geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 151
zoals de meier of schout, de schepenen en andere De juiste datering van de verheffingsoorkonde: 20 januari
ambtenaren, voor de uitvoering van die justitie aan te stellen. 1558
Onder de hoge justitie vielen zware misdrijven, de middele Aan de tekst van de oprichting van de heerlijkheid Geleen
justitie regelde civiele twistgedingen, kleine overtredingen en werd de volgende datering toegevoegd: ”Gegeven in onser
de inspectie van wegen, bruggen, maten en gewichten, stadt van Bruessele, den XXen dach van Januario int jaer
terwijl de lage justitie betrekking had op de overdracht van Ons Heeren duysent vyfhondert ende zeven en vyftich, nae
eigendom en zakelijke rechten. Ook kwamen aan de nieuwe costume van scrijven ons Hoefs van Brabant”. De juiste
Heer de goederen toe, waarvan de erfenis aan bastaarden betekenis van die laatste zinsnede blijkt tot 1957 aan
werd geweigerd, en gevonden goederen, waarvan de nagenoeg alle Limburgse historici te zijn ontgaan, want zij
eigenaars niet konden worden opgespoord. Bovendien kreeg gaven 20 januari 1557 als de oprichtingsdatum op. Tijdens
hij de rechten van jacht, vogelvangst en visvangst in dat een voorbarige viering [op 19 juli 1957] van het vierde
gebied. eeuwfeest van de verheffing van Geleen tot heerlijkheid,
Bij die overdracht waren tevens de cijnzen en renten maakte rijksarchivaris M. SMEETS bekend, dat men te vroeg
inbegrepen, die de koning - als Heer van Valkenburg of aan het feesten was geslagen, en dat de vier eeuwen pas op
hertog van Brabant - jaarlijks van de Geleners had geïnd. 20 januari 1958 vol zouden zijn. Aan het Hof van Brabant
Maar Arnold II Huyn kreeg niet de grote tiende; hij werd te Brussel werd in die tijd immers nog steeds de z.g.
immers niet de eigenaar maar slechts de pandheer van de ”Paasstijl” gebruikt, d.w.z. het nieuwe jaar begon voor die
nieuwe heerlijkheid. Ook behield de koning zich de rechten administratie niet op 1 januari maar met Pasen, en wel na de
van ”clockslach” [= het oproepen van de inwoners in geval kerkelijke diensten van paaszaterdag. Alle gebeurtenissen,
van oorlog], belastingen, confiscaties in verband met die volgens onze huidige tijdrekening in een bepaald jaar
oorlogen e.d. voor. De nieuwe Heer zou aan zijn onderdanen vóór Pasen hadden plaatsgehad, werden bij het onmiddellijk
geen belastingen of andere lasten mogen opleggen. Mocht daaraan voorafgaande jaar geteld. In 1558 viel Pasen op 10
hij daaraan schuldig worden bevonden, dan zou hij ter april; derhalve werd 20 januari 1558 door de administratie
verantwoording worden geroepen en zou hij de geïnde te Brussel als 20 januari 1557 genoteerd.
gelden aan de onderdanen moeten restitueren. Door de uitdrukkelijk toevoeging van nae costume van
In de verheffingsoorkonde van 1558 staat ook, dat ”zekeren scrijven ons Hoefs van Brabant aan ”XX Januario 1557” wordt
banmolen, gelegen opt watere, geheeten de Geleyn, by gesuggereerd, dat de opstellers van dat document zich van
t’huys te Her Jansgeleyn, metten dwanckhuyse ende stalle, mogelijke vergissingen betreffende die datum bewust waren.
met een beempdeke daerby gelegen, groot omtrint vijff Ook aan de registratiedatum van die akte in de Rekenkamer
morghen” tot de heerlijkheid Geleen zou behoren. Een ban- van Brabant werd toegevoegd: ”stijl van Brabant” en ”voer
of dwangmolen was een molen, waaraan voor omwonenden Paesschen”.
de maalplicht was verbonden. In dit geval gold die plicht wel Om diezelfde reden moeten als de oprichtingsdata van de
voor de inwoners van Beek en Spaubeek, maar niet voor die heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum respectievelijk 16
van Geleen. Dit stond in verband met de oorspronkelijke februari 1558 [i.p.v. 1557] en 28 januari 1559 [i.p.v. 1558]
bouw van die molen op voormalig Beeks grondgebied. worden aangehouden <Msg 1957, 113-114. - TsHKVGel 1992, nr. 3, 59-
Die molen behoorde voordien niet tot de grondheerlijkheid 60>, terwijl de oorkonde van de verheffing van Eijsden tot
Sint-Jansgeleen en Arnold II Huyn verwierf haar dan ook heerlijkheid, waaronder 23 februari 1558 staat <PSHAL 1884,
niet in eigendom maar in pandschap. Zijn voorouders uit 331>, in feite op 23 februari 1559 werd uitgevaardigd.
het geslacht Van Printhagen, zijn grootvader Gerard Huyn In de jaren 1781-1789 zou de ontvanger van de keizerlijke
en zijn vader Arnold I Huyn hadden haar sedert het begin domeinen in de Landen van Overmaas protesteren, dat de
van de vijftiende eeuw van de hertog van Brabant in pand- drie heerlijkheden Geleen, Oirsbeek en Brunssum ”te goed-
schap gehouden <AKB. - St.Jansgel, 159-160>. Pas in 1609 zou koop” van de hand waren gedaan. Volgens hem kwam het
Arnold III Huyn die molen met de daarbij behorende voor de heerlijkheid Brunssum uitgekeerde bedrag de waarde
gronden en de daarop rustende lasten in eigendom van die verpande goederen niet nabij, zou de heerlijkheid
verwerven. Oirsbeek meer dan het viervoudige van de pandsom waard
Ofschoon de nieuwe heerlijkheid Geleen bij haar oprichting zijn en zou de heerlijkheid Geleen eveneens drie- of viermaal
(1558) tot een leen van het leenhof van Valkenburg werd zoveel waard zijn als de betaalde pandsom <PSHAL 1889, 366 en
verklaard, had de verheffing door Arnold II Huyn pas in 370>.
1575 plaats <PSHAL 1884, 282>. Tevens had de oprichting van
de heerlijkheid Geleen tot gevolg, dat men van de onder- De grenzen van de heerlijkheid Geleen
bank Geleen voortaan niet meer bij de hoofdbank Beek in
beroep ging maar rechtstreeks te Meerssen appèl aantekende. Bij de verheffing van Geleen, Sint-Jansgeleen en Spaubeek
tot één heerlijkheid werden nieuwe grenzen getrokken. Naar
aanleiding daarvan dringt zich de vraag naar het juiste
verloop van die grenzen op. Er zijn ons geen kaarten bekend,
151
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 152
waarop de ”limieten” van de heerlijkheid of het graafschap is springhende”, d.w.z. dat de grens de beek verliet om naar
Geleen staan aangegeven. De vroegste plattegrond van de het oosten af te zwenken en een ”graeff” door de weide van
gemeente Geleen dateert uit 1822 en geeft de grens- de graanmolen te volgen. Vanaf die ”graeff” boog de grens
wijzigingen van 1808 [aan de oostzijde] en 1819 [aan de om de - op de oostelijke oever gelegen - graanmolen en een
westzijde] weer. Doch ook vóór de Franse tijd waren reeds paar huizen heen, stak dan de Danikerstraat over en liep
veranderingen aangebracht. Uit een combinatie van vervolgens linea recta naar de rand van een beemd van de
verschillende documenten kan evenwel een goede indruk erfgenamen Corten, waar op een hoek een ”lemijt pael”
van het vroegere verloop der grenzen van de heerlijkheid [= grenspaal] stond. Daarna volgde zij ”eene grubbe loopen-
Geleen worden verkregen. de circulaerelijck met sicsacken” [= zigzag in een ronde
boog] tussen de beemden van een aantal Geleners door in de
Opgaven in de verheffingsoorkonde van 1558 richting Abshoven.
In de verheffingsoorkonde werd de nieuwe grens met Beek In 1676 schreef Jan Bollen de oude, dat de oostelijke grens
als volgt aangeduid: vanaf Neerbeek, ”daer die bancke van het graafschap Geleen ten zuiden van Abshoven een
Opgeleyn ende die heuftbancke van Beecke scheyt”, tot op grote zwenking naar het oosten [richting Puth] maakte,
de Treichter wech [= Eyckgraaf] en vervolgens door de weg zodat een aanzienlijk terrein aan die zijde van de Geleenbeek
van de Boeckstock naar de weg door het bos [waarschijnlijk bij Geleen behoorde. Tevens merkte hij op, dat de ”reijn”
het latere Vrouwenbos] tot op de ”palen” van Spaubeek. tussen Geleen en Munstergeleen door een terrein van
Daaruit blijkt, dat in 1558 het terrein waarin o.a. de graan- Abshoven liep, dat ”ontrint de koeijbrugge” lag. In de tekst
molen van Sint-Jansgeleen lag, van de hoofdbank Beek werd uit 1779 staat dat vanaf het punt bij Abshoven, ”alwaer de
afgescheiden en bij de nieuwe heerlijkheid Geleen werd drij jurisdictiens van Geleen, Schinnen ende Munstergeleen
gevoegd. tegen een sijn paelende [= grenzende]”, de grens tussen de
Daar de voogd van Beek reeds circa 1200 het patronaatschap ten zuiden van Abshoven gelegen ”Steenakker” en de ”Koije
van de kerk van Spaubeek bezat en uit de Beeker archieven Kamp” tot aan de Geleenbeek liep. Het kort daarna
blijkt, dat sommige schepenen van die bank te Spaubeek gebouwde ”Huize Koekamp” lag binnen het graafschap
woonden, mag worden aangenomen, dat Spaubeek eens een Geleen.
onderdeel van de schepenbank Beek uitmaakte. Maar de Vanaf Abshoven volgde de grens in 1779 weer de
afscheiding van dit kerspel als afzonderlijke schepenbank Geleenbeek tot dicht bij de beide molens van Munstergeleen
moet reeds vroeg hebben plaatsgehad, want zijn inwoners en maakte dan een wijde boog om de, op de westelijke oever
waren niet gerechtigd om van het Graetbos of de Graetheide gelegen, oliemolen en de Munstergeleense ”Veeweide” heen.
gebruik te maken. Na op de weg vanaf de brug [bij de oude kerk van
Het is niet duidelijk of het kasteel van Sint-Jansgeleen, dat Munstergeleen] in westelijke richting te zijn uitgekomen,
lang ”het huis Spaubeek” werd genoemd, vóór 1558 binnen volgde de grens die weg tot aan het ”Lintjen [= lindeboom],
de limieten van het kerspel Spaubeek dan wel binnen die van staende op eene groes [= grasplaats] tusschen de weghen”.
het kerspel Beek lag, want een eigenaar van dat kasteel koos Ook in de beschrijving van datzelfde traject door genoemde
de kerk van Spaubeek als zijn begraafplaats, terwijl een landmeter Bollen uit 1676 staat, dat die grens vóór de
andere de voorkeur aan de kerk van Beek gaf <St.-Jansgel, 36>. Munstergeleense oliemolen een grote westwaartse boog tot
aan de ”Lintgens of Sittarder wegh” maakte, zodat een flink
De oostgrens terrein ten westen van die beek bij Munstergeleen behoorde.
Op 30 maart 1779 maakten de drossaard en de schepenen Vanaf die boom liep de grens in noordoostelijke richting
van Geleen een rondgang langs de grenzen teneinde hun linea recta door het ”Heijmstenraeder velt” om bij het
verloop zo nauwkeurig mogelijk te bepalen <LvO nr. 1229>. Zij Abtsbroek [in de volksmond: ”Tappesbrook”] weer aan de
begonnen bij de Oude Kerk van Spaubeek, waar een ”graeff” Geleenbeek uit te komen. Vervolgens vormde die beek
tussen de broekgronden van het kasteel Terborg en die van andermaal ”de lemijt tusschen het Geleense en het Gulicker
de oliemolen [van Spaubeek] de scheiding aangaf. Deze territoir” tot aan de ”gewanden van de Hooff Ophoven”.
”graeff” liep uit in een grubbe, die acht tot tien stappen
verder in de Geleenbeek uitkwam. De grens tussen Schinnen De noordgrens
en Geleen vormend, liep de Geleenbeek noordwaarts langs In 1351 werd de zuidgrens van de heerlijkheid Sittard [= de
de op haar westelijke oever liggende oliemolen van Spaubeek, noordgrens van het kerspel Geleen] als volgt beschreven:
Biesenhof, hoeve Ten Eijsden en oliemolen van Daniken. ”eine eiken bei der [Geleen]beke achter [= ten oosten van] de
Bij de oprichting van de heerlijkheid Geleen in 1558 was het hove to Himstenrode, aen den hoof to Himstenrode tuschen
grondgebied van Daniken daar blijkbaar nog niet bij dat broick [= broek] en den hoof; van daer op den pat
inbegrepen. Derhalve is de hier volgende beschrijving van de [= pad] tot in de Graitbosch en heyde, van dannen geit men
grens aldaar slechts vanaf de inlijving van Daniken bij langs de grave [= heigraaf tussen de Graetheide en het
Geleen toepasselijk. Tussen de oliemolen en de graanmolen Sittards gebied] tot digt by dat gericht [gerechtplaats] van
van Daniken werd vastgesteld, dat ”de Lemijt over de Beek Limbrocht [= Limbricht]” <PSHAL 1877, 366-367>.
152
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 153
In 1779 werd opgetekend, dat de noordgrens vanaf de volgens de lemijte van de voors. pascuagie, altijt gehouden is
Geleenbeek naar het voetpad van Munstergeleen [door het worden voor te wesen jurisdictie van Geleen en dijen volgens
Heimstenrader veld] naar Ophoven liep om dan een oost- op de selve door de justitie van Geleen geexerceert is worden
west ”reijn” ten zuiden langs de ”gewanden van den Hooff de jurisdictie in alle voorvallende cassen [= gevallen]”.
Ophoven” te volgen, daarna de ”Sittarder wegh” [later Op de hoek van de west- en de zuidgrens van het graafschap
Geleenderweg genoemd] te kruisen en verder te lopen Geleen stond lang de Tom eyck of Tomp eyck. Die eikenboom
door ”den groenen wegh, genoemt de moelle [= Molje- op een tom [= heuveltje] stond volgens de landmeters Bollen
weg],... welcken de lemijt [= limiet = grens] is tusschen het op de grens van Krawinkel en de Graetheide. Dergelijke
Gulijx ende het Geleens tot op Jans-Camperweg [ook onverplaatsbare aspecten van het landschap werden vaak als
Sittarderweg genoemd]... tot op den Limberiger Wegh”. ”grenspalen” gebruikt. Toen die eikenboom er niet meer
Ook landmeter Jan Bollen de oude noteerde dat de ”Moelie” stond, werd ter plekke een grenssteen geplaatst.
[= Moljeweg] de ”reyn” tussen Geleen en het Land van Gulik Deze steen was reeds in 1758 door autoriteiten van Beek
was <GAG nr. 1>. teruggevonden en bij die gelegenheid werd het volgende
In 1779 volgden de Geleense autoriteiten die noordgrens genoteerd: ”Op de limitt van de meergemelte heijde, aan het
vanaf de Janskamperweg in westelijke richting aldus: ”En hooft van den weg, genaamt den Tomp-Eijkerweg, lopende
van aldaer den wegh op genoemt Munstergeleender Haage van het dorp Neerbeek door het Stokkendervelt tot op deze
sijnde oock den lemijt wegh langhs den Exelspoel heijde, gevonden een paal met meergemelte affictie
[= Eicholtspoel, thans Eggelspoelderweg en Eggelstraat] tot [= opschrift], staande met den rugge naar den sonnenonder-
op den wegh coomende uijt de Graetheijde naer Sittard, en gank [= het westen], dat Hollands is, alzoo het genoemde
van daer opwaerts op den inganck van de Graetheijde; Stokkendervelt ter sonnenopgank [= het oosten] Spaans
alwaer de ordinaire Justitie plaetse [= plaats van terecht- territoir is” <Msg 1969, 63>. Volgens die tekst zou het daar aan
stelling, nl. de Raadskuil] van Geleen is, ende aldaer begint de westzijde onmiddellijk bij Krawinkel aansluitend gedeelte
den Heije graeff”. van de Graetheide onder direct bestuur van de Staten-
Generaal van de Republiek hebben gestaan. Men zou die
De westgrens opschriften eerder aan de zuid- en noordkant van die steen
In de zestiende eeuw werd vastgesteld, dat de dubbele land- verwacht hebben. In de tweede helft van de achttiende eeuw
weer of landgraaf, die circa 1500 door de Geleners ten heerste er inderdaad onzekerheid omtrent de jurisdictie over
westen van Krawinkel en Lutterade was aangelegd [en die bepaalde delen van de Graetheide. Maar wegens gebrek aan
blijkbaar tevens als ”heigraaf” diende], volledig op details kan de juistheid van de conclusie uit het opschrift van
Valkenburgs gebied, d.w.z. niet op maar buiten de limieten die grenssteen niet worden bevestigd of ontkend.
van de Graetheide, lag <PSHAL 1898, 352>. Zij lag o.a. ter plaatse
van de huidige Ringovenstraat en Heidestraat en van het De zuidgrens
noordwestelijke verlengde van de Napoleonbaan, dat tot in In 1589 wordt aangetekend dat de ”Tom Eycker wegh, die
onze tijd Landgraaf wordt genoemd. uyt Nierbeeck naer de heyde gaet, tusschen de Lemiten der
In 1779 werd de westgrens van het graafschap Geleen vanaf hoffbanck van Beeck ende der Banck Opgeleen” loopt <Msg
de Raadskuil als volgt beschreven: ”den Heije graeff, den 1911, 34>. Bij de plek, waar de Oude Maastrichterweg - uit
welcken is loopende langhs de velden en bij continuatie over Sittard komend - ten zuiden van Krawinkel de Tomeikerweg
[= kruisend] den Boschwegh langhs de huijsen tot Luthraeth kruiste, lag in 1589 een ”Witte(n) Steen”. Maar in 1758 was
over [= kruisend] den wegh gaende naer de Heijde en den hij blijkbaar niet meer te zien, want toen werd daar door de
selven graeff volgende tot Craijwinckel over [= kruisend] den Beeker autoriteiten een nieuwe grenssteen geplaatst.
Kraijwinckelder wegh, tot aen den Thomeijcker wegh, In 1779 schreven de Geleense autoriteiten: ”Van den voors:
alwaer de jurisdictie van Beek Hollants territoir is Tomeycker wegh, de straet recht aff, tot in het gehucht van
beginnende.” Nirbeek over de Brugge... sijnde den lemijt wegh tusschen
De onmiddellijk ten westen bij die grens aansluitende het Hollants [= Beek] ende Bancke van Geleen. Van de
terreinen van de Graetheide, waarop Geleen aanspraak voors: Brugge linckx aff door de Dorp Straet opgaende [in
maakte, werden in 1779 als volgt omschreven: ”Van de noordelijke richting] tot aen Trijne Straet, en deselve straet
voors. justitieplaetse van Geleen [= de Raadskuil] tot aen opgaende [in oostelijke richting] en volgende tot op den
voors. Thomeijckerwegh [op de grens met Beek] bevindt Cruijswegh gaende naer den Spa(e)nschen Kerckhooff
sigh een District van de voors. Graetheijde groot ontrent welcken wegh insgelijx is de lemijt tusschen Beek ende
twee hondert vijfftigh Bounders op welck de jnwoonders Geleen. Van voors: Cruijswegh recht op tot aen de
ende parochianen der Heerelijckheijt ende parochie van Cruijswegh aen Pape Koollhooff alwaer rechts omkeerende
Geleen jngevolghe immemoriale possessie berechtight sijn door de Boecken Stockerstraet [= Boekstockstraat] sijnde
- in hun particulier - te genieten voor pascuagie [= het eene sijde Hollants en de andere Spa(e)nsch Spaubeek,
weiden] van hunne koijen en schaepen... welcken voor- voorts den selven wegh opgaende langhs Spa(e)nsche
melden District van twee hondert vijfftigh Bounders, Kerckhooff”.
153
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 154
De grenspaal van Naamse steen, die enige jaren geleden vlak Arnold II Huyn († 1579), eerste Heer van Geleen <Onbekende
ten noorden van de autoweg langs de vroegere Dorpstraat van schilder, CLI>.
Neerbeek werd gevonden, gaf aanleiding tot een controverse.
Wegens de spelling van de daarop ingekapte plaatsnamen de ingang van het Sint-Jansgeleencomplex bevindt, bevat de
”Beek” en ”Geleen” waren sommigen van mening, dat die wapens van de families Huyn van Geleen en Van Groesbeek.
steen pas uit de negentiende eeuw kon dateren. Zij konden er Dit echtpaar kreeg vijf kinderen, nl. de zonen Arnold,
zich op beroepen, dat de gemeente Beek in 1893 in Neerbeek Willem en Jan, en de dochters Anna en Agnes.
een gemeenschappelijke grenssteen met Geleen had geplaatst In 1574 werd Arnold II Huyn tot gouverneur en kapitein-
<Becha 1291, 26-91 en 36/37-91>. Maar anderen vonden die spelling generaal van Limburg en de andere Landen van Overmaas
minder belangrijk en wilden rekening houden met de benoemd. Op 23 november van dat jaar werd hij tevens
mogelijkheid, dat die steen heel wat ouder kon zijn. Zij drossaard van het Land van Valkenburg <PSHAL 1877, 197>. Op
konden er zich op beroepen, dat in Spaans-Neerbeek reeds 30 maart 1577 werd hij gouverneur van Brabants
eerder een grenssteen met opschrift stond, want in een Maastricht, en op 9 april d.a.v. kreeg hij van zijn zwager, de
aantekening uit 1758 lezen we: ”In het voornoemde dorp bisschop van Luik, dezelfde functie voor Luiks Maastricht.
Neerbeek, op den hoek van den weg genaamt Daame- Bij zijn plechtige installatie als gouverneur van het twee-
Trijnestraatje, bevonden een paal met meergemelde affictie herige Maastricht legde hij op 29 april 1577 de eed van
[= opschrift], staande met den rugge naar de huijse onder trouw aan de koning van Spanje en aan de bisschop van Luik
deze bank Beek gehoorende, alzoo de overige huijsen aldaar af. Op 30 mei 1577 werd hij zelfs burger van Maastricht
Spa(a)ns ter(r)itoir is en behooren onder Gelehn”. De voor- ”onder het goed ambacht der cremer”. Doch zijn ambts-
standers van een oudere oorsprong gaven aan die grenssteen periode was van korte duur. Hij kreeg onenigheid met de
op 10 juli 1991 een nieuwe plaats op Geleens gebied, juist Maastrichtenaren over de aanwezigheid van Waalse troepen
ten noorden van de brug over de autoweg <TsHKVGel 1991, 24>. in hun stad, en in verband daarmee vertrok hij reeds in het
In 1758 werd ook opgetekend, dat bij het kruispunt van de najaar van 1577 <PSHAL 1912, 4247. - McKenna, 31-38>.
Eijkgraaf, ”welken weg komt van Gelehn en loopt naar Arnold II Huyn overleed in 1579 en vond in de kerk van
Maastricht”, en de Trienestraat eveneens een grenspaal was Beek zijn laatste rustplaats. Zijn weduwe overleefde hem tot
gevonden, ”staande met den rugge naar ’t Hollants” <Msg 1969, 1612 en werd bij haar echtgenoot begraven <PSHAL 1877, 198;
63>. Circa 1700 schreven de landmeters Bollen, dat de 1880, 220 - Msg 1914, 23>.
”Coppelbergh” [ten oosten van Neerbeek] ”den Reijn maeckt
tusschen Spaubeek en Geleen” <GAG nr. 1>.
De Heren van Geleen uit het geslacht Huyn
Arnold II Huyn zou de eerste van vier naamgenoten zijn, die
achtereenvolgens ”Heer van Geleen” waren.
Arnold II of ”de jonge”,
eerste Heer van Geleen (1558-1579)
Ter onderscheiding van zijn gelijknamige vader, die als
Arnold I wordt aangeduid maar nooit Heer van Geleen was,
werd Arnold II ”der Jonghe Joncker Arndt Huyne van
Geleene”, ”Jonckhier Arndt Huyn van Geleen der Jong” en
”Aert Huyn den jongen” genoemd. Zelfs zijn zoon Arnold
III werd als ”Aert Huyn, zoon van Aert den jongen” vermeld
<Grauwels, OB, nrs. 680, 684, 688, 702 en 926. - PSHAL 1884, 282 en 431>.
Deze benaming kan gemakkelijk tot misverstand leiden. Zo
duidt de vermelding dat ”Aert Huyn den jongen, heer van
Geleen” in 1575 de heerlijkheid Geleen verhief <PSHAL 1884,
282> niet op een verheffing door Arnold III <Th. Beckers, 63>
maar door Arnold II.
In 1551 werd het huwelijkscontract van Arnold II Huyn en
Anna van Groesbeek, dochter van Johan van Groesbeek en
Bertha van Goer, opgesteld <AKB>. Gerard van Groesbeek,
broer van de bruid, werd bisschop van Luik en kardinaal. Na
hun huwelijk zijn zij blijkbaar op Sint-Jansgeleen komen
wonen. De fraaie gevelsteen uit 1571, die zich thans boven
154
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 155
Gebroken grafsteen van Arnold II Huyn van Geleen en zijn Arnold III, Willem of Johan Huyn, zoon van Arnold II Huyn
echtgenote Anna van Groesbeek, oorspronkelijk in het midden- van Geleen <Onbekende schilder, CLI>.
schip van de kerk van Beek - met de voeten naar het priester-
koor - thans in de rechter zijbeuk <Foto Holthuis>.
Arnold III Huyn, Heer van Geleen Strijd om het op een eiland gelegen kasteel te Wachtendonk (D.)
Het is niet duidelijk of Arnold III zijn vader reeds in 1579 tussen Staatse en Spaanse troepen circa 1600. Linksonder
als Heer van Geleen opvolgde, want enerzijds is in de verlaten krijgers van de verslagen partij het kasteeleiland via de
registers van het leenhof van Valkenburg niets over een toegevroren grachten <Gravure uit Orler, Nassausche Laurencranz, Leiden
verheffing van de heerlijkheid Geleen rond die tijd te 1617>.
vinden, terwijl anderzijds de verdeling van de vaderlijke
erfenis op 7 april 1585 de indruk geeft, dat zijn moeder
Anna van Groesbeek tot dan toe het beleid op zich had
genomen. Wel verhief hij in 1582 het kasteel van Sint-
Jansgeleen, dat hij evenwel pas bij de zojuist genoemde
deling als een deel van zijn erfenis kreeg toegewezen. Zijn
broer Jan ontving toen de heerlijkheid Eijsden.
In de periode 1579-1589 nam Arnold III Huyn, in dienst
van de Spaanse koning, aan het krijgstoneel in de streek van
Venlo-Straelen-Wachtendonk deel. In 1586 huwde hij met
Margaretha van Bocholt, die het pandschap van
Wachtendonk van haar vader Godart van Bocholt († 1577)
had geërfd. Op 22 augustus 1587 verbleven Arnold III en
zijn echtgenote te Sint-Jansgeleen, want Wachtendonk was
toen door Staatse troepen bezet. Na een beleg van drie
maanden werd die vesting op 20 december 1588 door
troepen van de koning van Spanje heroverd. Nadat de zwaar
155
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 156
beschadigde burcht was gerestaureerd, kon hij door het komstig Willem Huyns testament - op 8 maart 1594 door
jonge gezin Huyn worden betrokken. Arnold III Huyn in eigen naam verheven <PSHAL 1884, 289-
Gedurende de betrekkelijke rust van de volgende jaren werd 290>. Uit latere transacties blijkt, dat Anna van Groesbeek
het kindertal tot vijf uitgebreid. Na de oudste zoon Arnold mede-erfgename van haar zoon Willem was. Daarom nam
(IV) volgden Willem, Margaretha die jong stierf, Alexandra zij gedurende enige tijd haar intrek op het kasteel van
die in 1624 met Alexander van Vehlen zou huwen, en Amstenrade.
Godfried, die als landcommandeur van de Duitse Orde Ondanks de aanzienlijke uitbreiding van zijn gebied in het
(1634) en veldmaarschalk van de keizer (1639) de beroemd- Land van Valkenburg, bleef Arnold III Huyn met zijn gezin
ste telg van zijn geslacht zou worden <GGHvG>. te Wachtendonk wonen. Doch in het begin van 1600 zou
daar de huiselijke rust ernstig worden verstoord. In de nacht
van 22 op 23 januari 1600 kwamen Staatse troepen door
verraad geheel onverwacht binnen de stad en kort daarop
namen zij ook het kasteel in. De gewonde Arnold III Huyn
geraakte in krijgsgevangenschap, maar werd reeds spoedig in
vrijheid gesteld. De Staatsen hielden Wachtendonk gedurende
vijf jaren bezet. In oktober 1605 maakten Spaanse troepen
zich van die vesting meester en bleven haar in handen
houden. Bijgevolg kon de familie Huyn er sindsdien weer
ongehinderd verblijven.
Van 1591 tot 1638 was Arnold III Huyn ook drossaard van
het ambt Kriekenbeek. Op 30 april 1629 werd hij tevens
”ambtman” [= schout of drossaard] van het ambt Erkelenz
genoemd <GGHvG, 25-32>.
De heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum weer verkocht
(1606)
Op 1 februari 1606 werd ten overstaan van landcomman-
deur Edmond Huyn - uit de jongere Geleense tak - ”eene
Godfried, zoon van Arnold III Huyn van Geleen, land-
commandeur te Alden Biesen en keizerlijk veldmaarschalk <Foto
IB te ’s-Gravenhage>.
Arnold III Huyn ook Heer van Oirsbeek en Brunssum Eigentijds (door een onbekende) getekend portret van maar-
(1594) schalk Werner Huyn van Amstenrade, heer van Oirsbeek en
Op 1 april 1593 werden de pandschappen op de heerlijk- Brunssum (1606-1621) <RhWfD>.
heden Oirsbeek en Brunssum door Werner Huyn van
Amstenrade aan Willem Huyn, broer van Arnold III Huyn
van Geleen, verkocht. Omdat Willem toen in Spaanse krijgs-
dienst elders verbleef, trad zijn oudere broer Arnold (III) bij
die overdracht in diens naam op. Op 14 mei 1593 liet
Willem Huyn beide heerlijkheden te Valkenburg verheffen.
Doch nadat de nieuwe eigenaar reeds binnen het jaar was
komen te overlijden, werden die heerlijkheden - overeen-
156
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 157
erffelijcke ende onwederroepelijcke coop opgericht ende die erfenis waren gekomen, stelde Arnold III Huyn voor om
gesloten” tussen zijn broer Werner Huyn, ”ambtman” te dat bos te ruilen tegen o.a. de pandschappen op de heerlijk-
Brüggen (D.) en maarschalk van het hertogdom Gulik, als heden Geleen, Brunssum en Oirsbeek. Omdat de
koper, en Arnold III Huyn van Geleen, zijn echtgenote en pandschappen op de laatstgenoemde twee heerlijkheden
zijn moeder, als verkopers. De verkochte goederen beston- aan maarschalk Werner Huyn toebehoorden, zou deze bij
den uit het kasteel van Amstenrade met de daarbij behoren- een dergelijke regeling eveneens betrokken dienen te
de gronden, de molen van Kathagen met haar landerijen en worden.
beemden, en de pandschappen op de heerlijkheden Oirsbeek Op 9 en 10 maart 1609 kwamen ”dije Edele Heeren
en Brunssum. De verkoopsom bedroeg 39.000 gulden Arnouldt ende Werner beyde Huijnen van Anstenraedt ende
Brabants. Heeren respective tot Geleyn ende Ampstenrode” te Brussel
Omdat Anna van Groesbeek, de moeder van Arnold III overeen, dat de laatstgenoemde ”sal deel ende part hebben in
Huyn, zich op het kasteel van Amstenrade had gevestigd, de betaelinghe ende permutatie dije welcke dije voorscreven
kon de koper dit niet aanstonds betrekken. Daarom sloten Heere van Geleyn is doende metten Heeren van de finantien
maarschalk Werner Huyn en Arnold III Huyn op 21 mei in Brabant hem cederende [= afstaande] het bossche van
1606 een nieuwe overeenkomst, waarbij de interest die de (H)oudthulst”. Dit kwam hierop neer, dat de Heer van
verkoper op de hem overhandigde koopsom moest betalen Geleen bij die verkoop of ruil mede namens de Heer van
- zolang de koper niet in het daadwerkelijke bezit van Amstenrade zou optreden. Er werd tevens overeengekomen,
”t’huijs ende goederen van Amstenrode” zou zijn gesteld - dat de laatstgenoemde voor de aldus verkregen voordelen
werd vervangen door 1.000 vat rogge. aan Arnold III en diens echtgenote 10.000 gulden Brabants
Op 5 augustus 1606 had de overdracht van de pandschappen en 1.000 Philips daalders zou betalen, en aan Alexandrina,
op de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum aan maarschalk dochter van dit echtpaar, ofwel een paarlen ketting zou
Werner Huyn voor het leenhof van Valkenburg plaats. schenken ofwel 300 gulden ”promptelijck” zou over-
’s Anderendaags werd ook het kasteel van Amstenrade aan handigen <AKA, Charters, nr. 14>.
hem overgedragen. Daarop werd hij met die goederen Op 20 augustus 1609 vaardigden de aartshertogen Albrecht
beleend <AKA, Charters, nr. 14>. en Isabella, namens koning Filips III van Spanje, te Brussel
een oorkonde uit, waarin ze o.a. verklaarden, dat Arnold III
Ontwerp voor het kasteel van Amstenrade door J. Couven in Huyn en zijn echtgenote Margaretha van Bocholt het bos
1733 <AKB>. van Houthulst aan hen zouden afstaan en daarvoor de
volgende goederen en rechten ter compensatie zouden
Geleen, Oirsbeek en Brunssum in ”eigendom” aan Arnold ontvangen. Ten eerste zouden zij en hun erfgenamen 80
III (1609) [toen tot 78 geslonken] bunder land - ”respective gelegen in
Margaretha van Bocholt, echtgenote van Arnold III Huyn, vele en diverse stucken onder de voorss. Heerlicheyt van
en haar zuster Anna, die met Herman Hoen van Hoens- Geleen, Nyerbeecke en Beek” - in volle erfelijke eigendom
broek was getrouwd, hadden een ”bossche ende foreste” te verkrijgen. Verder zouden hun de tienden van de heerlijk-
Houthulst (B.) [niet Oudhulst] van hun vader Godart van heid Geleen en de banmolen van Sint-Jansgeleen met de
Bocholt geërfd. Deze laatste had dit bos in 1567 verkregen, daarbij behorende vijf dagwanden ”bempts of weije” - met
maar in 1574 had het aanleiding tot een proces met de de last van jaarlijks zestien malder rogge aan genoemd
koninklijke procureur-generaal gegeven. Nadat de zusters kasteel, tien malder rogge en tien malder gerst aan de
Margaretha en Anna in 1607 tot een onderling vergelijk over pastorie van Hoensbroek en een vat raapzaad aan de kerk van
Beek te leveren - in eigendom worden afgestaan.
Maar het voornaamste aspect van die transactie was de
opheffing van de pandschappen op de heerlijkheden Geleen,
Oirsbeek en Brunssum en de toekenning van die heerlijk-
heden in volle eigendom. Bovendien ontvingen Arnold III
en Margaretha de heerlijkheid Mheer en [de helft van] de
heerlijkheid Schinnen, met de daaraan verbonden rechten en
plichten, die tot dan toe eveneens verpand waren geweest, in
eigendom. Tenslotte werden hun twintig vat rogge uit de
erfpacht van Kemenade, een bedrag van 12.000 pond en nog
eens 1.000 pond als koopsom van een ring voor hun dochter
Alexandrina toegezegd.
Bij die transactie werd aan de heerlijkheid Geleen een zekere
prioriteit boven de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum
verleend, want Geleen zou voortaan bij het leenhof van
Brabant te Brussel moeten worden verheven, terwijl de beide
157
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 158
andere aan het leenhof te Valkenburg leenplichtig zouden gewenst de heerlijkheden Brunssum en Oirsbeek recht-
blijven. Als gevolg van deze regeling verhief Arnold III de streeks, d.w.z. zonder enige tussenpersoon, van de aarts-
heerlijkheid Geleen op 10 oktober 1609 te Brussel. hertogen te ontvangen. Op aandringen van vrienden en
Ook zou voortaan ”van den sententien [= gerechtelijke bloedverwanten kwam het op 21 mei 1610 tussen hem en
uitspraken] ende vonnissen” van Geleen uit niet langer in Arnold III Huyn tot een nieuw vergelijk. Daarbij stond de
beroep bij de hoofdbank te Meerssen worden gegaan, maar laatste de beide heerlijkheden volledig aan Werner en diens
zou dit rechtstreeks aan ”het Manhuijs ende leenhoff van nakomelingen af. Maar de regeling, die op 9/10 mei 1609 te
Valkenborch” geschieden. Vanuit de heerlijkheden Brunssum Brussel tussen hen was getroffen, werd nietig verklaard. In de
en Oirsbeek, die tot dan toe bij de hoofdbank Heerlen in plaats daarvan stond de maarschalk 42 bunder land uit de
beroep waren gegaan, zou men dit voortaan eveneens te hoeve van Amstenrade te Hulsberg aan de Heer van Geleen
Valkenburg doen, terwijl de heerlijkheden Mheer en af. Op 5 juni 1610 werden die overdrachten voor het leen-
Schinnen ”in hunnen ouden cours” zouden blijven. hof van Valkenburg geregeld; toen werden ook de heerlijk-
Toen maarschalk Werner Huyn vernam, dat hij in de heden Oirsbeek en Brunssum door Werner Huyn in eigen
oorkonde van 20 augustus 1609 niet als ”mede permutant” naam verheven <AKA, Charters, nr. 19>.
was vermeld, was hij hoogst verbolgen. Hij had immers Daarmee was de zaak echter nog niet helemaal in kannen en
kruiken. Vrouwe Anna van Groesbeek, de moeder van
Arnold III en Willem Huyn, bleek nog steeds niet gehaast te
zijn om het kasteel van Amstenrade ten behoeve van maar-
schalk Werner Huyn en zijn gezin te ontruimen. Daarom
werd enige weken later een deel van het akkoord van 21 mei
1606 opnieuw bevestigd.
Op 3 augustus 1610 verschenen ”de Edele Heeren Arnolt
ende Werner beijde Huijn van Amstenrodt, Heeren
respective van Geleyn ende Amstenrodt” voor de schepenen
van Amstenrade. De maarschalk verklaarde, dat hij de hem
toegezegde jaarlijkse 1.000 vat rogge gaarne aan vrouwe
Anna van Groesbeek wilde afstaan, mits zij hem aanstonds
het kasteel van Amstenrade zou laten betrekken. Arnold III
Huyn en zijn echtgenote, die namens haar optraden, gingen
daarmee akkoord <AKA, Charters nr. 20. - BronvB I, 13-23>. Intussen
had Arnold III Huyn op 9 juni 1610 de heerlijkheid Mheer
voor 3.000 gulden Brabants aan zijn familielid Winand van
Imstenrade verkocht.
Het moge enige verwondering wekken, dat Arnold III bij die
transactie ook de helft van Schinnen kreeg. De verdeling van
die heerlijkheid ging tot vóór 1381 terug. De ene helft kwam
toe aan de Heer van Schinnen, die op het kasteel Terborg
verbleef, terwijl de andere helft aan de Heer van Valkenburg
en later aan de hertog van Brabant en de koning van Spanje
toebehoorde. In november 1557 werd de tweede helft door
de koning aan jonker Jan Schellaert, Heer van Schinnen,
verpand. Aldus kwamen beide helften van de heerlijkheid
Schinnen weer in handen van dezelfde persoon. Maar in
1609 gaven de aartshertogen de ”andere” helft als eigendom
aan Arnold III Huyn. Toch bleef de Heer van Schinnen ook
daarna de beide helften besturen <PSHAL 1928, 265>.
De door Arnold III Huyn van Geleen geschonken doopvont te Arnold III Huyn ook nog Heer van Eijsden (1610-1618)
Wachtendonk (D.) <Foto J. Stoel>. De heerlijkheid Eijsden was om beurten aan Johan Huyn en
Maria Huyn, broer en zuster van Arnold III Huyn,
gekomen. In haar testament (13 april 1606) vermaakte
Maria Huyn deze heerlijkheid aan haar kinderen. Tevens
bepaalde zij toen, dat haar bezittingen in Luxemburg
verkocht dienden te worden om de op deze heerlijkheid
drukkende schulden te delgen.
158
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 159
Nadat zij in 1610 was overleden, droeg haar man, als voogd Wittenhorst en Josina van Malsen. Door dit huwelijk werd
over de kinderen, de heerlijkheid Eijsden tegen een bepaald hij Heer van Deurne, Broekhuizen en Rossum. Nog in
bedrag aan zijn zwager Arnold III Huyn over. Maar zijn datzelfde jaar stond zijn vader hem de heerlijkheid Geleen af;
kinderen deden hun oom, de Heer van Geleen, een proces zij werd op 29 november 1619 bij het leenhof te Valkenburg
aan. Zij verweten hem op slinkse wijze in het bezit van en op 10 februari 1620 bij het leenhof van Brabant te
Eijsden te zijn gekomen; volgens het testament van hun Brussel in zijn naam verheven.
moeder waren zij immers de wettige erfgenamen. De Volgens MCKENNA en TH. BECKERS zou Arnold IV keizerlijk
uitspraak van de Soevereine Raad van Brabant (1618) viel generaal zijn geweest <McKenna, 44. - Th. Beckers, 69>, maar geen van
ten gunste van de kinderen uit; bijgevolg moest Arnold III beide auteurs voerde enig bewijs aan. Gezien zijn overlijden op
Huyn van de heerlijkheid Eijsden afzien <Moes, 10-11>. jeugdige leeftijd lijkt dit trouwens weinig waarschijnlijk.
Op 15 februari 1620 werd hem door de Soevereine Raad van
De heerlijkheid Geleen andermaal verpand (1611) Brabant toestemming verleend om op de heerlijkheid
Arnold III Huyn zou zich niet lang in de volle en onbelaste Geleen als onderpand een bedrag van 2.800 gulden van
eigendom van de heerlijkheid Geleen verheugen. Hij schijnt Balthasar Bouts te lenen teneinde eenzelfde kapitaal aan
in geldverlegenheid te zijn geraakt, want op 24 maart 1611 vrouwe Clara Strogge te kunnen aflossen <AKA Charters nr. 23>.
verkocht hij een rente van 800 gulden voor 12.800 gulden Op 7 mei 1622 leende hij nog 8.000 gulden van jonker
aan Johan Maes, Heer van Hoepertingen (B.). Daarbij stelde Hendrik van Bronckhorst en stelde hij het kasteel van Sint-
hij de heerlijkheid Geleen als onderpand <AKA, Charters nrs. 21, Jansgeleen en de heerlijkheid Geleen als onderpand. Een
35-43>. gedeelte van de interest zou worden aangewend tot een
beurzenstichting aan de universiteit van Douai (F.) ten
voordele van zeven adellijke geslachten uit Brussel <AKA
Charters nrs. 41 en 47>.
Op 5 mei 1620 werd de oudste zoon Arnold Wolfgang
geboren. In 1623 volgde het zoontje Frans. Maar het
huwelijksgeluk zou niet van lange duur zijn. Arnold IV
Huyn overleed reeds op 2 maart 1624 te Deurne. Het is
mogelijk, dat hij aanvankelijk elders werd begraven, maar hij
vond zijn laatste rustplaats onder het koor van de kerk te
Geleen. Toen in 1640-1643 een geheel nieuw koor werd
gebouwd, werd rond zijn graf een kelder voor de familie
Huyn aangebracht. [Zie onder 5 van dit hoofdstuk.] De
doopvont met zijn initialen A H, het gevierendeelde wapen
Huyn van Geleen en het jaartal 1622, die door Arnold IV
Huyn werd geschonken, is te Oud-Geleen nog steeds in
gebruik.
Grafsteen van Arnold III Huyn van Geleen en Margaretha van
Bocholt in de kerk te Wachtendonk (D.) <Foto J. Stoel>.
Laatste rustplaats van Arnold III in de kerk van
Wachtendonk
Margaretha van Bocholt is op 22 juni 1634 overleden. Haar
echtgenoot Arnold III zou vóór 5 mei 1643 overlijden. Zij
werden beiden onder het priesterkoor van de parochiekerk te
Wachtendonk (D.) begraven. Hun gemeenschappelijke graf-
steen staat thans achteraan in de kerk naast de hoofdingang.
Arnold IV Huyn, Heer van Geleen (1619-1624) Bovenstuk van de door Arnold IV Huyn van Geleen in 1622
Arnold IV, de oudste zoon van Arnold III Huyn van Geleen geschonken doopvont in de kerk te Oud-Geleen <Foto door de
en Margaretha van Bocholt, trouwde op 5 februari 1619 in schrijver>.
de kerk van Wachtendonk met Margaretha-Wilhelmina van
Wittenhorst (*1604), erfdochter van Wolfgang Everart van
159
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 160
Arnold V Wolfgang Huyn, Heer van Geleen (1624-1668) oktober 1642 door schout Jan van den Stock in naam van
Op 9 september 1624 liet Margaretha-Wilhelmina van Arnold V Wolfgang Huyn te Valkenburg verheven. Dit was
Wittenhorst, weduwe van Arnold IV Huyn, de heerlijkheid eigenlijk overbodig, want de heerlijkheid Geleen moest niet
Geleen te Brussel in naam van haar zoontje Arnold V te Valkenburg doch te Brussel worden verheven, en daar had
Wolfgang verheffen. Pas ruim een jaar later, op 8 oktober die verheffing al op 9 september 1624 plaatsgehad. Op 2 mei
1625, liet zij Sint-Jansgeleen door Reinier Huntjens, ”stad- 1643, d.w.z. een jaar voordat zij met Arnold V Wolfgang Huyn
houder” [plaatsvervanger] en halfer aldaar, te Valkenburg van Geleen zou trouwen, liet Maria Huyn, die te Amsten-
”zoo voor haar als voor haren minderjarigen zoon Aert rade woonde, de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum in
Huyn” verheffen <PSHAL 1884, 432>. haar naam verheffen <PSHAL 1884, 290>.
Tot aan haar tweede huwelijk in 1630 schijnt zij het bestuur In 1643/44 ontving Arnold V Wolfgang Huyn van zijn oom
over de heerlijkheid Geleen te hebben waargenomen. Zowel Godfried Huyn het pandschap op de stad en de heerlijkheid
uit haar rol als weldoenster van de kerk van Geleen alsook uit Wachtendonk <AKA Charters nr. 25>. Op 20 juli 1649 loste hij de
haar optreden als doopgetuige aldaar op 13 maart 1627 en pandsom af en werd hij eigenaar. Volgens een document van
28 maart 1629, valt af te leiden dat ze geregeld op het kasteel 29 januari 1650 werden door de overheid te Brussel 12.000
van Sint-Jansgeleen verbleef. gulden Brabants uit dat bedrag aan de prins van Oranje
Pastoor Leurs duidde haar aan als Margareta Wilhelmina uitgekeerd, omdat hem die som op 25 december 1645,
Wittenhorst, Genovefa Domina de Geleen. Ofschoon Genovefa tijdens de voorbereidingen op de Vrede van Münster (1648),
een vrouwelijke voornaam is, werd die hier toch niet als was toegezegd <PSHAL 1884, 291>. Toen zijn broer Frans in
zodanig gebruikt, want niet alleen was dat geen van de voor- 1653 overleed, erfde Arnold V Wolfgang Huyn de heerlijk-
namen van de Vrouwe van Geleen, maar ook volgde hij op heid Horst, maar op 8 maart 1660 verkocht hij die aan
haar familienaam. Derhalve heeft pastoor Leurs blijkbaar Willem Vincent van Wittenhorst <Steffens, 84. - Ndms aug. 1931,
- juist zoals sommige latere auteurs - in de naam Genoveva 22>.
een combinatie gezien van gen [= geslacht] en veva [= vrouw]
en heeft hij dat woord hier als een soortnaam gebruikt om Zegels van Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen (links) en
daarmee - in combinatie met Domina [= Vrouwe] - haar rol Maria Huyn van Amstenrade (rechts) uit 1657. Beiden
als ”moederbestuurster” aan te duiden. voerden toen het gevierendeelde wapen <Foto’s W. Storcken>.
In 1630 trouwde zij met Karel Dirk van Pallant, Heer te
Breidenbandt (D.), Guliks maarschalk en geheimraad, De Geleense Huyns in de rijksgravenstand verheven (1640)
”ambtman” te Brüggen (D.). Zij schonk hem een dochter Wegens zijn grote verdiensten voor de keizer en voor de
Isabella Francisca, die trouwde met Bernard van Pallant, Katholieke Liga, werd veldmaarschalk Godfried Huyn van
Heer te Hamern en Eyll en ”ambtman” te Rheinberg (D.) Geleen op 5 juli 1640 door keizer Ferdinand III in de rijks-
<PSHAL 1880, 218>. In zijn testament verwees Arnold V gravenstand verheven. Diezelfde rang werd toen ook
Wolfgang Huyn naar haar als zijn ”soeur” [= zus]. Nadat verleend aan zijn zuster Alexandrina, aan zijn neven Arnold
zij in december 1642 andermaal weduwe was geworden, V Wolfgang en Frans, zonen van zijn overleden broer Arnold
keerde Margaretha-Wilhelmina van Wittenhorst naar haar IV, en aan de [eventuele] wettige mannelijke en vrouwelijke
geboortestreek terug. Op 10 juli 1654 is zij te Broekhuizen afstammelingen van de beide laatsten. Dat betekende echter
overleden <Msg 1933, 35-36>. Die heerlijkheid kwam toen aan geenszins, dat Godfried of Arnold V Wolfgang daarmee
haar zojuist genoemde oudste zoon Arnold V Wolfgang ”graaf van Geleen” zou zijn geworden, want aan de rang van
Huyn. rijksgraaf waren geen territoriale rechten verbonden.
Na 1630 werd het bestuur over de heerlijkheid Geleen waar- Volgens de benoemingsakte zou alleen graaf Godfried Huyn
schijnlijk gedurende enige jaren door de grootvader Arnold zich ”Hoch- und Wohlgeboren” mogen noemen, terwijl de
III Huyn overgenomen, want de jeugdige Heer van Geleen andere familieleden zich met ”Wohlgeboren” zouden
was toen nog maar tien jaar oud. Op 29 juli 1636 legde moeten tevreden stellen. Maar nadat de veldmaarschalk
Arnold III ”als grootvaeder en de inde qualiteyt aangeboeren
voormunder [= voogd] van onmundighe kinderen van wilen
zijnen alsten soon” [Arnold IV] een verklaring af, waarbij hij
tevens vermeldde, dat hij dit ”in afwesen des eerwerdigsten
ende wollgeboren heere landcommandeur”, d.w.z. zijn zoon
Godfried, deed <Steffens, 259-260>. Dit doet vermoeden, dat die
Godfried Huyn eveneens een hand in het toezicht op zijn
neven had. In 1638 volgde Arnold V Wolfgang Huyn zijn
grootvader Arnold III Huyn als drossaard van Kriekenbeek
op. Die functie zou hij tot 1664 blijven uitoefenen <Henrichs,
280>.
Merkwaardigerwijze werd de heerlijkheid Geleen op 17
160
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 161
daartegen had geprotesteerd - omdat hijzelf als ongehuwde dat kort nadien plaatshad - op 27 mei 1644 werd Maria
geen nakomelingen had en hij die titel gaarne permanent Huyn als de echtgenote van Arnold V Wolfgang Huyn van
aan zijn familie toegekend zou zien - werd ook aan zijn beide Geleen vermeld - staat noch te Amstenrade noch te Geleen
neven de titel ”Hoch- und Wohlgeboren” toegekend. Zijn geregistreerd. Uit deze unie van de oudere en de jongere
zus Alexandrina werd in dat verband echter niet genoemd Geleense takken van het geslacht Huyn werden op het kas-
<GGHvG, 97-101>. teel van Amstenrade twee dochters geboren, nl. Godefrida
Aangezien Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen bij zijn (ged. 26-2-1645) en Francisca Agnes (ged. 15-9-1647).
verheffing in de rijksgravenstand nog niet gehuwd was en in
de verheffingsoorkonde nergens naar de toekomstige echt-
genoten van Arnold en Frans werd verwezen, kan men zich
afvragen of Maria Huyn van Amstenrade, die na haar
huwelijk met Arnold V Wolfgang Huyn (1644) zowel
zichzelf ”gravin” noemde alsook door anderen met die titel
werd vereerd, louter wegens haar huwelijk aanspraak op
dezelfde rang en titel als haar echtgenoot kon maken dan wel
of zij zich die onwettig aanmatigde.
Hun onjuiste vermeldingen als ”graaf en gravin van Geleen”
voordat er sprake van een graafschap Geleen was (1654),
moeten echter aan anderen worden toegeschreven. Zo
werden zij op 19 mei 1649 door hun rentmeester niet geheel
accuraat aangeduid als ”Arnold Wolffgangk ende Maria
Graeve ende Gravinne von Huijn ende Geleen &c”. In akten
van 23 juni 1650 en 7 februari 1651 was eveneens sprake
van respectievelijk ”Arnold Wolfgang grave von Huyn ende
Geleen” en ”Wir Arnold Wolfgang, Graff von Huyn und
Geleen”, terwijl in een stuk uit 26 april 1651 zelfs ”Graff von
Geleen” staat. Men kan moeilijk veronderstellen, dat Arnold
V Wolfgang en/of zijn echtgenote die teksten hadden
opgesteld, want zij waren er zich ongetwijfeld wel van
bewust, dat die titel onder de rijksgravenstand viel. De graaf
zelf tekende trouwens geheel accuraat op 23 juni 1650 als
”Arnoldt grave von Huyn zu Geleen” en op 26 april 1651 als
”Arnold, Graff von Huyn zu Geleen”.
Het hier door Arnold V Wolfgang Huyn en ook door zijn
oom landcommandeur Godfried Huyn soms gebruikte
voorzetsel van, von [Duits] of de [Frans], dat geen onderdeel
van de oorspronkelijke familienaam was, werd wellicht in
navolging van andere grafelijke families ingelast.
Handtekeningen van Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen en
Maria Huyn van Amstenrade uit 1657 <Foto G.H. Maassen>.
De oudere en de jongere Geleense takken Huyn verenigd
(1644)
Op 15 maart 1644 sloten Arnold V Wolfgang van Geleen en
Maria Huyn van Amstenrade, die sedert 1643 Vrouwe van
de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum was, op het kasteel
Honstorff in het Gulikse een huwelijkscontract. Het huwelijk,
161
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 162
De oudere Geleense tak van het geslacht Huyn
Gerard Huyn van Amstenrade
∞
Agnes van Printhagen
Arnold I † ca. 1553 Caspar
(1) ∞ ca. 1517 [Stichter van de jongere
Geleense tak der Huyns]
Catharina van den Bongard
(2) ∞ ca. 1524
Henrica (van) Maschereil
Catharina (?) Agnes † 1604 Arnold II † 1579 Maria
∞ 1558-1579: Heer van Geleen ∞
1559-1579: Heer van Eijsden
Gerard van Gouverneur van Overmaas Arnold Schenck
Imstenrade van Nijdeggen
Heer te Mheer ∞ Heer te Hellenrade
† 1572 Anna van Groesbeek † 1612
1579-1582: Vrouwe van Geleen (? )
1579-1585: Vrouwe van Eijsden (?)
Arnold III † 1643 Willem † 1593/94 Johan Agnes Maria † 1610
1582(?)-1619: Heer 1593: 1571: ∞ ∞ ca. 1590
kanunnik te Luik
van Geleen Heer van 1585: N. van Hyll Jean-Guillaume
1594-1606: Heer van Oirsbeek Heer van Eijsden (Heil) de la
Oirsbeek en Brunssum
en ∞ Margelle
∞ 1586 Brunssum
Margaretha van Bocholt Margaretha van Raesfeld
2 zonen
Arnold IV † 1624 Willem † 1647 Margaretha Alexandr(in)a † 1654 Godfried † 1657
† 1596 ∞ (1) 1624 1632: Lid v.d. Duitse Orde
1619-1624: 1613: kanunnik
Alexander van Vehlen 1634: Landcommandeur
Heer van te Luik (1599-1675) 1639: Veldmaarschalk
(2) ∞ 1640: Rijksgraaf
Geleen etc.
Anna Magdalena
∞ (1) 1619 von Bentheim
MargarethaWilhelmina
van Wittenhorst (2) ∞ K.D. van Pallant
Arnold V (1620-1668) Frans (1623-1653)
1624-1668: Heer van Geleen 1639-1653: Heer van Horst
1640: Rijksgraaf 1640: Rijksgraaf
1654-1668: Graaf van Geleen ∞
∞ 1644 Johanne Charlotte
Maria Huyn van Amstenrade (Catharina ?)
de la Margelle
(1610-1673)
Godefrida (1645-1667) Francisca * 1647 Kinderloos
∞ 1665 Religieuze te Aken
Karel Theodoor Otto van Salm
162
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 163
2. Het dagelijks bestuur dagelijks bestuur waarnam en ook als voorzitter van de
van de heerlijkheid Geleen schepenbank optrad. Als zodanig zette hij de taak van de
vroegere voogd, die de plaatsvervanger van de Heer van
De eerste Heren van Geleen blijken het dagelijks bestuur van Valkenburg was geweest, voort. Ten oosten van de Maas
hun gebied persoonlijk te hebben uitgeoefend. Doch hun werd die functionaris doorgaans ”schoutet, schout of
opvolgers waren vaak afwezig en lieten het bestuur aan de scholtis” [Duits: Schultheiß] genoemd. In de verheffings-
door hen aangestelde schout, schepenen en secretaris over. oorkonde van Eijsden was enkel van ”schoutet” sprake
<PSHAL 1884, 331>, terwijl men in de verheffingsoorkonde van
Schepenzegel van Geleen (middellijn 3,7 cm) aan een Brunssum leest: ”aldaer te stellen meyer, schoutet, scepenen
perkamenten brief van 19 mei 1563 <Foto L. Genders>. De schepe- ende andere officiers” <Moonen, 549 en 552>.
nen spreken van ”onsen schepen amptz segel der herlicheit ende Zoals gezegd, hebben de eerste Heren van Geleen dit ambt
denckbanck Opgeleyn”. De beide figuren zijn de patroonheili- geruime tijd zelf waargenomen. Op 14 juni 1561 noteerde
gen; bij de linkse figuur staat PETER en bij de rechtse MAR- de Geleense secretaris Sander van den Hove, dat ”der scholtis
CELLIJN. Andere auteurs schreven ten onrechte dat de tekst Ardt Huijn, natus [= geboren] Anstenrade” als ”peteren”
S(IGILLUM) SCAB(INORUM) IN GELEEN (= Zegel van [= peetoom] van een van zijn kinderen was opgetreden
de schepenen in Geleen) zou luiden <PSHAL 1898, 135>. <PSHAL 1898, 330>. Het betrof hier Arnold II. Ook diens zoon
Arnold III blijkt aanvankelijk de functie van schout zelf te
hebben vervuld, want diezelfde secretaris noteerde in 1581,
dat het wegenonderzoek in het dorp Spaubeek in dat jaar
had plaatsgehad door ”den scholtis Ardt Huyn natus
Amstenraedt ende schepenen van Opgeleen” <Msg 1911, 35>.
Toen Arnold III - na zijn huwelijk met Margaretha van
Bocholt - zich min of meer permanent in Wachtendonk
vestigde, liet hij het dagelijks bestuur van de heerlijkheid
Geleen aan een schout over. Als zodanig kwam de in
Vaesrade wonende Martin Snijders o.a. tussen 1596 en 1636
voor; hij was tevens schout te Amstenrade, d.w.z. in de
heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum. Aangezien hij in 1594
als gevolmachtigde van Arnold III Huyn optrad, was hij ook
toen wellicht reeds schout. Op 11 februari 1636 maakte hij
zijn testament <PSHAL 180, 133-135>. Zijn opvolger was Michael
Penris, die o.a. in 1642 als zodanig fungeerde.
In een later document staat, dat Jan van den Stock ”t’sedert
den jare 1641 oft 1642” als ”Officier tot Geleen” in functie
was geweest <Deductie, 17>. Gezien het feit, dat Michael Penris
in 1642 nog schout was, zal hier het jaar 1641 wel niet in
aanmerking komen. Jan van den Stock werd o.a. in 1643 en
1650 als scholtis van Geleen vermeld <PSHAL 1878, 492>. Reeds
in 1653, d.w.z. vóór de verheffing van de heerlijkheid Geleen
tot graafschap, zou hij als ”drossaard” worden aangeduid.
Het woord ”sjoute” is in het plaatselijk dialect nog generaties
lang in een weinig vleiende betekenis blijven voortleven.
Men hoorde vroeger nogal eens de uitdrukking: ”Dat is
mich eine sjoute! ”
De meier, schoutet, schout of scholtis De secretaris
In de verheffingsoorkonde van 1558 kwam o.a. de volgende Deze functionaris was geen persoonlijke secretaris van de
passage voor: ”Sal oyck die voirsz. Aerdt Huyn vande voirsz. Heer of van de schout maar stond in dienst van de schepen-
heerlicheyt van Opgeleyn ende gehuchte van Spaubeke bank. Hij moest alle schrijfwerk verzorgen, vooral het
moegen maken een bancke ende aldaer stellen alle officiers, verslaan van de zittingen van die bank en het bijhouden van
meyer, schepenen, dieners, preters [= veld- en boswachters] de ”gichtboeken”, waarin eigendomsoverdrachten werden
ende andere daer nootelyck wesende, gelyck wy aldaer tot geregistreerd. Hij werd ook griffier genoemd.
hiertoe gedaen hebben...” Na de verheffing van Geleen tot heerlijkheid bleef Sander of
Met meyer of meier [Latijn: major] werd in deze Brabantse Alexander van den Hove dit ambt bekleden; in 1581 trad
oorkonde de plaatsvervanger van de Heer aangeduid, die het hij nog steeds als zodanig op. Hij was ook in astrologie
163
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 164
geïnteresseerd, want tussen 3. Kroniek van 1558 tot 1654
31 augustus 1549 en 14 De geschiedenis van de heerlijkheid Geleen zou bijna geheel
in de schaduw van de Tachtigjarige Oorlog en zijn nasleep
juni 1561 noteerde hij bij staan. De maatregelen van de in Spanje verblijvende koning
Filips II lokten in zijn Nederlandse gewesten zoveel weer-
de geboorte van zijn vijf stand uit, dat in 1566 al een opstand plaatshad en in 1568
een oorlog uitbrak, die elders in de Nederlanden 80 jaren
kinderen telkens de con- zou duren maar in deze contreien 93 jaren zou aanslepen,
omdat na het sluiten van de vrede van Münster (1648) de
stellatie van de planeten en rivaliteit tussen Spanje en de Generale Staten in de Landen
van Overmaas nog dertien jaar zou duren alvorens in 1661
de stand van de zon in de het Partagetraktaat zou worden gesloten.
dierenriem <PSHAL 1898, Parochie Geleen bij bisdom Roermond
(1559-1561-1569)
330>.
In de pauselijke bul Super universi van 12 mei 1559 werd een
Ondertekening door de Geleense Vermoedelijk was zijn nieuwe kerkelijke indeling van de Nederlanden aangekon-
digd. In de daarop aansluitende breve Regimini universalis
secretaris Sander van den Hove schoonzoon Willem Hamers van 7 augustus 1561 werd de eerste bisschop van het nieuwe
bisdom Roermond benoemd. In 1569 werd de parochie
van een document uit 1546 zijn onmiddellijke opvolger. Geleen van de, tot het bisdom Luik behorende, ”christiani-
teyt” [= dekenaat] van Susteren gescheiden en bij het
<LvO nr. 1234>. In 1625 en 1627 treffen we nieuwe, tot het bisdom Roermond behorende, dekenaat
Valkenburg gevoegd <Habets 1890, 3349>.
Mathijs Mutzenich, halfer
op de grote hoeve van Lutterade, als secretaris aan <PSHAL
1884, 427>. Hij bleef die functie tot 1632 waarnemen; toen
verhuisde hij met zijn vrouw Maria Alarts uit Sibbe naar het
huis de Bongard te St.-Maartensvoeren.
Wapen (St.-Andrieskruis) van het geslacht Van Hove; spreuk: Maatregelen tegen diefstal in veld en boomgaard
IN AULA AULICE (= ”Hoffelijk ten hove”) <Hove>. (1563)
Zijn opvolger Clemens van Nierbeeck, zoon van Merten van Wegens de dagelijkse klachten van Geleners, die ”mit groten
Nierbeeck en Liesken Penris, was waarschijnlijk op de hoeve angst, arbeit ende surgen [= zorgen] hoen broot suerlich
van Sint-Jansgeleen geboren. Nadat hij uit het leger van de moeten wennen [= winnen]” tegen de ”differie [= dieverij],
Duitse keizer, waarin hij als luitenant-kapitein had gediend, daer mit den gemeijnen [= gewone] man groetlich bij dach
naar zijn geboorteplaats was teruggekeerd, fungeerde hij o.a. ende nachten verhindert ende sijn goet afhendig [= afhan-
in 1635 en 1640 als secretaris. Hij volgde zijn vader als dig] gemaect wordt”, werden in 1563 door de schepenen,
pachter van een deel van de hoeve Stucken op. Op 17 ”mit raede ende consent ons here Arndt [Huyn van]
september 1656 maakte hij zijn testament en twee dagen Amstenraede Here tot Geleen”, maatregelen genomen om
later overleed hij <Kw. Eys. - PSHAL 1898, 330>. Reeds in 1643 was dit te beletten. Zij besloten ”schutboden”, d.w.z. veld-
Willem Meys secretaris van de heerlijkheid Geleen. wachters, aan te stellen om toe te zien, dat niemand zijn
schapen of koeien door de veldgewassen van een ander zou
drijven, ofwel deze laatste met ”cruijen en plucken” zou
schaden. Ook moesten zij toezicht houden op de boom-
gaarden om te voorkomen dat fruit zou worden gestolen of
heggen zouden worden geruïneerd. Mocht een dief nog
minderjarig zijn, dan zouden ”die elders [= ouders] den last
des kindts dragen” <LvO nr. 1307. - Russel 1860, 47-48>.
De Heer van Geleen en het verbond der edelen
(1565/66)
Ontstemd over de weinig tactische bestuurspraktijken, die
de koning door zijn plaatsvervangster in de Nederlanden liet
uitvoeren, sloten de edelen in december 1565 een verbond
om verzachting van de plakkaten te verkrijgen. Ook Arnold
164
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 165
II Huyn van Geleen sloot zich daarbij aan. Toen het op 5 twintigste penning werden nooit geïnd, terwijl het Land van
april 1566 aan de landvoogdes aangeboden smeekschrift Valkenburg de honderdste penning kon afkopen. Arnold II
zonder antwoord bleef, had in juli 1566 te Sint-Truiden een Huyn van Geleen werd lid van de in 1570 opgerichte
nieuwe vergadering van edelen plaats, waar een nog verder- commissie, die gedurende vier achtereenvolgende jaren
gaand verzoekschrift werd opgesteld. De calvinistische inter- 22.000 gulden moest innen. De vier hoofdbanken moesten
pretaties van de daarop door de landvoogdes gegeven vage daarvan 14.666 gulden, dertien stuiver en één oort leveren.
beloften leidden mede tot de beeldenstorm. En dit laatste De rest van het geëiste bedrag moest door leengoederen
versterkte de positie van de landvoogdes, omdat veel worden opgebracht. Onder Geleen werden o.a. de volgende
gematigde katholieken haar zijde kozen, zodat zij met hun leengoederen aangeslagen: het Mutzenichleen alias
medewerking orde en rust kon herstellen. Evenals vele Heimstenrade (22 gld., 2 st.), de Hanenhof, de molen van
andere edelen van deze streek legden ook Arnold II Huyn Daniken (48 gld.), de hoeve Kemenade (45 gld.), de hoeve
van Geleen en zijn verwant Werner Huyn van Amstenrade Ten Eijsden (44 gld., 8 st.) en de leenhoeve Krawinkel (48
op 10 januari 1567 de eed van trouw aan de koning af gld.) <Slanghen 1859, 19-24>.
<LimVerl II, 142. - Msg 1982, 68-87>.
Nieuwe inval door de graven van Nassau (1574)
Belasting op geestelijke goederen (1567)
Ofschoon de invallen, die de gebroeders Van Nassau in 1568
In 1567 legde Filips II een schatting van 8.000 gulden en 1572 in de Landen van Overmaas hadden gedaan,
Brabants op geestelijke renten en goederen. De beneficiant mislukt waren, waagden zij het een derde keer. Op 21
van het Onze-Lieve-Vrouwealtaar te Geleen moest tien februari 1574 verschenen Lodewijk en Hendrik van Nassau
gulden en tien stuiver betalen en die van het Sint-Nicolaas- met 6.000 man infanterie en 3.000 ruiters in het Land van
altaar twee gulden en tien stuiver. Misschien was de bijdrage Valkenburg en bezetten zij de kastelen van Valkenburg en
van de pastoor inbegrepen in de 38 gulden en zes stuiver, die Amstenrade en andere adellijke huizen <LimVerl II, 157>.
de abt van Steinfeld moest leveren <Slanghen 1859, 86-89>. Doch ook nu bleek Maastricht voor hen onneembaar te zijn;
daarom besloten de aanvoerders hun krijgsgeluk verder
Aardbeving (14 mei 1569) noordwaarts te zoeken. Op 6 april 1574 bevond zich reeds
een onderdeel van hun leger te Geleen en op 9 april liet graaf
De Geleense secretaris Sander van den Hove noteerde in Lodewijk het gros van zijn krijgers hier halt houden om de
1569: ”Opten Saterdach, nemplich [= namelijk] den 14den verspreide troepen samen te trekken. ’s Anderendaags
may, anno negen ende zestich, omtrent drie uren, nae midt vertrok het hele leger in noordelijke richting. Een paar dagen
nacht, ist Ertbevinge gewest. Godt geeff ons zyn genade ende later werd het door de Spaanse troepen in de slag op de
bermharticheit. Amen” <PSHAL 1898, 329>. Op diezelfde dag Mookerhei verpletterend verslagen. In die slag verloren
werd ook door tijdgenoten uit Leuven (B.), Weert, Erkelenz Lodewijk en Hendrik van Nassau het leven <PSHAL 1888, 262-
(D.) en Luik (B.) een aardbeving gemeld <Rummelen, 26>. 264; 1893, 171-195>.
Voortvluchtige Gelener door Alva’s Raad van Lastige militairen en besmettelijke ziekten
Beroerten gezocht (1569) (1574-1579)
Jan Penders van Geleen schaarde zich in 1567 - tezamen met Na de slag op de Mookerhei werden aan de Spaanse koning
een aantal streekgenoten - onder het vaandel van de getrouwe troepen onder het bevel van ritmeester Maarten
opstandige gebroeders Gijsbrecht en Dirk van Bronckhorst Schenck van Nijdeggen in het Land van Valkenburg
en trok met hun legertje uit Stein via Roermond naar gelegerd. Hun onderhoud drukte zwaar op de bevolking,
Vianen, om daar het leger van Hendrik van Brederode te maar het lukte voorlopig niet hen weg te loodsen. De Staten
gaan versterken. Doch de aanval op Amsterdam mislukte; de van het Land van Valkenburg klaagden, dat hun gebied van
aanvoerders raakten in gevangenschap en werden op 1 juni 1568 tot 1574 niet alleen door de troepen van de prins Van
1568 te Brussel onthoofd. Jan Penders wist te ontsnappen, Oranje en de gebroeders Van Nassau maar ook door het
maar zijn naam werd gezet op de lijst van 27 voortvluchtige leger van de koning van Spanje geplunderd, door brand-
personen, die op 8 september 1569 te Brussel door de Raad stichtingen verwoest en helemaal uitgeteerd was <Slanghen 1865,
van Beroerten of ”bloedraad” waren veroordeeld <Simonis, 74 en 57>.
106-107. - LimVerl II, 142-143>. Begin 1575 stuurde Arnold II Huyn van Geleen, als
drossaard van het Land van Valkenburg, zijn ondervoogd
Nieuwe belastingen (1570) naar Brussel om daar over het vertrek van de ruiterij van
Maarten Schenck van Nijdeggen te onderhandelen. In zijn
Alva trachtte de belastingen van de tiende, twintigste en brief van 29 januari 1575 aan landvoogd Requesens
honderdste penning in te voeren. Maar de tiende en de verklaarde hij, dat de dorpelingen bij de komst van die
165
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 166
troepen door zo’n grote schrik werden bevangen, dat het veel kiezen van de zijde der opstandelingen o.a. de hoeve Ten
moeite kostte om hen te overreden niet uit hun huizen te Eijsden met 50 à 60 [gedeeltelijk onder Schinnen gelegen]
vluchten <Granvelle V, 552>. bunder land ontnomen <LimLe 1961, nr. 4, 58. - RAB, CdC nr. 18702>.
Zoals dit in de loop der geschiedenis vaker gebeurd is, ging Gedurende het eerste jaar kon de pacht echter niet worden
ook toen de aanwezigheid van vreemd krijgsvolk gepaard geïnd, omdat de halfer die reeds aan de onteigende bezitster
met het uitbreken van dodelijke epidemieën. Aangezien in had geleverd. Doch ook die hoeve werd blijkbaar terug-
1574/75 te Luik, Maastricht, Sittard en Roermond veel gegeven of teruggekocht, want in 1613 ging ze door erfenis
mensen aan besmettelijke ziekten stierven <BSVAH 1937-38, 98. - over op Adriaan van Hoensbroek, wiens moeder een Van
RRM inv nr. 79, fol. 26, 40 en 41. - DunckPot, 15. - Nav. 1937, 169-170>, werd Boedberg was <Hoensbroek, 272>.
waarschijnlijk ook menige Gelener het slachtoffer van die
epidemieën.
Ook in 1577-1579 heerste er zowel in het Land van Luik
- waarbij het vroegere graafschap Loon [= Belgisch Limburg]
was inbegrepen - als in het hertogdom Gulik zo’n felle
epidemie, dat er nauwelijks iemand kon worden gevonden
om de veldvruchten te oogsten <IG nr. 202 (juli-aug. 1979), 250-251.
- HKJ 1961, 139. - Msg. 1979, 159>. Het valt dan ook te vrezen, dat
die plaag al evenmin aan onze streken zal zijn voorbijgegaan.
Confiscatie van goederen van ”opstandige” Spaanse ruiters, musketiers en piekeniers <Gravure door J. van Velde
Geleners (1581/82) naar J. Maertsen de jonge in de Historisch Topographische Atlas, GAM nr. 1653>.
Een van de straffen voor opstandigheid tegen de overheid Onderhoud van Spaanse troepen (1584-1602)
was verbeurdverklaring van eigendommen. Ook het aandeel
van vijf jeugdige Geleense ”opstandelingen” in hun ouderlijk Nadat de openbare rust in het Land van Valkenburg was
erfgoed werd verbeurdverklaard; maar uit niets blijkt, dat zij teruggekeerd, bleven er Spaanse troepen gelegerd. Zo werden
gearresteerd werden of voortvluchtig waren. Tussen 1 in maart 1584 door de Geleners bijdragen geleverd voor het
oktober 1581 en 30 september 1582 zagen de volgende onderhoud van de Spanjaarden, die met hun paarden te
Geleners hun goederen geconfisqueerd: Dierick, de zoon van Heerlen lagen. In datzelfde en de twee volgende jaren
Lemmen Luytens te Lutterade: de helft van een huisje met moesten geldelijke bijdragen en leveringen van ”Hoy ende
een daarachter gelegen ”coolhoffken”; de zoon van Theus Stroy” worden gedaan aan Spaanse troepen, die bij Venlo
Conincx op de Pesch: de helft van een huisje, waarin toen waren gelegerd.
zijn broer Herman woonde, met het daarbij behorende Ook in januari 1587 was er sprake van het onderhoud van
tuintje; de dochter van Heinken, smid te Lutterade: het Spaanse troepen. In april en mei 1587 werden bijdragen
vierde deel van een huis met erf ter grootte van een morgen geleverd voor ”den onderhaelt [= onderhoud] der
en het vierde deel van diverse stukken akkerland, groot Spaignaerden tegenwoordich by ons [= in Geleen] offt int
tezamen ongeveer een half bunder; Herman, zoon van landt Valckenborgh ligghende”, die onder het bevel stonden
Severeyn Binckens: de helft van een huis met een daarachter van Don Octavio d’Arragon. In januari en februari 1588
gelegen morgen weide, een halve morgen land te Lutterade moesten de Geleners een ”vaene” [= compagnie] ruiters te
en een morgen land in ”de Viscorff” [bij de Linde in de Valkenburg van het nodige voorzien. In juni d.a.v. werden
Bovenste Dorpstraat]; Arnold, zoon van Jan Beltgens: een de bijdragen bepaald voor het onderhoud van vier compag-
vierde deel van een huis met een morgen weide aan de nieën lichte paarden, die gedurende ruim anderhalf jaar in
Peschstraat. Gedurende het eerstvolgende jaar werd van drie het Land van Valkenburg zouden verblijven. Onder hen
van die onroerende goederen geen opbrengst in de staatskas bevonden zich ook die van de bovengenoemde d’Arragon,
gestort, omdat ze onverhuurd of onverpacht bleven.
Daarnaast werd de Hanenhof, die aan Willem van Vlodrop
toebehoorde - evenals diens andere eigendommen - in 1581
door landvoogd Parma geconfisqueerd, omdat die edelman
de zijde van de opstandeling Willem van Oranje [de
Zwijger] had gekozen; in 1568 had hij hem geholpen met
zijn leger bij Stokkem de Maas over te steken <Limburg 1967,
116>. Doch na een beroep op de Duitse keizer kreeg hij zijn
bezittingen weer terug <PSHAL 1887, 106>.
Ook aan de weduwe en de kinderen van de Gelderse maar-
schalk Adriaan van Boedberg († 1568) werd wegens het
166
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 167
die in Geleen en omgeving waren gelegerd en zich daar in Kroatische troepen te Geleen (1623)
juli van dat jaar nog ophielden. Vanaf nieuwjaarsdag 1589
moesten gedurende 32 dagen leveringen worden gedaan aan In een document uit de zeventiende eeuw staat vermeld dat
Spaanse troepen, die te Heerlen lagen. En vanaf 22 augustus ”die Croaten onverwacht alsdoen (1623) tot Geleen zijn
van dat jaar moest een compagnie ruiters, die in deze regio ingevallen, ende hebben hun selver gelogeerd, ende alles
verbleef, gedurende ruim drie weken worden onderhouden verdestrueert [= vernield] ende berooft totte Kercke toe, al
<Deductie, 22, 23, 26 en 27. - LvO nrs. 1475-1486>. wat sy gevonden hebben”. Wegens de schade, die zij door de
Gedurende de volgende twaalf jaar ontbreken nadere ”inlogeringe van Croaten” hadden geleden, werd aan de
gegevens over leveringen of inkwartieringen. Maar in 1602 kinderen van de overleden halfer Peter Banens van de
werd het Land van Valkenburg weer vol voet- en paarden- Biesenhof een aanzienlijke reductie op de pacht verleend
volk uit het legerkorps van de Spaanse aanvoerder d’Arragon <Deductie, 73-74>.
gelegd. Ofschoon die militairen niet lang bleven en tot
ontzet van de stad Grave oprukten, beliepen de kosten van Nog steeds Spaanse troepen ingekwartierd
hun inkwartiering 45.000 gulden. Op 17 oktober 1602 (1627-1632)
moesten Geleen en Spaubeek daartoe respectievelijk 300 en
50 gulden bijdragen <Slanghen 1865, 8586>. In de jaren 1627/28 moesten door de Geleners nog steeds
leveringen ”tot onderhoudt van de Ruyters” worden gedaan.
Geen troepen op goederen van de Duitse Orde In 1629 lag cavalerie van Melchior de Brachemont te Geleen
legeren (1606) in garnizoen; deze troepen waren in dienst van Spanje.
Iedere eigenaar van landerijen was verplicht een hoeveelheid
In strijd met de traditie en de voorrechten van de Duitse haver voor hun paarden te leveren.
Orde werden in 1606 soldaten op de Biesenhof gelegerd. Bovendien moesten er geldelijke bijdragen worden gedaan.
Maar toen daartegen door de landcommandeur werd Op 21 oktober 1630 werd ”in presentie van Schouteth,
geprotesteerd, beloofden de schepenen van Geleen om het Schepenen ende gekosene Mannen [= burgemeesters] van
krijgsvolk van die hoeve te doen vertrekken en elders onder Geleen, op elck bunder soo leen als laet goedt geordon-
te brengen. Ook beloofden zij toen de bezittingen van de neert 32. stuyvers lopens gelt [= gangbare munt]”. Ook
Duitse Orde niet in de belastingen aan te slaan. Dat gold gedurende de daaropvolgende jaren hielden de gedwongen
echter niet voor de eigendommen van de ”halfwennen” betalingen en leveringen aan Spaanse troepen niet op
[= halwinnen, halfers of pachters] van die orde <NRhWfD <Deductie, 28-34. - LvO nr. 1469>.
Merg.Abg., St.Abg., nr. 14>.[Zie ook ”Kroniek” 1669-1687.]
Urmondenaren ka(a)pten boompjes van
Schoolhuis naast het kerkhof te Oud-Geleen Lutteraders (1629)
(1617)
Inwoners van Lutterade en Krawinkel waren ertoe over-
Op 9 november 1617 verklaarden de aartshertogen Albrecht gegaan om op delen van de Graetheide die vlak bij hun
en Isabella, die de koning van Spanje te Brussel vertegen- eigendommen aansloten, allerlei bomen te planten die zij als
woordigden, een verzoek van de schepenen van Geleen te hun privé-bezit beschouwden en waarvan zij de opbrengst
hebben ontvangen om hun toe te staan ongeveer een half aan hout en/of vruchten voor zich alleen reserveerden.
bunder gemeentegrond, dat buiten het kerspel lag en ”daer- Doch een paar jongelui van Urmond dachten daar blijkbaar
mede nijemandt vele en is gedient”, te verkopen en de anders over. Zich op de onverdeeldheid van de Graetheide
opbrengst te besteden aan de ”incoep van seker huijs ende beroepend, waren zij zo vermetel om met paard en wagen tot
plaetse gelegen vast aen den kerckhoff van Geleijn, om daer- vlak bij Lutterade te rijden en daar drie door Lutteraders
van te maecken een schoole, aldaer die jonghers van ’tselve geplante boompjes te kappen, die zij voor het inrichten van
dorp mochten geinstrueert worden ter eeren Godts”. een ”meispel” te Urmond wilden gebruiken. Toen sommige
Die transactie was reeds door de Heer en de Vrouwe van Lutteraders die aantasting bemerkten, zetten zij de dieven
Geleen goedgekeurd; derhalve hadden de schepenen nog achterna. Nadat zij hen hadden ingehaald, gaven zij hen een
slechts het ”consent” en ”octroij” van de aartshertogen nodig flinke afrossing en spanden zij hun paard uit, dat zij naar
om hun plan uit te voeren. Nadat hun rentmeester in het Lutterade meevoerden.
Land van Valkenburg een gunstig advies aan de Raad van De ”ambtman” van Born, onder wiens jurisdictie Urmond
Brabant had doen toekomen, willigden de aartshertogen dit viel, protesteerde tegen dit optreden, want volgens hem was
verzoek in <Msg 1919, 3-4>. In de plaatselijke archieven is echter de Graetheide niet alleen Guliks territoir maar was deze ook
over de uitvoering van dat plan niets te vinden; zelfs pastoor onverdeeld; derhalve waren de Urmondenaren in hun recht
Leurs maakt er geen melding van. geweest. De Lutteraders antwoordden, dat zij de jurisdictie
van Gulik niet erkenden en dat zij - evenals anderen dit
deden - hun aanplant op de heide zouden verdedigen.
167
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 168
De officiële uitspraak van 12 juli 1629 luidde, dat het naar het Duitse oorlogstoneel terug. Wij lezen, dat toen
meegenomen paard zou worden teruggegeven maar dat de ”desselfs krygsvolckeren het geheel Landt van Valckenborch
omgekapte boompjes niet naar Lutterade zouden worden totte Closters, Kercken, ende Casteelen incluys hebben
geretourneerd; doch anderzijds zouden de Urmondenaren geplundert ende gevioleert” <Deductie, 74>. Op 22 augustus
ook geen vergoeding voor hun opgelopen verwondingen 1632 moest Maastricht zich aan de Staatse troepen
ontvangen. Wel werd voorgeschreven, dat eenieder, die zich overgeven.
had misdragen, door de eigen autoriteiten moest worden
beboet. Voor de Lutteraders zal daar wel niet veel van zijn
terechtgekomen <HJLvZ 1986, 66-67>.
Een van de twee door pastoor Leurs in 1632 geschonken Op 23 augustus 1632 slaat prins Frederik Hendrik van
”wiewatesjbekskes” (met dat jaartal) onder de kerktoren te Oranje-Nassau vanaf een hoogte de uittocht van de verslagen
Oud-Geleen <Foto door de schrijver>. Spaanse troepen uit Maastricht gade <Gravure door J. van Velde naar
J. Maertsen de Jonge in de Historisch Topografische Atlas, GAM nr. 1653>.
De Maasveldtocht van prins Frederik Hendrik
(1632) Zware druk op de bevolking
Op 30 mei 1632 zette een Staats leger van bijna 30.000 man Het krijgsvolk had voor, tijdens en na het beleg van
zich vanuit Nijmegen in beweging om langs beide zijden van Maastricht zo’n grote ellende in het Land van Valkenburg
de Maas naar het zuiden te trekken. Na de vestingen Venlo, teweeggebracht, dat de Heer van Geulle naar Brussel en
Roermond en Stevensweert te hebben veroverd, rukte de Marten Snijders, schout van de heerlijkheden Geleen,
”stedendwinger” prins Frederik Hendrik via Maaseik langs Brunssum en Oirsbeek, naar Den Haag werden gestuurd om
de westzijde van de Maas op naar Maastricht, terwijl zijn vermindering van belasting te vragen.
onderaanvoerder graaf Otto van Styrum via Sittard, Geleen Toen zij met de boodschap terugkeerden, dat aan het Land
en Beek naar Wyck trok. Daar te Sittard een Spaans garni- van Valkenburg de opgelegde aanslag voor tien maanden was
zoen lag, werd die Gulikse plaats niet als neutraal gebied kwijtgescholden, werd door een aantal plaatsen daartegen
gerespecteerd en werd ze na een beschieting van drie uur geprotesteerd. Zij voerden aan, dat Amby, Itteren,
ingenomen. Te Beek werd door de infanterie twee dagen Borgharen, Bunde, Geulle, Meerssen, Berg en Bemelen niet
lang geplunderd; daar werd zelfs de kerk opengebroken. alleen met inkwartieringen van Staatse en Duitse soldaten
Ofschoon men dergelijke taferelen vermoedelijk ook voor overladen waren geweest, maar bovendien ontzaglijke schade
Geleen mag aannemen, staan daarover toch geen gegevens aan hun bezittingen, veestapel, bomen en vruchten hadden
ter beschikking. geleden, terwijl ook Oud-Valkenburg, Houthem, Klimmen,
Maastricht kon niet zo gemakkelijk worden overmeesterd; Nuth, Hulsberg Ulestraten, Schimmert, Beek en Geleen
daarom werd een beleg rond die vesting geslagen. In augus- door fourageren waren ”bedorven”, maar dat de overige
tus 1632 kwam de uit de Dertigjarige Oorlog zo befaamde dorpen minder hadden geleden en dus ook minder van de
Duitse generaal Pappenheim, op verzoek van de Spaanse verleende kwijtschelding dienden te profiteren. Dit protest
autoriteiten, een poging doen om de stad te ontzetten. Circa had tot gevolg, dat 2/3 van de vrijstelling over de zeventien
10 augustus 1632 was hij te Susteren, waar hij overnachtte protesterende plaatsen zou worden verdeeld en dat slechts
<PSHAL 1875, 321>. Van daaruit trok hij op Maastricht af. Toen 1/3 daarvan voor de overige plaatsen zou gelden <PSHAL 1878,
zijn pogingen tot ontzet mislukten, keerde hij met een leger
van 15.000 man door Meerssen, Beek, Geleen en Sittard
168
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 169
403; 1906, 341>. Doch ook daarmee was de ellende nog lang de volgende notitie [in het Latijn]: ”Op 29 oktober 1634
niet geleden, want ”Generael Graef Jan van Nassau inden heeft een Sittardse predikant in onze kerk voor het eerst en
jaere 1634 met een groot leger vast by Geleen is komen [daarna] op alle zon- en feestdagen een samenkomst met
camperen, hebbende desselfs krygsvolckeren alles met gewelt preek gehouden totdat hij op nieuwjaarsdag 1636
geruïneert ende genomen” <Deductie, 74>. wegbleef”. De gekrenkte pastoor voegde daar nog aan toe:
”Alwie het huis van een ander wederrechtelijk opeist, zal
Gereformeerde predikant treedt in Geleen op het doorgaans niet krijgen maar zelfs het zijne verliezen”.
(1634-1636) Daarmee heeft pastoor Leurs allicht niet zijn pastorie maar
de kerk bedoeld.
De soldaten van het Staatse leger werden door protestantse Het wegblijven van Latomus uit Geleen vanaf het einde van
predikanten op de voet gevolgd. De pogingen van deze 1635 was een rechtstreeks gevolg van het feit, dat de hertog
laatsten om de bewoners van de veroverde gebieden niet van Gulik had besloten om vanaf 29 december 1635 aan de
alleen van de koning van Spanje maar ook van de paus van gereformeerden vrije ”Religionsübung” toe te staan. Toch
Rome te ”bevrijden” zouden tot langdurige vervolgingen van keerden de gereformeerden in de loop van 1636 naar Geleen
de rooms-katholieke godsdienst en zijn bedienaars leiden. terug, want pastoor Leurs tekende [in het Latijn] aan: ”Het
Op 2 juni 1633 werd bekendgemaakt, dat de inwoners van altaar van de H. Eligius werd in 1636 door de calvinisten
de Landen van Overmaas verplicht waren alle gereformeerde geschonden” <Msg 1881, 593. - HJLvZ 1980, 65-69>.
feest- en biddagen te vieren.
In mei 1634 werd het eerste optreden van de gereformeerde Pastoor Leurs in ballingschap (1636-1639)
predikant Lambertus Latomus te Geleen vermeld. Deze
dominee stamde uit de Beierse Palts, had voorheen aan de Toen de Spaanse troepen, die het stadje Limburg [thans
Neder-Rijn en in Suriname gewerkt en verbleef sedert 1616 Limbourg (B.)] op 30 oktober 1635 en de vesting
te Dieden [Gld.]. Op 23 mei 1633 werd hij als predikant Valkenburg op 13 november 1635 op de Staatsen hadden
naar Wilre [het tegenwoordige Wolder] bij Maastricht heroverd, in de gebieden rond die plaatsen geen protestantse
gestuurd; tevens werd hij tot ”Sieckentrooster” onder de predikanten meer duldden, begonnen de Staatsen, overal
Maastrichtse gereformeerden aangesteld. Kort daarop werd waar hun troepen meester waren, een priesterjacht. Vóór het
hij op aandrang van het consistorie van Dordrecht als einde van het jaar 1636 waren alle pastoors van het Land van
”Bedienaar des Woords” te Geleen benoemd met de Valkenburg op de vlucht gejaagd of in de gevangenis
opdracht ook de protestantse gemeenschap van Sittard te geworpen. De losprijs van een priester werd op 500 tot
verzorgen. 1.000 gulden gesteld. Pastoor Leurs tekende [in het Latijn]
Daar uit geen enkel bekend document valt af te leiden, dat aan: ”Op 28 februari 1636 zijn wij in ballingschap
er toen te Geleen protestanten woonden, terwijl dit te gestuurd”. Hij hoefde echter niet ver weg te gaan, want zijn
Sittard wel het geval was, heeft Latomus zich toen waar- ouderlijk huis stond in Sittard. In het feit, dat hij tijdens de
schijnlijk in dat stadje gevestigd. Maar in het hertogdom jaren van zijn ballingschap [tempore exilij mei] o.a. de lijsten
Gulik was de vrije uitoefening van de protestantse gods- van de kerk- en armenrenten opnieuw te boek stelde en
dienst verboden. Bijgevolg belandde Latomus reeds in april nauwkeurig de grootte en de ligging van de belaste percelen
1634 in de gevangenis. Na zijn vrijkoping beperkte hij zijn opgaf, kan men wellicht een aanduiding zien, dat hij - waar-
godsdienstige functies voorlopig tot Geleen. Daar doopte hij schijnlijk met tussenpozen - heimelijk te Geleen verbleef.
op 1 mei 1634 het eerste kind volgens de gereformeerde Er bestaat ook een meer rechtstreekse getuigenis, dat pastoor
ritus. Het lijkt voor de hand te liggen, dat die dopeling niet Leurs tijdens zijn ballingschap te midden van zijn
te Geleen was geboren maar uit Sittard of van elders naar parochianen terugkeerde. In een Latijns stuk van kort na
Geleen was gebracht. Omdat die doop volgens W. BAX ”tot 1700 staat, dat Nicolaas Leurs, die eerst onderpastoor [vice-
ergernis van vele Katholieken” plaatshad <Bax II, 388>, pastor] en daarna pastoor was, vanaf het jaar 1635 wegens de
gebeurde dit waarschijnlijk in de kerk. vervolgingen in lekenkledij [in habitu sæculari] vermomd
Die ergernis werd nog aangewakkerd door het zeer strenge ging en er voor zorgde dat aan zijn schapen het woord Gods
plakkaat van 20 juni 1634 tegen de katholieken in de door werd meegedeeld en de sacramenten werden toegediend
de Staatse troepen bezette gebieden. Alle vroeger verleende <JPGL 1910, 85>. Soms boden de wisselende krijgskansen hem
vrijheden werden teruggenomen en gewapend krijgsvolk de gelegenheid om openlijk in Geleen te verschijnen.
werd naar de dorpen gestuurd om de geestelijkheid gevangen Ook hadden de bewoners van deze streken in september en
te nemen. Pastoor Leurs wist daar blijkbaar aan te oktober 1636 last van de krijgsman Willem Steyns,
ontkomen. bijgenaamd ”de Boerenvijand”, die met een bende Spaanse
In het najaar van 1634 werd door dominee Latomus voor soldaten uit de vesting Stevensweert de dorpen afstroopte
het eerst in de kerk van Geleen gepreekt en tot eind 1635 <Slanghen 1859, 107>. Rond half november 1636 lag een Spaans
zou hij dit geregeld blijven doen. Hij zal zijn gehoor wel van leger in de dorpen bij Sittard om kort daarna op te rukken
elders hebben meegebracht. Pastoor Leurs maakte hierover naar Valkenburg, dat op 11 november weer door de Staatse
169
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 170
troepen was ingenomen. Op 25 november viel die plaats genomen, dat nagenoeg alle (katholieke) Geleners verbolgen
andermaal in Spaanse handen. Doch het platteland bleef waren over het gebruik van hun parochiekerk door een
grotendeels onder de controle van de Staatse troepen. gereformeerde predikant, terwijl hun eigen herder in
Bijgevolg kon pastoor Leurs zijn pastorale functies te Geleen ballingschap verbleef, ligt een rol van een aantal Geleners bij
toen niet openlijk waarnemen. Daarvoor zou hij tot nieuw- de overval op Latomus zelfs min of meer voor de hand. In
jaarsdag 1639 moeten wachten; hij noteerde: ”Op 1 januari het zojuist genoemde ”memoriaal” van 23 oktober 1637
1639 zijn wij uit de ballingschap bevrijd” <HJLvZ 1980, 69-70>. stond trouwens dat de protestanten van Sittard te Geleen
”ergerlijk geplaagd werden”.
De ”confrontatie” in het veld tussen Oud-Geleen De Staten-Generaal namen dat voorval zeer hoog op. Zij
en Ophoven (1637) eisten genoegdoening van de abt van Godsdal [Val-Dieu],
die - tezamen met de abt van Kloosterrade [Rolduc] - de
Nadat op 29 augustus 1637 in het Gulikse de uitoefening hoogste geestelijke stand in de Landen van Overmaas
van de protestantse godsdienst andermaal was verboden, vertegenwoordigde. VANDEKERCKHOVE beweert dat zij die
kreeg Latomus op 1 september 1637 bevel ”op eene poene genoegdoening reeds in 1635 van abt Michel de Verviers
van 100 goltgulden inwendig 14 dagen uut Sittard te († 19-3-1639) eisten <Kerckhove, 184>, maar de vermelding
trecken”. Bijgevolg bleef hem praktisch geen andere keuze door RENIER dat dit pas na zijn gevangenschap van zestien
dan zich met zijn aanhangers weer naar de kerk van Geleen maanden (van februari 1636 tot oktober 1637) gebeurde
te begeven. Doch die ”kerkgang” werd steeds moeilijker. Op <Renier, 61>, past beter in de context van bekende feiten
23 oktober 1637 werd door de Sittardse protestanten aan de <Abshoven, 35-36>.
hertog van Gulik een ”memoriaal” aangeboden, waarin zij Wegens de gewelddadige inbezitneming van de kerk van
o.a. verklaarden, dat zij bij het ter kerke gaan in de dorpen, Geleen door de gereformeerden en de gelijktijdige balling-
met name in het nabije Geleen, ergerlijk geplaagd werden en schap van pastoor Leurs, is het beslist een verkeerde voor-
zelfs ”von spanischen Streifzügen oft ausgezogen” werden. stelling van zaken om de hierboven beschreven aanranding
Dit laatste was o.a. gebeurd ”wie sie dan als nach Geleen zur van die Sittardse dominee als ”een eenmalig incident” in een
predigt gangen, von einer hispanische partey ausgezogen” ”sfeer van algemene verdraagzaamheid” te presenteren
waren. <HerHoog, 14>. In het beklag zelf staat al, dat dit ”oft” [= vaak]
Zonder verdere context zou men daarin op het eerste gezicht gebeurde. Evenmin kan men volhouden, dat de weinige
slechts een beroving door rondzwervende Spaanse soldaten edicten van verdraagzaamheid, die door sommige auto-
kunnen zien <HerHoog 1987, 15>. Maar in een in het Frans riteiten werden uitgevaardigd, een reflectie van de houding
opgestelde brief, die de Staten-Generaal over dit incident aan van de bevolking zouden zijn geweest. Indien de bevolking
de abt van Godsdal [Val-Dieu, (B.)], stuurden, spraken een houding van verdraagzaamheid zou hebben vertoond,
dezen van beledigingen, berovingen en verwondingen door zouden die edicten van de overheid immers overbodig zijn
katholieken te Geleen aan ”hugenoten” [Franse naam voor geweest.
calvinisten] gepleegd. Daarbij beriepen zij zich op een edict De klacht door de Sittardse protestanten leidde tot een
van de Spaanse koning, waarin die in 1634 aan zijn soldaten mondelinge overeenkomst van tolerantie. Die kwam hierop
had verboden om de gereformeerden in het hertogdom neer, dat er in Sittard weer gepreekt mocht worden maar dat
Limburg slecht te behandelen <Renier 1865, 61>. Er werd dus dit niet met gezang mocht gepaard gaan. Latomus heeft er
uitdrukkelijk een godsdienstig motief voor die aanranding niet lang van geprofiteerd, want vóór nieuwjaar 1638 vertrok
opgegeven. hij uit Sittard om zich naar Maastricht te begeven. In maart
JOS. HABETS sprak in 1890 van ”hoon en diefstal, door de 1656 is hij in zijn vorige standplaats Wilre [Wolder] over-
inwoners van Geleen gepleegd jegens eenige Calvinisten, die leden <Msg 1881, 593 en 600. - JPGL XVII (1911), 296. - Geleen, 50-52. -
in dat dorp zich de kerk toegeëigend en daarin een predikant HKJLvZ 1980, 70-75>.
aangesteld hadden” <Habets 1890, 187>. Hier kan men echter
vermoeden, dat die auteur daarbij ten dele putte uit het Oprichting van de ”oude” schutterij (mei 1639)
verhaal, dat JOS. RUSSEL vóór 1860 te Geleen uit de volks-
mond had opgetekend, nl. dat die predikant aan ”het JOS. HABETS schreef: ”De schuttersgilden waren, sedert de
Lindje” - in het veld tussen Ophoven en Oud-Geleen - door opkomst van het Protestantismus in onze gewesten zeer in
sommige Geleners werd afgeranseld en hij daarna uit Geleen zwang gekomen. Zij hielden politie, wanneer zij daartoe
was weggebleven <Russel 1860, 67-68>. verzocht werden, en dienden desnoods, om de jaarlijksche
Dit verhaal zal wel een kern van waarheid bevatten, want het processie tegen de aanvallen der sectarissen en nieuw-
lijkt niet waarschijnlijk, dat die aanranding uitsluitend door gezinden te beschermen. Sedert de verovering van
Spaanse soldaten zou zijn gepleegd. Hoe zouden die Spaanse Maastricht en der landen van Overmaas door de Staatschen,
troepen immers de ”bezoekers” uit Sittard als ”protestanten” hadden zich deze gilden in de Spaansch gebleven dorpen
hebben kunnen identificeren, als Geleners ze niet als sterk vermeerderd” <Habets 1890, 381-382>.
zodanig zouden hebben aangewezen? Daar mag worden aan- Al moge die zienswijze misschien niet in alle opzichten op de
170
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 171
Vogel van de oude schutterij (1639) met drie kleine donateurs- zijn geweest, zou het voorzetsel ”van” hier niet zinvol zijn
plaatjes en een paar koningsplaten, thans in bezit van de Oud- geweest. Aan het einde van dat reglement staat eveneens: ”de
Geleense schutterij ”HH. Marcellinus en Petrus” <Foto RvdM>. voors. Companie van het Aertsbroederschap van de
Alderheyligste Drievuldigheit”. Ook werd in het eerste
in 1639 opgerichte Geleense schutterij van toepassing zijn, artikel uitdrukkelijk verklaard, dat men niet louter lid van
toch verschaft ze hiervoor een historische context. Volgens die schutterij kon worden, maar dat men zich eerst in die
een in verschillende versies overgeleverd document werd in geestelijke aartsbroederschap moest laten inschrijven.
mei 1639 door pastoor Leurs, met medewerking van Arnold Welnu, in samenhang met dat inschrijvingsformulier leiden
V Wolfgang Huyn, een ”Companie van het Aertsbroeder- al die teksten tot de conclusie, dat het getrouw lidmaatschap
schap van de Alderheyligste Drievuldigheit” opgericht. Die van de broederschap een voorwaarde was om tot de
”Companie” of schutterij mag niet met de ”Aertsbroeder- schutterij te worden toegelaten.
schap” zelf worden geïdentificeerd. Uit een zeventiende- Wel staat in de aanhef van het tweede artikel: ”is diese
eeuws gedrukt inschrijvingsformulier, waarop het doel, de broederschap opgericht”, maar daarmee werd hier kennelijk
voorgeschreven gebeden en de te verdienen aflaten van niet de wijdere geestelijke aartsbroederschap doch de
de Geleense ”Aertsbroederschap van de Alderheyligste schutterij bedoeld, want in dit en bijna alle volgende
Dryvuldigheyd” vermeld staan, blijkt immers dat elke artikelen is er praktisch alleen nog maar van activiteiten en
mannelijke of vrouwelijke parochiaan lid van die broeder- verplichtingen van de schutters sprake. Hun voornaamste
schap kon worden. Derhalve kan die ”Companie”, waartoe taak bestond erin, dat zij ”in alle gestigtigheijdt [= stichte-
slechts mannelijke leden behoorden, hoogstens een onder- lijkheid] met hun geweer en wapens sullen compareren op
deel van die geestelijke broederschap hebben uitgemaakt. den daegh van alderh. Dri(e)vuldigheijt [= de eerste zondag
Enige formuleringen in het ”Regelement en ordonnantiën na Pinksteren = kermiszondag] wie ouch op den dage van
[of: statuten] van de companie ende aertsbroederschap” sante Peteri et Marcellini patroni nostre ecclesie [= de patronen
versterken die zienswijze. Het feit, dat hier ”companie” aan van onze kerk: 2 juni] om als dan in alle eerbaerheijt met
”aertsbroederschap” voorafging, geeft reeds de indruk, dat hun geweer te conv(o)ijeren [= vergezellen] het alderheijlig-
het hier primair om een schutterij ging. In het eerste artikel ste sacrament des autaers, hetwelck als dan in de processie
staat trouwens de uitdrukking ”de Companie van het voor- woort omgedragen om alsoo te verho(e)den alle ongerech-
schreven Broederschap van de Alderheyligste Drievuldig- tigheijt en oneer die aen het selve door ketters ofte quade
heijdt”. Als ”companie” en ”broederschap” identiek zouden [= slechte] Christenen souden kunnen aengedaen worden”.
Ook valt op, dat in het reglement van de schutterij ieder
voorschrift tot het geregeld individueel opzeggen van
bepaalde gebeden ontbreekt. In tegenstelling hiermee werd
aan elk lid van de wijdere aartsbroederschap voorgeschreven
om dagelijks een aantal gebeden te verrichten. In het regle-
ment van de schutterij staat al evenmin iets over aflaten,
terwijl daaraan in het inschrijvingsformulier van de aarts-
broederschap een hele bladzijde wordt gewijd. Het is dan
ook duidelijk dat het reglement van 29 artikelen niet dat van
de broederschap zelf maar enkel van de binnen die
broederschap opgerichte schutterij was.
Verder dient te worden benadrukt, dat de oprichting van die
schutterij plaatshad kort nadat pastoor Leurs uit zijn [door
de gereformeerden opgelegde] ballingschap was terug-
gekeerd. Ook staat er uitdrukkelijk, dat de leden van de
schutterij het Allerheiligste tegen smaad door anders-
denkenden moeten beschermen. Het valt toch moeilijk te
ontkennen, dat met deze categorie de vooral sedert 1632 in
deze contreien optredende gereformeerden werden bedoeld.
De Heilige Eucharistie was [en is] immers een van de voor-
naamste verschil- en twistpunten tussen de calvinistische leer
en het rooms-katholieke geloof. Het feit, dat men het nodig
vond de processie met geweren te begeleiden, rechtvaardigt
dan ook deze interpretatie.
Tenslotte mag de rol van Arnold V Wolfgang Huyn, Heer
van Geleen, niet uit het oog worden verloren. Niet alleen
schonk hij aan de Geleense schutterij een vogel en een plaat,
171
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 172
maar ook doet het door hem geschonken ongedateerde a. b.
plaatje aan de vogel van de - blijkens de oude koningsplaat
in datzelfde jaar (1639) - te Spaubeek als de ”Broederschap c. d.
van den heyligen martelaar Sint Laurinsius [= Laurentius]”
opgerichte schutterij, ten sterkste vermoeden dat hij die Donateursplaatjes van de oude schutterij: (a) schets van het
vogel eveneens schonk <Msg. 1900, 29-31. - PSHAL 1937, 51-54>. Er verloren gegane maar uit beschrijvingen bekende plaatje van
valt dan ook moeilijk aan de indruk van een gemeen- pastoor C(laes) Leurs; (b) waarschijnlijk door Arnold V
schappelijke oorsprong van beide schutterijen onder dezelfde Wolfgang Huyn geschonken plaatje met het (verkeerde) wapen
wereldlijke Heer te ontkomen. De vraag is zelfs gewettigd of met hartschildje; (c) door W(illem) Maes geschonken plaatje
het allereerste initiatief tot oprichting van die schutterijen met zijn familiewapen; (d) in 1643 door H. K. geschonken
van de jeugdige Heer van Geleen was uitgegaan. plaatje.
Wegens het veelvuldig gebruik om in deze streken een
schutterij als ”broederschap” aan te duiden <PSHAL 1936, 2>, streek grote consternatie teweegbracht. Pastoor Leurs legde
lijkt het twijfelachtig, dat daarmee steeds een in hoofdzaak dit gebeuren in twee Latijnse tijdverzen vast: LVXIt qVarta
godsdienstige organisatie werd bedoeld. In elk geval gaf DIes VbI terra MoVetUr aprILIs, d.w.z. ”Toen de vierde dag
pastoor Leurs er de voorkeur aan om zijn schutterij als een van april (1640) begon te gloren, kwam de aarde in
onderdeel van een ”geestelijke broederschap” op te richten. beweging”, en DIe qVarta aprILIs annI bIsseXtILIs terra
Daartoe werd hij blijkbaar gemotiveerd door zijn wens om treMVIt et qVieVIt, d.w.z. ”Op de vierde april van het
een zekere voorselectie toe te passen en slechts mannen met schrikkeljaar (1640) beefde de aarde en kwam ze weer tot
een diepe geloofsovertuiging als beschermers van de H. rust”.
Sacramentsprocessie te kiezen. Zo’n processie, waarin het Voor het tweede tijdvers werd de pastoor blijkbaar geïn-
Allerheiligste werd meegedragen, werd door vroegere spireerd door het offertorium van de paasmis, waarin het
generaties ook ”Godsdracht” genoemd. volgende vers uit psalm 75 werd opgenomen: Terra tremuit
De nieuwe Geleense schutterij verschilde in opzet en doel et quievit dum resurgeret in judicio Deus, d.w.z. ”De aarde
van de vroegere stedelijke schutterijen, die veeleer ”burger- beefde en verstilde, toen God zich ten oordeel verhief”.
wachten” waren, en van sommige plattelandsschutterijen. Zo Secretaris Clemens van Nierbeeck tekende toen aan: ”Op
speelde de Sittardse schutterij een belangrijke rol in de den 4 Aprill 1640, smorgens omtrent vier uren isser eene
verdediging van die stad <Msg 1928, 5> en hielp de schutterij eerdbevinge geweest. Godt geve ons al tesamen syne
van Schinnen niet alleen bij het arresteren van plaatsgenoten barmherticheit, gnade ende vrolige offerstenting [= opstan-
en het transporteren van gevangenen, maar ook bij het ding] naer [= na] diesen leven” <PSHAL 1898, 330>.
verdedigen van die plaats tegen een inval van de patriotten Op grond van aantekeningen door andere tijdgenoten
in 1790 <PSHAL 1929, 125-126>. kunnen we ons enigszins indenken hoezeer de Geleners toen
Derhalve gaf JOS. EVERSEN een historisch onjuiste evaluatie, van streek moeten zijn geweest. Een inwoner van Gangelt
toen hij ten aanzien van de in 1639 opgerichte Geleense schreef, dat men daar de aardbeving ”mit grossen Schrecken”
schutterij beweerde: ”Deze schutterij moest de rust bewaren doorstaan had, terwijl men te Aken noteerde, ”dass der
in het dorp, helpen blusschen bij brand, tegenwoordig zijn grosse Gott am Mittwoch in der Char-Woche früh Morgens
bij ’t vangen van dieven en de processie van het H. um vier Uhren die ganze Stadt durch ein heftiges Erdbeben
Sacrament beschermen tegen de Hollandsche protestanten”
<Msg 1886, 61>. Ook de aanduiding van die schutterij als een
”half kerkelijk en half wereldlijk militiekorps” <Wouters, 324>
lijkt niet historisch verantwoord.
Ten aanzien van het geenszins zeldzame verschijnsel van ”aus
kirchlichen Bruderschaften” ontstane schutterijen merkte
REINTGES evenwel op, dat daaraan ”neue Aufgaben” werden
gegeven en ”ein neues, heterogenes, ihr ursprünglich nicht
wesensgemäßes Element” werd toegevoegd <Reintges, 324-326>.
Dat nieuwe element was klaarblijkelijk het godsdienstige
motief voor de oprichting van dergelijke schutterijen en de
daaruit voortvloeiende godsdienstige taak in hun optreden.
Geleners door aardbeving verontrust
(4 april 1640)
In de vroege morgen van 4 april 1640, op woensdag in de
Goede Week, had er een aardbeving plaats, die in de hele
172
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 173
in Schrecken und Zittern versetzte” <ZAG 1891, 188>. Een genegen zijn geweest, omdat onder dat koor zijn jong
inwoner van Keulen schreef, dat de ”erstaunliche Erd- gestorven broer Arnold IV Huyn († 1624) begraven lag.
bebung... ein gantz vatterunser [onzevader] lang” had Toen het werk, dat blijkbaar drie jaar in beslag had
geduurd <Annalen 1876, 154>, terwijl een Maastrichtenaar genomen, klaar was, werd de mei op het dak gestoken en
opmerkte, ”dat men anders niet en meende als te vergaen, werden de werklui door de pastoor op bier getrakteerd. Ook
daer was sulcke benautheit onder de mensen, dat sij over de noteerde Leurs toen het tijdvers: VIVat CoMes De hVyn
straeten liepen als dulle” [= gekken] <Msg 1902, 90>. Het VIVat Vt VIVat, welke heilwens in het Nederlands ongeveer
epicentrum van deze aardbeving lag in de omgeving van aldus kan worden weergegeven: ”[Lang] leve graaf Huyn, hij
Düren (D.) <Rummelen, 28>. moge [lang] leven, dat hij [lang] moge leven (1643)” <PAG nr.
Markt te Geleen (1640) 169>
In 1640 protesteerden de Maastrichtenaren, dat sommige
dorpen, waaronder ook Geleen, markt hielden. Vermoede-
lijk had dat protest betrekking op de uitbundige viering van
de beide feesten van Sint-Eloy [= Eligius], nl. op 25 juni en
1 december, te Geleen <Geleen, 52>.
Nieuw koor aan de parochiekerk te Geleen
(1640-1643)
In 1640 begon pastoor Leurs het oude koor van de parochie-
kerk door een nieuw te vervangen. Landcommandeur
Godfried Huyn van Geleen bleek bereid om de onkosten te
dekken; die edelman zal daartoe wellicht nog des te meer
Detail van de retabel in de sacristie te Oud-Geleen uit 1643.
De voorstelling boven het jaartal is waarschijnlijk het merk van
de vakman, die dit stuk vervaardigde <Foto Ad. Hoogenboom>.
Sacristiekast te Oud-Geleen met de jaartallen 1643 (midden- Geleens priester door soldaten gedood
onder) en 1646 (middenboven) <Foto RvdMz>. (april 1642)
De te Geleen geboren priester Frans Leurs, een oomzegger
[nepos] van pastoor Nicolaas Leurs, was in 1639 tot pastoor
van Hillensberg benoemd. In de ”Pfarrchronik” van die
plaats staat, dat hij daar van 24 juni 1640 tot 21 april 1642
in functie bleef. Op de laatstgenoemde datum had er een
tragische gebeurtenis plaats.
173
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 174
Volgens één bron drongen op die dag plunderende soldaten Op 16 april 1641 verschenen deurwaarder Steven Fabritius
de kerk en de pastorie van Hillensberg binnen en werd de van Schinnen en zijn assistent Adam Deutz op het kerkhof
pastoor door een van hen met een kogel aan zijn ruggegraat te Geleen. Terwijl de eerste zijn paard aan de ”kerckehalle”
zwaar gekwetst. Volgens een andere bron zou hij te Leut (B.) [bij de ingang tot het kerkhof] tot staan bracht, gelastte hij
dodelijk gewond zijn. Hij werd op een boerenkar naar de Deutz de stallen van het huis Maes te openen en daaruit 50
pastorie te Oud-Geleen gebracht, waar hij de volgende dag schapen en vier lammeren te drijven. Toen een van de zusters
overleed. Op zondag Beloken Pasen werd hij onder enorme Maes daartegen protesteerde, omdat ze aan haar broer Jan en
deelname vóór het hoofdaltaar in de kerk van zijn geboorte- niet aan haar broer Willem toebehoorden, zei Fabritius ”het
plaats begraven <LimDag 15-1-1959. - Daniels, 64>. is gelijck veel”, terwijl Deutz haar zelfs met zijn gaffel
bedreigde en haar toesnauwde: ”maekt dich op seyde offte
De gebroeders Maes in vele processen gewikkeld det gaet daerdeur”. Daarop verscheen ook de priester Jan
(1640-1652) Maes ten tonele en verklaarde: ”aangaende mijns broders
go(e)deren en weigere ick geene executie [= in beslagname],
De noordelijke helft van het z.g. huis Maes aan het oude vercoop maer een stuck zijner erfgo(e)deren, maer ick wil
kerkhof was in de zestiende eeuw gebouwd door een lid van mijne bestialen [= vee] niet geexecuteerd [= in beslag
de halfersfamilie Beltgens van de Hanenhof. Nadat dit huis genomen] hebben; ick presenteere mijnen eidt, dat die
aan Lemmen Maes was gekomen, breidde hij het in 1623 beesten mijn zijn”. Doch Fabritius antwoordde, dat hem zijn
aan de zuidkant uit; dat jaartal staat nog steeds in ankers in eed niets kon schelen en terwijl hij hem als ”du lichtveerdige
de westelijke gevel. Met zijn vrouw Meijken had hij twee paepe [= priester]” en ”du schelme paepe” aansprak, liet hij
dochters Meijken en Lisken en twee zonen Jan en Willem. de schapen wegvoeren. Pogingen van Jan Maes om Fabritius
Lisken trouwde met Nijs van den Esschen en bleef met haar en zijn helper door de Geleense gerechtsbode te laten tegen-
gezin in een deel van het ouderlijk huis wonen, terwijl houden, bleven vruchteloos.
Meyken met Jan Wijmers trouwde en elders ging wonen.
Jan Maes behaalde de academische graad van Magister De westgevel van het huis Maes aan het oude kerkhof te Oud-
Artium [= Meester der (Vrije) Kunsten] en werd priester. Van Geleen; deur en ramen aan de kerkzijde zijn niet oorspronke-
zijn bloedverwant Jan Mutzenich nam hij op 13 oktober lijk. Links de zijgevel van het huis Ramakers, dat circa 1900 de
1617 het beneficie van Onze-Lieve-Vrouw in de kerk van oorspronkelijke hoek met een torentje heeft vervangen. De
Geleen over. Tevens ontving hij een beneficie te Limbricht oorspronkelijke ingang tot dit complex was een poort aan de
en werd hij pastoor te Stein; in de laatstgenoemde plaats liet noordzijde. Ter plaatse van het witte huis rechts stond tot het
hij zich door een andere priester vervangen. Ook hij verkoos begin van de negentiende eeuw een schuur <Foto J.R. Hermens, 1977>.
in een gedeelte van het ouderlijk huis aan het kerkhof te
blijven wonen. In 1633 verpachtte hij aan zijn broer Willem Wegens onbetaalde schulden of boeten, werden in 1642 - op
al de landerijen van het beneficie van Onze-Lieve-Vrouw. bevel van de Geleense overheid - granen van Willem Maes
Na een aantal andere functies te hebben uitgeoefend werd afgemaaid. Deze keer greep zijn broer Jan Maes handtastelijk
Willem Maes drossaard te Stein. Desondanks bleef hij met in; hij sneed niet alleen de banden van de garven maar ook
zijn gezin eveneens in een gedeelte van het ouderlijk huis te het getuig van de paarden door. Bovendien noemde hij de
Geleen wonen. Maar wegens de vele processen, die hij en schutten, die dit karwei kwamen opknappen, schelmen en
zijn broer voerden, verbleef hij later gedurende verscheidene ”hapscharren” [= beulsknechten]. Later gaf hij als verklaring
maanden van het jaar in ”Het Duifken” te Brussel om de en excuus, dat een van de maaiers hem voor ”rekel” had
familiebelangen bij de Soevereine Raad van Brabant te uitgescholden, waarop hij had geantwoord: ”Ben ick eenen
bepleiten. In die processtukken worden aan Jan en Willem reekel, soo sijt gij eenen schelm”. Toen daarna ook nog de
Maes een ”eigendunkelijken geest” en een ”vurig, twistziek
gemoed” toegeschreven. Het was dan ook niet verwonder-
lijk, dat zij in een aantal processen verwikkeld raakten.
De gerechtelijke problemen voor de gebroeders Maes
begonnen toen Willem circa 1640 ervan werd beschuldigd
de belastingen, die hij als ”collecteur” te Geleen had geïnd,
niet volledig aan de ontvanger van het Land van Valkenburg
te hebben afgedragen. Toen hij weigerde het verschil goed te
maken, werd een van zijn paarden in beslag genomen. Zijn
heerbroer Jan beweerde niet alleen mede-eigenaar van dat
paard te zijn, maar liet zich ook beledigend tegenover de
schout en de schepenen van Geleen uit. Toen die hem
hierover een proces aandeden, werd de situatie nogal
ingewikkeld.
174
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 175
koeien van Willem Maes werden weggehaald, zei diens broer gelijk en vaardigde bijgevolg het bevel uit om alle tegen hem
Jan: ”Ick houde die koyen voor mijn, ick en ben niet genomen maatregelen ongedaan te maken. Willem Maes
schuldigh, evenmin als mijnen broder, nempt er mich die wendde zich tot zijn zwager Juan de Sorribas, die met een
koyen wegh mit gewelt, so protesteere ich en halde uch veur zuster van zijn vrouw was getrouwd en als kapitein van het
hapscharren”. Nadat hij zich vóór de koeien had geplaatst regiment van Don Antonio de Rios te Leut (B.) verbleef. Die
om hun wegvoering te beletten, riep een van de schutten kapitein kreeg van zijn overste verlof om met enige soldaten
hem toe: ”du vaselpaep [gevaselt = gespuis], dat [= als] du Jan Maes te gaan bevrijden. Nadat dit op driekoningendag
geene paep en waers, ich sou dich op dijnen swarten rock [= 6 januari] 1647 was gelukt, werd dit ”wapenfeit” in de
[= jas] slaen”. woning van de bevrijde met een feestmaaltijd gevierd.
Met de betaling van een boete van 50 patakons, die hem op Maar graaf Huyn diende bij de Spaanse overheid een protest
1 september 1643 werd opgelegd, was dit proces voor Jan tegen kapitein De Sorribas in. Deze werd op het matje
Maes nog niet ten einde. Tijdens de procesvoeringen had hij geroepen en korte tijd in hechtenis gehouden. Jan Maes wist
de Geleense schepen Marten van Nierbeeck een ”bijendief” de graaf te ontwijken door zijn toevlucht in Leut (B.) te
genoemd. Ofschoon deze laatste daarvoor bij de kerkelijke zoeken. Kort daarop werd de schepen Jan Willems, die in
rechtbank voldoening kreeg, gaf hij de geestelijke toch een 1643 was gegijzeld en zich op de kerkelijke autoriteiten had
geduchte afrossing. Wegens deze ”beledigingen en verwon- beroepen, door Spaanse troepen, die het bevel van de Raad
dingen” werd op 4 januari 1645 de eis voor niet minder dan van Brabant tegen de kerkelijke overheid wilden uitvoeren,
300 patakons aan ”schadevergoeding” tegen hem ingediend. gevangen naar de vesting Rijnberg in het Gulikse gevoerd.
Het is niet bekend of Marten van Nierbeeck die boete Opnieuw kwam graaf Huyn in actie. Hij wist gedaan te
betaalde; wel liep hij een kerkelijke ban op. krijgen, dat Jan Maes op 28 februari 1647 te Leut (B.) werd
Intussen had Jan Maes nog andere tegenslagen te incasseren gearresteerd en op 6 maart weer naar het kasteel van Sint-
gekregen. Wegens aanzienlijke verplichtingen, die hij aan de Jansgeleen werd gebracht. Op 12 maart werd hij evenwel
invloedrijke Maastrichtenaar Hendrik van Hillensberg andermaal in vrijheid gesteld. Daarop begaf hij zich naar
schuldig bleef, werden op 2 maart 1643 twee paarden uit Limbricht, waar hij een beneficie bezat. Toen hij zich de
zijn stal gehaald en naar Maastricht gevoerd. Tijdens een inkomsten van het Geleense beneficie van Onze-Lieve-
bezoek aan die stad werd hij gearresteerd. Op zijn belofte Vrouw wilde toeëigenen, werd hem op 27 november 1647
zijn schuld te betalen, herkreeg hij zijn vrijheid. Maar toen door de vicaris-generaal huisarrest opgelegd. Bijna een jaar
hij die belofte niet nakwam, werd de Geleense schepen en later, bij vonnis van 10 november 1648, werd hij door de
kerkmeester Jan Willems door soldaten gevangen genomen kerkelijke autoriteiten van het bisdom Luik zowel uit zijn
en als gijzelaar naar Maastricht gevoerd. Deze Gelener beneficie van Limbricht als uit zijn pastoraat te Stein ontzet.
scheen een gedeelte van de landerijen van Jan Maes of van Zijn protesten mochten niet baten. Het feit, dat zijn zuster
het beneficie van Onze-Lieve-Vrouw te hebben gepacht, en Meijken Maes en haar man Jan Wijmers in 1649 van een
de Maastrichtse schuldeiser wilde zich blijkbaar via hem van Maastrichtenaar 2.200 gulden leenden en daarbij de olie-
de opbrengst van die landerijen verzekeren. molen van Daniken als onderpand stelden <LvO nr. 4003>,
In zijn nood wendde Willems zich tot de kerkelijke overheid. stond vermoedelijk met de financiële problemen van de
Toen Jan Maes zich ook daardoor niet liet intimideren om broers in verband. Op 31 mei 1652 werd Jan Maes te Brussel
zijn schulden te voldoen, werd hij op 9 april 1646 door de door de kerkelijke gerechtsdienaars gearresteerd en elf dagen
officiaal van het bisdom Roermond als geestelijke gesuspen- gevangen gehouden. In juni 1652 diende hij daartegen bij de
deerd en werd hem het Geleense beneficie van Onze-Lieve- aartsbisschop van Mechelen een protest in.
Vrouw ontnomen. Dit werd daarna door pastoor Leurs Er werd blijkbaar een vergelijk getroffen, want in 1654 was
bediend. Jan Maes weer als ”kapelaan” te Geleen in functie. In 1657
Op 2 januari 1647 werd Jan Maes in zijn woning ”gevrasjt” is hij buiten Geleen overleden. Zijn broer Willem Maes was
door de schutten van Spaubeek en Hobbelrade, die hem op reeds in 1650 gestorven. Desondanks bleef diens weduwe de
bevel van graaf Arnold V Wolfgang Huyn uit zijn huis processen voortzetten. Dit alles had tot gevolg dat de familie
kwamen halen om hem naar de kerker van Sint-Jansgeleen te Maes geruïneerd werd. Uiteindelijk zou om die reden het
brengen. In de gevangenis, waar hem noch vuur noch licht huis Maes voor 800 patakons aan de familie Van den Stock
werd verschaft, mocht hij geen vrienden of familieleden worden verkocht <Msg 1925, 25-28; 1926, 27-29 en 43-45. - LimDag 5-5-
ontvangen en werd hem ook papier en inkt geweigerd. Bij 1959 en 25-6-1963>.
zijn arrestatie was zoveel geweld gebruikt, dat zijn broer
Willem op 11 maart eiste, dat ”de deuren, sloten en Voortdurende ”plagerijen” door
gehingen” [= hengsels] van het huis Maes hersteld zouden Staatse ambtenaren
worden.
Reeds daags daarna, op 3 januari 1647, stelde de Raad van Bij de vrede van Münster (1648) werd overeengekomen, dat
Brabant - waar Jan Maes in hoger beroep was gegaan, maar de situatie in de vier Landen van Overmaas door een
waar men nog onkundig van zijn arrestatie was - hem in het afzonderlijk verdrag op basis van de dan heersende ”status
175
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 176
quo” zou worden geregeld. Dat bracht een nieuwe rivaliteit tingen en afpersingen door de Staatse ontvanger opgetekend;
tussen de Staatse en Spaanse autoriteiten teweeg, want elke deze laatste kwam zelfs het tiendezaad van de pastoriezolder
partij wenste haar grondgebied en haar invloed zoveel weghalen.
mogelijk uit te breiden voordat die ”status quo” van kracht In augustus 1650 werd de halfer van de grote hoeve van
zou worden. Lutterade gedwongen om het aandeel van de pacht, dat hij
Op 25 juni 1644 hadden Staatse troepen de vesting aan de pastoor van Geleen had geleverd, in geld aan de
Valkenburg heroverd. Daar zij in het bezit van de hoofd- Staatse rentmeester terug te betalen. Die halfer kon de
plaats waren, eisten zij ook de volledige rechts- en bestuurs- pastoor om compensatie aanspreken.
macht over het hele Land van Valkenburg op. Maar af en toe Die zware financiële offers hebben de laatste levensjaren van
moesten zij een deel van dat gebied prijsgeven. Zo verbleven pastoor Leurs ongetwijfeld bemoeilijkt. Uit het beverige
in de eerste maanden van 1647 de zo geduchte ”Loraynsche handschrift, waarmee die onrechtvaardigheden staan
[= Lotharingse] troupen”, die tot geen van de partijen opgetekend, blijkt dat de Geleense herder oud was gewor-
behoorden, in Geleen en eisten geld en leveranties <Deductie, den; hij overleed op 11 mei 1654 .
69>. Op 30 december 1648 werden de Spaanse drossaards Ook graaf Huyn kreeg het met die Staatse ontvangers aan de
door de Staatsen ter verantwoording geroepen, omdat zij stok. Volgens een schenking door een van zijn voorgangers
hun functies bleven uitoefenen, en in 1650 verboden de was hij op zijn bezittingen te Sint-Jansgeleen jaarlijks twee
Staatsen onder bedreiging van straffen om nog langer iets malder rogge en twee malder gerst aan de koster van Hoens-
aan de Spaanse ambtenaren te betalen. broek verschuldigd. Van 1650 tot 1657 werden die inkom-
Vooral de katholieke geestelijkheid bleek het mikpunt van de sten door de Staatsen aan die koster ontnomen. Pas in 1666
Staatsen te zijn. In 1648 stelden zij een zekere Blauwensteijn kon hij de geleden schade inhalen <Slanghen 1859, 91>.
als ontvanger en beheerder van de kerkelijke goederen in het
Land van Valkenburg aan. Hij werd door Adolf van Patborch Sauvegarden (1649/50)
opgevolgd. Pastoor Leurs tekende aan, dat de ”Heeren
Staten” in 1650 tot zijn groot verdriet [pro dolor !] in de Tijdens de voor deze streken zo woelige jaren na het sluiten
Landen van Valkenburg, Dalhem en ’s-Hertogenrade waren van de vrede van Münster (1648) wenste de Geleense over-
begonnen aan de geestelijkheid de inkomsten, die ze buiten heid de bevolking zoveel mogelijk tegen rondzwervende
de kerken genoot, te ontnemen. Dit was geen belasting legerbenden te beschermen. Dit blijkt o. a. hieruit, dat men
maar een verbeurdverklaring. Voor de pastoor van Geleen toen sauvegarden uit Maastricht en Stevensweert liet komen
bestonden die inkomsten o.a. uit tienden, de opbrengst van en te Geleen onderbracht. Dit waren gehuurde troepen, die
landerijen, pachten, ”sackrenten” e.d. de bevolking tegen het optreden van andere troepen dienden
In genoemd jaar verpachtte de ”Hollandschen ontfanger te beschermen. Op 9 februari 1650 werd de ”Schatheffing
offte rentmeister met namen Padtborgh” het aandeel van de ter oncosten van de salvus-gardien die alhier gelegen hebben”
pastoor in de kleine tiende aan een zekere Gerardt Canen. opgesteld <LvO nr. 1374>.
De prior van Reichenstein betaalde aan die persoon de
pachtsom van 36 gulden Maastrichtse koers terug, zodat de Geleense galg naar de verkeerde zijde omgevallen
pastoor van Geleen dat jaar zijn tienden kon ontvangen. De (1650)
bij de pastorie behorende landerijen, die omtrent twee
bunder besloegen, werden aan een te Maastricht verblijven- Ook ontstond er een vete tussen de autoriteiten van Geleen
de officier verpacht. De pastoor betaalde de pachtsom van en die van Sittard. De galg van Geleen, die in de Raadskuil
27 gulden aan die officier terug en mocht dat jaar de vlak tegen de grens met Sittard stond - aan de Sittardse kant
vruchten [= granen] van zijn akkers genieten. De ”sackrente” aldaar stond eveneens een galg - schijnt lange tijd niet
moest door de Geleners ”tot eene stuver toe” te Maastricht ”gebruikt” te zijn geweest, want in september 1650 bleek ze
in handen van de hierboven genoemde ontvanger worden te zijn omgevallen. Het toeval wilde, dat ze op Sittards
afgeleverd. Ook moest de pastoor 24 gulden betalen om de gebied was terechtgekomen, en dit zou aanleiding tot een
appels en peren, die aan de fruitbomen in de wei van de pas- confrontatie geven.
torie groeiden, te mogen plukken. Het ”thiende saet” mocht Toen schout Jan van den Stock en de Geleense schepenen
hij tegen een betaling van 10 patakons of 40 gulden behou- Stas Custers en Jan Banens - volgens afspraak - voogd Johann
den. Voor het ”graasgewas” moest hij twee patakons betalen. Ritz van Sittard ter plaatse van de omgevallen galg ont-
Doch daarmee was die schuld nog niet voldaan, want dat moetten, voer de laatstgenoemde op ”cholerische” wijze
gewas was blijkbaar aan iemand anders verpacht; derhalve tegen de schout uit en eiste hij dat die galg zonder uitstel van
had ook die pachter recht op een vergoeding. Pastoor Leurs Sittards grondgebied zou worden verwijderd. Terwijl de
deed dat in de vorm van een nieuwe hoed, die hem drie schout antwoordde dat dit best kon gebeuren, schoot een
patakons kostte. Tenslotte mocht hij het ”thiende vlas” tegen van de schepenen, die de aanstellerige houding van de voogd
betaling van vier patakons behouden. Ook voor de volgende vermakelijk vond, in de lach.
jaren heeft pastoor Leurs dezelfde of gelijksoortige verpach- Daarop stormde de voogd op die schepen toe, stootte hem
176
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 177
met zijn stok tegen de borst en dreigde hem daarmee een slag het dragen over elkaar waren geslagen. Merkwaardigerwijze
toe te brengen. Toen de schout en de andere schepen hun was Willem Maes zelf circa 1620 gedurende vier jaar
Geleense collega te hulp kwamen, dreigde de voogd niet ”domestique homme de chambre” [= kamerdienaar] geweest
alleen hen eveneens te slaan maar trok hij zelfs zijn degen en van Philips de Lannoy, heer van Conteville en zoon van
daagde hij hen tot een duel uit. Teneinde erger te voorkomen Claude de Lannoy, gouverneur van Maastricht <Msg 1925, 27-
trokken de Geleners zich op Geleens gebied terug en 28>.
weigerden zij verder nog iets met de voogd vandoen te
hebben. Wel kon de aangevallen Geleense schepen niet Haardvuur als symbool van eigendomsoverdracht
nalaten deze laatste toe te roepen: ”komme her du scheler (1638)
Quinquert, ich werde dir das andere aughe auch aus-
schlagen!” Volgens het algemeen gebruik werden bij de inbezitneming
Ofschoon daarna iedereen naar huis ging en de Geleense van een huis door de nieuwe eigenaar enige symbolische
schout ’s anderendaags wel iemand zal hebben gestuurd om handelingen verricht <Msg 1926, 32>. Toen Renier de Gavarelle
de omgevallen galg naar Geleens gebied te slepen, was die - vader van de beruchte Willem de Gavarelle - en zijn broer
affaire daarmee nog niet ten einde. De voogd van Sittard liet Frans in 1698 een gebouw bij Heerlen als erfenis
door de autoriteiten in Düsseldorf tegen de hem door de aanvaardden, werden, ”conform deser hooftbancke
Geleners ten deel gevallen behandeling bij graaf Huyn [Heerlen] recht en gerechtigheijt”, alle formaliteiten aan-
protesteren <LvO nr. 1230>. gewend, nl. ”vier [= vuur] ende roeck [in de open haard]
laeten opgaen, de deure op[en] ende toe gedaen, den haele
Beeldenstorm te Geleen (1652) [= het in de open haard hangende getakte ijzer met ketting
waaraan de ketel hing] op ende affgeschort, rijs [= rijshout ?]
In 1652 begonnen Staatse soldaten in het Land van en aerde in de handt gegeven” <LvH 1956, 56>.
Valkenburg - o.a. te Klimmen, Vaesrade en Geleen - kapellen Op 5 april 1638 had in een huis ”in het Dorp”, d.w.z. in het
te verwoesten, altaren neer te halen en beelden te centrum van Oud-Geleen - in het bijzijn van drie schepenen
verwijderen <Haas, 72-73>. De Geleners zagen zich opnieuw en vier getuigen - een dubbele eigendomsoverdracht met dit
genoodzaakt een ”sauvegarde” te huren, teneinde tenminste ceremonieel plaats. Dat huis had aan de vroegere secretaris
enige bescherming tegen dergelijke euveldaden te hebben. Sander van den Hove toebehoord, was na hem aan zijn
Dat neemt echter niet weg, dat zij ook nog in 1654 schoonzoon Willem Hamers gekomen en werd in april 1638
”fourage” aan doortrekkende troepen moesten leveren <LvO door Gerard van Pommeren bewoond.
nrs. 1468 en 1496>. Na de dood van Willem Hamers had een nieuwe overdracht
plaats. Claas van den Hove nam ”soe voer hem als voer syn
4. Eigentijdse aspecten van het leven ander consorten” bezit door het haardvuur te doven en ”een
te Geleen ander vuer ende roeck” te laten opgaan. Onmiddellijk
daarop heeft de priester Jan Maes het door Claas van den
Naast de gebeurtenissen, die in de ”Kroniek” werden Hove aangestoken vuur ”uutgebluyst ende een andere
opgenomen, bevatten de archieven van Geleen nog een aengemaeckt ende heeft oyck alsoe laeten roeck opgaen, soe
aantal gegevens, die licht op sommige aspecten van het leven weghen synder vader syden als oyck wegen synder moder
in die periode (1558-1654) werpen. zaliger syden” <Msg 1957, 69-70>.
Het jaarloon van een domestique (1648) Het reglement van de ”oude” schutterij (1639)
Willem Maes, die in een deel van het huis Maes aan het In de ”Kroniek” werd onder het jaar 1639 de oprichting van
kerkhof te Oud-Geleen woonde, noteerde: ”8 September een schutterij vermeld. Tevens werd daarbij nader over haar
1648 hebbe ick wederomme gemeit [= in dienst genomen] aard en haar opdrachten uitgeweid. De meeste artikelen van
van St. Remeis tot St. Remeis [= St.-Remigius = 1 oktober] het reglement, waarin de interne organisatie van de
Martin Zelis, tegen 22 daelers [= daalders] in geld, idem een schutterij werd vastgelegd, bleven toen echter onvermeld. En
paer schoon [= schoenen], twee hemdenen, idem eenen aangezien die schutterij in het gemeenschapsleven van
kiedel [= kiel], idem een paer benthosen en een paer flesse Geleen verscheidene generaties lang een niet onbelangrijke
lynen [= vlassen of linnen] hosen, ende nog 1 vat rogs voor rol heeft gespeeld, zal het zeker zijn nut hebben die artikelen
Jan Zelis” <Msg 1926, 29>. hier te vermelden en te ontleden.
Het is niet duidelijk of met ”een paer hosen” kousen Dat reglement bestond uit 29 artikelen - na 28 volgde ”ten
[dialekt: ”haoze”] dan wel een broek [Duits: Hose] werd le(e)sten” nog een artikeltje - waaraan een inleiding vooraf-
bedoeld. Eertijds bestonden mannenbroeken uit twee ging en waarop een slotbeschouwing volgde. Het geheel
afzonderlijke broekspijpen met bovenstukken, die tijdens werd zowel door de pastoor als door de Heer van Geleen
ondertekend; laatstgenoemde hechtte er bovendien ”sijn
177
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 178
adelijck cachet” [zegel] aan. Teneinde te voorkomen, dat meesters en de secretaris namen dat geld in ontvangst om
leden van de schutterij ”eenige ignorantie [= onkunde]” daarmee de onkosten van de vereniging te dekken. Wie in
betreffende zijn inhoud zouden kunnen voorwenden, gebreke bleef, werd eerst door een schuttemeester of de
werden van het originele document, dat op de pastorie bleef, secretaris ”onder stilten... een ofte twe reijsen [= keren]... tot
drie kopieën gemaakt. De overgeleverde teksten wekken betalinge vermaent”. Als dat lid daarna de achterstallige
evenwel de indruk noch die van het origineel noch die van contributie nog niet zou betalen, zou zijn naam het volgend
deze kopieën te zijn. jaar op het kerkhof - blijkbaar op de dag van het vogel-
In latere kopieën werd wel aan het begin en het einde ”mei schieten - in het bijzijn van allen van de lijst worden
1639” als datum gehandhaafd, maar werd de tekst op geschrapt. Ook moesten de schuttemeesters en de secretaris
sommige plaatsen geactualiseerd door ”sijne graeffelike op het feest van de patroonheiligen rekening van ”hunnen
genaden” Huyn en ”de graefschap Geleen en Amstenraet” in ontfank en uitgaef” doen (art. 14-16).
te lassen. Daar Arnold V Wolfgang Huyn pas in 1640 in de Gedurende de mis of tijdens de preek mochten de leden hun
rijksgravenstand werd verheven en het graafschap Geleen pas geweren niet op het kerkhof afschieten; op dat vergrijp stond
in 1654 werd opgericht, vertegenwoordigen dergelijke een straf van vier vanen [= 24 liter] bier. Ook mocht
inlassingen [in combinatie met het jaartal 1639] zoge- niemand zijn geweer ”geladen met buskruijt” voor de voeten
naamde anachronismen. Ook bevatten latere kopieën afwij- van mensen of in de buurt van strodaken afvuren; dat zou
kende spellingen en spelfouten. met een ”kinten” bier worden beboet. Wel was het uit-
Als ”cornel” of kolonel was de pastoor de hoogste gezags- drukkelijk toegestaan om ”te schieten in de locht alwaer
drager. Hij benoemde alle andere functionarissen: de geen gevaer en is van eenigen brandt wijl oock ter sijden van
schuttemeesters, de secretaris en de ”hoge officieren”, nl. de de menschen” (art. 25-26).
kapitein en de luitenant (art. 17). Hetzij vanaf de oprichting Op het feest van ’s Heren Hemelvaart [op een donderdag
hetzij sedert kort nadien bestond de schutterij uit twee tien dagen vóór Pinksteren] werd de vogel geschoten. Het
compagnieën, waarvan er een onder leiding van de kapitein programma van die dag werd nauwkeurig vastgelegd. Men
stond en de andere onder die van de luitenant (art. 10). begon om half twee ’s middags op het kerkhof. Daar werd
Als een lagere officiersplaats wegens terugtreden of over- door de secretaris de ledenlijst aan de verzamelde en
lijden was vrijgekomen, werd ze op de zondag vóór het gewapende schutters voorgelezen, terwijl de schuttemeesters
vogelschieten aan de meestbiedende verkocht. Mocht die goed opletten of wel op elke afgelezen naam gereageerd
persoon echter onbekwaam blijken, dan zouden de pastoor werd. Wie ”sonder wettelicke redenen” afwezig was, werd met
en de andere officieren hem door een andere persoon kun- een vaan [= zes liter] bier beboet (art. 3-4). Na de controle van
nen vervangen (art. 13). De trommel en de vaandelstokken de ledenlijst las de secretaris het reglement ”van boven tot
werden op de pastorie bewaard (art 29). het eijnde tou” voor. Vervolgens traden de schutters de kerk
Het hoofddoel van schutterij en broederschap was ”ver- binnen om er ”de benedictie” [= lof met zegening] en de ves-
meerderinge van de Glorie van d’Alderheyligste pers bij te wonen en te bidden, dat zij die dag voor ongeluk-
Dryvuldigheyd” (art. 1). De leden deden dat vooral door op ken mochten ”bewaerd en bevried” blijven (art. 5).
Drievuldigheidszondag [de eerste zondag na Pinksteren Na afloop van de kerkdienst trok men naar de schietboom.
= kermis] en op het feest van de kerkpatronen [2 juni] ”in Niemand mocht op de vogel schieten zonder daartoe vooraf
alle gestigtigheijdt [= stichtelijkheid] met hun geweer en toestemming van de officieren of van de kolonel te hebben
wapens... in alle eerbaerheijt” de H. Sacramentsprocessie te ontvangen. Als een schutter zonder die toestemming - of nog
vergezellen teneinde te voorkomen dat die processie door erger: een niet-lid - de vogel mocht afschieten, zou hij
”ketters ofte quade Christenen” zou worden gestoord (art. verplicht zijn op eigen kosten een nieuwe vogel te ver-
2). Op die twee feestdagen moesten de schutters om negen schaffen (art. 6). Wie er in slaagde om het laatste restant van
[volgens sommige versies om acht] uur ’s morgens met hun de [houten] vogel naar beneden te halen, werd met een
wapens op het kerkhof acte de présence geven om vervolgens nieuwe hoed beloond. Zodra de vogel afgeschoten was,
de hoogmis aandachtig bij te wonen - wie in gebreke bleef moesten de nog met scherp geladen geweren in de lucht
werd met een ”kint(g)en” [= kannetje = 18 liter] bier beboet worden afgevuurd (art. 7). De nieuwe koning moest zijn
- en daarna de H. Sacramentsprocessie te begeleiden. Bij de kameraden op een ton bier trakteren, aan de hoge officieren
terugkeer van de processie mochten de schutters niet de kerk een paar handschoenen schenken en een plaat aan de
binnengaan, maar dienden zij zich bij de toren op te stellen zilveren vogel toevoegen, die minstens een ”ricks [= rijks]
om dan op commando hun geweren te lossen (art. 9). ort” [andere versies hebben: ”rien [= Rijn] oort”] waard was
Op het feest van de patroonheiligen Marcellinus en Petrus [2 (art. 8). Doch daarmee was de dag van het vogelschieten nog
juni] werd nog een andere bijdrage van hen gevraagd. Dan niet ten einde. Als graaf Huyn over hun ”d(e)ugdelijck ende
moest elk lid - met uitzondering van de hoge officieren - zijn Christelijck” nakomen van alle voorschriften tevreden was,
contributie van een schilling betalen; het is niet duidelijk of schonk hij op die dag aan de schutters drie tonnen bier ”om
die bijdrage op de trom werd gelegd of dat met een slag op hun daer mede in peijs en vrede lustig te maken” (art. 28).
de trom het teken tot betaling werd gegeven. De schutte- Behalve op de genoemde feestdagen, waarop zij hun
178
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 179
verplichtingen met de nodige ernst en stiptheid volbrachten, ”door wettelike beletsel niet en soude kunnen compareren”,
kwamen de schutters ook op andere dagen in een door de moest dit aan de schuttemeesters of aan de secretaris bekend-
schuttemeesters gekozen ”herberge” bijeen om ”in alle maken (art. 12).
eerbaerheijt” de tijd ”lustig” door te brengen. De waar-
schuwing zich niet aan dronkenschap schuldig te maken, Ondeelbaarheid van de Graetheide gehandhaafd
was allereerst tot de officieren gericht (art 20). Voor over- (1649)
treding hiervan door officieren of gewone leden werden
strenge straffen in het vooruitzicht gesteld (art. 22). Op 26 juni 1649 werd op de Welschenheuvel [= Heksen-
Er werd vooral gewaarschuwd tegen het veroorzaken van berg] in de Graetheide een vergadering van de veertien
twisten en krakelen. De ”stokebranden” [= aanstokers] kerspelen of ”kierckdorperen” gehouden. Deze was bijeen-
moesten de eerste keer als straf zo diep in een kuip water geroepen door Johann Wolfgang Wilhelm van Bentinck tot
gaan staan als de officieren hun - naargelang de ernst van Wolfrath, ambtman van Born en Sittard. Daarbij waren
hun daden - zouden opdragen en tevens zolang als die hun tevens diens vader Philip Hendrik, die van 1634 tot 1644
tijd zouden nemen om een pot bier te drinken. Ingeval zij datzelfde ambt had waargenomen, en een secretaris namens
zich een tweede maal daaraan mochten schuldig maken, de hertog van Gulik aanwezig.
zouden zij zonder pardon uit de vereniging worden gestoten Het eerste punt op de agenda was het voorlezen van de z.g.
(art. 21). schenking van het Graetbos door koning Zwentibold.
Ook was ”hoogelijck vloecken ofte sweeren” uitdrukkelijk Vervolgens werd geïnformeerd of alle veertien kerspels wel
verboden. Wie daarop betrapt werd, moest tot straf vier door twee ”heijmannen” [= heidemannen] vertegenwoor-
vanen [= 24 liter] bier betalen. Als hij die boete niet kon of digd waren; waar dit niet het geval was, zou zo spoedig
wilde betalen, zou hij zolang tot aan zijn knieën in het water mogelijk in die leemte moeten worden voorzien. Ook werd
moeten staan als de officieren hem dit zouden bevelen (art. overeengekomen om een ”vorster” [= boswachter] uit
23). Wie zich zou veroorloven om op vergaderingen Urmond en een andere uit Born te benoemen. Tenslotte
”onnutte [= vuile], oneerlijcke [of] schandeleuse wo(o)rden” werd afgesproken om een week later op de Sittarder Steen-
te gebruiken, zou iedere keer een straf van twee vanen [= weg tezamen te komen om verdere maatregelen te bespreken
twaalf liter] bier oplopen. Andere straffen wegens wetsover- en/of te nemen.
tredingen zou men aan de schepenen overlaten (art. 24). De vertegenwoordigers van Beek, Elsloo, Geleen en Stein
Zich ”verachtelijck ofte schimpelijck” over de kerkpatronen hadden blijkbaar iets over het doel van die geplande tweede
of de schutterij uitlaten of op het feest van die patronen [2 vergadering vernomen. Daarom hielden zij op 30 juni 1649
juni] ”onnoodigen arbeijt” verrichten werden als ernstige hun eigen voorbereidende vergadering ”aen den Witten-
vergrijpen opgevat. In dergelijke gevallen zou de leiding van heuvel tegens Crauwinckel over” - waaraan tevens de voogd
de schutterij aan de overtreder - in overleg met de pastoor - van Beek en de schout van Geleen deelnamen - om af te
een gepaste straf mogen opleggen (art. 27). spreken welke houding zij zouden aannemen. De afgevaar-
Het recruteren van nieuwe leden werd aan de schutte- digden van die vier dorpen besloten om ”te saamen te houden
meesters toevertrouwd. Daarbij zou de zwakst bezette van de ende de Gülkers [= de inwoners van de tot het hertogdom
beide compagnieën het eerst voor versterking in aanmerking Gulik behorende plaatsen] in t’minsten in hun voorneemen
komen. Alle recruten dienden ”van agteren aen” bij de niet te consenteeren [= toe te geven]”.
andere leden aan te sluiten; de onderlinge rangorde van de Toen dan op 3 juli 1649 de voltallige vergadering in een wei
recruten werd door loting bepaald (art. 19). Voor elk over- in de Grote Steeg bij de Steenweg te Sittard plaatshad, werd
leden medelid werd een gezongen requiemmis opgedragen. door de andere dorpen voorgesteld om enige bunders van de
Aan het stipendium voor die dienst moest door de leden van Graetheide te verkopen. Maar de ”Valkenborghers”, d.w.z.
de schutterij worden bijgedragen. Bovendien waren dezen de afgevaardigden van Beek, Geleen, Stein en Elsloo, wilden
verplicht om elke requiemmis voor een overleden medelid daar niets van horen. Derhalve zagen de ”Gülkers” zich
bij te wonen (art. 11). Op maandag na Drievuldigheids- genoodzaakt om hun voorstel in te trekken, maar zij deden
zondag [= kermismaandag] - volgens andere versies pas op dit niet zonder ”de Valkenborgers met suijren oogen aen-
woensdag na de kermis - moesten zij een gezongen requiem- gesien” te hebben.
mis voor de overleden leden bijwonen. Bij de offerande Daarop kwamen die van Geleen en Beek met hun eis voor de
dienden zij hun geweer ”verkeert [= met de loop naar dag, dat de twee ”kampen” of veldtuinen, die door die van
beneden] onder den a(e)rm” te houden. Na die mis moesten Berg en Urmond binnen de Graetheide, waren aangelegd
zij zich naar het kerkhof begeven en bij het ”beenhuijsken” ”over houp geworpen” moesten worden. Hetzelfde gold voor
[= knekelhuis] zolang op hun knieën blijven zitten totdat de alle plaatsen, ”waer de heijde te nae gecomen was... hoedanigh
pastoor de psalmen Miserere en De profundis zou hebben het selve waere”. Verder werd men het er over eens, dat in de
gebeden. Daarna moesten zij zich rond het graf van het laatst koe- of veestraten naar de Graetheide nieuwe slagbomen van
overleden medelid opstellen om op commando allemaal eiken- of kersenhout zouden worden aangebracht, waar deze
tegelijk een salvo af te vuren (art. 10). Wie op die dagen op de gebruikelijke plaatsen ontbraken <PrM nr. 34>.
179
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 180
5. Kerk, parochie en geestelijkheid uitdrukking - overeenkomstig haar toen gangbare betekenis
van 1558 tot 1654 - op de inwoners van Geleen in het algemeen sloeg.
In het visitatieverslag van 26 september 1722 staat dat het
In de ”Kroniek” kwamen reeds een aantal gebeurtenissen in onderhoud van het koor ten laste van de kerk kwam, omdat
verband met de kerk, de parochie en de geestelijkheid van landcommandeur Godfried Huyn een nieuw koor aan de
Geleen ter sprake. Maar andere aspecten dienen nader te kerk had geschonken <Habets 1892, 331>. Doch dat komt niet
worden toegelicht. Dit kan vooral worden gedaan aan de geheel met de historische werkelijkheid overeen. Als ont-
hand van de ”codex”, waarin pastoor Leurs in 1637 - tijdens vanger van 1/3 van de grote tiende was de pastoor reeds lang
zijn ballingschap [tempore exilij mei] - tot getrouw herinne- tevoren verplicht het koor te onderhouden. Welnu, in 1640-
ren [pro fideli memoriali] aantekeningen begon te maken 1643 wist pastoor Leurs een weldoener te vinden om een
over de inkomsten van het pastoorsambt, de beneficies, de nieuw koor te bekostigen; maar die milde gave had geen
armen, de kerk enz., en ook veel veranderingen en toe- verdere invloed op de traditionele verplichting van de
voegingen te noteren, die sedert zijn komst in 1605 in en om pastoor. In het verslag van 1722 staat dat ook de grote klok
de kerk hadden plaatsgevonden. ten laste van de pastoor kwam.
Ofschoon hij blijkbaar menig gegeven uit zijn geheugen
optekende, maakte hij daarbij kennelijk gebruik van een Nieuw priesterkoor - met grafkelder Huyn - en sacristie
door zijn voorganger in 1599 aangelegd register. Als geboren (1640-1643)
Sittardenaar kon hij zijn ballingschap vrij dicht bij Geleen Nadat de Geleense ”Steinmetzer” Nijs Stevens ”den alden
doorbrengen. Tevens zijn er aanwijzingen, dat hij soms te Choor” had afgebroken, kreeg hij zijn aandeel in de bouw
midden van zijn parochianen verbleef; derhalve was hij in de van het nieuwe. De mergelblokken kwamen uit Valkenburg
gelegenheid om menig gegeven ter plekke te controleren. en het hout o.a. uit het Ravensbos, maar de ”tegelsteijn”
Ook na zijn terugkeer uit die ballingschap (1639) heeft [= brikken] waren van plaatselijke makelij; die werden op de
pastoor Leurs nog verdere feiten in die ”codex” opgetekend; Pesch en op de grote hoeve van Lutterade gebakken. Op de
bovendien heeft hij een uitvoerig overzicht van de ont- credens in de sacristie staat het jaartal 1643. Daaruit valt te
vangsten en uitgaven bij de bouw van het nieuwe koor concluderen, dat bij de nieuwbouw van het koor een nieuwe
(1640-1643) opgesteld. Niet alleen wist hij de medewerking sacristie was inbegrepen.
van vele weldoeners te verkrijgen maar vooral bleek hijzelf De pastoor vond graaf Godfried Huyn van Geleen, land-
een milde gever voor zijn kerk te zijn. commandeur te Alden Biesen, bereid om de onkosten, tot
een bedrag van ruim 2.748 gulden en zes stuiver, volledig te
Kerk, kerkhof en pastorie dekken. De meeste bijdragen liet die weldoener door de
pachters van goederen van de Balije [= provincie der Duitse
Reeds eerder werd vermeld, dat volgens de visitatieverslagen Orde] Alden Biesen aan de pastoor overhandigen - het
van 1669 en 1722 de gemeenschap tot het onderhoud van spreekt vanzelf, dat die bedragen van de pachtsommen
de kerktoren verplicht was, maar dat de restauratie van het werden afgetrokken - terwijl hij hem bovendien te Alden
schip en van het koor ten laste van ”de kerk”, d.w.z. de Biesen en te Maastricht een gezamenlijk bedrag van ruim
parochiegeestelijkheid, kwam <Habets 1892, 330-331>. De 1000 gulden ter hand stelde <PAG nr. 169>.
verplichting tot het onderhoud van het schip viel tradi- Op het nieuwe koor werd een grafkelder voor de familie
tioneel op de bezitter van de grote tiende, maar wegens de Huyn aangebracht. De naaste aanleiding daartoe was blijk-
schenking van de grote hoeve van Lutterade aan de klooster- baar het feit, dat de op 2 maart 1624 te Deurne overleden
lingen van Reichenstein, die te Geleen bovendien het nog jeugdige Heer van Geleen, Arnold IV Huyn <Msg. 1933,
patronaatsrecht uitoefenden en steeds confraters ter 35>, daar begraven lag. Dit laatste blijkt uit de volgende
bediening van die kerk aanstelden, blijkt die last op hen te aantekening van pastoor Leurs: ”Item den Steinmetzer
zijn gevallen. diewelcke den keller offte het begreeffenis van onssen
Aan die regeling werd echter niet steeds de hand gehouden. Gebiedenden Heeren Saliger gemaackt.” Welnu, toen kon
Toen in juli 1698 niet minder dan 2.000 nieuwe leien op de ”onssen Gebiedenden Heeren Saliger” niemand anders zijn
kerk en de toren werden aangebracht, werden deze door de dan Arnold IV Huyn. Omdat uit niets blijkt, dat Arnold IV,
burgemeesters en de ”naebueren” met 40 gulden en een aam die reeds in 1624 was overleden, pas in 1640-1643 te Geleen
bier betaald. Op 2 augustus 1715 werd evenwel officieel te zou zijn begraven, dient die aantekening ons inziens aldus te
verstaan gegeven, dat ”in toecomende onderscheyt moet worden verstaan, dat die Heer van Geleen reeds eerder op
gemaekt werden tusschen de reparatie van den Thoren tot het priesterkoor te Geleen werd begraven en dat in 1640-
laste van de naebueren, ende de Kercke tot laste van de 1643 rond zijn graf een familiegrafkelder werd aangebracht.
decimateurs” [= tiendheffers] <LvO nr. 1404>. Uit de context Op de grafsteen stond - naast het familiewapen - de volgen-
blijkt, dat met het woord ”naebueren” geenszins uitsluitend de tekst: MEMORIA NOBILIS FAMILIÆ DE HUYN -
dicht bij de kerk wonenden werden aangeduid, maar dat die MEMENTO NOVISSIMI TVI, d.w.z. ”Ter nagedachtenis
van de edele [of: adellijke] familie (van) Huyn - Gedenk Uw
180
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 181
uiterste” <AAR 1857, 10>. Het bovenstuk van de kelder werd bij naeburen” [= plaatsgenoten] bijgedragen. Het onderste stuk
de afbraak van de kerk in 1862 verwijderd. J. RUSSEL van die wenteltrap bleef tot in onze tijd in gebruik. Boven
noteerde: ”Bij opening van dezen grafkelder in 1862, zijn het dak van de oostelijke zijbeuk zijn nog duidelijke sporen
slechts eenige beenderen en verwormd hout teruggevonden. van het verdwenen bovenstuk van die trap te zien.
Dezelve is lang circa 8 voet, en breed 4 voet. Wij hebben dit In 1615 werd door Leurs en de schepenen een ”Uhrenwijs”
persoonlijk onderzocht” <RAM, handschrift in zijn eigen exemplaar van geschonken, die door de pastoor werd beschilderd [ego
zijn boek ”De Heerlijkheid Geleen”>. De huidige kerk is langer dan de depinxi]; de onkosten bedroegen dertig gulden. Ingeval hier
vorige, d.w.z. het koor van deze kerk ligt verder naar het een ”uurwerk” bedoeld zou zijn geweest, zou de pastoor
noorden dan het in 1643 gebouwde koor. Dit verklaart dan allicht een ander woord hebben gekozen; het gangbare
ook, dat die grafkelder in 1979 vlak vóór het huidige koor in Latijnse woord was horologium. Tegen het einde van de veer-
het middenschip werd teruggevonden <ArchLimb mei 1980, 4>. tiende eeuw hadden reeds veel kleinere steden door
gewichten aangedreven ”Räderuhren mit Stundenschlag” in
Kerkzolders kerktorens of raadhuizen <Krauss, 76>. In 1461 werd de
Boven het nieuwe koor liet ritmeester Willem Maes later op ”uyrklock” van Beek door een kloosterbroeder uit Aken
eigen kosten een graanzolder aanbrengen, onder voor- ”wederoem gemackt inde te samen gevocht [= gevoegd]”
waarde, dat die hem en zijn nakomelingen ter beschikking <PSHAL 1870, 18>. Misschien bevond zich in 1615 reeds een
zou blijven. Na zijn dood (7-6-1689) werden de sleutels tot door een gewicht aangedreven uurwerk in de kerktoren van
die zolder bewaard door zijn zwager secretaris Renier Geleen, maar in het visitatieverslag van 1669 wordt daar
Hagens, die in de Jodenstraat woonde. Maar toen in 1702- geen melding van gemaakt <Habets 1892, 330-31>, terwijl dat in
1705 onder de erfgenamen een meningsverschil over het de visitatieverslagen van 1722 en 1725 wel het geval is
gebruik van die zolder ontstond, weigerde pastoor Lessenich <Mestrom, Appendix III>.
hun speciale privileges te verlenen <MPLim LXIV R 42, nr. 16>. De vraag is nu wat er met zo’n ”Uhrenwijs” werd bedoeld.
Pastoor Leurs schreef ook, dat hij ”den oversten [= bovenste] HERMANS dacht aan een wijzerplaat <Hermans 1990, 16>. Ook
kercksolder” had laten ”maacken” [= herstellen]. Hier MESTROM gaf de voorkeur aan een wijzerplaat, cijferring of
duidde het woord ”oversten” allicht op de zolder boven het wijzer, want volgens hem zou de prijs van dertig gulden een
middenschip. Voor die reparatie ”hebben eenige goede veel te hoog bedrag voor een zonnewijzer zijn geweest,
Naebueren [= plaatsgenoten] boum [= bomen] geschenkt tot terwijl hij het als een mogelijk te lage prijs voor een uurwerk
tremen [= soort balken], diewelcke ick op mijn costen hebbe beschouwde. Het in 1632 te Hoensbroek aangeschafte
doen schnijden [= zagen]”. De uitvoering van dit werk werd uurwerk kostte zestig Philipsdaalders <Mestrom, Apendix III>.
aan de ”Schrinenmeecker” Mevis N. van Stokkem Maar ”Uhrenwijs” is nagenoeg identiek met ”urwijser” en dit
”verdingt” [= aanbesteed]; hij moest beloven ”goede ende was volgens KILIAEN: Solis umbilicus, stilus hemispherii horas
drooghe plancken ende negell” te gebruiken. Verder schreef monstrans, d.w.z. ”een op de zon ingestelde staaf, die (met
Leurs: ”hebben ick op mijn costen laten maacken den solder zijn schaduw) op een halfrond de uren aangeeft”, m.a.w. een
boven St. Niclais Altaar”. De aparte vermelding van die zonnewijzer <Kiliaen, 556>. Aan kerken bevestigde zonnewijzers
zolder schijnt te impliceren, dat de kerk toen minstens één waren in het Duitse rijk reeds in de negende eeuw bekend;
zijbeuk had. sedertdien nam hun aantal sterk toe en verspreidde het
gebruik zich over heel Europa. Ook na de invoering van
Toren met wenteltrap en ”Uhrenwijs” mechanische uurwerken bleven zonnewijzers in gebruik,
Ofschoon uit de aantekening van pastoor Leurs in 1629: omdat veel uurwerken zo onnauwkeurig waren dat ze op een
”laeten maacken den thooren met den windeltrap” niet met enkele dag vele minuten voor- of achterliepen en - speciaal
zekerheid valt op te maken of hij toen een geheel nieuwe om twaalf uur ’s middags - aan de hand van zonnewijzers
wenteltrap liet aanbrengen dan wel een reeds bestaande trap moesten worden juist gezet <Driessen, 20. - Gies, 214>. Werden
liet repareren, lijkt het tweede alternatief toch meer voor de soms, zoals te Limbricht, Margraten en Sint-Geertruid <Msg.
hand te liggen. Hij schreef immers niet dat hij ”een wentel- 1990, 13-20. - Driessen, 83 en 90>, de cijfers ofwel in de mergel of
trap in de toren” had laten aanbrengen. Derhalve lijkt het steen gekrast ofwel met verf daarop aangebracht <Waugh, 4>,
woord ”maacken” hier veeleer op een reparatie van de toren ZINNER schreef: ”Meistens ist das Zifferblatt in die Südwand
- met inbegrip van de wenteltrap - te wijzen. Overigens zou der Kirche eingemeißelt” <Zinner, 47>.Dat wekt de stellige
het aanbrengen van een nieuwe wenteltrap wellicht zo’n indruk, dat zonnewijzers met een cijferplaat veeleer de regel
ingrijpend en uitgebreid werk zijn geweest, dat het een vraag waren, zoals thans nog te Elsloo, Linne, Maastricht,
is of de onkosten wel door 150 gulden konden worden Meerssen, Rolduc, Thorn, Venlo en Weert en ook op
gedekt. verscheidene plaatsen in Belgisch Limburg te zien is <Driessen,
Ook mag niet uit het oog worden verloren, dat de bouw en 20-23, 53-109>. Welnu, als dertig gulden niet teveel was voor
het onderhoud van de kerktoren ten laste van de gemeen- de wijzerplaat van een kerkklok, kan dat bedrag moeilijk
schap kwamen. Doch van die 150 gulden, die pastoor Leurs als teveel voor een zonnewijzer met cijferplaat worden
aan dat werk besteedde, werden er slechts 90 door ”goede beschouwd.
181
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 182
Zonnewijzerbouwers woonden o.a. te Maastricht, Maaseik, aangeduid <Hermans 1990, 15>, kan op grond van die magere
Luik en Antwerpen <Driessen, 18-19>. De Geleense landmeter gegevens niet worden uitgemaakt, maar wegens het
Jan Bollen de oude (vóór 1640-1711) beschreef in een van verkleiningstoevoegsel -ken lijkt dit wel twijfelachtig. Verder
zijn meetboeken het maken van allerlei soorten zonnewijzers plaatste pastoor Leurs ”eenen Sanghletter en stoel” in de
”naer de maniere van pater Backis” <LimDag 19-2-1988>. kerk, die tezamen dertig gulden kostten. Het Duitse woord
Omdat de schepenen een rol in de aanschaf speelden, zal ”Letter” [uit het Latijnse lectionarium] heeft zowel de
het instrument van 1615 wel aan de toren bevestigd zijn betekenis ”lezenaar” - waarop tijdens kerkdiensten liturgische
geweest. Voor een zonnewijzer lijkt de zuidzijde de geschikt- gebeden- of zangboeken werden gelegd - als ”afscheiding
ste plaats. Zijn eventuele restanten kunnen verdwenen zijn, [tussen het priesterkoor en het middenschip] met galerij”.
toen bij de nieuwbouw van de kerk in 1862 de ingang aan Vanaf die afscheiding werd oorspronkelijk gepreekt. Nu
de zuidzijde van de toren werd verhoogd. schreef TRETPOEL, dat in 1463 in de kerk van Beek een lector
kwam, ”daer men op syngt [= zingt]” <PSHAL 1870, 20>; hier
Kerkmeubels en -ornamenten kan zo’n afscheiding bedoeld zijn geweest. Het komt ons
Vlak vóór zijn dood schonk Arnold IV Huyn, Heer van evenwel als waarschijnlijker voor, dat pastoor Leurs niet ”een
Geleen, een houten blad voor het hoofdaltaar ter waarde van galerij voor de zangers of het zangkoor” <Hermans 1990, 16> maar
125 gulden. De pastoor nam zelf de verfkwast ter hand om veeleer een lezenaar op het oog had. Hij schreef immers
dat blad te ”overgulden”. Dat verguldsel was blijkbaar van ”eenen Sangletter en stoel”. Deze laatste diende dan voor de
goede kwaliteit, want het kostte niet minder dan 100 persoon, die zich van die lezenaar bediende.
gulden. Leden van de familie Mutzenich schonken een Uit de aantekeningen van genoemde pastoor vernemen
tabernakel ter waarde van zestig gulden en ook dat werd we verder, dat in 1640 aan het Sint-Nicolaasaltaar een
door de pastoor - tegen onkosten van 25 gulden - verguld. In ”taeffereell” [voor 180 gulden] en een ”schilderije” [voor 36
datzelfde jaar werd tevens een schilderij boven het hoofd- gulden] werden aangebracht. Aangezien het woord tafereel
altaar aangebracht, dat 45 gulden kostte en uit aalmoezen destijds een geschilderd bord of paneel aanduidde <Stallaert,
werd betaald. Bovendien werd op het hoofdaltaar een beeld 419>, zal daarmee wel het houten bord bedoeld zijn, waarop
van Onze-Lieve-Vrouw geplaatst, dat 24 gulden kostte en een voorstelling van die heilige werd geschilderd. Bij ”onsser
waarvan de helft door Liscken Claessen, ”die huijsvrouwe L. Vrouwen Altar” liet Leurs eveneens een ”taeffereell”
van Jan Wilms”, werd betaald. Ook plaatste Leurs er een plaatsen. Daarop bracht de beneficiant Jan Maes een
”overguldt Crucifix met twee Engelen” en hing hij er een ”schilderije” aan; hij heeft toen ongetwijfeld de H. Maria
ijzeren ”Croon” [= kroonluchter ?]. Daarnaast vermeldde hij afgebeeld. Een vierde altaar was aan Sint-Eloy toegewijd.
de ”Croon voor onsser L. Vrouwen bildt, ende een kleijn Daarop zal wel een van de bewaard gebleven oude beelden
kroencke”; daarmee werden allicht echte kronen bedoeld, van die heilige hebben gestaan.
die op de hoofden van Onze-Lieve-Vrouw en het Kindje Daar pastoor Leurs de in 1554 geplaatste preekstoel niet
Jezus konden worden gezet. Verder werd op kosten van de vermeldde, blijken daaraan tijdens zijn pastoraat geen
kerk ”een voetenbanck vor den hohen Altar” geplaatst. reparaties te hebben plaatsgehad. Wel werden nog meer
De suggestie, dat wij hier te doen zouden hebben met het uit kerkmeubels toegevoegd. In 1622 schonk Arnold IV Huyn,
Geleen afkomstige hoofdaltaar, dat zich thans nog te Heer van Geleen, een ”doopsteijn” [= doopvont van steen],
Oirsbeek bevindt <Hermans 1990, 10-11>, is niet aanvaardbaar. die nog steeds in gebruik is; zij draagt niet alleen dat jaartal
Op de eerste plaats geven de hierboven vermelde details de maar ook het familiewapen en de initialen van de schenker.
stellige indruk van een vrij eenvoudige constructie, terwijl Pastoor Leurs kocht zelf een deksel en liet op kosten van de
het altaar te Oirsbeek royaal van in reliëf uitgevoerd hout- kerk een ”gereempte [= houten scherm of hek] daerommen”
snijwerk is voorzien. Ook kan het op het draaibare taber- aanbrengen. Ook liet Leurs een ”Bichtstoel” plaatsen, waar-
nakel van dit laatste altaar staande geverfde reliëf [Abraham voor hij 35 gulden betaalde. In 1632 liet hij op eigen kosten
zijn zoon Isaak offerend] moeilijk een ”schilderij” worden twee ”wijenwater steenkens” aan de ”pijlers” aanbrengen. De
genoemd. Het tabernakel en het schilderij uit 1624 waren vermelding van die pijlers wijst kennelijk op een verdeling
trouwens twee geheel verschillende voorwerpen. Tenslotte van de kerkruimte. Die wijwaterbakjes werden later aan
moet het altaar te Oirsbeek wegens zijn barok- of laat- weerszijden van de ingang onder de toren aangebracht.
rococostijl aan een latere periode worden toegeschreven. Verder kwamen in de kerk nog twee grote ijzeren luchters,
Door deskundigen wordt het in het laatste kwart van de die van ”alde kercke iser” waren gesmeed, twee korte ijzeren
achttiende eeuw geplaatst <Voorl.-Lijst VIII, 362>. luchters, een ”cooperen Lantern”, die de pastoor schonk, en
Op het koor werden nog meer veranderingen aangebracht. een ”schoon coopere lamp” ter waarde van twaalf patakons,
Zo kwamen er een fraai ”koercken [= koortje] van schrinen- welke laatste door Arnold V Huyn werd geschonken.
werck” ter waarde van 44 gulden, dat door de Vrouwe van
Geleen werd geschonken, en een ”gerempten” [= geraamte Gewijd vaatwerk, paramenten en liturgische boeken
= hek] voor ”den koer”, dat door de kerk werd betaald. Of Pastoor Leurs schreef, dat bij zijn aankomst te Geleen op
met dat ”koercken” ”een verhoging voor de zangers” werd 26 april 1605, als jeugdige assistent van de hoogbejaarde
182
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 183
pastoor Clocken in de kerk had aangetroffen ”niet meer als In 1617 kocht hij een ”Ro(o)msch Missal” [boek met
eenen schlechtten Casull [= kazuifel], een koercap, drije misgebeden]. Daar hij dat met Keulse daalders betaalde,
schlechtte dwelen [= witte altaarkleden], twee kelcken - eene heeft hij dit waarschijnlijk van zijn in dat jaar ondernomen
silveren overgulde ende eene halff silveren overgulde - ende reis naar Keulen meegebracht. In 1621 schafte hij nog een
6 cooperen luchtteren [waarvan] 2 op den hohen altar, 2 op ”Gradual” [= boek met alle misgezangen] en een ”Matutinal”
onsser L. Vrouwen altar, ende noch 2 op St. Nicolaes altar - [= boek voor het bidden van het morgenofficie, de matutina
1 koepern wyroucksvat ende 1 schlechte alfft [= albe = lang of metten] aan. Verder kocht hij een ”Psalterium” [= boek
wit kleed]”. met 150 psalmen]. In 1641 ging hij andermaal naar Keulen
Met de hulp van weldoeners zou hij daarin heel wat ver- en bracht hij vandaar een ”Missale ordinis Praemonstra-
beteringen aanbrengen. Een oude kelk liet hij repareren. In tensis” mee, d.w.z. een misboek van de orde der premonstra-
1617 schonk koster Johan Wilhem Smitz een koperen tensers of norbertijnen. Op het generale kapittel van de orde
vergulde ciborie [= hostiekelk met deksel] ter waarde van in 1622 werden daartoe nieuwe richtlijnen gegeven, die
twintig gulden. In datzelfde jaar ging de pastoor in Keulen bepaalde feesten en speciale gebeden benadrukten <Lefèvre>.
een koperen vergulde monstrans [= liturgisch vaatwerk, Tenslotte liet Leurs twee armozijnen vaandels maken, die elk
waarin de geconsacreerde hostie - vaak in het centrum van twintig gulden kostten. Een daarvan werd door ”die
een stralenkrans - ter verering wordt uitgestald] ter waarde maagden” van Geleen geschonken, terwijl hij de andere zelf
van 75 gulden halen, die hij in 1648 voor 55 gulden weer betaalde. Die schijnen nogal veel gebruikt te zijn, want in
aan de pastoor van Munstergeleen zou verkopen. Op 18 1641 liet hij twee nieuwe vaandels van damast maken.
oktober 1648 betaalde hij 26 gulden aan ”den goltschmeedt
vanwege der Monstranz”; dit zal wel een nieuwe monstrans Kerkhofmuur, ”beijnhuijsken” en ”gemeijnen wegh gaende
zijn geweest. Verder liet hij een nieuwe zilveren ciborie over den kirckhoff”
maken, die hij daarna in een gewone miskelk liet veranderen. Zoals wij zagen werden de kerkhoven in de Middeleeuwen
Pastoor Gerard Beltjens van Amstenrade, wiens wieg vlak bij met forse muren omringd. Pastoor Leurs tekende aan:
de kerk van Geleen had gestaan, schonk vijftien gulden voor ”Anno 1628 heb ick die kerckhoffmuier laeten maecken,
het aanschaffen van ”een silveren Busken daer men het ende die naebueren hebben betalt”. Hier was ongetwijfeld
H. Hochw. Sacrament met draagt bij die krancken”, terwijl slechts van een reparatie sprake. Ook hier had het woord
de gezusters Lisbet en Meyken Mutzenich eenzelfde bedrag ”naebueren” een veel ruimere betekenis dan ”omwonenden”
schonken voor de aankoop van ”drije silveren buskens daer [van kerk en kerkhof] en betekende het veeleer ”parochia-
men den H. Olije ende H. Crisma in verwart [= bewaart]”. nen”.
Ook de paramenten werden vernieuwd. Zo schafte hij vier Op het kerkhof liet hij in 1620 voor 46 gulden een ”steenen
kazuifels aan, nl. een wit gebloemd, een zwart ”trypen” beijnhuijsken” optrekken. Dit was een knekelhuis, waarin de
[= fluweelachtig], een rood ”armesijnen” [= van dunne doodshoofden en beenderen, die bij het aanleggen van
weinig glanzende zijden stof] en een van rode damast. nieuwe graven aan de oppervlakte kwamen - vaak achter
Daaraan voegde hij een rode damasten koorkap toe. Deze traliewerk - werden ondergebracht <PSHAL 1870, 104>. Op dit
werden grotendeels door vrome vrouwen geschonken. Drie huisje werd een crucifix geplaatst.
van hen waren Margaretha van Bocholt, echtgenote van In vroeger eeuwen liep reeds een korte verbinding tussen de
Arnold III, Heer van Geleen, haar dochter Alexandrina en Dorpstraat [Marcellienstraat] en de Jodenstraat over het
haar schoondochter Margaretha van Wittenhorst. Daar kerkhof. In een der meetboeken Bollen (1676-1706) staat
voegde Leurs nog twee ”alffen” [= alben], nl. een ”plessen” dat de pastorie ”voor een hooft” lag aan ”den wegh gaende
[= geplisseerd ?] en een ”smale” [= niet enge maar kleine] aan over den kirckhoff”. Ook het huis van Meijcken Smeets,
toe. dochter van koster Frans Smeets [vermoedelijk ongeveer ter
Voor het altaar schafte hij aan ”duwelen met het spellewerck” plaatse van het latere huis Vroemen, tegenover de huidige
[= dwalen met kantwerk], een witte gebloemde voorhang, pastorie], lag ”neffens den gemeijnen wegh gaende over den
een rode damasten voorhang, ”eene lederen overgulden kirckhoff”.
voorhangh ende twee cuskens”, ”eene swarten kanten voor-
hangh met een wit langh creutz” [voor begrafenisdiensten en De pastorie
overlijdensmissen] en een stel velums of vela [= zijden Pastoor Leurs noteerde, dat hij bij zijn komst in 1605 had
doeken om liturgische voorwerpen te omhullen of te ”gevonden het Pastoral huijs seer vervallen”. Hij wist het
dragen]. Arnold V Wolfgang Huyn, Heer van Geleen, ”met grote costen wederomme in ehre” te brengen. Zijn
schonk een paar zilveren ampullen, de moeder van de onkosten werden nog verzwaard door het feit, dat hij zijn
pastoor schonk een tweede paar, terwijl het in 1641 door voorganger ”met cost, dranck ende kleyder” van 1605 tot
Bilken Huyben geschonken paar voor gebruik aan het St.- 1611 moest onderhouden. En hij voegde hieraan toe, dat hij
Nicolaasaltaar bestemd was. Verder kwam er nog een nieuwe ”daermede in grote schuldt geraakt” was. Teneinde zijn
”wijwater ketell”. financiële situatie te verbeteren, kreeg hij in 1610 gedaan dat
Ook zorgde pastoor Leurs voor nieuwe liturgische boeken. zijn naaste familieleden een wei aan de Steeg te Sittard voor
183
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 184
200 gulden aan zijn neef Goert Cloet of Clootz verkochten Nicolaas Clocken (1564-1611)
en hem dit bedrag afstonden. Tevens ontving hij door Na het overlijden van pastoor Heep werd Joannes Nicolaas
tussenkomst van zijn moeder 100 gulden van zijn bloed- Clocken (geboren in 1520 of 1521) tot diens opvolger
verwant J. Beltjens. Later ontving hij ook nog 450 gulden benoemd. Hij legde in 1540 te Reichenstein zijn geloften af
uit de nalatenschap van zijn halfzuster Metge. en was van 1559 tot 1564 prior van dat klooster. In laatst-
Mede op aandringen van de abt van Steinfeld (D.) kwam genoemd jaar kwam hij als pastoor naar Geleen. Daar zou hij
zijn moeder reeds vanaf het begin bij Nicolaas Leurs op de zowel zijn gouden (50-jarig) als zijn diamanten (60-jarig)
pastorie wonen; daar zou zij circa 1621 overlijden. Leurs priesterfeest vieren.
noemde haar carissima mater mea Anna [= mijn dierbaarste Er zijn slechts weinig gegevens uit zijn pastoraat bekend. In
moeder Anna]. Zij bracht haar eigen meubels mee en bleef een document staat, dat hij niet alleen op zon- en feestdagen
die daarna gebruiken. Om te voorkomen dat na zijn dood maar ook op elke woensdag en vrijdag de mis las. De laatste
tussen zijn familieleden en zijn opvolger onenigheid over jaren van zijn leven leed hij aan de kwalen van de oude dag,
zijn erfenis zou ontstaan, maakte Leurs een lijst van de voor- vooral doofheid <Conrads, 99>. Hij stierf in 1611 in de
werpen, die hij bij zijn komst had aangetroffen. Daarop gezegende ouderdom van 90 jaren.
staan o.a. ”twee alde bedtsteedt”, terwijl hij zelf een nieuwe
”bedstadt” van wilgenhout liet maken. Ook wordt daarin Nicolaas Leurs (1611-1654)
allerlei bak-, braad-, kook- en eetgerei vermeld, o.a. een Deze norbertijn werd circa 1580 te Sittard geboren. Daar
braadpan en een braadspit; bovendien een ”boterstangh” heeft hij waarschijnlijk de kapittelschool bezocht. In 1602
[= om boter te karnen]. Verder had hij niet alleen tinnen en legde hij in het klooster te Reichenstein zijn geloften af; kort
porseleinen borden, maar ook ”eenige holtte [= houten] nadien werd hij tot priester gewijd. In 1605 werd hij door de
tellueren”. abt van Steinfeld (D.) naar Geleen gestuurd om de hoog-
Pastoor Leurs bleef op de traditionele wijze veeteelt en bejaarde herder Clocken bij te staan. Zijn uit Geleen afkom-
landbouw beoefenen. Zo had hij bij zijn komst op de stige prior Mathias Mutzenich gaf hem een Rijnlandse
pastorie twee koeien en een kalf aangetroffen, die in de daalder als reisgeld mee. Op 26 april 1605 arriveerde hij in
pastoorswei hun voedsel vonden. Ook hield hij twee zijn nieuwe standplaats. Hij zou er bijna een halve eeuw
varkens. Verder schrijft hij, dat in zijn schuur rogge, gerst en verblijven.
erwten werden gedorst, maar er staat niet bij dat hijzelf de Nadat pastoor Clocken was overleden, werd Nicolaas Leurs,
dorsvlegel hanteerde. Bovendien schrijft hij dat van zijn gerst op voorstel van de abt van Steinfeld, tot pastoor van Geleen
bier werd gebrouwen, doch hij laat onvermeld of dit op de benoemd. Volgens pastoor Nijssen legde hij op 30 november
pastorie dan wel elders gebeurde. Verder noteert hij, dat hij 1611 te Geleen voor genoemde abt een plechtige geloofs-
zowel ”sterckkoelen” als ”kluijtkoelen” had gekocht. Met het belijdenis af en zwoer hij de eed op het evangelie, waarna hij
eerste zal hij wel gewone steenkool hebben bedoeld, terwijl door de deken van Valkenburg ”met veel staatsie” als pastoor
hij met het tweede ongetwijfeld verwees naar de - tot in van Geleen werd geïnstalleerd <JPGL 1910, 83>.
onze tijd gehandhaafde - gewoonte om ”kluiten” van een Wij zagen reeds, dat hij wegens geloofsvervolging door de
mengsel van leem en kolengruis voor het haardvuur te protestantse bezetters in de jaren 1636-1638 moest vluchten
maken. of onderduiken. Daar Sittard en Munstergeleen toen Guliks
Ook noteerde pastoor Leurs, dat zich op de pastorie 25 waren, hoefde hij niet ver te gaan om zich in veiligheid te
boeken bevonden. Over een daarvan zijn we nader ingelicht. brengen. Volgens een uit het archief van Steinfeld afkomstig
In de bibliotheek van de paters kruisheren te Maaseik wordt document te Düsseldorf bewoog hij zich als leek gekleed
het exemplaar van de Summa Theologiae van Sint-Thomas onder zijn parochianen en zorgde hij ervoor, dat zij noch van
van Aquino bewaard, dat Leurs in 1611 van zijn oom het woord Gods noch van de sacramenten verstoken bleven:
Joannes Cloet of Clootz, kanunnik te Sittard, ontving. Dit in habitu saeculari ob persecutiones delatescere et suis ovibus...
lijkt een installatiegeschenk te zijn geweest. In 1635 schonk Verbi Dei et sacramenta administrare spectavit <JPGL 1910, 85>.
hij het op zijn beurt aan Frans Leurs, beneficiant van het Voor zijn twintigste-eeuwse opvolger M. Nijssen is dit citaat
St.-Nicolaasaltaar <SittardHG, 400>. de aanleiding geweest om er als volgt op los te fantaseren:
”Volgens het uittreksel van het Dusseldorpsch archief
De pastoors verscheen hij er meermalen in leekengewaad of in
verschillende gedaanteverwisselingen, nu eens gekleed als
Tijdens de 96-jarige periode van de heerlijkheid Geleen veehandelaar in een blauwen kiel, dan eens als een boer
hebben slechts drie pastoors de parochie bediend. Toen die gewapend met schop en riek, dan wederom als koopman
heerlijkheid werd opgericht, was pastoor Joannes Heep of met lange laarzen om de beenen of als een vreemdeling op
Heip reeds vijf jaren in functie. Hij overleed in 1564. [Zie reis naar de lieve heimaat om zoo doende aan het bespiedend
”Parochie en geestelijkheid van 1201 tot 1558” in hoofdstuk oog zijner vervolgers te ontsnappen enz.”<JPGL 1910, 85 en 183>.
III.] Na hem hebben twee pastoors tezamen gedurende 90 Een paar maanden nadat hij uit zijn ballingschap was terug-
jaren de parochie bestuurd. gekeerd, richtte hij [in mei 1639] een schutterij op. Wij
184
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 185
zagen reeds, dat hij in 1640-1643 het oude koor van de kerk Hillensberg overleed [zie ”Kroniek” onder 1642], dan wel
door een geheel nieuw koor verving. Pastoor Leurs overleed diens naamgenoot, die in 1654 een in het Frans gestelde akte
op 11 mei 1654. Op verzoek van de schrijver werd in 1954 als ”François Leurs vicaire à Opgeleen” tekende. Deze laatste
de naam van de vroegere Kerkstraat door het gemeente- overleed op 2 februari 1680 als pastoor te Lanklaar (B.). De
bestuur in Leursstraat veranderd. op 12 maart 1615 te Geleen gedoopte Frans Leurs was waar-
schijnlijk de jongste van beiden. Ook was een van hen
De beneficies Magister Artium.
In de parochiekerk van Geleen bestonden reeds eeuwenlang Beneficie van Sint-Eloy (H. Eligius)
vier beneficies. Ook uit de periode van de heerlijkheid Toen Nicolaas Leurs in 1605 als assistent naar Geleen kwam,
Geleen (1558-1654) zijn daarover gegevens bewaard was aan het altaar van Sint-Eloy een beneficie verbonden.
gebleven. Rond 1639 vermeldde hij de daaraan verbonden inkomsten
en merkte hij tevens op, dat de beneficiant de verplichting
Beneficie van Onze-Lieve-Vrouw had om jaarlijks op de feestdagen van die heilige, nl. 25 juni
Arnold Mutzenich was in de eerst helft van de zestiende [overbrenging van zijn relikwieën] en 1 december, missen op
eeuw beneficiant van het Onze-Lieve-Vrouwealtaar. Het is te dragen.
niet bekend hoelang hij die functie heeft uitgeoefend. In
1573 ontstond er een conflict tussen de geboren Gelener Beneficie van de H. Anna
Mathias Mutzenich, die te Reichenstein was ingetreden, en De in de ”codex” van Pastoor Leurs vermelde ”renten van St.
de priester Joannes Lindenlauf. Toen beiden aanspraak op Annen Misse” bewijzen het bestaan van een beneficie van de
het beneficie van Onze-Lieve-Vrouw maakten, wierp H. Anna in de kerk van Geleen. Aangezien hij die renten in
Lindenlauf tegen, dat Mutzenich als ordegeestelijke daartoe aansluiting op en doorlopend genummerd met de pastorie-
niet bevoegd was. Het dispuut werd door de bisschop van
Roermond ten gunste van de norbertijn beslist. Ofschoon
hij in 1579 tot prior van Reichenstein werd benoemd, bleef
hij dit beneficie tot 1602 waarnemen; hij heeft zich waar-
schijnlijk laten vervangen.
Zijn opvolger was zijn bloedverwant Jan Mutzenich junior.
Daar deze zijn verplichtingen niet nakwam, kreeg Leurs in
1609 van de bisschop de opdracht om van de preekstoel voor
te lezen, dat iemand die iets aan het beneficie van Onze-
Lieve-Vrouw verschuldigd was, dit niet aan Jan Mutzenich
junior mocht overhandigen, want die gaf wel voor de
beneficiant van dat altaar te zijn, maar hij bad geen getijden
en las evenmin de twee missen, die elke week aan dat altaar
moesten worden opgedragen, terwijl hij er bovendien geen
blijk van gaf zich naar de kerkelijke voorschriften te willen
richten. Pas op 13 oktober 1617 deed hij afstand van het
beneficie van Onze-Lieve-Vrouw ten gunste van Jan Maes
<LvO nr. 1518>.
Deze reeds eerder vermelde priester, die de universitaire
graad van Magister Artium [= Meester in de (vrije) kunsten]
bezat, werd ook nog pastoor te Stein - waar hij zich liet
vervangen - en beneficiant te Limbricht. Hij bleef in het
ouderlijk huis aan het kerkhof wonen. Wegens zijn onvoor-
beeldig gedrag werd hij op 9 april 1646 door de kerkelijke
overheid uit zijn beneficie te Geleen ontzet. Toch tekende hij
in 1654 als ”vicaire” te Geleen. Hij overleed in 1657. [Zie
”Kroniek” onder 1640-1652.]
Beneficie van Sint-Nicolaas Deze 76 cm hoge ”Annatrits” of ”Anna-te-drieën” (Duits:
Over dit beneficie staan slechts weinig gegevens ter beschik- Anna-Selbdritt) - links de H. Anna, rechts de H. Maria,
king. Vanaf 1635 werd het waargenomen door ene Frans midden het kindje Jezus - die eeuwenlang in de kerk te Oud-
Leurs. Het is evenwel niet duidelijk of dit de neef van Geleen heeft gestaan - dateert van circa 1500 <Foto M. Verjans>.
pastoor Leurs was, die op 22 april 1642 als pastoor van
185
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 186
renten opsomde, schijnt hij de inkomsten van dit beneficie zouden zij elk jaar ongeveer een stuiver in ”den Offerstock
- na aftrek van hetgeen de koster toekwam - zelf te hebben [= offerblok], staende in de Kerk, tot verlossinge der
genoten. gevangene Christene Slaven” moeten deponeren. Tenslotte
dienden zij steeds ”het Scapulierken” te dragen.
Parochiële lekenfuncties De keerzijde van dat document bevat een lange lijst van
dagen, waarop men - na gebiecht en gecommuniceerd te
Kosters hebben - volle aflaten kon verdienen. Tevens staat daarbij
Uit de periode van de heerlijkheid Geleen (1558-1654) zijn vermeld, dat men onder dezelfde voorwaarden zo’n aflaat
slechts weinig gegevens over kosters bewaard gebleven. In kon verdienen ”met devotie vergezelschappende [= deel-
1608 was er sprake van koster Toenis. Pastoor Leurs maakte nemend aan] de maendelijke Processie” <HerHoog, 140-141. -
onder het jaar 1617 gewag van koster Johan Wilhelm Smitz. Hermans 1991, 43-46>. Uit een andere bron blijkt, dat die
Hij moet wel kort nadien zijn overleden of hebben bedankt processie eens per maand rond de kerk werd gehouden.
en door Frans Smeetz of Smeets [zijn zoon ?] zijn opgevolgd,
want toen deze laatste in 1619 met Greetgen Recken trouw- ”Renten” voor de kerk en haar bedienaars
de, was hij reeds koster. Daarna werd Frans Smeets o.a. in
1620, 1630, 1637 en 1655 in die functie vermeld; hij zou Gedurende zijn ballingschap (1636-1638) heeft pastoor
die tot aan zijn dood op 12 juli 1674 blijven waarnemen. Leurs nauwkeurig aantekening gehouden van de ”renten”,
Zijn echtgenote overleed op 22 december 1655. die zijn parochianen aan de kerk, de pastorie, de beneficies
en de armen verschuldigd waren. Daarbij maakte hij blijk-
Kerkmeesters baar gebruik van een register uit 1599, dat zijn voorganger
Pastoor Leurs noteerde de namen van alle Geleners, die van had aangelegd. Die renten vloeiden hoofdzakelijk voort uit
1604 tot 1649 het ambt van kerkmeester vervulden. Van lasten, die op huizen en percelen rustten. Zij waren eigenlijk
1650 t/m 1660 is er een hiaat in die lijst. Aanvankelijk cijnzen, want ze bestonden bijna allemaal uit leveranties van
werden telkens twee kerkmeesters tezamen voor twee jaar betrekkelijk kleine hoeveelheden ”saet” [= koolzaad], rogge
aangesteld, maar vanaf 1630 nam slechts één persoon die en haver; sommige parochianen waren tot leveringen van
functie voor één jaar waar. Men treft in die lijst heel wat wijn of was verplicht.
bekende namen aan. In 1630 was koster Frans Smeets tevens Door telkens de ligging van die gebouwen en percelen, hun
kerkmeester. eigenaars en de naaste buren te vermelden, heeft die pastoor
een vrij goed overzicht van de bewoning van het kerspel
Aartsbroederschap van de Geleen in de eerste helft van de zeventiende eeuw verschaft.
Allerheiligste Drievuldigheid En omdat zijn opvolgers bij de meeste percelen tevens latere
bezitters noteerden, terwijl die lijsten in 1696, 1723/24 en
Rond 1943 vond ik in het parochiearchief van Oud-Geleen 1746 volledig vernieuwd werden, kunnen langs die weg de
een gedrukt document, waarin de voorschriften en voor- opeenvolgende generaties van de bewoners van menig huis
rechten van de aartsbroederschap van de Allerheiligste worden achterhaald.
Drievuldigheid werden opgesomd. Later werd een ander Bij de verdeling van met parochiële renten belaste percelen
exemplaar ontdekt in het Museum Catharijneconvent te grond werden ook die lasten verdeeld. Vandaar dat men vaak
Utrecht <Hermans II, 44-45>. Op grond van de daarin voorko- leest dat percelen met fracties van inhoudsmaten, zoals 21/8
mende verwijzing naar paus Alexander VII (1655-1667) kan kop of 11/16 kop graan, waren belast. Wegens steeds verder
dit formulier [op zijn vroegst] circa 1660 worden gedateerd, verdelen door opeenvolgende erfgenamen werden in
maar omdat reeds in 1639 van een ”Aertsbroederschap van sommige gevallen opvallend kleine maten bereikt. Zo staat
de Alderheyligste Dryvuldigheyd” sprake was, zullen in een notariële akte van 8 oktober 1842, dat een perceel in
sommige van de daarin vermelde voorschriften en voor- het [ten oosten van Daniken gelegen] Danikerveld belast
rechten allicht reeds enkele decennia tevoren ter plaatse van was met een jaarlijkse rente van ”twee schepels, negen
toepassing zijn geweest. koppen, twee maatjes en twee vingerhoeden” rogge.
In dat document werden de doeleinden van die aarts- Bij dergelijke en andere opgaven dient men sommige
broederschap als volgt geformuleerd: ”de vermeerderinge van uitdrukkingen uit die tijd correct te verstaan. Juist zoals wij
de Glorie van d’Alderheyligste Dryvuldigheyd, ende werken onder ”anderhalf” [=11/2] verstaan dat de ”andere”
van Bermhertigheyd, tot verlossinge van de gevangene [= tweede] slechts voor de helft wordt berekend, zo duidde
Christene Slaven... ende ook de mededeylinge van alle men vroeger met ”dardenhalffen cop saetz” aan, dat van de
Gratien, Privilegien, Aflaten, ende geestelijke goederen van derde kop koolzaad slechts de helft diende te worden geleverd;
den H. Stoel van Roomen gegeven”. dat kwam derhalve niet op 31/2 maar op 21/2 kop koolzaad
Degenen, die zich in die broederschap lieten inschrijven, neer. Om diezelfde reden betekenden ”vierdehalff” niet 41/2,
moesten elke dag zes onzevaders en weesgegroetjes en maar 31/2, ”vijffdehalff” niet 51/2, maar 41/2, en ”sesde-
eenmaal ”Glorie zy aen den Vader etc.” bidden. Bovendien halff” niet 61/2, maar 51/2 <Hermans 1990, 22-23, 28-29, 34 en 36>.
186
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 187
Kerkrenten percelen verschuldigd waren. Die woningen of percelen
De door pastoor Leurs gemaakte ”Aenteickeninge der waren niet alle te Geleen gelegen; zo was de molen van
kerckenrenten van Opgeleen” bevatten niet minder dan 90 Terborg onder Schinnen jaarlijks zestien vat rogge aan het
over Oud-Geleen, Lutterade, Krawinkel, Neerbeek en Onze-Lieve-Vrouwebeneficie van Geleen verschuldigd.
Daniken verdeelde percelen, die hoofdzakelijk koolzaad,
rogge of haver in verschillende hoeveelheden - van een halve Renten voor de koster-onderwijzer
kop tot drie vat - aan ”renten” opleverden tot een totaal van Zoals wij hieronder zullen zien, werden ook veel ”renten” in
ruim 34 vat rogge, 171/2 vat koolzaad en 2/3 kop haver. natura en in geld voor de armen bijeengebracht. In 1643
Maar een klein aantal parochianen moest de kerkrente in noteerde pastoor Leurs: ”hebben die Ermen noch 11 gulden
andere vormen leveren. Zo moest Claes Meijs elk jaar ”6 renten, diewelcke van Pastoor ende Schepenen voor mijnen
quartt wijns” bezorgen en moesten Welter Artz en Itgen tijt ende in mijnen tijt ex gratia sijn vergunt den Custer te
Hamers tezamen met Kerstmis twee en met Pasen vier ontfanghen, om daervoor die Ermen kinder te leeren”. Die
”quarten wijns” bij de pastoor afleveren. Ercken Claessen regeling hield klaarblijkelijk in, dat de ouders van andere
was jaarlijks een pond was verschuldigd, terwijl drie kinderen, die onderwijs genoten, ”leergeld” aan de koster-
inwoners van Neerbeek gezamenlijk eveneens een pond was onderwijzer gaven.
moesten leveren; de ”rente”, die de halfer van de grote hoeve
van Lutterade wegens het gebruik van vier bunder in het De zorg voor armen en pelgrims
Geleenderveld moest opbrengen, bedroeg twee pond was.
Door de charitatieve houding van sommige Geleners bleven Ook in de periode van 1558 tot 1654 werd de zorg voor de
de kerkrenten voortdurend aangroeien. Zo schonken Daem plaatselijke armen en de bijstand aan hulpbehoevende
Penris en zijn vrouw in 1629 een bedrag van 100 gulden aan vreemdelingen op de traditionele wijze voortgezet.
de kerk en deden Ercken Claessen en zijn vrouw hetzelfde in
1631. Die bedragen werden tegen interest aan andere Armenzorg
Geleners geleend; deze laatsten moesten daarvoor een deel Sprak Agnes Huyn in 1572 nog van de ”Heylig(g)eest-
van hun eigendommen in onderpand geven. meisters tot Geleen”, pastoor Leurs gebruikte enkel de
uitdrukking ”armenmeesters”. In zijn tijd was het gasthuis in
Pastorierenten de Pieterstraat nog in gebruik. Hij noteerde de namen van
Zoals wij zagen genoot de pastoor, behalve de stipendia voor de Geleners, die de functie van armenmeester vanaf 1604
het waarnemen van de kerkelijke diensten, ook de hebben waargenomen; van 1640 tot en met 1653 wordt die
inkomsten van de beneficies van de H. Anna en de lijst onderbroken. Juist zoals dit bij de kerkmeesters het geval
H. Eligius, de pacht [door de halfer van Lutterade] van 1/3 was, zo werden aanvankelijk ook elke twee jaar twee armen-
van de grote tiende en een aanzienlijk deel van de kleine meesters aangesteld, die hun taak gedurende die tijd
tiende. Daarnaast had hij nog andere inkomsten. Zo kreeg gezamenlijk uitoefenden. Maar te beginnen met 1630 werd
hij jaarlijks uit de kerkrenten een vat rogge en drie flessen die functie slechts voor één jaar aan één armenmeester
wijn en leverde de halfer van Lutterade hem elk jaar 400 toegewezen. Het ligt voor de hand, dat men in beide lijsten
bussels stro, 100 pond boter en een vet varken. Een niet veelal dezelfde namen aantreft.
onbelangrijke bron van inkomsten vormden de pastorie- Later bleek de verzorging der armen anders georganiseerd te
renten, die hij van 48 percelen ontving. Deze leverden 56 vat zijn. In een akte van 24 september 1732 werd pastoor
rogge, 11 vat haver, een vat gerst, een vat koolzaad, 121/4 Heimbach de ”oppermomboir [= hoogste voogd] der armen
kapoenen en ongeveer 40 denariën op. van alhier” genoemd, terwijl een paar schepenen als
”momboiren der armen” werden aangeduid.
Renten van de beneficies van Onze-Lieve-Vrouw
en Sint-Nicolaas Renten en/of ”pensionen” voor de armen
De bedienaars van de beneficies van Onze-Lieve-Vrouw en De armenrenten werden eveneens door pastoor Leurs
Sint-Nicolaas hadden twee bronnen van inkomsten. Op de opgetekend; deze bestonden bijna uitsluitend uit rogge en
eerste plaats ontvingen zij de pacht van de percelen grond, slechts een klein beetje tarwe, terwijl er geen enkele bijdrage
die aan hun beneficies toebehoorden; zo waren aan het van koolzaad, wijn of was in voorkwam. Dit laatste is niet
beneficie van Onze-Lieve-Vrouw bijna zeven bunder en aan verrassend, want men voorzag de armen van Geleen vooral
het beneficie van Sint-Nicolaas bijna vier bunder verbonden. van broden. Zo staat in een register uit die tijd: ”Op die
De opgaven door pastoor Leurs uit 1637 stemmen niet vier vrijdaghen van die quatertemper wordt broot van een
volledig met die van de landmeters Bollen van rond 1700 malder roggen gebacken gedistribueert onder die Ermen
overeen. van Geleen”. Dit gebruik ging terug op een testamentaire
Bovendien genoten de beneficianten erfpachten en/of stichting door de Gelener Alart Alarts in 1525. [Zie
cijnzen, die in de vorm van granen, kapoenen of geld door ”Kroniek” onder 1525.]
de eigenaars of gebruikers van sommige woningen en/of De lijst van armenrenten was niet zo uitvoerig als die van de
187
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 188
kerkrenten; pastoor Leurs vermeldde aanvankelijk slechts 56 opbrengst tot onderhoud van ”pelgrims hier passerende”
percelen, waarop de verplichting van een rente aan de moest worden besteed. Het ging blijkbaar om personen, die
Geleense armen lag. Doch daar staat tegenover, dat in die hetzij in processieverband hetzij individueel via Geleen naar
lijst doorgaans grotere bijdragen dan in die van de kerk- diverse bedevaartsoorden onderweg waren en hier om
renten voorkwamen; ze bevatte niet alleen heel wat posten voeding en/of logies verzochten. Vermoedelijk werden ze in
van twee vat rogge, maar ook verscheidene van drie en vier het gasthuis ondergebracht. Ruim een eeuw later zou pastoor
vat en zelfs een enkele van zes vat rogge tot een totaal van Heimbach verklaren, dat ”gemerckt geene pelgrims meer
honderd vat rogge en twee vat tarwe. komen, is den intresse [van de voor pelgrims geschonken
Ook de armenrenten bleven voortdurend aangroeien. kapitalen] sedert veele jaren door den Pastor aen de huys-
Pastoor Leurs schreef boven een nieuwe lijst: ”Dies nae- armen door het jaer volgens sijne discretie [= voorzichtig
volgende rent heb ick in mijnen tijt gebedelt”. Daarna oordeel] worden uytgedeelt”.
somde hij een aantal schenkingen tot een totaalbedrag van
780 gulden ten behoeve van de armen op. Tevens noteerde
hij nog een aantal schenkingen, die van 15 gulden tot 100
daalder varieerden.
Al die bedragen werden niet als zodanig aan de armen
besteed, maar werden door de armenmeesters op pandschap
uitgeleend. Hiervan werd een zogenaamd pension, d.w.z.
interest of rente in de hedendaagse zin van dat woord, ten
behoeve van de armen betaald. De registers vermelden
verscheidene gevallen van het aflossen van het geleende
kapitaal; daarop werd dit weer aan een andere persoon
uitgeleend.
Aalmoezen
In sommige gevallen werden de armen van Geleen met een
weinig geld bedeeld. Zo ontvingen zij met St.-Clemens [= 23
november] in de kerk - na afloop van het jaargetijde van
Clement van Nierbeeck - de rente van 110 gulden. Op de
quatertemperwoensdagen ontvingen 22 armen elk acht
stuiver uit een rente van twaalf gulden, die Agnes Huyn,
natuurlijke dochter van Arnold I Huyn van Geleen, op 8
juni 1572 bij testament aan de armen van Geleen had
vermaakt.
Soms ontvingen de armen ook inkomsten uit opgelegde
boeten. Zo werd de Gelener M. L., die circa 1622 bij G. P.
een onwettig kind had verwekt, door de Heer van Geleen tot
een ”amende” van 48 gulden veroordeeld. De helft van dat
bedrag was voor het onderhoud van het kind bestemd,
terwijl de andere helft aan de armen van Geleen ten goede
moest komen. Uit een latere aantekening blijkt, dat de Heer
van Geleen die ”zondaar” had gebruikt om voor twee jaar de
bovenvermelde rente van twaalf gulden te voldoen, die door
zijn zojuist genoemde [onwettige] bloedverwante Agnes
Huyn was gesticht en die hij zelf verschuldigd was te betalen.
Aangezien Arnold IV Huyn al in 1624 stierf en zijn opvolger
in gebreke bleef aan zijn verplichting te voldoen, schreef
pastoor Leurs in 1649, dat de achterstallige rente van
de stichting van Agnes Huyn toen tot 288 gulden was
opgelopen.
”Die pelgrims hier passerende”
De zeventiende-eeuwse registers vermelden sommige
schenkingen door Geleners van 100 tot 400 gulden, die wel
onder de armenrenten genoteerd staan, maar waarvan de
188
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 189
V keizer van Oostenrijk de soeverein in deze streken en werden
de Spaanse Nederlanden voortaan de Oostenrijkse
Het graafschap Nederlanden. Bij de komst van de Fransen in 1794 werd het
Geleen graafschap Geleen - tezamen met vele andere graafschappen
(1654-1794) en heerlijkheden - van de kaart geveegd.
De verheffing van de heerlijkheid Geleen tot graafschap door 1. Het graafschap, zijn eigenaars
de koning van Spanje in 1654 was in zekere zin reeds voor- en bestuurders
bereid door de verheffing van de leden van de oudere
Geleense tak van het geslacht Huyn in de rijksgravenstand De juiste aard en omvang van het graafschap Geleen is door
door de Duitse keizer in 1640. Het graafschap werd historici niet altijd accuraat weergegeven. Evenmin werden de
opgericht, toen Spaanse en Staatse diplomaten de Tachtig- titels en de functies van diverse personen, die in verband met
jarige Oorlog in deze streken tot een definitief einde dat graafschap optraden, steeds op de juiste wijze geïdentifi-
trachtten te brengen; het zou bijna anderhalve eeuw stand- ceerd. Derhalve lijkt het dienstig daar nader op in te gaan.
houden.
In 1713 gingen de Zuidelijke Nederlanden - inclusief de vier Oprichting, uitbreiding en inkrimping van het
Landen van Overmaas - van de Spaanse tak naar de graafschap Geleen
Oostenrijkse tak der Habsburgers over. Sindsdien was de
Het graafschap Geleen had aanvankelijk (1654) dezelfde
oppervlakte als de heerlijkheid Geleen, d.w.z. het bestond uit
Geleen, Sint-Jansgeleen en Spaubeek. Maar in 1663/64 wer-
den de heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum daarbij inge-
lijfd, terwijl in 1785 de buurtschap de Bies (bij Schimmert)
ervan werd afgescheiden.
Zegel van graaf Arnold V Wolfgang Huyn onder het huwelijks- Oprichting van het graafschap Geleen (1654)
contract van zijn dochter, 20 november 1664. Randschrift: Op 16 mei 1654 vaardigde koning Filips IV van Spanje te
SIG(ILLUM) ARNOLDI W(OLFGANGI) (HUYN) Madrid een oorkonde [in het Frans] uit, waarin hij verklaar-
COMIT(IS) DE GELEEN ET AMSTE(NRAEDT) <Archief de vernomen te hebben welke goede en opvallende diensten
Anholt-Urkunde L. 75/2>. de edele heer Arnold V Huyn en zijn voorouders aan hem en
aan het doorluchtige huis van Oostenrijk [Habsburg]
hadden bewezen. In aanmerking nemend, dat de keizer uit
erkentelijkheid voor die diensten de grafelijke titel aan veld-
maarschalk Godfried Huyn en aan diens zuster Alexandrina
en neven Arnold en Frans Huyn had geschonken, verlangde
de koning op zijn beurt uiting aan zijn waardering voor die
diensten te geven. Daarom kende hij aan Arnold V Huyn
niet alleen de titel van graaf toe, maar wenste hij daaraan ook
een territoriale jurisdictie te verbinden. De heerlijkheid
Geleen werd tot graafschap verheven en bijgevolg mocht
Arnold V Wolfgang Huyn zich voortaan Graaf van Geleen
noemen <RAB, CFB, reg. 108, folio’s 332-334 (in jongere hand: 232-234)>.
De betreffende tekst luidt: ”ledit tiltre de Comte de sa terre
et seigneurie de Geleen... qu’avons érigé et érigeons par ces
presentes en Comté”. FRUSCH vertaalde dit als ”genoemde
graventitel van zijn landgoed [= Sint-Jansgeleen] en heerlijk-
heid Geleen... die wij hebben verheven en bij deze verheffen
tot graafschap” <LvH 1962, 63>. Tegen die vertaling kan echter
worden aangevoerd, dat Sint-Jansgeleen een integraal onder-
deel van de heerlijkheid Geleen uitmaakte en dat het dus
weinig zin zou hebben om dat complex apart te vermelden.
Ook bestaat er een taalkundig bezwaar. Er staat immers niet
”ses [meervoud] terre et seigneurie de Geleen”, maar ”sa
[enkelvoud] terre et seigneurie de Geleen”; daaruit blijkt, dat
189
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 190
hier met ”terre” en ”seigneurie” een en dezelfde grootheid toevoegen, mee verenigen of bij inlijven. Bovendien wordt
wordt aangeduid. Derhalve dient de tekst in die zin te uitdrukkelijk bepaald, dat zo’n uitbreiding noch door de
worden verstaan, dat zijn gebied [”terre”] van Geleen, met graaf zelf noch door zijn opvolgers via erfenis, testament of
inbegrip van alle daar aan hem toekomende ”heerlijke” enig ander contract zal kunnen worden ongedaan gemaakt.
rechten, zoals de hoge, middele en lage justitie [”seigneurie”] In het licht van wat zou volgen, kan men moeilijk aan de
tot graafschap werd verheven. De vertaling van die tekst indruk ontkomen, dat die clausule op uitdrukkelijk verzoek
door F.J. LEUFKENS als ”Grond- en Gerechtsheerlijkheid van de graaf was opgenomen.
Geleen” <Tijd 17-4-1928> is dan ook juister. Evenals dit sedert Toen Arnold V Wolfgang Huyn in 1663, d.w.z. bijna negen
1609 met de heerlijkheid Geleen het geval was geweest, zo jaar na de verheffing van Geleen tot graafschap, een verzoek
zou ook het graafschap Geleen te Brussel leenroerig zijn. indiende om de nietigheidsclausule uit het document van 16
De oprichtingsoorkonde van 16 mei 1654 bevatte de mei 1654 niet toe te passen en hem uitstel te verlenen,
clausule dat ze binnen een jaar na datum aan de eerste schreef hij zijn verlate poging om aan de in 1654 gestelde
wapenkoning [= koninklijke heraut, boodschapper of voorwaarden te voldoen aan de officiële onderhandelingen
diplomatieke functionaris] te Brussel zou moeten worden toe, die aan het Partagetraktaat tussen Spanje en de Staten-
gepresenteerd en vervolgens aan het bureau van financiën en Generaal (1661) waren voorafgegaan. Tevens voegde hij daar
de rekenkamer zou moeten worden voorgelegd om ze te diplomatiek aan toe, dat hij liever de titel van graaf voerde
laten registreren en verifiëren. Dit was een conditio sine qua over een gebied, dat onder de koning van Spanje bleef, om
non of absolute voorwaarde op straf van nietigheid. Zoals wij aldus zijn erfgenamen en opvolgers des te vaster aan de
zullen zien, zou die clausule tot complicaties leiden. Toen dienst van het Spaanse vorstenhuis te hechten. Op 5
Arnold V Wolfgang Huyn zich niet lang na ontvangst van september 1663 werd zijn verzoek ingewilligd.
die oorkonde naar Brussel begaf om ze aan de wapenkoning Toch zou de graaf de nieuw gestelde termijn van drie
voor te leggen, bleek deze afwezig te zijn. Daarna zou de maanden voor de registratie en verificatie laten verstrijken
graaf zelf die zaak op de lange baan schuiven. zonder de voorgeschreven regelingen te treffen. Zowel uit
Het graafschap Geleen wordt uitgebreid (1663/64) een in 1665 door Maria Huyn van Amstenrade, echtgenote
In de oprichtingsakte staat verder, dat dit graafschap Geleen van graaf Arnold V Wolfgang Huyn, gelanceerd protest
zich tevens zal uitstrekken over hetgeen de graaf er zal aan tegen de vereniging van haar vaderlijk erfgoed, nl. de
heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum, met Geleen [en
Godefrida Huyn, dochter van Arnold V Wolfgang Huyn, circa Spaubeek] tot één ondeelbaar graafschap <AKB>, alsook uit
1665 <Onbekende schilder, S.D. Fürst zu Salm-Salm, D-4292 Rhede>. het feit, dat zij daarna de [onjuiste] aanduiding ”mijn graaf-
schap Amstenrade” ging gebruiken, valt af te leiden, dat het
herhaalde uitstel van de graaf om het nieuwe graafschap
Geleen te Brussel te laten registreren, vooral was toe te
schrijven aan zijn plan om beide heerlijkheden aan het in
1654 opgerichte graafschap Geleen toe te voegen, terwijl zijn
vrouw zich daartegen bleef verzetten.
Misschien kan ook de overdracht van de heerlijkheden
Oirsbeek en Brunssum aan de dochter Godefrida op 8 maart
1657 <AKA, Charters nr. 27> aan de weerstand van de gravin tegen
de inlijving van die gebieden worden toegeschreven. Welke
complicaties er ook mogen zijn geweest, de overdracht van
1657 schijnt geen praktische gevolgen te hebben gehad,
want de graaf wist zijn plan door te drijven en te verwezen-
lijken. Op 20 december 1663 werd zijn verzoek om de beide
genoemde heerlijkheden bij zijn graafschap Geleen in te
lijven door de autoriteiten te Brussel ingewilligd.
Dezen verklaarden toen uitdrukkelijk, dat het graafschap
Geleen voortaan zou bestaan uit de bank en heerlijkheid
Geleen met Spaubeek, de bank en heerlijkheid Oirsbeek met
Amstenrade, Merkelbeek en Bingelrade, en de bank en
heerlijkheid Brunssum met Jabeek en Schinveld. Bovendien
zou de graaf [of diens opvolgers] dit graafschap Geleen in
ruime zin nog drie mijlen buiten zijn [door die toevoegingen
verruimde] grenzen mogen uitbreiden.
Hier denkt men onwillekeurig aan de helft van ”Gebroken
Schinnen”, die eveneens aan de graaf van Geleen als eigen-
190
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 191
dom toebehoorde. Het ziet er zelfs naar uit, dat hij de Huyn aan alle voorwaarden had voldaan. Over zijn nieuw
annexatie van die helft beoogde, want in 1663 maakte hij te tot de koning gericht verzoek om andermaal een uitstel van
Brussel een proces tegen schout Goswin Fabritius van drie maanden te verkrijgen, werd op 26 januari 1664 gunstig
Schinnen aanhangig. Reeds vele jaren lag Arnold V Huyn in beschikt. Op 26 februari 1664 werden de vereiste documen-
conflict met de Heer van de andere helft van Schinnen, die ten namens de graaf bij de Soevereine Raad te Brussel
daarvan slechts het pandschap bezat, maar desondanks het gepresenteerd en werd het graafschap Geleen, tegen betaling
bestuur over de hele heerlijkheid Schinnen uitoefende. De van 65 gulden, als leen geregistreerd <RAB, CFB, reg. 108, folio’s
graaf beklaagde zich erover dat genoemde schout hem in zijn 332-334 (in jongere hand: 232-234). - kopie in AKA, Charters nr. 28>.
rechten aantastte. Het hof te Brussel besliste echter, dat de Over het in beroep gaan schreef JANSSEN DE LIMPENS: ”Het
graaf zelf zijn bevoegdheden te buiten was gegaan en beval schijnt, dat na de verheffing dezer heerlijkheden [Geleen,
hem zich voortaan van het aanstellen van schepenen en Oirsbeek en Brunssum] tot graafschap het hoger beroep der
andere functionarissen in de heerlijkheid Schinnen te drie schepenbanken rechtstreeks gebracht werd aan het
onthouden <LimDag 4-11-1960, 3-3-1961, 18-4-1961, 18-5-1961 en 22-8- Soeverein leenhof van Brabant te Brussel en niet meer aan
1961>. het leenhof van Valkenburg” <JanssenLimp 1977, CLXXV>.
Bij het besluit van 20 december 1663, waarbij de heerlijk-
heden Oirsbeek en Brunssum bij het graafschap Geleen Het gefingeerde ”graafschap Amstenrade”
werden ingelijfd, werd benadrukt, dat het aldus uit Het verkeerde idee van een zogenaamd ”graafschap
verschillende delen samengestelde graafschap bij het leenhof Amstenrade” werd nog onlangs door TH. BECKERS - in
van Brabant als één, enkel en vol leen moest worden navolging van H.J.H. JANSSEN <Janssen, 127161> - verdedigd
verheven. Maar de heergeweiden en heerlijkheidsrechten, die <Th. Beckers, 81-82>. Doch dat idee is met de betrouwbare
eertijds bij het verheffen van de drie heerlijkheden, waaruit historische gegevens in strijd. De ”heerlijkheid Amstenrade”,
dat graafschap bestond, telkens apart betaald waren, zouden die uit het kasteel en de daarbijbehorende gronden bestond,
bij toekomstige verheffingen nog steeds voldaan moeten was een zonneleen, d.w.z. als allodium was die grond-
worden. heerlijkheid niet leenroerig <AKA, Charters nr. 18>. Nadat de in
Intussen was de op 5 september 1663 gestelde termijn van 1558/59 opgerichte heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum
drie maanden verstreken zonder dat Arnold V Wolfgang aan een bewoner van dat kasteel in pandschap waren
gegeven, werden ze soms gezamenlijk [foutief] als de
Godefrida Huyn, dochter van Arnold V Wolfgang Huyn, ”heerlijkheid Amstenrade” aangeduid.
vermoedelijk in 1667 <Onbekende schilder, S.D. Fürst zu Salm-Salm, D- Ofschoon in de oprichtingsakten van 1654 en 1663 slechts
4292 Rhede>. sprake is van een graafschap Geleen, werd al spoedig - blijk-
baar vooral op instigatie van gravin Maria Huyn, wier erfdeel
uit de heerlijkheden Brunssum en Oirsbeek bestond - van
”het graafschap Geleen en Amstenrade” gesproken.
Vervolgens kwam ook de aanduiding ”de graafschappen
Geleen en Amstenrade” in gebruik. Genoemde gravin sprak
zelfs van ”mijn graafschap Amstenrade”. Omdat tot in onze
tijd een graaf op het kasteel van Amstenrade is blijven wonen
en ”de graaf van Amstenrade” een geijkte uitdrukking werd,
kon de verkeerde indruk van een ”graafschap Amstenrade”
zich vrij lang handhaven.
Al beweerden graven en gravinnen, prinsen en prinsessen,
dat er een afzonderlijk graafschap Amstenrade zou hebben
bestaan, toch kon zo’n graafschap slechts de jure door de
hoogste autoriteit, d.w.z. de koning van Spanje of de keizer
van het Duitse Rijk, worden opgericht. Er is echter geen
enkel koninklijk of keizerlijk document bekend, waarin de
heerlijkheden Oirsbeek en Brunssum tezamen tot een
graafschap werden verheven of waarin Geleen en Amsten-
rade tot twee afzonderlijke graafschappen werden verklaard.
Evenmin konden twee afzonderlijke graafschappen de facto,
d.w.z. als gevolg van louter historische ontwikkelingen,
ontstaan. Een dergelijke splitsing zou trouwens met de
oprichtingsakte in strijd zijn geweest. Derhalve heeft er noch
de jure noch de facto ooit een ”graafschap Amstenrade”
bestaan <HJLvZ 1984, 48-91>.
191
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 192
De graven en gravinnen van Geleen op 27 juli 1645 op het ten zuidoosten van Doetinchem
gelegen kasteel Anholt (D.) geboren als zoon van Rijngraaf
Volgens de oprichtingsoorkonde van 1654 zouden Arnold V Leopold Filips Karel van Salm en Maria-Anna van Bronck-
Wolfgang Huyn en zijn mannelijke en vrouwelijke erf- horst-Batenburg; in 1663 was hij zijn vader als prins of vorst
genamen en opvolg(st)ers in rechte en wettige lijn de titel van Obersalm in de Franse Vogezen [Salmen-Vosges]
van graaf of gravin erfelijk en voor altijd rechtstreeks van de opgevolgd.
Spaanse koning, diens erfgenamen en opvolgers bezitten.
Ook zouden zij het bezit en genot hebben van alle met die
titel gepaard gaande rechten, eerbetuigingen, waardigheden,
rangen en gezagsposities, privileges etc., die andere grafelijke
personen in de Spaanse Nederlanden en speciaal in het
gebied van Overmaas gewoon waren te bezitten en te
genieten.
Arnold V Wolfgang Huyn († 1668):
laatste wettige mannelijke telg van zijn geslacht
Zoals wij zagen werd het huwelijk van Arnold V Wolfgang
Huyn en Maria Huyn niet met een mannelijke stamhouder
maar met twee dochters gezegend. En daar Arnolds broer
Frans Huyn in 1653 kinderloos overleed, zou de oude
Geleense tak van het geslacht Huyn bij de dood van Arnold
V in 1668 langs de rechte wettige mannelijke lijn uitsterven.
Kasteel Anholt in 1711 <Schilderij door Deutsch, Museum Wasserburg Anholt,
D.>.
Het oorspronkelijk wapen van de tak Ober-Salm in de Vogezen: In het begin van 1667, toen zijn getrouwde dochter
twee zalmen van zilver op een veld van rood, op een gevelsteen Godefrida blijkbaar nog niet in verwachting was, maakte
te Anholt (D.) <Foto door de schrijver>. De tak Neder-Salm in de graaf Arnold V Wolfgang Huyn zijn testament, waarin hij
Ardennen voerde twee zalmen van rood op een veld van zilver. o.a. bepaalde, dat ingeval zij kinderloos mocht overlijden,
zijn petekind Arnold van Vehlen, kleinzoon van zijn tante
De jongste dochter Francisca trad in bij de zusters ursulinen Alexandrina Huyn, zijn universele erfgenaam zou zijn onder
van de orde van St.-Augustinus te Aken. Op 9 januari 1665 voorwaarde, dat hij de naam van de erflater [Huyn] zou
deed zij daar haar professie, d.w.z. legde zij de voor de aannemen en het familiewapen der Geleense Huyns zou
intrede vereiste geloften af <ZAGV 1937, 59>. Op 4 november voeren: ”je déclare pour mon héritier universel le dit comte
van datzelfde jaar had te Wachtendonk het huwelijk plaats Arnold de Fehlen mon fieul à condition de porter mon nom
van de oudste dochter Godefrida met prins Karel Theodoor et mes armes”. Als dat petekind vóór de erflater mocht
Otto [of Carl Diederich Otto] van Salm. De bruidegom was sterven, zou aan zijn jongere broer hetzelfde voorstel onder
dezelfde voorwaarden worden gedaan <AKA Charters nr. 30>.
Dat gedeelte van het testament zou echter niet gerealiseerd
worden, want vrij kort na zijn opstelling bleek Godefrida
van Salm - Huyn in blijde verwachting te zijn. Doch zij over-
leed bij de geboorte van haar dochtertje Maria-Dorothea van
Salm op 2 november 1667 <St.Jansgel, 53-54>. Zij werd in de
Sint-Josephkapel van de jezuïetenkerk St.-Michael te Aken
begraven.
Op 10 september 1668 overleed de 48-jarige graaf Arnold V
Wolfgang Huyn onverwachts aan koorts in zijn woning te
Aken. Hij werd in de zojuist genoemde Sint-Josephkapel
naast zijn dochter Godefrida bijgezet in de grafkelder, die hij
volgens een stichtingsbrief van 12 december 1667 voor zijn
dochter en zijn schoonzoon had laten aanbrengen en waar-
voor hij een jaarlijkse rente van 25 malder rogge aan de
jezuïeten had toegekend <AKB - APdL 1935, 226. - St.Jansgel, 54>.
Daar hij het laatste mannelijke lid van zijn stam was geweest,
werden zijn wapens gebroken en bij hem gelegd: fracta
192
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 193
Op 30 april 1669 stelde ”Marie Gravinnen van Huijn,
Geleen ende Amstenraedt, Vrijfrauwe van Landt ende Stadt
Wachtendonck” te Aken een brief op, waarmee zij ”den
edelen erfesten Gijsbert van Nierbeck Drossard onser voorg.
Graeffschap Amstenraet”, naar het leenhof van de Vroenhof
te Beek stuurde met het verzoek ”het huijs ende hoff van St.
Johanns Geleen” in naam van haar kleindochter te laten
verheffen. Zij deed dit als ”Grootmoeder ende Tutrice
[= voogdes] van de doorluchtige hooghgeborene Fürstin
[Van Salm] ende Freulijn Godefrida, Anna, Maria,
Dorothea, Carolina etc., eenig naergelaten Kindt van wijlen
de doorluchtige hooghgeborene Fürstinne van Salm sal(iger)
ons seer lieve Dochter”. Zij ondertekende dit document als
”Maria Greffine van Geleen” <AB nr. 539, 26-29>.
Op 11 juni 1672 stelde zij een nieuw testament in het Duits
op. Daarin noemde zij zich ”Maria geborne Graffine von
Huyn zu Ambstenraedt, verwittibte Gravin von Huyn zu
Geleen”. Zij verklaarde ”kranck am leib jedoch... gueten
verstandts” te zijn <AKA, Charters nr. 33>. Volgens SLANGHEN zou
zij op 11 juni 1673 te Aken zijn overleden <Slanghen 1859, 74>.
De voorgevel van de voormalige kerk van St.-Michiel in de
Jesuitenstraße te Aken, de parochiekerk van de grafelijke familie
Huyn tijdens haar verblijf in die stad <AAK, 34>.
insignia tumbae imposita. Sommigen hebben dit in die zin
verstaan, dat de gebroken wapens ”op zijn tombe gelegd”
zouden zijn <ZAGV 1883, 91>, terwijl anderen dit als ”in zijn
tombe gelegd” vertaalden <Msg 1925, 42>. Dit laatste lijkt
waarschijnlijker.
De douairière Maria Huyn van Amstenrade (1610-1673) Het laatrenaissance-interieur van de voormalige kerk van
Op 16 december 1668, vrij kort na het overlijden van haar St.-Michiel te Aken; in een zijkapel van St.-Joseph bevond zich
echtgenoot, maakte douairière Maria Huyn een in het de grafkelder van de grafelijke familie Huyn <AAK, 34>.
Nederlands opgesteld testament. Daarin verklaarde zij, dat
haar kleinkind Maria-Dorothea van Salm de opvolgster van
de overleden graaf was <AKA Charters nr. 31>. Spoedig daarna
stuurde zij een afgevaardigde naar Brussel om daar het
graafschap Geleen in naam van dat kleinkind te verheffen. In
een meegegeven brief verklaarde zij dat die kleindochter de
grootvaderlijke goederen had geërfd en de grootmoederlijke
goederen als geschenk had ontvangen. Met de eerste
categorie doelde zij op het graafschap Geleen in enge zin en
met de tweede categorie op de door wijlen haar echtgenoot
bij het graafschap Geleen ingelijfde heerlijkheden Oirsbeek
en Brunssum. Vandaar, dat de gravin [ten onrechte] schreef,
dat de jurisdictie van haar kleindochter ”het Graeffschappe
van Gleen ende Amstenrade” betrof. De verheffing had op
25 februari 1669 plaats <AKA, Charters nr. 32>.
193
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 194
Doch reeds op 23 februari 1673 verhief haar schoonzoon De zienswijze, dat haar vader prins Karel Theodoor Otto van
Karel Theodoor Otto van Salm de stad en de heerlijkheid Salm in 1673 graaf van Geleen zou zijn geworden en dat
Wachtendonk ”bij overlijden van Vrouwe Marie Gravinne Maria-Dorothea pas bij zijn overlijden (1710) het graafschap
van Geleen” <Henrichs, 306>. In een andere aantekening staat, Geleen zou hebben ontvangen <Geleen, 57. - Pisters, XII-XIII>, is
dat de verheffing van Wachtendonk bij het leenhof te met de historische feiten in strijd. De titel ”graaf van Geleen”
Roermond op 24 mei 1673 plaatshad, ”bij overlijden van kwam aan die prins trouwens niet toe, want hij was geen
Vrouwe Maria Gravinne van Geleen”. Hoogstwaarschijnlijk afstammeling van graaf Arnold V Wolfgang Huyn. Tijdens
was ”11 junij” een verkeerde lezing voor [afgekort] ”11 de minderjarigheid van de genoemde prinses werd het
januarij”. Daar zij in Aken stierf, werd zij allicht bij haar bestuur van het graafschap Geleen enkel door haar vader
echtgenoot en dochter in de Sint-Josephkapel van de kerk waargenomen.
der jezuïeten aldaar begraven. Op 10 mei 1671 trouwde Karel Theodoor Otto van Salm
met Louise-Maria gravin van de Palts (*13-7-1647). Nadat
Maria-Dorothea van Salm (1667-1732) zij hem vier kinderen had geschonken, overleed zij reeds op
Zoals wij zagen, liet de weduwe Maria Huyn het graafschap 11 maart 1679. De prins Van Salm vertoefde soms op het
Geleen op 25 februari 1669 in naam van haar kleindochter kasteel van Amstenrade, maar hij schijnt in die tijd met zijn
verheffen. Deze heette Godefrida Anna Maria Dorothea kinderen vooral te Aken te hebben verbleven in het door zijn
Carolina, maar werd steeds Maria-Dorothea genoemd. Op schoonouders gebouwde prachtige ”Geleensche Haus”, dat
29 juni 1712 noemde zij zichzelf: ”Wir Maria Dorothea des daarna ”Prinzenhof” werd genoemd. Daar kwamen de
heyligen Römischen Reiches gebohrne Fürstin von Salm, hogere ambtenaren van het graafschap Geleen overleg met
Gräffin von Geleen und Amstenraedt, Freyfraw der Stadt hem plegen <Slanghen 1859, 124>.
und Landts Wachtendonck”.
Maria-Dorothea von Dietrichstein-van Salm (1667-1732)
<Litho door Robert Theer naar een schilderij door Karl Agricola - Regionální Muzeum,
Mikulov (Nikolsburg), Slowakije>.
Zegel van de prins Van Salm uit 1664, dat ook door zijn Keizer Leopold I, die hem ”ein Herr von großer Klugheit
dochter Maria-Dorothea zal zijn gevoerd <Archief Anholt - Urkunde L. und Frömmigkeit” noemde, riep de prins Van Salm in 1685
75/2>. als ”Ober-Hofmeister” naar het hof te Wenen, waar hij
raadsman van de keizer en tutor [= leraar en opvoeder] van
kroonprins Joseph I werd. Om gezondheidsredenen vertrok
194
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 195
hij op 26 augustus 1709 uit Wenen en keerde naar Aken geprotesteerd, dat de heerlijkheid Geleen daar niet was
terug. Daar is hij op 10 november 1710 overleden; hij werd verheven nadat de vorige bezitter in 1668 was overleden.
te Anholt begraven <St.Jansgel, 57-59>. Men had zowel bij het leenhof te Valkenburg als bij dat van
In 1685 was Maria-Dorothea met haar vader naar Wenen Brussel blijkbaar vergeten, dat in 1609 was bepaald, dat die
gegaan. Daar was zij op 15 juli 1687 getrouwd met de jonge heerlijkheid voortaan te Brussel moest worden verheven.
prins Leopold-Ignatius von Dietrichstein (*18 april 1660), Ondanks het protest van de prinses verklaarde de Raad van
die ”Ober-Stallmeister”, geheime raad en kamerheer van de Domeinen en Financiën te Brussel op 17 juli 1694, dat
keizer en ridder van het Gulden Vlies werd. In 1698 volgde Geleen als heerlijkheid bij het leenhof van Valkenburg moest
hij zijn vader op als vorst van Dietrichstein in Karinthië, worden verheven <AKA Charters nr. 34>. Pas op 30 juli 1695 werd
Oostenrijk. door drossaard G. Duycker aan die eis voldaan <PSHAL 1884,
290>.
Wapen von Dietrichstein: twee sikkels van zilver met hand- In 1711 schonk de prinses een vergulde zilveren monstrans
vatten van goud op een diagonaal verdeeld veld van goud aan de kerk van Amstenrade en in 1712 schonk zij een
(rechtsboven) en rood (linksonder). capella [= schouder-, arm- en handomslagdoek voor de
Dit vorstelijk echtpaar bezocht ook onze streken; in februari priester] voor het dragen van het H. Sacrament aan de kerk
1695 vertoefde het op het kasteel van St.-Jansgeleen. In de van Geleen. In 1699 liet zij in het veld tussen Oud-Geleen
archieven van Geleen staat de prins vermeld als ”De Heere en Neerbeek een kapel ter ere van de H. Lazarus bouwen, die
Prince van Dieterichstein... man ende momboir vande later werd uitgebreid en sedert vele generaties ”de Kluis”
vrouwe Princesse van Salm”. Aldus schijnt hij het graafschap wordt genoemd. De jaartallen 1720 en 1730, die respec-
Geleen in haar naam te hebben bestuurd; maar ook hij tievelijk boven de poort van de grote schuur te Sint-
mocht de titel ”graaf van Geleen” niet voeren. Hij overleed Jansgeleen en in een vleugel van de pachterswoning aldaar
op 13 juli 1708 te Nikolsburg, thans Mikulov in Slowakije. staan <St.Jansgel, 103 en 104>, getuigen van omvangrijke bouw-
Een jongere broer volgde hem op als vorst van Dietrichstein. activiteiten aan dat complex in die jaren.
Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren, nl. Anna Op 5 januari 1729 ondertekende zij te Wenen een akte,
Maria Josepha (*25-7-1688), die reeds in april 1697 over- waarbij zij - tot voortzetting van de viermaal per jaar
leed, en Maria Josepha Felicitas (*13-9-1694), die in maart gehouden jaargetijden voor de afgestorvenen uit het geslacht
1711 overleed. Aldus had prinses Maria-Dorothea van Salm Huyn - uit de pachtsom van de Danikermolen 26 gulden
in minder dan drie jaren haar echtgenoot (1708), haar vader aan de kerk van Geleen afstond. De viering van die jaar-
(1710) en haar laatste kind (1711) verloren. Zij bleef alleen getijden bestond traditiegetrouw uit vijf missen door telkens
achter <AEWK I, Bd. 25, 161. - Hübner T. 251-252. - SHVIO 1848, 184>. vijf priesters. Na afloop werden de koster en achttien
In 1692 werd vanwege het leenhof van Valkenburg bejaarde armen, die deze diensten hadden bijgewoond,
bedeeld.
Maria-Dorothea von Dietrichstein - van Salm overleed op
18 of 19 januari 1732 te Wenen. Overeenkomstig haar wens
werd zij naast haar dochter(s ?) in de kerk van de paters
benedictijnen in die stad begraven.
Overdrachten van pandschappen op de heerlijkheid Geleen
(1666-1724)
Arnold III en Arnold IV Huyn waren respectievelijk in 1611
en 1620-1622 geldleningen aangegaan, waarbij zij de
heerlijkheid Geleen als onderpand hadden gesteld <AKA
Charters, nrs. 21, 23 en 47>. Omdat die kapitalen niet door hen
werden afgelost, gingen de schuldvorderingen op latere
generaties over. Zo droegen de gezusters Maria-Lambertina,
Maria-Agnes en Maria-Jacoba de Beauty op 28 augustus
1666 de vorderingen van 12.800 en 3.200 gulden Brabants
tegen een interest van 1000 gulden - waarvoor de heerlijk-
heid Geleen in onderpand was gegeven - over aan graaf
Herman Frederik van den Bergh en zijn echtgenote Lucina
Walburgis van Rochefort <AKA Charters nr. 35>. Het blijft een
raadsel waarom graaf Arnold V Wolfgang Huyn, die toch
welgesteld bleek te zijn, die schulden niet afloste.
Op 4 mei 1693 droeg de gravin Van Saxen-Weißenfels,
geboren gravin Van Leeuwenstein, te Maaseik de vordering
195
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 196
van 16.000 gulden Brabants, staande op de heerlijkheid schap besloten om een ”vereeringe aen sijne Hoogheydt de
Geleen, haar ten deel gevallen krachtens het testament en het Heere prince de Lingne” te doen. Die ”vereeringe” zou uit
codicil van de gravin Van den Bergh, na de dood van graaf een geschenk in geld bestaan, waartoe vooral ”de princi-
Carel Caspar von Manderscheid-Geroldstein en ten laste van paelste geërfdens” zouden dienen bij te dragen.
de gravin Von Dietrichstein-van Salm, voor een som van Nadat Elisabeth de Ligne - van Salm op 17 februari 1728 en
6.000 patakons over aan Eleonora van Leeuwenstein- 8 januari 1730 het leven aan dochters had geschonken, werd
Wertheim-Rochefort, abdis te Thorn <AKA Charters nr. 36>. op 23 mei 1735 te Brussel haar derde kind geboren. Onder
Op 16 februari 1702 werd de overdracht van de vordering die datum staat in het doopregister van de kerk van
van 16.000 gulden Brabants, staande op de heerlijkheid St.-Goedele [Frans: Ste.-Gudule], dat de wettige zoon van
Geleen, door genoemde abdis aan gravin Wilhelmina van prins Lamoral II de Ligne en prinses Elisabeth van Salm met
Leeuwenstein-Wertheim-Rochefort, kanunnikes te Thorn, speciaal verlof van de aartsbisschop van Mechelen in de
door de Soevereine Raad van Brabant goedgekeurd. En op ouderlijke woning werd gedoopt zonder dat hem toen een
16 september 1717 keurde het leenhof van Brabant de naam werd gegeven <BNB 12, 143-144>. Omdat daarbij slechts
overdracht van die vordering door deze kanunnikes aan haar de vroedvrouw aanwezig was, lijkt dit een nooddoop te zijn
nicht vorstin Christina van Saxen-Weißenfels goed. Deze geweest. Kort nadien kreeg het prinsje de namen Charles
laatste schonk diezelfde vordering op 3 juni 1724 aan Joseph Lamoral François Alexis; doorgaans zou hij als
Mathieu de Fromenteau. In 1780 zou die schuld door Charles-Joseph bekend staan, maar in eigen familiekring zou
Nicolaas Willems, bezitter van het graafschap Geleen, aan hij Charlot worden genoemd. Later zouden keizer Karel VI
Madame Fromenteau te Hodimont worden afgelost <AKA en keizerin Christina van Oostenrijk de functies van pee-
Charters, nrs. 37, 38 , 39 en 47>. toom en -tante accepteren.
Het graafschap Geleen aan de familie de Ligne
In haar testament van 5 september 1726 had Maria-
Dorothea van Salm haar nicht, ”die durchl. Fürstin
Elisabetha von Ligne, prinsessin von Salm”, dochter van haar
halfbroer Lodewijk Otto, als ”Universal Erbin aller meiner
Herrschafften und güter” benoemd. Mocht die erfgename
zonder wettige nakomelingen overlijden, dan zou de erfenis
op haar ”ältere frau schwester” Dorothea van Salm overgaan
en ingeval deze eveneens zonder wettige nakomelingen
mocht sterven, zou ”dero jüngere frau schwester” Christina
van Salm de erfgename zijn. Dit testament werd op 18 of 19
januari 1732 te Wenen geopend <AKA Charters nr. 40. - PSHAL
1884, 293-295>.
Elisabeth van Salm († 1739) en Claude-Lamoral II de Elisabeth de Ligne-van Salm (1704-1739) <Door Ferdinand van
Ligne Kessel, S.D. Fürst zu Salm-Salm, D-4292 Rhede>.
Elisabeth Alexandrina Felicitas Carolina Maria Godefrida
van Salm was op 21 januari 1704 te Anholt geboren als de
tweede van de drie dochters van Wild- en Rijngraaf
Lodewijk Otto, prins Van Salm, en Albertina Johannetta
Catharina van Nassau-Hadamar. Op 17 april 1721 huwde
zij te Anholt met de 18 jaar oudere prins Claude-Lamoral II
de Ligne (*7-8-1685).
Op 5 maart 1732 liet de nieuwe eigenares de heerlijkheid
Geleen door haar rentmeester Hittorf bij het leenhof van
Valkenburg verheffen, en op 18 maart 1732 werd het graaf-
schap Geleen door haar echtgenoot in haar naam te Brussel
verheven. Daar zij geen rechtstreekse afstammelinge van
Arnold V Wolfgang Huyn van Geleen was, kon zij niet
rechtens de titel ”gravin van Geleen” voeren.
Het bestuur van het graafschap Geleen werd in feite door
haar echtgenoot waargenomen. In het voorjaar van 1733
werd door de schepenen en burgemeesters van dat graaf-
196
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 197
Verwantschap tussen de geslachten Huyn, Van Salm en de Ligne
Arnold V Wolfgang
Huyn van Geleen
1620-1668
∞
Maria Huyn
van Amstenrade
1610-1673
Godefrida Huyn ∞ (1) Karel-Theodoor-Otto (2) ∞ Louise-Maria
van Geleen 1665 van Salm 1671 van de Rijn-Palts
1645-1667 1645-1710
1647-1679
Maria-Dorothea vermaakt Louise Lodewijk-Otto Apollonia Eleonora-
van Salm graafschap 1672- van Salm 1677- Christina
1667-1732 Geleen aan 1737 1674-1738 1678
∞ 1687 ∞ 1700 *1678
Leopold-Ignatius Albertina-Johannetta
von Dietrichstein von Nassau-Hadamar
1660-1708 1679-1716
Anna Maria Elisabeth Dorothea Christina
Maria Josepha van Salm 1702-1741 *1707
Josepha Felicitas 1704-1739
1688-1697 1694-1711 ∞ 1721
Claude-Lamoral II
de Ligne
1685-1766
Charles-Joseph
de Ligne
1735-1814
verkoopt graafschap Geleen (6-2-1779)
aan Nicolaas Willems
Claude-Lamoral II de Ligne als voogd van zijn zoon het graafschap Geleen pas kort voor zijn dood
Charles-Joseph (7 maart 1766) aan zijn zoon te hebben overgelaten.
Op 27 december 1739 overleed de moeder van prins Charlot.
Een maand vóór haar dood, nl. op 26 november 1739, had Delen van het graafschap Geleen verpand of verkocht
zij de van haar tante Maria-Dorothea van Salm geërfde (1741-1755)
goederen bij testament aan haar vierjarig zoontje vermaakt. De overleden prinses Elisabeth de Ligne - van Salm had met
Bijgevolg werd het graafschap Geleen op 22 april 1740 te haar goederen ook schulden nagelaten. Teneinde deze
Brussel door haar echtgenoot in naam van dat zoontje ver- laatsten te voldoen ging prins Claude-Lamoral II de Ligne in
heven. De heerlijkheid Geleen werd op 16 mei 1740 door februari-maart 1741 geldleningen aan tot een gezamenlijk
rentmeester R. Corten in naam van de jonge prins te bedrag van 18.000 gulden van A. Loyens, kanunnik aan de
Valkenburg verheven. Tijdens de minderjarigheid van zijn O.-L.-Vrouwekerk te Maastricht, waarbij de graanmolens
zoon zou Claude-Lamoral II de Ligne als diens voogd het van Sint-Jansgeleen en Daniken als onderpand werden gesteld
bestuur van het graafschap op zich nemen. Daarbij matigde <LvO nrs. 931 en 4026. - PSHAL 1884, 295>.
hij zich ten onrechte de titel ”Graeve van Geleen en Daarmee waren echter nog lang niet al zijn schulden betaald.
Amstenraede” aan. Daar hij nog op 24 december 1764 de Nadat vrouwe Constantia Theodore de Guernonval, barones
oliemolen van Daniken liet aankopen <LvO nr. 933>, blijkt hij douairière Van Hooghorst, zowel in haar eigen naam als uit
197
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 198
Claude-Lamoral II de Ligne (1685-1766) in 1726 <Door december 1754) ”geaggregeert ende geconfirmeert”
Ferdinand van Kessel, S.D. Fürst zu Salm-Salm, D-4292 Rhede>. <Franquinet 1877, 261>.
Teneinde de verschuldigde som te verkrijgen, deed de prins
volmacht van Philip Maximiliaan Ernest, baron van een beroep op de priester Jan Leonard Corten, oudere broer
Eskelbeke, Arnold Antoon de Guernonval, Heer van van drossaard Reinier Corten, die vóór zijn wijding secretaris
Hasbeek, en consorten de prins in rechte had aangesproken, van het graafschap Geleen was geweest. Op 10 juli 1753 gaf
kreeg zij bij vonnis van 13 februari 1750 door de Grote Raad de prins hem te Mons [Bergen in Henegouwen, B.] de
van Mechelen haar vorderingen toegewezen, die op 7 en 11 volmacht om een som van 300.000 gulden tegen een zo laag
april op 330.000 gulden Brabants werden bepaald. mogelijke interest te lenen. Als garantie stelde hij het
Onmiddellijk daarop werd beslag op het graafschap Geleen graafschap Geleen [in ruime zin] en de Prinzenhof [= het
en de heerlijkheid Wachtendonk gelegd, en werd door het ”Geleensche Haus”], te Aken ter beschikking. Op 28
Soevereine Leenhof van Brabant hun publieke verkoop aan- september 1753 werd door de Soevereine Raad van Brabant
gekondigd. het octrooi verleend om het graafschap Geleen [in ruime zin]
De heerlijkheid Wachtendonk werd op 28 mei 1751 tegen een bedrag van 100.000 patakons [= 250.000 gulden]
verkocht <Henrichs, 340>. Op 19 januari 1753 gaf keizerin als onderpand te stellen.
Maria-Theresia aan een gevolmachtigde van het Leenhof van Op 3 juli 1754 liet Jan Leonard Corten de Geleense auto-
Brabant de opdracht ervoor te zorgen, dat de landcomman- riteiten weten, dat hij 12.000 gulden van J. Cox, schepen en
deur van Alden Biesen het hem toekomende aandeel uit de oud-burgemeester van Roermond, had geleend. Daarbij was
verkoopsom van het graafschap Geleen zou ontvangen een rente van 5% vastgesteld, maar indien deze binnen drie
<Grauwels, OB nrs. 1139 en 1140>. Die verkoop ging evenwel niet maanden na de vervaldag zou worden voldaan, zou ze slechts
door, omdat prins Claude-Lamoral II de Ligne op 13 januari 4% bedragen. Daarvoor had hij de tienden van het
1753 met de erfgenamen en de gevolmachtigden van de Gasthuisveld, ”de Romelie” [Romanie] en het ”Cleyne veld”
bovengenoemden een akkoord trof. Daarbij werd overeen- als onderpand gesteld. Tevens deelde hij mee, dat de prins op
gekomen, dat de prins binnen achttien maanden de som van 20 juli 1754 in zijn paleis te Brussel in eigen persoon aan zijn
346.826 gulden Brabants - verminderd met de verkoopsom broer Reinier Corten en diens echtgenote de Raadskuilder
van Wachtendonk en met de inkomsten [sedert die verkoop] tiende tegen een bedrag van 4.000 patakons [= 10.000
daaruit genoten - zou betalen. Zijn totale schuld kwam op gulden] voor een termijn van twintig jaar had ”vercoght,
ongeveer 300.000 gulden neer. Die transactie werd eerst ”in gecedeert ende getransporteert” <LvO nr. 1320, pp. 366-376>.
alle poincten, clausulen ende conditien” door de Grote Raad Daarna trad een zekere Philip Joseph L’Aigle als de
van Mechelen, het Leenhof van Brabant en de Soevereine gevolmachtigde van de prins op. Op 27 oktober 1754
Raad van Brabant (in februari-maart 1753) en daarna verkocht deze de Bergerhof onder Nuth voor 16.000 gulden
- wegens de onder Beek gelegen hoeven van Printhagen - aan advocaat De Limpens en de beide hoeven van
door de Landen van Overmaas te ’s-Gravenhage (op 4 Printhagen onder Beek voor 72.000 gulden aan het klooster
van St.-Gerlach te Houthem <Franquinet 1877, 261 en 263-264. -
PSHAL 1880, 94; 1884, 429>. Kort tevoren had de prins aan
genoemde L’Aigle de opdracht gegeven om de zogenaamde
80 bunders - onder voorbehoud van de grondheerlijke
rechten - aan diverse inwoners van het graafschap te
verkopen. Volgens een aantekening door Reinier Corten
behoorden er toen nog slechts 64 van de oorspronkelijke 80
bunders aan de bezitter van het graafschap: ”de reste over
meer als hondert jaeren verkocht sijnde”. De aangekondigde
verkoop van die grond veroorzaakte daags na nieuwjaar
1755 een grote toeloop ten huize van drossaard Corten in de
Onderste Dorpstraat [= Geenstraat] te Lutterade. Daarbij
moesten de kopers ”verspreeken” [= beloven] de betaling
”tusschen dit [= die dag] ende aenstaende paeschen” te doen.
Bij de realisatie van die transacties noemde prins Claude-
Lamoral II de Ligne zich ten onrechte ”Comte de Geleen et
d’Amstenraed &c. en qualité de père et tuteur légitime et
naturel des enfans que nous avons retenu de feue dame
Elisabeth Alexandrine Charlotte princesse de Salm notre très
chère épouse” <LvO nr. 1320, pp. 431-445>.
Rond diezelfde tijd maakte de drossaard bekend, dat op
3 februari 1755 op het kasteel van Amstenrade om 10 uur
198
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 199
Wapen de Ligne: diagonale band van rood (van linksboven Charles-Joseph de Ligne (1735-1814) als keizerlijk officier
naar rechtsonder) op een veld van goud. <Portret door Leclercq, Beloeil, B.>.
’s morgens de hoeven van Krekelberg en Merkelbeek, de
korenmolens van Daniken en Kathagen, de oliemolen van
Spaubeek en enige beemden te Schinnen, Hoensbroek en
Schinveld aan de meestbiedenden zouden worden verkocht
<LvO nr. 1243>. Die verkoop schijnt evenwel geen doorgang te
hebben gevonden. Merkwaardigerwijze liet de prins op 24
december 1764 door rentmeester-secretaris Nicolaas Strens
in zijn naam de oliemolen van Daniken voor 6.300 gulden
kopen <LvO nr. 933. - PSHAL 1885, 24-25. - TsHKVGel 1993, 49>.
Ondanks die financiële problemen liet ofwel Claude-
Lamoral II ofwel diens zoon Charles-Joseph de Ligne door
de Akense architect Joseph Couven plannen ontwerpen voor
de verbouwing van het oude slot van Amstenrade. Die
plannen, waarvan de tekeningen zich te Beloeil bevinden,
bleven echter onuitgevoerd <JHS 1996, 108>.
Charles-Joseph de Ligne (1735-1814) Prinses Jeanne-Françoise von Lichtenstein (1740-1821), echt-
Op 25 maart 1755 huwde de bijna twintigjarige prins genote van Charles-Joseph de Ligne <Collectie Beloeil/Cussac - Brussel>.
Charles-Joseph de Ligne met de veertienjarige Jeanne-
Françoise von Lichtenstein; zij zou hem een groot aantal kin-
deren schenken. Kort na zijn huwelijk zette de prins zijn
krijgsdienst, die hij reeds in 1752 was begonnen, voort; hij
zou alle militaire rangen doorlopen. Daarnaast vervulde hij
ook diplomatieke functies in dienst van het Oostenrijkse
keizershuis. Hij was een charmante figuur, die aan alle
konings- en keizershoven van Europa gaarne gezien was.
Voor ons is hij evenwel primair als bezitter van het graaf-
schap Geleen van belang. Voor dit graafschap blijkt hij
slechts weinig interesse te hebben gehad. Al kwam hij wel
199
geschiedenis van Geleen:geschiedenis van Geleen 26-10-2011 14:20 Pagina 200
In 1775 liet hij te Sint-Jansgeleen een geheel nieuwe
graanmolen bouwen; de gedenksteen uit dat jaar, met het
wapen van de prins, is nog aanwezig. Tevens liet hij toen
omvangrijke herstellingen en een gedeeltelijke nieuwbouw
van de hoeve aldaar uitvoeren. Die bouwactiviteiten werden
kennelijk gemotiveerd door zijn wens om niet alleen de
waarde van de verpande goederen op peil te houden maar
deze ook beter verkoopbaar te maken.
Na de verkoop van het graafschap Geleen op 6 februari
1779, bleef hij zowel zijn avontuurlijk leven als zijn
diplomatieke activiteiten voortzetten. De inval van de
Fransen in de Oostenrijkse Nederlanden werd een ramp
voor hem en zijn gezin. Zijn oudste zoon Charles sneuvelde
op 14 september 1792 tegen de Fransen en na de door dezen
gewonnen slag van Fleurus (26 juni 1794) moest de prins uit
zijn te Beloeil in Henegouwen (B.) gelegen kasteel vluchten.
De laatste twintig jaar van zijn leven bracht hij in balling-
schap door, want hij weigerde het voorbeeld van zijn jongere
zoon Louis te volgen en als ”citoyen” naar Beloeil terug te
keren. Hij verbleef echter niet onafgebroken te Wenen. Soms
ging hij op reis en in 1807 ontmoette hij keizer Napoleon in
eigen persoon. Op 13 december 1814 is prins Charles-
Joseph de Ligne te Wenen overleden; hij vond zijn laatste
rustplaats op zijn geliefde Kahlenberg nabij die stad. Zijn
weduwe overleed op 17 mei 1821; zij werd bij haar echt-
genoot begraven <TsHKVGel 1989, 35-41>.
Gedenksteen uit 1775 in de oostelijke gevel van de vroegere
molen te Sint-Jansgeleen. Hij stelt het wapen de Ligne voor: een
diagonale band van rood op een veld van goud, omgeven door
de keten van het Gulden Vlies. Wapen en keten staan tegen de
binnenkant van een hermelijnen mantel, waarboven een
prinsenkroon is aangebracht <Foto K. van Straaten, 1985>.
eens naar Aken, toch heb ik voor de bewering van J. HABETS Begraafplaats van prins Charles-Joseph de Ligne, zijn echt-
dat hij dikwijls in onze streken vertoefde <VMKAWL 3de r., deel 2 genote en hun kleindochter Sidonie op de Kahlenberg bij Wenen
(1885), 75> geen enkele aanduiding gevonden. <Tekening door de Madou>.
De financiële problemen, die prins Charles-Joseph de Ligne
uiteindelijk zouden dwingen om het graafschap Geleen te Het graafschap Geleen aan Nicolaas Willems
verkopen, werden wel eens aan zijn uitbundige levensstijl verkocht (1779)
toegeschreven. Doch in werkelijkheid had hij die problemen
van zijn ouders geërfd. Op 24 februari 1772 lieten de reeds De zware financiële schuld, die op het graafschap Geleen
eerder genoemde erfgenamen van barones de Guernonval drukte, deed prins Charles-Joseph de Ligne besluiten om dit
beslag leggen op de ten oosten van de Maas gelegen goederen te koop aan te bieden. Alvorens daartoe over te gaan, liet hij
van prins de Ligne <ANA 3-7-1788>. Bijgevolg zag deze zich eerst zijn bezittingen ten oosten van de Maas inventariseren.
genoodzaakt in 1773 een lening van 15.000 gulden aan te Voor regionale en lokale historici is die inventarisatie een
gaan en daartoe bijna alle roerende en onroerende goederen welkome bron van informatie.
te Amstenrade als onderpand te stellen. Op 21 januari 1774
leende hij nog 25.000 gulden, waarbij o.a. het kasteel met de
pachthoeve en de molen van Sint-Jansgeleen, de oliemolen
van Spaubeek en de graanmolen van Daniken als onderpand
werden gesteld <PSHAL 1884, 435; 1885, 36>.
200