Naam: Klas: 1A ..
...………………
Schooljaar:
...……..... 20 .. – 20 ..
Leerkracht:
...………………...
……
2
INHOUDSOPGAVE p. 5
Enkele belangrijke vragen om te beginnen p. 7
ORGANISATIE p. 9
p. 9
1. Schoolagenda p. 11
1.1 Indeling
1.2 Raadpleeg je schoolagenda p. 12
p. 12
2. Heen-en-weermap p. 13
2.1 Doel
2.2 Werking p. 14
2.3 Aandacht voor het verbeteren van toetsen p. 14
p. 16
3. Dagplanning p. 19
3.1 Hou hiermee rekening als je je dagplanning opmaakt
3.2 Dagplanning: aan de slag! p. 20
3.3 Dagplanning met schoolagenda p. 20
p. 21
4. Boekentas p. 22
4.1 Enquête p. 22
4.2 Ordelijke boekentas
4.3 Doe de test! p. 24
4.4 Tips p. 24
p. 25
5. Studeerruimte
5.1 Opdracht p. 26
5.2 Hoe ziet mijn studeerruimte er het best uit?
p. 27
6. Herhalen
p. 28
7. Smartschool
p. 30
LEERSTRATEGIE
p. 31
1. OVUR-schema p. 31
p. 33
2. Tekstleerstof verwerken p. 35
2.1 Schematiseren: verticaal werken p. 35
2.2 Werken met een mindmap: horizontaal werken
2.3 Herhalen door zelf een toets op te stellen 3
2.4 Enkele oefeningen
3. Woordenschat p. 40
3.1 Studeren voor een woordenschattoets p. 40
3.2 Aan de slag p. 41
4. Definities p. 43
4.1 Wat is een definitie? p. 43
4.2 Hoe studeer ik een definitie? p. 43
5. Tekeningen / kaarten p. 45
5.1 Tekeningen p. 45
5.2 Kaarten p. 47
6. Oefeningen p. 48
6.1 Op school p. 48
6.2 Thuis p. 48
7. Leertrucjes p. 50
7.1 Trucjes om leerstof te onthouden p. 50
7.2 Zelf aan de slag p. 53
LEERSTIJL p. 54
CONCENTRATIE p. 62
1. Focus p. 64
1.1 Inleiding p. 64
1.2 Zelf aan de slag p. 64
1.3 Breng jezelf in de focus p. 65
2. Prikkels om beter te studeren p. 66
RESULTATEN p. 67
1. Rapport p. 69
1.1 Persoonlijk Werk (PW) p. 69
1.2 Examens p. 70
2. Examens: geen paniek! p. 71
2.1 Leren voor examens p. 71
2.2 Examenplanning p. 71
2.3 De examens naderen p. 72
2.4 De gouden regels bij het maken van een examen p. 73
3. Stand van zaken p. 74
4
ENKELE BELANGRIJKE VRAGEN OM TE BEGINNEN
Opdracht: Zijn onderstaande stellingen waar of niet waar? Zet een kruisje in de
juiste kolom.
WAAR NIET WAAR
Elke dag tot 21 u bezig zijn voor school is
een must.
Er zijn dagen dat je niks hoeft te doen voor
school.
Het is normaal dat ik elke dag 1.5 uur à 2 uur
per dag voor school werk.
Ik begin steeds op hetzelfde tijdstip aan mijn
huiswerk.
Ik studeer omdat het moet.
Eén keer iets studeren is voldoende.
Het best studeer ik op mijn kamer.
In de lagere school moest ik veel werken
voor school.
Ik heb al lessen ‘Leren leren’ gevolgd.
Studeren op school is belangrijk voor mij.
Studeren voor tv is goed.
Besluit:
Vlaamse scholieren van jouw leeftijd hebben dagelijks gemiddeld anderhalf tot
twee uur schoolwerk.
Regelmaat is belangrijk. We voelen ons het best wanneer we ons lichaam
volgens vaste “regels” laten werken, bv. vaste tijdstippen om te eten, te studeren
en om te slapen.
Studeer geregeld. Laat je werk niet samenkomen.
In het beste geval heb je een eigen kamer waar je rustig kan studeren.
5
Om te kunnen studeren hou je best rekening met 5 factoren:
1. Je organisatie = hoe jij de zaken aanpakt om goed te kunnen studeren
2. Je leerstrategie = hoe jij je leerstof instudeert
3. Je leerstijl = hoe jij nieuwe leerstof verwerkt
4. Je concentratie = hoe jij je aandacht richt op de leerstof
5. Je resultaten = hoe jij je verdere leerstof zal studeren
6
7
8
ORGANISATIE
1. SCHOOLAGENDA
De schoolagenda wordt één van de belangrijkste hulpmiddelen, de rode draad in je
schoolwerk. Hierin staat alles wat je dient te weten en te doen!
Je agenda is dus een planningsagenda waar enkel taken en toetsen ingevuld
worden. Je hoeft dus niet elk lesuur het onderwerp te noteren. Bij ‘ook denken aan’
kan je noteren wat je voor die dag moet meebrengen.
1.1. Indeling
Opdracht: Neem je schoolagenda bij de hand en vul onderstaande tabel aan. Weet
je ook wat de verschillende rubrieken van je schoolagenda inhouden? Bespreek.
Rubriek Paginanummer(s)
Waar vind ik welke informatie? p. ………………
Hoe gebruik ik deze agenda? p. ………………
Modelhandtekening p. ………………
Wettigen afwezigheid p. ………………
Leefregels p. ………………
Vakleerkrachten p. ………………
……………………………. p. 8 - 9
9
……………………………. p. 10 - 11
p. ………………
Agenda
= planningspagina’s + schema per maand p. 108 - 113
p. ………………
……………………………. p. 115
p. ………………
Correspondentie voor ouder
……………………………. p. 117 - 118
Nuttige adressen, telefoonnummers en
contactpersonen
…………………………….
Werking
Laat je schoolagenda elke week ondertekenen.
Laat nota’s, mededelingen, correspondentie,… steeds
ondertekenen.
Breng je schoolagenda elke dag mee naar school.
Losse papieren horen niet thuis in je agenda. Je schoolagenda
is immers GEEN verzamelmap!
10
1.2 Raadpleeg je schoolagenda
Beschouw je schoolagenda als je beste vriend. Hij vertelt je alles over het
schoolwerk dat je thuis moet doen. Daarom is het van groot belang dat hij juist en
volledig is ingevuld.
Stel aan je schoolagenda volgende vragen:
WAT HEBBEN WE VANDAAG GELEERD?
WELKE VAKKEN HEBBEN WE MORGEN?
WELKE HUISTAKEN MOET IK MORGEN
AFGEVEN?
WELKE LESSEN MOET IK TEGEN MORGEN
KENNEN?
KAN IK AL IETS DOEN TEGEN OVERMORGEN?
OF … TEGEN OVER - OVERMORGEN?
Wat moet je zeker elke dag doen? Vul aan.
De ……………………. leren die de volgende dag zeker moeten gekend zijn.
De ……………………. maken die de volgende dag zeker moeten klaar zijn.
……………………………. afgeven (+ ouders laten tekenen bij rubriek
‘correspondentie voor ouder’)
Zaken die je moet meebrengen in je ……………………………. steken.
Wat moet je zeker doen als je voldoende tijd over hebt?
Vooruitzien! Lessen leren en taken maken voor overmorgen en later. Zo kan
je overdrukke periodes vermijden en achteraf veel tijd besparen.
Voor vakken die je moeilijk vindt: nagaan waarover de laatste les ging. Soms
volstaat het dat je gewoon de laatste les nog eens aandachtig, begrijpend
doorleest.
11
ORGANISATIE
2. HEEN-EN-WEERMAP
2.1. Doel
De heen-en-weermap is een map waarin je al je bladen per vak kan rangschikken.
Op deze manier leer je ordelijk sorteren en systematisch werken.
2.2. Werking
Elk studievak krijgt een vak in de heen-en-weermap.
In je heen-en-weermap kan je volgende zaken heen en weer verhuizen:
o toetsen
o taken
o blaadjes die je moet studeren
o schriftelijke voorbereidingen/schema’s die je gemaakt hebt
Het eerste vak gebruik je om eventuele losse bladen of een aantal
toetsenbladen in te steken.
De heen-en-weermap dient enkel om blaadjes te verhuizen. De definitieve
plaats om je toetsen/taken en schriftelijke voorbereidingen in te bewaren, is de
vakmap.
12
2.3. Aandacht voor het verbeteren van toetsen
Je maakt een verbetering (tenzij je alles foutloos hebt gemaakt) volgens de
eigen richtlijnen van elk vak en volgens afspraak van de vakleerkracht.
Je krijgt afspraken van je vakleerkracht in verband met het indienen van je
verbeterde toetsen.
Je bent zelf verantwoordelijk voor het indienen van je verbeterde toetsen.
Je laat een toets door je ouders ondertekenen. (als de vakleerkracht dit
vraagt)
Voor de aanvang van elk examen geef je jouw toetsen van dat vak af.
Waarom is het zo belangrijk dat je jouw toetsen
verbetert?
………………………………………………………………
………………………………………………………………
………………………………………………………………
………………………………………………….……………
13
ORGANISATIE
3. DAGPLANNING
3.1. Hou hiermee rekening als je jouw dagplanning opmaakt:
Opdracht: Vul onderstaande tips aan.
Kies een vast …………………, een vast
tijdstip waarop je start met jouw
schoolwerk.
Wanneer start jij met jouw schoolwerk?
………………….
Hersenen kunnen moe worden. Voorzie
op tijd een korte ………………. Na 50 of
60 minuten studeren, pauzeer je best
……… minuten.
Neem zoveel mogelijk een
…………………. pauze zoals: een stukje
fruit eten, wat beweging of ga eens naar
buiten om wat frisse lucht te nemen.
NIET door tv te kijken of een
videospelletje te spelen, want zo krijgen
je hersenen helemaal geen rust!
Gebruik een ……………………… als je
het moeilijk hebt om terug aan het werk
te gaan na het nemen van een pauze.
14
Zorg voor …………………………….
Eentonig werk maakt je na een tijdje
moe en suf. Breng daarom voldoende
afwisseling in je werkpakket. Een
voorbeeld:
1. les geschiedenis leren
2. taak wiskunde maken en vorige taak
verbeteren
3. pauze
4. les Frans leren
5. tekening P.O. afwerken
Hou rekening met je
……………………………. en geplande
afspraken. Ga je op weekend met de
scouts? Staat er een voetbaltraining of
tornooi gepland? Word je op een groot
familiefeest verwacht? Maak je taken en
studeer je lessen dan al op voorhand.
Stel je werk niet uit!
Voorzie ook een ………………………….,
een moment waarop je een
ingestudeerde les nog eens herhaalt.
15
3.2. Dagplanning: aan de slag!
Volg onderstaand stappenplan bij het maken van een dagplanning.
Bekijk je agenda zodat je weet wat je allemaal te doen hebt tegen de volgende dag.
Bepaal de volgorde waarin je aan deze opdrachten gaat werken. Wat doe ik eerst?
Wat doe ik daarna? Probeer in te schatten hoeveel tijd je aan elke taak/les moet
besteden.
Tezelfdertijd kan je meteen ook alles wat je nodig hebt klaarleggen. Zo ben je er
zeker van dat je niets vergeet.
Controleer of je de taak/les volledig hebt uitgevoerd. Na elke opdracht vul je met
potlood de kolom “OK?” in.
Nog tijd over? Ik kijk in mijn agenda.
Wat kan ik nog doen voor de volgende dagen?
16
Opdracht:
Stel dat je om 16.00u thuis komt van school en dat je om 21.00u naar bed wil.
Op een willekeurige dag heb je volgende opdrachten:
* Tegen de volgende dag:
Uit te voeren tegen DINSDAG / /20
VAK LESSEN OK? VAK TAKEN OK?
NWET p. 15 - 20 WIS Oef. p. 26 - 28
FRA Voc Q1 – p. 28- 32
* Over 2 dagen moet je opdracht voor ICT klaar zijn.
* Je wilt vanavond nog naar tv kijken en een nieuwe app checken.
* Een vriendin komt langs om een spreekbeurt voor te bereiden.
* Je moet ook nog eten.
Is dit allemaal mogelijk? Probeer hieronder een dagplanning te maken.
17
Gebruik altijd je
schoolagenda bij
het maken je
dagplanning.
Opdracht: Maak nu een dagplanning voor de komende zeven dagen.
Dagplanning ... / ... (vul datum in)
Dagplanning ... / ...
Dagplanning ... / ...
18
Dagplanning ... / ...
Dagplanning ... / ...
Dagplanning ... / ...
Dagplanning ... / ...
3.3. Dagplanning met schoolagenda
Op termijn leer je jouw werk plannen via je schoolagenda. Je schrijft de planning dan
niet meer op, maar je volgt wel het stappenplan bij het plannen van jouw werk.
19
ORGANISATIE
4. BOEKENTAS
4.1. Enquête
Opdracht: Duid bij elke vraag het antwoord aan dat voor jou van toepassing is.
1. Ik krijg op school voldoende tijd om mijn boekentas te maken.
o Ja
o Neen
2. Thuis maak ik mijn boekentas …
o ‘s avonds
o ’s morgens
3. Ik draag mijn (boeken)tas/rugzak …
o over beide schouders
o over één schouder
o ik gebruik een trolley
4. Als ik met de fiets naar school kom, dan …
o draag ik mijn boekentas op mijn rug
o bind ik mijn boekentas op mijn bagagedrager
20
5. De zwaarste spullen in mijn boekentas steek ik…
o vooraan
o achteraan (het dichtst tegen de rug)
6. In mijn boekentas zitten losse bladen.
o Ja
o Neen
7. De spullen in mijn boekentas hebben een vaste plaats.
o Ja
o Neen
8. In mijn boekentas zitten op dit moment enkel boeken en spullen die ik
vandaag nodig heb.
o Ja
o Neen
9. Als ik moet studeren voor een toets, dan …
o neem ik de blaadjes om te studeren mee in mijn heen-en-weermap, de
vakmap zelf blijft op school.
o neem ik de volledige map van dat vak mee naar huis.
4.2. Ordelijke boekentas
Opdracht: Maak (onder begeleiding van je leercoach) je boekentas
voor de volgende dag, bij voorkeur aan het einde van het zevende
lesuur. Hoe ga je te werk? Bespreek klassikaal.
Welke rubrieken in je schoolagenda moet je zeker raadplegen als je
jouw boekentas maakt?
………………………………………………………………………………
21
4.3. Doe de test!
Opdracht: Plaats jouw boekentas op de weegschaal en noteer het gewicht van jouw
boekentas.
Mijn boekentas weegt ...….. kg.
Opdracht: We kiezen een zware boekentas en overlopen de inhoud. Wat kunnen we
eruit halen? Wat hebben we niet nodig? Hoe schikken we de inhoud? Daarna wegen
we de boekentas opnieuw om te zien hoeveel gewicht we hebben uitgespaard.
4.4. Tips
Opdracht: Waarmee moet je rekening houden als je jouw boekentas maakt? Hoe
houd je jouw boekentas zo licht mogelijk? Bespreek deze vragen in groepjes en stel
minstens 5 (realistische) tips op om het gewicht van je boekentas zo laag mogelijk te
houden. Noteer je tips op de volgende bladzijde.
Extra: Ontwerp in groepjes een affiche i.v.m. het maken van je boekentas.
Mijn agenda, heen-en-weermap en pennenzak neem ik
elke dag mee naar school.
Het gewicht van mijn boekentas bedraagt niet meer
dan 1/10 van mijn lichaamsgewicht.
22
……………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………....…………………………
……………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………23……
ORGANISATIE
5. STUDEERRUIMTE
5.1. Opdracht
Teken in het kadertje jouw studeerruimte. (= de plaats waar jij het meest studeert)
b) Duid in groen de positieve elementen aan. Dit zijn de zaken die ervoor zorgen dat
je goed kan studeren.
c) Duid in rood de negatieve elementen aan. Dit zijn de zaken die ervoor zorgen dat..
- je niet goed kan studeren
- je afgeleid bent en je concentratie verliest
- je begint te prutsen
24
5.2. Hoe ziet mijn studeerruimte er het best uit?
Opdracht: Bespreek met een klasgenoot de positieve en negatieve elementen van
je studeerruimte. Stel samen enkele tips op. Aan welke voorwaarden voldoet een
goede studeerruimte? Waarmee moet je rekening houden tijdens het studeren?
Noteer je antwoord in de ballonnetjes. Daarna bespreken we de tips klassikaal.
25
ORGANISATIE
6. HERHALEN
Hoe herhalen?
Hier volgen enkele nuttige tips om je leerstof te herhalen:
1. Je leerstof op voorhand studeren
Herhaal je leerstof zoveel mogelijk voor een maximaal en goed resultaat.
Werk om goed te herhalen steeds met een planning. (Zie les 3: dagplanning)
2. Herhalen de dag voor je toets
Als je je les kent, kan je deze les herhalen door:
- je te laten afvragen
- een vorige toets op te lossen (voor examens)
- een zelf opgestelde toets te maken (zie ook p. 35)
3. Herhalen door zelf een toets op te stellen
Maak van de les een schema (zie deel leerstrategie: les 2 tekstleerstof
verwerken). Je kan ook vragen stellen over de leerstof zonder er eerst een
schema van te maken.
Stel enkel vragen over de belangrijkste delen van de leerstof.
Herhaal regelmatig, want de eerste keer onthoud je maar 40%,
de tweede keer onthoud je 65% en de derde keer onthoud je
85%.
26
ORGANISATIE
7. SMARTSCHOOL
Smartschool is een digitaal leerplatform dat je kan helpen bij de organisatie van je
schoolwerk. Als je inlogt op Smartschool (sintmaartencampus.smartschool.be/) ,
beschik je over heel wat informatie.
Je kan
- berichten ontvangen (van leerkrachten en andere leerlingen)
- berichten versturen (naar leerkrachten en andere leerlingen)
- taken indienen via een uploadzone
- documenten (bv. leerstofoverzichten, oplossingen van oefeningen, extra
oefeningen …) terugvinden bij ‘Mijn vakken’.
Je leerkracht kiest wel zelf wat hij/zij online beschikbaar stelt.
- je eigen profiel beheren
- de kalender raadplegen
- documenten online bewaren (Mijn smartdocs)
-…
Hoe je met Smartschool moet werken, leer je tijdens de lessen ICT.
27
28
29
LEERSTRATEGIE
1. OVUR-SCHEMA
De OVUR-METHODE zorgt ervoor dat je zelfstandig en planmatig leert werken en
studeren. Het is een stappenplan dat uit 4 stappen bestaat. Vul aan.
1. O………………………
2. V………………………
3. U………………………
4. R………………………
Het OVUR-schema kan je gebruiken om al je lessen en opdrachten
aan te pakken. Gebruik het dus ook als je een spreekbeurt of een
schrijfopdracht moet maken.
30
LEERSTRATEGIE
2. TEKSTLEERSTOF VERWERKEN
Leerstof bevat vaak heel wat materiaal. Je kan deze grote hoeveelheid tekst kleiner
maken door hierin een structuur aan te brengen en alleen het belangrijkste uit de
tekst te halen. Zo zullen je hersenen de inhoud makkelijker kunnen onthouden.
Je kan dit toepassen op vakken met ‘tekstmateriaal’ zoals: natuurwetenschappen,
geschiedenis en aardrijkskunde.
2.1. Schematiseren: verticaal werken
VERKENNEN
Wat staat er als lesopdracht in mijn schoolagenda?
Waar begint de les die we moeten leren? Waar
eindigt de les?
Moet ik ook afbeeldingen of grafieken leren?
Hoeveel tijd zou ik nodig hebben om deze les in te
studeren?
LESTEKST LEZEN
Je leest de hele tekst en moeilijke woorden zoek je
op in een woordenboek, atlas, internet…
Herlees nadien deel per deel je tekst en onderstreep
al de belangrijkste woorden!
31
IN SCHEMA ZETTEN
Schrijf de hoofdtitels en tussentitels op = structuur
brengen in je schema.
Noteer onder de tussentitels kernwoorden en/of
kernzinnen.
Verwijs in je schema ook naar foto’s, tekeningen,
tabellen, kaarten…
SCHEMA UIT HET HOOFD LEREN
Leer eerst de structuur van je schema = de
hoofdtitels en de tussentitels.
Leer dan bij de titels de kernwoorden en/of de
kernzinnen.
LES VERTELLEN STEUNEND OP HET SCHEMA
Vertel de inhoud van de tekst a.d.h.v. je schema,
eventueel luidop. Je kan de tekst daarna nog eens
lezen.
HERHALEN
Voorzie een moment om de geleerde inhoud nog
eens te herhalen. Herhaal je schema bv. door het in
eigen woorden na te vertellen aan iemand.
Gebruik kleuren om je schema duidelijker te maken.
Als je moeite hebt met het vinden van kernwoorden kan je de titel
omzetten in een vraag. Het antwoord erop duidt dikwijls het
belangrijkste aan.
32
2.2. Werken met een mindmap: horizontaal werken
Wat is een mindmap?
Het is een creatieve methode om structuur aan te brengen in tekstleerstof.
Hoe maken we een mindmap?
Je legt je blad horizontaal. Noteer het
centrale thema waarover de tekst
gaat en zet het in het midden van je
blad. Trek er een cirkel rond.
Trek vanuit deze cirkel lijnen
(vertakkingen) en schrijf hierop de
belangrijkste titels van je les.
Maak vanuit deze titels opnieuw
vertakkingen waarop je de
kernwoorden en kernzinnen schrijft.
Voeg tekeningen en kleur toe om je
begrippen beter te illustreren.
33
Voorbeeld
Door je blad horizontaal te leggen bij mindmapping gebruik je je beide hersenhelften
zodat je nog meer uit je brein kan halen, bv. taal (linkerhelft) en creativiteit
(rechterhelft).
Voor schrijf- of spreekoefeningen is mindmapping een ideale
manier om te vinden waarover je gaat schrijven of vertellen
= brainstormmethode.
Op het internet vind je gratis handige programma’s om
mindmaps te maken (emindmap.nl).
34
2.3. Herhalen door zelf een toets op te stellen
Als je een tekst gestudeerd hebt, kan je deze leerstof herhalen door zelf een toets
opstellen. Hoe doen we dit?
Lees de tekst en (eventueel) je schema.
Herlees deel per deel en stel bij elk deel schriftelijke vragen. Baseer je vragen
op de aangeduide kernwoorden. Stel vragen over de belangrijkste delen van
de leerstof!
Maak je zelfopgestelde toets.
Gebruik vraagwoordvragen i.p.v. ja-neevragen.
Stel verschillende soorten vragen, bv. een vraag waarbij je
een woord moet verklaren, een vraag waarop je met een
titel moet antwoorden, een vraag waarop je met een blokje
tekst moet antwoorden…
Vermijd gemakkelijke (meerkeuze)vragen.
Denk eraan dat op een toets niet alles letterlijk (zoals het in
de cursus staat) gevraagd wordt.
2.4. Enkele oefeningen
o Opdracht 1: Duid in een les die je moet studeren de kernwoorden aan
(= belangrijkste woorden).
o Opdracht 2: Maak van een les (bv. geschiedenis, aardrijkskunde,
natuurwetenschappen…) die je moet studeren …
- een schema (verticaal)
- een mindmap (horizontaal)
Er is plaats voorzien op de volgende bladzijden.
Volg de stappenplannen.(p. 31 – 33) bij het uitvoeren van deze
opdracht.
35
Verticale schema
36
Mindmap
37
o Opdracht 3: Maak een schema of een mindmap voor een les die je moet
studeren. (bv. geschiedenis, aardrijkskunde, natuurwetenschappen…)
38
o Opdracht 4: Stel zelf een toets op bij een les die je moet
studeren. Noteer minstens vijftien goede vragen. Houd
rekening met de gegeven tips (p. 35).
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
o Opdracht 5: Laat jouw toets (opdracht 4) ook eens zien aan je buur. Bespreek
elkaars vragen. Welke vragen zijn (niet) goed? Waarom?
39
LEERSTRATEGIE
3. WOORDENSCHAT
Een andere soort leerstof bestaat uit woordenschat of begrippen. Je wordt geacht die
te kennen, te begrijpen, te gebruiken en toe te passen.
3.1. Studeren voor woordenschattoets
Volg onderstaand stappenplan:
Lees de woordenlijst (+ eventueel voorbeeldzinnen) grondig door.
Let hierbij op het geslacht van het woord.
Let ook op de schrijfwijze van het woord en de eventuele
schrijfmoeilijkheden (accent, dubbele of enkele medeklinker,
hoofd- of kleine letter …) Duid die moeilijkheden aan met
markeerstift.
Je leest de verklaring (+ eventueel voorbeeldzinnen) een tweede keer, waarbij
je het nieuwe woord afdekt en zelf probeert aan te vullen.
Je kopieert het nieuwe woord (+ geslacht) op een blad.
Je schrijft het nieuwe woord uit het hoofd op, terwijl je enkel nog de verklaring
kan zien.
Je verbetert jezelf en duidt aan waar de schrijfmoeilijkheden zitten.
Maak nu voor jezelf woordenschatoefeningen opnieuw.
HERHALING is de allerbeste manier om de nieuwe woorden te blijven
onthouden!
40
3.2. Aan de slag!
Opdracht: Studeer nu samen met je leerkracht een les vocabulaire.
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
41
Het is belangrijk de nieuwe woorden niet alleen te zeggen, maar ze ook op te
SCHRIJVEN! Controleer de schrijfwijze! Fout geschreven woorden leveren immers
geen punten op.
Franse, (Latijnse) en later ook Engelse woordjes zou je ook op handige kaartjes
kunnen zetten: vooraan schrijf je het woord, op de achterkant de vertaling. Deze
kaartjes kan je het hele jaar door gebruiken.
Gebruik ook eens een andere volgorde om te checken of je de
woorden of begrippen écht kent.
Leer niet te veel woorden in één keer. Als de hoeveelheid
woordjes te groot is, leer de woordenlijst dan in delen.
42
LEERSTRATEGIE
4. DEFINITIES
4.1. Wat is een definitie?
Een definitie is een nauwkeurige omschrijving van een
woord of begrip. Je moet ze steeds correct weergeven:
met de juiste woorden en in de juiste volgorde.
4.2. Hoe studeer ik een definitie?
Bij een definitie is het belangrijk dat je alle woorden
juist kan 'aframmelen'. Hiervoor volg je volgend
stappenplan:
Lees de definitie hardop.
Bekijk (eventueel) de afbeeldingen bij deze definitie.
Denk eraan: een definitie bestaat uit drie delen:
1. Herhaal het begrip waarvan je de definitie moet geven.
2. Zeg tot welke groep het begrip behoort.
3. Zeg aan welke kenmerken er moet voldaan worden.
Duid de drie delen aan in drie verschillende kleuren.
Nu moet je de definitie (in drie delen) uit het hoofd leren d.w.z. enkele keren
opschrijven en enkele keren luidop zeggen.
Tijd voor de proef. Leg je map of boek gesloten op veilige afstand, zodanig dat
je niet gaat spieken. Schrijf de definitie nogmaals op, zonder te kijken!
Je controleert de definitie en vergelijkt nauwkeurig elk woord met dat uit je
boek.
Fouten? Herbegin bij stap 3.
43
Opdracht: Duid in onderstaande definities de drie delen aan. Gebruik drie
verschillende kleuren.
Snijdende rechten zijn rechten die juist één punt gemeenschappelijk hebben.
De afstand van een punt tot een rechte is de afstand van dat punt tot het
voetpunt van de loodlijn uit dat punt op die rechte.
Probeer de definities te memoriseren.
Dek nu de bovenstaande definities af en probeer ze hier opnieuw te noteren:
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
Als je de definitie kent, ga dan verder met je ander schoolwerk. Als je
daarmee klaar bent, controleer je of je de definitie nog kent.
44
LEERSTRATEGIE
5. TEKENINGEN / KAARTEN
5.1. Tekeningen
Bij het studeren van tekeningen moet je:
- aangeduide delen kunnen benoemen op een identieke tekening.
- aangeduide delen kunnen benoemen op een gelijkaardige tekening.
- een tekening zelf kunnen maken.
Plaats de tekening binnen de context.
Lees eventueel ook de uitleg die bij een tekening hoort.
Leer de tekening door de afdekmethode toe te passen:
- je bedekt de tekening en leert de begrippen
- je bedekt de begrippen af en je plaatst ze bij de juiste delen
- je benoemt de begrippen ook eens door elkaar
- je maakt een grove schets van de tekening uit het hoofd.
Kijk ook hoe de delen van je tekening zich ten opzichte van elkaar bevinden en hoe
de verschillende delen in grootte van elkaar verschillen, bv. de delen van het
menselijk lichaam: waar ligt het hart ten opzichte van de longen? – Hoe groot is een
nier ten opzicht van de lever?
Opdracht: Neem een tekening die je moet kennen en teken ze over op de volgende
bladzijde. Houd rekening met de tips die je hierboven kreeg!
45
Tekening:
46
5.2. Kaarten
Plaats de kaart in de context.
Situeer de kaart in tijd en ruimte.
Wat kan je op de kaart aflezen?
Benoem de verschillende gebieden door de afdekmethode toe te passen.
Maak een grove schets van de kaart uit het hoofd.
Opdracht: Neem een kaart die je moet studeren en voer bovenstaand stappenplan
uit.
Kopieer op voorhand de niet ingevulde tekeningen of kaarten zodat je
deze later kan gebruiken om je les te herhalen. Of neem een kijkje op
internet, daar vind je ook blanco kaarten.
47
LEERSTRATEGIE
6. OEFENINGEN
6.1. Op school
Je maakte al veel oefeningen in de klas. Je kan in de klas al aanduiden welke
oefeningen moeilijk zijn voor jou zodat je deze thuis kan hermaken.
6.2. Thuis
Thuis moet je in elk geval voor jezelf nagaan of je die vaardigheden nu ook
zelf en dus zonder hulp van je leerkracht beheerst. Dat doe je door oefeningen die in
de klas hebt gemaakt opnieuw te maken.
Basisregels hierbij zijn:
- dat je zeker moet zijn dat je de nodige theoretische kennis en het nodige inzicht
bezit.
- dat je nooit oefeningen uit het hoofd leert. Je probeert de oefeningen op te
lossen!!!
- Je controleert steeds of je eigen oplossingen en werkwijze de juiste zijn.
48
Begin eerst met de oefeningen die je goed kan, daarna maak je de moeilijkere
oefeningen.
Je mag altijd je voorbereidingen afgeven aan je
vakleerkracht ter controle.
Je kan aan je vakleerkracht altijd extra oefeningen
vragen om thuis te maken, deze kunnen ook op
Smartschool staan.
Zorg dat je steeds oefeningen maakt waarvan je een verbetersleutel hebt.
49
LEERSTRATEGIE
7. LEERTRUCJES
Bepaalde zaken zijn écht moeilijk te onthouden. Je bent dan geneigd nogal snel
dingen door elkaar te gooien. Door er een systeem in aan te brengen, maak je het
voor je hersenen eenvoudiger moeilijke dingen te onthouden.
Extraatje: Bekijk het YouTube-filmpje ‘How to Memorize a Deck of Cards with
Dominic O'Brien’. In dit filmpje legt Dominic O’Brien uit welke techniek hij gebruikt om
een reeks van 52 kaarten te onthouden. Dominic O’Brien is achtvoudig
wereldkampioen Memory.
7.1. Trucjes om leerstof te onthouden
Opdracht: Je krijgt precies twee minuten om deze rijen letters in de juiste volgorde
uit het hoofd te leren.
1. Q / R / V / B / S / R / W / Z / T / F / M
2. A / B / A / C / A / D / A / E / A / F / A
3. A / P / P / E / L / S / I / E / N / E / N
Welk trucje gebruikte je om de letters te onthouden? Welke reeks was de
moeilijkste?…………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………..
50