The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.

De kleipijp als bodemvondst, hoofdstuk Utrecht, Jubileumuitgave PKN 1988, P.K. Smiesing

Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Stichting PKN, 2017-05-28 02:35:49

De kleipijp als bodemvondst Utrecht

De kleipijp als bodemvondst, hoofdstuk Utrecht, Jubileumuitgave PKN 1988, P.K. Smiesing

Keywords: kleipijpenindustrie Utrecht

b-L _

DEK LEI PIJ PAL S BOD E M V 0 N D ST.
Beknopt overzicht van tien jaar onderzoek naar de belangrijkste pijpenmakerscentra

in de 17e en 18e eeuw.

Onder redaktie van F. Tymstra en J. van der Meulen.


Uitgegeven door de Pij pelagische Kring Nederland.
Correspondentie adres: Utrechtse Jaagpad 115, 23 14 AT Leiden.

September 1988.
Oplage: 300 exemplaren.

Deze uitgave kwam tot stand door de belangeloze medewerking van:
- Al-Druk Drukwerk, Weesp
- W. Kraak, Diemen
- F.E. Tymstra en J. Tymstra, Zaandam.


UT REe H T.

door P.K. Smiesing

INLEIDING.
Twee eeuwen lang, van omstreeks 1620 tot 1813, hadden Utrechtse pijpenmakers een aandeel
in de Nederlandse pijpenindustrie. Zij maakten voornamelijk korte grove tabakspijpen. Alleen
in de eerste helft van de 17e eeuwen enkele jaren in het laatste kwart van de 18e eeuw worden
er naast de korte pijp ook lange pijpen vervaardigd. Tot het midden van de 17e eeuw konden
de Utrechtse pijpenmakers wedijveren met het produkt van hun collega's uit Gorinchem, Gou-
da e.n Schoonhoven. Daarna hebben zij zich geheel op de fabrikage van korte pijpeh toegelegd.
De lange pijpen kenmerken zich door een betere afwerking en hebben in het algemeen een hiel-
merk. De afwerking bestond uit een volledige radering rond de koprand en uit een bewerking
met agaatsteen, het glazen. De korte pijpen werden niet van een hielmerk voorzien, werden
niet geglaasd en de radering beperkte zich slechts tot de voorzijde van de koprand. Het ver-
vaardigen van korte pijpen was hierdoor minder arbeidsintensief en leverde daardoor een goed-
koper produkt op. Hierdoor verkregen de Utrechtse pijpenmakers met hun kleinschalige be-
drijfjes een gunstigere concurrentiepositie.

DE PLAATS yAN HANDELING.
De vervaardiging van de Utrechtse tabakspijp vond plaats in het gerecht Lauwerecht, een
ambachtsheerlijkheid langs de rivier de Vecht. Dit gerecht was gelegen ten noorden van de stad
Utrecht. Al sinds de middeleeuwen woonden en werkten hier de pottenbakkers. In de potten-
bakkersovens vond de laatste produktiefase, het bakken van de pijpen, plaats. Voor het bakken
van een pot pijpen werd in de 17e eeuw 7 stuivers gerekend. Bovendien maakten en bakten de
pottenbakkers in de 17e eeuw de pijpenpotten. In de 18e eeuw werden er ook door de pijpen-
makers pijpenpotten vervaardigd. Voor het bakken van de potten waren ze echter weer op de
pottenbakkers aangewezen.
Doordat ambachtslieden zich in het gerecht vrij konden vestigen, kwamen er ook pijpenmakers
van buiten naar~ Lauwerecht. Archiefonderzoek heeft aangetoond dat vooral uit Schoonhoven
pijpenmakers en knechten zich hier vestigden om er een bestaan op te bouwen.

VERSPREIDING EN AFZETGEBIEDEN.
Via de waterwegen vond de Utrechtse tabakspijp haar weg naar de roker. De meeste pijpen
werden in de stad en de provincie Utrecht aan de man gebracht. Uit bronnen uit het begin van
de 18e eeuw weten we dat de Utrechtse "korte grove tabakspijp" ook in het gewest Holland
werd afgezet. Bodemvondsten bevestigen dat de tegenwoordige provincies Noord-Holland en
Zuid-Holland tot de afzetgebieden behoorden van de Utrechtse pijpenmakers. Zelfs werden er
bodemvondsten van 17e eeuwse en 18e eeuwse pijpekoppen met Utrechtse merken uit Deven-
ter gemeld.
Bij het markeren van de afzetgebieden van Utrechtse pijpenmakers aan de hand van bodem-
vondsten moeten we echter rekening houden met het feit dat de pijpekoppen niet alleen door
de gebruiker (roker) werden verspreid. Al in de 17e eeuw lieten bijv. boeren uit Brabant
Utrechts huisvuil aanvoeren om er de landbouwgronden mee te verbeteren.

TYPE.
De koppen van Utrechtse pijpen, gemaakt in de eerste helft van de 17e eeuw, hebben een vorm
(model) dat typerend genoemd kan worden voor het Utrechtse produkt. Het bijzondere van dit

- 158 -


type is, dat de breedte-as (grootste breedte van de kop) zich op 2/3 tot 3/4 van de hoogte van
de kop bevindt. Dit type heeft zich ontwikkeld uit de eerste Engelse pijpjes, met de kleine bol-
le kopjes met spoor (puntvormig uitsteekseltje onder de kop), waaruit in Utrecht vanaf om-
streeks 1600 gerookt werd. Aangezien deze modellen ook in de omgeving van Londen gevon-
den worden, vermoeden we dat de eerste Utrechtse pijpenmakers uit dit gedeelte van Engeland
afkomstig waren.
In de tweede helft van de 17 e eeuw werden er in Utrecht, door de toeloop van vele vreemde
pijpenmakers, zulke uiteenlopende modellen vervaardigd dat geen specifiek Utrechts type meer
herkenbaar is. De slordig afgewerkte koppen gaan tegen het einde van de 17e eeuw geleidelijk
over in het trechtervormige model. Dit model bleef tot omstreeks 1740 gehandhaafd. Daarna
zakte de breedte-as weer onder de koprand waardoor de contouren van de kop boller werden.

DATERING.
Ook bij de datering van Utrechtse pijpen wordt de ouderdom bepaald door het formaat van de
kop. De maten van 17e eeuwse Utrechtse pijpen zullen in die tijd niet veel verschillen met die
uit andere pijpenmakerscentra van ons land. Door pijpekoppen van Utrechts makelij te verge-
lijken met pijpekoppen, waarvan de datering min of meer vast staat, krijgen we afhankelijk van
de maten, de volgende datering: De kleine kopjes met spoor (kopopening 10 - 11 1/2 mm.)
kunnen naar gelang de grootte gedateerd worden van omstreeks 1600 tot 1630. De koppen van
het Utrechtse type, gemerkt en ongemerkt, kunnen gedateerd worden van 1630 tot 1655.
Beproeven we op de laatste groep de methode van Friederich (lxbxh) dan vallen de dateringen
eveneens binnen de marge van 1630 tot 1655. Passen we de datering volgens Friederich op de
pijpekoppen gemerkt met FVDV toe, dan komen we tot 1655. De pijpenmaker Filip van der
Valck, die dit merk op zijn pijpen zette, overleed echter in 1669. Aangezien zijn weduwe pas
in 1671 het gereedschap van haar man verkocht, kan dit merk tot 1671 gezet zijn. De methode
Friederich zal daarom voor het dateren van Utrechts materiaal uit de 17e eeuw met enige reser-
ve toegepast moeten worden.
Een andere mogelijkheid tot het dateren van 17e eeuw Utrechts materiaal bieden de gelegen-
heidspijpen. Ook in Utrecht werden pijpen voor bijzondere gelegenheden of gebeurtenissen ver-
vaardigd. Een Utrechtse pijp, waarvan de kop op beide zijden is versierd met een klimmende
leeuw in struweel, werd waarschijnlijk in 1648 t.g.v. de Vrede van Munster vervaardigd. Ver-
gelijken we de overige Utrechtse pijpekoppen, die in formaat en model overeenstemmen met
deze gelegenheidspijp, maten 38 1/2 x 19 1/2 x 12 1/2, dan zullen deze pijpen eveneens om-
streeks 1650 vervaardigd zijn.
Een andere Utrechtse gelegenheidspijp toont ons op de rechterzijde van de kop een heraut te
paard en een geharnaste ruiter op de andere zijde van de kop. Onder de geharnaste figuur lezen
we PRINS. Deze pijp werd in 1674 vervaardigd t.g.v. het stadhouderschap van Prins Willem III
van Utrecht. Pijpekoppen met ongeveer dezelfde maten als de kop van deze gelegenheidspijp,
(42 x 20 1/2 x 15 1/2) werden dan na 1674 vervaardigd.
Voor het dateren van 18e eeuws Utrechts materiaal lijkt me de methode Friederich niet bruik-
baar. Koppen met het merk AVT op de linkerzijde en het bij merk de zwemmende zwaan op
de rechterzijde geven volgens deze methode een datering van 1780 tot 1790. Volgens de bron-
nen overleed de maker van deze pijpen, Arie van Tergouw, in 1763 zonder een opvolger na te
laten. Deze pijpen werden dus zeker twintig jaar te laat gedateerd. Het dateren van Utrechtse
pijpekoppen met zij merken kan daarom beter gebeuren via de persoonlijke gegevens van de
pijpenmakers uit officiële bronnen (zie fig. 1).
Ook het dateren van Utrechtse ovoïde koppen (gouwenaars) bleek met deze methode niet
mogelijk. In 1777 en 1778 werden er in de fabriek van David van Sorgen lange pijpen vervaar-

- 159 -


digd, die volgens de maten in 1760 gemaakt zouden zijn!

Figuur I.
Overzicht van de periodes waarin de betreffende pijpenmaker in Lauwerecht werkzaam was.
N.B.: de uitkomsten zijn gebaseerd op gevonden archiefgegevens. Het is daarom niet uitgeslo-

ten dat een pijpenmaker langer in Lauwerecht woonde en werkte.

NAAM MERK
Beek, Pel Eversz van
Deyl, J acob Dircksz IGB
Glansbeek, Jan
Graaff, Dirk de PDG
Graaff, Pieter de SDG
Graaff, Simon de
Groeneveld, Bastiaan lP
Groenevelt, Jac. Bastiaens.: IRM
Peeks, J oseph AVT
Rogman, Jan
Tergouw, Arie van FVDV ~~~~~~~~~~==
Valck, Philip David van der
Versluijs, Dirk DVS
Versluijs, Hendrik HVS
Versluijs, Hendrik HVS
Versluijs, Jan
Versluijs, Jan Huygen PVS
Versluijs, Pieter
Vlack, Jan Willemsz GWD
Westdijk, Gerrit van

00 0•... 0 0•...
10 00
....• r...-.•,
....• ....• ....•
'" '" ''"" '" '" '" '" ...00a> 00•......•. 0.•.........••. 0e•.N.....•. •...0 •0"..'."...•. 01•......0•. 0•......•. •00....0..•. 0a•.....>.•. 0
....• 0
"..'.".• 0<') 00

....•

DE MERKEN VAN UTRECHTSE PIJPENMAKERS.
De 17e eeuw.
Omstreeks 1625 verschijnen de eerste merken op de hieltjes van Utrechtse pijpen. Het meest
opvallende merkje is ongetwijfeld het Utrechtse stadswapen. Enkele andere figuurmerkjes zijn
de roos en de posthoorn. Dan omstreeks 1635 zetten Utrechtse pijpenmakers hun initialen als
handelsmerk. Deze pijpen hebben het specifieke Utrechtse model, dat zoals we al eerder ver-
meldden tot omstreeks 1655 in roulatie bleef. Enkele initialen vinden we gecombineerd met
een figuurmerk, zoals lP met het Utrechtse stadswapen en de tabaksplant.
De lettermerken van Utrechtse pijpenmakers zijn: GG, Hl, ID, IDL, 11, lP, IV, lVI en PL. Het
enige merk dat na 1655 nog werd gezet was het 4-letterige merk FVDV van Filip van der
Valck. Dit merk, dat tot 1671 werd gezet, was het laatste merk dat op 17e eeuwse Utrechtse
pijpen werd gezet.

De 18e eeuw.
In de 18e eeuw werden er in Utrecht geen merken meer op de koppen gestempeld, behalve op
de ovoïde koppen, die in 1777 en 1778 vervaardigd werden. De koppen hadden zijmerken, die
al in de pijperuallen werden aangebracht. De zijmerken dateren vanaf ong. 1730 en werden

- 160-


voornamelijk in de korte bloeiperiode van de Utrechtse pijpenmakerij, die tot ong. 1770
duurde, aangebracht. Nadien werden er nog slordige gemerkte- en ongemerkte pijpen uit op-
nieuw gebruikte oude vormen, waaruit de merken van de vorige eigenaren waren verwijderd, op
de markt gebracht.
Als zijmerk op de Utrechtse pijpekop kunnen cijfers, letters, figuren en combinaties hiervan
worden aangetroffen. Veel gevonden Utrechtse figuurmerken zijn: het fortuin, het Utrechtse
stadswapen, de kwispedoor en het gekroonde visje. Als cijfermerk was vooral de gekroonde 18
in trek.
Bijmerken op pijpen van verschillende Utrechtse pijpenmakers duiden op een vorm van onder-
linge samenwerking. Omstreeks 1740 gebruikten drie pijpenmakers het bijmerk "een vogel in
een .boom". De lettermerken DVS, HVS en PVS op koppen met dit bijmerk wijzen naar de
gebroeders Dirk, Hendrik en Pieter Versluijs. Later, omstreeks 1750, werd er nog een pijp met

deze vogelfiguur in omloop gebracht. De toegevoegde initialen GWD behoorden toe aan de uit
Schoonhoven afkomstige pijpenmaker Gerrit van Westdijk. Kort hierna zal het bijmerk "de
zwemmende zwaan" het symbool worden van een verbond van zeven Utrechtse pijpenmakers.
Gezien de initialen bestond het gezelschap uit de pijpenmakers DVS, HVS, PVS, AVT (Arie
van Tergouw), lP (Joseph Peeks) en de onbekend gebleven pijpenmakers met de initialen IT en
WS.
Een enkele maal voegden pijpenmakers zoals Joseph Peeks en Simon de Graaff (SDG), twee
Goudse wapentjes en de S (slegte, is gewone soort) als bijmerk op hun pijpen toe. Zelfs produ-
ceerde een Utrechtse pijpenmaker een pijp met GOUDA op de kop.
Drie pijpenmakers, joseph Peeks, Hendrik Versluijs en Gerrit van Westdijk brachten een pijp in
de handel met hun volledige naam op de kop. Hendrik Versluijs combineerde zijn initialen ook
met de figuurmerken de gekroonde ooievaar, het visje en de koorddanser. Bij het toeschrijven
van de met HVS-gemerkte pijpjes moeten we er echter rekening mee houden dat er in Lauwe-
recht twee pijpenmakers met deze naam werkzaam waren. Het gekroonde visje werd ook als
handelsmerk gekozen door de pijpenmakers Pieter de Graaff (PDG), Simon de Graaff, joseph
Peeks en Gerrit van Westdijk.
Het Utrechtse stadswapen, dat uiteraard zeer geliefd was bij de Utrechtse roker, vinden we ook
met de initialen lP, AVT en GWD. Pieter de Graaff en Joseph Peeks maakten ook pijpjes met
hun initialen en de gekroonde 18 op de kop. Voorts werden er nog pijpen geproduceerd waar-
van de koppen alleen de initialen van de maker vertonen, n.l. CVS (Claasje Versluijs?), IRM
(Jan Rogman) en IGB (Jan Glansbeek). Het laatst genoemde merk verscheen pas aan het eind
van de 18e eeuw op de pijpekop en kan als het laatst gebruikte Utrechtse pijpenmakersmerk
beschouwd worden.
Tot slot dienen nog de koppen met lobben genoemd te worden, die in Lauwerecht in eindeloze
variaties werden vervaardigd. De meest gevonden met lobben versierde koppen waren hielloos
en hadden een slordig uitgevoerde kroon op de voorzijde. De koppen waarop de lobben wor-
den afgewisseld door bloemen op geparelde stelen, waren afhankelijk van de conditie van de
mal, bijzonder fraai van uiterlijk. Bij het verlopen van de Utrechtse pijpenindustrie aan het eind
van de 18e eeuw, werd het verval vooral aan dit type merkbaar.

Beschrijving van de afbeeldingen:

afb. 1 t/m 3 Bolle kopjes met spoor, de voorlopers van het Utrechtse type.
afb. 4 De spoor is vervangen door een platte hiel, waarop het merk ingestempeld

afb. 5 en 6 kon worden.
Dit zijn koppen van het Utrechtse type, voorzien van het Utrechtse stads-

- 161 -


afb. 7 en 8 wapen als hielmerk.
afb. 9 r/rn 11 Het Utrechtse stadswapen gecombineerd met de initialen lP.
Koppen met enige variaties van het pijpenmakersmerk lP. Van dit merk zijn
afb. 12 ':11 13 inmiddels 6 verschillende versies bekend.
afb. 14 en 15 De enige in Utrecht gevonden, op de steel gestempelde merken.
afb. 16 Twee variaties van het merk II op koppen van het Utrechtse type.
afb. 17 tlm 19 Het Utrechtse merk lVI komt op lange, smalle koppen voor.
Utrechtse merken 10, lOL en PL op de hielen van geglaasde koppen. De ra-
afb. 20 dering is weliswaar volledig, maar vaak slordig aangebracht.
Het merk Hl wordt een enkele maal ook omgekeerd gestempeld, hierdoor
afb. 21 ontstaat het foutieve merk IH.
afb. 22 Eén van de versies van het Utrechtse pijpenmakersmerk GG.
afb. 23 In Utrecht werd ook het merk de posthoorn gezet.
Het merk FVDV van Filip van der Valck is het laatste Utrechtse pijpen-
afb. 24 makersmerk in de 17e eeuw.
Een ongemerkte Utrechtse kop, ongeglaasd en een onvolledige radering op
afb. 25 de naar de roker toegekeerde zijde van de kop.
Pijpekop uit het midden van de 17e eeuw met roosversiering. De rozen wer-
afb. 26 den gekroond en ongekroond tot ver in de 18e eeuw op de Utrechtse pijp
gezet.
afb. 27 Deze pijp met een fraai gestileerde, gekroonde roos op de kop werd rond
1700 gemaakt.
afb. 28 Gelegenheidspijp waarschijnlijk t.g.v. de Vrede van Munster in 1648 ver-
vaardigd.
afb. 29 Gelegenheidspijp met twee ruiterfiguren, waarvan de ruiter op de linker-
zijde, gezien het onderschrift PRINS, de stadhouder Prins Willem III voor-
afb. 30 stelt. De pijp werd in 1674 vervaardigd.
Omstreeks 1730 verschijnen er figuurtjes, zoals maantjes en sterretjes op de
afb. 31 kop van de Utrechtse pijp.
De eerste zijmerken dateren van omstreeks 1735. Het bekendste figuurmerk
afb. 32 was her fortuin, dat tot eind 18e eeuw op de Utrechtse pijp voorkwam.
afb. 33 tlm 35 Het lettermerk CVS, met ster en maansikkel, werd omstreeks 1735 moge-
lijk door Claasje Versluijs, weduwe van Jan Huygen Versluijs, gebruikt.
afb. 36 tlm 42 Kop met een vogel in boom gemaakt door Gerrit van Westdijk.
De "vogel in de boom" vinden we als bijmerk op de pijpen van de gebroe-
afb. 43 ders Versluijs.
afb. 44 Het bijmerk "de zwemmende zwaan" als symbool van een vereniging op de
pijpen van zeven Utrechtse pijpenmakers. Datering 1750-1765.
afb. 45 Het Utrechtse stadswapen op de kop was bij de Utrechtse roker erg geliefd.
afb. 46 en 47 De kwispedoor wordt in vele, vaak slordige, variaties op Utrechtse pijpen
gevonden en werd tot in het 3e kwart van de 18e eeuw vervaardigd.
afb. 48 De gekroonde 18 was ook in Utrecht als merk zeer in trek.

afb. 49 tlm 51 Pieter de Graaff (PDG) en J oseph Peeks (IP) hadden ook dit cijfermerk als

handelsmerk.
Het gekroonde visje, waarvan hier een bijzondere afdruk te zien is, werd
door verschillende pijpenmakers op de pijp gezet.
Gerrit van Westdijk, Simon de Graaff en joseph Peeks voorzagen de ge-

kroonde vis met hun initialen. Simon de Graaff en J oseph Peeks voegden

- 162 -


afb. 52 bovendien het Goudse waarborgmerk aan hun merk toe.
afb. 53 Een Utrechtse pijpenmaker maakte zelfs een pijp met GOUDA op de kop.
afb. 5+ Het Utrechtse stadswapen met de letters lP van J oseph Peeks.
afb. 55 De letters AVT geven aan, dat ook Arie van Tergouw inspeelde op de popu-
afb. 56 en 57 lariteit van het Utrechtse wapen.
Herkomst, merk en naam van de pijpenmaker op één pijpekop.
afb. 5S en 59 Gerrit van Westdijk en Hendrik Versluijs gebruikten eveneens de pijpekop
als visitekaartje.
afb. 60 Twee minder gangbare Utrechtse pijpenmakersmerken, de koorddanser en
afb. 61 de ooievaar, op pijpekoppen van Hendrik Versluijs.
afb. 62 en 63 Het gekroonde merk van Arie van Tergouw, die tot 1763 leefde.
afb. 64 en 65 Slordig ongekroond lettermerk van Jan Rogman.
afb. 66 t/m 69 Koppen met lobben werden in Lauwerecht met en zonder hiel gemaakt.
Pijpekoppen met lobben en kroon op de voorzijde. De kronen werden vaak
afb. 70 en 71 zeer slordig uitgevoerd.
Tussen de lobben bloemen op geparelde stelen. De serie toont een duide-
afb. 72 lijke achteruitgang in de versiering van de Utrechtse pijpen.
Ovoïde koppen van uitzonderlijke kwaliteit uit de fabriek van lange pijpen
afb. 73 van David van Sorgen. De stippen op de zijkant van de hiel gaven aan dat er
verschillende mallen in gebruik waren. Op afb. 70 zien we het ongekroonde
stadswapen als hielmerk. De fabrikant had hiervoor toestemming verkregen
van het Utrechtse stadsbestuur.
Fragment van een versierde ovoïde pijpekop uit de Utrechtse fabriek van
lange pijpen.
Een slordige pijpekop met het merk van Jan Glansbeek, dat omstreeks 1790
in omloop werd gebracht.

LITERATUUR.

* P .K. Smiesing en J.P. Brinkerink, Onder de rook van Utrecht, Twee eeuwen pijpenmakerij in

Lauwerecht, 1988.

ILLUSTRATIES.
- J .P. Brinkerink.

- 163 -


34

®])5 ctJJ7 ~8
~6

~ 10 11 12

13
- 164-


(J® 19 ~ 20

@ 24

21 22

25
26

27
- 165 -


==-=-__, 31

'1]
<.

30

33 34
32

35 36

- 166 -


39 40
42
---- - ---

41

43 44 45

...._......- - ~
v~or.J

_..__~~U
\ol
~4I (.,LJt.'u(..c,.""

~~ ~

46 47 48

- 167 -


\Wt*', G(O

~

~fJ:{;. J
52
50 51

A V Vi' ,,401"'''''''

~•.,2.~ ~
~
~Q $'\S ?~~

~\tlF

53 54

55

58 59

60

___ oc_ ================!!

- 168 -


65
64

66 67 68 69
----- ...•.•. ,- ... ~.

®
71 72
_._---

- 169 -


Click to View FlipBook Version
Previous Book
De kleipijp als bodemvondst Schoonhoven
Next Book
Peter Paul Rubens - National Gallery of Art