The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici, 2020-10-20 03:11:22

HO 2014-2

HO 2014-2

het ORGEL

T i j d s c h r i f t v a n d e K o n i n k l i jjk e V e r e n i g i n g v a n O r g a n i s t e n e n K e r k m u s i c i

04 Het Hinsz-orgel in de Grote Kerk te Harlingen
24 Eine Orgel für Bach in Hamburg
38 De ‘Schübler Choräle’ van J. S. Bach (III-slot)

JJaaaarrggaanngg 111009 ((22001143)) nnuummmmeerr 24


colofon Cover:
Orgel in de
Nummer 2 jaargang 110 (2014) Grote Kerk te Harlingen
Het Orgel Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Foto: Jan Smelik
Kerkmusici, voor het eerst verschenen in 1886. De Koninklijke Vereniging
van Organisten en Kerkmusici is in 2009 opgericht op christelijke grondslag.
Doelstelling: de behartiging en bevordering van de orgelcultuur en de
kerkmuziek.
Leden van verdienste
Kees Hoeksma (erevoorzitter) - Piet Kee - Rein van der Kluit (erevoorzitter)
Overleden: Hendrik Andriessen - Klaas Bolt - Adriaan Engels - Dirk Andries
Flentrop - Jaap de Haan (erevoorzitter) - Cor Kee - Albert de Klerk - Ewald
Kooiman - Gustav Leonhardt - Willem Mudde - Adriaan C. Schuurman - Willem
Vogel
Bestuur KVOK
Henk Eijsenga (voorzitter), Hans Beek (1ste secretaris), Ad Krijger (2de
secretaris), Cor Rooijackers (penningmeester), Jack Gardeniers, Willeke Den
Hertog-Smits, Olga de Kort-Koulikova en Jeroen Pijpers
Adres secretariaat: Hans Beek - Klipper 49 - 9801 MT Zuidhorn - 0594 507876
[email protected]
Adres penningmeester: Cor Rooijackers - Professor Schermerhornlaan 91 -
5707 KG Helmond - 0492 548488 - [email protected]
Ledenadministratie KVOK
Harco Clevering - Jabbingelaan 21 - 9591 AL Onstwedde - 0599 331890 -
[email protected]
Bankrekeningen KVOK
Nederland - NL95INGB0000102003 (BIC: INGBNL2A) en
NL17ABNA0454803104 (BIC: ABNANL2A)
België - BE82000325820168 (BIC: BPOTBEB1XXX)
Duitsland - DE35280200507108715901 (BIC: OLBODEH2XXX)
Websites
verenigingssite: wwww.kvok.nl
nieuwssite: www.orgelenkerkmuziek.nl
Lidmaatschap KVOK
Men kan zich als lid opgeven bij de ledenadministratie. Leden kunnen zich
abonneren op de verenigingstijdschriften Het Orgel, Muziek&Liturgie en
de digitale nieuwsbrief (zie hieronder). Ze krijgen tevens de ZomerAgenda
(eenmaal per jaar een overzicht van orgelconcerten in de zomer) toegezonden.
Het lidmaatschap loopt parallel aan het kalenderjaar en wordt automatisch
verlengd indien niet één maand voor de vervaldatum is opgezegd.
Abonnementsvormen tijdschriften KVOK
Leden van de KVOK kunnen uit de volgende abonnementsvormen kiezen:
Muziek&Liturgie + nieuwsbrief € 50 (Europa € 60, buiten Europa € 65)
Het Orgel + nieuwsbrief € 60 (Europa € 70, buiten Europa € 75)
Muziek&Liturgie + Het Orgel + nieuwsbrief € 75 (Europa € 90, buiten Europa
€ 95)
Contributie
Informatie over de contributie en de tijdschriften waarop leden zich kunnen
abonneren kunt u vinden op de website van de KVOK. Ook kunt u contact
opnemen met de penningmeester.
Redactie Het Orgel
hoofdredacteur Jan Smelik - H. van Steenwijckstraat 10 - 8331 KK Steenwijk

0521 521276 - [email protected]
redacteuren Jan Hage (orgelmuziek)
René Verwer (orgelmuziek)
Jan R. Luth (kerkmuziek)
Cees van der Poel (orgelbouw)
Geert Jan Pottjewijd ([email protected])
De deadline voor inzending van de kopij voor Het Orgel is op de vijftiende dag
van de oneven maanden.
Corrector
Roel te Velde - Vianen
Vertalingen samenvattingen
Op de website www.hetorgel.nl staan samenvattingen van de artikelen die in
Het Orgel verschenen zijn. Vertalers: Dale Carr (Engels), Christian Michel
(Duits) en Willemijn Roodbergen (Frans)
Vormgeving
Jan en Gerda Smelik - Steenwijk
Druk
Drukkerij Verloop - Ablasserdam
Website
www.hetorgel.nl
Advertenties
Bureau Van Vliet B.V., Postbus 20, 2040 AA Zandvoort - 023-5714745.
Contactpersoon Sharon de Vries ([email protected]).
Website: www.bureauvanvliet.com

© KVOK 2014
ISSN 0166-0101

2 HET ORGEL 2014 | nummer 2


INHOUD

04 Het Hinsz-orgel in de Grote Kerk 04

van Harlingen gereconstrueerd 24

Rogér van Dijk & Henk de Vries 38

18 In memoriam: Albert Hendrik 3HET ORGEL 2014 | nummer 2

de Graaf (1928-2014)

Victor Timmer

22 In memoriam:

Hans van der Harst (1930-2014)

Teus den Toom

24 Eine Orgel für Bach in Hamburg

Bij de voltooiing van het orgel

in de Hamburgse St.-Katharinenkirche
Cees van der Poel & Henk de Vries

38 ‘Sechs Choräle

von verschiedener Art’

Deel 3 (slot): De aan de orgelkoralen ten
grondslag liggende teksten (BWV 649, 647, 648)
en het theologische bouwplan
Albert Clement

48 Besprekingen

Correctie Het ORGEL 2014 nummer 1
In het bericht over de restauratie van het orgel in de Dorpskerk te Barendrecht is een foutje
geslopen. Op pagina 36, tweede kolom, regel 6 van boven staat per abuis ‘Gouda’ waar
‘Gorinchem’ had moeten staan.


Het Hinsz-orgel in

van Harlingen

4 HET ORGEL 2014 | nummer 2 Inlegwerk lessenaarsbak orgel Grote Kerk Harlingen | Foto: Jan Smelik


HET INSTRUMENT

de Grote Kerk

gereconstrueerd

Rogér van Dijk & Henk de Vries In december 2009 begon Flentrop Orgelbouw met een ingrijpende klankrecon-
structie van het Hinsz-orgel in de Grote Kerk van Harlingen. Feitelijk betrof het de laatste fase van een algehele
restauratie waarvan de voorbereidingen al in 1998 waren begonnen. Adviseur Jan Jongepier (1941-2011) stelde in
dat jaar een uitvoerig rapport op waarin belangrijke aspecten van de bewogen geschiedenis van het instrument en
de toenmalige technische toestand waren vastgelegd. Omdat hij de tijd toen nog niet rijp achtte voor een algehele
restauratie, werd besloten de werkzaamheden te faseren. In de jaren 2000/2001 voerde Flentrop Orgelbouw een
technische restauratie uit, die op 27 mei 2001 werd afgerond. In 2006 verleende de Gemeente Harlingen vergun-
ning voor de tweede fase, een klankreconstructie. Twee jaar later werd de reconstructie van de labialen subsidiabel
gesteld in het kader van de Rrwr 2008. In datzelfde jaar 2008 legde Jan Jongepier zijn adviseurschap neer. Hij werd
opgevolgd door Cees van der Poel. Op 2 april 2009 tekenden de kerkrentmeesters een contract met Flentrop Or-
gelbouw voor de reconstructie van de labialen. Ongeveer twee maanden later volgde de opdracht voor de acht
nieuwe tongwerken. De oplevering van de klankreconstructie vond plaats op 29 september 2011. Twee dagen
later volgde de feestelijke ingebruikneming van het herboren instrument met een bespeling door Cees van der Poel
en hoofdorganist Euwe Zijlstra.

Hoewel Jan Jongepier in de voorbereidingen van de technische res- Harlingen lag enkele honderden meters verderop. Vooral in de zes-
tauratie tamelijk uitvoerig archiefonderzoek verrichtte, werd het con- tiende eeuw groeide deze stad echter zo snel dat Almenum werd gean-
tract voor de bouw van het instrument lange tijd verloren gewaand. nexeerd. Er zijn aanwijzigen dat op de oude terp van Almenum al in
De laatste jaren biedt het gemeentearchief in Harlingen echter veel het laatste kwart van de achtste eeuw een kerk stond. Vermoedelijk
meer mogelijkheden tot onderzoek. Plaatselijk historicus Herman van was dit een houten gebouw met een rieten dak. In de twaalfde eeuw
den Ende ontdekte in het oude stadsarchief in de bestekkenboeken in werd op dezelfde plaats een tweebeukige tufstenen kerk gebouwd
de portefeuille ‘openbare werken en waterstaat’ een afschrift van het met een grote toren aan de westzijde. Deze kerk, gewijd aan de aarts-
bestek voor het Hinsz-orgel in de Grote Kerk [Het bestek staat inte- engel Michaël, kwam in 1580 in handen van de protestanten.
graal afgebeeld op de pagina’s 6 t/m 8]. Hij maakte daarvan een trans- Vanaf het midden van de achttiende eeuw was de bouwkundige toe-
criptie, die hij in 2012 aan Flentrop Orgelbouw beschikbaar stelde. stand van de kerk regelmatig onderwerp van onderzoek. Uit diverse
Deze vondst werpt een uitgebreider licht op de ontstaansgeschiedenis metingen bleek duidelijk dat het gebouw in een vrij hoog tempo ver-
van het instrument, en roept ook enkele vragen op ten aanzien van de zakte. In april 1771 achtte men de situatie zo onveilig dat de burge-
jongste restauratie. meesters bepaalden dat de kerk zou worden afgebroken en vervangen
door een nieuwe; de oude toren bleef wel behouden.
GESCHIEDENIS VAN KERK EN ORGEL Op 25 mei 1772 legde burgemeester jonkheer Hans Willem van Plet-
tenberg de eerste steen voor de nieuwe kerk naar ontwerp van stads-
De huidige Grote Kerk van Harlingen staat op een kerkterp die oor- bouwmeesters Eelke Jelles en zijn opvolger Willem Douwes. Mogelijk
spronkelijk de kern van het dorpje Almenum vormde. Het eigenlijke was bij het ontwerp ook de Amsterdamse architect Jacob Otten Hus-

5HET ORGEL 2014 | nummer 2


ley (1738-1796) betrokken. Hij ontwierp en vervaardigde in elk geval instrument dat in 1684/1685 was gebouwd door orgelmaker Harmen
het indrukwekkende stucwerk. Ondanks het feit dat de werkzaam- Jans uit Berlikum, weliswaar met gebruikmaking van de bestaande
heden aan het kerkgebouw nog niet geheel waren voltooid vond op orgelkassen en andere oude onderdelen. De laatste grotere repara-
zondag 1 januari 1775 onder grote belangstelling de eerste kerkdienst tie aan dit instrument was in 1732 uitgevoerd door Johann Michaell
in de nieuwe Grote Kerk plaats. Schwartzburg (1696-1748), die onder andere een nieuwe Trompet
plaatste. Voorafgaand aan het opmaken van het bestek had Hinsz het
Bouw van het orgel oude (gedemonteerde) orgel geïnspecteerd en daarbij vastgesteld dat
Al vrij snel na het leggen van de eerste steen voor de nieuwe kerk alleen de bestaande Trompet nog bruikbaar zou zijn. Voorwaarde was
moeten ook concrete plannen zijn gemaakt voor de bouw van een wel, dat in de bas tenminste zes en in de discant vijf pijpen zouden
nieuw orgel. De opdracht daarvoor werd op 10 mei 1773 gegeven aan worden bijgemaakt en de grenen stevels vervangen zouden worden
orgelmaker Albertus Anthoni Hinsz (1704-1785). Dat men dit werk door eiken exemplaren. Het aantal bij te maken trompetpijpen geeft
aan Hinsz toevertrouwde, is niet zo verwonderlijk. Hij had in Friesland een indicatie voor de klavieromvang van het oude orgel, al is deze in
al eerder gewerkt in onder andere Tzum (1761), Sexbierum (1767) en de bas niet geheel duidelijk.
Hallum (1768). Hinsz ontwierp voor de nieuwe kerk van Harlingen een groot twee-
Uit het bestek voor het orgel blijkt dat men had overwogen gebruik klaviers instrument bestaande uit Manuaal, Rugpositief en vrij Pedaal
te maken van (delen van) het oude orgel. Dat betrof in aanleg een dat wat betreft opzet, omvang en dispositie nagenoeg identiek was

Afschrift van het bestek voor het Hinsz-orgel in de Grote Kerk uit het stadsarchief van Harlingen

6 HET ORGEL 2014 | nummer 2


aan zijn orgel in Midwolda (1772). Voor Harlingen werd de manuaal- nodigde houtwerk en het vergulden van de labia van de frontpijpen.
omvang vastgesteld op 54 tonen (C-f3) en de pedaalomvang op 27 Uiteindelijk besloot men de frontpijpen van hetzelfde alliage als de
tonen (C-d1). Uit het bestek kan ook worden opgemaakt dat de Mix- binnenpijpen te vervaardigen en met tinfolie te bekleden. De Trompet
tuur 4, 5, 6 sterk van het Manuaal in zijn geheel van een tertskoor zou 8’ uit het oude orgel zou worden hergebruikt. Met deze bepalingen
worden voorzien, en op twee voet zou beginnen. nam Hinsz het werk aan voor 6.400 Carolus Gulden. Saillant detail is
Voor de frontpijpen had Hinsz Engels tin in gedachten; ook het be- dat het bestek mede ondertekend werd door Johan Daniël Toussaint
leg op de kelen van de tongwerken zou van tin zijn. Voor de legering (1704-1790), die van 1731 tot 1750 stadsorganist van Harlingen was
van het binnenpijpwerk zou onder 10 pond lood 3 pond tin worden en daarna diverse functies in het stadsbestuur bekleedde.
gemengd. Als toonhoogte koos Hinsz voor ‘camertoon’ en het orgel Na ondertekening van het contract ontving Hinsz de eerste termijn
moest zodanig worden ‘getemperd’ dat alle ‘tonen’ konden worden van tweeduizend gulden. In de rekeningen is op 20 februari 1776 nog
gebruikt. Als werktuiglijke registers worden drie afsluiters genoemd de opbrengst van ‘eenig houtwerck aan het oude orgel hebbende be-
(voor elk werk één), twee tremulanten, een schuifkoppel voor de ma- hoort’ geboekt. Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat het
nualen en een calcantenklok. Registerdelingen van Fagot 16’ en Mix- instrument is gesloopt. Verder zijn er in de rekeningen diverse beta-
tuur van het Manuaal worden niet beschreven. lingen te vinden die betrekking hebben op de bouw van het nieuwe
Uit het vervolg van het bestek blijkt dat de burgemeesters zelf zouden instrument.
zorgen voor de aanbesteding van de orgelkas, het leveren van het be- Johann Georg Hempel ontving voor zijn arbeidsloon aan het orgel

7HET ORGEL 2014 | nummer 2


en het vervaardigen van snijwerk in totaal 847 gulden. Hempel, 11 september 1775 was het werk zover gevorderd dat freule Agatha
oorspronkelijk afkomstig uit Altenburg, woonde sinds 1763 als van Plettenburg, in aanwezigheid van enkele burgemeesters, de eerste
zelfstandig beeldhouwer in Harlingen. De samenwerking met pijp in het Rugpositief kon plaatsen. De tekst in de cartouche boven de
orgelmaker Hinsz was overigens niet nieuw; Hempel maakte ook claviatuur herinnert aan deze feestelijke gebeurtenis:
het snijwerk aan de oudere Hinsz-orgels in Tzum en Sexbierum. De
fraaie lessenaar van het Harlingse orgel (in de rekening aangeduid als
‘pulpitum’) is voor een bedrag van 90 gulden vervaardigd door G. van
Vliet. Vermoedelijk betrof dit de uit Franeker afkomstige schrijnwerker
Gerben Tjepkes van Vliet, die enkele jaren later ook het snijwerk
voor het Hinsz-orgel in Minnertsga (1778) maakte. Ook een grote
post koper- en ijzerwerk ten behoeve van het orgel (335 gulden en 2
stuivers) is separaat in de rekeningen geboekt. Willem Dahmen leverde
ten slotte de 42 gedraaide ebben registerknoppen. Uit dit aantal en uit
het orgel zelf kan worden afgeleid dat de Mixtuur en Fagot 16’ van het
Manuaal van meet af aan waren gedeeld in bas en discant.
Over het verloop van de bouw van het orgel is niet veel bekend. Op

8 HET ORGEL 2014 | nummer 2


Op 1 april 1776 sloten de burgemeesters een onderhoudscontract advies van jonkheer Samuel Wolther Trip (1804-1886), in 1857 een
voor het inmiddels bijna voltooide orgel af. Hinsz zou daarvoor 25 nieuw orgel geleverd voor de Westerkerk in Harlingen. In datzelfde
gulden per jaar ontvangen. De orgelmaker ontving verder op 29 april jaar verbouwde en verplaatste hij ook het Van Gruisen-orgel van de
de tweede en laatste termijn voor het orgel van 4.557 gulden en 10 Doopsgezinde Kerk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de kerk-
stuivers. In dit bedrag waren 30 ‘goudene Ducaten tot een extraordi- voogden ook voor het orgel van de Grote Kerk met Van Oeckelen in
nair douceur’ inbegrepen; kennelijk was men zeer tevreden over het zee gingen.
nieuwe instrument. Hoewel er uit de bewaard gebleven archieven geen concrete aanwij-
Stadsorganist Pieter Siebeda, die het al die jaren zonder orgel had moe- zingen over de aard van de uitgevoerde werkzaamheden te vinden
ten stellen, heeft het nieuwe Hinsz-orgel niet meer officieel in functie zijn, staat wel vast dat deze ingrijpend moeten zijn geweest. De kerk-
bespeeld. Op 24 april 1776 vroeg hij de burgemeesters om ontslag voogdij liet zelfs een circulaire uitgaan om geld in te zamelen. Na af-
wegens gezondheidsredenen. Bij de feestelijke ingebruikneming van loop van de werkzaamheden plaatsten zij een dankzeggingsbericht in
het orgel op 30 april 1776 klonk nog wel muziek van zijn hand. De de Leeuwarder Courant van 30 september 1864:
plechtigheid werd verder extra luister bijgezet door violisten van el-
ders. Overigens greep men de ingebruikneming van het nieuwe orgel Uit het orgel zelf kon worden afgeleid dat in 1863/64 de windladen,
ook aan om, naar het voorbeeld van veel andere plaatsen, te starten claviatuur en mechanieken zijn hersteld en op onderdelen gewijzigd.
met het zingen van de psalmen ‘op heele en halve noten’. Een aantal Er kwamen nieuwe registeropschriften en de windkanalen werden
zangers zou daartoe in de maand juli worden geïnstrueerd. deels vernieuwd. De toonhoogte van het orgel werd opnieuw ver-
Uit de beschrijving van Nicolaas Arnoldi Knock die in 1788 werd ge- hoogd door het inkorten van pijpen en/of het aanbrengen van ex-
publiceerd blijkt dat het Harlingse orgel (nagenoeg) conform het be- pressions.
stek moet zijn opgeleverd. In afwijking daarvan wordt de Cornet 2’ Op het Manuaal schakelde Van Oeckelen het dubbelkoor van de
in het Pedaal Clarinet genoemd en is in het Manuaal sprake van een Praestant 8’ uit en verving hij het metalen groot octaaf van de Gedakt
gehalveerde Trompet 16’. Had dit register wellicht trechtervormige 16’ door houten pijpen. De Quint 3’ maakte plaats voor een Quint 6’
bekers? en de Cornet werd, in een uitgebreide en gewijzigde samenstelling,
op een verhoogde bank geplaatst. Ook de samenstelling van de
Onderhoud na Hinsz Mixtuur werd gewijzigd in 3-5 sterk zonder het tertskoor en met
Na het overlijden van Hinsz ging het onderhoud van het orgel over verlegde repetitiepunten. De drie tongwerken werden vervangen
naar de in Leeuwarden gevestigde orgelmaker Albertus van Gruisen door eigentijdse (doorslaande) exemplaren.
(1741-1824). In 1809 nodigden de kerkvoogden orgelmaker Albertus De veranderingen aan het Rugpositief waren zo mogelijk nog ingrij-
Sikkes Hempenius (1749-1811) uit Franker uit om zijn visie op de toe- pender. De Praestant 4’ werd gewijzigd in Praestant 8’ waarvan het
stand van het orgel te geven. groot octaaf was gecombineerd met de Holpijp (in het vervolg Fluit
Twee jaar later kwam het onderhoud van het orgel in handen van de d’amour genoemd). Voor zover ze nog aanwezig waren, verving Van
orgelmakers L. van Dam en Zonen (Leeuwarden). Hoewel zij ook in Oeckelen de registers Quintadeen, Nassat, Sexquialter, Octaaf, Scherp
1815 aan het orgel werkten, was het Albertus van Gruisen die in 1815 en Dulciaan door respectievelijk Violon D 8’, Holfluit 8’, Viola di
een omvangrijke reparatie van 520 gulden verrichtte. Bij die gelegen- Gamba 8’, Salicionaal 4’, Flageolet 1’ en Calcodion 8’. In het Pedaal
heid werden stemflappen in de frontpijpen aangebracht en is vermoe- vernieuwde Van Oeckelen de Subbas 16’ en de vier tongwerken. De
delijk ook de toonhoogte van het orgel verhoogd naar de voor die tijd Roerquint 6’ was wellicht al eerder door Hardorff vervangen door een
gebruikelijke toonhoogte van a1 = 430 Hz. Fluit 4’. Ten slotte intoneerde Van Oeckelen het orgel opnieuw op een
hogere winddruk.
Albertus van Gruisen en zijn zoon Willem onderhielden het orgel na Na 1864 bleef het orgel met tussenpozen in onderhoud bij de firma
1817 met tussenpozen tot 1837. In 1840/1841 maakte de in Harlin- Van Oeckelen tot 1906. Hoewel in deze periode een aantal grotere uit-
gen woonachtige orgelmaker Melchior Schrage (1772-1848) het or-
gel schoon. De kerkvoogden vroegen orgelmaker Dirk Sjoerds Ypma 9HET ORGEL 2014 | nummer 2
(1813-1853) uit Bolsward om Schrages werk te beoordelen. Van 1842
tot en met 1852 was het instrument in onderhoud bij de firma L. van
Dam en Zonen.
In 1853 voorzag Willem Hardorff (1815-1899) de frontpijpen van
nieuw tinfolie en bladgoud op de labia. De kosten daarvan bedroegen
250 gulden. Twee jaar later herstelde Hardorff de balgen en maakte
hij het orgel schoon voor een totaalbedrag van 615 gulden. Mogelijk
voerde hij bij deze gelegenheid ook enkele dispositiewijzigingen uit,
want tot op heden is in het orgel pijpwerk aanwezig dat van zijn hand
zou kunnen zijn.

In 1863/1864 werd het orgel tamelijk ingrijpend gewijzigd door Pe-
trus van Oeckelen (1792-1878). Deze orgelmaker had, mede op


Foto: Jan Smelik gaven aan het orgel werden gedaan, bleef het instrument
wat betreft aanleg en dispositie vermoedelijk ongewijzigd.

Vanaf 1910 was het orgel van de Grote Kerk weer in on-
derhoud bij de firma L. van Dam & Zonen. Zes jaar later
voerde P. van Dam onderhouds- en herstelwerkzaamhe-
den uit voor een totaalbedrag van 1.290 gulden. Vermoe-
delijk zijn bij deze gelegenheid de frontpijpen met alumini-
umverf bestreken. Verder vernieuwde men de handklavie-
ren en het pedaalklavier, waarbij de handklavieren hoger
in de kas kwamen te liggen. De bediening van de koppelin-
gen werd gewijzigd en een pedaalkoppel toegevoegd. Als
gevolg van al deze ingrepen raakten het knieschot en de
lessenaarbak gehavend. Op het Manuaal maakte de Quint
6’ plaats voor een Violoncel 8’ en in het Rugpositief nam
een Voix Célèste D 8’ de plaats van de Flageolet 1’ in.
In 1938 voerde de firma J. de Koff & Zn groot onderhoud
aan het orgel uit. Het pedaalklavier kreeg nieuwe toetsen;
de ventielveren werden vernieuwd en de leren pulpeten
vervangen door koperen plaatjes. Ook nu bleef de dis-
positie niet onaangetast. Op het Manuaal schoof men de
Woudfluit 2’ op tot Quint 3’ en verdween de (originele)
Spitsfluit 4’ voor een deels overblazende Openfluit 4’. De
drie tongwerken uit 1864 werden vervangen door nieuwe
exemplaren. In het Rugpositief verdwenen de Van Oec-
kelen-registers Holfluit en Violon D om plaats te maken
voor Quintadeen 8’ en Nasard 22/3’; de Viola di Gamba 8’
werd eveneens vernieuwd. In het Pedaal schoof men de
Fluit 4’ op tot een Quint 51/3’, waarbij de laagste vijf tonen
werden bijgemaakt uit oud materiaal. Ook hier werden de
tongwerken uit 1864 vervangen.

Op weg naar een technische restauratie
Aan het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw on-
derging de Grote Kerk een omvangrijke restauratie, waar-
bij onder andere het gehele interieur, inclusief de orgelkas-
sen en balustrade, opnieuw geschilderd werd. Ook kwam
er een nieuw verwarmingssysteem, dat al snel voor schade
aan het orgel zorgde. Reeds in 1968 vond overleg plaats
over een nieuwe restauratie van het orgel. Uiteindelijk res-
taureerde Flentrop Orgelbouw in 1971 de windladen van
het Manuaal, waarbij de eiken slepen werden vervangen
door dubbelverende exemplaren. De tot Quint opgescho-
ven Woudfluit 2’ van Hinsz werd hersteld en er kwam een
nieuwe Quint 22/3’ in plaats van de Violoncel 8’ uit 1916.
In 1983 volgde een restauratie van de laden van het Rug-
positief en een jaar later herstelde Flentrop Orgelbouw
enkele verzakte frontpijpen.
Ondanks al deze werkzaamheden bleef de toestand van
het orgel onbevredigend. Zoals in de inleiding gezegd,
startten in 1998 de voorbereidingen voor een algehele
technische restauratie, waarbij de situatie van 1776 als
uitgangspunt gold. Deze werkzaamheden werden in
2000/2001 uitgevoerd door Flentrop Orgelbouw onder
advies van Jan Jongepier. Orgelkas en snijwerk werden

1 0 HET ORGEL 2014 | nummer 2


hersteld, waarbij de achterwand en de panelen in de zijwanden van de Foto: Jan Smelik
hoofdkas werden gereconstrueerd.
De claviatuur werd gereconstrueerd en teruggebracht in de aanleg
van 1776; de manuaalkoppel werd weer uitgevoerd als schuifkop-
pel en er kwam een nieuwe pedaalkoppel, waarvan de registertrek-
ker rechts naast de lessenaarbak is aangebracht. De vijf spaanbalgen
werden opnieuw beleerd en de kanalisatie gereconstrueerd naar de
oorspronkelijke aanleg. In de toetsmechanieken werd het draadwerk
vernieuwd en kwamen nieuwe eiken winkelhaakregels met messing
winkels. De windladen van Manuaal en Pedaal werden (opnieuw)
gerestaureerd, waarbij de slepen uit 1971 zijn vervangen door eiken
exemplaren en de pertinax pulpeten (1971) door klassieke lederen
exemplaren. Bij onderzoek van het pijpwerk bleek dat in de Bourdon
16’ van het Manuaal pijpen van de oorspronkelijke Subbas 16’ aan-
wezig waren, terwijl de Subbas enkele pijpen van de oude Gedakt 16’
van het Manuaal bevatte. Daarop werd besloten deze verwisselingen
ongedaan te maken en de registers Gedakt 16’ (Manuaal) en Subbas
16’ (Pedaal) te herstellen met gebruikmaking van enig materiaal uit
1864. De ingebruikneming van het technisch gerestaureerde instru-
ment vond plaats op 27 mei 2001.

Klankreconstructie
Het orgel verkeerde vanaf 2001 weliswaar in goede staat, maar het
klankconcept werd als onbevredigend ervaren. Van het werk van
Van Oeckelen was vrijwel niets overgebleven en het materiaal uit
1938 werd als artistiek inferieur beoordeeld. Uit onderzoek van het

Rugpositief | Foto: Jan Smelik pijpwerk was wel duidelijk geworden dat alle enkelvoudige registers
van Hinsz (voor zover aanwezig) nog nagenoeg geheel op hun oor-
spronkelijke plaats stonden. Ook van de registers Mixtuur en Cornet
van het Manuaal en de Octaaf 2’ van het Rugpositief werd veel pijp-
werk geïdentificeerd. Op basis van dit onderzoek gold voor de jongste
klankreconstructie de oorspronkelijke dispositie en toonhoogte van
het orgel als uitgangspunt, waarbij eventueel materiaal uit een latere
periode kon worden ingepast.
Bij de uitvoering van deze werkzaamheden, die namens de Rijksdienst
voor het Cultureel Erfgoed (RCE) werden begeleid door Rudi van Stra-
ten, was men echter niet op de hoogte van het oorspronkelijke bestek.
Ter ondersteuning van de klankreconstructie is uitgebreid geput uit
het archief van de RCE. Daar bleven veel mensuurgegevens van ande-
re Hinsz-orgels bewaard. Daarnaast waren de instrumenten van Mid-
wolda (1772) en Bolsward (1781) van groot belang voor de recon-
structie van de acht tongwerken, die naar voorbeeld van deze orgels
zijn vervaardigd. In samenwerking met de beide orgeldeskundigen
van de RCE is in 2010 ook de legering van het pijpwerk in Harlingen
geanalyseerd. Daaruit kon worden vastgesteld dat Hinsz voor het bin-
nenpijpwerk nagenoeg dezelfde legering gebruikte van ongeveer 20%
tin en 80% lood; de frontpijpen bevatten meer tin (27%). De platen
voor de nieuw te maken pijpen bevatten 68,7% lood en 31% tin; ze
zijn op zand gegoten.
Uit onderzoek aan het pijpwerk van het Harlingse orgel bleek onom-
stotelijk dat de toonhoogte een halve toon lager moest zijn geweest.
Op basis hiervan, en op basis van de aanwijzingen bij Knock, die net
als het bestek expliciet de kamertoon noemt, is het binnenpijpwerk

1 1HET ORGEL 2014 | nummer 2


verlengd tot een toonhoogte van a1 = 415 Hz. Bij de frontpijpen zijn gerealiseerd. Daarnaast kan men zeggen dat de gekozen samenstel-
de oorspronkelijke steminrichtingen hersteld en de niet-originele zij- ling in lijn is met het zeer diverse karakter van Hinsz’ werk, maar wij
baarden verwijderd. Ook de lagen aluminiumverf en tinfolie zijn ver- zijn toch benieuwd of men met de kennis van het bestek opnieuw tot
wijderd, waarna de pijpen opnieuw met tinfolie zijn bekleed. deze samenstelling zou komen. Dat doet echter niets af aan het vor-
Uit alle mensuurgegevens bleek dat Hinsz een zeer inventief orgelma- stelijke karakter van het plenum in deze samenstelling. De Sexquial-
ker was, die zelden of nooit voor ‘standaardoplossingen’ koos. Dat ter van het Rugpositief is gereconstrueerd op basis van aanwijzingen
gold zowel voor de gekozen mensuren als voor de samenstelling van in de pijpstokken in het orgel van Roden (1780), waarvan overigens
de vulstemmen, waarvan er sommige slechts eenmalig in zijn oeuvre in het bestek eenzelfde mixtuursamenstelling als in Harlingen wordt
zijn. Dit betekende dat ook voor de reconstructie in Harlingen de aangegeven. De acht nieuwe tongwerken zijn gereconstrueerd naar
nodige creativiteit van orgelmakers en adviseur nodig was. Voor de het voorbeeld van Midwolda en Bolsward; dat laatste orgel diende als
nieuw te maken conische fluitregisters golden de op het betreffende voorbeeld voor de Trompet 16’ van het Manuaal.
klavier aanwezige exemplaren als voorbeeld. De Quintadeen 8’ van Ondanks de werkzaamheden van 2001 is ook in het kader van de
het Rugpositief is gebaseerd op aanwijzingen op de stokken en Mid- klankreconstructie nog (beperkt) aan de techniek van het orgel ge-
wolda. Op basis van inscripties op het pijpwerk konden delen van de werkt. Zo is tijdens de intonatiefase besloten voor het Rugpositief een
Octaaf 2’ van het Rugpositief en de Quint 3’ van het Manuaal worden schokbalgje aan te brengen. Verder zijn nieuwe registerstroken aange-
teruggevonden. Ook het oorspronkelijke pijpwerk van de Cornet kon bracht, waarop de firma Wolters BV (Deventer) de nieuwe opschriften
zo vrijwel geheel worden geïdentificeerd. schilderde. Daarbij golden de inscripties op het pijpwerk en de opgave
Ondanks al deze aanwijzingen was de reconstructie van met name van Knock als uitgangspunt. De oude registerstroken zijn in het orgel
Mixtuur (Manuaal) en Scherp (Rugpositief) niet eenvoudig. Op basis bewaard.
van het aanwezige materiaal en aanwijzingen in de pijpstokken is in In het voorjaar van 2011 kon met de intonatie worden gestart. Na
elk geval voor de Mixtuur uiteindelijk een samenstelling gerealiseerd een aantal luisterproeven is daarbij gekozen voor een stemming die
die afwijkt van de aanwijzingen in het (toen nog niet bekende) bestek, Johann Georg Neidhardt (ca. 1685-1739) omschreef als voor een
maar die ook in het oeuvre van Hinsz verder niet voorkomt. Uiteraard ‘große Stadt’. Zoals gezegd vond de feestelijke ingebruikneming van
staat niet vast dat het orgel ook tot in detail volgens het bestek werd het orgel plaats op 1 oktober 2011.

Binnenwerk Rugpositief | Foto: Jan Smelik

1 2 HET ORGEL 2014 | nummer 2


BESCHRIJVING EN INDRUKKEN

Ondanks het feit dat het stadsbestuur bij de bouw van kerk en orgel
probeerde te bezuinigen door goede materialen opnieuw te gebrui-
ken, is dit aan het uiteindelijke resultaat niet af te zien. De nieuwe Gro-
te Kerk is een zeer indrukwekkend kerkgebouw van een grote allure.
De realisatie hiervan was, ook in financieel opzicht, voor die tijd een
enorme prestatie. Uit het feit dat men zo kort na het leggen van de
eerste steen van de kerk plannen maakte voor het orgel, blijkt ook dat
er overleg moet zijn geweest tussen de bouwmeesters van de kerk en
de orgelmaker; iets wat trouwens ook uit het contract voor het orgel
kan worden afgeleid.
Het Harlingse orgel is één van de zes instrumenten met Hoofdwerk,
Rugpositief en vrij Pedaal die Hinsz in zijn lange carrière voltooide. Het
oudste instrument is dat van Leens (1733). Van het orgel in Almelo
(1754) resteren slechts de kassen en een deel van de frontpijpen.
De al genoemde instrumenten van Midwolda en Bolsward dienden
als voorbeeld voor de reconstructie van het Harlingse instrument.
Het orgel van Uithuizermeeden (1785) werd uiteindelijk door Frans
Caspar Schnitger voltooid. De frontopbouw van al deze orgels is sterk
verwant. Jan Jongepier achtte het niet ondenkbaar dat Hinsz zich
hierbij heeft laten inspireren door het Schnitger-orgel van de Grote
Kerk in Zwolle (1721). Het pseudo-Borstwerk zoals in Harlingen zou
een visuele reductie van het Zwolse Onderpositief-front kunnen zijn.
Van alle genoemde Hinsz-orgels lijkt dat van Harlingen het meest op
het orgel van Midwolda, al is de ornamentiek zeer verschillend. De
verfijnde Lodewijk XV-stijl van Midwolda heeft in Harlingen plaats-
gemaakt voor een bijzondere mengeling van rococo- en neoclassicis-
tische motieven (Lodewijk XVI-stijl). Vooral door de in verhouding
hoge plaatsing van het instrument maakt het orgel in de ruimte visueel
een grote indruk. Stijl- en regelwerk van de kas en de panelen aan
de voorzijde zijn, conform de toelichting op het bestek, van eiken; de
overige kasdelen zijn van grenen. De huidige kleurstelling van orgel-
kas en interieur dateert overigens van 1959.

Het orgel neemt een groot deel van de oostelijke arm van de kerk
in beslag. Het instrument is op de eerste verdieping gesitueerd. Hier
bevindt zich ook het balgenhok met de vijf originele spaanbalgen. Via
deuren in de achterwand van de kas zijn vanaf dit niveau de ruimte
achter de speeltafel en de windladen van het Pedaal toegankelijk. De
windladen van het Manuaal zijn vanaf een tweede verdieping bereik-
baar.

De in 2001 gereconstrueerde claviatuur bevindt zich aan de voorzijde
van de hoofdkas. De bakstukken zijn gefineerd met ebben en ingelegd
met ivoor en fijnhout. Op de onderste bakstukken zijn de gesneden
handgrepen van de schuifkoppeling aangebracht. De ondertoetsen
zijn in twee delen belegd met been en hebben geprofileerde frontons
(been); de boventoetsen zijn belegd met ebben.
De fraaie eiken lessenaar is gefineerd met wortelnoten en rijkelijk
voorzien van intarsia. Het eiken pedaalklavier dateert uit 2001. Van

Afbeelding boven: pijpwerk Pedaal en calcantenbelletje
Afbeelding onder: binnenwerk Manuaal
Foto’s: Jan Smelik

1 3HET ORGEL 2014 | nummer 2


Dispositie van het Hinsz-orgel in de Grote Kerk te Harlingen (2011)

Manuaal (I, C-f3)

PRESTANT 8 VOET Metaal. C-c2 front, vervolg op de lade; a-f3 dubbel. Frontpijpen 1776; eerste koor binnenpijpen

1776; tweede koor oude pijpen op f2, a2-b2 en cis3-d3; overige 2010.

GEDAKT 16 VOET Metaal, gedekt, met zijbaarden. C 2010, Cis-H, cis en dis-b 2001, c, d en h-f3 1776.

BAARPIJP 8 VOET Metaal, conisch; geheel 1776.

HOLPIJP 8 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden; geheel 1776.

SPITSFLUIT 4 VOET Metaal, conisch. Geheel 2010 volgens mensuur Baarpijp 8’.

CORNET 3 STERK DISCANT Metaal, geheel op de lade, open. Samenstelling:

c1 51/3 4 31/5

51/3-voets koor c1-e1 en b1 2010

4-voets koor c1 2010

31/5-voets koor c1 en d2 2010, overige pijpen 1776.

OCTAAF 4 VOET Metaal, geheel 1776.

QUINT 3 VOET Metaal, a-h, cis1, fis1-g1, a1, h2 en d3-f3 1776, overige 2010.

WOUTFLUIT 2 VOET Metaal, C-H gedekt, vervolg open, cilindrisch, geheel 1776.

MIXTUUR 4, 5 en 6 STERK BAS / DISC Metaal. 49 pijpen nieuw, overige 1776. Samenstelling:

C 11/3 1 2/3 1/2

c 2 13/5 11/3 1

c1 4 31/5 22/3 2 11/3

c2 51/3 4 31/5 22/3 22

OCTAAF 2 VOET Metaal, op lengte afgesneden; dis1 2010, overige 1776.

TROMPET 16 VOET BAS / DISCANT Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige metalen bekers. Kelen

C-b1 met loodbeleg. Geheel 2011 naar voorbeeld Bolsward/Midwolda.

TROMPET 8 VOET Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige metalen bekers. Kelen

C-b met loodbeleg. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.

VOXHUMANA 8 VOET Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; kelen C-cis met loodbeleg.

Samengestelde bekers van hoog tingehalte. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.

Rugpositief (II, C-f3)

PRESTANT 4 VOET Metaal. C-e2 front (torens en bovenste tussenvelden), vervolg op de lade. fis2 en f3 2010,

overige pijpen 1776.

HOLPIJP 8 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden. Geheel 1776.

QUINTADEEN 8 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden. Geheel 2010 naar voorbeeld Midwolda.

NASSAT 3 VOET Metaal, conisch. Geheel 2010 naar mensuur Speelfluit 2’.

FLUIT 4 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden. Geheel 1776.

SPEELFLUIT 2 VOET Metaal, conisch. Geheel 1776.

SEXQUIALTER 2 en 4 STERK Metaal; 2010 met twee oude prestantpijpen. Samenstelling:

C 22/3 13/5

c1 22/3 2 2 13/5

OCTAAF 2 VOET Metaal; C-e, fis-a, h, cis1-d1, f1, b1-c2, d2, e2-g2, a2 en h2-c3 1776, overige pijpen 2010.

SCHERP 3 en 4 STERK Metaal, op lengte afgesneden. 20 pijpen 1776, overige 2010. Samenstelling:

C 2/3 1/2 1/3

c 1 2/3 1/2

c1 2 11/3 1 2/3

c2 4 22/3 2 11/3

DULCIAAN 8 VOET Eiken stevelblok en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige metalen bekers op

onderconus. Kelen C-b met loodbeleg. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.

Pedaal (C-d1)

PRESTANT 8 VOET Metaal, C-cis1 front, d1 op de lade. Geheel 1776.

BORDON 16 VOET C-H hout, overige metaal (gedekt) met zijbaarden. C 2010, Cis-H 1864, c-b 1776, h-d1 2010

1 4 HET ORGEL 2014 | nummer 2


de orgelbank dateren de zijstukken nog uit 1776. De originele ebben hebben lederen pulpetenbanen en inliggende voorslagen met messing
registerknoppen hebben een ivoren sierknopje en zijn in vier horizon- ringen en klemmen. De C- en Cis-lade van het Pedaal liggen links en
tale rijen links en rechts van de lessenaarbak aangebracht. De boven- rechts in de onderkas. De cancelvolgorde (van links naar rechts) is als
ste twee rijen zijn voor het Manuaal, daaronder een rij voor het Pedaal volgt (C-lade): c, Gis, E, C, D, Fis, B, d (hele tonen) d1; (Cis-lade): cis1
en ten slotte een rij voor het Rugpositief. (hele tonen) dis, H, G, Dis, Cis, F, A, cis. De beide laden van het Manu-
De beide handklavieren zijn uitgevoerd als staartklavieren en hebben aal liggen ter hoogte van de onderlijst van het pseudo-Borstwerk en
een vergelijkbare speelaard, namelijk een toucher waarbij je door een de pedaaltorens. Links ligt de Cis-lade, met de volgende indeling: g,
redelijk taai aanvoelend drukpunt heen moet spelen. Dat heeft tot ge- dis, H, G, A, cis, f, f3 (hele tonen) a, F, Dis Cis; rechts ligt de C-lade, die
volg dat er bijgeluiden ontstaan, die zowel bij de claviatuur als beneden als volgt is ingedeeld: C, D, E, Fis, b (hele tonen) e3, fis, d, B, Gis, c, e,
in de kerk duidelijk waarneembaar zijn. Enerzijds word je gedwongen gis. De lade-indeling van het Rugpositief is (van links naar rechts) als
door het drukpunt heen spelen, anderzijds is er de wens om met zo volgt: f, cis, A, G, H, dis g, f3 (hele tonen) a, F, Dis, Cis, C, D, E, Fis, b
weinig mogelijk bijgeluiden het instrument te presenteren. Het vinden (hele tonen) e3, gis, e, c, Gis, B, d, fis.
van een goede balans blijkt een flinke opgave te zijn. Als de klavieren
gekoppeld worden, is er beduidend meer toetsdruk te overwinnen. Voor een beschrijving van de verschillende registers zij verwezen naar
de dispositie. Alle open binnenpijpen zijn op lengte afgesneden.
In het balgenhok zijn vier balgen twee aan twee boven elkaar ge-
plaatst; de vijfde bevindt zich midden bovenin. Alle balgen kunnen Klankindrukken
indien gewenst worden getreden. De windkanalen zijn van eiken en Bij het systematisch beluisteren van dit fraaie instrument valt op hoe
dateren deels uit 1776 en deels uit 2001. Ook de beide tremulanten, de groot het vakmanschap van Hinsz is geweest. Met de grootst moge-
calcantenschel en vrijwel alle afsluiters dateren uit 2001. Zoals gezegd lijke zorg is het imponerende front gesitueerd in de eveneens indruk-
is in 2011 een schokbalgje voor het Rugpositief toegevoegd. wekkend grote kerkruimte. Je zou bij het bekijken van het front zelfs
kunnen denken dat het hier moet gaan om een zestienvoets front.
De windladen zijn geheel van eiken, inclusief stokken, dammen, stem- Maar schijn bedriegt. De Prestant 8’ van het Manuaal is de grondleg-
pels en pijproosters. Deze onderdelen zijn overwegend oud, maar ger van dit prospect en geplaatst vanaf C, evenals het gelijknamige
waar nodig aan de gereconstrueerde aanleg aangepast. Alle laden register van het Pedaal. Ondanks dat deze stemmen dezelfde naam

GEDAKT 8 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden. Geheel 1776.
QUINT 6 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden. C-E 1938 uit oud metaal, overige 1850/1852.
OCTAAF 4 VOET Metaal, geheel 1776.
NAGTHOORN 2 VOET Metaal, gedekt met zijbaarden. Geheel 1776.
BAZUIN 16 VOET Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige metalen bekers. Kelen
met loodbeleg. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.
TROMPET 8 VOET Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige metalen bekers. Kelen
C-a met loodbeleg. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.
SCHALMEY 4 VOET Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige metalen bekers. Kelen
C-G met loodbeleg. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.
CORNET 2 VOET Eiken stevels en koppen; messing kelen en tongen; trechtervormige bekers van hoog
tingehalte. Geheel 2011 naar voorbeeld Midwolda.

TREMULANT MANUAAL
TREMULANT RUGWERK
AFSLUITING MANUAAL
AFSLUITING RUGPOSITIEF
AFSLUITING PEDAAL
CALCANTENKLOK

Schuifkoppel Manuaal-Rugpositief
Pedaalkoppel Manuaal

Toonhoogte: a1 = 415 Hz bij 18°C
Winddruk 70 mm wk
Temperatuur: Neidhardt

1 5HET ORGEL 2014 | nummer 2


J.L.van den Heuvel

Orgelbouw BV

Amstelwijckweg 44
3316 BB Dordrecht
tel.: 078 6179540
e-mail: [email protected]
website: www.vandenheuvel-orgelbouw.nl

nieuwbouw en restauratie
onderhoud en stemmen
gebruikte orgels en opslag

1 6 HET ORGEL 2014 | nummer 2


dragen, verschillen ze in klank. Zo is de Prestant van het Manuaal ze- te vinden, de Bordon, die te omschrijven valt als bescheiden, maar die
ker in de discant tamelijk stug van toon. De Prestant van het Pedaal het instrument van een goede basis voorziet. Naast de Quint 6’ is er
is veel ronder van toon en vertoont daarmee sterke overeenkomsten een milde Octaaf 4’ en een ronde vocale Nagthoorn 2’. Niet alleen
met de Prestant 4’ van het Rugpositief. afzonderlijk, ook in verschillende klankcombinaties klinken deze re-
Bij de overige prestant-registers van het Manuaal valt op hoe belegen gisters zeer fraai!
de klank is van de Octaaf 4’. De Octaaf 2’ klinkt, evenals het gelijkna- Het tongwerken-ensemble van het orgel is zeer indrukwekkend te
mige register van het Rugpositief, zilverachtig, briljant en transparant. noemen. Bij het creëren van een consortregistratie stuit je in Harlin-
Door deze klankverschillen ontstaat er in het Manuaal bij de combina- gen niet op problemen, integendeel. De vele kleuren zijn uitzonderlijk
tie Octaaf 4’ en 2’ als het ware een ‘gat’ in de klank, dat niet helemaal mooi te noemen, wetende dat alle tongwerken nieuw zijn! Een presta-
voldoende wordt opgevuld door de tamelijk stugge Quint 3’. Als ten tie van formaat van orgelmakerij Flentrop uit Zaandam.
slotte de Mixtuur wordt toegevoegd, uiteraard in combinatie met de Zo is op het Manuaal een Trompet 16’ gedisponeerd, die een stoere
zestienvoet in verband met de aanwezige lage terts (vanaf c1), ver- donkere toon voortbrengt. Daarmee vergeleken is de Trompet 8’ op
dwijnt dit bezwaar. Ook wordt duidelijk hoe deftig dit register klinkt het Manuaal wat dun van klank. De Voxhumana 8’ heeft een intiem
als klankkroon van het plenum van het Manuaal. snaterend karakter.
Alle achtvoets fluiten van het orgel kenmerken zich door een zeer Het Rugpositief heeft, zoals te doen gebruikelijk, bij orgels uit die peri-
fraaie ronde en milde toon. De Gedakt 16’ van het Manuaal kan wor- ode een Dulciaan 8’. Deze stem had, wat ons betreft, iets meer mogen
den omschreven als goed dragend en ‘goed te volgen’ in het klein en snateren en iets minder de diepte mogen opzoeken.
groot octaaf. Als de Baarpijp zich presenteert horen we een ietwat Ten slotte de tongwerken van het Pedaal, wat een rijkdom! Van een
brede doch bescheiden, goed dragende toon. De helder klinkende robuuste Bazuin 16’ naar een ronde donkere Trompet 8’, en uiteinde-
Spitsfluit 4’ is nieuw gemaakt naar het voorbeeld van de Baarpijp. lijk via een briljante Schalmey 4’ naar een eveneens briljante en prach-
Hoewel sommige tonen wat instabiel overkomen mengt dit register tige Cornet. Deze Cornet kan, naast het doen uitkomen van een can-
goed met elk van de twee achtvoeten. Het hoogste fluitregister van dit tus firmus, met veel gemak gebruikt worden als zilveren klankkroon
werk is de prachtig zingende en tevens intieme Woutfluit 2’. De lage in het tutti. Bij het maken van allerlei combinaties valt pas echt op wat
zestienvoets Cornet mengt zeer goed met de overige fluiten en geeft een rijkdom aan klankkleuren dit imposante stadsorgel bezit.
een fraaie kleur aan het middengebied bij een plenumregistratie, zelfs
met gebruikmaking van de tongwerken. Tijdens een indrukwekkende middag in de Grote Kerk mochten we
het orgel bespelen en bestuderen. Een woord van dank is op zijn
Het Rugpositief heeft eveneens een rijke schakering aan kleurregisters. plaats voor de organisten van deze kerk, Euwe Zijlstra en Jan Luth,
De Quintadeen is nieuw gemaakt naar het voorbeeld van Midwolda die ons het instrument gedemonstreerd hebben. Ook een woord van
en is, zo vonden wij, een fractie te dominant in de kwint. Wanneer de dank aan Flentrop Orgelbouw, die speciaal voor deze gelegenheid de
combinatie met de Holpijp 8’ wordt gemaakt, is dit aspect verdwenen. tongwerken stemde. Dank ook aan Jeanine Otten (gemeentearchief
Naast de originele Holpijp zijn ook de rank klinkende Fluit 4’ en de Harlingen) en Cees van der Poel voor het beschikbaar stellen van aan-
briljante Speelfluit 2’ van Hinsz. De ronde en vocale Nassat 3’ is nieuw vullende informatie.
en gemaakt naar het voorbeeld van de Speelfluit. De Sexquialter is Ten slotte willen we de PKN-gemeente Harlingen, orgeladviseur Cees
evenals de Nassat nieuw gemaakt, en in zowel het groot als het klein van der Poel en de orgelmaker feliciteren met het behaalde resultaat!
octaaf uitgevoerd met een 22/3 en 13/5. In de discant wordt dit ensem-
ble uitgebreid met twee (!) tweevoeten, overigens naar aanwijzingen BRONNEN
in het orgel zelf. Mede door de snelle aanspraak wordt dit register al Gemeentearchief Harlingen, archief Stadsbestuur 1580-1815 inven-
gauw als (te) dominant ervaren. Dat geldt voor verschillende register- tarisnummers 29, 37, 38, 712 en 1160.
combinaties, maar zeker in combinatie met de Scherp. Willem Jan Dorgelo Hzn. Albertus Anthoni Hinsz, Orgelmaker 1704-
Het aanbod pedaalregisters is groot. Ook hier is een zestienvoets fluit 1785 (Augustinusga 1985).
Jan Jongepier (red.), Het Historische Orgel in Nederland 1769-1790
Sound (Amsterdam 1999) 130-133.
craftmanship Jan Jongepier, Vijf eeuwen Friese orgelbouw. Een schoone voorraad
waarlyk (Leeuwarden 2004).
Zuidergracht 17 3763 LS Soest The Netherlands Nicolaas Arnoldi Knock, Dispositien der merkwaardigste Kerk-Orge-
Tel. +31 (0)35 - 601 25 92 Fax +31 (0)35 - 603 11 50 len, welken in de Provincie Friesland, Groningen en Elders aangetroffen
worden (Groningen 1788).
Cees van der Poel, Eindverantwoording klankreconstructie van het
Hinsz-orgel van de Grote Kerk in Harlingen (Hilversum 2011).
Cees van der Poel, Reconstructie. Twee eeuwen Hinsz-orgel in de Grote
Kerk van Harlingen (Hilversum 2011).
Auke Hendrik Vlagsma, De Friese orgels tussen 1500 en 1750 (Leeu-
warden 2003).

1 7HET ORGEL 2014 | nummer 2


Bij het overlijden van
Albert Hendrik de Graaf

24 september 1928 - 8 januari 2014

Victor Timmer Albert Hendrik de Graaf werd geboren op 24 september 1928 te Kapelle-Biezelinge als zoon van
een hoofdonderwijzer. Zijn geboortehuis stond naast de kerk; zo kreeg het orgel hem snel te pakken: ‘Ze zeiden
wel eens van mij: je bent met de orgels geboren’, aldus Albert de Graaf tijdens gesprekken die ik al weer jaren
geleden met hem had.1)

Foto: archief familie De Graaf Omdat een toekomst als organist hem werd afgeraden, besloot hij
orgelmaker te worden. Op advies van een orgelmaker uit Goes (ver-
1 8 HET ORGEL 2014 | nummer 2 moedelijk L. Eversdijk) ging hij eerst naar de ambachtschool. Daarna
(in 1947) trad hij in dienst van de indertijd bekende firma A.S.J. Dek-
ker (Goes), welke toen in zijn nadagen verkeerde. Meester(knecht)
Brandt was daar een zeer gedegen leermeester van het oude stem-
pel; over hem is De Graaf altijd met groot respect blijven praten.
Hij leerde van Brandt alle kneepjes van het vak, waaronder goed
intoneren.
De Graaf kon smakelijk vertellen over die tijd: zo kon Dekker wel-
iswaar snel en relatief goedkoop orgels leveren, maar daarmee zat
men doorgaans wel vast aan een langdurig jaarlijks onderhouds-
contract. Ook al bleef zo’n orgel jaar op jaar perfect op stem, toch
kwam jaarlijks iemand van Dekker langs voor een verplichte (maar
feitelijk overbodige) klus teneinde de stemgelden te kunnen innen.
Voor de vorm werd er wel gestemd, zeker als een koster of kerk-
voogd binnenkwam en soms werd een klein orgel (om de tijd te do-
den) op één dag wel vijf keer geheel doorgestemd!
In 1952 trad De Graaf in dienst bij Jan Kunst, die in Arnhem een
klein reparatie- en onderhoudsbedrijf had en ook unit-orgels bouw-
de. Kunst overleed al na enkele maanden, waarna De Graaf het be-
drijf op dezelfde voet voortzette en definitief in 1955 overnam. Vier
jaar later vestigde hij zich in Ede.
In 1971 ging hij in Leusden wonen en de werkplaats vond een nieuw

1) De neerslag daarvan is te vinden in mijn artikel ‘Met de orgels geboren’, Gronin-
ger Kerken, 3/4 (december 1986), 123 – 126. Een pdf van dit artikel is te down-
loaden bij de samenvatting van dit artikel op de website van Het Orgel (www.
hetorgel.nl).


IN MEMORIAM

De orgelmaker voor zijn werkplaats in Hoogland, omstreeks 1973 Zuid het herstel van het Knipscheer-orgel, het instrument waar hij
Foto: archief familie De Graaf voorheen vele jaren organist was.
Zijn loopbaan overziende,2) is hij vooral bekend geworden door een
onderdak op een toen nog landelijk gelegen plek te Hoogland bij lange reeks belangwekkende restauraties na circa 1970. We noemen
Amersfoort. In 2001 verhuisden De Graaf en zijn vrouw naar Zwol- hier slechts die in Finsterwolde (1972), Oosterland (1974), Krewerd
le (dichter bij de kinderen), maar hij hield de bestaande werkplaats (1975), Cuijk (1980), Katwijk aan Zee (1982), Midwolde (1986),
aanvankelijk nog aan. Oostwold (1989), Bellingwolde (1992), Nijbroek (1996), Heukelum
Na de restauratie van het Flaes-orgel in Willemstad op Curaçao (1998), Niehove (2001), Willemstad (2002) en Wadenoyen (2005).
(2002), samen met de firma Elbertse uit Soest, begon hij zijn activi- Daarbij opgedane ervaringen gebruikte hij bij de nieuwe instrumen-
teiten af te bouwen en deze geleidelijk over te dragen aan laatstge- ten die hij ook bouwde, zoals het orgel in Ermelo (geïnspireerd op
noemd bedrijf. Zijn laatste eigen klus was de restauratie/reconstruc- Müller en Bätz) en te Boerakker (1991, met werk van Freytag als
tie van het vroegere Van Gruisen-orgel uit Boerakker in Wadenoyen uitgangspunt).
(Hervormde Kerk, 2005) Een van de laatste gezamenlijke werk- Zijn loopbaan was eind zestiger jaren in een stroomversnelling geko-
zaamheden was in 2005/2006 in de Hervormde Kerk te Leusden- men door nauwere contacten met de Hervormde Orgelcommissie,
de Schnitger-herdenking in Groningen (1969) en met name door de
zeer goede verstandhouding met organist/adviseur Klaas Bolt. Bei-
den hadden overeenkomstige gedachten over restaureren: ‘Je wilt
als het ware recht doen aan wat krom is gegroeid, zodat aan het
instrument recht wordt gedaan.’ Dat was niet alleen nodig na soms
grote wijzigingen van orgels in het verleden, maar ook als reactie
op de contemporaine restauratiepraktijk. In de vijftiger en zestiger
jaren van de twintigste eeuw werd een ‘gezonde’ speelaard nage-
streefd, terwijl het orgel als herboren, dat wil zeggen fris en helder,
moest klinken. Veel orgels verloren op die manier goedbedoeld hun
oude speelaard en dito klankkarakter.
De Graaf ging sindsdien zeer terughoudend te werk. Zo werd in Fin-
sterwolde (1972) de mechaniek niet uit het orgel verwijderd (‘Het
orgel speelde voortreffelijk, dat moesten we zo houden’), maar in
positie hersteld; ook werden de pijpen alleen afgestoft en verder met
rust gelaten. Na de restauratie van Krewerd (1975) werd zelfs kri-
tisch opgemerkt: ‘Je kunt niet horen dat het gerestaureerd is’, maar

2) Een volledige werklijst over de periode 1955-2001 is opgenomen in : Rogér
van Dijk, ‘“Ik vind het nog machtig mooi om te doen”. De orgelmaker Albert de
Graaf’, Het Orgel 98/5 (2002) 5-11.

1 9HET ORGEL 2014 | nummer 2


orgelmakerij

Bakker Timmenga b.v.

Er zijn orgels…. én er bestaan Kleine Kerkstraat 25
orgels van Steendam. 8911 DL Leeuwarden

Jarenlang vakmanschap en liefde voor het vak (058) 212 96 87
laten de kwaliteit van onze handgemaakte orgels www.bakker-timmenga.nl
tot grote hoogten stijgen. De Steendamorgels
worden tot 9 meter hoogte in eigen atelier afge- Zuidbroek Hervormde Kerk
bouwd, dus het plaatsen en afmonteren in uw H.H. Freytag – F.C. Snitger 1795
kerk gaat veel sneller en bezorgt aanmerkelijk
minder overlast. En… het is op die manier nog Restauratie 2006-2007
een stuk voordeliger ook! Duurzame, eersteklas
materialen en een doordachte constructie geven
elk Steendamorgel precies die kwaliteit en
draagkrachtige toon, waar u naar zoekt.
Op maat gemaakt en exact volgens uw wensen.
Wij hebben een coöperatieve samenwerking met
een team ervaren Tsjechische orgelbouwers.
Onze orgels zijn in heel Nederland en in diverse
buurlanden te vinden.
Tevens hebben wij tweedehands orgels die
aangepast kunnen worden aan uw situatie.
Wij geven zelfs 15 jaar garantie. Een orgel van
Steendam klinkt naar een nadere kennismaking.
Belt u ons voor een geheel vrijblijvende afspraak
of kijk op onze uitgebreide website.

www.orgelmakerijsteendam.nl
Westerdijkstraat 21, 9983 PR Roodeschool
tel. 0595-412261

2 0 HET ORGEL 2014 | nummer 2


Albert de Graaf herplaatst de grootste frontpijp tegen het eind van de door hem uitge- niet te horen!
voerde reconstructie van het Eekman/De Mare-orgel in de Dorpskerk te Midwolde (1986) Met de hierboven beschreven werkwijze bij restauraties en de resul-
taten daarvan heeft hij de afgelopen decennia een zeer belangrijke
Foto: Victor Timmer bijdrage geleverd aan herstel en behoud van het historische orgel-
bezit in Nederland
dat, aldus De Graaf, ‘was het grootste compliment dat ze me kon-
den geven.’ Bij latere projecten werden pijpen wel (waar nodig) wat Zelf heb ik met Albert de Graaf voor het eerst kennis gemaakt in
meer behandeld, maar steeds met de nodige terughoudendheid om Bellingwolde in het begin van de jaren zeventig, tijdens een excursie
het klankkarakter zo min mogelijk aan te tasten. De zo groeiende naar het toen nog lang niet gerestaureerde orgel aldaar. Bij twee an-
praktijkervaring was de basis voor verder werk. dere orgels heb ik hem daarna intensief meegemaakt: allereerst bij
Echte wetenschappelijke ondersteuning was er toen nog nauwelijks de restauratie/reconstructie van het orgel in Midwolde (als lid van
en ook niet altijd zaligmakend. Dat merkten in Midwolde (1986) het restauratieteam en als verlener van allerlei hand- en spandien-
twee ‘mannen van de wetenschap’, toen hun computer voor te re- sten in de kerk), enige jaren later als co-adviseur bij zijn nieuwe orgel
construeren pijpwerk wetenschappelijk ‘juiste’ maar helaas onwerk- in Boerakker (1991).
bare mensuren produceerde, waarmee geen pijp goed tot spreken Albert de Graaf was een eerlijk man, recht door zee, die de lat hoog
kwam. Ondertussen ontdekte De Graaf tot zijn voldoening, door legde. Met hem was heel goed samen te werken, maar hij kon ook
gewoon als praktijkman het nog aanwezige pijpwerk goed te be- behoorlijk dwars zijn als iets hem niet zinde. Dat een verhaal soms
studeren, wat de correcte mensuren wél moesten zijn. Het verschil twee waarheden kon hebben, beide legitiem, was voor hem wel eens
tussen de originele en de zo bijgemaakte nieuwe pijpen was dan ook moeilijk te accepteren.
Als zzp’er raakte hij soms zeer betrokken bij de instrumenten waar-
aan hij zo intensief werkte. Er waren orgels (hij noemde als voor-
beelden Finsterwolde, Krewerd en Midwolde), ‘waarmee je zo ver-
bonden bent geraakt, dat als je in de buurt bent even gaat kijken en
spelen.’ Hij liet dan ook niet gemakkelijk andere orgelmakers aan
zijn ‘kinderen’ komen.

Het leven heeft de familie De Graaf niet gespaard. Met name de
vroege dood van hun sportieve en enige zoon Erik heeft grote im-
pact gehad op het gezin. Later brak De Graaf een heup door een val
uit een orgel, maar dat kwam helemaal goed.
De laatste levensjaren waren voor hem niet gemakkelijk, met name
doordat hij ging lijden aan ‘Parkinson’. Het laatste jaar verbleef hij
in een verpleeghuis. Zijn echtgenote overleed op 2 december 2013,
zelf stierf hij in de vroege ochtend van 8 januari 2014. De begrafe-
nis vond plaats op woendag 15 januari na een afscheidsdienst in de
Dorpskerk te Leusden-Zuid. Tijdens deze dienst haalde ds. J.S. Rid-
derbos herinneringen op aan Albert de Graaf als organist in deze
kerk, waarna orgelmaker Hans Elbertse - na een kort overzicht van
persoon en werk van de overledene – vertelde over zijn eerste sa-
menwerking in Willemstad (Curaçao) met De Graaf, hoe deze daar
zijn culinaire horizon had durven verbreden en dankzij zeer inten-
sief (blijvend) contact met de voorzitter van de synagoge en diens
vrouw zich ging verdiepen in de joodse wortels van zijn eigen pro-
testantse geloof. In zijn gesproken bijdrage sloot Rudi van Straten,
die op het orgel ook de dienst begeleidde, daar nog bij aan met het
voorlezen van een zeer liefdevolle afscheidsbrief vanuit Curaçao. Na
de dienst vond de teraardebestelling plaats op de begraafplaats Oud
Leusden, in hetzelfde graf als dat van zijn vrouw en zoon.

Met Albert de Graaf is vermoedelijk de laatste orgelmaker heenge-
gaan van een generatie die de hele ontwikkeling van pneumatiek
en ‘elektriek’ tot en met de historiserende orgelbouw heeft meege-
maakt en door zijn eerder omschreven wijze van werken zelf ook
zeer positief heeft beïnvloed.
Met respect kijken we daarom dankbaar terug op zijn leven en werk.

2 1HET ORGEL 2014 | nummer 2


Bij het overlijden van
Hans van der Harst

23 februari 1930 - 10 januari 2014

Teus den Toom Op 10 januari jongstleden overleed
op 83-jarige leeftijd Hans van der Harst, in leven
werkzaam op het gebied van het restaureren van
historische orgels.

Hans van der Harst werd op 23 februari 1930 in Amsterdam gebo- Bosch & Keuning uitgegeven reeks Langs Nederlandse orgels. Van der
ren. ‘De kleine Hans consumeerde zowel in roomse als reformato- Harst nam daarvan – hoe kon het ook anders – het laatste deel (Zee-
rische kerken de orgelcultuur met moeders paplepel en groeide via land – Brabant – Limburg) voor zijn rekening.
het klooster het orgel in’ (Franz Straatman in Trouw van 11 januari
1996). Dat klooster was het Norbertijnerklooster in Heeswijk, waar In 1978 was het 125 jaar geleden dat het Witte-orgel in de Grote Kerk
hij orgelles kreeg van onder anderen Albert de Klerk en Cor Kee. In van Gorinchem werd opgeleverd. Aan dat feit wilden mijn broer en
zijn kloosterperiode was hij in de gelegenheid lessen te volgen aan het ik, beiden betrokken bij de concertorganisatie in Gorcum, niet onge-
Brabants conservatorium in Tilburg. Hij studeerde daar hoofdvak or- merkt voorbijgaan. Ik vroeg Hans, die als adviseur betrokken was bij
gel bij Huub Houët en Louis Toebosch en piano als bijvak bij Paul Nies- de restauratie van het Witte-orgel, of hij met ons wilde meedenken
sing. In 1964 behaalde hij het diploma solospel orgel. over de opzet van een tentoonstelling. Aan dat verzoek wilde hij graag
voldoen.
In 1961 werd hij adviseur bij de Katholieke Klokken- en Orgelraad. Wat mij toen bij de eerste kennismaking direct opviel, was zijn liefde
Twee jaar later vroeg de toenmalige rijksorgeladviseur H.L. Oussoren voor het negentiende-eeuwse orgel. Hoe die passie is ontstaan, heeft
hem als een soort supervisor te gaan fungeren bij orgelrestauraties in hij me nooit verteld. Dat kwam ook niet zo ter sprake.
de Rooms-Katholieke Kerk. Vanaf die tijd dateert zijn professionele Duidelijk herkenbaar was vooral het belang dat hij hechtte aan kwali-
bemoeienis met de restauratie van historische orgels. Bij zijn pensione- teit. Wij hebben het nooit expliciet gehad over de factoren die tot dat
ring zou hij niet minder dan 120 restauraties hebben begeleid. standpunt hebben geleid. Het lijdt echter geen twijfel dat de kennis die
Hans van der Harst zou zich ontwikkelen tot een der meest toonaan- hij bij zijn restauratiewerk opdeed over de orgels in Brabant en Lim-
gevende adviseurs uit de tweede helft van de vorige eeuw. Een ad- burg hierin een grote rol heeft gespeeld. Vooral de kennismaking met
viseur met aandacht voor de kwaliteit van het te restaureren instru-
ment, zonder ook maar een spoortje van vooringenomenheid, een
grote productiviteit en een nauwelijks geëvenaarde encyclopedische
kennis.

Naast adviseur was hij leraar orgelbouw en orgelhistorie aan het Ne-
derlands Instituut voor Kerkmuziek te Utrecht. Van 1969 tot 1985 was
hij als organist verbonden aan de St.-Catharinakathedraal in Utrecht.
In de jaren 1977-1979 verscheen van zijn hand een boekje in de door

2 2 HET ORGEL 2014 | nummer 2


IN MEMORIAM

het werk van de eerste generatie Smits moet daarbij van beslissende het was bovendien ‘toch maar pneumatisch’. En pneumatische orgels
betekenis zijn geweest. Over Smits schreef hij in Langs Nederlandse or- zijn lui. Enzovoort, enzovoort. Hans toonde toen achter de speeltafel
gels: ‘Een der grootste orgelmakers in de negentiende eeuw in Neder- aan dat de laatste kwalificatie in ieder geval niet klopte. Het met bui-
land, zo niet de grootste was ongetwijfeld Franciscus Cornelius Smits.’ zenpneumatiek uitgeruste instrument was zo snel als een schrijfma-
Op een andere plaats drukte hij zich nog concreter uit en betitelde chine. De kwaliteit van de gebruikte materialen was boven elke twijfel
hij Smits als ‘de grootste van allen’. Het was dan ook geen verrassing verheven. Zijn pleidooi was echter tevergeefs. Het binnenwerk van
dat het Smits-themanummer van Het Orgel (april 1990) aan Van der het Maarschalkerweerd-orgel zou, op een enkel onderdeel na, in de
Harst, ‘restauratie-adviseur, kenner en liefhebber van het werk van container belanden. Ook voor het binnenwerk van dit orgel zou later
Smits’, werd opgedragen. gelden: ‘We hebben alleen nog een foto’.
‘Zinken pijpwerk, geperste labia, hoogdrukregisters of productie-
Bij Hans stond ‘negentiende-eeuws’ niet per definitie gelijk aan ‘prut’ werk? Het zegt volgens Hans van der Harst niets over de kwaliteit
(om het netjes te zeggen). Een voorbeeld: een door Witte aan de toen- van een orgel. Principiële veroordelingen van de orgelbouw in de
malige ‘eischen des tijds’ aangepast achttiende-eeuws orgel moest in- negentiende eeuw doet hij dan ook af als “kortzichtige burgerlijk-
tegraal worden gerestaureerd. Men stond daarbij voor het dilemma heid”,’ zo verwoordde Hans Fidom de opvatting van Hans van der
óf te kiezen voor handhaving van nagenoeg al het bestaande werk Harst in het interview dat in 1996 gepubliceerd werd in Het Orgel
en dit technisch te herstellen óf uit te gaan van het meest oorspron- (januari 1996).
kelijke concept en de latere door Witte aangebrachte wijzigingen te
vervangen door nieuw pijpwerk in achttiende-eeuwse stijl. ‘Ik heb er Werd er een onder zijn toezicht gerestaureerd orgel opgeleverd, dan
toen op gewezen,’ aldus Hans, ‘dat je niet zomaar al het hoogwaardi- leverde hij steevast een tekstbijdrage voor een brochure waarin uit
ge negentiende-eeuwse pijpwerk kon weggooien. Beter een origineel de doeken werd gedaan wat er zoal gerestaureerd was en waarom.
negentiende-eeuws register dan een gekopieerd achttiende-eeuws.’ Het aantal brochures en tijdschriftartikelen dat op die manier van
Een ander, minder goed aflopend voorbeeld: in een kerk in het zuid- zijn hand verscheen, was enorm. In Het Orgel werden tussen 1967 en
westen des lands stond een fraai orgel van Maarschalkerweerd. Het 1996 meer dan honderd publicaties van Van der Harst opgenomen,
was gebouwd in de tijd dat de pneumatiek nog in de kinderschoenen waaronder vrijwel alle artikelen over door hem begeleide restauratie.
stond (1902). Dit orgel werd te klein bevonden voor een adequate Ten slotte was hij als redacteur enige tijd verbonden aan de encyclo-
begeleiding van de protestantse gemeentezang. Er bestonden dan ook pedie Het Historische Orgel in Nederland.
plannen dit instrument te vervangen door een ander, liefst historisch,
mechanisch instrument. De gedachten ter plaatse gingen daarbij uit Met zijn overlijden verliest de orgelwereld een erudiet mens, iemand
naar een te koop staand Witte-orgel dat qua stemmenaantal beter die als weinig anderen muzikale en kunstzinnige zaken het orgel be-
geschikt zou zijn voor het kerkgebouw in kwestie. Wat te doen? Kie- treffende wist aaneen te smeden. En daar ook anderen in wilde laten
zen voor het nagenoeg oorspronkelijke Witte-instrument zou zonder delen.
meer de afbraak van het Maarschalkerweerd-orgel met zich meebren-
gen. Wij wensen zijn levenspartner, Henk van der Hoeven, van harte de
Ach, dacht men, dat laatste orgel was niet alleen te klein voor de kerk, kracht toe dit zware verlies te dragen.

2 3HET ORGEL 2014 | nummer 2


2 4 HET ORGEL 2014 | nummer 2 Foto: Matthias Fischer


HET INSTRUMENT

Eine Orgel für Bach
in Hamburg

Bij de voltooiing van het orgel in de Hamburgse St.-Katharinenkirche

Cees van der Poel & Henk de Vries Het is zeldzaam te noemen in de mondiale orgelcultuur, dat een inmiddels bijna
eenenzeventig jaar geleden verloren gegaan groot stadsorgel nagenoeg geheel gereconstrueerd wordt opgeleverd.
Een nieuw te bouwen instrument van dit formaat waarbij herplaatsing van historisch pijpwerk uit de zestiende
en zeventiende eeuw mogelijk is, is eveneens uitzonderlijk. De geboorte van een nieuw gebouwd renaissance/
barok-orgel voor de St.-Katharinen in Hamburg is een feit geworden: op 9 juni 2013 werd het instrument ingewijd.
Daarmee werd een project afgesloten dat men in Hamburg de titel ‘Eine Orgel für Bach’ had gegeven.
In dit artikel wordt de orgelgeschiedenis van deze kerk beschreven door Henk de Vries. Cees van der Poel schreef
de paragrafen ‘Reconstructie’ en ‘Klank- en speelindrukken’.

GESCHIEDENIS VOORMALIG ORGEL drik Niehoff en met Jasper Johansen. Deze orgelmakers hadden om-
streeks 1548 omvangrijke werkzaamheden uitgevoerd aan het orgel
Omstreeks het jaar 1400 wordt er in de archieven van de St.-Katha- in de St.-Petri in Hamburg. Johansen komt in 1551 vanuit ’s Hertogen-
rinen voor het eerst gesproken over een balgentreder, waaruit opge- bosch naar de St.-Katharinen voor onderhoudswerkzaamheden.
maakt kan worden dat er een orgel aanwezig was ten tijde van deze no- De plaatselijke orgelmakersfamilie Scherer is vanaf de tweede helft
titie. Over een orgel wordt pas later gesproken, namelijk als het woord van de zestiende eeuw verantwoordelijk voor het onderhoud van het
gebruikt wordt in een document uit 1433. De eerste organist die bij instrument. Deze familie houdt dit orgel drie generaties lang in haar
name genoemd wordt, is Hinrick Schonebeke, een musicus die tevens portefeuille, oftewel tachtig jaren. Jacob Scherer voegt in 1559 aan
opdracht gaf aan een ‘Meister Marten’ om het instrument te vergroten. het Katharinen-orgel een nieuw register toe, namelijk een ‘Klingende
Dat het om een grote opdracht gegaan moet zijn, valt op te maken uit Cimbelen int warck’. Zijn zoon Hans Scherer neemt in 1587 het on-
het feit dat andere hoofdorganisten in Hamburg (van de St.-Nicolai, derhoud van zijn vader over en voegt in een periode van zeven jaren
St.-Jacobi en St.-Petri) deze werkzaamheden moesten keuren. maar liefst zes nieuwe registers toe: een Krumhorn 8’ , een Hohlpfeife
De Nederlandse orgelmaker Gregorius Vogel wordt in 1543 aangesteld 8’ en een Bärpfeife 8’ in 1588, een Rauschpfeife 2F en een Zimbel-bass
om het instrument eveneens te vergroten, waarna hij het tevens in on- in 1590, en ten slotte een Trompete 8’ in 1595. Als in 1593 ook Hans’
derhoud krijgt. In 1550, een jaar na de dood van Vogel, wordt contact zonen Hans jr. en Fritz mee gaan werken in het bedrijf, krijgt de firma
gezocht met de eveneens uit Nederland afkomstige orgelmaker Hen- de opdracht om in de jaren 1605-1606 het instrument aanzienlijk te

2 5HET ORGEL 2014 | nummer 2


veranderen. Het orgel wordt niet alleen vergroot; tevens krijgt het een in deze tonen vanaf een bepaald moment genoteerd zijn. Daarnaast
geheel nieuw uiterlijk (het zogenaamde ‘Hamburger Prospekt’), waar- wordt door zowel Scheidemann als Praetorius een voorstel gedaan
bij de hoofdkas en het Rüügwerk geflankeerd worden door grote zes- om de windvoorziening te verbeteren. Tevens krijgt het instrument
entwintigvoets pedaaltorens. Veel van de oude registers worden over- een Borstwerk met zeven registers, die ingeschakeld kunnen worden
genomen (en zijn zelfs tot op heden behouden gebleven), evenals het door middel van ijzeren wippers die zich bevinden direct onder aan
kort oktaaf en de daarmee samenhangende ambitus CDE-g2a2. Deze de borstwerkkas; het is onduidelijk of dit werk bespeeld kon worden
omvang is een restant uit de laatste helft van de zestiende eeuw en ken- middels een zelfstandig klavier, of dat dit slechts mogelijk was middels
merkt de overgang van een F-orgel naar een C-orgel. Na het overlijden een koppeling vanaf een bestaand klavier. Grapenthin beargumenteert
van Hans Scherer d. J. in 1631 wordt zijn orgelmakerij niet voortgezet beide mogelijkheden als volgt:
door een vierde generatie van het geslacht Scherer. Borstwerk bespeelbaar middels eigen manuaal – Het nog aanwezige
historische pijpwerk van de Prinzipal 8’ en de Oktave 4’ loopt door tot
Als de organisten Jacob Praetorius en Heinrich Scheidemann contact c3 in plaats van a2.
krijgen met componist Jan Pieterszoon Sweelinck in Amsterdam, ko- Borstwerk bespeelbaar middels koppeling – In de muziek van Heinrich
men ze in aanraking met de orgelbouwcultuur in Nederland. Praeto- Scheidemann is de hoogst genoteerde toon a2.
rius en Scheidemann waren inmiddels vertrouwd geraakt met orgels In 1633 krijgt orgelmaker Fritzsche opdracht een Posaune 16’ te
van ‘kurfürstlichsächsischen Hoforgelbauer’ Gottfried Fritzsche. Deze plaatsen. Een jaar later wordt wederom een zestienvoets tongwerk ge-
orgelmaker had zich tijdens de Dertigjarige Oorlog verdiept in de Ne- plaatst, nu een Trompete 16’ op het Hauptwerk. Als Fritzsche in 1638
derlandse orgelbouw en was in de ogen van Heinrich Scheidemann sterft, neemt zijn bekendste leerling, Friedrich Stellwagen, in de jaren
(destijds organist St.-Katharinen) een vorm van garantie voor de conti- 1644-1647 het onderhoud over.
nuïteit van de reeds aanwezige kwaliteit uit Nederland.
Fritzsche had zich in de eerste kwart van de zeventiende eeuw in Ham- Op aanvraag van organist Johann Adam Reincken wordt orgelmaker
burg gevestigd en daar in 1629 een orgel opgeleverd voor het klooster Friedrich Besser aangesteld om in 1671 het orgel wederom van een uit-
St.-Maria Magdalena. Hij krijgt uiteindelijk in 1631 de opdracht het breiding te voorzien. Zo dient de Trompete 16’ van Fritzsche als voor-
orgel in de St.-Katharinen uit te breiden. Zo wordt onder andere de beeld voor de nieuw te maken Posaune 32’. Tevens komen er nieuwe
omvang van het pedaal uitgebreid met de tonen cis1 en d1. Musico- pijpen voor de Prinzipal 32’. Deze twee registers waren het die Johann
loog Ulf Grapenthin beargumenteert in het Festschrift zur Orgelweihe Sebastian Bach in 1720 versteld deden staan over de snelle aanspraak
(juni 2013) dit gegeven aan de hand van Scheidemanns muziek, waar- van groot C. Bach bezoekt Hamburg in verband met zijn sollicitatie
naar de functie van organist in de St.-Jacobi. Bij deze gelegenheid be-
Organisten van de St.-Katharinen in Hamburg speelt hij ook het inmiddels beroemde Katharinen-orgel: twee uren
lang musiceert hij voor magistraten en vele andere voorname inwo-
vóór 1513-1526 Hinrick Schonebeke ners.
Reincken leidt vanaf 1713 een van zijn leerlingen, Anthon Heinrich
omstreeks 1526 Meister Peter Uhtmöller, op om eventuele gebreken aan het orgel te kunnen verhel-
pen. Deze Uhtmöller volgt Reincken in 1722 op.
vóór 1534-1542 Meister Joachim In 1738 veranderde Uhtmöller zelf een aantal stemmen: ‘Chalmeau
: olim Zinke 8 f.’ in het Oberwerk, en de ‘Hautbois d’amour’ : olim
1542-1565 Valentin Pralle Baarpfeife : 8f. Uiteindelijk achtte men het in 1742 noodzakelijk een
professioneel orgelmaker aan te stellen om groot onderhoud te plegen.
1565 Johann Kellner Deze opdracht ging naar Johann Dietrich Busch uit Itzehoe. Zijn werk
bestond voornamelijk uit het uitbreiden van Hauptwerk, Oberwerk en
1566-1574 Michael Kellner Rückpositiv met de ontbrekende tonen h2 tot en met c3. Ook breidde
hij het Pedaal uit, waarbij de tonen Fis en Gis zijn toegevoegd. Tevens
1574-1602 Johannes Hesterbarch stelde Busch een nieuwe stemming voor, die met instemming van de
‘städtischen Musikdirektor’ Georg Philipp Telemann werd goedge-
1603 Hinrich Marcus keurd, maar die niet gewenst bleek te zijn bij Uhtmöller en de organis-
ten van de St.-Jacobi en de St.-Michaelis, respectievelijk Anthon Alsen
1604-1629 (?) David Scheidemann en Johann Friedrich Telonius: deze musici hadden de ‘alte Temperatur’
willen behouden.
1629(?)-1663 Heinrich Scheidemann Ten slotte wordt het front verrijkt met grote musicerende engelen en
geornamenteerde vazen.
1663-1722 Johann Adam Reincken Als Hamburg in 1811 tot Franse stad wordt verklaard, dient de Katha-
rinenkirche in de daarop volgende jaren als paardenstal. Het orgel
1722-1752 Anthon Heinrich Uhtmöller wordt ingepakt om het tegen vuil te beschermen. Het krijgt het weder-
om zwaar te verduren tussen 1855 en 1862, als het kerkbestuur 1855
1752-1774 Benedict Christian Harloff en 1862 ervoor kiest gasverwarming aan te laten leggen in de kerk.

1774-1783 Johann Georg Hartmann

1783-1789 Johann Martin von Winthem

1789-1827 Georg Christian Kollmann

1827-1837 Amandus E. Rodatz

1837-1848 Dietrich Gottfried Demuth

1848-1865 Johann Nicolaus Schaller

1865-1896 Heinrich Degenhardt

1897-1931 Wilhelm Böhmer

1931-1944 Engelhard Barthe

1957-1994 Thomas Dittmann

sinds 1994 Andreas Fischer

2 6 HET ORGEL 2014 | nummer 2


Interieur van de Katharinenkirche te Hamburg rond 1900 | Foto: Bildarchiv Hamburg met toren, orgel en interieur tijdens luchtaanvallen op 30 juli van dat
jaar verwoest.
In de periode dat Wilhelm Böhmer het organistenambt bekleedt,
wordt het instrument een hele toon lager omgestemd. Een nog grotere Na de Tweede Wereldoorlog
ingreep heeft plaatsgevonden tijdens de Eerste Wereldoorlog in 1917, Na de wederopbouw van de kerk wordt besloten een nieuw orgel te
toen de grote frontpijpen zijn weggenomen. laten bouwen. De opdracht daarvoor kreeg Orgelbouwer Emanuel
Tussen 1918 en 1922 plaatst orgelmaker Paul Rother een nieuwe Kemper & Sohn. Bij de bouw van het nieuwe instrument, dat in 1962
Posaune 32’, een Posaune 16’, een Subbas 16’ en nieuwe frontpijpen. gereed zou komen, is organist Thomas Dittmann nauw betrokken. Hij
Over het zo ontstane instrument schrijft orgelrestaurateur Theodor ontwikkelt persoonlijk de dispositie van dit vijfenzeventig stemmen
Curtom in 1925: ‘Überblickt man nun [….] dies ganz allmählich ge- tellende orgel. Het plaatselijke bedrijf Hopp & Jäger Architecten ont-
wordene Werk, so steht man in schweigender Ehrfurcht davor: Wieviel werpt de eigenaardige orgelkas.
technisches Können, wieviel Denken und Sinnen, wieviel Bienenfleiß In 1994 neemt de huidige cantor-organist Andreas Fischer de functie
ist bei diesem Werk in den verflossenen Jahrhunderten bis hinein in over van Dittmann. In die tijd constateert men ook dat het Kemper-
die letzte Zeit aufgewandt worden, um das Alte mit dem Neuen, das orgel zich niet meer voegt naar de gewenste kerkmuzikale praktijk, die
Geplante mit dem Vorhandenen in Einklang und Harmonie zu bringen hoge eisen stelt aan muziek en liturgie. Een jaar later stelt orgeladviseur
und zu halten.’ 1) Hans-Martin Petersen voor over te gaan tot nieuwbouw. Dit brengt
In 1934 voerde orgelmaker Karl Schwenger nog een grote restauratie een discussie op gang, waarbij de commissie het al gauw eens is over
uit. Niemand kon vermoeden dat dit de laatste restauratie van dit orgel het uitgangspunt voor nieuwbouw: het instrument zoals Johann Se-
zou gaan worden. Een tijdens de Tweede Wereldoorlog bij een toene- bastian Bach het bespeeld heeft tijdens zijn gedenkwaardige concert
mende dreiging van aanvallen ondernomen poging het instrument te in 1720 in de Katharinen. Door in te stemmen met dit uitgangspunt
redden, leidde er in 1943 toe dat nog zeventien registers konden wor- vervalt het idee in deze kathedrale ruimte een groot Frans-symfonisch
den bewaard in de kelders van de St.-Michaelis. Uiteindelijk is de kerk orgel te bouwen.
Er wordt nagedacht over de rol van de stad ten tijde van haar bloeitijd
1) Vertaling: Overziet men nu dit heel geleidelijk tot stand gekomen werk, dan in relatie tot de orgelbouw en de Noord-Duitse Barok. De bloei van de
staat men zwijgend van bewondering ervoor: hoeveel technisch kunnen, hoeveel orgelbouw in de stad trok Bach immers ook naar Hamburg. Tevens
denkwerk en gepeins, hoeveel bijenvlijt heeft dit werk in de vervlogen eeuwen tot wordt er onderzoek gedaan naar historisch pijpwerk dat de oorlog
op heden gekost om het oude met het nieuwe, het geplande met het voorhanden heeft overleefd en dat in het Kemper-orgel is geplaatst; dit materiaal
zijnde in overeenstemming en harmonie te brengen en te houden. zou steeds meer gaan gelden als leidraad voor het toekomstige instru-
ment.

In de jaren 1999/2000 wordt er een ‘ideeën-competitie’ georgani-
seerd. Uitgenodigd daarvoor zijn drie orgelmakers, onder wie de
Nederlandse orgelmakerij Flentrop Orgelbouw uit Zaandam. Tijdens
gesprekken met de uitgenodigde firma’s komen allerhande ideeën op
tafel, van reconstructie tot een ‘combinatie-orgel’ , voorzien van his-
torische en symfonische werken. Het voorstel dat Flentrop inbrengt,
behelst een reconstructie.
Toen men uiteindelijk daarvoor koos, betekende dit dat de opdracht
definitief aan Flentrop werd gegund.
Met de keuze voor een reconstructie ligt het klankconcept voor het
te maken instrument vast. Er moet echter nog een hindernis worden
overwonnen, namelijk: hoe moet het front van het instrument eruit-
zien? Enerzijds ligt er de wens het bestaande interieur met Kemper-
front te behouden, anderzijds zijn er ideeën het te reconstrueren klank-
beeld te vergezellen van een bij het klankbeeld passend en esthetisch
verantwoord front.
In november 2004 vindt het 79ste Bachfest van de Neue Bachgesell-
schaft plaats, en ter gelegenheid daarvan wordt een door houtsnijder
Chistianne Sandler uit hout vervaardigd model van een gereconstru-
eerd orgelfront gepresenteerd. In dit front zijn invloeden uit zowel de
Renaissance als de Barok herkenbaar. Het is duidelijk dat dit front een
aanzienlijk ander interieurbeeld zou kunnen opleveren dan men tot
dan toe gewend was in deze stadskerk.
In 2005 wordt de ‘Stiftung Johann Sebastian – Eine Orgel für Bach’
(SJS) opgericht met als doel gelden in te zamelen voor dit omvang-

2 7HET ORGEL 2014 | nummer 2


Foto: Henk de Vries RECONSTRUCTIE

rijke project. In 2007 kan de bouw van het nieuw te leveren instrument Kerk en orgel
daadwerkelijk in gang worden gezet; dat jaar start Flentrop met de St.-Katharinen is een grande dame. De kerk ligt enigszins verdiept ten
bouw van het Rückpositiv. opzichte van haar omgeving en de toren heeft proporties waardoor
Inmiddels is er duidelijkheid over de toekomst van het grote Kemper- je niet in gaten hebt dat hij 117 meter hoog is. Pas van dichtbij – en
orgel: dat wordt verkocht aan een kerkgemeenschap in Jastrzebia zeker binnen – blijken de afmetingen van de kerk immens. Het enorme
Góra, gelegen in het noordelijkste puntje van Polen, aan de Baltische orgelensemble van hoofdkas, pedaaltorens en rugwerkkas past bijna
Zee. onopvallend goed tegen de westwand van de kerk. Het kerkinterieur
Op Paasmorgen 2009 wordt het Rückpositiv feestelijk ingewijd. Ook is sober, het wit van de wanden overheerst. Het gekleurde glas in het
de balustrade met de grote dragers van de zesentwintigvoets pedaalto- raam van de koorsluiting kleurt fantastisch in deze omgeving. Voor
rens kan op dat moment al worden aanschouwd. Het Rückpositiv trekt in het schip zijn de rijk gebeeldhouwd­ e twintigste-eeuwse preekstoel
veel belangstellenden uit zowel binnen- als buitenland en wekt hoge en het moderne, plastisch vormgegeven front van het koororgel van
verwachtingen omtrent de nog te bouwen onderdelen. Hans-Detlef Kleuker uit 1984 de enige opvallende elementen. De en-
In 2010 moet de kerk volledig gesloten worden in verband met een tree-partij in de westwand spreekt eveneens een strakke vormentaal en
grootschalige grondsanering in het gebouw. Daardoor moet ook het vormt een antraciete eenheid met het balkon erboven. Dit ruime bal-
orgelproject tijdelijk worden opgeschort. Uiteindelijk kan dit in sep- kon biedt plaats aan koor en orkest, twee elementen in de liturgische
tember 2012 weer worden opgestart, met als bijna onmogelijke op- praktijk van St.-Katharinen die daaruit niet zijn weg te denken. Ach-
dracht dat het front gereed moet zijn tijdens de feestelijke heringe- ter het balkon bevindt zich in de toren een forse repetitiezaal, dit alles
bruikneming van het kerkgebouw op Eerste Advent 2012. Deze onge- toegankelijk via royale trappen; de kerkmuziek krijgt hier letterlijk en
looflijke taak is door Flentrop volbracht, zij het dat het instrument op figuurlijk alle ruimte. Boven entree en balkon verheft zich het orgel in
dat moment inwendig nog niet gereed was; zowel het plaatsen van het volle barokke glorie. Het enige dat de benedenpartij en het orgelfront
binnenwerk alsook het afronden van de intonatiewerkzaamheden zou gemeenschappelijk hebben, is de glans van nieuwheid; verder is een
nog een half jaar in beslag gaan nemen. groter stilistisch contrast niet denkbaar. Er zijn weinig orgelsituaties
waar de hang naar oud en de hang naar nieuw zo onverzoend naast
Negentien jaar na de eerste gesprekkenwas het eindelijk zover: het ge- elkaar staan. Hier botsen visies. In de herinrichting van de kerk van na
reconstrueerde Renaissance/Barok-orgel van Flentrop Orgelbouw uit de Tweede Wereldoorlog herinnert nog zeer weinig aan het verleden.
Zaandam kon op de tweede zondag na Trinitatis 2013 worden inge- Het nieuwe orgel gaat daar dwars tegenin. Fascinerend.
wijd.
Kas
2 8 HET ORGEL 2014 | nummer 2 De proporties van de verschillende kas-delen zijn prachtig in even-
wicht, waardoor de grote afmetingen niet opvallen, zoals al opge-
merkt: pas bij de speeltafel word je je bewust van de tweeëndertigvoets
pedaaltorens en staande naast de engelenfiguren bovenop de torens
zie je dat er aan je voeten een grote diepte gaapt. Ook de kwaliteit van
het meubelwerk dwingt respect af; van de uien met ‘gebouwtjes’ op
de torens tot en met ‘details’ als de verstekken in de balustrade tus-
sen rugwerkkas en pedaaltorens, overal werkten de meubelmakers van
Flentrop met grote zorg aan.
De zoektocht naar de originele afmetingen van de kassen was
niet eenvoudig. De dochter van voormalig organist Engelhard
Barthe stelde enkele foto’s uit 1899/1901 en 1934 ter beschikking,
waarvan een aantal van hoge kwaliteit. Verder was er een tekening
van de kas uit 1896 en een schematische tekening, gemaakt
kort voordat de frontpijpen werden gevorderd in 1917. De
tekeningen weerspraken elkaar op punten, maar na veel rekenwerk
ontstond toch een betrouwbaar beeld van de originele situatie.
Evidente fouten in de tekeningen kwamen aan het licht door de daarop
vermelde maten af te zetten tegen de bekende maten van oorspronkelijke
pijpen. Meer dan eens leken gulden-snedeverhoudingen terug te vinden;
de onregelmatigheden in de gevonden maten ondergroeven echter dit
idee. Vruchtbaarder bleek toepassing van de muzikale verhoudingen
8:5, 6:5 en 3:2, en van de Hamburgse voet en duim. Een belangrijke
aanwijzing vormde de waarneming van Dietrich Kollmannsperger, dat
Scherer de onderbouw van zijn hoofdkassen iets smaller maakte dan de


rugwerkkassen, een waarneming die hij vastlegde na bestudering van Foto: Henk de Vries
de orgels in Tangermünde, St.-Aegidien in Lübeck en foto’s van alle
andere Scherer-kassen. Erik Winkel, die voor Flentrop het leeuwendeel De registers van het Brustwerk worden onderaan de kas van dat werk
van het onderzoek deed, concludeerde dat zulks voor de hand ligt door middel van metalen hevels bediend. Uit bronnen is bekend dat in
omdat de hoofdkas zo op de draagbalken van het Rückpositiv past en de negentiende eeuw de situatie ‘genormaliseerd’ werd met trekkers
tegenwicht biedt aan de draagbalken voor de rugwerkkas. naast de handklavieren. De vorm van de registerknoppen is naar het
De orgelmaker reconstrueerde dus binnen de driehoek van het geko- voorbeeld van Friedrich Stellwagen, de maten zijn die van de knoppen
zen uitgangspunt (1720), de weinig ‘harde’ maten van de originele situ- van het kleine orgel in de St.-Jakobi in Lübeck (1637). De registerbe-
atie en zijn praktijkervaring met het maken van een orgelkas. Tegelijk naming is overgenomen van Johann Mattheson, die de dispositie van
waren de financiële middelen niet onbeperkt. het orgel in 1720 opgaf. De factuur van de registeropschriften is naar
de factuur van het orgel van Stellwagen in Stralsund (1659). Er is voor
Snijwerk gekozen rechts als eerste knop een werktuiglijk register te plaatsen
Aanvankelijk kreeg houtsnijder Christiane Sandler de vraag of re- en als tweede knop van ieder werk de basisprestant en vervolgens de
constructie van het snijwerk op basis van oude foto’s mogelijk knoppen in ladevolgorde verspringend van links naar rechts; aan de
was. Voor het restauratieteam stond van meet af aan vast dat het linkerzijde zijn in de stijl eerst de afsluiters geplaatst.
complete barokke snijwerk in het huidige kerkinterieur te over-
dadig zou zijn. Als uitgangspunt koos men het renaissance-beeld Windvoorziening
van het orgel. Alleen waar renaissance-ornamenten ontbraken, Het orgel kreeg acht spaanbalgen, opgesteld in een balgenhuis in de
werden barok-elementen teruggebracht. Dit laatste was voor- toren, schuin boven het orgel.
namelijk het geval bij het Brustwerk (1631) en het Rückpositiv. Voor de balgstelling stond die van Tangermünde model. Bekend is
De uien op de torens dateerden van 1674, de engelen en vazen dat de oorspronkelijke balgen 4 bij 7 voet maten. Friedrich Besser
van 1743. Het blinderings- en het lijstwerk van de pedaaltorens verdubbelde tussen 1671 en 1674 het aantal balgen tot zestien, een
(boven, 1605) en de hoofdkas ademen de renaissance. Ook ge- situatie die Mattheson vermeldde. Er is nu voor gekozen, mede van-
reconstrueerd werden de barokke uien, die een ‘technische’ func- wege het kostenaspect, acht balgen te maken van 4 bij 8 voet. Ze
tie hebben, te weten het verhullen van pijpwerk dat door het dak kunnen getreden worden en er is een grote windmotor aanwezig.
steekt, en de voor het totaal niet weg te denken engelen en vazen. Vanuit de toren loopt een zeer ruim bemeten hoofdkanaal van bovenaf
Behalve de overgeleverde foto’s van het oude orgel, verschafte het het orgel in, recht naar beneden. Per ‘verdieping’ is er een vertakking
front van Tangermünde (St.-Stephan, Hans Scherer d.J. 1624) informa- met afsluiter naar het daar gelegen werk, van boven naar beneden:
tie voor de vervaardiging van het snijwerk. Omdat het geld daarvoor Oberwerk, Hautptwerk, Brustwerk, helemaal beneden Rückpositiv en
nog niet aanwezig was, zijn verschillende friezen en stijlen niet voor-
zien van snijwerk. Uit praktische overwegingen heeft de fries die alleen 2 9HET ORGEL 2014 | nummer 2
met duur steigerwerk voorzien kon worden van snijwerk, voorrang ge-
kregen. De opvallendste lege plek is de doorlopende lijst onder pedaal-
torens, balustrade en rugwerkfront. Ook het fries boven de frontpijpen
van het Rückpositiv bleef grotendeels leeg. Als ‘smaakmaker’ bracht
men wel snijwerk aan in de onder- en bovenlijst van de rechter spitsto-
ren van het Rückpositiv. Hopelijk worden de lege plaatsen nog eens
ingevuld. Het team van Sandler, inclusief haarzelf elf mensen groot,
heeft een formidabele prestatie geleverd.

Claviatuur
Het orgel had in 1720 een manuaalomvang van CDEFGA–a²g² en
voor het Brustwerk CDEFGA–c³. Het pedaal omvatte de tonen CDEF-
FisGA–d¹. Voor de reconstructie koos men CD–d³ voor de handkla-
vieren en CD–d¹ voor het pedaalklavier. Daarmee werd invulling gege-
ven aan de dubbele opdracht ‘eine Orgel für Bach’ te maken en tegelijk
een orgel voor de huidige liturgische praktijk.
Voor de onderlinge verhoudingen in de claviatuur is gekeken naar een
foto van de oude Stellwagen-speeltafel van het verloren Totentanz-
orgel in St.-Marien in Lübeck. De octaafdeling van de handklavieren
is afgeleid van een oud walsbord in Tangermünde (1624) dat niet her-
gebruikt werd bij de reconstructie van dat orgel. De ondertoetsen zijn
uitgehaald naar het voorbeeld van het borstwerkklavier van het koor-
orgel in de Grote Kerk van Alkmaar (1511). De groepering van de re-
gistertrekkers is, zoals gebruikelijk, per werk horizontaal.


Registermechaniek | Foto: Erik Winkel / Flentrop Orgelbouw Afsluiter Hauptwerk | Foto: Erik Winkel / Flentrop Orgelbouw

twee kanalen naar de beide pedaaltorens en achterlade. Voor het Rück- het Pedal wordt met een wel naar opzij geleid en vertakt zich onder de
positiv is na ampele overweging een klein schokbalgje aangebracht, als pedaalladen in de torens.
concessie aan de al te grote beweeglijkheid van de wind voor nieuwere De speelmechaniek kan worden afgesteld in de speeltafel. Tegelijk heb-
muziek. ben Hauptwerk, Rückpositiv en Oberwerk een generaal afregelpunt.
Hiervoor is uit praktisch oogpunt gekozen.
Windladen De enige pedaalkoppeling naar het Rückpositiv is gebaseerd op de aan-
Bij de reconstructie van het Rückpositiv, voltooid in 2009, is voor de leg van Hans Scherer d.Ä van 1591 en diende in de situatie vanaf 2009
windlade het orgel van Hans Christoph Fritzsche in St.-Nicolai in Al- met alleen het gereconstrueerde Rückpositiv ook een praktisch doel.
tenbruch (1649) als voorbeeld genomen. Deze lijn is later voor de rest
van de reconstructie ook gevolgd. De frontladen voor de Principal 32’ Pijpwerk
van het Pedal zijn gemodelleerd naar het voorbeeld van het Schnitger- Voor het bombardement van 1943 bracht men 1016 pijpen van het
orgel van St.-Jakobi in Hamburg (1693) met vervoeringen die als can- oude Katharinen-orgel in veiligheid. Uiteindelijk zijn daar nu nog 500
cel fungeren. Vormgeving en details zoals ventielvorm, veren en voor- pijpen van over; wat er na de oorlog met de overige pijpen is gebeurd,
slaghaken zijn naar Altenbruch. is niet bekend. Als uitgangspunt voor de reconstructie van de dispo-
Het Hauptwerk heeft twee laden, de overige manuaalwerken ieder sitie koos men de opgave van Johann Mattheson van de staat van het
een. De canceldelingen van de windladen van Hauptwerk en Rückpo- orgel in 1720, het jaar dat Bach het orgel bespeelde. Met behulp van
sitiv volgen het front, de Oberwerklade is diatonisch. Het Brustwerk onder meer archivalia bleek het mogelijk het overgeleverde pijpwerk
heeft van het groot octaaf de grootste pijpen aan de buitenzijde en van op een goede wijze in te passen in de reconstructie.
daar naar binnen aflopend in hele tonen; cis staat in het midden en
van daaruit in hele tonen aflopend naar buiten. In iedere pedaaltoren Gottfried Fritzsche bouwde in zijn borstwerken altijd een Holzprincipal
zijn drie windladen aanwezig: een voor de Principal 32’, een voor de 8’. Van hem bleven uit het oude Katharinen-orgel echter cis–c³ van
grotere registers en een voor de kleinere. Het Pedal heeft een zevende een metalen prestant bewaard die alleen in het Brustwerk pasten. De
lade, opgesteld deels achter de hoofdkas aan de rechterzijde. Daarop Principal 8’ van het Oberwerk was reeds ingevuld met pijpwerk van
staan de registers Groß-Posaun 32’ en Principal 16’. Deze lade heeft Hans Scherer d.J., en de Principal van het Rückpositiv staat in het front.
een chromatische indeling. De situatie met een achterlade voor een De Octava 8’ van het Hauptwerk werd door orgelmaker Christian
aantal registers dateert waarschijnlijk vanaf de ingrepen van Besser. Heinrich Wolfsteller in de negentiende eeuw omschreven als “stumpf,
aus schwerem Blei”, terwijl het pijpwerk van Fritzsche relatief dun en
Mechaniek licht is en voorzien van vrij korte voeten. Een bron wierp licht op het
Voor de registermechanieken is men te rade gegaan bij het orgel van raadsel: in 1906 werden enkele pijpvoeten van de Prinzipal 8’ en de
Friedrich Stellwagen in Stralsund. Er is op enkele plaatsen gebruik ge- Oktave 4’ vervangen vanwege corrosie. Fritzsche maakte in St.-Katha-
maakt van contragewichten voor een soepele registergang. De speel- rinen dus een metalen prestant voor zijn Brustwerk.
tractuur bevat elementen van het orgel van Tangermünde. De tractuur
van het Brustwerk loopt vanaf de toets omhoog naar een walsbord, De overblazende Waldflöte 2’ van het Brustwerk bleef als Quintadena
die van het Oberwerk naar boven, naar achteren en omhoog naar een 4’ bewaard en de eveneens overblazende Querflöte 8’ van het Haupt-
walsbord. De toetsbeweging van het Hauptwerk gaat via stoters naar werk is via verschillende ombouwen overgeleverd. Uit verschillende
beneden, naar achteren en omhoog naar een walsbord. Het Rückposi- bronnen was van enkele registers bekend dat ze verkort werden en
tiv werkt ook met stoters en vervolgens een walsbord. De tractuur van gedekt gemaakt. Dat kan alleen bij cilindrische pijpen gebeurd zijn. De

3 0 HET ORGEL 2014 | nummer 2


Pijpwerk van het Oberwerk, met op de voorgrond de Trommete 4', Zincke 8' en Trom- De Krumhorn 8' van het Pedal, reconstructie naar voorbeeld van Michael Prætorius,
mete 8' | Foto: Henk de Vries Syntagma Musicum (1619) | Foto: Henk de Vries

betreffende registers zijn nu als cilindrisch pijpwerk gereconstrueerd. KLANK- EN SPEELINDRUKKEN
Men voegde nu ook enkele registers toe aan de dispositie. Toen we de kerk binnenkwamen, werden de tongwerken gestemd. Het
Bij de demontage in 2003 werden enkele pijpen aangetroffen met daar- was meteen duidelijk dat de ruimte een prachtige akoestiek heeft. Hoe-
op in krijt de aanduiding ‘Gambe’. Het bleek om pijpwerk te gaan dat wel het orgel zich relatief ver van de luisteraar bevindt, zijn details bui-
vele malen veranderd was en mogelijk terugging op trompetbekers van tengewoon goed waarneembaar. Dat komt de orgelklank ten goede,
Fritzsche uit 1634 die Johann Dietrich Busch ombouwde in 1742/43. maar de weldadige ruimte kan ook afleiden van tekortkomingen.
Men besloot een Viola di Gamba te disponeren en zo deze historische Ieder manuaalwerk beschikt bij dit grote instrument over een acht-
substantie te hergebruiken. Later bleek dat de krijtopschriften uit 1906 voets prestant. Dat is luxe en maakt nieuwsgierig naar de individuele
dateerden en dus niet duidden op een oude situatie. Daarop werd een kwaliteiten van de stemmen. De Principal van het Rückpositiv heeft
nieuwe Viola di Gamba toegevoegd aan het Oberwerk naar het voor- beneden een enorme impact door de vrijwel volledige dubbele uitvoe-
beeld van het gelijknamige register dat Christian Vater bouwde in de ring. Het register is een orgel op zich. De Principal van het Oberwerk
Oude Kerk te Amsterdam in 1724. is vol en rond, de Octav 8’ van het Hauptwerk wat karakter betreft
de minst opvallende van het kwartet, wat niet als diskwalificatie moet
In de zestiende en zeventiende eeuw beschikte het Oberwerk over een worden opgevat. De Prestant van het Brustwerk kenmerkt zich door
Klingende Zimbel. Mattheson vermeldde in 1720 echter een Scharff. een iets teruggetrokken karakter, maar niet zoveel als van een borst-
Om zinvol gebruik daarvan mogelijk te maken, werd een Octava 4’ werk te verwachten. Door de relatief hoge plaatsing van de borstwerk-
toegevoegd in de geest van Friedrich Stellwagen. kas wordt de uitstraling ervan niet in de weg gestaan door de rugwerk-
De eerder genoemde orgelmaker Wolfsteller maakte in de negentiende kas; daardoor ontstaat eerder enigszins het idee van een bovenwerk en
eeuw een Trommete 8’ voor het Hauptwerk en gebruikte voor de be- is de detaillering van dit manuaalwerk beneden scherp.
kers oude frontpijpen uit 1605/06. Om dit historische materiaal te be- In de opbouw van het plenum van het Hauptwerk vallen twee zaken
houden is een Trommete 8’ toegevoegd aan het Hauptwerk. op. In de eerste plaats de sonoriteit van de zestienvoets Principal 16’
en vervolgens de (wat ons betreft) onverwacht grote sterkte van de
Flentrop goot alle platen voor het nieuwe pijpwerk op zand en maakte Octav 2’. Ook bij combinatie van Hauptwerk en andere manualen
alle onderdelen van het pijpwerk in eigen huis. Alleen voor de Princi- brengt de Octav 2’ het totaal naar onze smaak wat uit balans. Beter
pal 32’ werkten de pijpenmakers van Flentrop in de werkplaats van is het de Rausch-Pfeiffe van het Hauptwerk te trekken als tussenstap
Jacques Stinkens uit Zeist. naar het groot plenum. De bovenwerkmixtuur vormt een kroon op
Voor veel registers werd 100% lood gebruikt, met natuurlijke veront- het hoofdwerkplenum; de plena van Hauptwerk en Oberwerk vormen
reinigingen. De verschillende Fritzsche- en Stellwagen-reconstructies een blok tegenover het Rückpositiv. Bijzonder fraai is de twinkelende
werden uitgevoerd met 6% tot 30% tin. Scharff van het Brustwerk. De Sesquialtera van het Rückpositiv bevat
de enige tertskleur van het orgel en vervult de rollen van kleurregister
De frontpijpen en de bekers van de Trommete 8’ van het Hauptwerk in het plenum en van soloregister met verve. We waren vooral onder
bevatten 89% tin. De bekers van de Cornet-Baß van het Pedal zijn van de indruk van de solistische kwaliteiten.
100% tin. Ook van grote kwaliteit zijn de Principal 16’ en Oktav 8’ van het Pedal.
Als toonhoogte werd gekozen 465 Hz voor a¹, in plaats van de oor- Het laag is mooi gedefinieerd, de stemmen voegen zich soepel en goed
spronkelijke 480 Hz. Om werk van J.S. Bach te kunnen uitvoeren, is waarneembaar in zowel grote als kleine registraties. De tweeëndertig-
gekozen voor de onevenredig zwevende stemming naar Herbert An- voet is prima gelukt, ook het groot octaaf spreekt vlug en heeft een
ton Kellner uit 1975. uitstekende staande toon. Bij het spelen van groot polyfoon werk is de

3 1HET ORGEL 2014 | nummer 2


volledige zelfstandigheid van het Pedal van voordeel voor het contro- de speelmechaniek ook naar voren komt, bijvoorbeeld in de aanwezig-
leren van de meerstemmigheid in een grote klank. Bovendien loopt de heid van centrale regelpunten voor verschillende manuaalwerken.
koppeling de linkerhand niet voor de voeten. De laatste opmerkingen Dit herinnert aan de opdracht die adviescommissie en orgelmaker
zijn open deuren, maar de ervaring zal toch vrij uniek zijn voor meer meekregen: het uitgangspunt van de situatie van 1720 en het creëren
spelers zoals wij, die in plena vrijwel altijd naar een pedaalkoppeling van een orgel voor de huidige liturgie. Je kunt je afvragen of die twee
moeten grijpen. zaken niet van nature samenvallen. In St.-Katharinen is gekozen voor
Het orgel kent vele geslaagde fluiten. Een paar springen eruit. De oude een compromis wat betreft toonhoogte en stemming, en – ook niet
overblazende Querflöte (HW) is een van de zachtste stemmen van het onbelangrijk – een (begrijpelijke) uitbreiding van de manuaal- en pe-
orgel. Een kleine kanttekening maken we bij het klein octaaf, dat wat lui- daalomvang, wat doorwerkt in de interne opbouw van het orgel. Er is
der is dan de rest van het register, beneden beluisterd althans. De nieuwe dus niet gewerkt vanuit een rigide reconstructiegedachte, en dat is, met
Gedact van het Rückpositiv heeft een betoverende discant. De Block- zo weinig concreet en sterk verbouwd en gelaagd materiaal voorhan-
flöte 4’ van hetzelfde werk, ook nieuw, is met zijn sprankelende toon den (500 pijpen!) en verder een enkele foto en papieren gegevens met
eveneens zeer goed gelukt. Over de roergedekte – een van de weinige in de onzekerheden die daaraan altijd kleven, wat ons betreft in dit geval
dit instrument – Hohlflöte 4’ liepen onze meningen uiteen wat betreft de een gezonde denkwijze.
combinatie met de Gedact 8’: de viervoet is in die samenstelling wat luid. Bij het schrijven van dit artikel bleek ons dat er nog niet een publicatie
Spannend is de andere, oudere klankwereld van de bovenwerkfluiten. is waarin in detail het reconstructieproces wordt verantwoord. Het is te
De wijde mensurering van de Hohlflöte 8’ en de Flöte 4’ vertaalt zich hopen dat een dergelijke toegang nog eens komt.
beneden in een energierijke, volle toon. Het aantal fluitcombinaties dat
is te maken op het Oberwerk is groot, en ieder ervan heeft een uit- De ‘kerngroep’ die de beslissingen nam, bestond uit Hans Martin Peter-
gesproken eigen karakter. Op het Oberwerk is overigens ook de enige sen (Sachverständiger der Nordelbischen Kirche) die het proces formeel
losse drievoet te vinden; enkelvoudige aliquoten zijn in dit orgel op- begeleidde, organist van de kerk Andreas Fischer die draagvlak creëer-
merkelijk weinig vertegenwoordigd. Vermelding verdienen de vrij be- de en veel betekende voor de geldwerving en Wofgang Zerer en Pieter
scheiden snuivende Quintadena’s van Rückpositiv en Brustwerk. Van van Dijk, beiden werkzaam aan de Hochschule für Musik und Theater
het Pedal zijn de Gedact 8’ en de Nachthorn 4’ prima te verstaan in de Hamburg, die de muzikale aspecten wogen. Ulf Grapenthin verzamelde
kerk. De Sub-Baß blijft op dit punt wat achter; dat is opmerkelijk, gelet talrijke historische gegevens die een belangrijke rol speelden en de or-
op de voortreffelijk articulerende Principal 16’ van het Pedal. gelmakers (wijlen) Cees van Oostenbrugge, Frits Elshout en Erik Winkel
De zeventien tongwerken vormen niet alleen door hun hoeveel- van Flentrop Orgelbouw kwamen met ontwerpen en beslisten de orgel-
heid maar ook door hun kwaliteit een sterke troef van het instru- matige aspecten.
ment. De achtvoets tongwerken van het Rückpositiv zijn vrij klein De gemeente van St.-Katharinen, de kerngroep en verdere geraad-
van klank (ook achter de speeltafel beluisterd) en moeten het in pleegde deskundigen, beeldhouwer Christiane Sandler en haar team en
de ruimte hebben van hun fijne kleur. De beide tongwerken van het de medewerkers van Flentrop Orgelbouw zijn van harte gefeliciteerd
Brustwerk delen overigens deze eigenschappen. De forse Schall- met het in alle opzichten imponerende resultaat.
mey 4’ (RP) vonden we meer een partij voor het labiale plenum.
Een extraverte wereld wordt ook aangetroffen op het Oberwerk. De BRONNEN
Trommete 8’ heeft een open klank. De Zincke 8’ is zeer sterk en preg- - Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte: Hamburgs
nant. Het meest boventoonrijk klinkt de Trommete 4’; die vervult daar- Anteil am Orgelbau im Niederdeutschen Kulturgebiet (1939), Band 38.
door ook voor het Hauptwerk een belangrijke functie. De beide Trom- Te raadplegen via: http://agora.sub.uni-hamburg.de/subhh/digbib/
meten van het Hauptwerk verschillen nogal. Het meest gecharmeerd view?did=c1:20559&p=322 (laatst geraadpleegd 10 januari 2014).
waren we van de zestienvoet, met zijn voorname dragende klank. De - Stiftung Johann Sebastian, Eine Orgel für Bach in St.-Katharinen.
achtvoet viel ons daarentegen op door een wat vlakke klank en vrij Hamburg (Hamburg 2013).
‘dunne’ bas. Het register is een toevoeging aan het concept van 1720, - Stiftung Johann Sebastian, Festschrift zur Orgelweihe Juni 2013 Fest-
en in die zin is een afwijkend karakter op zijn plaats; wij vonden ech- schrift über das Projekt ‘Eine Orgel für Bach’ (Hamburg 2013).
ter vooral dat het kwalitatief minder geslaagd is dan de andere tongen. - mededelingen Erik Winkel, Flentrop Orgelbouw
Het tongwerkplenum van het Pedal is zeer goed gelukt. De Posaune
16’ en Trommete 8’ vormen voor ons het hoogtepunt. De ‘consort’- Met dank aan organist Andreas Fischer voor de gastvrije ontvangst en aan Frits
tongwerken Dulcian en Krumhorn: prachtig. De Groß-Posaun dwingt Elshout (Flentrop Orgelbouw) voor demonstratie en uitleg bij het orgel. Matthias
respect af. Waar menig tweeëndertigvoets tongwerk door boventoon- Fischer en Erik Winkel stelden foto’s ter beschikking, waarvoor dank!
verontreiniging onevenredige aandacht opeist in grote registraties,
voegt dit exemplaar zich qua kleur en aanspreeksnelheid naadloos in Dit artikel verschijnt gelijktijdig in de tijdschriften Orgelkunst en Het Orgel.
het ensemble.
De speelaard van het orgel is buitengewoon plezierig. De vrij wijde pe- Afbeeldingen pagina 33
daaldeling is even wennen, maar verder ben je in een mum van tijd thuis 1. Principal 32’ C in de lantaarn aan de noordzijde
op het instrument. Gekoppeld spel vereist weinig extra inspanning, ook 2. Bordun 16’ HW (sporen van deksels uit 1924, pijpwerk kreeg
met drie gekoppelde manualen zijn vlugge toetsbewegingen goed con-
troleerbaar. Het voelt bijna ‘modern’ aan, een eigenschap die fysiek in nieuwe voeten in 1591, ouderdom onbekend)
3. Oude stukken metaal (met constructiecirkels aan de binnenzijde)
3 2 HET ORGEL 2014 | nummer 2
op de oude plek gemonteerd. (Holpipe 8 Oberwerk)
4. Trompet 8’ HW, frontmateriaal uit 1605 met verlenging 2013

Foto’s: Erik Winkel / Flentrop Orgelbouw


12

34

3 3HET ORGEL 2014 | nummer 2


Dispositie van het orgel in de St.-Katharinenkirche te Hamburg (2013)

schrijfwijze registers naar Johann Mattheson, 1720

Hauptwerk (II, CD–d³)

Principal 16’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624, C–E gecombineerd met

Quintadena 16’

Quintadena 16’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/1606, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Bordun 16’ anoniem, voor 1588

Octava 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Querflöte 8’ Hans Scherer d.Ä. 1591, overblazend vanaf c¹

Spitzflöte 8’ bouwer oorspronkelijke register onbekend, reconstructie naar voorbeeld Hans Köster, Lübeck 1573

Octava 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Octava 2’ Scherer 1605/06

Rausch-Pfeiffe [2f.] anoniem, gotisch, samenstelling:

C 22/3 2

Mixtura [10f.] Hans Scherer d.J. 1605/06 & Gottfried Fritzsche 1634, samenstelling:

C 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3 1/2 1/2

F 22/3 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3 1/2

H 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3

d 4 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3

g 4 4 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1 1

d¹ 51/3 4 4 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1

gis¹ 51/3 5 1/3 4 4 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3

Trommete 16’ Johann Dietrich Busch 1742/43, daarvoor Gottfried Fritzsche 1634

Trommete 8’ diverse bronnen, deels frontpijpen 1605, toevoeging 2013

Rückpositiv (I, CD–d³)

Principal 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624, dubbel vanaf H

Gedact 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Quintadena 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624 en Hamburg, St.-Jakobi,

Scherer 1622

Octava 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Blockflöte 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. voor 1595, overblazend vanaf c

Hohlflöte 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624, roergedekt

Quintflöte [1 1/2’] reconstructie naar voorbeeld Scherer/Niehoff, Hamburg St.-Jacobi, Gemshorn

Sifflet 1’ reconstructie naar voorbeeld Jan van Covelens, Alkmaar Grote Kerk koororgel 1511

Sesquialtera [2f.] Fritzsche 1631/32, samenstelling:

C 4/5 11/3

c 13/5 22/3

Scharff [8f.] oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624, samenstelling:

C 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3 1/2 1/2

H 2 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3 1/2

g 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3

dis¹ 22/3 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3

g¹ 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1 1

c² 4 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1

fis² 4 4 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3

Regal 8’ oorspronkelijk Friedrich Stellwagen 1644–47, reconstructie naar voorbeeld Lübeck, St.-Jakobi 1636/34

Oboe d’amore [8’] Baarpfeiffe Hans Scherer d.Ä. 1588 & Anthon Heinrich Uhtmöller 1738

Schallmey 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

3 4 HET ORGEL 2014 | nummer 2


Oberwerk (III, CD–d³)

Principal 8’ Scherer 1605

Hohlflöte 8’ Scherer d.Ä. 1591, roergedekt

Gambe 8’ reconstructie naar voorbeeld Christian Vater, Amsterdam 1724, trechtervormig, toevoeging 2013

Octava 4’ reconstructie naar voorbeeld Friedrich Stellwagen Stralsund, St.-Marien 1653–59, toevoeging 2013

Flöte 4’ reconstructie naar voorbeeld Scherer/Niehoff, open

Nasat 3’ reconstructie naar voorbeeld Scherer/Niehoff, open

Gemshorn 2’ reconstructie naar voorbeeld Scherer/Niehoff Hamburg St.-Jacobi 1590

Waldflöte 2’ reconstructie naar voorbeeld Dirk Hoyer Steinkirchen 1581, conisch

Scharff [6f.] reconstructie naar voorbeeld Friedrich Stellwagen, samenstelling:

C 1 2/3 2/3 1/2 1/2 1/3
1/3
Fis 1 1 2/3 2/3 1/2 1/3

A 11/3 1 1 2/3 1/2

cis 11/3 11/3 1 1 2/3 1/2

fis 2 11/3 11/3 1 2/3 1/2

c¹ 2 2 11/3 11/3 1 2/3

e¹ 22/3 2 2 1 1/3 1 2/3

a¹ 22/3 22/3 2 2 11/3 1

d² 4 22/3 22/3 2 11/3 1

gis² 4 4 22/3 22/3 2 11/3

Trommete 8’ reconstructie naar voorbeeld Antonius Wilde Lüdingworth 1598, Hans Scherer d.J. 1605/06?

Zincke 8’ reconstructie naar voorbeeld Hamburg St.-Jacobi (nu Vox Humana Schnitger)

Trommete 4’ Friedrich Besser 1671–74

Brustwerk (IV, CD–d³)

Principal 8’ Gottfried Fritzsche 1631/32

Octava 4’ Gottfried Fritzsche 1631/32

Quintadena 4’ oorspronkelijk Gottfried Fritzsche 1631/32, reconstructie naar voorbeeld Friedrich Stellwagen 1644–47, Lübeck,

St.-Jakobi 1636/37

Waldpfeiffe 2’ Gottfried Fritzsche 1631/32, overblazend

Scharff [7f.] oorspronkelijk Gottfried Fritzsche 1631/1632, reconstructie uit Fritzsche pijpen van overige werken, mensuur

ingepast in beeld van het hele orgel, samenstelling:

C 2/3 1/2 1/2 1/3 1/3 1/4 1/4

G 2/3 2/3 1/2 1/2 1/3 1/3 1/4

B 1 2/3 2/3 1/2 1/2 1/3 1/4

cis 1 1 2/3 2/3 1/2 1/2 1/3

e 11/3 1 1 2/3 2/3 1/2 1/3

gis 11/3 11/3 1 1 2/3 2/3 1/2

h 2 11/3 11/3 1 1 2/3 1/2

e¹ 2 2 11/3 11/3 1 1 2/3

fis¹ 22/3 2 2 11/3 11/3 1 2/3

h¹ 22/3 22/3 2 2 11/3 11/3 1

e² 4 22/3 22/3 2 2 11/3 1

gis² 4 4 22/3 22/3 2 2 11/3

Dulcian 16’ oorspronkelijk Gottfried Fritzsche 1631/32, reconstructie naar voorbeeld Hans Christoph Fritzsche, Altenbruch

1649

Regal 8’ oorspronkelijk Gottfried Fritzsche 1631/32, reconstructie naar voorbeeld Friedrich Stellwagen 1644–47, Lübeck,

St.-Jakobi 1636/37

3 5HET ORGEL 2014 | nummer 2


BAROK TOT IN DETAIL

Henk Klop Baroque Keyboard Instruments
Paleisweg 6 • 3886 LC Garderen • The Netherlands
PHONE +31 (0)577 461 512 • FAX +31 (0)577 461 787

WEB www.klop.info • E-MAIL [email protected]

3 6 HET ORGEL 2014 | nummer 2


Pedal (CD–d¹)

Principal 32’ oorspronkelijk Friedrich Besser 1671–74, mensuren naar tekening 1917, C en D open, Dis gedekt, binnen,

vanaf E in het front

Principal 16’ oorspronkelijk Friedrich Besser 1671–74, reconstructie naar voorbeeld van Friedrich Besser, Lautental 1685

(Principal 8’), opgesteld achter de hoofdkas

Sub-Baß 16’ oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. 1590, reconstructie naar voorbeeld van Tangermünde, Subbas Pedal

Octava 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Gedact 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. 1588, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde

Octava 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Nachthorn 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Rausch-Pfeiffe [2f.] oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. 1590, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde, samenstelling:

C 5`1/3 4

Mixtura [5f.] oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624, samenstelling:

C 22/3 2 11/3 1 2/3

Cimbel [3f.] oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. 1590, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde, samenstelling:

C 1/2 1/3 1/4

c 1/2 1/2 1/3

Groß-Posaun 32’ oorspronkelijk Friedrich Besser 1671–74, een keel van Besser bewaard gebleven, register opgesteld achter

de hoofdkas, reconstructie naar voorbeeld van Hans Christoph Fritzsche, Altenbruch 1649, mensuur in relatie

Posaune 16’

Posaune 16’ oorspronkelijk Gottfried Fritzsche 1633, naar voorbeeld Hans Christoph Fritzsche, Altenbruch 1649, voorbeeld

voor Posaune 32’ van Friedrich Besser

Dulcian 16’ naar voorbeeld Hans Christoph Fritzsche, Altenbruch 1649

Trommete 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. 1595, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde

Krumhorn 8’ oorspronkelijk Hans Scherer d.Ä. 1588–91/95, reconstructie naar voorbeeld Michael Prætorius, Syntagma

Musicum (1619)

Schallmey 4’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Cornet-Baß 2’ oorspronkelijk Hans Scherer d.J. 1605/06, reconstructie naar voorbeeld Tangermünde 1624

Werktuiglijke registers
schuifkoppelingen: HW-OW, OW-BrW,
Coppel Pedal (Ped-RP)
tremulant Brustwerk, Rückpositiv, voor het hele orgel
Ventil Brustwerk,Ventil Oberwerk,Ventil Hauptwerk,Ventil Pedal,
Ventil Rückpositiv
twee Zimbelstern (één met tonen c e g volgens opgave Busch
1743, één met Krallenglockchen zoals gebruikelijk in deze school)
Vogelgeschrei
Timpani
Calcant

toonhoogte: a¹=465 Hz
winddruk: 76 mm wk
stemming: Bach-Kellner

Speeltafel. Links boven zijn registerhevels van het Brustwerk zichtbaar
Foto: Erik Winkel / Flentrop Orgelbouw

3 7HET ORGEL 2014 | nummer 2


‘Sechs Choräle von

Over de interne samenhang van J.S. Bachs laatste collectie

Deel 3 (slot): De aan de orgelkoralen ten grondslag liggende teksten

‘... so schön, so neu, erfindungsreich...
daß sie nie veralten sondern alle Moderevolutionen

in der Musik überleben werden.’
(J.F. Köhler over de 'Schübler Choräle', Leipzig, na 1776)1)

Albert Clement In het derde en laatste deel van dit drieluik over Bachs ‘Schübler Choräle’ zullen de teksten die aan
BWV 649 – het nog niet besproken trio van de in totaal vier trio’s die deze verzameling telt – en de twee kwartetten
BWV 647 en 648 ten grondslag liggen, aan de orde worden gesteld.2) Vervolgens zal het theologische bouwplan dat
aan deze collectie ten grondslag ligt, worden bestudeerd. Naar ik hoop zal met dit drieluik duidelijk worden dat de
predikant Johann Friedrich Köhler (1756-1820), die zelf in Leipzig had gestudeerd, kort na 1776 ware woorden schreef
over deze collectie, die als geheel met recht ‘erfindungsreich’ mag worden genoemd.

De tekst van BWV 649 Vespera iam venit. Nobiscum, Christe, maneto,
De ontstaansgeschiedenis van het koraal ‘Ach bleib bei uns, Herr Jesu extingui lucem nec patiare tuam!4)
Christ’ is enigszins gecompliceerd. De versie met negen coupletten,
zoals deze in de twintigste eeuw in het Evangelisches Kirchengesang- Men vergelijke hierbij Lucas 24 vers 28-29: ‘Ze naderden het dorp
buch verscheen, was in hoofdzaak geschreven door Nicolaus Selnecker waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij verder wilde rei-
(1530-1592).3) De eerste twee strofen, welke beide worden geciteerd in zen. (29) Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen
het derde deel uit de cantate Bleib bei uns, denn es will Abend werden en zeiden: “Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten
(BWV 6), hebben echter hun eigen geschiedenis. Vers 1 is een Duitse einde.” Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen.’
vertaling van een vers, geschreven door Phillipp Melanchton in 1551,
dat naar het bekende verhaal van de twee leerlingen op weg naar Em- De Duitse versie verscheen in 1579 als aanhangsel bij het lied ‘Danket
maüs verwijst: dem Herrn heut und all Zeit’ van Nicolaus Herman.5) Het huidige twee-
de vers verscheen in 1602 in een verzameling gebeden en psalmen voor
1) Hans-Joachim Schulze, Dokumente zum Nachwirken Johann Sebastian Bachs de kinderen van een meisjesschool in Freiberg.6) De melodie is aanwezig
1750-1800 [= Bach-Dokumente III, hrsg. vom Bach-Archiv Leipzig unter Leitung
von Werner Neumann] (Leipzig 1972) 313 (nr. 820). 4) Ibid.
5) Herman overleed echter 18 jaar eerder, zodat zijn auteurschap van deze Duitse
2) De eerdere delen uit dit drieluik verschenen in Het Orgel 109/6 (2013) 28-35 en versie kan worden uitgesloten.
Het Orgel 110/1 (2014) 4-13. 6) Christliche Gebet und Psalmen, welche die Kinder in der Jungfrauschulen zu
3) Johannes Kulp, Die Lieder unserer Kirche [Handbuch zum evangelischen
Kirchengesangbuch, Sonderband], bearbeitet und hrsg. von Arno Büchner und
Siegfried Fornaçon] (Berlin 1958) 319.

3 8 HET ORGEL 2014 | nummer 2


DE MUZIEK

verschiedener Art’

e orgelkoralen (BWV 645-650) en de betekenis daarvan

(BWV 649, 647, 648) en het theologische bouwplan

in een vierstemmige zetting van Seth Calvisius uit 1594, maar lijkt al strofe zou hebben verwezen. Veeleer moet het zijn bedoeling zijn ge-
in 1589 te hebben bestaan.7) In gezangboeken uit Bachs tijd treft men weest, in zijn muzikale zetting aan beide strofen recht te doen. In Bachs
dit koraal doorgaans aan in de sectie voor Tweede Paasdag.8) De beide cantate luiden deze twee strofen als volgt:
in Bachs cantate geciteerde strofen vindt men soms ingevoegd tussen
strofen van andere liederen, in de cantate klinken ze evenwel op het Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ,
feest van Pasen. Weil es nun Abend worden ist,
Er bestaat in principe niet de geringste aanleiding om te veronderstellen Dein göttlich Wort, das helle Licht,
dat de desbetreffende ‘Schübler Choräle’ naar enige andere strofe dan Laß ja bei uns auslöschen nicht.
hun originele tekst zouden verwijzen, tenzij Bach zelf een uitdrukkelijke
aanwijzing in een andere richting geeft, zoals in het geval van BWV 650. In dieser letztn betrübten Zeit
In de muziekwetenschappelijke literatuur is steeds opnieuw beweerd Verlei uns, Herr, Beständigkeit,
dat de tekst van het origineel van BWV 649 de strofe ‘Ach bleib bei uns, Daß wir dein Wort und Sakrament
Herr Jesu Christ’ zou zijn.9) Dit is echter een simplificatie, aangezien in Rein bhalten bis an unser End.
de cantate ook de strofe ‘In dieser letztn betrübten Zeit’ moet worden
gezongen, en wel bij dezelfde toonzetting. Uiteraard wordt de cantus Het woord ‘Abend’ in strofe 1 moet niet exclusief in de zin van het
firmus in de orgelbewerking niet herhaald: dat zou onlogisch zijn omdat einde van de dag worden begrepen. Theologisch gezien is de betekenis
daarbij geen woorden worden gezongen. Het zou evenwel een vergis- ervan aanzienlijk ruimer: het begrip ‘avond’ refereert hier ook aan
sing zijn, simpelweg te concluderen dat Bach hier alleen naar de eerste de levensavond en aan het einde der tijden, de avond van de wereld
(de ‘Weltabend’).10) Zo bezien is het begin van de tweede strofe een
Freiberg zu beten und zu singen pflegen. Zie Kulp, op. cit., 319. bekrachtiging van deze betekenis. In de theologische literatuur uit Bachs
tijd werden deze twee strofen aantoonbaar in de hierboven beschreven
7) Dit werd in de literatuur over Bach reeds opgemerkt door Charles Sanford zin opgevat.11) Er is een overvloed aan voorbeelden die zouden kunnen
Terry, Bach’s Chorals, Part III: The Hymns and Hymn Melodies of the Organ Works
(Cambridge 1921) 85. 10) Zie hierover bijvoorbeeld Eduard Emil Koch, Geschichte des Kirchenlieds und
Kirchengesangs der christlichen, insbesondere der deutschen evangelischen Kirche
8) De epistellezing voor deze dag is Handelingen 10:34-43 (Petrus’ preek over (Stuttgart 1866-1876; reprint. Hildesheim / New York 1973) band VIII, 534.
Jezus); de Evangelielezing is Lukas 24:13-35 (over de twee discipelen op weg naar 11) Alfred Dürr schrijft strofe 2 ten onrechte toe aan Selnecker – wellicht omdat het
Emmaüs). lied onder diens naam in het Evangelisches Kirchengesangbuch verscheen. Zie Alfred
Dürr, Die Kantaten von Johann Sebastian Bach (München / Kassel etc. 51985) Bd.
9) Een voorbeeld is Werner Breig, ‘Orgelwerke’, Johann Sebastian Bach. Spätwerk I, 321.
und Umfeld. Programmbuch zum 61. Bachfest der Neuen Bachgesellschaft (Duisburg
1986) 145-156, hier 156. Een positieve uitzondering op deze vele auteurs, die later 3 9HET ORGEL 2014 | nummer 2
evenwel geen navolging in zijn nauwgezetheid kreeg, was Hans Luedke, ‘Seb. Bachs
Choralvorspiele’, Bach-Jahrbuch 15 (1918) 1-96, hier 69.


worden aangevoerd om dit duidelijk te maken. Ik volsta hier met het Eveneens in Bachs bezit was Erdmann Neumeisters Tisch des Herrn, In
aanreiken van enkele teksten uit Bachs eigen bibliotheek. LII Predigten ub̈ er I. Cor. XI. 23-32. Da zu zugleich in dem Eingange unter-
schiedliche Lieder erkläret worden (Hamburg 1722). De laatste van deze
Aan het eind van Heinrich Müllers al eerder in dit drieluik ter sprake verzameling preken over 1 Korintiërs 11:23-32 begint na een korte lof-
gebrachte werk met de titel Evangelisches PRAESERVATIV wider den prijzing met de woorden:
Schaden Josephs / in allen dreyen Ständen (Franckfurt und Rostock,
1681) volgen – in dezelfde band ingebonden – acht passiepreken met Noch weiter singet eine andächtige Seele von dem seeligen Nutzen des
het opschrift ‘Der leidende Christus / Nach den vier Evangelisten Erklä- Blutes JEsu Christi / allesamt durch dasselbige auch erlösete und geseg-
ret und vorgetragen’. We weten dat een substantieel gedeelte van de vrij nete Seelen, und beschliesset den schönen Psalm folgender massen:
gedichte poëzie uit Bachs Matthäus-Passion op deze passiepreken terug- Was schadet mir des Todes Gift?
gaat.12) De ‘achte und letzte Passions-Predigt’ heeft tot titel: ‘Am Abend Dein Blut das ist mein Leben.
aber / weil es der Rüst=Tag war / usque Und versigelten den Stein’.13) Wenn mich der Sonnen Hitze trifft/
Vrijwel direct aan het begin van zijn commentaar, waarin hij uitweidt So kans mir Schatten geben.
over Christus’ begrafenis, leest men het volgende: [...]
Wenn endlich ich soll treten ein
Mein Hertz / der Abend is da / wer weiß / wie bald GOtt der Welt werde In deines Reiches Freuden/
Feyrabend geben / und mit dem Jüngsten Tage einbrechen? vielleicht ist So soll diß Blut mein Purpur seyn.
dieser der letzte Tag. Ach! so lasse JEsum nicht / bitte ihn / daß er bey dir Ich will mich darein kleiden.
einkehre / und seine Ruhe nehme in deinem Hertzen / seufftze: [...]
Ach bleib bey uns HErr JEsu Christ Was schadet mir des Todes Gift?
Dieweil es Abend geworden ist/ Dein Blut das ist mein Leben.16)
Dein göttlich Wort das helle Licht
Laß ja bey uns außlöschen nicht/ Deze preek, aan het begin waarvan uitdrukkelijk op de betekenis van
In dieser letzten betrübten Zeit Christus’ bloed in een eschatologische context wordt gewezen (men ver-
Verleyh uns HErr Beständigkeit.14) gelijke hierbij de twee koralen die bovenaan BWV 646, het tweede van
Bachs ‘Schübler Choräle’, worden vermeld), eindigt met een koraalci-
Hier wordt dus uit het koraal geciteerd binnen een context waarin het taat, dat daarmee tegelijk de gehele collectie van Neumeisters 52 preken
einde van de wereld en het Laatste Oordeel centraal staan. In Müllers besluit:
Evangelisches PRAESERVATIV wordt het koraal vaak geciteerd. In zijn
preek voor zondag Sexagesimae spreekt Müller over het zich houden Es ist noch umb ein kleines dahin / da wir offenbar werden vor dem
aan het Woord van God. Nadat hij de eerste strofe van dit koraal heeft Richterstuhl CHristi. Alsdenn wollen wir die Entscheidung zwischen de-
geciteerd vervolgt Müller: nen / welche die wahre Religion geliebet / und denen / welche falscher
Lehre gefolget haben / erwarten. Ich bitte meinen GOtt / daß er mich
Wer biß ans Ende verharret / der soll selig werden / spricht der Heyland. und alle in der Wahrheit heiligen / und uns darinnen das Ende des Glau-
Das Ende bringt die Crone. Sey getreu biß in den Tod / so wil ich dir die bens / welches ist der Seelen Seelichkeit / geben wolle. Und das wird er
Crone des ewigen Lebens geben. Die geb uns Jesus! Amen.15) auch thun! Amen! Wer solche Hoffnung zu ihm hat / der spreche mit
mir in einem Geiste:
12) Dit is ontdekt en overtuigend aangetoond door Elke Axmacher, die hieraan in Ach bleib bey uns, HErr JEsu CHrist/
diverse publicaties aandacht heeft besteed. Zie o.a. Elke Axmacher, ‘Aus Liebe will Weil es nun Abend worden ist.
mein Heyland sterben’. Untersuchungen zum Wandel des Passionsverständnisses im Dein Göttlich Wort/ das ewige Licht/
frühen 18. Jahrhundert [Beiträge zur theologischen Bachforschung 2] (Neuhausen- Laß ja bey uns außleschen nicht.
Stuttgart 1984) met name 28-39; 99-115. Haar inzichten zijn in de Bachforschung In dieser letzten betrübten Zeit
door anderen overgenomen. Verleih uns allen Beständigkeit/
13) Müller, op. cit., 96. Daß wir dein Wort und Sacrament
14) Ibid., 98. Rein behalten biß an unser End!
15) Ibid., 373. Andere citaten uit dit koraal in Müllers Evangelisches Amen!17)
PRAESERVATIV vindt men – onder meer – op de pagina’s 533 (‘Am Sonntage
Quasimodogeniti’); 906 (strofe 1 en 2, ‘Am Achten Sonntage nach Trinitatis’), 923 Opnieuw worden hier in een boek uit Bachs eigen bibliotheek de twee
(opnieuw strofe 1 en 2, hier tot besluit van diezelfde preek), 1239 (wederom strofe strofen vermeld die Bach ook in zijn cantate liet zingen, en opnieuw ge-
1 en 2, ‘Am fünff und Zwantzigsten Sonntage nach Trinitatis’). beurt dit in een context waarin het Laatste Oordeel wordt genoemd.
Als laatste voorbeeld van een belangrijk auteur die in Bachs bibliotheek
4 0 HET ORGEL 2014 | nummer 2 vertegenwoordigd was, noem ik hier August Pfeiffer, wiens werk Der

16) Neumeister, op. cit., 1226-1227.

17) Ibid., 1248.


Wolbewährte evangelische Aug=Apfel (Leipzig 1685) in de vorige afle- De tekst van BWV 647
vering van dit drieluik ook al even ter sprake kwam. Ook in dat werk Het lied ‘Wer nur den lieben Gott läßt walten’ van Georg Neumark
worden strofe 1 en 2 samen meermalen geciteerd; zo gebeurt dit in een (1621-1681), bibliothecaris te Weimar, verscheen voor het eerst in 1657
preek over gebruiken in de kerk (von Kirchen=Bräuchen) volgend op in diens Fortgepflanzter Musicalisch=poetischer Luftwald. De titel luidt
deze wens: daar: ‘Trostlied, daß Gott einen jeglichen zu seiner Zeit versorgen und
erhalten will. Nach dem Spruch: ‘Wirf dein Anliegen auf den Herrn,
Gott lasse uns und unsere Kirche in dieser Christlichen Freyheit unge- der wird dich wohl versorgen. Ps 55, 23’’ (Troostlied, dat God een ie-
kränckt stehen biß an den Jüngsten Tag / biß daß wir gelangen zu der der op zijn tijd zal verzorgen en behouden. Naar de spreuk: ‘Werp uw
herrlichen Freyheit der Kinder Gottes.18) bekommernis op de Heer, Hij zal voor u zorgen. Ps 55:22’). Het koraal
verschijnt hier reeds met de melodie die eveneens afkomstig is van Neu-
Deze voorbeelden mogen volstaan ter verduidelijking van het feit dat mark en vermoedelijk in dezelfde tijd als de tekst tot stand is gekomen.
de twee door Bach geciteerde strofen in zijn directe omgeving vaak sa- Het koraal werd spoedig alom bekend en zeer geliefd.23)
men werden vermeld. Bachs cantate – en daarmee de orgeltranscriptie In gezangboeken uit Bachs tijd en omgeving verscheen dit troostlied in
– vormt in dit opzicht dus geen uitzondering. Er kan bovendien geen de volgende rubrieken: ‘Vom Christlichen Leben und Wandel’ (Eisenach
enkele twijfel bestaan over het feit dat deze strofen binnen de context 1673), ‘Von Creutz / Verfolgung und Anfechtung’ (Weimar 1713) en
van de ‘Schübler Choräle’ overeenkomstig de theologische literatuur ‘Von der göttlichen Regierung und Vorsorge’ (Schemelli). Het lied ge-
uit Bachs tijd in eschatologische zin moeten worden begrepen. Eens te tuigt van een groot vertrouwen op God. In dit geval weten we precies
meer dient het thema van tijd en eeuwigheid zich hier dus in Bachs col- bij welke liedstrofe Bach de muziek heeft gecomponeerd, want in het
lectie aan. Op grond van de tot nu toe bestudeerde koralen die aan de desbetreffende cantatedeel (BWV 93, deel 4) wordt het vierde vers van
driestemmige composities ten grondslag liggen, ontstaat meer en meer het koraal gezongen:
de gedachte dat Bach tot doel had hier een muzikaal testament, een per-
soonlijk getuigenis van de ars moriendi, tot stand te brengen. Er kennt die rechten Freudenstunden,
We zullen nu nagaan of de twee vierstemmige composities uit de col- Er weiß wohl, wenn es nützlich sei;
lectie deze gedachte ondersteunen. Wenn er uns nur treu hat erfunden
Und merket keine Heuchelei,
DE AAN BWV 647 EN 648 So kömmt Gott, eh wir uns versehn,
TEN GRONDSLAG LIGGENDE KORALEN Und lässet uns viel Guts geschehn.

Ook de aan BWV 647 en 648 ten grondslag liggende liederen zijn in de De eindigheid van het aardse leven vormt hier het centrale thema. Het
wetenschappelijke literatuur op verschillende manieren geïnterpreteerd. uur van de dood is bij uitstek het uur waarin God komt ‘eh wir uns ver-
Zo beschrijft Hans Luedtke ‘Wer nur den lieben Gott läßt walten’ als een sehen’. Het affect van de door Bach gebruikte figura corta, hier hoor-
‘Trostlied’ en noemt hij ‘Meine Seel’ erhebt den Herren’ op grond van baar in het ritme ‘lang-kort-kort’ en ooit door Albert Schweitzer al zeer
het kerkelijk gebruik daarvan een ‘Danklied nach der Vesper’;19) Ran- juist herkend als een uiting van vreugde en Godsvertrouwen in Bachs
dolph N. Currie spreekt in dit verband over ‘Confidence’ en ‘Earning’.20) werk, geeft hier treffend uitdrukking aan het woord ‘Freudenstunden’.
De opvattingen van Martin Taesler en Mark Bighley bracht ik al eerder Volgens het geloof van Bach moet het uur van de dood daadwerkelijk
ter sprake.21) Op grond van de rubricering in de gezangboeken kwam als een vreugdevol moment worden gezien: het is immers het uur waarin
Löhlein tot de conclusie dat het hier respectievelijk een ‘Vertrauenslied’ de gelovige ziel God ontmoet.24) Dat het uur van de dood zo werd be-
en het Duitse Magnificat, bedoeld voor het ‘Marienfest’, zou betreffen.22) schouwd, wordt, om slechts één voorbeeld te geven, heel duidelijk uit
Via grondiger onderzoek blijkt het evenwel mogelijk, aan te tonen dat al Bachs cantate Komm, du süße Todesstunde BWV 161. In dit werk wordt
deze kwalificaties de bedoelingen van Bach met deze koralen binnen zijn het in het tweede deel (recitatief) aldus verwoord:
collectie onvoldoende duidelijk maken.
[...] Drum seufz ich recht von Herzensgründe
18) August Pfeiffer, Der wolbewährte Evangelische Aug=Apfel / Oder schrifftmässige Nur nach der letzen Todesstunde!
Erklärung aller Articul der Augspurgischen CONFESSION (Leipzig 1685) 877. Ich habe Lust, bei Christo bald zu weiden
19) Hans Luedtke, ‘Seb. Bachs Choralvorspiele’, Bach-Jahrbuch 15 (1918) 1-96, Ich habe Lust, von dieser Welt abzuscheiden.25)
hier 67.
20) Randolph N. Currie, ‘Cyclic Unity in Bach’s Sechs Chorale: A new Look at the 23) Vgl. Kulp, op. cit., 467 en Koch, op. cit., 384ff.
«Schüblers»’, Bach – The Quarterly Journal of the Riemenschneider Bach Institute
IV/1 (1973) 26-38 [I]; IV/2 (1973) 25-39 [II], hier II, 31. 24) Het is zeer interessant om te zien hoe dit thema in de cantatetekst theologisch
21) Zie Het Orgel 109/6 (2013) 34, voetnoot 36. wordt uitgewerkt: uit het woord ‘Kreuz’, zoals vermeld in het koraal van
22) Heinz-Harald Löhlein, Johann Sebastian Bach. Neue Ausgabe sämtlicher Werke Neumark, wordt in het cantatedeel, dat aan het citeren van strofe 4 voorafgaat,
Serie IV, Band 1. Orgelbüchlein, Sechs Choräle von verschiedener Art (Schübler het woord ‘Kreuzesstunde’ ontwikkeld, dat aldus tegenover de ‘Freudenstunden’
Choräle), Orgelpartiten. Kritischer Bericht (Kassel etc. 1987) 162. wordt gesteld: wie zijn vertrouwen op Christus stelt zal door God niet in de steek
worden gelaten.

25) Het aantal overige voorbeelden dat in vergelijkbare bewoordingen het
laatste uur bezingt, zowel in de theologische literatuur die Bach bezat als in zijn
eigen oeuvre, is nauwelijks te overzien. Men denke hierbij zowel aan bestaande
koraalteksten (zoals ‘Mit Fried und Freud ich fahr dahin’) als aan nieuw gedichte

4 1HET ORGEL 2014 | nummer 2


In de Weimarer versie klinkt in het eerste deel van deze zelfde cantate Muziekvoorbeeld 1 - Johann Seb. Bach, Cantate ‘Komm, du süße Todesstunde’ (BWV
BWV 161 een instrumentaal koraalcitaat, waarin de wetende luiste- 161), Arie (mit Choral), maat 23-28. Bezetting: alt, twee altblokfluiten, orgel en continuo.
raar uit Bachs tijd de woorden ‘Herzlich tut mich verlangen’ zal hebben In maat 23 wordt de melodie ‘Herzlich tut mich verlangen’ ingezet, gespeeld op orgel met
meegedacht, die bij een latere uitvoering van de cantate in Leipzig door een Sesquialtra.
een sopraan werden gezongen (zie muziekvoorbeeld 1). Bach interpre-
teert de ‘süße Todesstunde’, het zoete uur van de dood, dus onbetwist- kunnen komen dat de twee vierstemmige composities uit de verzame-
baar christologisch: in dit uur van de dood komt Christus; hier vindt de ling BWV 645-650 de enige twee waren die zich voor een dergelijke
ontmoeting met de Heiland plaats. transcriptie leenden.30) Maar zelfs indien dit allemaal juist zou zijn – wat
Binnen de context van de ‘Schübler Choräle’ was het zonder twijfel overigens nog zeer de vraag is, zie onder – zou men met deze verkla-
de gedachte aan deze ontmoeting met Christus die Bach in het hoofd ring, waarbij aan een aantal belangrijke feiten voorbij wordt gegaan,
moet hebben gehad toen hij de regel ‘So kommt Gott, eh wir uns ver- aan Bachs bedoelingen onrecht doen. Deze feiten, die hieronder op een
sehen’ las. Hierbij dient ter wille van een complete beeldvorming nog rijtje zullen worden gezet, leiden namelijk tot de conclusie dat een Mag-
te worden opgemerkt dat het koraal van Neumark aantoonbaar re- nificat- zetting hier juist zeer op zijn plaats is.
gelmatig bij begrafenissen werd gezongen.26) Indien men zich bewust In de eerste plaats dient men zich bewust te zijn van het verband tussen
is van de als vreugdevol te beschouwen tekst die aan dit derde van het Magnificat germanicae en de vespers. De Lofzang van Maria werd
de ‘Schübler Choräle’ ten grondslag ligt, moge overigens duidelijk in de liturgie en (dus ook in) de gezangboeken uit Bachs tijd stellig met
zijn dat deze compositie een (aanzienlijk) hoger tempo vergt dan dat ‘Mariae Heimsuchung’ ofwel Maria Visitatie (in Bachs tijd gevierd op 2
waarin men het in onze tijd vaak uitgevoerd hoort. juli) in verband gebracht. Al sinds Benedictus (480?-547) echter is deze
hymne bovendien een vast onderdeel geweest van de Westerse vesper-
De tekst van BWV 648 liturgie. Volgens een aantekening met betrekking tot de vesperdiensten
Tot slot van deze bespreking van de aan de composities ten grond- te Leipzig van Thomas-koster Christoph Ernst Sicul werd na de preek
slag liggende koralen dienen enkele woorden te worden gewijd aan ‘das Magnificat an gemeinen Sonntagen Teutsch gesungen / an hohen
de tekst waarop het tweede vierstemmige werk uit de verzameling is festen aber Lateinisch musiciret’.31) Zoals aan het begin van dit artikel
gebaseerd. Het betreft, zoals in de literatuur al werd opgemerkt (zie al werd aangetoond, is ook de compositie die in Bachs verzameling op
boven) het Duitse Magnificat (Lucas 1:46-55), vertaald door Maarten BWV 648 volgt, BWV 649, in sterke mate met de avond verbonden.
Luther. De Duitse versie werd gezongen op een gregoriaanse melo- Daarbij werd ook opgemerkt dat de term ‘avond’ theologisch gezien
die: de zogeheten tonus peregrinus (een term die voor het eerst wordt een veel sterkere lading en ruimere betekenis heeft dan slechts die van
aangetroffen in veertiende-eeuwse traktaten van Duitse theoretici),27)
ook bekend als de negende psalmtoon.28) Deze psalmtoon werd de 30) Löhlein, Kritischer Bericht IV/1, 164.
melodie van het Magnificat uit de Duitse reformatie, het Magnificat
germanicae, inclusief vroeg-achttiende-eeuwse orgelzettingen.29) 31) Günther Stiller, Johann Sebastian Bach und das Leipziger gottesdienstliche
In eerste instantie zal het wellicht niet aan iedereen zo snel duidelijk zijn Leben seiner Zeit (Kassel etc. 1970) 81.
wat een Magnificat-zetting in een collectie doet die overigens zozeer
door eschatologische gedachten wordt gedomineerd. Het eenvoudigst
zou deze vraag wellicht met de verklaring zijn beantwoord dat Bach
voor het transcriberen weinig keus zal hebben gehad in het kiezen van
muzikaal geschikt materiaal, of met de verklaring dat een eerdere com-
positie met een geschikte tekst eenvoudigweg ontbrak. Afgaand op een
door Löhlein aangereikt overzicht zou men inderdaad tot de conclusie

teksten voor recitatieven en aria’s (zoals het begin van de cantate Erfreute Zeit im
neuen Bunde BWV 83: Erfreute Zeit im neuen Bunde, / Da unser Glaube Jesum
hält. / Wie freudig wird zur letzten Stunde / Die Ruhestatt, das Grab bestellt!).

26) Dit werd bijvoorbeeld reeds gewenst door Friedrich Wilhelm I van Pruissen
(1620-1688). Vgl. Koch, op. cit., 387. Het is in dit verband opmerkelijk dat juist
en vooral deze strofe later ook op andere melodieën werd gezongen, en wel van
koralen die een duidelijke associatie met tijd en eeuwigheid hebben zoals ‘Wer
weiß, wer nähe mir mein Ende’ (Freylinghausen 1714) en ‘Mein Jesu lebt, was soll
ich sterben’ (Augsburg 1749).

27) Zie David Hiley, Western Plainchant. A Handbook (Oxford 1993) 62. Wijlen
mijn vriend en collega Kees Vellekoop maakte mij destijds op deze publicatie
attent.

28) In Paul-Gehrhard Nohls Lateinische Kirchenmusiktexte. Geschichte –
Übersetzung – Kommentar (Kassel etc. 1996) 136, wordt abusievelijk vermeld dat
de achtste psalmtoon zou zijn gebruikt in al Bachs Magnificat-composities.

29) Vgl. Arnfried Edler, Gattungen der Musik für Tasteninstrumente I: Von den
Anfängen bis 1750 [Handbuch der musikalischen Gattungen 7,1] ed. Siegfried
Mauser (Laaber 1997) 134-141.

4 2 HET ORGEL 2014 | nummer 2


243 voor de hand. Opmerkelijk genoeg wordt de cantus firmus in deze
twaalf delen tellende compositie slechts éénmaal ten gehore gebracht.
Precies zoals in het libretto van cantate BWV 10 gebeurt dit bij de reeds
genoemde passage in de (nu Latijnse) tekst en in een hoge ligging; net
zoals in BWV 648 betreft het een instrumentaal cantus firmus-citaat.
Zoals blijkt geeft Bach dus consequent uitdrukking aan Gods herinne-
ren van zijn barmhartigheid door het gebruik van de oudbekende tonus
peregrinus. Dit wordt eens te meer inzichtelijk als duidelijk wordt dat de
twee zettingen – BWV 243,10 (het ‘Suscepit Israel’ uit het Magnificat)
en BWV 10,5 / BWV 648 op exact dezelfde plaats een duidelijk muzi-
kale gelijkenis vertonen, namelijk bij het sleutelwoord recordatus, dat op
het zich herinneren betrekking heeft (zie muziekvoorbeeld 2).32)
De neerwaartse, deels chromatisch verlopende baslijn, die een octaaf
omvat en bij de zetting van zowel de Latijnse als de Duitse tekst ver-
schijnt, lijkt gestalte te geven aan de relatie van de genadige God tot de
gelovige mens. Het behoeft geen nader betoog dat deze gelovige bij uit-
stek in het uur van de dood op deze genade zal hopen. In dit verband zij
erop gewezen dat de negende psalmtoon later door andere componis-
ten vaker in een dergelijke context is gebruikt; het Requiem van Mozart
is daarvan een bekend voorbeeld.33)

Portret van Johann Sebastian Bach door Elias Gottlob Haussmann, 1748. 32) Dit werd bij mijn weten in de Bachforschung voor het eerst opgemerkt en
zeer treffend verwoord door Ulrich Meyer, ‘Über J. S. Bachs Orgelchoralkunst’,
de avond van de dag. Naast de liturgische connectie met de ‘avond’ als Theologische Bach-Studien I [Beiträge zur theologischen Bachforschung 1]
onderdeel van de vesperliturgie is het Magnificat bijbels verbonden met (Neuhausen-Stuttgart 1987) 7-46, hier 36-37.
de komst van Christus – het Lucas-evangelie verhaalt immers van de 33) De melodie wordt hier direct aan het begin gebruikt bij de woorden ‘Te decet
zwangere Maria die haar eveneens zwangere nicht Elisabeth bezoekt hymnus, Deus, in Sion, et tibi reddetur votum in Jerusalem’ (Introïtus). Andere
– zodat de tekst van het Magnificat voor Bach zelfs in dubbele zin ui- voorbeelden uit het werk van Mozart zijn diens Maurerische Trauermusik (KV
termate geschikt moet zijn geweest om op te nemen in een verzameling 477), geschreven ter gelegenheid van het overlijden van hertog August von
waarin eschatologie en de ontmoeting tussen Jezus en de gelovige ziel Mecklenburg-Strelitz en graaf Franz Esterházy von Galanta in 1785, en zijn
centraal stonden.
In de tweede plaats dient men de specifieke tekstwoorden de aandacht Muziekvoorbeeld 2
te geven die hun toekomt. In het geval van BWV 648 weten we heel Johann Seb. Bach, ‘Magnificat’ (BWV 243), Terzetto ‘Suscepit Israel’, maat 19-28
precies bij welke strofe Bach de muziek in zijn cantate, Meine Seel erhebt
den Herren BWV 10, heeft gecomponeerd. Het betreft strofe 8, waar- 4 3HET ORGEL 2014 | nummer 2
van de tekst als volgt luidt:

Er denket der Barmherzigkeit
Und hilft seinem Diener Israel auf.

Deze woorden geven uitdrukking aan het vertrouwen dat God barm-
hartig is en zijn dienaar helpt. Men kan hierin een verband zien met het
voorafgaande werk uit Bachs verzameling, BWV 647, dat eveneens ge-
tuigt van vertrouwen in God:

So kömmt Gott, eh wir uns versehn,
Und lasset uns viel Guts geschehn.

In de derde plaats ligt hier een vergelijking met Bachs Magnificat BWV


Tot slot dient te worden herinnerd aan het feit dat er in BWV 648 – net en aarde (‘Kommst du nun Jesu’, vers 1 en 5).
als in BWV 647 – een duet aanwezig is. Dit bevindt zich in de bege- De stukken die deze raamcomposities in de verzameling flankeren, zijn
leidende stemmen die op het andere manuaal worden gespeeld (in de gebaseerd op koralen die in Bachs tijd aantoonbaar eschatologisch wer-
cantate zijn ze van een tekst voorzien en wordt de cantus firmus instru- den begrepen en vaak werden geciteerd wanneer er van sterven, van de
mentaal voorgedragen). We weten dat Bach de duetvorm in zijn canta- levensavond, sprake was.
tes en elders graag toepaste om de liefdevolle relatie tussen Christus, de De twee zich in het centrum van de verzameling bevindende, vierstem-
bruidegom, en de gelovige ziel, de bruid, tot uitdrukking te brengen.34) mige composities zijn beide met teksten verbonden die binnen de hui-
Het lijkt dan ook zeer wel mogelijk dat de gedachte dat, om met Erd- dige context niet anders dan als in eschatologische zin kunnen worden
mann Neumeister te spreken,35) ‘die Seele mit ihrem Heylande im Him- opgevat. Bovendien zijn BWV 646 en 647 gebaseerd op troostliederen,
mel ewig vereiniget wird’, Bach er mede toe heeft gebracht om deze terwijl de aan BWV 648 en 649 ten grondslag liggende strofen met de
twee composities in zijn verzameling BWV 645-650 op te nemen. term ‘Abend’ verbonden zijn en tekstuele overeenkomsten laten zien
([ge]denken – bleiben; aufhelfen – Beständigkeit verleihen).
HET THEOLOGISCH KADER Het muzikale bouwplan – vergelijk hierbij het diagram in Het Orgel
EN BACHS BEDOELING MET DE VERZAMELING 109/6 (2013) 30 – sluit naadloos op deze indeling van teksten aan en is
klaarblijkelijk op het theologisch concept van de teksten gebaseerd (zie
Het bouwplan kader onderaan deze pagina).
Uit het bestuderen van de aan de ‘Schübler Choräle’ ten grondslag lig-
gende teksten is aan het licht gekomen dat er van een duidelijke on- Bij het concipiëren van het bouwplan van deze verzameling had Bach
derlinge samenhang en een weldoordachte onderverdeling binnen kennelijk de eschatologie als een centraal thema op het oog, waardoor
Bachs verzameling sprake is. De twee koralen ‘Wachet auf, ruft uns hij voor een duidelijke afbakening zorgde. Vanuit muzikaal perspectief
die Stimme’ en ‘Kommst du nun Jesu vom Himmel herunter auf Erden’ was de keus echter wel wat minder beperkt dan sommigen die over
gaan beide over de komst van Christus; het advenire Christi is dus een BWV 645-650 schreven ons willen doen geloven,36) wat eens te meer
gemeenschappelijk tekstelement. Met de twee composities die het raam voor een doelbewuste selectie door Bach pleit.37)
van de verzameling vormen, wijst Bach op het ingaan in de eeuwigheid Inherent aan dit bouwplan zijn nog enkele zaken die weliswaar spe-
en de vereniging met Christus: de eenwording van Jezus en de gelovige culatief mogen lijken, maar desalniettemin aan de lezer niet dienen
ziel, van de bruidegom en de bruid (‘Wachet auf’) maar ook van hemel te worden onthouden. Uit het in Het Orgel 109/6 (2013) 30 gegeven
overzicht bleek al, dat de twee raamcomposities BWV 645 en 650 de
oratorium Betulia liberata (KV 118) uit 1771, gebaseerd op het apocriefe boek
Judith, waar de tonus peregrinus aan het eind in het groots opgezette koor bij de 36) Löhlein, KB, 163-164, kwam tot de conclusie dat slechts zes andere cantate-
woorden ‘Lodi al gran Dio’ inzet. In zijn Requiem in Bes gebruikt Michael Haydn delen voor een dergelijke transcriptie in aanmerking zouden komen: vier
de tonus peregrinus bij dezelfde woorden als Mozart in diens Requiem. Later deed koraaltrio’s en twee aria’s (waarvan de ene met een vocale en de andere met
Friedrich Kiel hetzelfde in zijn Requiem in As (1881), evenals een aantal andere een instrumentale cantus firmus). In chronologische volgorde betreft dat: BWV
componisten. Er ligt hier een verband met de psalm In exitu Israel de Aegypto uit 12.6, 199.6, 166.3, 113.2, 180.3 en 159.2. Te denken zou echter ook zijn aan
de vroegkerkelijke vesperliturgie, waarop ik binnen dit kader evenwel niet nader bijvoorbeeld BWV 4.3, 22.5, 36.2, 75.7, 86.3 (een kwartet!), 95.2b, 143.2 en
zal ingaan. 147.10.

34) Vgl. Albert Clement, Der dritte Teil der Clavierübung. Musik – Text – Theologie 37) Ook Peter Williams gaat in de second edition van zijn studie The organ
(Middelburg 1999) 293 e.v., met name 319-320. Music of J.S. Bach (Cambridge 2003) 322-323, op dit vraagstuk in en komt tot
de m.i. terechte conclusie dat een eventueel beperkte hoeveelheid beschikbare
35) Erdmann Neumeister, Tisch des HErrn [...] (Hamburg 1722), tweede preek, 27. cantatedelen niet kan bewijzen dat Bach dan ‘geen keus’ zou hebben gehad.

Overzicht van de koraalteksten in rubrieken en literatuur uit Bachs tijd

Liedincipit Rubrieken in gezangboeken uit Bachs omgeving Theologische geschriften

Wachet auf Gerichtslieder / Vom jüngsten Tage / Advent
Von Christi Zukunft zum Gericht Ontmoeting met Christus
Dood / laatste oordeel
Wo soll ich fliehen hin Glaubenslied aus dem Blut Christi
Troost / vertrouwen
Auf meinem lieben Gott Begräbnislieder / Vom Sterben und Begräbniß Dood / laatste oordeel
Wer nur den lieben Gott Von der göttlichen Regierung und Vorsorge idem

Meine Seel’ erhebt Maria Heimsuchung Troost / vertrouwen
Dood / laatste oordeel
Ach bleib bei uns Lob und Danklieder
Vesper
Kommst du nun, Jesu Von der Geburt Christi Dood / laatste oordeel

Avond
Dood / laatste oordeel

Kerstmis
Ontmoeting met Christus
Dood / laatste oordeel

4 4 HET ORGEL 2014 | nummer 2


meeste maten (74, resp. 66) van de zes werken uit de verzameling tel- Frage nach dem Bewußtwerden des eigenen Älterwerdens, des Wech-
len. Een nadere blik op de oorspronkelijke druk maakt duidelijk, dat het sels der Generationen, der Begrenztheit des eigenen Daseins und damit
aantal genoteerde maten in beide gevallen exact hetzelfde is: 54, wat des Schicksals der eigenen Kunstleistung’ (De gedachte aan een erfenis-
hun raamfunctie eens te meer onderstreept.38) Daarnaast is het opmer- werk impliceert de vraag naar het bewust worden van het eigen ouder
kelijk dat er in de druk 14 met muziek bedrukte bladzijdes aanwezig zijn worden, de afwisseling der generaties, het beperkte karakter van het
terwijl er op die 14 bladzijdes 41 systemen met muziek genoteerd zijn. eigen bestaan ​en daarmee het lot van de eigen artistieke prestatie).43)
Zoals bekend associeerde Bach deze getallen met zijn eigen naam: 41 is Als 60-plusser, lijdend aan problemen met zijn gezichtsvermogen en
de som van 9+18+14 = J. S. Bach.39) Zou hier sprake zijn van een vin- met twee mislukte operaties achter de rug, zal het Bach zeker niet zijn
gerwijzing van de componist die zijn muzikale testament tekende? En ontgaan hoe groot het aantal mensen uit zijn directe omgeving was dat
zou ook het aantal woorden op de titelpagina: 65 (zie pagina 31 in het omstreeks het door hem bereikte ‘große Stufenjahr’ 1747 (Schulze) in-
eerste deel uit dit drieluik), terwijl Bach in maart 1750 die leeftijd had middels was overleden (zie appendix op blz. 46/47).44)
bereikt, een indicatie zijn?40) We kunnen het niet uitsluiten. Hoewel een aantal vragen met betrekking tot Bachs laatste levensjaren
Ik suggereerde eerder in deze bijdrage dat Bach met deze verzameling voorlopig nog open moet blijven (daaronder de vraag of de h-Moll-
een muzikaal testament, een muzikaal getuigenis van de ars moriendi, Messe werkelijk ‘das letze von J.S. Bach fertiggestellte Werk’ is,
tot doel had. De hierboven aangereikte waarnemingen ondersteunen zoals Schulze meent), is Schulzes theorie met betrekking tot een
deze gedachte. Zowel de in deze context eschatologisch op te vatten ‘Vermächtniswerk’ aansprekend. Deze theorie wordt mijns inziens
koraalteksten als de weloverwogen ordening daarvan in de verzameling ondersteund door de onlangs ontdekte brief uit 1751 van Bachs
en het daarop gebaseerde muzikale bouwplan wijzen in deze richting. oud-leerling Gottfried Benjamin Fleckeisen (zie excurs op blz. 47).
Daarnaast dient Löhleins mening in herinnering te worden geroepen, Bovendien wint deze theorie aanzienlijk in overtuigingskracht wanneer
dat biografische omstandigheden bij de samenstelling van deze collectie deze op de verzameling ‘Schübler Choräle’ wordt toegepast. Ook dit
een rol zouden kunnen hebben gespeeld.41) Precies dit is namelijk mijns werk bestaat in hoofdzaak uit geparodieerd materiaal (een samenhang
inziens hier het geval, waarbij zelfs meer elementen in aanmerking moe- tussen dit fenomeen en het afnemen van Bachs krachten aan het eind
ten worden genomen dan degene waarvan Löhlein zich bewust was. van zijn leven lijkt mede denkbaar).
Wanneer Schulze stelt dat Bach, zoals hierboven al werd vermeld, ‘das
Biografische omstandigheden Beste aus insgesamt 35 Jahren [...] dem neuen Zweck anpaßt’,45) lijkt het
Bij een blik op het moment dat de ‘Schübler Choräle’ in Bachs laatste le- betekenisvol dat ook de originelen van de ‘Schübler Choräle’ zorgvul-
vensjaren tot stand kwamen, moet om te beginnen de publicatiedatum dig aan dit nieuwe doel werden aangepast, waarbij echter bovendien
daarvan naar mijn mening – en zoals eerder uiteengezet – later worden moet worden vastgesteld dat zij daarbij een sterk eschatologisch stem-
vermoed dan Löhlein suggereerde. pel kregen. Bijzonder opvallend is in dat kader ook de nieuwe titel bij
Voorts zou ik aandacht willen vragen voor enkele opmerkingen die BWV 650, die tevens een parallel kent in een ander laat werk voor orgel
Hans-Joachim Schulze in 1986 maakte tijdens het wetenschappelijk dat op eerder materiaal gebaseerd was: Vor deinen Thron tret ich (BWV
symposium van het 61ste Bachfest der Neuen Bachgesellschaft. In het 668), de sterk uitgebreide bewerking van het decennia eerder gecom-
daaruit volgend artikel stelt hij vast: ‘Unter allen Umständen vollendet poneerde orgelkoraal Wenn wir in höchsten Nöten sein (BWV 641).46)
werden mußte das vokale opus summum, die h-Moll-Messe – das letze
von J.S. Bach fertiggestellte Werk’ (Onder alle omstandigheden moest Uit al deze overwegingen volgt dat we met de Sechs Choräle von
het vocale opus summum, de Mis in b, voltooid worden – het laatste verschiedener Art naar alle waarschijnlijkheid te maken hebben met
door Bach gecompleteerde werk).42) Schulze wijst erop dat – in tegen- een persoonlijk stuk ars moriendi, de voorbereiding op het sterven, van
stelling tot de kritiek dat er in dit werk van te veel parodieonderdelen Johann Sebastian Bach. Dat hij aan het einde van zijn leven delen uit
sprake zou zijn, te veel ‘tweedehands’-muziek dus – Bach met zijn keuze cantates voor het orgel bewerkte, is veelzeggend.
van originelen voor zover bekend en na te gaan het beste van in totaal Het is een indrukwekkend getuigenis van Bachs terugkeer, na jaren van
35 jaar werk samenbrengt en zorgvuldig aan het nieuwe doel aanpast. verplichtingen als Thomascantor, tot het instrument dat voor hem zo
Schulze vervolgt: ‘Der Gedanke an ein Vermächtniswerk impliziert die belangrijk was geweest tot aan zijn tijd in Köthen en dat als zijn absolute
favoriet onder alle muziekinstrumenten moet worden beschouwd.
38) Het aantal genoteerde maten van de overige composities is achtereenvolgens
33- 34 -35 -46. In totaal zijn er dus 256 (28) genoteerde maten in de originele 43) Ibid., 25.
druk.
44) Ibid., 25-26. Het bij dit artikel toegevoegde overzicht is in allereerste aanleg
39) Voorzichtigheid is echter geboden: sommigen verliezen zich hier als het om gebaseerd op door Schulze genoemde namen, die door mij evenwel in zeer
Bach en getallen gaat in oeverloze speculaties en onzinnige veronderstellingen. aanzienlijke mate met andere zijn aangevuld. Schulze (p. 24) spreekt nog van een
Dat Bach in zowel getallen als de toepassing daarvan in muzikale structuren ‘Augenkrankheit’ in plaats van diabetes, zoals later door Kranemann (zie deel I
geïnteresseerd was, is echter een feit. Een fundamentele studie op dit gebied blijft van dit drieluik) aannemelijk is gemaakt.
de ongepubliceerde dissertatie van Thijs Kramer, Zahlenfiguren im Werk Johann
Sebastian Bachs (proefschrift Utrecht 2000). 45) Ibid., 24.

40) Het aantal woorden op de titelpagina van het derde deel van Bachs Clavierü- 46) Zie hierover uitgebreid de dissertatie van Anne Leahy, J. S. Bach’s ‘Leipzig’
bung, verschenen in september 1739, bedraagt 53. Bach was toen 53 jaar. Chorale Preludes: Music – Text – Theology (Lanham, Maryland 2011).

41) Löhlein, KB IV/1, 160; vgl. Het Orgel 109 (2013) 6, 34, voetnoot 36. 4 5HET ORGEL 2014 | nummer 2

42) Hans-Joachmim Schulze, ‘Wer der alte Bach geweßen weiß ich wol’, Johann
Sebastian Bachs Spätwerk und dessen Umfeld (Kassel etc. 1988) 23-31, hier 24.


APPENDIX
Overzicht van mensen uit Bachs omgeving die in de laatste jaren van zijn leven overleden

1745 1747
Januari: Susanna Elisabeth Bose - Dochter van de familie Bose (Bachs April: Juliana Romanus - De echtgenote (geboren als Juliana Jacob) van
vriend Georg Heinrich Bose was een invloedrijk koopman te Leipzig), voornoemde Carl Friedrich Romanus; zij was bovendien peetmoeder
woonachtig aan het Thomaskirchhof te Leipzig, en (net als haar zuster van Elisabeth Juliana Friderica (‘Lieschen’) Bach, die op 5 april 1726 in de
Anna Regina) peetmoeder van Bachs dochter Regina Susanna, die in Thomaskirche werd gedoopt en later zou huwen met haar vaders leerling
1742 te Leipzig was gedoopt. Johann Christoph Altnikol.
Februari: Gottlieb Gaulitz - Theoloog en predikant van de Thomas- Mei: Johann Caspar Gleditzsch - Stadsmusicus te Leipzig die in een brief
kirche met wie Bach in 1728 strijd voerde over al dan niet tijdens de uit 1745 nog naar Bach als zijn getuige verwees in een oordeel over een
kerkdienst te zingen liederen. ‘KunstGeiger’.
Maart : Johanna Dorothea Bach - Schoonzus van Bach en weduwe September: Johann Gotthilf Ziegler - De bekendste telg uit een familie
van zijn oudste broer Johann Christoph, bij wie Bach in 1695 zo welkom van musici te Sachsen; hij had in Weimar bij Bach gestudeerd en werd later
was geweest te Ohrdruf na de dood van hun ouders; daarnaast onder organist en director musices van de Ulrichskirche te Halle. Ook hij sol-
meer peetmoeder van Bachs dochter Catharina Dorothea, die in 1708 te liciteerde in 1746 naar de post aan de Liebfrauenkirche, die evenwel naar
Weimar was gedoopt (en in 1744 ongehuwd te Leipzig overleed). Wilhelm Friedemann Bach ging (zie boven).
Juni: Sophia Carolina Bose - Een andere dochter van Bachs vriend 1748
Georg Heinrich Bose en peetmoeder van Bachs dochter Johanna Januari: Christoph Schmied - In 1723 genoemd als Bachs collega in zijn
Carolina, gedoopt in de Thomaskirche in 1737. hoedanigheid van lid (quartus) van het college van docenten (praeceptores)
Augustus: Gottlieb von Nostritz - Hofmaarschalk en Geheimrat aan aan de Thomasschule te Leipzig, bestaande uit rector, conrector, cantor en
het hof van Köthen; zijn echtgenote Juliana Magdalene was peetmoeder vijf anderen.
geweest van Bachs zoon Leopold Augustus, die op 17 november 1718 te Hertog Ernst August von Sachsen-Weimar - Over hem schreef Carl
Köthen was gedoopt maar al in 1719 was overleden. Philipp Emanuel Bach later aan Forkel dat deze, net als hertog Leopold in
Johann Sebastian Weyrauch - Zoon van de luitist Johann Christian Köthen en hertog Christian te Weißenfels, zijn vader hoog had geacht en
Weyrauch. Bach en de gerenommeerde instrumentenbouwer Johann dienovereenkomstig had beloond.
Christian Hoffmann (zie onder) waren peetvader geweest van deze op 18 Maart: Johann Gottfried Walther - Bachs ‘Vetter und Gevatter’, neef en
april 1743 in de Thomaskirche gedoopte jongen, die op 27 augustus 1745 goede vriend; beide mannen waardeerden elkaar zeer.
op tweejarige leeftijd overleed. April: Maximilian Nagel - Overleden in Ansbach, ooit prefect en een van
Oktober: Heinrich Klausing - Hoogleraar in zowel de wiskunde als de de begaafdste musici onder de Thomaner en in het collegium musicum te
theologie, universiteitsrector te Wittenberg en zoon van een bekend Leipzig.
orgelbouwer uit Herford. In 1745 (en in diverse eerdere jaren) fungeerde Juli: Johann Andreas Krebs - Bachs zwager te Weißenfels, werkzaam als
hij ook als rector van de universiteit te Leipzig, de stad waarin hij werd hoftrompettist te Weißenfels, later in Zerbst en gehuwd met Anna Magda-
begraven. lena’s zuster Johanna Christina.
Carl Friedrich Romanus - Bestuurder (‘Ratsherr’) en stadsrechter die in Augustus: Johann Abraham Birnbaum - Bachs vriend die hem in 1738 en
1723 tijdens een zitting van de ‘Drei Räte’ te Leipzig met betrekking tot 1739 in woord en geschrift had verdedigd tegen schriftelijke aanvallen van
de keuze van een nieuwe Thomascantor zijn stem ten gunste van Bach Bachs oud-student Johann Adolph Scheibe.
uitbracht. Hij was tevens onder meer de oom van Christiane Mariane von Heinrich Nicolaus Trebs - Orgelbouwer uit Weimar met wie Bach al in
Ziegler (geboren Romanus), de dichteres met wie Bach op vriendschap- 1712 een goede persoonlijk verstandhouding had ontwikkeld en die nog
pelijke voet stond en van wie hij vele teksten in cantates verklankte. omstreeks 1742 een orgel bouwde voor Bad Berka a.d. Ilm op grond van
December: Jan Dismas Zelenka - Kerkcomponist aan het hof van Dres- een door Bach ontworpen dispositie.
den en door Bach hogelijk gewaardeerd. Hij kende Bach en enkele van September: Johann Scheibe - Orgelbouwer te Leipzig wiens orgel voor de
diens zonen persoonlijk en heeft een rol gespeeld in Bachs verzoek om Paulinerkirche [=Universitätskirche] aldaar reeds in 1717 door Bach was
een hoftitel. gekeurd. Kennelijk voor de eerste maal in zijn leven was daarmee aan Bach
1746 een (ten dele) nieuw gebouwd orgel bekend dat hij – in de woorden van
Januari: Gottfried Kirchhoff, die in 1714 te Halle de positie kreeg die Nikolai-organist Daniel Vetter ‘nicht gnugsam rühmen und loben’ kon.1)
Bach had geambieerd en waarvoor hij werd uitgenodigd, maar uiteinde- Bach zou vanaf 1723 gedurende 25 jaar met Scheibe samenwerken.
lijk bedankte. Na de dood van Kirchhoff werd deze post door Bach-zoon Heinrich Christian Beyer - Violist (‘Kunstgeiger’) die tot de oude kern van
Wilhelm Friedemann verworven: op 16 april 1746 begon, zoals we de Leipziger Ratsmusik (in dienst van de stad) behoorde.
eerder vaststelden (zie deel I van dit drieluik), diens dienstverband November: Gottfried Lange - Burgemeester van Leipzig die in 1723 de
als organist van de Liebfrauenkirche (ook als Markt- of Marienkirche beslissende stem uitbracht ter ondersteuning van Bachs aanstelling in die
bekend). stad. Hij had verstand van muziek en was in zijn jeugd zelfs als operalibret-
Maart: Margaretha Elisabeth Wilcke - De schoonmoeder van Bach uit tist actief geweest. Hij was ook de peetvader van Bachs zoon Gottfried
Weißenfels. Heinrich, gedoopt in de Thomaskirche op 27 februari 1724.
Gottfried Theodor Krause - Deze vroegere prefect van de Thomas-
schule was jaren geleden door Bach in bescherming genomen tegen 1) Vgl. Werner Neumann und Hans-Joachim Schulze, Schriftstücke von der Hand Johann
aanvallen van rector Ernesti. Sebastian Bachs [= Bach-Dokumente I, hrsg. vom Bach-Archiv Leipzig] (Leipzig 1963), 163-
Mei: Franz Conrad Romanus - Vroegere burgemeester van Leipzig, 168 (nr. 87); citaat op pagina 166-167.
broer van Carl Friedrich Romanus en vader van Christiane Mariane von
Ziegler.

4 6 HET ORGEL 2014 | nummer 2


1749 Excurs
Mei: Christiana Sybilla Bose - Een andere dochter van de familie Bose
(vgl. boven), die zelf peetmoeder was geweest van Christiana Dorothea, De brief van Gottfried Benjamin Fleckeisen
Bachs dochter die op 18 maart 1731 was gedoopt maar reeds in augustus
1732 was overleden, en van Johann Christian Bach, die op 7 september Recentelijk maakte het Bach-Archiv in Leipzig bekend dat Michael Maul
1735 was gedoopt. een interessante brief in het Pfarrarchiv van Döbeln ontdekt heeft. Het
Johann Samuel Ehrmann - Sinds 1744 werkzaam als predikant in betreft een schrijven uit 1751 van Gottfried Benjamin Fleckeisen (geb. 1719
Gündelsheim en in 1734 één van de vier mannen (naast Mattheson, Bach in Döbeln), die van 1732 tot 1744 leerling was aan de Thomasschule, naar
en Bümler) aan wie Bach-leerling Lorenz Christoph Mizler zijn dissertatie aanleiding van een sollicitatie als cantor in Döbeln.
opdroeg. In zijn brief schrijft hij dat hij in Leipzig ‘an statt des Capellmeisters’ Bach
Gabriel Fischer - ‘Stadt- und Raths-Musicus’ te Neurenberg, die – samen ‘zwey ganze Jahre’ de muziek aan de Thomaskirche en aan de Nikolaikirche
met vijf andere collegae van Bach, onder wie J.G. Ziegler uit Halle (zie ‘aufführen und dirigiren müssen’ en daarbij ‘allezeit mit Ehren bestanden’
boven) en Georg Böhm uit Lüneburg – als agent van Bach fungeerde ten zou hebben. Naar men vermoedt heeft deze opmerking betrekking op de
behoeve van de distributie van diens partita’s voor klavecimbel (BWV jaren 1744-1746, waarin Fleckeisen als alumnus nog bij de school woonde,
825-830), welke vanaf 1726 verschenen en in 1731 samen als Bachs maar inmiddels reeds theologie aan de Universität Leipzig studeerde.
Opus 1 onder de titel Clavir Ubung [sic] verschenen. Uit de brief zou volgens sommigen blijken dat Bach in zijn latere levensjaren
Juni: Johann Bernhard Bach - Een achterneef van Bach, geboren in in de praktijk zijn verplichtingen als cantor en leider van de kerkmuziek in
Erfurt en overleden te Eisenach, die werkzaam was geweest als organist, Leipzig praktisch in sterke mate aan anderen overliet, ook al werd hij hier-
klavecinist en componist. Diverse werken van deze Bach zijn bewaard in voor als Thomascantor betaald. De wildste theorieën zijn reeds op de brief
het handschrift van Johann Sebastian. Johann Bernhard was ook de peet- losgelaten: Bach zou de kantjes ervan af hebben gelopen, een burn-out heb-
vader geweest van Bach-zoon Johann Gottfried Bernhard, gedoopt op ben gehad, een onhoudbare positie hebben gehad in verband met twisten
12 mei 1715 in Weimar; deze zoon van Bach, die zijn ouders veel zorgen vanwege Bachs vermeende luiheid en onverbeterlijkheid, etc. Daarbij is de
berokkende, overleed op 27 mei 1739, nauwelijks 24 jaar oud. burn-out-theorie door Maul weersproken door te wijzen op Bachs toch vrij
November: Balthasar Schmid - De bekende graveur en uitgever van constante activiteit als componist van onder andere de thans als zodanig be-
muziek te Neurenberg, die van vele componisten werk in druk verzorgde kend zijnde Goldberg-Variationen (ca. 1742 gepubliceerd), het Musicalisches
– onder hen C. Ph. E. Bach en G. Ph.Telemann – en voor Bach onder Opfer (de opdracht aan de koning door Bach in het eveneens door Schübler
meer de druk van diens slechts enkele jaren eerder gecomponeerde Einige gegraveerde Musicalisches Opfer heeft als datum: 7 juli 1747), Die Kunst der
Canonische Veraenderungen BWV 769 verzorgde. Vermoedelijk was hij Fuge (tot stand gekomen in de periode 1742-1750 en na Bachs dood gepu-
zelf een oud-student van Bach. bliceerd) en de h-Moll Messe (volgens sommigen het laatst voltooide werk
1750 van Bach, tot stand gekomen in verschillende stadia van zijn leven).
Johann Sebastian Altnickol - Bachs kleinzoon en tevens zijn peetzoon, Naar mijn persoonlijke overtuiging ondersteunt de brief van Fleckeisen de
gedoopt op 6 oktober 1749 te Naumburg. Groot- en peetvader Bach kon theorie dat Bach in het laatste decennium van zijn leven meer en meer tijd
niet bij de doop aanwezig zijn en werd vertegenwoordigd door Benjamin wilde vrijmaken voor het verzamelen, ordenen en vervolmaken van zijn
Gottlieb Faber, een medicus uit Leipzig. werken. Het wegvallen van een reeks mensen uit zijn directe omgeving en
Februari: Johann Christian Hoffmann - Gerenommeerd instrumen- zijn toenemende gezondheidsproblemen moeten hem met de eindigheid
tenmaker en een vriend van Bach (zie ook hierboven onder Weyrauch). van het aards bestaan hebben geconfronteerd en aan het denken hebben
Johann Sebastian en zijn vrouw Anna Magdalena waren ook peetouders gezet. Hij zal zich dan ook andere prioriteiten hebben gesteld dan het tegen
van kinderen van Hoffmanns zussen. zijn zin in moeten werken met matig begaafde Thomas-leerlingen. Van een
April: Romanus Teller - Een van de predikanten van de Thomaskirche gebrek aan ijver of burn-out kan hij daarbij bepaald niet worden verdacht.
en de Peterkirche alsmede hoogleraar theologie aan de universiteit te Als componist had hij – naast het bezigzijn met onder meer de boven door
Leipzig. Hij werd door Bach als eerste biechtvader verkozen (1738-1740). Maul genoemde composities – naar mijn mening twee belangrijke andere
Tellers verklaring van het voorgenomen huwelijk (‘Aufgebotschein’) pijlen op zijn boog.
tussen Elisabeth Juliana Friderica Bach en Johann Christoph Altnickol, In de eerste plaats betrof dat een speciale interesse in canonische werken en
gedateerd 19 december 1748, is bewaard gebleven.2) strenge polyfonie, die zich onder meer uitte in het bewerken van werken van
Anna Regina Bose - Dochter van de familie Bose (zie boven). Op 22 componerende collegae (het vorig jaar door Peter Wollny teruggevonden,
februari 1742 was zij (met onder anderen haar zuster Susanna Elisabeth) omstreeks 1740 tot stand gekomen Bach-handschrift uit het Schütz-Haus in
als peetmoeder aanwezig bij de doop van Bach-dochter Regina Susanna Weißenfels, waarin we een mis van de Italiaanse componist Francesco Gas-
in de Thomaskirche. parini (1661-1727) herkennen, is daarvan slechts één voorbeeld) en waarop
Mei ik in een andere context (namelijk die van het Calovius-project, zie www.
August Becker - Lid van de kerkenraad te Halle; hij voerde namens deze bachbijbel.nl) nader hoop in te gaan.
de correspondentie in 1713-1714 toen Bach naar de post van organist In de tweede plaats betrof het een hernieuwde aandacht voor het orgel,
van de Liebfrauenkirche solliciteerde en liet Bach ook weten dat hij onder meer blijkend uit het componeren van Einige Canonische Veraende-
hiervoor aangenomen was, maar Bach stelde vervolgens voorwaarden rungen über das Weynacht-Lied: Vom Himmel hoch da komm ich her. vor die
waardoor een en ander uiteindelijk geen doorgang vond. Orgel mit 2. Clavieren und dem Pedal (in druk verschenen in de tweede helft
van 1747 en in juni van dat jaar in handschrift aan de societeit van Lorenz
2) Werner Neumann und Hans-Joachim Schulze, Fremdschriftliche und gedruckte Dokumente Christoph Mizler overhandigd – zie Albert Clement, ‘O Jesu, du edle Gabe’.
zur Lebensgeschichte Johann Sebastian Bachs 1685-1750 [= Bach-Dokumente II, hrsg. vom Studien zum Verhältnis von Text und Musik in den Choralpartiten und den Kano-
Bach-Archiv Leipzig] (Leipzig 1969) nr. 576; een facsimile bevindt zich voorafgaand aan nischen Veränderungen von Johann Sebastian Bach, Utrecht 1989, hoofdstuk
pagina 417. IV); het samenstellen, mogelijk niet eerder dan in 1749, van de collectie thans
zo genoemde ‘Leipziger Choräle’ (17 grote koralen als revisies van werken
die hij decennia eerder in Weimar had gecomponeerd); de Schübler Choräle
en het gedicteerde koraal Vor deinen Thron tret ich hiermit.

4 7HET ORGEL 2014 | nummer 2


Charles Tournemire, César Franck TOURNEMIRE, CÉSAR FRANCK merkelijk is dat Tournemire dit illustreert
(vertaling J.Veerman en A.H. In de jaren dertig van de vorige eeuw gaf aan de hand van de oratoria Ruth (1846),
Vissers) de Parijse uitgever Delagrave onder re- Rédemption [= de Verlossing] (1872) en Les
Veerman Muziek, Huizen 2012 dactie van Henri Collet de serie Grands Béatitudes [=de Zaligsprekingen] (1879).
[geen ISBN-nummer] Musiciens uit. Deze was samengesteld uit Vervolgens verzorgt hij een korte analyse
77 pagina’s monografieën van onder anderen Vincent van de orgelwerken en van twee topstuk-
Prijs: € 13 d’Indy (Wagner en zijn invloed op de Franse ken uit de kamermuziek: de Sonate voor
Bestellen: www.veermanmuziek.nl muziekkunst), Widor (Onze Heilige Vader viool en piano en het Pianokwintet (Tourne-
Bach) en biografieën over Fauré, Déodat de mire was vanaf 1919 leider van de ensem-
Charles-Marie Widor, Séverac en anderen. bleklas van het Parijse conservatorium).
Autobiografische herinneringen In 1931 verscheen een beknopte biografie Ten slotte wordt Franck als improvisator
– eerste integrale uitgave met over César Franck, geschreven door zijn belicht en een beknopte levensbeschrijving
annotaties. Nederlandse en Franse oud-leerling Charles Tournemire (1870- besluit het boekje.
tekst. 1939). Deze studeerde vanaf 1888 orgel
Uitgave van Orgelkunst, 36/4 bij Franck en behaalde zijn Premier Prix in Volgens Tournemire heeft Franck de klas-
(december 2013 ), inclusief cd 1891 in de orgelklas van diens opvolger sieke kunst opgepakt waar ‘Beethoven deze
Franck/Robilliard, Widor. Tournemire was een toegewijd leer- had losgelaten’. Het strijkkwartet toont ver-
94 pagina’s ling van Franck en werd in 1898 organist wantschap met de laatste kwartetten van
ISSN 0776-9350 van de Ste.-Clotilde, nadat Gabriel Pierné de Weense meester en het tweede thema
Prijs € 22 hier in de jaren 1891-1898 werkzaam was van Final (voor orgel) noemt hij ‘duidelijk
Bestellen: www.orgelkunst.be geweest. Tournemire stond aan de wieg Beethoviaans’. Het Choral bij Franck is een
van de Trois Chorals: hij speelde samen met vermenging van het gevarieerd koraal en
4 8 HET ORGEL 2014 | nummer 2 zijn meester de stukken aan de piano door de Beethoviaanse fantasie. Saillant detail:
– waarbij hij de pedaalpartij voor zijn reke- Francks chromatiek wortelt in Frescobaldi
ning nam – voordat Franck nog eenmaal en heeft niets gemeen met Wagner!
naar de Ste.-Clotilde ging om de registraties Op pagina 21 stelt Tournemire dat het
vast te stellen. Enkele weken daarna over- Grande pièce symphonique voor de inwij-
leed hij. ding van het orgel in St.-Eustache was ge-
Behalve de Franck-biografie schreef Tour- componeerd, een vele malen herhaalde
nemire enkele educatieve werkjes: Précis bewering. Voor deze gebeurtenis in 1854
d’exécution, de régistration et d’improvi- schreef Franck echter zijn Pièce en La, een
sation (1936) en Petite méthode de l’orgue werk dat in 1990 door Joël-Marie Fauquet
(uitgegeven in 1949). is uitgegeven.
Het boekje is veertig jaar na Francks over- ‘Le Père angélique’, ‘Pater Seraphicus’, uit-
lijden geschreven en herinneringen komen drukkingen die de figuur Franck bijna een
uiteraard gekleurd over. Het bevat negen heiligenstatus geven. In 1999 rekende Fau-
hoofdstukken. quet in zijn Franck-biografie hiermee af (zie
Na enkele inleidende pagina’s met filosofi- ook het artikel van Joris Verdin: Vadertje
sche gedachten over de kunst in het alge- Franck? Weg ermee! – De juiste uitvoering
meen, wordt de componist Franck belicht, van César Franck, in: Het Orgel, 97/2 (2001)
waarin de auteur de composities kadert 5-9). Een felle discussie ging van start over
met de periodes 1841-1858, 1858-1872 de tempi van de Six Pièces.
en 1876-1890. Deze indeling komt overeen Fauquet had een partituur van de Six Piè-
met die van Vincent d’Indy, die in 1906 de ces gevonden waarop Franck met potlood
eerste Franck-biografie publiceerde. Op- metronoomaanwijzingen had genoteerd.


BESPREKINGEN

Daarnaast kwam hij in bezit van een brief over Bach en Franck). In zijn Souvenirs van de componist. Mevrouw Guibaud toon-
van een Amerikaanse organist die in 1888 (uitgave 1970, p. 45) schreef Vierne dat de al eerder haar welwillendheid aan Ben
enige maanden van Franck les heeft gehad. hij bij gelegenheid van een concours in van Oosten en John R. Near om voor hun
Hierin waren dezelfde metronoomaan- de orgelklas van Widor een uitvoering beider Widor-biografieën (gepubliceerd in
wijzingen vermeld. Volgens Fauquet zijn gaf van het Grande pièce symphonique, in 1997 resp. 2011) uit de Souvenirs te putten.
Francks orgelwerken altijd te langzaam uit- een zogenaamd ‘mouvement réel’, wat De eerste integrale en geannoteerde publi-
gevoerd. Zijn de aanwijzingen van Tourne- neerkwam op een tijdsduur van ongeveer catie verscheen onlangs in Orgelkunst, dat
mire dan wel betrouwbaar? 26 minuten (ter vergelijking: Verdin speelt naast het Franse origineel tevens een Ne-
In 1999 speelde Verdin Francks orgeloeuvre het werk op aanwijzing van Fauquet derlandse vertaling bevat.
in voor het label Ricercar (RIC 223), waarbij in 21’29”). Staat Franck in een ‘sainte
zelfs de tempi van Demessieux en Guillou tradition’ die in grote mate afweek van het Widor dicteerde rond 1935 zijn ‘autobio-
verbleken. Conclusie: niet alleen Widor en virtuozendom van Guilmant en Widor? grafische herinneringen’ op basis van no-
Guilmant schreven virtuoze orgelmuziek, Aan de lezer om dit te beoordelen. titieboekjes waarin hij de meest markante
de organist van Ste.-Clotilde eveneens. Het in het Nederlands vertaalde boekje feiten uit zijn leven had genoteerd. Hij was
In het liber amicorum Pro Organo Pleno – heeft dezelfde vormgeving, bladspie- toen 91 jaar oud en niet meer actief als or-
Essays in Honor of Ewald Kooiman (in 2008 gel en illustraties als het Franse origineel. ganist van de St.-Sulpice. Het document
uitgegeven ter gelegenheid van zijn zeven- Dat maakt deze uitgave heel bijzonder. bestaat uit 103 getypte pagina’s, waarbij hij
tigste verjaardag) publiceerde Marie Louise RENÉ VERWER in de kantlijn of tussen haakjes aantekenin-
(Langlais)-Jaquet haar artikel ‘Découverte gen plaatste die nog moesten worden uitge-
des mouvements métronomiques de César WIDOR, HERINNERINGEN werkt. De Souvenirs zijn niet in hoofdstuk-
Franck dans ses oeuvres pour orgue’ (blz. Enige tijd geleden gaf mevrouw Marie-An- ken verdeeld (af en toe een aanhef) en de
61-66), met (nogmaals) de metronoomcij- ge Guibaud, achternicht van de Franse or- gebeurtenissen zijn niet altijd chronologisch
fers van Fauquet. ganist en componist Charles Marie Widor gerangschikt. Al met al wordt snel duidelijk
Om een tipje van de sluier te lichten verge- (1844-1937), toestemming om een belang- dat het hier om een ruwe versie gaat die hij
lijken we de metronoomcijfers (alleen het rijk document van haar oudoom, getiteld niet meer heeft kunnen voltooien.
aanvangstempo van elk deel van de Six piè- Souvenirs autobiographiques, integraal te Het is onduidelijk wat Widor ertoe bracht
ces) van Tournemire en Fauquet (zie kader). publiceren. De voorbereidingen werden ge- zijn herinneringen op papier te laten zet-
Het blijft gissen hoe aanwijzingen over troffen door Louis Robilliard, titularis van ten. Mogelijk is de gedachte ontstaan toen
tempi ontstaan. Frankrijk staat bol van het Cavaillé-Coll-orgel in de St.-François- Vierne zijn Souvenirs ging publiceren in het
‘traditions’ van bekende organisten wier des-Sales te Lyon en daarmee een van de op- Bulletin trimestriel [= driemaandelijks] de
meningen bij voorbaat vaststonden (het volgers van François-Charles Widor, vader L’ Association des amis de l’orgue. Dit ge-
stelligst was Dupré in zijn opvattingen schiedde vanaf september 1934, het laatste
artikel werd in november 1937 afgedrukt,
Fantaisie en Ut Tournemire Fauquet vijf maanden na het overlijden van de orga-
nist van de Notre-Dame (in 1970 zijn Vier-
= 66 = 80 nes Souvenirs alsook zijn Journal opnieuw
uitgebracht in de serie Cahiers et Mémoires
Grande pièce symphonique = 69 = 112 de l’Orgue). Marcel Dupré liet op 84-jarige
leeftijd zijn herinneringen eveneens note-
Prélude, fugue et variation = 60 (*) . = 72 ren; hij heeft de uitgave van het lezenswaar-
dige boek Marcel Dupré raconte…’ in 1972
Pastorale = 58 = 76 niet meer beleefd.
Terug naar Widor. De lezer bemerkt spoedig
Prière = 66 = 92 dat Widors interesse niet beperkt bleef tot
het orgel (zoals bij Guilmant en Dupré).
Final = 132 = 100
4 9HET ORGEL 2014 | nummer 2
(*) Tournemire noteert voor dit werk in 9/8 maat een kwart i.p.v. een gepuncteerde kwart.


In zijn Brusselse leertijd – bij Lemmens en sadeur voor de Franse muziekcultuur in het
Fétis – kwam hij in contact met violisten als buitenland.
Vieuxtemps en Ysaïe. In 1868 schreef hij een Interessant is zijn mening over César Franck.
aan Gounod opgedragen pianokwintet, een Widor schrijft dat hij diep onder de indruk
jaar later Duo’s voor piano en harmonium. was van Francks aandeel bij de inwijding van
Van de 87 opusnummers (en vele werken het orgel in de Trinité in 1868 (elders ver-
zonder opusnummer) zijn er slechts zes woordt hij het zo: ‘hij [Franck] heeft nooit
voor orgelsolo, voorts drie symfonieën met beter geschreven’). Widor beschouwde zijn
orgel en enkele begeleidingspartijen. Tot collega als ‘een heel goed musicus, maar
zijn grootste successen – en dat wordt in de geen [orgel]deskundige en hij had ook geen
Souvenirs breed uitgemeten – worden het bijzondere klassieke orgelscholing genoten’.
ballet La Korrigane en de twee orkestsuites Een anonieme Franck-leerling (waarschijn-
Conte d’Avril gerekend. lijk Henri Busser) getuigde tegenover
Widor had met betrekking tot zijn orgel- Widor: ‘we speelden [pedaal] vooral met
carrière veel aan Cavaillé-Coll te danken. In de linkervoet in pizzicatostijl of lieten die
1868 werd hij – 24 jaar oud – mede uit- voet eindeloos op een orgelpunt hangen.
genodigd om het orgel van de Notre-Dame […] Opvallend was de frequente arpeggio-
in te spelen. Vijf medespelers voerden eigen aanslag van akkoorden. […]. We werkten
composities uit (o.a. Franck, Guilmant en er vooral aan vrije improvisatie, waarbij de
Saint-Saëns). Widor had een ‘sensationeel’ leraar zijn leerling zonder de minste plan-
stuk willen schrijven, maar hijzelf vond matigheid aan diens fantasie overliet.’ Dit
het ‘niet veel zaaks’ en gaf zich over aan laatste wordt door Vierne weersproken: hij
een ‘improvisation sur différents jeux de achtte het fuga-onderwijs bij Franck stren-
l’orgue’, zoals het programma armtierig ger dan bij Widor.
vermeldde. Cavaillé-Coll was echter zeer Franck zou Widor in 1881 hebben gepolst
tevreden en twee jaar later droeg hij zijn pu- om de orgelklas over te nemen, op voor-
pil voor om Lefébure-Wély (op Oudjaars- waarde dat hijzelf de compositieklas zou
avond 1869 overleden) in de St.-Sulpice op gaan leiden. Franck ronselde diverse conser-
te volgen; pastoor Hamon aarzelde en ging vatoriumleerlingen om hun compositieles te
akkoord met een voorlopige aanstelling. geven en klachten van collega’s kwamen
zelfs directeur Ambroise Thomas ter ore.
Alkmaar. The Organs of the Bij zijn afscheid in december 1933 vertelde In een ander citaat laat Widor blijken dat
Laurenskerk Widor dat hij 64 jaar ‘organiste provisoire’ hij Franck een goed componist vond (‘hij
Fugue State Films (FSFDVD 008) was geweest. Hij had veel contacten buiten had thuis geen orgel, maar dat weerhield
2013 de orgelwereld, zoals de (van oorsprong hem niet om meesterwerken te schrijven’).
dvd (200 min.) & cd (75 min.) Duitse) bankier baron d’Erlanger, de toe-
Prijs: £ 31.50 komstige Engelse koning Edward VII en Als uitvoerend organist liet Widor zijn su-
Bestellen: leden van enkele andere Europese vorsten- perioriteit gelden, hetgeen bleek nadat hij
www.fuguestatefilms.co.uk huizen, zelfs de namen Rothschild en Roc- Franck als hoofddocent was opgevolgd. De
kefeller passeren. Hij dineerde regelmatig techniek van het orgelspel werd door Widor
5 0 HET ORGEL 2014 | nummer 2 bij leden van de Frans adel, (buitenlandse) strak ter hand genomen. Franck liet zijn
gravinnen en prinsessen en was te gast bij leerlingen preludia en fugae van Bach spelen
diverse ministers en ambassadeurs, zelfs bij (uit de editie Richault, 1855-1865), koralen
de President van de Republiek. Widor was kwamen pas bij Widor onder de aandacht.
immer een gewaardeerde verschijning in de Overigens meldt Widor dat Franck in 1878
vele Parijse salons. Hij gold als dé ambas- orgelleraar aan het conservatorium werd


Click to View FlipBook Version