Een zandplaat in de Oude Maas
1
Inhoud Blz. 9
Blz. 12
Stamboom Blz. 14
Het Rhoonse Veer Blz. 19
Jan Lodder B,z. 22
Meetbrief Vrouwe Aagje Blz. 24
Registratie Blz. 29
De sluis Blz. 31
De Vier Gebroeders Blz. 39
Willem Arie Lodder Blz. 42
De Losbak Blz. 47
Crises Blz. 55
Opoe Aag Blz. 61
1945 bevrijding Blz. 64
De jaren vijftig Blz. 70
Watersnood Blz. 76
Baggeren Blz. 80
Blankenburg Blz. 84
Gouden huwelijk Blz. 86
Arpa 2 Blz. 88
De oude Schipper Blz. 94
De Aleida
Verantwoording
2
Haast ieder lapje Neerlands grond
werd aan de zee ontnomen;
En als de zee dat prettig vond
zou zij zo vaak niet komen
en bulderen, langs dijk en strand;
“Geef mij terug dat stukje land”
Maar veilig, achter duin en dijk,
hoort Holland naar dat grommen.
En denkt: “Die zee heeft nog gelijk,
dus laat die zee maar komme….”
Maar dat ze bot vangt, dat staat vast,
zolang men op de dijken past;
Zolang men maar het duin behoedt
voor afslag en verstuiven.
Zolang de zee, verwoed,
de golven met d’r kuiven
vergeefs op Holland af doen gaan;
Wij blijven op de landkaart staan.
Jac. Van Hattum
3
Het verhaal van;
Het Rhoonse Veer,
de haven en
een varende familie.
F P Blok - Lodder
Rhoon 2017
4
Ter herinnering aan de 100e geboortedag van Cornelis Lodder,
21- 09 -1917 – 16-08-1973
Schipper van
Sleepkast Pluto
Klipper Nooit Volmaakt
Motorschip Confiance
Bunkertanker Valeta 3
5
6
Inleiding
In de 12e eeuw lag er een zandplaat in de Oude Maas.
In het jaar 1199 kreeg boer Biggo van Duyveland, en zijn neven een leengoed van Dirk 7e,
graaf van Holland. De neven van Dirk waren grondspeculanten en handelden met hun grond.
Maar Biggo vestigde zich op een betrekkelijk klein gebied, op de zandplaat in de Oude Maas,
die hij Rhoden noemde.
Je kunt je afvragen, wat heeft die Graaf Dirk gedaan om aan die rijkdom te komen, en land
zomaar aan een boer kon schenken. En, wat zou boer Biggo gepresteerd hebben om die
zandplaat te krijgen. Zo zijn en blijven er altijd vragen over de geschiedenis Maar, dat ging
vroeger zo.
De plaat werd door de rivier aangeslipt, na het bedijken bouwde hij op die grond een Slot en
een Kerk. De rivier bleef het gebied aanslippen en er kwamen steeds meer dijkjes, later dijken
en bewoners. Zo is Rhoden, later Rhoon, met zijn polders gegroeid, het werd een
‘Heerlijkheid’ met alle rechten die daar bij hoorden. Eigenlijk gebouwd en ontwikkelt door
mensenhanden, die kwamen van overal om dijken te bouwen en het werk voor ‘Biggo’ te
doen. Hij zal zelf geen vuile handen gekregen hebben. De dorpelingen hadden niet veel meer
rechten dan lijfeigenen, maar dat maakte in die tijd niet uit. Niemand was zijn eigen baas. In
1421 heeft de St Elizabetsvloed het gebied overstroomd, het kerkje en het Slot verwoest. In
1433 is het kerkje weer herbouwd en het slot werd nu een Kasteel, maar dat heeft niet lang
mogen duren.
In 1489 werd het dorp door de Hoeken overvallen, de bewoners moesten zelf de gestolen
goederen vervoeren naar Rotterdam. Het Kasteel werd geplunderd en in brand gestoken.
Alles kon weer van voor af aan opgebouwd worden en was het een periode rustig.
Tot 1669, toen werd een groot deel van Rhoon door brand verwoest. Zo ging dat in die tijd,
verwoesting door overvallen, geweld, brand of overstroming. Maar de mens was niet te
stoppen en begon weer opnieuw.
In 1683 waren de centen van Biggo zijn nazaten op en werd de ‘Heerlijkheid’ verkocht aan
Hans Willem Bentinck, iemand met een hele lijst van dure namen. Tijdens de reformatie is de
kerk bezet door protestanten, de Roomsen mochten in het kasteel hun diensten blijven
houden, in de slotkapel.
Bentinck had geen bezwaar tegen de ‘Roomse kerk’. Rond het Rhoonse veer, waar nu de
huidige kerk staat, waren de bewoners katholiek gebleven. Het veer was een gehucht en was
een gemeenschap wat los stond van het dorp. De bewoners waren in de loop der jaren een
hechte gemeenschap geworden. De Essendijk is gebouwd als een zware rivierwaterkering en
is dat tot in de 17e eeuw gebleven. Totdat een nazaat van Bentinck de polders daar buiten liet
indijken. Een van die polders werd vernoemd naar zijn overgrootvader, de Graaf van
Portland. Die dijk werd de zeedijk, de bevolking noemde dat de Buitendijk, de dijk liep buiten
de Zegenpolder tot aan de haveningang. Daar werd een havendijk gebouwd om de polders te
beschermen. Zo is Rhoon in enkele eeuwen een poldergebied geworden met grote
boerenhofsteden. Hofsteden, zo kunnen we de boerderijen wel noemen, de boeren waren
pachters van de grootgrondbezitter. Sommige boeren hadden goed geboerd, die waren ook
eigenaar van hun bedrijf. Zij hielden er, op hun manier, een ‘hofhouding’ op na. Het personeel
had niets in te brengen, alleen maar goede handen om vele uren per dag te werken. Geen
werk, geen loon. De laatste Bentinck moest in 1830 door geldgebrek de ‘Heerlijkheid’ Rhoon
en Pendrecht verkopen aan de meest biedende, dat was de Rotterdamse koopman en reder,
Anthony van Hoboken. Die bracht vele weekenden in het Kasteel door. De ‘Heerlijkheid’
eindigde zoals ze was begonnen: als een familievennootschap.
7
De haven van Rhoon in 1900
Een dorp dat door een haven met het grote
vaarwater verbonden was, had naast goede
verbindingen te land voor aan en afvoer van
producten en koopwaren, een groot gemak en
voordelen.
8
Stamboom van familie Lodder
Stamboom geboren overleden
Cornelis Lodder 1495 Goedereede 1530 Middelharnis
Leendert Cornelisz Lodder 1530 Middelharnis 1591 Middelharnis
Deemes Leendertsz Lodder 1565 Goedereede 1617 Dirksland
Cleijs Dammisz Lodder schipper 1605 Heerjansdam onbekend
Leendert Cleijsz Lodder schipper 1637 Heerjansdam 1688 onbekend
Dammis Leendertsz Lodder 1680 Heerjansdam 1765 Ridderkerk
Gerrit Dammisz Lodder 1714 Ridderkerk 1808 Ridderkerk
Leendert Gerritsz Lodder 1761 Ridderkerk 1808 H I Ambacht
Paules Leendertsz Lodder 1785 H I Ambacht 1845 Rhoon
Cornelis Paulesz Lodder 1814 Rhoon 1881 Rhoon
Jan Lodder schipper 1840 Rhoon 1909 Rhoon
De naam Lodder is een tweestammige Germaanse naam, met ongeveer de betekenis
van’’beroemd en sterk”
Jan Lodder is de schipper waar ik het verhaal mee ga beginnen.
9
De familie Lodder komt oorspronkelijk uit Goedereede en heeft zich door grote gezinnen
uitgebreid. Alleen de eerste stamhouder, Cornelis Lodder geboren in 1495, had maar twee
zonen, waarvan een de Schout van het Oude Land van Goedereede is geworden. Deemes
Leendertsz, geboren in 1565, is van Goeree- Overflakkee vertrokken en varende in
Heerjansdam terecht gekomen. Daar waren grienden langs de Oude Maas en rietvelden in
overvloed, dus werk. Zijn familie is op het eiland IJsselmonde blijven wonen. Veel mannen
hebben op en met het water te maken gehad. In 1680 is Dammis Leendertsz naar Ridderkerk
verhuisd en daar woont nog altijd nageslacht van hem. Leendert Gerritsz Lodder, geboren in
1761, is weer in Hendrik Ido Ambacht gaan wonen. Hij heeft zes kinderen gekregen en is op
jong leeftijd gestorven. Zijn zoon, Paulus Leendertsz, geboren in 1785, is getrouwd met Lijda
Lems in 1806. Zij was de dochter van veerman Lems die van Pernis naar Schiedam voer.
Paulus was een koopman die regelmatig ook naar Schiedam voer met de veerboot, zo heeft hij
zijn liefde ontmoet. Hij is in Rhoon komen wonen en heeft een mooie boerderij gehuurd aan
de Zantelweg. Zij kregen 9 kinderen waar van twee na de geboorte zijn gestorven. De
kinderen van Paulus Leendertsz zijn over de regio verspreid, in Pernis, Hoogvliet, Poortugaal
en Rotterdam kom je de naam Lodder tegen die hun roetsj in Rhoon hebben. Een van hun
zonen, Cornelis Paulesz, geboren in 1814, trouwde in 1835 met Neeltje Jans Koedood. Neeltje
is na 10 jaar overleden, er waren zeven kinderen geboren waarvan er nog vijf leefden.
Cornelis Paulus is hertrouwd in 1847 met Pietertje Arys Verheij. Zij hebben samen nog negen
kinderen gekregen.
Een aantal familieleden van Lodder woonden aan de havendam in Rhoon of op hun schepen,
zij waren de laatste schippers die van de haven gebruikt maakten. Dit verhaal gaat over de
geschiedenis van het Rhoonse veer, de haven met de familie Lodder en het leven aan boord
van hun schepen, in een soms hectische tijd. Jan Lodder was een zoon van Cornelis Paulesz.
De Boerderij aan de Zantelweg
10
Het Rhoonse Veer
De Veerstoep
11
Het Rhoonse Veer.
Op het Rhoonse Veer stond sinds 1688 een veerhuis. Er voer in die tijd een veer naar Oud-
Beijerland. De handel breidde uit, er kwam meer volk zodat het veerhuis ook voor logies werd
gebruikt. Het was gedeeltelijk een boerderij. De paarden konden er uitgespannen worden
zodat de reizigers hun paard konden wisselen, of zonder paard met het veer mee gaan. Het
veerhuis had dan ook de naam “De Uitspanning”. Nadat het veer opgeheven was bleef het een
café. In 1860 werd Klaas Dits de nieuwe eigenaar, hij heeft er eerst een zetbaas ingezet. Het
café kreeg een andere naam,”De Gouden Arend”. Een café baas had het niet breed en hij was
blij dat er een stuk land bij was om voor zijn gezin eten te kunnen telen. Daarna is zoon Nico
café baas geworden. Nadat de katholieke kerk gebouwd was kwamen de kerkgangers die
verder weg woonden met paard en wagen of de koets, de paarden werden dan bij het café
uitgespannen en konden daar aan een ring wachten tot de kerk uit was. De familie Dits heeft
met vier generaties in het café koffie en borrels geschonken. Het was een komen en gaan van
mensen uit de bouw en hun bazen. Nieuwe karweien werden er besproken en ook het
broodtrommeltje werd er genuttigd. Het biljart is jaren lang gekoesterd door liefhebbers. En
de klaverjassers, die wisten ook de deurknop te vinden. Wanneer de kerk uitging liepen de
jonge mannen even de kroeg in, dat kon je wel traditie noemen. Het was een vrolijke boel op
het Veer. Feesten waren er ook, veel jongelui van het veer hielden er hun bruiloftsfeest. De
ouderen hun zilveren of gouden huwelijks feest. Later is het café Havenzicht gaan heten. Dits
was een bekende familie in Rhoon, drie zonen van de oude Nico zijn café bazen geworden,
toen Nico café baas werd in de “Gouden Arend”, is zijn zus Machteltje met haar man aan de
dorpsdijk een café begonnen. Seeger Dits beheerde het café de ‘Tol’, daar had de oude Klaas
een boeren bedoening. De tol lag bij de Koedood, het riviertje tussen Rhoon en Charlois.
Iedereen die naar Charlois wilde moest daar tol betalen. Daarna is het vliegveld Waalhaven er
gekomen. Neef Hendrik Dits had een café aan de Dorpsdijk samen met zijn zus, bekend als de
‘Nellie’ bar. Zo was de familie Dits het sociale middelpunt in het Rhoonse leven, vooral op
het Veer. Het café was vroeger ook belangrijk bij werkverdeling, veel bazen zochten hun
personeel daar.
De laatste eigenaar, Henk Dits, is in 1960 overleden, zijn vrouw werd toen eigenaar. Met haar
tweede echtgenoot hebben ze het café beheerd tot aan zijn pensioen. Toen is de zaak aan een
vreemde verkocht. Het café kreeg weer de oude naam,”De Gouden Arend”.
De familie Dits heeft 100 jaar het café beheerd. In de volksmond werden de bewoners van het
Veer als katholieken weg gezet maar er woonden bijna net zoveel protestanten. Veel
bedrijven hadden verschillende pannen op het vuur, de familie Veldhuijzen hadden een
graanmalerij. Zij kochten bij de boeren het graan maalden dat en verkochten het aan de
bakkerijen. Malen deden ze ook voor derden, ze hadden koeien in de wei en varkens in het
hok. Voor de kerstdis liepen er ook kalkoenen in de wei. In de winter stonden de koeien in de
stal die naast de malerij stond. De kinderen uit de buurt gingen altijd kijken naar het melken
en ze konden geweldig spelen op de graanzolder. Er waren het hele jaar door jonge poesjes,
dat was wel nodig om de muizenfamilies te bestrijden maar de kinderen vonden dat prachtig.
Er waren schippers die niet alleen het vervoer deden maar ook de handel. Zodra je het over
het Veer hebt dan beginnen, de nu oudere, bewoners te glunderen. Zij houden nog altijd van
het Veer en geen kwaad woord erover. Het was een elderado voor de jeugd, dat zijn ze niet
vergeten. Als je het over saamhorigheid hebt dan was het daar wel.
In 1775 was een grote watersnood de oorzaak dat alle huizen buitendijks vol water stonden en
over de dijken heen stroomde. Dat bezorgde veel overlast voor de bewoners.
Om dat in de toekomst te voorkomen werden ‘steunberen’ voor de huizen aan de Dorpsdijk
gebouwd waar vloedplanken in gezet konden worden.
12
De uitwatering van de polder ging via een gemaal bij de Koedood en een gemaal aan de
havendijk. Achter de Dorpsdijk liep een wetering, ‘het Spui’, waar ook polderwater in werd
geheveld. Het Spui liep door een duiker onder de kade over in de haven. Bij grote droogte
ging het water met de vloed uit het Spui naar de polder. De haven was van de ‘Heerlijkheid’,
er lagen schepen die van en naar andere havens voeren met bijna alles wat men in die tijd
nodig had om te leven.
De havens van Zuid West Nederland waren getijden havens, die liepen helemaal leeg met laag
water, wat voor de schepen lastig was, die moesten voor de haveningang wachten tot er
genoeg water was om binnen te lopen. Ik zeg wel lopen, maar dat ging gepaard met veel
handkracht. Met de vaarboom werd een schip de haven in geduwd. Het waren
mannetjesputters, ze werkten van zonsopgang tot zonsondergang. Langs een kanaal of smal
vaarwater liepen Jaagpaden. Die waren om het schip met een lijn te trekken wanneer er geen
wind of tegen wind was. Soms huurde men een paard maar meestal ging de knecht, of als er
geen knecht was, de vrouw en de kinderen in de lijn. Dat was zwoegen, maar de kosten van
het jagen met een paard was zelfs hoger dan het sluizengeld.
In en om de Rhoonse haven woonden een aantal families [schippers], er waren
marktschippers, die brachten allerlei koopwaren naar de markten en namen ook weer waren
mee terug om in Rhoon te verhandelen. Graan, vlas, aardappelen, bieten, griendhout, riet
boomstammen, stenen zand, grind en vis, alles ging en kwam per schip.
In de steden Rotterdam en Schiedam kwamen steeds meer mensen wonen, die moesten
gevoed worden, de polders rond die steden leverden dat. De land en tuinbouw met alle neven-
activiteiten breidde uit, ook in de polders van Rhoon.
13
Jan Lodder en zijn nageslacht.
Jan Lodder schipper 1840 Rhoon 1909 Rhoon
Getrouwd 1865 met
Neeltje Hoogstad 1837 Rhoon 1882 Rhoon
Kinderen
Cornelis 1866 Tiel 1866
Cornelis schipper 1866 Haaften 1931 Rotterdam
Annetje 1868 Rhoon
Neeltje 1871 Zevenhuizen 1928 Rotterdam
Jan schipper 1873 Rhoon 1928 Rotterdam
Pietertje 1875 Rhoon 1882 Rhoon
Willem 1882 Rhoon
Jan Lodder, geboren in 1840, was een zandschipper, Jan kocht zijn eerste schip in
1865, en trouwde met Neeltje Hoogstad.
Zij voer de eerste jaren mee, de oudste kinderen zijn in Tiel, Haaften en Zevenhuizen
geboren. Hij voer met zijn zandaak naar Vuuren, Sleeuwijk en Woudrichem, soms ook naar
de Hollandse IJssel. Daar baggerden de IJssel- mannen, dat waren er veel, zij deden goede
zaken met het leveren van zand voor het dempen van de Coolsingel. Zij werden ‘rijke’ IJssel-
mannen genoemd.
Dat varen viel niet mee in die tijd, op het zeil naar de laad en losplaats en hopen op gunstige
wind. Dikwijls stroom tegen, als er geen wind was moesten ze [boegseren] slepen met de
roeiboot.
Krimpt de wind of gaat hij breed staan, hoe zit het met de stroom? Dat waren de vragen van
die tijd. Het was een spel van geluk, voorspoed en tegenspoed, varen alleen was geen vetpot.
Door de verkoop van het zand werd er verdiend. Naar bed gaan konden zij wel vergeten. Ook
een gezin, dat meevoer moest zich aanpassen aan het varen, de vrouwen moesten meewerken
met varen, laden en lossen. Met slecht weer mochten de kinderen niet in de roef slapen, de
roef was in het vooronder, dat was te gevaarlijk, als er een aanvaring zou zijn konden ze niet
op tijd worden gered. De kleine kinderen werden vastgesjord achterop, eventueel in een kistje,
zodat ze niet overboord konden vallen. Ze moesten opgroeien met het harde leven aan boord,
de kinderen en de vrouw hadden niets in te brengen, de ouwe had altijd gelijk,
‘Als je alles alleen van de zwarte kant bekijkt hoef je in Holland nooit uit te varen, als het
even kan plan trekken en varen’, dat was de wet van de schipper.
Voor de vrouwen was het een zwaar leven, helemaal wanneer ze niet van de vaart kwam.
‘Een vrouw van de wal staat soms mijlenver van een schip af, zelfs als ze er bovenop staat’,
was een gezegde. Toch moest ze mee werken om een boterham te verdienen.
Eigenlijk, was ze blij wanneer er geen wind was, dan had ze tijd voor iets anders. Met kleine
kinderen was er altijd wat te doen, waar ze tijdens het zeilen niet aan toe kwam. De schipper
wilde graag verder, maar boegseren kon niet wanneer de stroom tegen was. Het verder varen
moest dan wachten tot de wind kwam.
14
De ruime wind
De wind, de wind is eindelijk door gekomen
na dagen, lang van wachtend ongeduld,
De wind, die ’t alles weer heeft ingenomen,
en die opnieuw de ronde ruimte vult.
De wind, die in de witte wolken schatert
en,- bij ’t ontzwellen aan ’t verwijderd land,
de lichte zee met koppen dicht bemant,
zoo dat het langs de boorden klotst en klatert.
In water, dat geen rimpeling bewoog,
lagen de schepen dagen lang te dromen,
de lege zeilen hulpeloos omhoog.
Nu is van ‘wachtend volk de wens vervuld.
De wind, de wind is eindelijk doorgekomen,
de brede wind, waarop de wimpels stromen.
Na dagen, lang van ongeduld.
De wind is door, de strakke zeilen grijpen
met duizend vingertjes zich aan de leiders vast
In ’t buigend tuig dat, zwierig opgebrast
de rakken spant, die in stengen knijpen.
De boom staat breed, getalied tegen ’t gijpen.
De vlaggenrimpels vluchten aan den mast.
Jan Prins
Zandwinning op de IJssel in de 19e eeuw
15
Wanneer de jongens groter werden en er kleintjes bij kwamen moesten de jongens in het
achteronder gaan slapen. De jongste kinderen lagen in een krib aan het voeteneind bij de
ouders in de kooi. Het was een passen en meten. Dan moest er ook nog gekookt worden en de
was gedaan, meestal elk jaar een baby, de vrouw moest ook nog tijd hebben om de baby de
borst te geven. Dan denken wij, moderne vrouwen, dat we het druk hebben, dat was in die tijd
wel wat anders.
Het leven aan boord was geen pretje voor een schippersvrouw. De oudste jongens moesten
ook meewerken aan boord. Zodra een zoon groot genoeg was, ging hij bij een andere schipper
of aan de wal werken.
Als ze eindelijk op de laadplaats waren moest er gebaggerd worden, zand baggeren deed men
vanaf het schip en gebeurde met een beugel. Dat was een grote juten zak aan een ronde
smeedstalen beugel, die zat aan een lange stok en zo werd het zand om hoog gehaald en
omgekeerd boven het ruim.
De schipper stond van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in het gangboord met natte voeten
en zijn broekspijpen tot boven aan toe nat. Er waren dan ook nooit broeken en borstrokken
genoeg. Het beugelen was een speciale techniek, vooral het, in een vloeiende beweging, legen
van de beugelzak boven de laadruimte was een kunst.
Toch was het een hele verbetering, eerst
ging het met een kruiwagen. Dan werd
het scheepje voor en achter voor anker
gelegd en de loopplank uit. Een
kruiwagen werd vol geschept en via de
loopplank het ruim in gekiept. Daar
werden mensen voor gehuurd die bv. in
Vuuren woonden, dat was hun
broodwinning. Het nieuwe beugelen was
eigenlijk hetzelfde als de industrialisatie,
het koste werkgelegenheid. Er kon wel
op dieper water gebeugeld worden.
Er was concurrentie om de beste
laadplaats te vinden en het anker te laten vallen. Tussen Hardinxksveld en Vuuren lagen
dikwijls veel zandaken die beugelden voor het leven. Toch was het niet allemaal kommer en
kwel. Ze waren blij als ze leeg waren, blij als ze vol waren, blij als ze voor de wind hadden,
maar nog blijer als ze konden laveren, dan ging het om het hardst. Wedstrijd varen zat in de
genen van de mannen, dat was voor hun ontspanning.
Als het ’s avonds donker was dan lagen ze voor anker, je kon precies zien hoe ze lagen want
de olielamp hing in de mast voorop. Het zal een fraai gezicht zijn geweest al die lampen aan
de masten, het enige licht dat er was. Zo heeft Neeltje acht jaar mee gevaren, dat waren voor
haar geen plezier tochtjes. Zwanger, varen en voor de kinderen zorgen, dat viel niet mee.
Neeltje is na haar vierde baby aan de wal gaan wonen. Jan zijn broer Arij wilde graag varen
en werd knecht bij Jan. Neeltje heeft niet lang van haar huisje kunnen genieten, ze is na haar
vijfde kind, 44 jaar oud, in januari 1882 gestorven. De baby is kort na haar overleden.
Jan ging op zoek naar iemand die voor zijn kinderen kon zorgen wanneer hij onderweg was.
Aagje Gielen was 27 jaar en op weg om een oude vrijster te worden, zij werd Jan zijn
huishoudster. Daar heeft hij een relatie mee gekregen en in december 1882 werd een zoon
geboren, Cornelis. Omdat hij niet met Aagje was getrouwd kreeg Cornelis de naam van zijn
moeder, Gielen. In 1883 zijn zij getrouwd, Aagje heeft nooit mee gevaren, ze is aan de wal
blijven wonen. Cornelis, zijn zoon uit het eerste huwelijk was al oud genoeg om met zijn
vader mee te varen, Arij kocht een eigen schip, de Avontuur waarmee hij van alles vervoerde
wat er aan geboden werd.
16
Arij Lodder met zijn schip Avontuur
Jan Lodder 1840 Rhoon 1909 Rhoon
Cornelis Gielen 1882 Rhoon Rhoon
2e huwelijk van Jan Lodder 1883 met
Aagje Gielen 1855 Poortugaal 1942 Rhoon
Geboren
Lijdia Lodder 1883 Rhoon 1958 Leiden
Jannetje Lodder 1884 Rhoon 1885 Rhoon
Jannetje Lodder 1885 Rhoon 1949 Rotterdam
Willem Arie Lodder 1887 Rhoon 1972 Rhoon
Wijnand Lodder 1889 Rhoon 1919 Rotterdam
Arie Lodder 1891 Rhoon
Aagje Lodder 1892 Rhoon Katwijk
Jacob Lodder 1894 Rhoon 1980 Rhoon
Maria Lodder 1895 Rhoon 1961 Rhoon
Leendert Lodder 1898 Rhoon 1974 Pernis
Rotterdam
17
Het gezin van Jan en Aagje werd uitgebreid met 11 kinderen, zij gingen naar school zo goed
en kwaad als het ging. Het gezin bestond nu uit 16 kinderen. Zand en grind varen was ook
handel, de schipper verkocht zelf aan de afnemer. Eigen baas zijn zat in de genen van de
familie, in de stamboom komen veel familieleden voor die het heft in eigen hand hebben
gehouden.
Jan was een echte zandhaas, het water werd tot karnemelk gevaren, hij moest wel, er waren
veel monden te voeden. Er werd steeds meer zand gevraagd, dan moet je kunnen leveren, zo
is het nu, maar was het toen ook.
De wereld stond aan het begin van de industriële revolutie, de gloeilamp was uitgevonden, dat
was een hele verbetering en gaf mogelijkheden die men niet voor mogelijk had gehouden. De
waterweg werd door Pieter van Calland gegraven. Voor de scheepvaart naar zee was dat een
verbetering, eerder voeren de schepen door de Brielse Maas. Toen het Brielse gat dicht slipte,
voeren de schepen door het Voornse Kanaal naar zee. Toen de Nieuwe Waterweg in 1882
klaar was konden de zeeschepen daar door naar zee varen. Er waren kooplieden en boeren die
goede zaken deden in de opkomende economie, het ging langzaam maar het was een dun
lijntje omhoog naar een beter leven, al gold dat niet voor iedereen. De Rhoonse gemeenschap
breidde uit, er werden arbeiders huisjes gebouwd, de handel ging steeds beter, er waren veel
kleine winkeltjes. Meestal deed de vrouw de winkel en manlief werkte bij een boer.
De vraag naar zand en bouw materiaal nam toe. Er werden nieuwe woningen gebouwd,
meestal op eigen initiatief of gefinancierd door particulieren. Er waren altijd mensen die geld
hadden en dat wel wilden uitlenen. Dat was een gewoonte in die tijd. De boeren lieten voor
hun arbeiders ook huisjes bouwen, kleine woningen met een of twee bedsteden en een open
zolder waar de kinderen sliepen. Het was pure armoede, de vrouwen hadden veel kinderen en
waren wasvrouw, hadden een winkeltje of werden werkster bij een boerin of een mevrouw.
Voor een vrouw was het leven niet gemakkelijk, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat was
het zorgen dat het gezin bleef draaien. Manlief had meestal geen vast werk, maar ze lusten
ook graag een borrel in het café, dan werd het karige loon verbrast. De kruidenier moest de
boodschappen maar weer op de lat bijschrijven. Zodra er weer een beetje loon binnen kwam,
dan kregen hij en de huisbaas ieder hun deel. Het was altijd schipperen voor moeder de
vrouw. Zodra de kinderen wat groter werden was ieder karweitje, wat een van de kinderen
kon doen om een centje te verdienen welkom. Veel bewoners hadden een tuin waar de
aardappelen en groeten kon worden geteeld. Een paar kippen hielden ze voor de eieren en die
werden, als ze oud waren, geslacht voor de soep.
Als het even kon lijden was er een geit voor de melk, maar een varken in een varkenshok was
niet voor iedereen weggelegd. Zo moesten ze het leven zien door te komen en kinderen op
hun toekomst voorbereiden.
Voor schipper Jan gingen de zaken goed, regelmatig werden er huizen gebouwd. Er kwam
meer verkeer van paard en wagen over de dijken en in de polders door almaar groeiende vraag
naar landbouw producten. Het was een drukte in de haven met komende en gaande schepen,
alles werd met een schip vervoerd, wanneer er geen zand nodig was dan waren het wel de
aardappelen, bieten of graan wat vervoerd moest worden. Zo had Jan brood op de plank voor
zijn grote gezin. Zijn zoon Cornelis werkte al als knecht bij een andere schipper en enkele
dochters hadden een baantje bij de vrouw van een boer, dat was zwaar werk en ideaal was dat
niet maar er kwam wat extra in de portemonaie van moeder de vrouw.
18
Het type schip zoals de vrouwe Aagje was.
In 1890 heeft Jan een ander schip gekocht, een
mooie aak zoals er al veel voeren.
Boeieraken waren open schepen en hadden
onder het voordek de roef.
Die schepen waren uitstekende zeilers. Het tuig
bestond uit een grootzeil aan een gaffel en een
fok. De aken werden hoofdzakelijk gebouwd
voor de zandwinning in de rivier. Een ander
type aak op de binnenvaart was de Hasselter
aak.
19
Omdat de Brielse Maas verzandde en het navigeren moeilijker werd, vanwege de vele
zandbanken, werd in 1829 een kanaal door Voorne en Putten gegraven voor een goede
verbinding van Rotterdam naar zee. Het was altijd een drukte bij de sluis van Nieuwenhoorn.
Er waren veerdiensten van en naar Hellevoetsluis, Vlaardingen en den Briel.
Het veer van Hoogvliet naar Spijkenisse
was de enige verbinding met het eiland
Voorne en Putten van af het eiland
IJsselmonde.
De bevolking van de Hoekse Waard wilde
een vaste verbinding naar Rotterdam. In
strenge wintermaanden was door het ijs de
veerdienst niet mogelijk en was het eiland
erg geïsoleerd. Plannen werden gemaakt
om een brug te bouwen, alleen het geld was
er niet. Wanneer de bevolking kon
bijdragen zou, wat er tekort was, de
provincie voorschieten.
De Barendrechtse brug werd gebouwd,
maar er moest wel tol betaald worden.
Het vervoer van en naar de Hoekse waard
was alsmaar drukker geworden. Om de
doorgang voor de scheepvaart vrij te laten
is een draaibrug gemaakt. In Rotterdam
was het aantal inwoners gegroeid van
90.000 tot 300.000, de Hoekse Waard werd
de voorraadschuur van de stad.
Na verloop van tijd is de Rotterdamse Tramweg Maatschappij op gericht, in 1898 ging de
stoomtram naar het eiland rijden.
Het veer naar Goidschalxoord had niet zoveel betekenis meer, alleen fietsers en lopende
mensen maakten er nog gebruik van, veel fietsers waren er toen nog niet. De Spijkenisse brug
werd in 1903 opgeleverd, in oorsprong als brug voor de stoomtram vandaar dat de rails in het
midden van de brug lag.
Er kwamen meer mensen op en om het Rhoonse veer wonen, onder andere ambachtslieden en
landarbeiders, de meesten van hen waren Katholiek.
Aan de Dorpsdijk werd in 1894 de Katholieke Williebrordus kerk gebouwd, dat was voor de
kerkgangers een hele verbetering. Om ’s morgens naar de vroege mis te gaan was dat dan niet
ver lopen voor dat zij naar het werk gingen.
In de grienden was altijd veel werk, de griendwerkers waren vakmensen al werden ze niet
goed betaald. Het werk ging dikwijls van vader op zoon, de zoon ging al op zijn dertiende jaar
mee en tijdens het snoeien van de wilgen ook nog wel jonger. Wanneer er gesnoeid was
werden de takkenbossen op een boot geladen en vervoerd. Dikwijls voeren ze naar de
eilanden, daar konden ze gebruikt worden om matten te maken, daar werd een dijklichaam
opgebouwd of om de dijken te repareren.
Op het veer woonden ook griendwerkers, van een had zijn vrouw een snoepwinkel, ook voor
sommige huishoudelijke artikelen kon je er terecht. Zodra een kind een cent had gespaard of
gekregen dan kochten ze bij haar een dropveter of duimdrop. Voor een halve cent kreeg je een
halve dropveter.
20
Snoepwinkeltje
In de donkere straat
waar het belletje gaat,
kletst ’t deurtje al rinkelend open.
Komen in ’t kamertje klein
bij ’t lampeschijn
de kleutertjes binnen geslopen.
En ’n dappere vent
in zijn knuistje een cent,
stapt naar voor, en blijft
grinnikend zwijgen.
Tot de koopvrouw, geleerd,
zijn fortuin inspecteert,
en verteld wat hij daarvoor kan krijgen.
’T is ’n reep zwarte drop,
koek met suiker er op.
Een kleurbal, een zuurbal, een wafel,
een zoethouten stok,
of ’n kleurige brok,
’t ligt alles bijeen op de tafel.
Als de kapitalist
zich wat dikwijls vergist,
de koek en de suiker beduimelt,
scheldt de juffrouw verwoed,
dat ie ’t kostelijke goed
met zijn smerige vingers verkruimelt.
De kleuter verbaast,
dat de juffrouw zo raast,
smoest stiekem met z’n kornuiten.
De keus wordt bepaald, de kleurbal betaald,
dan schooien ze slent’rend naar buiten.
In de donkere straat
waar ’t troepje nu gaat,
wordt hevig gewikt en gewogen;
Dan zuigen z’ om beurt,
tot de bal is verkleurd.
M. A. De Wijs – Mouton
21
22
In 1900 werd al veel zand geleverd in Ouwenhoorn en Hellevoetsluis. Schipper Jan Lodder is
met, ‘de Vrouwe Aagje’, menig keer door de sluis van het Voornse kanaal gevaren.
Denk maar niet dat de doorvaart door de sluis zomaar ging, nee, dat werd netjes geregistreerd.
De lijsten zijn bewaard gebleven en kunnen nog altijd ingezien worden. Marineschepen uit
Rotterdam voeren ook door het Voornse kanaal. De Marine werf was in Hellevoetsluis, dat
was goede werkgelegenheid voor de bevolking. Maar de meeste bewoners waren boeren en
tuinders, daar had de werf niets aan dus kwam het personeel overal vandaan. Daar moesten
huizen voor worden gebouwd, dat bracht weer werk voor schipper Lodder. Bij de bouw van
huizen werd ook gebruik gemaakt van riet, dat werd aangesmeerd om hard te worden. Dat
was weer werk voor de rietsnijders die langs de Oude Maas het riet snoeiden, dat riet moest
vervoerd worden, zo was er werk en konden de schippers blijven varen.
De dag, tijdstip, de lading, de herkomst van de lading, bestemming en thuishaven, dat werd
allemaal genoteerd. Het ging er net zo aan toe als tegenwoordig, de overheid wist alles van je.
Schipper de Rover was een van de griendschippers die in Rhoon kwam laden en naar
Ouwenhoorn voer. Schipper de Rover staat ook menig keer genoteerd op de lijsten.
Varen naar de sluis was een hels karwei, eerst de Oude Maas af varen, dan de Brielse Maas in.
Hopen op gunstige wind om te laveren tussen de drukke scheepvaart,
Er moest rekening gehouden worden met het getij want er kon veel stroom staan, de Brielse
Maas was nog een open zeegat. Voor deze schepen die een open ruim hadden was het gevaar
van water maken groot. Er zijn dan ook veel schepen ten onder gegaan. Door het kanaal werd,
met wind tegen, aan de lijn gelopen door de knecht of kinderen van de schipper, of er werd
een paard gehuurd. Dat waren weer inkomsten voor de boer. Al het vervoer naar de eilanden
ging via het Voornse Kanaal.
De vissers van Zwartewaal, Brielle en Pernis voeren, met hun sloepen, nog door het Brielse
gat naar buiten om te vissen.
Drukte op de Maas met de ‘zandhazen’
23
De sluis.
De Zegenpolderse dijk kwam tot aan de havendijk, het water kwam en ging de haven in en
uit. Zodra het extreem springtij was of veel bovenwater, stond de havendam blank en het
water in het Spui erg hoog. Woningen aan de havenkade en langs de dorpsdijk die aan het
Spui stonden hadden dikwijls overlast van het water. Na een watersnood in de 18e eeuw is
half Rhoon ondergelopen en moest er bescherming voor de bevolking komen. Er werden
‘steunberen’ gebouwd voor de huizen aan de dorpsdijk langs het Spui, om bij extreem hoog tij
planken tussen te zetten. Dat hielp voor de bewoners in het dorp maar bewoners langs het
Spui hielden wateroverlast. In Rhoon deed de nieuwe tijd ook zijn intree, en werden er eisen
gesteld. De boeren beheerden de polders en dijken via het bestuur van het:
‘ Waterschap De Oude Maas en Nieuwe Maasdijken voor het Land van Rhoon’.
Er waren plannen om de dijken te verhogen maar de financiële consequenties waren te hoog
voor het Waterschap. Besloten werd om de Zegenpolderse dijk [ buitendijk] te laten
aansluiten op de Albrandwaardse dijk die er ook al lag. Toen werden plannen op tafel gelegd
om een keersluis te bouwen, die kosten waren lager.
Die keersluis moest er komen, anders konden de schepen er niet meer in of uit en kon er niet
meer voldoende gespuid worden. Om daar toestemming voor te krijgen moest heel wat water
door de Oude Maas stromen. De keersluis zou de bewoners en erven langs de haven en het
veer beschermen tegen extreem hoge waterstanden. De los en laadplaatsen langs de haven
zouden bij hoogtij ook niet onderlopen, wat voor de uitvoering van het laden en lossen een
hele vooruitgang zou betekenen.
De boeren hadden het voor het zeggen maar het zou geld gaan kosten. Na lang overleggen en
discussiëren, dat konden ze toen ook, werd het werk aanbesteed.
In 1900 werd een begin gemaakt met de werkzaamheden zonder dat er overeenstemming was
met de rentmeester. Beide partijen konden geen overeenstemming bereiken en hebben zelfs
een advocaat in de arm genomen. In 1901 is er toch een overeenkomst gesloten. De kosten
van de lening en rente werd omgeslagen op de belanghebbenden. Het heien en de bouw van
de sluis had veel belangstelling van de gemeenschap, er waren altijd kijkers ondanks dat er
lange dagen gewerkt moest worden. Men had alleen buiten de waard gerekend wat vervuiling
betrof, het Spui werd niet voldoende ververst waardoor ziektes ontstonden. Later waren er
gevallen van tyfus, het water uit het Spui werd ook voor drinkwater gebruikt, voor badwater,
de was werd er in gespoeld en de bewonerslieten er hun beerputten in uitlekken. Het Spui was
voor hen hetzelfde als voor ons de kraan. Het was een drama aan het worden, er werd door de
gemeenteraad om een oplossing gevraagd. Burgemeester en wethouders vonden dat er meer
doorgespuid moest worden, dan zou de kwaliteit beter worden. Dat hielp niet en er kwamen al
maar meer gevallen van tyfus met zelfs twee doden. De beertonnen werden toen opgehaald,
vanwege de stank die het vervoer veroorzaakte werd dat ’s nachts gedaan.
Er werd een voorstel gedaan om een schuif en koker in de keersluis te zetten zodat er meer
gespuid kon worden. Maar ja, de wethouders waren ook boer en zij hadden belangen in de
waterschappen en polderbestuur. Ze wilden daar eigenlijk niet aan toe geven. Na dat er nog
meer bewoners ziek werden heeft de gemeenteraad besloten om een waterwagen te laten
rijden. Men kon daar op inschrijven, Matheus Heezen had de laagste inschrijving. Voor fl.
4,50 per week mocht hij drinkwater verspreiden. Dat wilde er wel in bij de bewoners, er
werden in een maand tijd 3317 emmers water geleverd. Eerst was het water gratis maar later
moest iedereen, die het kon, er voorbetalen. Wanneer je zelf een waterput had kreeg je geen
water.
Het afval was ook een probleem, de bewoners gooiden het langs de bermen en sloten of ze
hadden een mesthoop bij de deur. In de Quak werd huisvuil gestort achter een dijkje, dat
gebeurde zelfs in 1950 nog.
24
Cornelis,
Halverwege de 19e eeuw vond zandwinning in Limburg al op kleine schaal plaats. Het
uitgraven van het zanddepot, het afsteken van de wanden en laden van de kruiwagens bestond
voor een groot deel uit handwerk. Een deel van het zand werd met een schop op een hor
gegooid en zo gezeefd. Het grind vonden ze maar hinderlijk, daar hadden ze meer last dan
gemak van.
Later ontdekte men dat grind erg waardevol was en werd het de belangrijkste grondstof voor
de molenbaas. Begin vorige eeuw kreeg men in de gaten dat grind belangrijk was voor
onderhoud van dijken. Het laden ging later met een molentje op een houten ponton met
baggerbakjes aan een band, dan moest er aan het wiel worden gedraaid, het grind kwam in de
kruiwagen en zo het ruim in. De hele dag draaien was een zwaar karwei. Er was een regeling;
twee vrachten waren voor de molenbaas en de derde vracht mocht de schipper voor de
verkoop houden. De lading werd gelost met de schop. Geen wonder dat grind altijd prijzig is
geweest, en nog. Later kwam een stoom-hogedrukker om te baggeren met een soort
Jakobsladder. Veel baggerbazen werden schatrijk, sommigen zijn grote baggeraars geworden.
Cornelis, de oudste zoon van Jan en Neeltje, was zelf schipper geworden, zijn schip was een
boeier aak, ook met de naam ‘ Avontuur’. Hij was zandschipper en voer regelmatig naar
Oudenhoorn en Heenvliet met zand, maar hij vervoerde alles wat brood op de plank bracht.
Soms voer hij met zijn schip naar Limburg om grind te laden. Dat waren voor die tijd grote
reizen, de schepen konden hooguit een vracht per week halen.
Ondertussen was het varen lastiger geworden door de bruggenbouw over de rivier, de brug
van Dordrecht en de brug van Barendrecht, dat waren obstakels voor de schepen.
In 1903 was daar ook nog de brug naar Spijkenisse bij gekomen. Het pontje van Hoogvliet
werd opgeheven. De stoomtram reed naar Voorne en Putten, later werd hij doorgetrokken
naar Hellevoetsluis. Daar wachtte de veerboot naar Middelharnis, de eilanden werden zo meer
toegankelijk al was het kaartje voor veel mensen te duur. De handel maakte er wel veel
gebruik van. De Spijkenisse brug werd later ‘de brug der zuchten’ genoemd. Aan de ene kant
had je de mopperende schippers dat het een opstakel was, aan de andere kant de fietsers en de
wagens die voor de open brug stonden te wachten of voor de tram die midden over de brug
reed en voorrang had. De bruggen hadden wel een deel met draaibrug, toch moesten de
schippers goed rekening houden met stroom en wind. Als de wind tegen was konden ze
moeilijk manoeuvreren.
Cornelis, zoon van Aagje, was ondertussen al een paar jaar aan het meevaren en Willem Arie
ging hem opvolgen. Cornelis begon voor zich zelf met een boeieraak, hij noemde het schip
ook ‘Avontuur’, waar hij grind en stenen mee vervoerde. Varen was voor Cornelis en Willem
Arie wel moeilijk, zij konden beiden niet horen. De een was 18 en de ander 16 toen zij doof
werden. Dat was lastig om dat ze de hoorns van de schepen niet konden horen en ook niet als
er geroepen werd, het was altijd goed opletten. Ze werden er bedreven in want de andere
zintuigen werden scherper, zo hoorden ze niet dat er een schip de haven inkwam maar later
toen er een motor was ingebouwd voelden ze het aan de trilling. Raar maar waar. Zij werden
dove Kees en dove Willem genoemd vanwege de vele Cornelissen en Willems Lodder, dan
wist men wie bedoeld werd.
In een paar jaar tijd was er veel veranderd in Rhoon en omgeving. De bouw van Maasoord,
een psychiatrische inrichting, heeft veel werk opgeleverd. De bouw werd wel door een
Rotterdamse aannemer gedaan maar de Rhoonse bevolking verdiende er ook geld aan. Jan
leverde daar ook veel zand dat werd in de Waardse haven gelost, dicht bij de bouwplaats. Er
werden ook huizen voor het personeel gebouwd, het was een goede tijd voor de bouwvakkers
en timmermannen, ook voor de schippers.
25
Jan is in 1909 overleden en Willem Arie ging verder varen als schipper met zijn broer
Wijnand, die voer al een paar jaar mee, zo ging dat.
De jongste kinderen van Jan en Aagje zijn naar school geweest, dat was al een hele
verbetering voor de jeugd. In 1900 was de openbare school gebouwd en de lessen kosten 0,05
cent of 0,15 cent voor wie dat kon betalen. Drie jaar later werd de Christelijke school
opgericht. Dat was voor de kerkmensen een heugelijke gebeurtenis.
De Katholieke kinderen bleven naar de openbare school gaan. De meisjes gingen later naar
een dienstje en de jongens werkten bij een boer of bij een bedrijf in de bouw.
In Rhoon werden huizen gebouwd voor de almaar uitbreidende gemeente. Aan de
Werkersdijk bouwde een boer huisjes voor zijn arbeiders. Een aannemer bouwde ook
woningen aan de Werkersdijk voor zichzelf, zijn personeel en de verhuur.
Familie van Bokkem hadden een graanhandel en een schip. Zij vervoerden met hun schip het
graan. De schipper woonde aan de westelijke havenkade. Hij bracht dikwijls maïs mee, dat
werd met de schop in zakken gedaan om bij Veldhuijzen te laten malen, die hadden een
malerij. Van Bokkum verkocht zelf de gemalen maïs. Veldhuijzen kocht het graan van de
boeren in de omgeving, dat werd na het malen aan de bakkers geleverd.
De familie van Bokkem
26
Haven westzijde met de Quak
Dan was er van Kampen en Arij Lodder, ook Rhoonse schippers, er waren nog schepen die in
het najaar bieten kwamen laden. Op het Veer kwam een weegbrug, daar werden de karren met
bieten gewogen voor zij gelost werden op de wal of in het schip. Er werd betaald per cup.
De weegbrug werd door de kastelein van ‘Het Havenzicht’ bediend.
Dan waren er ook schepen die palen losten voor de bouw en wilgenhout voor de
klompenmaker. Er waren drie klompenmakers in het dorp, de klompen moesten eerst kuis
versleten zijn eer er nieuwe gekocht werden. De schippers droegen een ander soort klompen,
dat werden tripjes genoemd. Tripjes hadden een platte wreef met een riempje. Als de kap van
een klomp kapot was werd dat met een plat stukje ijzer weer vast gezet.
Cornelis, [ dove Kees], de eigenaar van een fraaie boeier, voer dikwijls stenen van de
steenfabriek naar verschillende havens in de omgeving. Het was aan de haven altijd druk, de
bewoners van het Veer kwamen naar het laden en lossen kijken en waren: ‘de beste schipper
aan de wal’. De dorpelingen kwamen niet veel naar de haven, het Veer was een aparte
gemeenschap, veel bewoners vonden die ‘papen’ ander volk, al woonden er ook mensen van
hun eigen kerk. Voor de jeugd was het een elderado, de Quak was een heerlijk speelterrein en
ze konden ravotten in de griend. Ze stonden bekend als vechters bazen maar hadden een goed
hart, kwam niet aan hun moeder of zus, dan was je de pineut. Dat het vechtersbazen waren
was niet zo vreemd, ze moesten zich altijd verdedigen tegenover de jeugd van het dorp.
Wijnand Lodder kocht ook een schip, hij noemde het ‘Onderneming’, hij vervoerde zand,
grind en wat er aan handel was. Er voeren nu al vijf schepen van de familie. Broer Jacob was
zijn knecht, zo werd dat in de familie opgelost, gemakkelijk als je zoveel broers hebt, later
was broer Leendert aan de beurt.
27
De weegbrug
28
De vier Gebroeders
In en om de haven van Poortugaal woonden ook een paar schippers, je had de familie
Romeijn met het schip ‘Johanna’, familie de Boer met de ‘Vier Gebroeders’, schipper
A Lodder, een neef van Willem, met de Goede Verwachting’, en schipper van Dieijen.
Romeijn was een marktschipper, die bracht van alles naar de Rotterdamse markt en kwam met
producten terug die in Poortugaal verkocht konden worden. De Familie Romeijn voer al in de
16e eeuw in de haven van Poortugaal, Later is de familie, in het oude schippershuis, aan de
Waardse dijk gaan wonen, zij hebben daar jarenlang een winkel gehad. Er waren ook zalm en
palingvissers en op het dorp was een viswinkel. Aan de haven van Poortugaal was altijd iets te
beleven en de jeugd kon er zijn hart ophalen.
De Poortugaalse haven met rechts de
vier gebroeders
Schipper de Boer vervoerde landbouw producten en in het najaar suikerbieten naar de fabriek.
Zijn vrouw heeft de eerste jaren met hem meegevaren. Later voer hij alleen nog in de
bietentijd, zomers voer hij met zijn schip als rondvaartboot met familie en kennissen. In de
Poortugaalse haven is met de ‘Deltawerken’ een dam gelegd. De oude haven is stilstaand
water geworden met een duiker voor uitwatering van het polderwater. Rond 1954 is schipper
de Boer definitief gestopt met varen. Na de watersnoodramp is het boerenleven van lieverlee
op gehouden te bestaan in Poortugaal. Veel landbouwgrond werd opgekocht voor
woningbouw. Dat was de start van woningbouw op de Meeuwenplaat en Zalmplaat. Wanneer
je dat ziet kun je niet meer geloven dat daar aardbeien, aardappels en bieten groeiden. De boer
was een echte Herenboer, was de baas en je had maar te doen wat gevraagd werd. Deze
schrijfster heeft daar aardbeien geplukt en gewied, dat was hard werken en als jong meisje
kreeg ze, ook toen al, naar leeftijd betaalt. Zij was het daar niet mee eens en maakte bezwaar
tegen de boer. Dat was tegen het zere been maar ze heeft haar poot stijf gehouden en kreeg
uiteindelijk net zoveel betaald als de andere vrouwen.
29
De haven van Poortugaal na de afsluiting
30
Willem Arie Lodder
Willem Arie Lodder 1887 Rhoon 1972 Rhoon
Gehuwd 27 juni 1912 Rhoon
Met Pietertje Meijndert 1891 Rhoon
1974 Rhoon
Kinderen 1913 Poortugaal
1915 Poortugaal 1988 Rhoon
Jan Lodder 1916 Pernis 1999 Rotterdam
Arendje Lodder 1917 Gorkum 1991 Rhoon
Aagje Lodder 1919 Rhoon 1973 Rhoon
Cornelis 1920 Rhoon 1975 Poortugaal
Willem Arie Lodder 1922 Rhoon 2010 Piershil
Maria Lodder 1924 Rhoon 2011 Ridderkerk
Anna Lodder 1926 Rhoon 2004 Rhoon
Wijnand Lodder 1928 Rhoon 1985 Vlaardingen
Pieter Jacob Lodder 1929 Rhoon 2014 Purmerend
Arie Lodder 1932 Rhoon
Jacob Lodder
De havendam
31
Adressen lijst van Rhoon 1912
32
33
34
In 1912 trouwde Willem Arie met Pietertje Meijndert,
een meisje uit Rhoon, ze had nog nooit gevaren. Het zal
wel vreemd geweest zijn voor een meisje van de wal
maar het was niet anders. Het was geen gewoonte om een
knecht te nemen en geld was er niet voor. Wonen was
ook een probleem, er waren niet genoeg woningen en als
je wilde trouwen zat er niets anders op dan mee varen.
Na een jaar moest Pietertje bevallen, goede raad was
duur. Willem Arie had veel werk en kon niet blijven
liggen dus Pietertje is bij Nel Heezen in de boerderij aan
de Zantelweg bevallen, Nel haar buurvrouw, ‘opoe Gon’,
was baker, zij heeft geholpen bij de geboorte. Ze
noemden hem Jan. Dat was heel wat in die tijd, een
protestante vrouw die, in het huis van en, geholpen werd
door Katholieken. In geval van nood was er te alle tijden
al oecumene. Na de kraamtijd was Pietertje met haar
baby weer aan boord en ging het varensleven verder. Het
is niet voor te stellen hoe een vrouw van de wal, al was ze
ook niet veel gewend, in dat kleine roefje op het
voorschip haar huiselijke werkzaamheden kon doen. Kind verzorgen, de kachel stoken, eten
koken en manlief ook nog helpen met de werkzaamheden. Als de avonden korter werden dan
zat er niet anders op dan vroeg naar kooi te gaan. In 1915 werd Arendje geboren in de haven
van Poortugaal, het lag er maar aan waar het schip zich bevond. Een jaar later kwam Aagje ter
wereld in Pernis, toevallig lag Willem Arie daar met het schip. Zo zie je aan de
geboorteplaatsen waar Willem Arie zijn vracht leverde. Hij loste het zand in de nabije regio,
zijn halfbroer Cornelis en zijn broer Wijnand leverden dikwijls in Hellevoetsluis. Oude
Hoorn, Nieuwe Hoorn en Heenvliet. Broer Cornelis [dove Kees] vervoerde veel stenen en
materiaal voor de aannemers.
Langs de rivier ‘Oude Maas’ veranderde het een en ander, in de Koedoodse haven kwam een
bedrijfje in waterwerken en wegwerken, dat was uitbreiding en concurrentie voor de
werkgelegenheid van de Rhoonse bevolking. Van lieverlee werden zij in de gemeenschap
opgenomen.
De zalm visserij ‘Klein Profijt’ had het als maar moeilijker gekregen en was in zijn geheel
naar Heinenoord verplaatst, maar de vangsten werden minder en het vervoer naar de stad was
wel verder. Er werd in Oud Beijerland een vis verwerking bedrijf opgericht, Koen Visser,
daar kon de zalm en paling snel naar toe vervoerd en verwerkt worden.
Paling rokerij
35
Registratie van de sluis in Nieuwesluis, de twee schepen uit Rhoon schutte er elke week een
keer door als er in Hellevoetsluis of Ouwehoorn gelost moest worden.
36
Het Voornse Kanaal
De scheepvaart in het Voornse kanaal bleef doorgaan, zand, grind, biezen en wilgen takken
waren altijd nodig. Er was bouwnijverheid genoeg, de boeren en bedrijven lieten huisjes
bouwen voor het personeel. Er stonden veel boerderijen op Voorne en Putten, dus werk
genoeg. Veel schepen voeren naar Rotterdam met vracht voor de stedelingen, terug namen ze
spullen en materiaal van de markten mee wat weer in de polder gebruikt kon worden, zo is er
altijd handel geweest, werk en inkomen, toch was er veel armoede.
Het Voornse kanaal was bij tegenwind
moeilijk te bevaren de schippers hadden
hulp nodig om aan de lijn er door te varen.
Dan werd er iemand gehuurd of de
kinderen en moeder de vrouw werden aan
de lijn gezet. De schippers konden ook een
paard huren om te trekken maar die koste
voor menig schipper te veel geld.
De jaagpaden zijn nu mooie fietspaden
langs de kanalen geworden.
De scheepvaart in het kanaal was na de
opening van de Waterweg een stuk rustiger
geworden, dat merkten de bewoners van
Nieuwesluis wel. Het was daar vroeger een drukte van belang, maar het dorpje dreigde in te
slapen. Gelukkig bleven de veerdiensten nog gebruik maken van het kanaal, de passagiers
voeren van de stad en omstreken naar Hellevoetsluis om vandaar met de veerboot naar
Goeree-Flakkee te varen. Het waren veelal handelaren die daar gebruik van maakten. Het was
de enige manier om er te komen het was nog een echt eiland, van de wijde wereld afgesloten.
Willem Arie voer nog met de aak. In 1916 heeft hij een groter schip gekocht, de ‘Nooit
Volmaakt’ dat was een stalen schip. Er kon meer vracht mee geladen worden, dat was nodig,
het leveren van zand en grind was in die jaren gewoon doorgegaan, of de buurlanden oorlog
hadden of niet, anders waren de bieten er in het najaar wel, die groeiden gewoon door.
De vooruitgang ging ook door, in 1916 is het eerste vliegtuig geland op boerenland bij
Schiphol. Een jaar later werd de KLM opgericht.
De boeren gemeenschap van Rhoon deed het voorstel om een bank op te richten, dat werd de
boerenleenbank. De heer Cence werd de beheerder en is dat tot aan zijn pensioen gebleven.
Cence was timmerman en had veel invloed in het dorp. De mensen met geld hoefden niet
meer privé uit te lenen, dat kon toen via de bank. Voor ontspanning na het werk, werd de
muziek vereniging ‘Volharding’ opgericht daar was veel belangstelling voor, alleen niet
iedereen kon het lidmaatschap betalen. De winter van 1916- 1917 was heel koud met ijs en
veel sneeuw, de havens en de rivieren waren bevroren, op de Oude Maas kon worden
geschaatst. De winter duurde lang, Willem Arie moest met het nieuwe schip in de haven
blijven liggen. De bewoners hadden het al slecht door de oorlog die maar duurde. Nederland
was wel neutraal maar merkte op de duur wel de economische nadelen ervan. Werk was er
bijna niet meer, op het land en in de grienden kon niet worden gewerkt vanwege de vorst en
sneeuw. De mensen probeerden zo goed en kwaad als het ging om de monden te kunnen
voeden en de kachel te stoken. Dat lukte niet iedereen, dan moest de armen kas bijspringen.
Dat was ook niet veel maar je had toch iets om eten te kopen.
De industrialisatie kwam ook op gang, de chemie op de Vondelingenplaat werd opgericht en
een aantal mannen uit de gemeente konden daar werk vinden, ze gingen dan wat verdienen en
konden dat in de winkel uitgeven voor hun levens behoeften. Zo ging de economie draaien.
37
In 1917 werd Cornelis [ Kees] geboren, in Gorkum.
Daarna wilde Pietertje niet meer mee op de boot. Ze wilde niet meer varen want:‘een stalen
schip kon zinken en hout bleef drijven’. Zo is Pietertje met haar vier kinderen aan de wal
komen wonen. Het huisje stond aan de havenkade. Willem ging verder varen met een knecht,
Dirk Schalk, die was vrijgezel en woonde met zijn zus en broer in Vuuren, Dirk is jarenlang
aan boord gebleven. Toen hij te oud werd kwam hij nog
ieder jaar om Willem Arie op te zoeken.
De eerste wereldoorlog woede nog altijd, de verdiensten
waren laag, al hadden Willem Arie en zijn broers genoeg
werk. Hier en daar werd nog gebouwd en de
waterschappen hadden altijd grind nodig. De schippers
vervoerde ook dikwijls andere materialen waar vraag
naar was. Was het niet in Rhoon dan was er in Pernis,
Hoogvliet of Poortugaal wel vraag naar.
Een schip moet blijven varen, stil liggen kost geld en er
moet brood op de plank blijven.
De jongens van Lodder wisten dat Pietertje nog een paar
huwbare zussen had. Wijnand was het die met zus Riek
trouwde, Aagje vond Piet, de broer van Pietertje, een
leuke jongen en is met hem getrouwd. Daarna was Jacob
aan de beurt, hij maakte Elizabeth het hof en trad met
haar in het huwelijk. Moeder Aag had er in een paar jaar
een hele familie bij.
Nooit Volmaakt
De familie Meijndert.
Links Pietertje, broer Jacob, Elizabeth, broer Piet, Marie en Riek,
broer Piet tussen Elizabeth en Marie.
De kinderen Lodder vonden het geweldig om aan de wal
te wonen, het huisje was wel klein voor het almaar
uitbreidende gezin van Willem Arie, maar er was altijd
nog meer ruimte dan in het vooronder. Ze konden met
andere kinderen spelen, later gingen ze naar school.
Toen ze ouder werden moest er, voor het spelen, eerst
thuis worden gewerkt, de jongens in de tuin, zorgen voor
het varken, de kippen en de aardappels schillen. De
meisjes moesten hun moeder helpen met allerlei
werkzaamheden, dan eerst nog 10 ribbels breien, later
meer, aan een sok, daarna mochten ze nog even naar
buiten.
Het was wel angstig voor een vrouw alleen om de
verantwoording voor de kinderen te hebben. Er was achter het huis een sloot, langs de
Schenkelkade een grote wetering, de haven aan de voorkant en dan had je het Spui nog. Ze
moest ogen en oren in voor en achterhoofd hebben. Er was aan de wal wel heerlijk ruimte om
te spelen, touwtje springen, knikkeren, echte waren te duur maar van klei kon je ook knikkers
maken en bikkelen.
38
De losbak
De jongens konden ravotten in de Quak en in de griend, die liep tot aan de Quak. Ze hadden
geen gymnastiek nodig, er was genoeg om te bewegen.
Als ze geluk hadden en niet te arm waren, konden ze met ballen spelen, hoepelen of tollen,
naar gelang het seizoen. In de winter was er altijd wel een keer sneeuw om sneeuwpoppen te
maken en dan een wedstrijd wie de mooiste had.
Zo ging het hele jaar rond. ‘De goede oude tijd’ was heus niet zo goed, maar gezelligheid was
er wel en de jeugd kon zich naar hartenlust uitleven. In de winter lagen de schippers in het ijs
en waren dan een aantal weken thuis, ze konden zich dan ook met de opvoeding bemoeien.
Het zand lossen gebeurde sinds lange tijd handmatig met schop en kruiwagen. Rond 1915 is
zandschipper Kreuk, uit Nieuwerkerk aan de IJssel, begonnen te experimenteren voor het
overzetten van zand met mast en giek waaraan geladen kruiwagens en manden werden
gehangen. Een jaar later vond Kreuk de losbak met pal uit; de basis van de zeflosinstallatie.
Op deze manier van lossen werd enorm veel tijd
bespaard en ook de krachten van de mannen.
Nu was er dan een losbak, die kon gebruikt
worden om zand uit het ruim te halen en langs de
rijdraad aan de giek boven de wal komen, door
aan een touw te trekken ging de pal los en kiepen
die handel. Dat was minder zwaar dan scheppen
in een kruiwagen en dan over een loopplank naar
de wal rijden.
Toen de zelflos installatie met losmotor er was,
werd nagedacht of die motor gebruikt kon worden
voor de voortstuwing. Zo werd de motor
gecombineerd met de zijschroefinstallatie om een ‘lamme arm’ aan te drijven. Dat was een
lange as met een schroef die langs de zij van het schip kon draaien. Er werd steeds meer
gebruik van gemaakt, dan hoefde de schipper zijn zeilen niet te gebruiken en konden ze ook
door varen wanneer er geen wind of tegen wind was. Met tegen wind laveren kostte veel tijd.
De ‘lamme arm’ kon alleen gebruikt
worden om vooruit te varen. Omdat de
motor op of onder het voordek werd
geplaatst hoefde er geen laadruimte
opgeofferd te worden.
Door met een hijslier te werken kon de
motor ook worden gebruikt voor het
beugelen. Dat was minder zwaar dan het
zelf omhoog hijsen van de zandzak. De
schipper moest alleen nog zorgen dat de
zak vol getrokken werd en met een zwaai
in het ruim legen, hijsen deed de lier.
Het was een investering maar die werd wel
terug verdiend. Willem Arie was dan ook
snel met de aanschaf er van.
De pomp moest tijdens het beugelen het water onderuit het ruim pompen, dat gebeurde met
een handpomp. Na dat het ruim vol was moest er onder het varen ook nog gepompt worden,
het water bleef onderuit het zand zakken. Er werd ruim boven de eik geladen om met een
volle vracht in de haven te komen. Later kwam er een pomp die door de motor aangedreven
werd, dat was een hele vooruitgang.
39
In 1921 trouwde Jacob en kocht ook een schip, hij ging met zijn vrouw Elizabeth varen.
Elizabeth wilde eigenlijk niet mee varen, maar zij
wilden trouwen, er zat niets anders op.
Bij Willem Arie en Pietertje breidde de kinderschare
zich gestadig uit, ieder anderhalf jaar werd een baby
geboren. Het werd krap in hun huisje, maar ja, de
meeste mensen hadden weinig ruimte om te leven.
Willem Arie deed goede zaken, hij was een driftig
man, hij voer veel en lang, gunde zich nergens tijd
voor. Jacob was gemoedelijker, als het etenstijd was
liet hij het anker zakken en werd er eerst gegeten, pas
dan voer hij verder. De zeilen moesten dan weer
gehesen worden en dat dikwijls voor nog maar een
uurtje varen. Zo zie je verschil in levensstijl tussen
twee broers.
Aagje en zoon Arie
Broer Arie is nooit getrouwd, heeft een periode
gevaren en later was hij badmeester op het zwembad
aan de buitenhaven. Daarna is hij naar Katwijk
verhuisd en bij zijn halfzus Lijda gaan wonen.
Aagje had een aantal kinderen in haar buurt wonen.
Het schip van Jacob lag achter haar huis, zo kon ze
het reilen en zeilen van haar zonen in de gaten
houden. Zij was een strenge maar lieve vrouw waar
ze allemaal graag even langs gingen.
Het huis van Cornelis Gielen
met de ‘Avontuur’ voor de
deur.
Daarachter de
‘Nooit Volmaakt’
de boot van Jacob,
‘Leven door Strijd’ lag achter
het huis van moeder Aag.
De woningbouw coöperatie ‘Volksbelang’ werd opgericht, die wilde aan de Kleidijk
woningen bouwen, na veel overleg is het zover gekomen. De mensen die daar kwamen wonen
waren goed af, ze kregen een aparte keuken een woonkamer en op de bovenverdieping
slaapkamers. Dat was een luxe in die tijd, je moest wel een baan hebben zodat de huur betaald
kon worden en die was, ook toen, niet te weinig. De bevolking zei dan: ‘ze wonen in de
woningbouw’, dat is zo gebleven tot dat de huizen werden gesloopt.
In 1923 kwam op het Veer een katholieke school, na jarenlange strijd in het parlement voor
gelijkwaardige betaling in het onderwijs, is het zover gekomen.
40
De katholieke gemeenschap was blij dat de kinderen nu onderwijs kregen zo als zij dat wilden
inrichten. Ondertussen was de elektrische voorziening ook in Rhoon gekomen, dat heeft wel
veel moeite en vergaderen gekost maar de gemeenteraad ging toch maar overstag. De
gaslampenaansteker was aan zijn pensioen toe en de gaslampen aan vervanging, toen was de
beslissing snel genomen. Alles duurde altijd jarenlang omdat de mensen die moesten beslissen
in het bestuur, dezelfde mensen waren die de meeste belasting op moest brengen, de
boerenstand en de gegoede stand. De gaslampen - aansteker had veel werk, voor het donker
met een laddertje de lampen aansteken en om tien uur met een laddertje weer uit doen. Maar
hij had wel werk, de elektrische lampen gingen vanzelf aan en uit, dat was weer
werkgelegenheid die verdween.
Bij de trambaan was een koffiehuis met vergunning, er waren dikwijls kooplui die van de
eilanden kwamen met negotie, die moesten ook ergens warm kunnen zitten. Op de vrije dagen
kwamen sommige Rhoonaars naar het koffiehuis, daar was ook een speeltuin voor de
kinderen. Dat was wel een luxe die niet iedereen zich kon permitteren.
De Barendrechtse brug werd dat jaar tolvrij, voor de handel was dat een opluchting, tol
betalen doet niemand graag.
In het najaar werden de bieten naar de haven gebracht, de boerenknechten kwamen met
wagens en karren en de bieten werden met een kruiwagen in het schip geladen. De
bietenoogst was in het late najaar en moest snel geladen en bij de fabriek gelost worden. Als
de bieten niet snel verwerkt werden dan was er
suikerverlies. In de bietentijd hing overal een
zoetige lucht.
Men was ook bang voor vorst, dan verliest een
biet twee tot drie keer suiker of sterft de biet.
Bij de suikerfabrieken in Oud-Beijerland en
Puttershoek was het een drukte van belang. Er
lagen dan veel schepen op hun beurt te wachten.
Het was een hectische tijd voor de boeren en
schippers. Voor de jeugd was het een heerlijke
tijd, meerijden met de boerenknecht, als hij er
niet van gediend was dan was er niets mooier
dan stiekem er op springen of achteraan de kar
hangen.
Willem Arie liet in de Nooit Volmaakt een motor bouwen, een Bolnes 32-40 pk, dat was een
gloeikop motor. De proefvaart heeft plaats gevonden op 14 april 1926. Dat was een hele
verbetering, het was wel veel lawaai voor de mannen, dat waren ze niet gewend, maar gemak
wendt snel en dan neem je dat lawaai op de koop toe. Willem Arie zelf hoorde het niet. 1926
is een strenge winter geworden met heel veel ijs, de scheepvaart lag maanden stil, er werd
niets verdiend. Niet alleen de schippers hadden het moeilijk maar elke arbeider wist niet hoe
de week door te komen. Zoals het altijd gaat, ook dat ging weer voorbij, de economie bloeide
op, de handel kwam ook weer opgang. Schipper Willem Arie had gelukkig, buiten de winter,
altijd veel werk gehad en na de vorst hadden de aannemers weer zand nodig. De dijken
hadden, na de vorst en het dikke pak sneeuw, grind nodig voor het onderhoud. De economie
was wat toegenomen, de mensen durfden meer te investeren en de industrialisatie ging door.
De auto industrie liet ook van zich horen en dat konden ze merken. De vrachten die via de
haven kwamen werden minder, maar er was nog werk genoeg voor de schippers. In 1930 is
op het Veer brand uitgebroken in een boerenschuur, het huis van, van Bokkum, is gespaard
gebleven, de schuur werd opnieuw gebouwd, nu niet van hout maar van steen.
41
Familie
Lodder op het
schip van
Wijnand.
Wijnand is in 1929 overleden, hij had twee zonen, zijn vrouw Riek is later met van Kampen
getrouwd.
Crises. Na enkele jaren vooruitgang werd het weer een slechte tijd, de crises van 1929,
die zou een aantal jaren duren. De bewoners hadden het slecht, konden dikwijls de huur niet
betalen en kregen dan van de gemeente en kerk ondersteuning. Maar ze mochten niet in de
kroeg komen anders werd het ingehouden. De winter was weer ouderwets streng, nergens kon
gewerkt worden, armoede troef.
In 1930 moest de Nooit Volmaakt naar de werf, Willem Arie had een aanvaring gehad met
een zeeboot bij de Barendrechtse brug. Op de werf van Schram in Bolnes werd de schade
gerepareerd. Dat zijn van die dingen die kunnen gebeuren. Het kwam slecht uit want er was
werk, ondanks de crises werd er gebouwd en Willem Arie wilde geen klanten kwijt raken.
De oudste zoon Jan voer
intussen als knecht mee, de
drukte van het varen was
voor Willem Arie en Dirk
best zwaar ze werden een
jaartje ouder. Het beugelen
was wel minder zwaar
geworden doordat de motor
werd gebruikt.
Links, Jan, kleine Kees van
Jacob Sr, Willem -Arie en Jacob
Sr.
Voor Jacob zijn eerste kind,
een zoon, werd na twee jaar de zwarte vlag half in het want gehesen, dat betekende voor de
schippers dat er rouw aan boord was. Het kind was overleden. Jacob en Elizabeth kregen nog
twee zonen en een dochter. Jacob verdiende niet veel en had ook de pech dat hij een
aanvaring kreeg, de tuigage was vernield, hij wist niet hoe dat betaald moest worden.
42
De jongens waren groter geworden en moesten in het achteronder gaan slapen. Dat was erg
klein en laag, de jongens stoten bij het opstaan menig keer hun hoofd. Elizabeth wilde niet
meer blijven varen, de armoede, daar had ze genoeg van. Jacob is aan de wal gaan werken en
het schip werd achter het huis van moeder Aag gelegd. Ze zijn nog een tijd op het schip
blijven wonen. Er werd nog een dochtertje geboren, dat kindje had een open rug, dat was heel
moeilijk aan boord. Gelukkig konden ze een huisje huren aan de Havendam. De arbeiders
huisjes aan de havendam waren ook van de ‘Heerlijkheid’. Elizabeth kon haar geluk niet op,
maar, na een paar maanden is hun jongste dochtertje overleden, ze was blij dat ze nu aan de
wal woonden. De boot werd verkocht, dat was weer een schip minder in de haven.
Willem Arie en Pietertje hadden ondertussen 11 kinderen, de oudsten hadden al een baantje,
Jan voer met zijn vader mee, Arendje was dienstbode bij de vrouw van dominee Willigen van
Veen. Aagje was dienstbode geworden bij een boerenvrouw, zo kwam er een beetje
verdienste van de kinderen bij. Kees kwam in 1930 van school en moest met zijn vader mee
varen.
Aan de Groene Kruisweg werd verder gebouwd, dat leverde werk op maar het meeste voor
aannemers van buiten Rhoon met hun arbeiders.
In de Waardse haven was het een drukte van belang, daar werd veel materiaal aangevoerd, er
lagen ook een aantal arken om de arbeiders te huisvesten die van ver kwamen. In Poortugaal
werd de Gereformeerde Kerk gebouwd door aannemer van Luyk, de schippers Lodder hadden
daar de leverden daar zand voor, zo bleven ze toch inkomsten houden.
De meeste crises waren nog nooit zo zwaar geweest. Het was wereldwijd, veel mensen
hadden geen werk, ze liepen aan de steun of er was werkverschaffing zoals de afsluiting van
de Zuiderzee. In Pernis was de 1e petroleum haven gebaggerd en in 1930 voer het eerste
benzineschip die haven in. Daar hadden ze werknemers voor nodig. De woningbouw kwam
op gang want die mensen moesten ook wonen. Willem Arie leverde zand in Hoogvliet en
Pernis, de Lodders hebben jarenlang regelmatig in die havens gelost.
In Rhoon werden aan de Rijsdijk woningen gebouwd door Chris Geeve, Louter bouwde de
‘Rooie pannenbuurt’ zoals de ouderen het nog noemen. Dat zijn de huizen in de wijk naast de
Werkersdijk. In Poortugaal werden de zelfde huizen gebouwd door van Luyk, werk aan de
winkel voor de Lodders. De zandschipper zat goed en kreeg een goed inkomen. Maar het
noodlot sloeg toe in 1932, Jacob de jongste zoon van Willem Arie en Pietertje, verdronk in de
haven voor het huis. Pietertje was aan de schoonmaak en het kind zou haar helpen, in een
onbewaakt ogenblik wilde hij een beddenplank in het water duwen en ging kopje onder.
Dat was heel verdrietig, al heb je veel kinderen, je wilt er
toch niet een missen. De familie was in rouw, de andere
kinderen kregen een rouwband om. Het leven ging door, de
klanten bleven komen, de crises liep op het einde. De
meeste mensen merkten er nog niet veel van maar het begin
was er. Kees was al een paar jaar ingelijfd bij het varen, zo
nu en dan liet Willem Arie het varen aan Jan en Kees over,
Willem jr. ging ook al meevaren. Het werk was zo zwaar
dat een extra bemanningslid welkom was, jong geleerd is
oud gedaan zal de gedachte wel zijn geweest. Zo ging dat
vroeger overal, of het in de bouw of het boerenland was, de
kinderen moesten vanaf de lagere school meewerken. Ze
vonden het, vooral de eerste tijd wel leuk en spannend maar
als het menens werd gingen ze er wel anders overdenken.
Zoon Kees [ Cornelis] met een rouwband op de foto.
43
Vrachtrijder voor de familie was Cor Heezen, wanneer er zand of grind besteld was zorgde hij
voor het vervoer, eerst met paard en wagen, later met een vrachtauto naar de klanten. Heezen
reed ook andere vrachten, in de late middag werd er geen zand etc. meer bij de bouw gelost,
dan werden er balen meel voor Veldhuijzen gereden.
Zodra de school om 4 uur uitging stond hij al bij school te wachten. Zijn zoon Cor jr en Thijs
moesten dan mee om meel te rijden naar bakker Moonen. De jongens liepen dan met balen
meel van de kar naar de bakkerij te sjouwen.
Vogelaar was de man die grind voor de provincie vervoerde met paard en wagen, hij kreeg 15
cent per cup grind betaald. Er is heel veel cup grind op de dijken en polderwegen terecht
gekomen. Het was zwaar werk, de mannen hadden ook grote gezinnen te onderhouden.
Stenen lossen was het zelfde verhaal, dat was een zwaar karwei. De stenen werden op planken
gestapeld en dan op de schouder naar de kar gebracht.
De aannemer die stenen besteld had moest zelf zorgen dat de vracht uit het schip aan de wal
kwam, de schipper was alleen vervoerder. Bij het grind lossen werd dikwijls door de
schooljeugd geholpen, ze mochten, met een grote schop, het grind in de kruiwagen scheppen.
Het vervoer per schip werd zo langzaam aan minder, er kwamen meer vrachtauto’s en per
spoor werd ook nog al wat aangevoerd.
Kolen werden gelost op een losplaats dat bij
ieder station te vinden was. Ook in Rhoon en
Poortugaal, in Rhoon was Rein Vogelaar de
kolenboer en in Poortugaal Lauw Bos.
Willem wilde een schip erbij kopen, hij had
een stel grote zonen die ook wilden varen, er
was werk genoeg. Geld was het probleem
niet, er was door werk genoeg verdiend en er
waren mensen die wel aan hem wilden lenen.
Hij vond een schip, ‘de Koophandel’ een
mooie motor, dat was een modern schip. Het schip had een giek met hijs installatie en had
voor de beurs gevaren. De beurtvaart daar zat de klad in, er was de laatste jaren veel gestaakt
en armoede geleden. Het weinige werk dat er was werd gegund aan de laagst biedende, dat
was dikwijls onder de kostprijs. Er was vooral gestaakt om dat zij een eerlijke verdeling van
de vrachten wilden. In 1933 is de eerlijke vrachtverdeling er gekomen via de schippersbeurs,
de ‘EEV’.
Willem Arie bracht het schip naar Rhoon en gaf
haar een andere naam. ‘Confiance’ werd ze
genoemd, dat is het Franse woord voor
‘Vertrouwen’.
Hij sprak wel geen woord Frans maar vond het
een mooie naam. Er stond een Industrie motor
in, die is jarenlang intact gebleven. Na wat
aanpassingen ging Willem Arie er zelf op varen
met zoon Willem jr. en Dirk Schalk. Jan werd
schipper op de Nooit Volmaakt met Kees als
knecht. Zodra het nodig was waren er thuis nog
wel handen die konden bijspringen.
De Koophandel met de stuurhut die half naar beneden
geklapt kon worden.
44
Voor de lading voer de Confiance naar de molens in Limburg om grind te halen. Zelf laden
werd niet gedaan met dit schip, de Confiance had wel een zelflos installatie. Met de Confiance
moest de schipper wel meedoen met de race van andere schippers die naar de molens voeren.
De schippers, vooral de IJsselmannen, waren erg vroom, wanneer de klok zondagavond
twaalf uur sloeg was de zondag voorbij. De motor werd gestart en ze voeren zo snel mogelijk
richting de Maas om een ander voor te zijn bij de molen. Daar moesten ze zich melden en op
hun beurt wachten, dat viel niet mee voor een vrije vogel als Willem Arie was. Hij was altijd
eigen baas over zijn tijd geweest en om nu op zijn beurt te wachten koste hem veel geduld.
De meeste bruggen hadden een hefbrug gekregen, met
de motor varend had hij nu ook geen probleem meer
om door een brug te varen met tegenwind. De Nooit
Volmaakt loste ook dikwijls in de haven van Pernis,
daar woonden ook nakomelingen van Paulus Leendert
Lodder. Gerrit Lodder was vrachtrijder voor het grind.
Hij haalde grind aan de haven en ging daar de putten
in de dijken mee opvullen. Met paard en wagen, een
deken over zijn knieën, Gerrit was altijd op pad, weer
of geen weer. Zo kom je overal in de omgeving de
naam Lodder tegen. Inderdaad een sterk geslacht zoals
de naam volgens de mythe aangeeft. De haven van
Pernis was een visserijhaven maar dat liep op zijn
einde. Veel vergunningen om te vissen werden niet
meer gegeven en om op zee te vissen waren de
schepen niet goed en snel genoeg meer. Het was te
kostbaar om het aan te passen.
Aan de havendam woonden een paar jagers, ze jaagden op wilde eenden. Aai Geeve was,
getrouwd met de vrouw van zijn broer Henk, nadat die was overleden. Hij liet het aannemers
bedrijf voor wat het was, bleef liever jagen, het vrije leven bleef trekken. Er waren wel zonen
van zijn broer die de leiding over konden nemen. Lauw Vermeer was ook zo iemand die jagen
en vissen als broodwinning had. Hij voer met zijn roeiboot naar de Beningen, aan het einde
van het Spui en bleef daar overnachten in de huik die op de boot stond, er was een peterolie
stel om een warme hap te maken en slapen op een strozak. Wanneer hij voldoende eenden had
geschoten of vis gevangen, voer hij terug en werden de eenden geplukt, schoongemaakt en
verkocht, zo kwam Lauw aan de kost.
De boten van de jagers en
schippers lagen in het gelid
op zondag.
45
De zaken voor Willem Arie gingen zo goed dat hij een groter huis wilde voor zijn gezin. Hij
liet een huis tekenen met beneden vier kamers en boven vier. Dat werd gebouwd door de
firma Louter, daar deed Willem Arie veel zaken mee. Voor Pietertje was het een hele
verbetering, de meeste kinderen waren al groot maar hadden des te meer ruimte nodig. Er was
een grote bijkeuken aan gebouwd met een echt toilet en een wasketel waar onder gestookt kon
worden. Wat een luxe voor Pietertje. De kamers beneden werden verdeeld, een werd ouder
slaapkamer, dan had je de mooie kamer, die werd alleen gebruikt als de dominee of dokter
kwam en bij bijzondere gelegenheden. Kamer drie was de voorkamer voor als er visite kwam,
dan had je nog de huiskamer, de bijkeuken
en de wasruimte.
Het was veel werk om schoon te houden
maar er waren dochters genoeg in huis. De
oudsten hadden wel een dienstje maar thuis
werden ze ook aan het werk gezet. De
jongste, Marie en Annie, droegen ook hun
steentje bij. Wij denken wel eens dat die
moeders een druk leven hadden, dat viel wel
mee, ieder kind had een taak, de jongens
ook. Moeder had alleen maar te
commanderen en zorgen dat het huishouden
op rolletjes liep, sokken stoppen en
borstrokken breien.
Willem Arie nam op zondag tijd om
voor zijn huis te zitten. Pietertje was
dan met haar kinderen naar de kerk
maar Willem Arie ging niet naar de
kerk. Hij kon de preek toch niet horen
en bleef dan liever thuis.
Het werken voor hem werd iets
minder en makkelijker nu de jongens
ouder werden en met elkaar het werk
oplosten als ze in de haven lagen.
Op de foto Cornelis [Kees] Lodder en neef
Kees Gielen aan boord van de Avontuur, het
schip van Cornelis Gielen.
Het wegverkeer dat verder uitbreidde merkten de schippers wel, er kwamen minder schepen
in de haven, Cornelis Gielen was gestopt met varen en alleen in de bietentijd was het nog
druk. Dan werd er af en aan gereden met de boerenkarren, eerst op de weegbrug en als ze
geluk hadden konden de bieten zo het ruim in. Wanneer er geen schip voor de wal lag
moesten de bieten in de Quak worden gelost. Het nadeel was dat ze dan twee keer door de
handen moesten, eerst in de kruiwagen en dan pas het ruim in. Stenen werden nog per schip
vervoerd, houten palen ook, die waren lastiger om met een vrachtauto te vervoeren. Dan was
er ook nog het griendhout en de biezen die vervoerd moest worden na het snoeien. De wilgen
en biezen bleven gelukkig groeien, dat werk kwam ieder jaar terug. Om de twee jaar moet de
wilg gesnoeid worden, dat gebeurde dan bij toerbeurt, de biezen elk jaar. Zo blijft er altijd
werk in de grienden voor de griendwerkers en uiteraard voor de schipper.
46
Opoe Aag was inmiddels bejaard geworden en woonde nog altijd in haar huis aan
de Havendam. Haar schoondochters Pietertje en Elizabeth zorgden voor haar, ook eten werd
bij haar gebracht. Haar dochter Aag woonde ook in Rhoon, die kwam om het huis een beetje
op orde te houden. Mantelzorg noemen ze dat nu maar dat is van alle tijden. Haar
kleinkinderen, vooral haar kleindochters liepen nog al eens bij haar binnen om even op
verhaal te komen na hun zware baan en het drukke gezin bij moeders thuis. Dat was wel
verdiend na al die zorgen die ze zelf heeft gehad met
een gezin van 16 personen. Ze waren van jongs af
altijd graag bij hun opoe gekomen om even rustig te
kunnen zitten.
.
Opoe Aag met
Elizabeth aan de
Havendam
47
De broers Jan en Kees aan het lossen in het zandhok wat bij het huis lag
In het zandhok werd het zand en grind gelost. De vrachtrijder kon het daar met de schop
opladen. Het was een gezellige drukte.
Als Willem onderweg was moest moeder de vrouw, of een van de wat grotere kinderen, de
vrachtrijder helpen en de bon uitschrijven.
Willem Arie en Pietertje vierden hun zilveren bruiloft, dat was feest, ze hadden een grote
familie aan beide kanten en iedereen kwam naar het feest. Feesten gebeurden in het café van
Dits, daar was ruimte en bediening. De familie Lodder stond er om bekend dat zij goed
konden feesten en zonder dronkenschap, dat gebeurde nog al eens met feestgangers. Er
werden stukjes opgevoerd en menig een werd in de maling genomen, dan ook nog de
polonaise rond het weeghuisje. Dat zijn zo van die gebruiken die op ieder feest en trouwerij te
voorschijn kwamen. Het was een hele grote club, iedereen van de [uitgebreide] familie was
aanwezig.
Van lieverlee gingen de kinderen hun eigen weg zoeken, de toekomst zag er niet rooskleurig
uit, maar jonge mensen maken plannen, zij hebben de toekomst.
Jan had verkering met Sjaan Barendrecht, zij was een boerendochter en moest als oudste veel
in het huishouden doen, haar moeder was zwak en had een groot gezin. Arendje had al
verkering met Henk Vis, een jongen uit Zoetermeer. Arendje was 22 jaar maar van trouwen
kon niets komen, pas als ze 25 was mocht er getrouwd worden. Moeders wil was wet.
48
Het gezin Lodder in 1937
Bovenste rij van links naar rechts;
Jan, Kees, Wim.
Arendje, Anna, Marie, Aag.
Willem Arie en Pietertje.
Piet, Arie, Wijnand.
49
1937 Kleine kinderen worden groot.
Kees moest naar dienst, Wijnand was van school
gekomen en ging met Jan op de Nooit Volmaakt varen.
Kees werd als marineman in Amsterdam gelegerd,
wanneer hij vrij was ging hij met zijn maten naar de
kroeg, dat is nu, maar was toen ook het vertier. Kees
had het prima naar zijn zin in de dienst, de marine was
voor hem geknipt. Na een aantal jaren met zijn broer
Jan gevaren te hebben was deze vrijheid een
verademing Dan kwam er nog bij dat het niet boterde
tussen die twee, het waren twee heel verschillende
personen en beide met een sterke eigen wil.
Kees ontmoette Stef, ook zij was schippers dochter en
was in Amsterdam kamermeisje in een groot hotel. Ze
konden het goed vinden met elkaar, werden verliefd en
Kees vertelde dat aan zijn ouders. Die waren niet blij
dat hij een meisje uit Amsterdam had en ze was ook
nog katholiek, dat deed de deur dicht voor moeder
Pietertje.
Kees had er
geen boodschap aan en bleef met haar omgaan. Na
zijn afzwaaien kreeg hij een getuigschrift mee
waar in stond dat ‘Kees zich een flinke goede
werkkracht en actieve beleefde jongen heeft doen
leren kennen’. Een belangrijk bericht van een
baron, daar kon hij mee gaan solliciteren.
Na zijn diensttijd is hij niet naar het schip van zijn
vader terug gegaan maar knecht geworden op een
rijnschip, de Avantie. Kees werd niet gemist, er
waren altijd handen genoeg aan de haven die van
‘wanten’ wisten. In maart 1939 kon Kees zich
verbeteren door als schipper op de Pluto te gaan
varen, en weer kreeg hij een getuigschrift dat hij
een: ‘vlijtig, eerlijke persoon was, een die niet te
lui was om te werken en verantwoording toonde’.
Toch wel fijn voor de ouders omdat te horen, zij hebben hem opgevoed tot de man die hij is
geworden. Stef kwam uit Amsterdam om dienstbode te worden bij de vrouw van de directeur
van Maasoord. Ze wilde in de buurt van Kees werken. De reder waar hij voor voer had
Rotterdam als thuishaven. Moeder Pietertje moest niet veel hebben van het meisje van haar
zoon, ze vond het eigenlijk niet goed dat hij met een katholiek iemand verkering had. Maar
Willem Arie kon wel met haar opschieten en opoe Aag had haar in haar hart gesloten, die was
erg lief voor Stef. Het was wel moeilijk voor haar om op een dorp te werken en te wennen aan
de gewoonten die elk dorp heeft.
50