The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Fred Kulik, 2016-07-11 08:56:23

Het Grootouderboek

Grootouder
Boek

Een boek vol herinneringen

Geschreven door
Opa en Oma Bakker



Grootouder
Boek

Voor hun kleinkinderen

Marieke . Jochem . Brechje . Lode
Joris . Celine . Lente

Colofon

Eindredactie: Anneke Kulik - Bakker
Vormgeving: Bianca Emanuel
Beeldbewerking: Fred Kulik
Oplage: 11 exemplaren

Woord vooraf

Het Grootouderboek is een boek waarin vragen staan voor een Opa of een
Oma aan de hand waarvan ze aan hun kleinkinderen kunnen vertellen over
hun leven. Het is voor het eerst uitgegeven in 1989. In 1993 verscheen er een
tweede druk van dit boek.
Deze tweede druk kreeg Oma op haar vijfenzestigste verjaardag cadeau van
Jan Peter en Bianca. Om in te vullen voor Joris. Voor later. Joris was toen negen
maanden oud.

Oma heeft deze vragen in het oorspronkelijke boek, dat voor Joris bestemd was,
in haar eigen handschrift beantwoord. In dit boek staan ook hokjes waarin je
foto’s kunt plakken. Dat heeft ze ook gedaan.

Er staan twee vragen in dit boek waaruit we de periode kunnen afleiden waarin
Oma haar herinneringen heeft opgeschreven.

De ene vraag is: Hoe kwam u erachter dat u voor de eerste maal grootouder
was geworden?
Oma schrijft:
‘Dat is al lang geleden! Marieke, de oudste, is 17 jaar.’
Marieke is geboren op 4 november 1978.
Oma schrijft dit dus na 4 november 1995.

De andere vraag is: Hoe noemen uw kleinkinderen u?
Oma schrijft:
Oma Bakker. In tegenstelling tot ‘de oude oma Bakker’, die nu bijna 97 jaar is.
Zij is geboren op 3 februari 1899.
Zo weten we dat Oma na 4 november 1995 en voor 3 februari 1996 haar
herinneringen in dit boek geschreven heeft.

5

Het is twintig jaar later, in 2015, wanneer Opa dit ‘Oma boek’ weer onder ogen
krijgt. Hij begint erin te lezen en bedenkt dan dat het voor alle kleinkinderen
leuk is om zo’n boek met herinneringen te krijgen. En dan niet alleen met de
herinneringen van Oma, maar ook met die van hemzelf. Opa gaat aan de slag en
schrijft, aan de hand van dezelfde vragen die Oma indertijd beantwoord heeft,
ook zijn levensverhaal op.
We hebben geen apart ‘Oma’ boek en ‘Opa’ boek gemaakt. In plaats
daarvan hebben we hun verhalen samengevoegd in dit ‘gemeenschappelijke’
Grootouderboek.
Opa en Oma geven hierin, ieder vanuit hun eigen herinnering, en onafhankelijk
van elkaar, want er zit een een tijdsverschil van 20 jaar tussen, antwoord op
vragen over hun jeugd, over hun ouders, over hoe zij opgevoed zijn. Daarnaast
schrijven ze ook over wat zij van waarde vinden om door te geven aan hun
kleinkinderen.
Opa en Oma hebben elk hun eigen lettertype. Bij elke vraag lees je eerst de
herinnering van Oma en daaronder de herinnering van Opa, twintig jaar later.
Veel leesplezier!
Anneke

6

Inhoud

Uw Afkomst 9
Uw Kindertijd 23
De Tienerjaren 37
Familietradities en Feestdagen 45
Uw leven vóór uw huwelijk 49
Uw huwelijk 57
Grote gebeurtenissen in uw leven 67
Uw kinderen en kleinkinderen 85

Stamboom 91

7

8

Uw afkomst

9

Waar, wanneer en onder welke omstandigheden bent u geboren?
l Voor zover ik weet ben ik thuis geboren, 15 September 1927 in Santpoort. In een
huis vlakbij de boerderij van Sintenie, waar ik later nog weleens geweest ben, als kind.
We verhuisden korte tijd nadat ik geboren was. De beide huizen zijn er niet meer.
n Ik ben op zondag 4 januari 1925 om 5 uur ‘s morgens in Zwijndrecht geboren.
Mijn geboorteadres was Julianastraat 57. In dezelfde straat woonden mijn
grootouders, voor mij toen opa en opoe Muilwijk, de vader en moeder van mijn
moeder. Er woonde nog een oom en tante in de Julianastraat, tante Mina een zus
van mijn moeder. Elders in Zwijndrecht woonden er nog meer ooms en tantes.

Welke namen kreeg u? Was u naar iemand vernoemd?
l Hendrika Cornelia, naar de moeder van mijn vader.

Deze foto is bij
de fotograaf gemaakt.
Ik zal een jaar of
drie geweest zijn.

10

n Ik kreeg de naam Jan. Werd vernoemd naar mijn vader en de vader van
mijn vader, die beiden Jan heetten.

Bij ons thuis in Zwijndrecht. Mijn vader heeft deze fiets zelf voor mij gemaakt.

Hoe heetten uw ouders,
uit welke streek of plaats
waren ze afkomstig en
wat was hun beroep?
l Mijn moeder heette
Ariaantje Glas, geboren in
Egmond aan zee in 1896,
en mijn vader David
Hendrik van de Velde.

Trouwfoto van mijn vader en moeder.

11

De huwelijksaankondiging
van mijn vader en moeder.

Mijn vader
samen met
mijn moeder
thuis in
Santpoort.

12

n Mijn vader heette Jan Bakker, geboren in Zwijndrecht in 1898
en mijn moeder Pietje Muilwijk, ook in Zwijndrecht geboren in 1899.

Mijn vader, Jan Bakker,
samen met mijn moeder,
Pietje Muilwijk.

13

Had u broers en zusters?
l Geen broers en zusters
n Ik had één broer.
Leendert. Roepnaam Leen.
Hij werd 6 jaar na mij
geboren.

Leen, vlak voor hij naar
Nederlands-Indië vertrok
als dienstplichtig militair.

Was het gezellig thuis?
Werden er spelletjes gedaan, voorgelezen, muziek gemaakt?
l Het was vooral rustig thuis. Mijn moeder was geen spelletjesmens. Was vooral
op nut ingesteld. Ik mocht wel breien en borduren. Mijn vader was veel meer een
gezelligheidsmens. Hield wel van spelletjes en las ook altijd voor. In ieder geval
’s avonds voor het naar bed gaan. Hij zal dat weer van zijn vader hebben gehad.
Van mijn grootvader kreeg ik altijd boeken die ik nu nog heb. ‘Afkes Tiental’ van
Nienke van Hichtum en ‘Het boek voor de Jeugd’(Arbeiderspers).
n Wat mij bijgebleven is uit mijn jongere jeugd is dat orde en regelmaat een
belangrijke plaats innamen in het dagelijks leven. Ik had daar geloof ik geen
moeite mee. Door de vele ooms en tantes die ook in Zwijndrecht woonden was
er altijd aanloop en dat was best gezellig. We hadden een huisorgel in de kamer
waar mijn vader op speelde. Ik weet nog dat hij les had van iemand waar 3 soorten
orgels in huis stonden, waar ik danig van onder de indruk was.
Mijn vader leerde mij al vroeg schaken. Ook dammen was bij ons een geliefd
spelletje. Als er werd voorgelezen was dat meestal uit de Kinderbijbel. Elke dag
na het avondeten werd er een stuk uit de Bijbel gelezen. Daardoor ken ik heel wat
Bijbelverhalen, wat ik best waardevol vind.
Wat mij ook bijgebleven is, is dat mijn vader graag tekende. Ik herinner mij nog
vrij grote krijttekeningen van Bijbelse figuren. Hij tekende die na van plaatjes.
Helaas is daar niets van bewaard gebleven.

14

Ging u met het gezin wel eens een dagje uit? Hoe? Waarheen?
l Mijn vader was bij de ‘Spoorwegen’. Daardoor had het gezin ‘vrij reizen’.
Wij reisden dus vrij veel. Meestal naar familie die nogal verspreid door het land
woonde. Maar we gingen toch ook wel naar de Veluwe en de duinen.
n We gingen met het gezin alleen tijdens de vakantie van mijn vader ergens
heen. Ik weet nog dat mijn vader één week vakantie per jaar had. Soms was het
een dagje strand, soms een weekje naar familie die in Nijmegen woonde. We
gingen daar dan heen met een boot die vertrok uit Dordrecht. Zo’n bootreis van
Dordrecht naar Nijmegen duurde bijna 7 uur.

Welke rol speelde godsdienst in het gezinsleven?
l De godsdienst was wonderlijk in ons gezin. Mijn vader was hervormd, mijn
moeder oudkatholiek. Het was dan de gewoonte dat de jongen het geloof van de vader
kreeg en het meisje dat van de moeder. Ik was dus oudkatholiek, maar ging ook wel
naar de hervormde Zondagsschool. Toen ik later trouwde met een hervormde man,
werd ik weer hervormd, al is de affiniteit tot het oudkatholieke geloof blijven bestaan.
n Mijn vader en mijn moeder kwamen uit verschillende kerkelijke milieus. Mijn
vader redelijk vrijzinnig, mijn moeder uitgesproken streng. Wat mijn vader betreft
heeft dat geleid tot een volledig afscheid nemen van de kerk. Voor mijn moeder
heeft het contact met de kerk een aantal jaren op een laag pitje gestaan, maar
met het ouder worden en zeker na de dood van mijn vader is zij weer helemaal
naar haar oude kerk teruggekeerd. Ik ben gedoopt in de Hervormde kerk in
Zwijndrecht.
Normaal was dat ik naar een ‘Kleuterschool met de Bijbel’ ging en daarna naar
de christelijke lagere school. Op die christelijke lagere school heb ik gezeten
tot en met de vierde klas. Omdat die school niet opleidde tot toelating naar het
middelbaar onderwijs, ben ik vanaf de 5e klas naar een opleidingsschool in
Dordrecht gegaan.
Gebruikelijk in mijn omgeving was dat je op zondag naar de zondagsschool
ging. Ik ben daar om de één of andere reden nooit op geweest. Wel moest ik toen
ik 12 jaar werd op zondag naar de knapenvereniging. Dat was een kerkelijke
vereniging waar jongens tussen de 12 en 17 jaar op zaten. Om beurten moest je
daar een spreekbeurt houden over een deel uit de bijbel en daar werd dan over
gediscussieerd. Je leerde op die club je mening te geven en in debat gaan met
anderen. Na de ‘knapenvereniging’ kwam de ‘jongelingsvereniging’, jongens /
mannen van 18 tot 23 jaar. Ik ben daar nooit heen gegaan. Het was toen midden
in de oorlogstijd en te riskant voor jongens van die leeftijd.
Ik moet toch zeggen dat ik aan dat gebeuren op die knapenvereniging later veel
gehad heb.

15

Waren uw ouders arm of rijk? Heeft dit voor u een rol gespeeld?
l Mijn ouders waren niet rijk, maar ook niet doodarm. Er moest altijd zuinig
aan gedaan worden. Mijn moeder naaide altijd jurken en zoveel mogelijk andere
kleren. Toen ik klein was, maakte dat niet veel uit. Pas bij het opgroeien ging ik het
ontdekken. Dat was weleens pijnlijk. Andere kinderen op school kregen meer.
n Mijn ouders waren beslist niet rijk. Naar maatstaven van nu (2011) misschien
modaal. Hoe het huishoudboekje er thuis uitzag, weet ik niet. In elk geval alle
dagelijkse dingen konden gewoon.

Een pagina uit het patronenboek
van mijn moeder.

Waren uw ouders streng?
l Mijn moeder was strenger dan mijn vader.
n In vergelijking met wat ik nu om mij heen zie, waren mijn ouders best streng.
Mijn moeder misschien wat strenger dan mijn vader.

16

Hebt u uw grootouders gekend?
Kwamen ze bij u thuis en ging u er
weleens logeren? Waar woonden ze
en wat was hun beroep?
l Van zowel moederskant als vaderskant heb
ik mijn grootouders vaag gekend. Ze overleden
toen ik nog klein was. Zo tussen mijn 6e en
10e jaar. De ouders van mijn moeder woonden
in IJmuiden. Haar vader had gevaren. De
ouders van mijn vader woonden in Santpoort
en Heiloo. Mijn vaders vader was bij de
Spoorwegen. Wij gingen er weleens logeren.
Opa van de Velde kwam ook wel bij ons.

Samen met mijn opa van de Velde bij ons thuis

in de Linnaeusstraat in Zwijndrecht.

Opa en Opoe Glas in IJmuiden.

17

n Van de kant van mijn moeder heb ik mijn grootouders goed gekend.
Ze woonden vlakbij in dezelfde straat, dus we zagen elkaar vaak. Wat mijn opa
voor werk deed weet ik eigenlijk niet precies. Ik herinner me vaag uit verhalen
dat hij vroeger in de landbouw bij boeren gewerkt heeft en later in een fabriek
(Chemproha).
Van mijn vaders kant heb ik alleen mijn oma gekend. Mijn vaders vader heb ik
nooit gekend. Hij was van beroep glasblazer. Ik hoorde weleens dat het een zeer
ongezond beroep was en dat veel glasblazers uit die tijd niet oud werden.

Had u ook speciale ooms en tantes?
l Speciale ooms en tantes waren voor mij: Tante Marie en tante Neeltje
(zusters van mijn moeder) en tante Riek (zuster van mijn vader).

Van links naar recht: tante Marie, tante Neeltje en mijn moeder.
18

Tante Riek, de zuster van mijn vader.

n Een speciale tante
voor mij was tante
Griet, de enige zus
van mijn vader. Tante
Griet was getrouwd
met ome Piet. Ome
Piet was kapitein op
een sleepboot en had
altijd sterke verhalen.
De sleepboten uit
de tijd toen ik kind
was, waren nog
stoomsleepboten.

Tante Griet met haar

moeder, mijn oma Bakker.

19

Herinnert u zich hoogtepunten uit het gezinsleven?
l Een vakantie in Harderwijk met de oudste zuster van mijn moeder en haar gezin
vlak voor de oorlog. We hadden daar een huisje gehuurd. En ik was voor een week
samen met een groot gezin (vier meisjes en één jongen).
n Echte hoogtepunten herinner ik mij niet. Zo ze er waren, hebben ze blijkbaar
geen indruk op mij gemaakt

Diepte punten?
l Toen mijn vaders vader overleed en ik mijn vader voor het eerst zag huilen.
De ontdekking dat Sinterklaas niet echt bestond.
n Een absoluut dieptepunt was toen mijn vader een ernstig bedrijfsongeval kreeg,
waardoor een deel van één van zijn benen moest worden geamputeerd.

Vakanties met het hele gezin?
l Ons hele gezin bestond maar uit 3 personen. Meestal bestond de vakantie uit
familiebezoek en dan gezamenlijk ergens heen gaan.

Twee foto’s van onze vakantie in Harderwijk.
Samen met mijn vader en moeder op de tandem. Ik zit achterop.

20

Samen met mijn nichtjes, mijn tante, en mijn vader en moeder voor het vakantiehuisje in
Harderwijk. Ik zit tussen mijn nichtjes in op de vensterbank. Op de stoel links zit mijn moeder.
Rechts de oudste zuster van mijn moeder, tante Bé. Op de voorgrond zit mijn vader.

n De vakanties die mij het meest bijgebleven zijn, zijn die naar Nijmegen. Een
broer van mijn moeder en zijn vrouw (oom Teeuw en tante Erna) hadden daar
een soort hotel/pension bedrijf waar we dan een week logeerden. Mijn oom Teeuw
was in zijn jonge jaren naar Amerika geëmigreerd. Het lukte hem toch niet om
daar een bestaan op te bouwen en hij besloot daarom maar terug te keren naar
Nederland.

21

22

Uw kindertijd
(2-12 jaar)
23

Waar woonde u in uw kinderjaren? Weet u nog veel van dat huis?
Bestaat het nog? Is de omgeving erg veranderd?
l Van Santpoort waar ik geboren ben herinner ik me niets. In Zwijndrecht woonde
ik in twee huizen. In het eerste huis tot ongeveer mijn 10e jaar. In het tweede totdat ik
trouwde, tot mijn 23e jaar. Het eerste huis moet er nog zijn, maar gerenoveerd.
De omgeving daar is veranderd. Het tweede huis (Juliana van Stolbergstraat) is er
nog. Daar is niet veel veranderd. Het had een erker en een voor- en achtertuin.
In de buurt was een vijver met eendjes.

Ons eerste huis in de Linnaeusstraat.

Met mijn vader en moeder
voor ons huis.
24

Ons tweede huis. Wij woonden in het middelste huis.

n Het huis waar ik geboren ben, herinner ik me nog goed. Het was een rijtjeshuis
in een vrij lange straat. Als je voor het huis stond, was er tussen ons huis en de
buren aan de rechterkant een doorgang, we noemden dat het slop. Verder waren
er halverwege de straat zijstraten met op elke hoek een winkel. Een slager, een
kruidenierswinkel, een melkboer en een fietsenwinkel.
Het huis had een gang met een deur naar een kleine voorkamer, een deur
naar de woonkamer en de trap naar boven, waar 2 slaapkamers waren. Van
de woonkamer kwam je in de keuken en van de keuken in de bijkeuken. In de
bijkeuken was de wc. Aan het huis was een vrij grote schuur gebouwd. Er was
nog geen centrale verwarming. We hadden in de woonkamer en in de voorkamer
een kolenkachel. In de keuken stond nog een fornuis. In de slaapkamers en de wc
was het ’s winters, wanneer het vroor, steenkoud. We gingen dan vaak met een
warmwaterkruik naar bed om warm te worden. Een badkamer was er niet. Er was
een badhuis waar we één of twee keer per week naartoe gingen om te douchen.
Daar zat je soms wel een uur te wachten voor je aan de beurt was. Je moest
daarvoor betalen en mocht dan ongeveer 15 minuten douchen. Als je na een
kwartier nog niet klaar was, werd er door de badmeester op je celdeur gebonsd
met de roep om op te schieten.
Ik weet niet precies hoe oud ik was, ik denk 10 of 11 jaar, zijn we verhuisd naar
eenzelfde huis aan de overkant van de straat.
Hoe de Julianastraat in Zwijndrecht er nu uitziet weet ik niet. Wat ik gehoord heb,
is dat er de laatste jaren ingrijpende renovaties hebben plaatsgehad, waardoor alles
erg veranderd is.

25

Waren er in die tijd nog dienstmeisjes of ander huishoudelijk personeel?
l Bij mij thuis niet. Bij de mensen naast ons wel.
n Bij ons niet. Met zoveel ooms en tantes in de buurt hielp men elkaar over en
weer wanneer dat nodig was. Bij ziekte, maar ook bij bijvoorbeeld de gebruikelijke
voor- en najaar schoonmaak. Het huis werd dan van onder tot boven grondig
schoongemaakt. De bedden gingen naar buiten om te luchten, de muren
werden opnieuw behangen, de plafonds gewit enz. Dat was best nodig, want de
kolenkachels waren niet bepaald schoon. Bovendien werd er over het algemeen
stevig gerookt, vooral pijp en sigaren, wat ook voor de nodige aanslag zorgde.
Afzuigkappen in de keuken waren er ook niet. Wanneer er gekookt werd, rook je
dat door het hele huis. Zo’n schoonmaakbeurt was echt geen overbodige luxe.

Had u een huisdier? Vertelt u er wat over.
l Ik herinner me dat we in de oorlog een poedeltje hadden. Tijdelijk, want hij was
van familie van ons, die geen eten meer hadden voor hem. En wij nog wel.
n Een huisdier als hond of kat hadden we niet toen ik klein was. Wel hadden we
altijd kippen en een paar konijnen. Die konijnen hadden we om met Kerstmis
op te eten. Mijn vader slachtte het konijn zelf en ik stond erbij om te kijken hoe
hij dat deed. Het huidje werd er heel zorgvuldig afgestroopt en verkocht aan
opkopers, die het weer verkochten aan werkplaatsen waar het in kleding werd
toegepast. Voor het geld dat het huidje opbracht, konden we in het voorjaar weer
een jong konijntje kopen voor de volgende kerst.

Had u een tuin(tje)?
l Zelf had ik geen tuintje. Mijn ouders hielden de tuin bij.
n Bij het huis was een piepklein voortuintje en een grotere achtertuin. Bij ons
was in de achtertuin een kippenhok met uitloopren gebouwd. Wat overbleef was
voor een terrasje en voor wat tuinplanten.

26

Hoe was in uw huis de verwarming, verlichting, het toilet,
badgelegenheid?
l De verwarming was: kachel in de achterkamer. Fornuis in de keuken. Elektrisch
licht, w.c. Geen badkamer.
n We hadden in het huis waar we woonden drie stookplaatsen. Eén in de
woonkamer, één in wat we noemden de zitkamer en één in de keuken. De zitkamer
werd alleen gebruikt bij speciale gelegenheden (verjaardagen en feestdagen
bijvoorbeeld), dus daar werd niet veel gestookt. In de keuken hadden we een
fornuis. Daar werd op gekookt en gebakken. Alle kachels werden met kolen stookt.
Achter het huis hadden we een grote kolenkist. In september/oktober werd die
gevuld met kolen. Dat deed de kolenboer. In de kachel in de woonkamer stookten
we antraciet (dat waren dure kolen) en voor het fornuis de goedkopere eierkolen
of sloffen. De met antraciet gestookte kachels konden ’s nachts doorbranden maar
moesten ’s morgens wel worden opgeschoond (as en slakken eruit), het fornuis
ging ’s nachts uit en moest elke dag opnieuw worden aangemaakt. Dat aanmaken
ging met kranten en kachelhout. Het was dus zaak dat er naast kolen ook altijd
voldoende kachelhout aanwezig was. In de rest van het huis, en dat waren de
slaapkamers, was geen verwarming en was het in de winter wanneer het vroor
steenkoud. Je ging dan naar bed met een hete waterkruik en een berg wollen
dekens. De verlichting bij ons was elektrisch, maar bij een tante die in een oud huis
aan de buitenrand van het dorp woonde, hadden ze nog gaslampen.
Een badkamer hadden we niet. Een bad nemen gebeurde toen ik klein was in een
grote zinken teil in de keuken. Toen ik groter was in het badhuis.

Hoe werd de was gedaan, het huis schoongemaakt, hoe werden de
boodschappen gedaan?
l De was werd in een grote ketel gekookt en op een wasbord geboend, gespoeld en
door de wringer gehaald. De dag ervoor was alles eerst ‘in de week’ gezet met soda.
Later werd alles aan lijnen in de tuin te drogen gehangen en in de winter aan lijnen
op de zolder. Voor zover ik weet hebben we altijd een stofzuiger gehad. Voor de
grote schoonmaak kwamen er soms tantes. De boodschappen werden gehaald in de
‘coöperatie’ en in de buurtwinkels op de hoek.
n Ik weet nog hoe het ging toen we nog geen wasmachine hadden. Maandag was
het wasdag. ’s Morgens vroeg rond zes uur werden er dan wat tonnetjes heet water
gebracht door de waterstoker. Het hete water ging met het wasgoed in een grote
tobbe. Na stampen, boenen en schrobben werd de schone was door een wringer
gedraaid en daarna te drogen gehangen aan in de tuin gespannen drooglijnen.
Wanneer het regende of wanneer het vroor werd de natte was meestal op rekken
rond de kachel in de kamer gedroogd. Ik vond dat maar niks.

27

Wat voor speelgoed had u?
l Poppen, poppenhuis (door mijn vader zelf gemaakt) , poppenwagen, keukentje,
mondorgel, rolschaatsen, schaatsen.
n Mecano was voor mij wel het favoriete speelgoed. Daar kon je vanalles mee
maken. Hijskranen bijvoorbeeld, waarmee je echt dingen kon ophijsen.

Wat speelde u met ander kinderen op straat?
l Touwtjespringen, hinkelen, haasje over, knikkeren, wegkruipertje, sta-bal,
met 3 of 4 ballen tegen de muur ballen.
n Op straat werd er veel geknikkerd. Het was de ene dag winnen, de andere
dag dan vaak weer verliezen. Toen ik wat ouder werd, zeg zo 10 of 12 jaar, werd
er bijna alleen nog maar gevoetbald. Verkeer was er bij ons nog nauwelijks, dus
voetballen ging prima. Je moest wel oppassen, want op straat voetballen was
verboden. Maar als er een politieagent aankwam, werden we meestal tijdig
gewaarschuwd en zorgden we dat we wegkwamen. Er waren in die tijd heel wat
goeie voetballers die op straat hebben leren voetballen.

Was er in die tijd al radio?
l Toen ik een jaar of acht was kwam er een radio in huis (1935)
n Ik denk dat ik 9 of 10 jaar was toen we radio kregen.

Weet u nog iets over de rol die de radio in uw leven speelde?
l Op zondagmiddag naar ‘Ome Keesje’ en op dinsdagmiddag naar het ‘kinderkoor
van Jacob Hamel’ luisteren. Ome Keesje was van ‘Willem van Capellen’.
n Wij waren in het begin aangesloten op een centraal systeem en daarmee
had je maar een beperkte zenderkeuze. In elk geval kon je de Nederlandse
zenders ontvangen. Programma’s waar in elk huis naar geluisterd werd, was op
zondagmiddag een kinderprogramma dat ‘Ome Keesje’ heette.
Door bijna iedereen werd ook geluisterd naar de ‘Bonte Dinsdagavondtrein’ en
dan was er ook nog een detective serie die geloof ik ‘Paul Vlaanderen’ heette.
De laatste viel in de categorie hoorspelen. En als het Nederlands voetbalelftal
speelde was een live verslag op de radio. Wanneer zo’n wedstrijd op zondag was,
mocht van mijn moeder bij ons de radio niet aan.

28

Waren er in die tijd ziekten die er nu (haast) niet meer zijn?
l Een nichtje van mij (Rie van Pel, nu 81 jaar) had voor de oorlog tbc. Zij moest
kuren in een sanatorium in Nunspeet. Af en toe ging ik met mijn ouders naar haar
toe. Ik herinner mij een grote witte villa midden in het bos.
n Tuberculose (tbc) was in mijn jeugd een veel voorkomende, ernstige ziekte.
Tbc-patiënten moesten voor genezing vaak opgenomen worden in wat een
sanatorium heette. Zo’n opname duurde soms maanden. Lang niet iedereen genas
daar. Heel veel tbc-lijders gingen toen aan de ziekte dood.

Bent u op een kleuterschool geweest? Hoe ging het daaraantoe?
l Ik ging op mijn tweede jaar naar de kleuterschool. Je moest wel ‘zindelijk’ zijn.
Er waren 3 lokalen en één grote speelzaal.

Mijn eerste foto op de kleuterschool. Ik zit op het witte stoeltje in het midden,
met het witte kraagje en het dasje. Ik denk dat ik toen pas op school zat.

29

Dit is ook op de kleuterschool. Het meisje met het matrozenpakje, links vooraan, dat ben ik.

n Ik ben op de kleuterschool
geweest. Ik heb vage herinneringen
aan een speelplaats met een grote
zandbak onder een afdak. Van hoe
het er allemaal aan toeging, herinner
ik mij niet meer.

Het jongetje links ben ik, samen met
de groenteman. Toen ik nog op de
kleuterschool zat, mocht ik vaak met hem
mee om hem te helpen.

30

Hoe was uw lagere school? Leerde u daar al een vreemde taal?
l Ik ging eerst naar de openbare lagere school in Zwijndrecht.
In de 5e klas naar een opleidingsschool in Dordrecht. Daar kregen we Frans.

Eerste klas lagere school.
Ik zit op de eerste rij, in het midden.

In de 5e klas naar een opleidingsschool
in Dordrecht. Daar kregen we Frans.

31

n Ik ben met 6 jaar naar de lagere school ‘met den Bijbel’ gegaan. In Zwijndrecht.
Wat nu de directeur is, was in mijn lagereschooltijd de bovenmeester. Het
was een christelijke school en de juffrouw of de meester begon de lessen elke
morgen met een gebed en daarna werd een stukje uit de bijbel gelezen. Naast de
gewone lessen moesten we elke week een psalm of gezang uit het hoofd leren. Op
maandagochtend moest elk kind, een voor een, voor de klas komen en zijn ‘versje’
opzeggen. Had je het niet goed geleerd, dan kreeg je strafwerk. Op de lagere
school in Zwijndrecht werd geen vreemde taal onderwezen. Toen ik na de 4e klas
naar een opleidingsschool in Dordrecht ging, hadden we daar wel Franse les.

Ik ben het
jongetje in het
matrozenpakje,
in de linker rij,
op de op één na
achterste bank.

Portret van de 3e klas van de hervormde lagere school. Ik zit op de voorste rij, tweede van rechts.

32

Hoe ging u naar school?
l Lopen, fiets, veerpont, later de brug over de Oude Maas.
n In Zwijndrecht ging ik lopend naar school. Tussen Zwijndrecht en Dordrecht
stroomt een rivier (de Oude Maas), dus toen ik naar een school in Dordrecht ging
moest ik elke dag overvaren met de pont. Om over te varen moest je betalen. Als
je als voetganger met de pont ging, was dat goedkoper dan wanneer je met de fiets
ging. Dus ging ik als voetganger. Soms had je zo’n strenge winter en was er zoveel
ijs in de rivier dat de pont niet kon varen. Dan kon ik dus niet naar school. Later
werd er een brug gebouwd en kon je zo nodig met de fiets.

Deed u aan sport?
l Ja, gymnastiek en zwemmen

Het middelste meisje achteraan ben ik.

n Ik werd al vroeg lid van de zaterdag voetbalclub Pelikaan en speelde daar
jeugdcompetitie. Later ben ik ook nog een paar jaar lid geweest van ZZ&PC,
dat was de Zwijndrechtse Zwem en Polo Club.

33

Las u veel? Wat was uw lievelingsboek?
l Ja. ‘Het boek voor de Jeugd’(arbeiderspers 1937)
n Naast de boeken die voor school gelezen moesten worden, heb ik denk ik
alle Karl May boeken gelezen. Later in 1940 kwam Hollands Glorie van Jan den
Hartog uit. Een boek met spannende verhalen over de Nederlandse zeesleepvaart.
Ik heb dat boek wel 10 keer gelezen.

Wanneer hebt u voor het eerst de zee gezien?
l Al jong, want wij hadden familie die dicht bij zee woonden.

Het zwaaiende meisje dat bij haar vader op de nek zit, dat ben ik.

n Toen ik de zee voor het eerst zag, was ik misschien vier of vijf jaar.
Waarschijnlijk bij Hoek van Holland of Scheveningen.

34

Wanneer bent u voor het eerst in het buiteland geweest?
l Voor het eerst ben ik in het buitenland geweest toen ik al getrouwd was. In 1956.
Naar Lugano. We gingen met de trein. Het was begin juni. Hier was het nog somber.
Toen we de Alpen over waren, veranderde het beeld totaal. Zon en kleur en volop
fleurigheid. We overnachtten in Bazel in een hotel. De volgende ochtend gingen
we verder. De terugtocht ging via het Vierwoudsteden-meer. We waren ook nog in
Luzern en zagen ‘de Pilatus’. De kinderen, Anneke en Arienneke hadden we netjes
verdeeld. Anneke bij oma van de Velde en Arien bij oma en opa Bakker.
n Als we met vakantie bij mijn oom en tante in Nijmegen waren, kwamen we af
en toe net over de grens in Duitsland. Dat was de periode voor 1940. Echt naar
het buitenland was pas toen ik ging werken en het voor mijn werk moest. Dat was
1951/1952. Vanaf die tijd heb ik veel gereisd en ben in heel veel landen geweest.

Wanneer en hoe hebt u leren zwemmen?
l Zwemmen leerde ik in de ‘zwemschool’ in Zwijndrecht. Ik was toen 10 jaar en
haalde er ook het diploma bij ‘meester Berkelaar’.
n Ik heb leren zwemmen toen ik 9 of 10 jaar was. Ik moest toen van mijn ouders
naar zwemles. We hadden in Zwijndrecht voor die tijd al een mooi zwembad
waar zwemles werd gegeven. Het was een open bad en het kon er behoorlijk koud
zijn. De lessen begonnen in het voorjaar wanneer het zwembad openging en de
bedoeling was dat je dan aan het eind van de zomer kon afzwemmen. Slaagde je
daarvoor, dan mocht je vanaf dat moment ‘in het diepe zwemmen’.

Hoe hebt u leren fietsen en wanneer kreeg u uw eerste fiets?
l Fietsen leerde ik van mijn vader. Mijn eerste fiets kreeg ik omstreeks mijn 9e jaar.
n Fietsen heb ik van mijn vader geleerd. Toen ik mijn eerste fiets kreeg, was ik
denk ik 10 of 11 jaar.

Waar en hoe hebt u leren schaatsenrijden?
l Schaatsen leerde ik vlak bij ons huis op de vijver. Van Oom Huib, een vriend van
mijn vader. Ook omstreeks mijn 9e jaar.
n Schaatsen deden we op bredere sloten en vijvers. En die waren er voldoende in
Zwijndrecht in de buurt waar ik woonde. Ik heb het mijzelf geleerd.

35

Wat was het fijnste cadeau dat u in die jaren hebt gekregen?
l Het fijnste cadeau was een pop met echt haar, vlechten.
n Het fijnste cadeau was denk ik het horloge dat ik kreeg toen ik klokkijken geleerd
had. Het was een beetje traditie bij ons dat je, zodra je klok kon kijken, een horloge
kreeg. Dat was geen armbandhorloge, maar een groot zakhorloge. Wat je daar als
kind mee moest, heb ik nooit goed begrepen. Later heb ik begrepen dat het een
horloge voor later was, als je groot was. Ik noem nou het horloge, maar misschien
was het toch de step met echte luchtbanden die ik een paar jaar later kreeg.

Wat wilde u worden toen u klein was?
l Dat weet ik eigenlijk niet. (Rijk worden, geloof ik)
n Ik heb altijd iets willen worden waar techniek bij te pas kwam. Wat precies
wist ik niet. Later heb ik gekozen voor scheepsbouw. Tekenaar worden vond ik
ook wel wat.

En wat wilden uw ouders dat u zou worden?
l Mijn ouders wilden alleen maar dat ik het verder zou brengen dan zij.
n Mijn ouders drongen wel aan op een goede opleiding, maar lieten de keus aan
mij. Mijn uiteindelijke keuze voor scheepsbouw vonden ze prima.

Kunt u zich nog herinneren wat bepaalde zaken kostten?
l Kleding werd altijd zelf gemaakt. Postzegels kostten 2 ½ cent.
n Wat kleding kostte weet ik niet. Wel weet ik dat truien, sokken, handschoenen
en mutsen door mijn moeder zelf werden gebreid. Verder herinner ik me nog een
winkel (Mol heette die geloof ik) waar ze van alles en nog wat verkochten, ook
kleren. Schoenen had je aan naar school, maar rond het huis droeg ik meestal
klompen. Bij de kruidenier op de hoek werden de dagelijkse boodschappen
gedaan. Dat deed mijn moeder altijd tegelijk voor de hele week. Soms was er
onverwacht wat nodig en moest ik naar de winkel, maar ik kreeg dan geen geld
mee. Schrijf het maar op, moest ik dan zeggen, mijn moeder zal wel betalen. De
melkboer kwam elke dag langs de deur met melk, boter en eieren. Eén keer per
week kwam er iemand langs om de contributie voor het ziekenfonds te innen.
Alles ging heel gemoedelijk, maar naar huidige maatstaven wel primitief.

36

De tienerjaren
(10-20 jaar)
37

Welke taken had u thuis?
Waren er bijzondere karweitjes die u moest doen?
l Afwassen en boodschappen doen.
n Speciale taken had ik niet . Wel moest ik elke dag zorgen dat het konijn te eten
kreeg en ik moest zijn hok schoonhouden. Dat deed ik dan ook keurig.

Kreeg u zakgeld en waar ging dat meestal aan op?
l Ik kreeg soms zakgeld, maar moest het besteden aan nuttige zaken. Niet aan snoep.
n Zakgeld kreeg ik pas na de lagere school. Ik had een spaarpot. Gebruikelijk was
bijvoorbeeld dat ik op nieuwjaarsdag naar alle ooms en tantes ging om ze een goed
Nieuwjaar te wensen en dan kreeg ik bij de één een dubbeltje, bij de ander een
kwartje en dat ging allemaal in de spaarpot. Ook als ik voor mijn verjaardag van
iemand geld kreeg, ging het in de spaarpot. Dat spaarpotgeld mocht ik dan
gebruiken om dingen te doen die geld kostten. Maar alleen als mijn moeder het
goed vond. Op feestdagen - Pasen, Hemelvaartsdag, Pinksteren - kreeg ik wel
zakgeld en daarmee mocht ik doen wat ik wou. Meestal ging dat op aan snoep en
ijsjes.

Heeft u voortgezet onderwijs gevolgd en hoe lang?
l 5 jaar H.B.S. en een cursus apothekersassistente.

De 5e klas van de H.B.S. De vijfde van links op de tweede rij ben ik.

38

In Dordrecht, tijdens mijn opleiding voor apothekersassistente. Tweede van links ben ik.

n Ja ik heb op een school voor bijzonder middelbaar onderwijs gezeten en zou
vandaar naar de 4e klas van de hbs gaan. Het was inmiddels volop oorlog en
er ontstonden situaties waardoor alles anders gelopen is dan gepland. In 1944
werden een aantal scholen door de Duitsers ingericht als hospitaal en stopte het
lesgeven. Verder was er bijna geen eten meer en was iedereen bezig te overleven.
In september 1945 kwam alles weer een beetje op gang. Ik was toen inmiddels 20
jaar en besloten werd dat het beter was een studie vakopleiding te gaan doen. Dat
werd scheepsbouw aan de hts in Dordrecht.

In 1942 – 1943 volgde ik een cursus bij de P.T.T. Ik zit helemaal rechts, achter de tafel.
Ook Wim Aantjes, zittend achter de tafel, derde van rechts volgde deze cursus. Hij werd later
fractievoorzitter van het CDA.

39

Ik sta op de tweede rij, tweede van rechts. Wegens benzine gebrek moest de paardenkar weer
tevoorschijn worden gehaald.

Welke vakken vond u het leukst?
En waren er vakken waar u een hekel aan had?
l Nederlands en geschiedenis vond ik leuk. De exacte vakken vond ik niet leuk,
maar ik deed er wel mijn best voor.
n Ik had eigenlijk aan geen enkel vak een hekel. Wiskunde vond ik toch wel het
leukst.

Hebt u op school of thuis seksuele voorlichting gehad?
l Helemaal niet.
n Niet.

Van welke vervoermiddelen werd er bij u thuis gebruik gemaakt?
l Fiets, trein, bus.
n Vervoersmiddelen voor ons waren pont, bus, trein en voor dichtbij de fiets.

40

Deed u aan sport?
l Ik was lid van een zwem- en poloclub.
n Het was in mijn kindertijd zo, dat je pas lid van een sportvereniging kon
worden als je 12 jaar was. Misschien voor turnvereniging wat jonger. Toen ik 12
was, werd ik lid van de voetbalvereniging Pelikaan. Er was in Zwijndrecht nog een
voetbalvereniging ‘vv Zwijndrecht’. Vv Zwijndrecht was een zondagclub, dat wil
zeggen dat zij op zondag competitie speelden. Pelikaan speelde op zaterdag. Van
mijn moeder mocht ik niet op zondag voetballen, dus moest ik naar Pelikaan.
Ik heb daar bij de junioren en later bij de jeugd gespeeld. Als ik mij goed herinner,
ben ik als keeper geëindigd. Ook ben ik nog een paar jaar lid geweest van ZZ&PC
(de Zwijndrechtse Zwem & Polo Club).

Speelde u een muziek instrument? Waarom juist dat instrument?
l Ik geloof dat ik weleens op een mandoline mocht spelen, maar veel weet ik daar
niet van.
n Wij hadden een orgel waar mijn vader op speelde. Mijn moeder wilde wel
graag dat ik ook orgelles nam, maar ik wilde niet. Ik vond toen een orgel een
achterlijk instrument. Piano had ik zeker gedaan, maar dat mocht niet. Je zou dan
een piano moeten hebben. En een orgel en een piano in huis, daarvoor was geen
plaats. Ik begreep dat wel.

Zat u op dansles? Welke dans was erg populair?
l Ik zat op dansles. Herinner me vooral de foxtrot en de Engelse wals en de tango.
n Ik ben op dansles geweest. In Zwijndrecht werd er geen dansles gegeven, dus
moest ik naar Dordrecht. Een hele winter lang, één keer per week een uur. Zo’n les
duurde van zeg september tot en met maart en werd afgesloten met ‘een bal’. Wat
ik me nog herinner: je danste dan de foxtrot, de slow-fox, de Engelse wals en een
paar pasjes van de tango.
Voor mij is het bij die ene winter gebleven. Ik wil wel gezegd hebben dat het niet
gebruikelijk was dat, in het toch wel christelijk milieu waar ik in leefde, je naar
dansles mocht. Dat ik dat wel mocht en dat mijn ouders dat wilden betalen,
getuigt voor een open blik.

41

Deed u weleens mee
in toneelstukjes of
muziekuitvoeringen?
l We hebben weleens een revue
opgevoerd met de zwem- en poloclub.

n Wat ik me herinner alleen met
kerstmis op de kleuterschool, maar
naar ik weet nooit in een belangrijke
rol van bv Jozef. Ik zal wel een
eenvoudige herder geweest zijn.

Was er dan veel publiek?
l Heel veel supporters en familieleden.
n Het publiek bestond hoofdzakelijk
uit ouders en broertjes en zusjes.
En natuurlijk de dominee.

Er stond zelfs een stukje in de krant.

42

Revue met de zwem- en poloclub. Ik sta op de voorste rij, vierde van rechts.

Welke liedjes waren populair?
l Ik had een liedjesschrift. Daar stond in wat toen ‘in’ was. Ik herinner me alleen
nog iets van ‘Chante, chante encore dans la nuit’.
n Er zullen zeker populaire liedjes geweest zijn, maar ik herinner me ze niet.
Een orkest waar ik en velen met mij in mijn jonge jaren voor thuis bleef als het op
de radio kwam, was ‘De Ramblers’, een dansorkest onder leiding van Theo Uden
Marsman.

Hoe was u gekleed? Verschilde die kleding veel van wat de jonge
mensen tegenwoordig dragen?
l Netjes. Veel verschil met nu. Kniekousen, sokjes en lange kousen. Geen lange
broeken. Wel rokken, en als schoenen: molières.
n Wat de kleding betreft was het bij mij thuis zo dat ik doordeweekse kleding
en zondagse kleding had. Op zondag moest je er netter uitzien dan op de andere
dagen van de week. Dat gold zeker voor de mensen die ’s zondags naar de kerk
gingen. Hippe kleding zoals nu bestond toen niet. Iedereen droeg een beetje
hetzelfde. Lange tijd bestond mijn garderobe uit kniekousen, een korte broek
met bloes en daar overheen ’s winters een trui. De kniekousen en de trui waren
meestal door mijn moeder gebreid. De korte broek ging later over in wat heette
een plusfour. Pas daarna kreeg je een lange broek.

43

Waren er mensen of zaken die van invloed waren op uw denken en
handelen indertijd? Waarom?
l Vooral de H.B.S. en de medeleerlingen hadden invloed. Er ging een heel andere
wereld voor mij open.
n Van de 4de klas lagere school in Zwijndrecht naar een opleidingsschool in
Dordrecht, waar ik al gauw merkte dat er veel kinderen zaten met ouders van
stand, was voor mij een grote overgang, nog los van het feit dat ik als een soort
plattelander uit Zwijndrecht in een stadsmilieu terechtkwam. Ik ging eigenlijk in
2 werelden leven. Gelukkig heeft dat toen en later nooit tot problemen geleid.

Kon u als tiener opschieten met uw ouders?
l Als kind kon ik goed opschieten met mijn ouders. Ik keek tegen hen op. Als tiener
werd ik kritisch en vielen ze van hun voetstuk. De verstandhouding met mijn vader
was beter. Wij lagen elkaar meer.
n Als tiener kon ik best goed opschieten met mijn ouders. Het was een rustig
leven waarin veel mocht, maar je ook aan de regels moest houden. Eén van de
regels was bijvoorbeeld op tijd thuis zijn om te eten. Eten deed je met elkaar en
gebeurde het een keer dat je te laat was, dan werd je duidelijk gezegd dat zoiets
niet meer moest gebeuren.

Hoe gingen jongens en meisjes met elkaar om?
l Niet zo vrij als nu. Ik herinner mij nog hoe een jongen mij voor het eerst een arm
gaf. Dat was heel wat, zo maar op straat. En een zoen. Dat hoorde eigenlijk pas als je
‘verkering’ had.
n In mijn herinnering gingen jongens en meisjes vrij gescheiden met elkaar om.
Op school zaten jongens naast jongens en meisjes naast meisjes. Buiten schooltijd
ging het ook zo. De jongen speelden met elkaar en zo ook de meisjes. Dat ging
zo tot een jaar of 14, een leeftijd waarop jongens de meisjes gaan opmerken (en
omgekeerd natuurlijk). Toch bleef het allemaal nog afstandelijk. Heel wat anders
dan nu.

44

Familietradities
en feestdagen
45

Werd er bij u thuis Sinterklaas, Kerstmis, Oud en Nieuw gevierd? Hoe?
l Van de feestdagen werd altijd veel werk gemaakt. Met familie of kennissen of
buren. Met zelfgemaakte cadeautjes en rijmen. Met kerstmis werd er extra aandacht
aan het eten gegeven.
n Wat de feestdagen betreft was de viering van Sinterklaas eigenlijk nog net als
nu, met dit verschil dat het in mijn kindertijd meer een surprise-avond was. Veel
snoep, veelal zelfgemaakte cadeaus en gedichtjes natuurlijk. Ook toen kwam
Sinterklaas in elke stad en dorp per boot aan. En was hij één keer aangekomen,
dan mocht ik 1 of 2 keer per week mijn schoen bij de schoorsteen zetten. In alle
huizen waren toen nog kachels en dus echte schoorstenen, waardoor de Pieten
zich naar beneden konden laten zakken.
Kerstfeest was, althans bij ons, geen feest van cadeaus. Wel werd er veel aandacht
gegeven aan het eten. De kerstmaaltijden vond ik altijd bijzonder. De dag ervoor
werd er al uitgebreid aan het eten klaarmaken gewerkt en op eerste kerstdag zaten
we dan aan de kerstmaaltijd, mijn vader, moeder, mijn broer en ik. De warme
maaltijd was bij ons op doordeweekse dagen altijd ’s avonds om halfzes, maar
zondags aten we tussen de middag warm, om halfeen dus. Ook de kerstmaaltijd
begon om halfeen. Tweede kerstdag was een dag van familiebezoek.
Oud en Nieuw was een avond van spelletjes, oliebollen en appelflappen. Er was
geen televisie, maar wel radio. De radio gaf aan wanneer het Nieuwjaar inging.
Wij woonden niet ver van de rivier en op alle schepen loeiden de scheepsfluiten
het nieuwe jaar in. Ik vond dat altijd machtig mooi. Op nieuwjaarsdag ging je de
familie langs om een gelukkig Nieuwjaar te wensen en hopelijk een Nieuwjaars
centje te krijgen.

Hoe werden verjaardagen gevierd?
l In familiekring of met vrienden en vriendinnen.

Op mijn verjaardag bij
ons thuis in Zwijndrecht.
Ik zit naast mijn moeder.
Achter mijn moeder staat
mijn opa van de Velde en
achter mij staat mijn vader.

46

n Op mijn verjaardag kwam alle familie die op Zwijndrecht woonde mij
feliciteren. En dat waren er nogal wat. De kamer zat dan vaak mudje vol.
Kinderfeestjes waren er nog niet, dus je vierde je verjaardag eigenlijk alleen met
volwassenen en je broers of zusjes natuurlijk. Wel trakteerde ik op de lagere
school. Dat deed zo ongeveer iedereen. Heel eenvoudig, bijvoorbeeld een kaakje
waar iets op zat waar je aan likken kon.

Herinnert u zich nog iets van de cadeautjes waar u erg blij mee was?
l De verlovingsring in de zak van Sinterklaas in 1949.
n Een cadeau wat ik mij goed herinner en waar ik erg blij mee was, kreeg ik van
oma op mijn 23e verjaardag (4 januari 1948). Het was het boek ‘Merijntje Gijzen’s
Jeugd’ van de schrijver A.M. de Jong. Zij had daarin geschreven:

Wanneer de ziel zich zuiver houdt,
Zo dwingt zij daardoor het leven,

Haar het geluk te geven.
Riet

Het boek is een bundeling van vier boeken. Aardig om hier te vermelden is dat het
eerste boek in 1925 verscheen, dus in het jaar dat ik ben geboren.
Ter informatie: het zijn streekromans die zich afspelen in het katholieke Brabant.
In 1936 is het boek verfilmd en in 1974 is er een televisieserie van gemaakt.
Op Wikipedia worden de Merijntje romans uitvoerig beschreven.

Werden er nog andere (kerkelijke) gedenkdagen bij u thuis gevierd?
Waren die belangrijk voor het gezinsleven? Denk daarbij aan eten dat
werd opgediend, muziek, voorlezen uit de bijbel of een ander boek,
enzovoort.
l Er werd niet uit de bijbel gelezen bij het eten. Wel gebeden. Vaak ’s Zondags naar
de oudkatholieke kerk in Dordrecht. ’s Avonds las mijn vader vaak voor.

47

n Aan alle kerkelijke feestdagen werd wel aandacht geschonken. Het meest
toch aan Kerstmis. Rond de kersttijd werden er verhalen uit de bijbel gelezen en
kerstliedjes gezongen, begeleid door mijn vader op het orgel. Ook de kerstmaaltijd
kreeg veel aandacht. Goede Vrijdag (de dag waarop Jezus is gekruisigd) werd
ook serieus genomen met het lezen van verhalen uit de bijbel over ‘het laatste
avondmaal van Jezus en zijn discipelen’, ‘het verraad van Judas’ en ‘het verhaal
over de rechtspraak van Pilatus’.
Met Pasen, herinner ik mij nog, aten we gekookte aardappelen met verse kropsla
en gekookte eieren. Na een hele winter waarin de warme maaltijd goeddeels
bestond aardappelen met koolsoorten, peen en bonen was verse sla met eieren
bijna een feestmaaltijd. Hemelvaartsdag en Pinksteren van toen zeggen mij niet
meer zoveel, behoudens dat er op die dagen voetbaltoernooitjes waren waar ik aan
mee deed.

Welke andere familietradities hadden een bijzondere betekenis voor u?
l Wij hadden niet zoveel familietradities. Mijn moeder had een nicht in Dordrecht
wonen. Een traditie was misschien het zondagse bezoek over en weer.
n Echte familietradities kenden we niet. Tenzij dat er steevast op zondag om
12.00 uur voor het eten een borrel gedronken
werd door mijn vader. Een borrel was in die tijd
een oude jenever.
Meer gewoonte dan traditie was dat we op
zondagmiddag, behalve bij slecht weer, altijd
met het gezin een wandeling maakten. Wat mij
bijgebleven is, is dat het soms behoorlijk lange
wandelingen waren, die veelal eindigden bij
tante Griet en ome Piet, waar thee of koffie werd
gedronken.

In Dordrecht Tante Jans, nicht van mijn moeder,
in de tuin, en oom Jan Conijn uit Dordrecht.
samen met mijn
achternichtje
Lies Conijn.
Ik sta rechts
naast haar.

48

Uw leven

Vóór uw huwelijk

49

Wanneer heeft u een beroepsopleiding voltooid?
l In 1946 haalde ik mijn diploma apothekersassistente.
n Ik heb mijn beroepsopleiding voltooid in juni 1949. Ik was toen dik 24 jaar.
Dat was aan de hts in Dordrecht waar ik scheepsbouwkunde heb gedaan.

Wanneer bent u zelfstandig gaan wonen?
l In december 1946 ging ik wonen in het academisch ziekenhuis in Leiden.
n Na ongeveer een half jaar op de tekenkamer scheepsbouw van Wilton Fijenoord
in Schiedam te hebben gewerkt, ben ik in april 1950 gaan werken bij Lips
Scheepsschroeven fabriek in Drunen. Ik ben toen in Drunen gaan wonen en kreeg
een kamer in een klooster van de Franciscaner monniken. Geweldig was het daar
bepaald niet. Een sobere kamer, eenvoudig eten, geen enkele luxe. Er woonden
daar nog een paar mensen die bij Lips werkten en daardoor was het wel te doen.

Wanneer kreeg u uw eerste baan?
l In december 1946 als apothekersassistente in Leiden.

De apotheek in Leiden. Ik sta op de 2e rij, 5e van links.

50


Click to View FlipBook Version