzing gaat niet op. Professor SCHRIJNEN suggereerde
wel, dat de Sint-Maartenshoorntjes een gekerstend heidens De beide schutterijen
gebruik vertegenwoordigden, maar hij repte daarbij niet van
het Geleense ”kors(t)brood”. In een andere context bracht Het gemeenschapsleven werd opgefleurd door het optreden
hij dit laatste wel met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, van de beide schutterijen, nl. de respectievelijk in 1639 en
doch daarbij verwees hij zonder verder commentaar naar de 1710 opgerichte oude en jonge schutterij. Uiteraard was dit
tekst van RUSSEL uit 1860 <Schrijnen, 113-114 en 133>. naar buiten speciaal op de feestdagen, waarop de H.
H. J. OP DEN KAMP benaderde die vraag als volgt: ”Het past Sacramentsprocessie uittrok, en op de dagen van het vogel-
volgens mij helemaal in de traditie van de Germaanse schieten het geval. Maar de onderlinge kameraadschappe-
midwinterfeesten of Joelfeesten ter ere van oppergod lijke verbondenheid moet voor vele leden van die vereni-
Wodan. Deze vonden overal plaats in de tweede helft van gingen doorheen het hele jaar een niet onbelangrijke rol
december. Ter ere van Wodan bakte men ook kerstkoeken, hebben gespeeld.
stollen, wikke, wellicht bedoeld als vruchtbaarheids-
symbolen. Het Geleense kerstbroodje past goed in deze De oude schutterij uit 1639
reeks. Verder wordt nog vermeld het Sittardse midwinter- Het reglement van de oude schutterij werd reeds eerder
brood, versierd met acht slangenkoppen, die ook in het ontleed [hoofdstuk IV, onder 4]. Over haar optreden in de
Sittardse stadswapen terug te vinden zijn (Wodan schijnt in zeventiende eeuw is niets bekend, omdat geen andere platen
Sittard bijzonder vereerd te zijn). Ik zie ook duidelijke over- uit die eeuw bewaard zijn gebleven ofwel uit gedrukte of
eenkomsten van de worsteling om het korsbrood in Geleen geschreven bronnen bekend zijn dan de vier aan de vogel
met het Sittardse krombroodrapen, waarbij op zondag- bevestigde kleine plaatjes van W[olfgang] H[uyn], W[illem]
halfvasten door de jeugd geijverd wordt om zoveel mogelijk Maes [met familiewapen], [pastoor] C[laes] Leurs 1639
krombroodjes te bemachtigen” <TsHKVGel 1980, 79>. [thans verloren] en H. K. 1643.
Een eerste bezwaar tegen deze benadering is, dat die auteur Het blijft mogelijk, dat het bisschoppelijk verbod van 23
geen enkele bron opgeeft. Trouwens, wie zou er ooit ”kerst- september 1652 op het meetrekken van schutterijen in
koeken” ter ere van Wodan hebben gebakken? Bovendien processies een negatieve invloed op het functioneren van die
bevat die argumentatie een paar anachronismen. Zo is de schutterij heeft gehad. Maar in dat geval is dat slechts tijde-
plaats Sittard veel te laat ontstaan om ter plekke een traditie lijk geweest, want volgens de bekende achttiende-eeuwse
van Wodanverering te hebben gekend. Wat OFFERMANS in zijn platen is ze in de loop van die eeuw nogal actief geweest.
boek Wo dan in Zitterd? over een dergelijke lokale verering Wegens de veelvuldige en langdurige aanwezigheid van
schreef, was louter uit de lucht gegrepen. Het lijdt echter geen vreemde troepen in Geleen dient evenwel met korte of lange
twijfel, dat de zogenaamde midwinterbroodjes het stadswapen onderbrekingen van het actieve verenigingsleven rekening te
- geen slangenkoppen maar een gespleten krulkruis - droegen, worden gehouden.
waarvan het vroegst bekende gebruik niet verder dan tot de Bovendien dringt zich de vraag op hoeveel platen van de ene
dertiende eeuw teruggaat <HKLvZ 1993, 149-150>. schutterij na verloop van tijd aan de vogel van de andere
Daarnaast kan men zich afvragen of het Geleense kwamen te hangen. Zo werd de plaat, die Jan Paes, eerste
”kors(t)brood” tot de categorie van de zogenaamde kapitein van de jonggezellenschutterij, in 1711 schonk, aan
”Stevenmannen” van Hoensbroek en Maastricht en van het de vogel van de oude schutterij gehangen, en schonk Simon
Rijnlandse ”Wecken-Kerlchen” behoorde. Dit waren Loyson van Sint-Jansgeleen, die met zijn nicht Mechtilde
wittebroodjes in de vorm van een pop, die vroeger ook te Loyson was getrouwd, in 1717 een plaat, die bij de jonge
Geleen werden vervaardigd en genoemd werden naar de schutterij terechtkwam <Msg. 1909, 78-79>.
H. Stephanus, wiens feestdag op 26 december valt.
Ofschoon sommige latere Geleners zo’n ”Steven(man)” met De jonggezellenschutterij uit 1710
sinterklaas [= 6 december] schonken - zo kreeg ik er in mijn De jonge schutterij werd in 1710 opgericht door de
prille jeugd een van mijn grootmoeder - toch verwees zijn norbertijn Norbert Ulrich, die in 1693 als assistent van
naam naar de tweede kerstdag, d.w.z. de dag waarop volgens pastoor Lessenich naar Geleen was gekomen en op 1 juli
ECREVISSE om het ”kors(t)boord” werd geworsteld. 1700 de eerste donderdagse H. Sacramentsmis had

296

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 297

opgedragen. Hij was dan ook de hoogste gezagsdrager in die ene onder aanvoering van een kapitein stond en de andere
schutterij en had zo niet de titel dan toch de rang van onder die van een luitenant. Om die reden kan ook worden
kolonel. Zijn ordegenoten, die hem als assistent en als rector verwacht, dat hun reglementen veel overeenkomst met
van die donderdagse mis opvolgden, zullen ook wel zijn elkaar vertoonden. Voor een goed begrip van het vereni-
opvolgers als het hoofd van de jonge schutterij zijn geweest. gingsleven van de jonggezellenschutterij lijkt het dienstig
Een plaat draagt als opschrift ”A. Hittorf sacellanus Op- nader in te gaan op de belangrijkste artikelen van haar
Geleen Aº 1752”. Zij werd geschonken door kapelaan of reglement, dat op 1 juni 1716 werd vastgelegd <LvO nr. 1515. -
beneficiant Arnold Hittorf, die geen norbertijn was. Dat is Msg. 1886, 61-63. - HerHoog, 130-132>, en daarbij tevens de ver-
echter geen bewijs, dat hij rector van de donderdagse schillen met de oude schutterij naar voren te brengen.
H. Sacramentsmis zou zijn geweest. De eigenlijke reden voor het oprichten van deze schutterij
Reglement van de jonggezellenschutterij door de rector van de donderdagse H. Sacramentsmis, wordt
De oude en de jonge schutterij hadden eenzelfde innerlijke reeds in het eerste artikel geformuleerd. Evenals dit bij de
organisatie; elk bestond uit twee compagnieën, waarvan de oude schutterij het geval was, zo werd ook hier als uit-
sluitend doel vooropgesteld, dat ze als een erewacht in de
Schets van een vaandel van de jonggezellenschutterij, dat in de H. Sacramentsprocessie zou fungeren: ”dat dese compag-
H. Sacramentsprocessie werd meegedragen. Het was 108 cm nie... is opgericht vuijt geen ander insicht ofte redenen als
breed en 133 cm hoog. Aan de voorkant, in het midden, stond dat door die selve soude het alderhoogw[eerdige] Sacrament
een monstrans (36 cm hoog) afgebeeld, terwijl op de achterkant, des autaers door ’t geweer met gestichticheijt in die processie
in het midden de tekst: ECCE PANIS ANGELORUM (”Zie convoyeert [= vergezeld] ende vereerht worden tot meerder
het brood der engelen”) stond. Volgens de hoogbejaarde J. M. desselfs pompe, lof ende glorie” (art. 1). Maar terwijl de
Baggen (1860-1950), die beide vaandels nog in de processie oude schutterij op kermiszondag [= de eerste zondag na
had zien meedragen, stond op ’t ”twiëgaal” (= de tegenhanger) Pinksteren = Drievuldigheidszondag] en op het feest van de
aan de voorkant een ciborie met daarboven een H. Hostie kerkpatronen (2 juni) moest aantreden, had de jonge
afgebeeld. Dit vaandel werd door koster Math. Meys circa 1920 schutterij die taak slechts eenmaal, nl. op het feest van
op de zolder van het verlaten gemeentehuis te Oud-Geleen H. Sacramentsdag, d.w.z. de tweede donderdag na
gevonden en werd door hem vele jaren later getoond aan de Pinksteren, te vervullen (art. 2). Bij het terugkeren van die
schrijver, die het in tekening bracht; sindsdien ging het verloren. processie moest de hele schutterij met vliegend vaandel rond
de kerk trekken en daarna bij de toren ”glidgewijs het geweer
lossen” (art. 12).
Een tweede verschil tussen de schutterijen uit 1639 en 1710
was dat van deze laatste enkel ongehuwde mannen lid konden
zijn. Zodra zij in het huwelijk traden, moesten zij de schutte-
rij verlaten (art. 8 en 23). In een paar artikelen is er sprake van
getrouwde en ongetrouwde leden (art. 13 en 19), maar in
beide gevallen slaat dit op overleden leden. Dit dient kennelijk
in die zin te worden verstaan, dat die getrouwde overledenen
vóór hun huwelijk lid van de schutterij waren geweest.
Een derde verschil met de oude schutterij was dat de leden
van de jonge schutterij niet eerst in een godsdienstige
broederschap moesten worden ingeschreven.
De dag van het vogelschieten zou elk jaar afhangen van de
datum waarop Pasen zou vallen. Als dit feest vroeg viel, zou
op de eerste dag van mei worden geschoten; viel het laat, dan
zou door de officieren een ”bequamen dagh” worden
gekozen. Op die dag werd eerst op het kerkhof appèl
gehouden, waarbij het reglement werd voorgelezen en ieder
lid zijn contributie op de trom moest leggen. Wie zonder
geldige reden afwezig was, liep een boete van vier potten bier
op (art. 3). De suggestie van een mogelijk historisch verband
tussen het vogelschieten op 1 mei en de keuze van een mei-
koning op dezelfde dag <HerHoog, 39> is wel interessant, maar
wordt door geen enkel bekend document gesteund.
Trouwens, omdat het vogelschieten op de eerste dag van mei
van een vroege paasdatum afhing, had dit evenement niet
regelmatig op 1 mei plaats.

297

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 298

Het kerkhof werd als de vaste ”vergaederinghe plaetse” Speciale pelgrimages naar diverse bedevaartsoorden
aangeduid, d.w.z. daar kwam de schutterij bijeen alvorens in
actie te komen en daar keerde ze ook terug alvorens te Bij het bestuderen van het leven van vroegere generaties
”scheuren” [= uiteen te gaan]. Afgezien van de omstandig- vallen enerzijds hun - hoofdzakelijk op onkunde gebaseerde
heid, dat de kerk hiertoe een voor de hand liggende plaats - hulpeloosheid ten aanzien van allerlei ziekten en rampen en
was, zal die regeling ook wel in verband hebben gestaan met anderzijds hun diepe godsdienstzin in het oog. Hieraan
het feit, dat het vaandel, de vogel en de trommen door de moest ik soms denken, als ik tijdens de drie kruisdagen vóór
rector van de donderdagse H. Sacramentsmis werden Onze-Lieve-Heer-Hemelvaartsdag aan de processies door de
bewaard en dat deze voorwerpen vóór het uittrekken op de velden rond Oud-Geleen deelnam en het koor zong: ”Van de
pastorie moesten worden gehaald en na afloop van de pest, hongersnood en oorlog, verlos ons Heer !” [A peste,
festiviteiten daar ook weer moesten worden geretourneerd fame et bello, libera nos Domine !]. Met uitzondering van de
(art. 6). Maar nergens wordt uitdrukkelijk gezegd, dat het oorlog [sinds 1940] had zoiets voor mijn generatie weinig
vogelschieten op het kerkhof zou hebben plaatsgehad zin, maar vroegere Geleners moeten die bede eeuwenlang
<HerHoog, 39>. Wie de vogel afschoot, was aan de schutterij een vanuit diezelfde velden uit de grond van hun hart ten hemel
ton bier en een plaat verschuldigd, welke laatste minstens hebben gezonden. Niet minder vurig zal hun smeekbede zijn
een rijksdaalder waard moest zijn (art. 5). geweest om van de gesel van aardbeving en van bliksem en
Ook de leden van de jonge schutterij mogen geregeld in een onweer [a flagello terraemotus, a fulgure et tempestate]
herberg samenkomen ”inde welcke sy hem [= zich] willen gespaard te blijven. Dergelijke natuurverschijnselen werden
lustigh maeken” (art. 9). De conditie ”mits blijvende int door hen immers grotendeels aan de duivel toegeschreven;
dorp van Geleen” schijnt de keuze van die herberg tot Oud- vandaar de toegevoegde bede om van de listen van de duivel
Geleen te hebben beperkt; daar lagen trouwens de meeste [ab insidiis diaboli] bevrijd te worden.
herbergen. De straf voor bepaalde gedragingen, zoals het De Geleners namen niet alleen aan lokale processies deel om
maken van ”querellen, twist, offte crackeel”, was ook hier Gods hulp af te smeken, maar ondernamen ook bedevaarten
een tijdje tot aan de knieën in een kuip met water te moeten naar allerlei plaatsen om de voorspraak van de daar speciaal
staan en bij herhaling zelfs uit de vereniging te worden vereerde heiligen in te roepen. Heiligenverering en bede-
gestoten (art. 11 en 22). vaarten waren integrale onderdelen van het dagelijkse leven
Uit een aantal platen blijkt dat ook een jonggezellen- van vroegere generaties. Bedevaarten naar Rome, Santiago
schutterskoning zijn koningin koos. Zo lezen we op een de Compostela [Spanje], het Heilige Land of andere ver-
plaat uit 1767: ”Maria Sibilla Haerden Koninginne der afgelegen streken behoorden tot de grote uitzonderingen,
Jonge schutterij van Geleen”, en op een plaat uit 1782: maar pelgrimages naar Kevelaer (D.), Aldenhoven (D.), Trier
”Juffw. Anna Cath. Keulers Koningin der Jongesellen (D.), Scherpenheuvel (B.), Hakendover (B.) e.d. - hetzij
compagnie van Geleen”. Maar daaruit volgt nog geenszins individueel hetzij in groepsverband - waren vrij frequent.
per se, dat zo’n koningin ”deel kon uitmaken van de
schutterij” <HerHoog, 39>.

Activiteit van de jonggezellenschutterij Geleners trekken in processie door Kevelaer in de jaren twintig.
Als de platen van de jonggezellenschutterij op hun historisch De broedermeester met de staf (vooraan links) is J.W.
juiste en rechtmatige plaats, nl. de vogel uit 1710, zijn Schrijnemakers.
blijven hangen, dan moet die schutterij gedurende de acht-
tiende eeuw echt hebben gefloreerd. In 1791 trad ze voor het Over het Geleen van vroeger schrijvend, zei SCHOLS:
laatst op, want op 22 maart 1792 werden door drossaard ”Geregeld ieder jaar werd door minstens één lid van de
N.F.J. Strens - naar aanleiding van het overlijden van keizer familie de voettocht aanvaard naar een van de genadeoorden,
Leopold II - niet alleen alle spelen en dansen maar ook het Kevelaer of Scherpenheuvel, ’bidwegen’ waarmee dagen
vogelschieten ”tot nader dispositie” verboden, terwijl daarna
de Fransen hun verbod op alle schutterijen dd. 7 september
1791 toepasten <HerHoog, 40>. In 1791 schoot L. Meys de
vogel af en koos M. J. Feron tot zijn koningin. Toen de jong-
gezellenschutterij in 1825 door kapelaan J. L. Feron werd
”vernieuwd”, schonken zij elk een plaat, die naast hun
namen respectievelijk de volgende teksten droegen: ”Koning
van het jaer 1791 tot 1825” en ”Koningin van het jaar 1791
tot 1825”.

298

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 299

gemoeid waren” <LvH 1951, 74>. Mijn grootmoeder (1844- Over sommige bedevaarten, die Geleners in de zeventiende
1932) vertelde, dat in haar jeugd een flink aantal Geleners in en achttiende eeuw ondernamen, zijn details bewaard
processie te voet naar Kevelaer trok en dat de bagage op gebleven, die als illustraties voor de vroegere godsdienstige
enkele paardenkarren werd meegevoerd. Op die karren mentaliteit kunnen worden beschouwd.
konden ook de zieke, gewonde of al te vermoeide deel-
nemers hun bedevaart voortzetten. Naar de ”Sterre der Zee” en de kapel van het H. Graf
In februari 1647 werd de Geleense Maria Corten (*2-11-
Geleners in processie te Kevelaer in de jaren twintig. Maria 1634), dochter van Hendrik Corten en Elisabeth Renckens,
Schrijnemakers (tweede van rechts) is een van de vier draagsters door een ziekte overvallen, die weldra een algehele ver-
van het Mariabeeld. lamming teweegbracht. Toen de geneesheren geen raad meer
wisten, bracht haar moeder haar op 8 september 1648 naar
Dergelijke pelgrimages waren inderdaad oude tradities, want het klooster van Slavante op de Lichtenberg [= Sint-
in zijn testament van 1667 schonk Arnold V Wolfgang Pietersberg] om voor het toen aldaar bewaarde beeld van
Huyn 50 patakons aan Onze-Lieve-Vrouw van Scherpen- O.-L.-Vrouw Sterre der Zee te bidden. Daarna gingen ze
heuvel en eenzelfde bedrag aan Onze-Lieve-Vrouw van naar de kapel van het H. Graf te Neerkanne (B.). Hier kreeg
Kevelaer uit erkentelijkheid voor verhoringen bij verschillen- de dochter onmiddellijk het gebruik van haar ledematen
de ziekten van zijn vrouw en zijn dochter. Uit zijn eigen aan- terug, waarna zij haar krukken in die kapel achterliet. Zij
tekeningen weten we, dat ook pastoor Leurs in 1642 en overleed 54 jaren later, nl. in 1702.
1643 ter bedevaart naar Scherpenheuvel trok; ofschoon hij Over deze genezing werd op 4 juni 1654 te Geleen een
toen vermoedelijk processies uit Geleen begeleidde, maakte getuigschrift ondertekend door o.a. haar heerbroer de
hij daar toch geen melding van. dominicaan Hyacinthus Corten, de beide Geleense
Bepaalde heiligen werden doorgaans aangeroepen om door ”kapelaans” Jan Maes en Frans Loers, Martin Bartholomé,
hun voorspraak bij God, verlossing of verlichting van hofkapelaan van graaf Arnold V Wolfgang Huyn, en
specifieke lichamelijke kwalen voor de pelgrim zelf of voor Herman Jeckermans. De laatste had in 1644 een bedevaart
familieleden te verkrijgen en ook om bescherming voor have naar Jeruzalem ondernomen en had na zijn terugkomst in
en goed af te smeken. De heiligen, die in de kerken en 1647 een getrouwe kopie van de H. Grafkapel te Neerkanne
kapellen van de naaste omgeving werden vereerd, werden gebouwd <PSHAL 1869, 328-330. - GvL 19-1-1954. - Msb 10-21-954>.
even geregeld als oude vertrouwde buren en vrienden
bezocht. Geleners kwamen in de Kluis van Krawinkel voor Naar Onze-Lieve-Vrouw te Aldenhoven
het schilderij van ”Zjwère-Job” tegen huidziekten bidden. Te Aldenhoven bij Gulik werd in 1659 een kapel naar het
Ook gingen zij de voorspraak inroepen van de H. Apollonia voorbeeld van de beroemde ”Wallfahrtskapelle” te Altötting
te Munstergeleen tegen kiespijn; van Sint-Laurentius te in Beieren gebouwd. Sindsdien trok dit genadeoord van
Spaubeek tegen zweren en ”zeek” op de huid; van Sint- Onze-Lieve-Vrouw Refugium peccatorum [= ”Toevlucht der
Gertrudis te Schinnen tegen de muizen; van Sinte-Berb zondaren”] veel pelgrims. In 1745 werd vastgesteld, dat
[= Barbara] te Doenrade tegen een haastige en voor een voorheen elk jaar een processie uit Geleen naar het
zalige dood; van Sint-Leendert [= Leonard] te Urmond tegen miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw te Aldenhoven was
de ”laemde”; van ”Verkestheunis” [H. Antonius abt] te Stein getrokken, maar tevens werd toen geklaagd, dat ”sulcx en
voor het vee; van Sint-Bernard te Sittard tegen de jicht; van geschiet niet meer”.
Sint-Willibrord te Obbicht tegen de kinkhoest; van Sint-Jan De Gelener Jan Nijsten of Nijssen (*7-11-1673) ging in
te Nieuwstadt tegen ”krenkdes in de kop” en van Sint-Gillis Aldenhoven vrij vaak de hulp van O.-L.-Vrouw inroepen. In
[= Egidius] te Wyck-Maastricht tegen stuipen en kinder- september 1702 had hij, bij het tillen van een malder rogge,
ziekten. Die lijst is echter geenszins volledig. ”een groote ende schroomelijcke breucke” opgelopen.
Omdat geen enkel middel bleek te baten, moest hij steeds
een verband dragen. Na gedurende zeven jaren geregeld naar
die kapel te zijn getogen, werd Nijsten in 1709 van zijn
kwaal genezen. Hij schreef dit zonder aarzelen aan de voor-
spraak van O.-L.-Vrouw toe. Hetzelfde zou hij in 1726
schriftelijk doen ten aanzien van de genezing van breuken,
waaraan zijn dochter Johanna (*29-11-1714) en zijn zoon
Hendrik (*3-3-1719) hadden geleden en voor welke gevallen
hij eveneens ter bedevaart naar Aldenhoven was gegaan <LvO
nr. 1243. - Strijkers 1983, 50-53>.

Naar St.-Hubert in de Ardennen
Op 9 januari 1773 overleed te Sittard een vrouw aan honds-

299

geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:21 Pagina 300

dolheid, nadat zij door haar razend Maltheser hondje was Naar ”Sint-Geerling” te Houthem en Oirsbeek en ”Sinte-
gebeten; zij werd nog diezelfde avond in de dominicanerkerk Bergit” te Brunssum
begraven. Doch dat was niet het einde van deze droevige Geleners togen echter niet louter voor het heil van zichzelf
gebeurtenis. Allen, die haar in haar ziekte en stervensuur en hun familie ter bedevaart, zij ondernamen dergelijke
hadden bijgestaan, vreesden eveneens besmet te zijn geraakt. boetetochten ook voor het welzijn van het vee en de bescher-
Daarom trok zodra mogelijk een groep van 24 personen uit ming van hun have. Toen de ”runderpest”, die zich vanaf
Sittard op bedevaart naar de abdij van Saint-Hubert in de 1745 vanuit Holland verspreidde, in de herfst van dat jaar
Ardennen, waar de H. Hubertus tegen hondsdolheid wordt ook Geleen bereikte, werd opgemerkt dat uit de meeste
aangeroepen. naburige plaatsen processies ter bedevaart naar St.-Gerlach
Onder hen bevond zich ook de uit Geleen afkomstige [te Houthem en Oirsbeek] en naar St.-Brigida [te
dominicaan Pius Keulers. Op een gedrukt formulier, dat hij Brunssum] waren getrokken ”om door de voorspraeke van
uit Saint-Hubert meebracht, stond: ”Ick ondergeschreven voors[segde] heiligen aff te bidden de rechtveerdige straffen
Religieus van Sint Hubert, attestere [= getuig] ingeset te Godts hangende boven ons ho(o)fft wegens de sterffte der
hebben een stuckxken van de Heylige Stole van Sint Hubert beesten, hier en is daer aff niet gesproeken geweest, en eijlaes
in het Voorhooft van pater Pius Keullers... 1773, D. hier heeft de kranckheijt nu begost, en op de andere plaetsen
Mathieu Bolij Trésorier”. Daaruit blijkt dat de genoemde en hoort men tot noch toe niet daer aff” <BAR>.
dominicaan zich te Saint-Hubert aan de procedure van Bedevaarten ter ere van St.-Gerlach naar Houthem en
”stolen” had onderworpen, waarbij een dun draadje uit de Oirsbeek werden ook door latere generaties onderhouden.
stola van de H. Hubertus in een snede in het voorhoofd was In mijn jeugd heeft een Oud-Gelener mij verzekerd, dat hij
gelegd. Tevens bevatte dat formulier voorschriften voor het vroeger elk jaar te Houthem een zakje ”gewijd zand” ging
houden van een noveen en voor het nemen van gezond- halen.
heidsmaatregelen om verdere besmetting te voorkomen.
Geen van de Sittardse pelgrims bleek door hondsdolheid te Naar Rome en Loreto
zijn aangetast <GelEeuw II, 60-64>. Nicolaas Gielen, die op 12 mei 1714 in de Pieterstraat was
geboren, ondernam op 25-jarige leeftijd een tocht naar
De procedure van het ”stolen” te Saint-Hubert <Miniatuur uit de Rome. Hij ging blijkbaar niet zomaar op bedevaart naar de
eeuwige stad, maar had tevens een speciaal doel voor ogen.
15de eeuw in de Bibliothèque Nationale te Parijs, Manuscrits Français nr. 424, folio Hij had namelijk het besluit genomen om het voorbeeld van
zijn in 1736 overleden oom Gerard Keulers, alias broeder-
60>. kluizenaar Gerlach, te volgen. Op 19 augustus 1739 werd hij
in het franciscanerklooster van de HH. Cosmos en
Ook latere generaties hebben bedevaarten naar St.-Hubert Damianus te Rome als ”Heremiet van de Derde Orde van
ondernomen, o.a. mijn grootvader Pieter Joseph Göbbels Sint Franciscus opgenomen”. Op 18 november 1739 toonde
(1846-1921), nadat hij had ontdekt dat een door hem hij aan de schepenbank van Geleen zijn uit Rome mee-
geaaide hond van razernij werd verdacht. In naburige gebracht ”patent” met het verzoek om zich ter plaatse als
plaatsen waren eveneens personen, die een dergelijke bede- kluizenaar te mogen vestigen. Die toestemming werd aan
vaart hadden ondernomen. ”den devoten Nicolaus Gielen” verleend, waarop deze in de
Op de feestdag van St.-Hubertus [= 3 november] ”vierden” Kluis van Krawinkel zijn intrek nam. Ongeveer twintig jaren
zij, d.w.z. werkten zij niet, maar gingen ter kerke en ter later ondernam hij andermaal een ”Roomsche reijse” <LvO nr.
communie. 1278. - Kluis, 44 en 47>.
Begin 1858 ondernam ook broeder Hendrik Kloth, die in de
Kluis van Krawinkel verbleef, een bedevaart naar Rome <GAG
nr. 28>. Op die bede- en boetetocht zal hij allicht tevens
andere bedevaartsoorden hebben bezocht.
Een lid van de Lutterader familie Sassen bewaart een Latijns
stuk, waarin de rector van het zich in een grote kerk te
Loreto [Italië] bevindende ”huisje van Nazareth” laat weten,
dat de [niet met naam genoemde] drager van dat document
op 9 april 1786 ter plaatse ”de kleding van Onze-Lieve-
Vrouw” kreeg opgelegd.

Bedevaarten van elders naar Sint-Eloy te Geleen
Er waren te Geleen elk jaar twee Sint-Eloyfeesten, nl. op
25 juni werd de verheffing van zijn relikwieën gevierd en op
1 december werd zijn dood in 659 herdacht. Pastoor

300


Click to View FlipBook Version