In Rhoon gold een politie verordening dat
jongelui [van beide kunne] verboden was
om te zitten of liggen aan de dijk, wegen,
glooiingen en bermen. Die verordening
was al oud en gold nog altijd, de politie
keek daar streng naar. Och, jonge mensen
slaan dat, als gebruikelijk, in de wind en
kropen stiekem bij elkaar in het gras. Het
was de enige mogelijkheid om in die tijd
samen te kunnen zijn, thuis waren er altijd
ogen en oren die de verliefden in de gaten
hielden. Er werden dan ook heel veel
bekeuringen uit geschreven.
Piet en Arie zaten nog op school maar na schooltijd waren ze altijd aan de haven te vinden.
Arie had een speelmaat, Martin Willems, die was wel katholiek maar dat maakte voor jongens
onder elkaar niets uit. Martin ging na schooltijd aan de haven spelen, daar was van alles te
beleven. Wanneer er een schip van Lodder in de haven was ging hij helpen met zand
scheppen. Met een grote zandschop moest het zand aan de zij kanten van het ruim weg
geschept worden, daar kon de losbak niet komen. Dat was best een zwaar karwei maar de
jongens waren vroeger niet van porselein.
Martien heeft altijd aan de haven gezworven, hij had een oude vlet waarmee hij in en om de
haven schooide. In de buitenhaven was een zwembad, het werd in de zomermaanden veel
gebruikt, dat was vertier voor de jongelui die al wat ouder werden. Wanneer de Nooit
Volmaakt voor de haven lag te wachten op voldoende water om naar binnen te varen roeide
Martien er met zijn vlet alvast naar toe. Hij nam een draad aan van Jan en belegde die op een
paal bij het zwembad, zodra het water kwam, draaide Jan met de draad op de lier het schip de
haven in. Zo hoefde hij niet op voldoende water te wachten. De motor kon alleen draaien als
er water genoeg was voor het koelwater anders werd de bagger naar binnen getrokken. Dat
zijn zo van die bijzonderheden die in iemands jeugd plezier geven, ze zijn dat niet vergeten,
als ze oud zijn vertellen ze er nog dikwijls over.
De jongens van Lodder waren altijd aan boord te vinden, wanneer de schepen in de haven
lagen was er werk aan
de winkel, of er moest
geschrapt worden of
geverfd, en anders was
er wel iets te repareren.
Wanneer er een keer
niks te doen was zochten
ze elkaar toch op en
waren met hun vrienden
aan de haven of op de
schepen. Maar niets te
doen hebben?
Dat kwam bij Willem
Arie niet voor en anders
was er in huis wel het
een en ander te doen.
51
De Pluto, Willem jr. was ondertussen ook in dienst, er was onrust in Duitsland en
het zag er niet goed uit. Wijnand en Piet moesten na de lagere school aan boord mee gaan
draaien, Willem Arie zat nooit zonder personeel met zes jongens.
Kees wilde zijn eigen weg blijven gaan, hij vond, ‘zelfstandig’, schipper zijn best fijn en was
er trots op wanneer de reis goed verlopen was, als de baas wat verdiend had zat er voor hem
ook een extraatje bij.
Na de verloving wilde Kees trouwen, alleen met een knecht en zijn meisje aan de wal was niet
zijn ideaal. Hij was dikwijls op reis en soms lang onderweg dus werden er plannen gemaakt.
Moeder Pietertje wilde geen medewerking verlenen omdat ze het nog altijd niet met zijn keus
eens was en vond het stel nog te jong.
Stef zei: ‘als er geen toestemming komt dan gaan we via de rechter trouwen’. Dat vond
moeder Pietertje toch ook een afgang dus haalde ze bakzeil.
12 april 1939 zijn ze getrouwd in
Rotterdam. Stef haar familie was
klein dus haar moeder is uit
Amsterdam gekomen om bij het
huwelijk te kunnen zijn. Het stel
is samen gaan varen. Toen kwam
de mobilisatie, Kees moest naar
de marine om zich te melden, hij
ging met een munitieschip varen.
Mei 1940 brak de oorlog uit
daarna was Kees zoek, na veel
zoeken bleek dat hij gevangen
genomen was en in Alkmaar was
ondergebracht.
Stef heeft drie maanden alleen gevaren, met het sleepschip, toen vond de eigenaar het niet
meer verantwoord voor een vrouw alleen, zij moest haar heil zoeken in verschillende
huurkamers. In juli kwam Kees vrij en konden ze weer samen naar de Pluto.
Jan jr heeft nog een tijd met Leen, een broer van Willem Arie gevaren, hij was de jongste
zoon van Jan Sr. Het was een schip van rederij Braakman, de Egenie. Dat was een tegenvaller
voor Willem, twee van zijn jongens die voor een andere baas gingen werken. In 1939 is het
schip verkocht en is Jan aan de wal gaan werken.
Jan is in november 1939
getrouwd met zijn Sjaan.
Hij liet een woonark
bouwen, de Bebajeël, de
ligplaats was aan de
havendam. Hij was
gestopt met varen, Sjaan
wilde dat onregelmatige
leven niet en van
meevaren was geen
sprake.
Rechts Jan, links Leen
52
Arendje was in maart 1940 25 jaar geworden, zij had moeten wachten en is op haar verjaardag
getrouwd, ze gingen op Charlois wonen. Willem jr was ook in 1940 getrouwd en na zijn
diensttijd op een fabriek aan de Vondelingenplaat gaan werken. Hij woonde dicht bij de haven
met zijn gezin. Opoe Aag is, na een periode dat zij niet meer uit bed kwam, in 1942
overleden, dat was wel wennen voor haar kleindochters om niet meer naar haar toe te kunnen.
In 1943 was er onrust omdat de bewoners in de avond niet meer op straat mochten. De
bevolking was daar om gaan staken, ze kwamen bijeen op het Veer maar een NSB man ging
zich bij de commandant beklagen. De burgemeester maande tot kalmte, hij was nog al bang
uitgevallen. Ondertussen werd de Tunnel van noord naar zuid geopend, de mensen die naar de
andere kant van Rotterdam gingen hoefden niet meer over de brug, er werd veel gebruik van
gemaakt.
In Rhoon draaide de wereld door, ze hadden wel last van het bombardement op Rotterdam
gehad, maar de schade viel mee. Het werk ging door, er werd nog zand geleverd aan een of
andere aannemer.
Dat werd wel minder, in Rhoon werd een legereenheid gelegerd in de polder en het werd
gevaarlijker om te varen, ook kregen de schippers problemen met de gasolie voorziening. De
zeilen van de Nooit Volmaakt werden opgezocht en ingeschoren zodat er toch gevaren kon
worden.
Het werd stiller in Pietertje haar huis, al was er genoeg te doen met de andere jongens die ook
ouder werden. Wijnand, Piet en Arie liepen, net als vele anderen zonder werk en probeerden
soms bij de een of ander werk te vinden als ze niet met hun vader mee moesten varen.
Kees voer met de Pluto dikwijls van Zeeland naar Limburg en nam een retour vracht kolen
mee terug. Het was soms best spannend maar hij heeft geluk gehad. In 1943 hadden ze met de
gezondheid van Stef geen geluk, ze kreeg TBC en moest naar een sanatorium. Er waren twee
meisjes, een van twee en een van een jaar, die gingen naar het Burgerweeshuis in Amsterdam.
Dat werd voor Kees een drukke tijd, de hele week varen en op zondag naar vrouw en
kinderen, dat was niet gemakkelijk want alles moest nog met openbaar vervoer. De oorlog
ging zwaarder wegen in het dagelijkse leven, er was minder voedsel en geen kolen want die
gingen naar Duitsland, de touwtjes werden strenger aangehaald voor de bevolking.
In februari 1944 is de jongste dochter van Kees en Stef aan difterie overleden. In het
sanatorium was weinig of niets te eten voor de patiënten en Kees kon er ook moeilijker aan
komen. Stef besloot om uit het sanatorium weg te gaan, Haar oudste dochter werd opgehaald
en het gezin is aan boord hun leven verder gaan leiden. Stef zei: ‘aan boord heb ik genoeg te
eten alleen weinig slaap en rust, we zien wel wat er van komt’.Na een paar weken werd de
Pluto gevorderd door de Duitsers, Kees wilde niet varen voor de vijand en verliet het schip.
Dat moest heel snel gebeuren want vorderen gebeurde direct.
Goede raad was duur, dan maar naar Rhoon terug, vader Willem had nog een schip zonder
schipper, er was weinig werk maar ze konden er wel op wonen. In Rhoon was ook heel veel
veranderd, de bezetter had alle gemeenteraden ontbonden. De kusten waren verboden terrein
ten zuiden van Hoek van Holland. Nu was er wel niemand uit Rhoon die daar naar toe ging
maar voor Willem Arie was een reis naar de Brielse Maas en omstreken niet meer mogelijk en
daar waren ook klanten van hem die nog wel eens zand nodig hadden.
Er was weinig of geen handel meer, de vraag naar zand en grind lag praktisch stil.
Maar de rust kwam niet, de Nooit Volmaakt werd ook gevorderd, Stef met haar dochter Liena
ging in een schuurtje achter het huis van Willem Arie wonen. Dat wonen stelde niet veel voor
maar ze hadden een dak boven hun hoofd. De Nooit Volmaakt kwam weer terug en is de
grienden verborgen. De motor was eerst onklaar gemaakt toen is het schip gesleept door oude
Willems, hij had een sleepbootje. Er waren nog kolen op zijn boot, die heeft hij er eerst
uitgehaald om thuis te kunnen stoken.
53
De Nooit Volmaakt werd onder wilgen takken verstopt zodat het uit de lucht niet te zien was.
Daarna is de Confiance onklaar gemaakt zodat deze ook niet kon varen en ook de griend in
gesleept. Willems heeft daar zijn sleepboot ook verstopt. In Rhoon waren veel onderduikers,
die werden door de mensen van het verzet verzorgd, veel van hen hebben onderdak gekregen
op de Nooit Volmaakt, goed beschut onder het opgestapelde hout. Om te voorzien in eten en
valse identiteit papieren werd, door Kees Lodder samen met Kees Gielen, ’s nachts met de
roeiboot naar Oud Beijerland geroeid. Daar konden ze via allerlei andere mensen van het
verzet, identiteitspapieren, aardappelen en vlees krijgen. De grienden waren toen groter dan
nu, aan de west zijde van de haven liep de griend tot aan de Waardse haven. Daar werden ook
een aantal Rotterdamse sleepboten verborgen. Martien Willemse was gevraagd, door een baas
van het droogdok, om met mensen uit het verzet naar de Beerenplaat te varen, hij zou zorgen
voor een betere vlet. Voor Martien was het een avontuur om in de nacht stiekem over te
varen. Op de Beerenplaat werden aardappels gehaald voor de mensen in Schiedam. Dat was
toch best een gevaarlijke klus, hij heeft altijd geluk gehad en het na kunnen vertellen.
Oktober 1944 gebeurde er een ramp op Rhoon, door een ongeluk of sabotage, dat is nooit
duidelijk geworden, zijn er 7 mensen ter plekke terecht gesteld. De bevolking was hevig
ontdaan en geschrokken dat er geen goede rechtspraak is geweest.
Maar het was nog altijd oorlog. Het werd een strenge winter, veel mensen stierven door
honger en kou.
Stef zag dat Kees gevangen genomen werd door de weermacht, verdacht van
ondergrondsewerk, ze stoof op hem af maar kreeg een geweer op zich gericht en moest
afdruipen. Stef, niet voor een kleintje vervaard, ging naar de commandant en kreeg door
inmenging van een, ‘zogenaamde NSB kennis’, haar man en nog een onderduiker vrij. Dat
was geluk hebben maar er moest in het vervolg wel voorzichtig gewerkt worden want andere
levens hingen er ook van af. Kees vertelde wel eens dat hij met de roeiboot een schaap moest
halen in Oud-Beijerland, dat beest in de boot en Kees zou hem slachten. Goede raad was er
niet dus zo goed en kwaad als het ging slachtte hij het schaap. Maar een ding is hem bij
gebleven, het schaap ging huilen terwijl het werd geslacht. Dat schijnt te gebeuren, maar Kees
was zo onder de indruk, dat hij nooit meer zoiets nog heeft gedaan, honger of niet. De mannen
van het Veer wisten wel van wanten en de mannen die in de griend werkten kenden de sluip
wegen en wateren. Naar welke kerk je dan ging maakte in die jaren niets meer uit.
54
1945
In mei was de oorlog afgelopen de schepen kwamen de haven weer in, ze konden terug naar
hun schip, daar moest eerst het een en ander worden gerepareerd met het weinige dat er nog
was. Er werd voedsel gedropt, de mensen gingen daar op af, maar dat moest worden
verzameld en in porties uitgegeven zodat een ieder zijn deel kreeg. In juni werd de zoon van
Kees en Stef geboren, en de naam? ’Willem Arie’, dat kon niet missen. Kees was lid van de
Binnenlandse Strijdkrachten geweest, die werd in augustus opgeheven, hij zou daar een
onderscheiding voor krijgen, die heeft hij geweigerd vanwege het kaalscheren van de jonge
vrouwen. Daar deden sommige leden van de BS aan mee, hij was het daar niet mee eens en
vond het schandalig. De commandant bedankte Kees, Stef, Jan en Kees Gielen voor hun inzet
voor de ondergrondse. Hij kon hem in een burgerbetrekking aanbevelen. Een burger
betrekking heeft Kees nooit geambieerd en hij is blijven varen.
Het leven werd weer opgepakt, de mensen konden weer aan hun toekomst gaan werken, er
was veel te doen de handel kwam op gang, er werden plannen gemaakt om weer te bouwen.
Straten, huizen, dijken, alles had veel geleden. De polders hadden onder water gestaan, door
inundatie, de boomgaard van boer de Hollander was er door dood gegaan en moest opnieuw
geplant worden. Het bouwland had ook veel te lijden gehad en zo kwam er steeds meer werk,
en voor de mensen een inkomen. Het was wel een schamel loon wat de boeren betaalden aan
hun arbeiders. Vooral de bewoners van het Veer hadden grote gezinnen die er van rond
moesten komen, die mensen waren dan ook erg arm. In de haven van Rotterdam werd hard
gewerkt om de schepen weer vaarklaar te maken, daar waren veel arbeiders voor nodig, die
kwamen met velen uit de regio. Zo gingen ook Rhoonaars bij het Droogdok werken of werden
havenarbeider. De lonen waren daar ook beter waardoor de Rhoonse gemeenschap vooruit
ging. De winkels deden goede zaken, er werd nog wel op de pof betaald maar de centen
kwamen meestal wel als het loonzakje op zaterdag kwam.
Marie was na de bevrijding getrouwd met een zoon van de griendschipper en woonde in bij
haar moeder. Kees de Rover kwam uit een oude schippersfamilie zijn vader voer al in 1901
met Jan Lodder door het Voornse Kanaal met griendhout voor de dijkwerkers en riet voor de
daken van boerderijen.
Voor de wal ligt de klipper van schipper de Rover, daar voor ligt de Nooit Volmaakt
55
Wijnand voer met de Confiance samen met Arie. Kees met zijn vrouw waren de bemanning
op de Nooit Volmaakt en woonden aan boord. Het beugelen ging nog op de ouderwetse
manier en koste veel tijd en mankracht. Het was voor de schipperse best een druk leven, het
huishouden en twee kinderen verzorgen in die kleine ruimte aan boord. Liena was er een die
in de gaten gehouden moest worden, dat was een eigenwijs kind die een eigen wil had, ze
moest soms ook op haar kleine broertje letten.
Als ze in de haven kwamen was vader Willem Arie bereid om aan de lier te staan met lossen.
De meeste vrachten werden nog in Rhoon gelost. Als er gelost werd, dan was de kleine meid
altijd in het ruim te vinden om met de schop het zand bij te scheppen.
Willem kreeg het wat makkelijker nu zijn zonen met elkaar voeren, hij deed nu de verkoop en
had de zorg voor het zandhok.
Aan boord had het gezin een normaal leven,
zo nu en dan kwam er familie of een kennis
op bezoek. Dat was even een adempauze in
het toch wel hectische leven aan boord van
een schip. Visite
Eigenlijk was het wel knus al was er weinig
ruimte, een tafel tegen het schot met een
olielamp er boven, een bankje en twee
stoelen, dat was het. Onder het gangboord
waren kastjes gemaakt, en onder de stuurhut
was een tweepersoonskooi en een kleine kooi voor de kinderen. Op de kachel werd gekookt.
Je kunt het je niet voorstellen maar zo moest moeder de vrouw werken en wonen met twee
kleine kinderen.
De schepen waren zo goed als verdwenen uit de haven, de familie van Bokkum was al voor
de oorlog gestopt en de meeste goederen werden met een auto vervoerd. Alleen stenen,
houten palen, zand, grind en soms speciale teelaarde kwamen nog per schip. In de nazomer
was het druk met de biezen en het riet, in de herfst kwamen de bieten. Dat gaf veel drukte
maar was wel gezellig. In de winter werden de grienden gesnoeid en kwam de griendschipper
weer in de haven. De bedrijvigheid trok altijd veel mensen naar de haven en iedereen had wel
een nieuwtje. Op de losplaats van Louter was een ijzersmederij gekomen, een kleine
zelfstandige die allerlei werkzaamheden deed, Nico Heij, hij heeft altijd moeite gehad om
eigen te worden met de bewoners van het Veer en de havendam. Hij moest werken met oud of
afval ijzer want iets anders was er niet. Er was zoveel ijzer nodig om de schepen die door de
Duitsers gevorderd en gekopt waren te herstellen. De meeste eigenaren moesten bij de werven
wachten op hun beurt, zoveel herstelwerk was er en weinig ijzer.
Wanneer de Nooit Volmaakt in de haven lag was het voor Liena groot feest, er woonde veel
familie aan de havendam en ze kon maar kiezen naar wie ze toe ging, er was altijd wel
iemand. Ze werd wel verwend door
die jonge ooms en tantes. Arie
vertelde later dikwijls dat ze zo van
pap hield, wanneer haar moeder
riep dat ze moest komen eten dan
bleef Liena gewoon spelen. Dan
riep Arie dat hij haar pap op zou
eten en dan kwam ze, als op
vleugels, aan gevlogen met haar
korte dikke beentjes.
Liena met broer Wim bij de Nooit
Volmaakt in 1946
56
Stef bij Cor Verhagen de visboer. Toen beseften Kees en Stef dat de schooltijd voor hun
dochter er aankwam, ze gingen eens kijken of er een
woning was, dat viel niet mee, er was grote woningnood.
Er kwam een huisje vrij vlakbij bij de haven, Stef er op
af en na veel vijven en zessen krijgen ze het huis. De
burgemeester wilde geen vergunning geven omdat zij
schippers waren, dat ‘volk’ wilde hij geen woning geven.
Na de verhuizing, die stelde niet veel voor, moesten nog
spullen aangeschaft worden, dat was niet gemakkelijk in
die tijd. De jonge mensen die allemaal na de oorlog
getrouwd waren hadden ook meubels nodig. Stef vond
het fijn om aan de wal te wonen en haar huishouding te
regelen. Een bedstee werd nog als slaapruimte gebruikt
door de ouders, en van de andere bedstee was een keuken
gemaakt. De kamer was niet groot maar wel gezellig, de
kinderen sliepen op de zolder. Die moesten een houten
trapje op. De wc was een aangebouwd hokje met een aansluiting op een beerput. En proper
dat het was, glimmend vloerzeil, de karige meubeltjes een tafel met vier stoelen, gepoetst en
gewreven.
Nadat Stef met haar kinderen aan de wal woonden, ging Arie met Kees meevaren. Het schip
was onregelmatig in de haven dus Stef draaide eigenlijk alleen op voor de opvoeding. Ze had
wel moeite met het dorpse leven, veel mensen hadden een bijnaam omdat er heel veel mensen
op het Veer woonden die de zelfde naam hadden. Zo was er op de veerstoep een kruideniers
winkel, die vrouw werd Kee Toet genoemd. Stef kwam in de winkel en zegt:’ goede morgen
Mw. Toet'. Die vrouw heette Heezen, wist Stef veel, en
dat gebeurde haar regelmatig. Dan hadden ze het over
een dikke Tijs of Jan de K-nijn of Henk de Kip, al deze
mensen hadden de naam Heezen, maar dat was om ze uit
elkaar te houden. Velen met de naam Heezen hadden
bijna allemaal de zelfde voornaam. Hun kinderen werden
ook genoemd met de bijnaam van hun vader. Dat was
een gewoonte die Stef niet kende en was daar heel
verbaasd over. Stef bleef toch een vreemde juffrouw uit
de stad en dan al die nieuwsgierige mensen vond ze wel
benauwend. Het was heel veel aanpassen voor haar en
ook nog met een schoonmoeder waar ze niets goed bij
kon doen. Aan de wal wonen was voor de schippers
vrouw wel luxe, de melkboer, groenteboer, kruidenier, de
man van verzekeringen en het ziekenfonds, alles kwam
aan de deur. Ook de olieman, met olie voor het
peteroliestel, kwam wekelijks langs de deur.
Olieboer ‘ome Dirk Beckers’
Toen Stef nog meevoer werd tijdens het varen boodschappen bij de parlevinker gekocht, die
kwam met zijn winkelbootje langszij en maakte vast, maar ze hadden wel altijd de zelfde
parlevinker. De gasolie werd ook altijd door de zelfde bootjes verzorgd, in Gorkum was het
de firma Monster. Wanneer ze naar het Hollandsdiep voeren kwam het oliebootje van de
familie van der Kolk langs om te leveren.
57
Met Stef haar gezondheid ging het bergafwaarts, gelukkig kon zij een dienstmeisje betalen, er
waren altijd dochters van mensen in de buurt die een dienstje zochten.
In april zou hun dochter naar school gaan, op de openbare school in Poortugaal, maar omdat
‘oma Pietertje’ het daar niet mee eens was ging ze in september naar de christelijke school in
Rhoon.
De Rooms Katholieken hadden een eigen voetbalvereniging opgericht, WCR. Zij speelden
eerst bij de Rhoonse club, die speelden alleen op zaterdag omdat de gemeenteraad voetballen
op zondag niet toestond. Bij de WCR club vonden ze dat niet fijn. Op het opgespoten stuk
griend aan de westkant van de buitenhaven kregen ze een stuk aardappelland ‘Het Stort’ waar
ze een voetbalveld aanlegden. Dat was grondgebied van Poortugaal, daar deden ze niet zo
moeilijk over de zondag. Veel leden woonden op en bij het veer, werkten bij aannemer
Geeve, of bij het droogdok. Er was nog geen accommodatie maar ze konden zich behelpen
om zich, na de wedstrijd, op te frissen met het havenwater. Waar het havenwater al niet goed
voor was. Een kantine was er ook nog niet maar Cor Heezen was zo slim om zijn vrachtauto
als kantine te gebruiken. De laadklep werd gebruikt om een biertje te schenken, snaaien
gebeurde toen nog niet, het was er ook niet en de leden hadden daar ook geen geld voor. Van
liever lede kwam er een clubgebouw, douches en meer toeschouwers. Als de RK kerk uitging
was het thuis snel koffie drinken en dan gingen ze naar hun club.
Van de Lodders was er maar een die voetbalde, dat was Willem jr, hij voetbalde bij een
Poortugaalse club.
Willem Arie ging weer met zijn zoon Wijnand varen, Piet ging naar Indië voor zijn dienst, dat
was spannend om zover weg te moeten, maar jonge mannen vonden het ook wel een
avontuur.
De mannen voeren het water tot
karnemelk, zoveel vraag was er naar
zand en grind.
De wederopbouw was in volle gang en
de bewoners konden werken zoveel ze
wilden. De boeren en tuinders kregen
ook weer meer body en konden iets
betere lonen betalen. Ze moesten wel,
anders bleef er niemand over vanwege
de concurrentie met de haven, industrie
en scheepsbouw.
De distributie radio deed zijn intree in veel gezinnen, zo kregen de mensen meer nieuws van
buiten het dorp te horen.
Wanneer je katholiek was luisterde je naar de KRO, protestant, dan naar de NCRV. En wie
stiekem links was had de VARA aan staan. Stef was eigenwijs en luisterde graag naar alles
wat vrolijk was. De gebeurtenissen in de wereld kwamen zo ook in de huiskamer.
Het was een hele vooruitgang voor de gewone mensen, na gedane arbeid zaten de gezinnen
om de tafel te luister naar de hoorspelen.
Stef kreeg na het verplichte longonderzoek te horen dat ze een groot gat in haar long had en
zou moeten gaan kuren. Maar, er waren zo veel mensen met TBC dat er nog geen ruimte in de
sanatoria was. Er werd een huisje met rondom glas op een draaispil in de Qwak gezet en
overdag moest ze daar in bed blijven liggen.
Arendje kwam overdag voor haar kinderen en huisje zorgen omdat Kees de hele week van
huis was. Een schip moet varen, de klanten moesten bediend worden en de schipper zelf een
inkomen verdienen. Arendje had al twee kinderen, die kwamen elke dag mee naar Rhoon op
de fiets. s’Avonds ging zij weer naar haar huis in Rotterdam.
58
Wanneer Stef ’s avonds weer voor de nacht in haar huis kwam moest haar dochter, zo klein
als ze was voor haar moeder en broertje zorgen en naar zijn bed brengen. Het werd voor het
schippers gezin er niet makkelijker op toen de kleine Wim en de twee kinderen van Arendje
ook TBC kregen. Dat was schrikken voor de familie, toen moest er toch professionele hulp
ingeschakeld worden. Stef ging naar Hoog Laren, Wim naar Hoek van Holland en de
kinderen van Arendje gingen naar Katwijk. Dat was drama, Liena ging naar een kinderhuis in
Rotterdam. Zo was de hele familie verdeeld over het land. En Kees maar varen met de Nooit
Volmaakt, op zaterdag, als hij in de haven was, ging hij op reis naar zijn gezinsleden. Dat
werd reizen het hele weekend, ’s avonds even slapen en op de vroege maandagmorgen weer
met de vloed de haven uit. Een week van sappelen voor de boeg. Gelukkig was er werk
genoeg, er moest veel geld betaald worden voor zijn zieke vrouw, de verzekering betaalde
niet omdat ze niet bij verzekerd kon worden door haar ziekte in de oorlog. Voor zijn dochter
moest hij ook betalen, zij was in een particulier kinderhuis. Zo glipten de jaren, dat er zo goed
kon worden verdiend, door zijn vingers. Andere schippers konden een groter schip kopen
maar Kees kon zijn geld aan de artsen kwijt. Niet dat hij dat erg vond, hij wilde zijn vrouw en
kinderen het liefst zo snel mogelijk weer beter en thuis hebben.
Toen Piet uit Indië terug kwam vroeg hij zijn vader om zelf de vrachten te gaan vervoeren met
een auto. Dat wilde Willem niet, hij vond dat Cor Heezen ook werk moest hebben om zijn
gezin te onderhouden. Dat was een tegenvaller voor Piet, hij is toen bij de Caltex gaan werken
en na zijn huwelijk in Vlaardingen gaan wonen. Hij heeft het altijd jammer gevonden.
Aag was getrouwd met een broer van Sjaan, die familie had veel kinderen, ook haar zus Leida
kreeg verkering met Wijnand, dat was nummer drie uit een gezin. Wijnand wilde trouwen en
op de Confiance gaan wonen.
Dat was moeilijk want er was geen woning aan boord.
Dan maar in het vooronder iets netjes timmeren. Toen
het klaar was zag het er ook nog knus uit. Aan
weerszijde werd een bankje getimmerd met klein tafeltje
in het midden, achter de banken kastjes en een kacheltje
voor in de piek, twee kooien en het stel kon wonen.
1949 zijn zij getrouwd. Rhoon bestond 750 jaar, dat werd
een groot feest, de mensen waren blij een keer te kunnen
feesten en alles even te vergeten.
Dat jaar is de Brielse Maas afgedamd en werd: “Het
Brielse Meer”. Dat ging veel veranderingen brengen. De
plannen waren om er een recreatie gebied van te maken
voor de almaar uitbreidende stad Rotterdam. Er kwam
meer industrie, de Botlek werd industrieterrein en de
plannen reikten nog veel verder.
Zorg en Vlijt in de haven.
Met kerstmis kwam Kees zijn vrouw met de kinderen weer thuis. Dat was grote blijdschap na
twee jaren tobben. Ook de kinderen van Arendje waren weer thuis. Toen bij Wijnand en Leida
een baby werd geboren op de Confiance, was het vooronder te klein. Het was erg behelpen
voor Leida, ze was het ook niet gewend om zo klein te leven, ze is en blijft een vrouw van de
wal. Na wikken en wegen werd een ander schip gekocht, een met een roef achterop. Dat was
een vooruitgang voor het jonge gezin van Wijnand, de naam van het schip was Zorg en Vlijt.
59
Kees werd schipper op de Confiance en Arie ging met zijn maat Martien varen. Kees ging met
een knecht varen, dat was geen onverdeeld genoegen want het werk viel de meesten tegen. Er
was veel werk in de zandhandel, de mannen waren de hele week van huis. Sommigen hadden
er een hekel aan dat ze vies werden en niet even de kroeg in konden duiken. De hele week als
jonge knul met de schipper samen dat vind niet iedereen leuk. Er was er een die kwam aan
boord met een wit spijkerpak, hij was in Amerika geweest en dacht zo te kunnen gaan varen.
Dat viel tegen op een werkschip waar alles in de teer staat, geolied en gesmeerd wordt. Na dat
de Confiance voor de haven kwam, en moest wachten op water om naar binnen te kunnen,
stapte de knecht met pak en al over boord, liep door de modder naar de wal en had het gezien.
Dan maar weer een andere knecht, dat werd er een uit Curaçao, Jan Jankok. Hij kon heel goed
hard lopen. Als Kees met slecht weer aan het varen was, met een volgeladen Confiance, zat
Jan boven op het zand. Op de vraag of hij niet bang was zei hij ’ik kijk naar de schipper, als
hij zijn portemonaie pakt dan wordt het penibel’.
Jan was een leuke vent waar niets te veel voor was, je kon alleen niet op hem rekenen. Dat zal
wel aan de landsaard gelegen hebben. Zo zijn er veel verschillende jongens bij Kees knecht
geweest, de meesten hielden het niet lang vol en gingen zodra er werk aan de wal was van
boord af. Alleen jongens die zelf van de binnenvaart kwamen bleven langere tijd meevaren
Dat waren dikwijls de fijnste gasten aan boord, zij kenden het leven aan boord en de lange
werkdagen. Een keer heeft een knecht lang op de Confiance mee gevaren, hij was geen
varensman maar Kees had er een goede knecht aan. Hij woonde aan de Vinkeveense plassen,
was dus wel met het water opgegroeid. Hij had nog twee zussen en die zijn met jongens van
het Veer getrouwd. Na dat hij verkering kreeg is hij aan de wal gaan werken. En weer was
Kees zijn knecht kwijt.
60
De jaren vijftig, de nieuwe tijd.
In de vakantietijd ging Kees wel eens met
de Confiance naar Oostvoorne, daar lagen
ze dan aan de dam en gingen met de
roeiboot nar het strand. Zijn gezin ging
dan mee en zus Adrie ook met man en
kinderen.
Met Arendje en Henk Vis werd veel op
getrokken, zij zijn altijd als een rode draad
door het leven van Kees en Stef blijven
lopen. Het gezin van Kees bleef altijd
dankbaar voor de trouwe hulp die zij van
Arendje heeft mogen ontvangen.
Zij was een zus uit duizenden.
Het Rhoonse Veer in 1950
Het café heet nu Havenzicht
61
De winter heeft behoorlijk huis gehouden, na de dooi is de bouw weer begonnen, er waren
veel mensen die een huis zochten. In die periode werd in Rhoon de Welzenes buurt gebouwd.
De bouwstenen werden nog per schip aangevoerd, het waren de laatste stenen die met een
schip werden vervoerd, hout en alle bouwmaterialen werden al per auto aangeleverd. Zo werd
de scheepvaart van lieverlee uitgekleed. De tijd dat het transport onderweg was ging tellen.
De nieuwe bewoners die in Rhoon kwamen wonen waren forensen uit Rotterdam, ze hadden
een kantoorbaan of waren ambtenaar. Het was voor deze nieuw bewoners wennen in het oude
dorp met zijn gewoonten. Zij werkten zich van liever lede in, in de kerkelijke organisaties, in
de politieke partijen en kwamen vanzelf in de gemeenteraad. Vers bloed in organisaties kon
geen kwaad maar het zette wel kwade ogen bij de dorpsmensen. Men vond die nieuwigheid
maar onzin, het was toch altijd goed gegaan?
Bij Kees en Stef werd weer een baby geboren, Jaap, het echtpaar was ziels gelukkig met hun
zoon. Hun dochter had het wel druk gekregen om voor haar moeder met broertjes te zorgen,
Kees was de hele week weg en Stef was niet sterk.
In juni van dat jaar is Arie getrouwd, zijn meisje, Paula, kwam met haar moeder wel eens bij
Kees en Stef, daar hebben ze elkaar ontmoet. Toen zij wilden trouwen heeft de roef van de
Nooit Volmaakt een opknapbeurt gekregen en zag er modern uit. Het was voor Paula een hele
overgang van de stad Amsterdam naar een dorpje en wonen op een schip. Ze heeft zich goed
aangepast en is een echte schippersvrouw geworden. Op de Zorg en Vlijt was ook weer een
zoon geboren, daar hadden ze nu meer ruimte voor. Lijda was ook een echte schippersvrouw
geworden alleen vond Kees dat ze door het gangboord ging als of ze door de koeienstal liep.
Met als gevolg dat ze onder de blauwe plekken zat, maar ze heeft het wel geleerd.
Er werd nog altijd gebaggerd met de beugel, dat was een
zwaar karwei, ondertussen was door een smederij in
Vreeswijk een grijper ontwikkeld, de schippers vonden het
een geweldig systeem. In Rotterdam was een smederij die
ook grijpers ging maken, Kees en Arie bestelde bij deze
man zo’n nieuw ding. Dat scheelde heel veel werk voor de
mannen. Ze konden aan de lier blijven zitten en de motor
deed de rest. In vier uur was het schip geladen en kon de
schipper naar de losplaats terug varen.
De schippersvrouw of knecht
zorgde voor de koffie en
boterham want stoppen om te
eten dat deden ze niet, dat was
zonde van de tijd. Het had wel
tot gevolg dat er meer vrachten
in een week gehaald konden
worden en dat er ook vaker
gelost moest worden. Dat was
nog wel zwaar werk.
62
De zaken gingen wel vooruit, Willem kon aan de buiten zijde van de sluis een terrein huren
voor opslag, er werden trechters gekocht die met de Confiance werden gehaald. Martien
Willemse was, na het huwelijk van Arie, bij Kees gaan varen, hij vertelde; “ het is een hele
toer geweest om de trechters aan de wal te krijgen. Er was veel bekijks van de Rhoonaars die
zoals, de beste stuurlui aan de wal, veel commentaar leverden”. Wanneer een schip in de
haven lag waren er altijd mannen en jongens die kwamen kijken bij het lossen of een praatje
maken met de schipper.
De grienden liepen door tot
aan de Waardse haven. Om
het schip vast te leggen, zodat
het in het midden van de
vaargeul bleef liggen, werden
er lijnen van stuurboord en
bakboord naar de haven
belegd. Dan werd een lijn om
een stevige wilg belegd en bij
de trechters lagen genoeg
betonblokken om vast te
maken, dan tegen de loswal
een loopplank en de boot lag
zo vast als een huis.
Je moest in die kleine havens altijd met kunst en vliegwerk je boot aanleggen, van lospalen
had men nog niet gehoord. De trechters aan de buitenhaven was een uitkomst voor de
Lodders, de binnen- haven werd almaar droger en een vrachtauto was onder de trechter snel
geladen. Met de schep de vrachtauto laden was ook monniken werk.
Het is jarenlang zo gedaan maar de nieuwe tijd bracht veel verandering ten goede.
Later is er nog een Jakobsladder bij gekomen, die werd gebruikt om het los gestorte grind op
te laden. Dat was weer een stuk gemakkelijker, want Willem werd ook een jaartje ouder.
Liena vertelde dat haar vader een keer door de loopplank zakte en in het water terecht kwam.
Zoals de meeste schippers kon hij niet zwemmen maar het enige waar hij zich druk om
maakte was zijn pakje sigaretten. Hij stak zijn arm omhoog en riep: mijn sigaretten, mijn
sigaretten. Zijn sigaretten waren heel belangrijk voor Kees. Gelukkig is hij op de wal kunnen
komen, een droog ketelpak en er werd verder gewerkt. Het was een anekdote in de familie, er
werd nog eens aan herinnerd.
63
Watersnood, 1 februari 1953 was er een zware storm, ’s nachts ging de noodbel
op de boerderij aan de Zantelweg hard bellen zodat iedereen paraat was. Dat was wel
ouderwets maar het werkte goed. Het bleek dat de dijken door gebroken waren en grote delen
van Zeeland en Zuid Holland kwam onder water te staan. Het was noodweer en iedereen
moest gewekt worden. Ook aan de haven waren de schippers wakker en gingen zo snel
mogelijk een helpende hand
bieden. Ze voeren met hun
roeiboot de polders in om
mensen te redden, sommige
zaten op zolder of het dak.
Er was een vrouw die
weigerde mee te gaan, zij
wilde bij haar beesten
blijven. Hoe er ook gepraat
werd, en beloofd, haar
beesten ook te gaan halen,
wilde zij niet mee tot ze
werd gedwongen in de boot
plaats te nemen. Er was nog
meer te doen voor de
mannen.
Essendijk het gemaal aan de haven
De burgemeester, Chiel Louter, hoofd
van de brandweer en Do Cense waren
de Essendijk op gegaan om polshoogte
te nemen toen zij werden overvallen
door weer een dijkbreuk waardoor de
Essendijk overstroomde. Er lag nog
een mestvaalt die dreef de dijk op en
bleef liggen, daar sprongen ze op. Wat
waren ze blij toen Kees met zijn
roeiboot aankwam om hen daar van af
te halen. Verder aan de dijk woonde
een gezin met drie kinderen, toen zij
uit huis vluchten en over het bruggetje liepen sloeg de brug weg en nam de vader en twee
jongens mee, ze zijn verdronken voor de ogen van de moeder en haar dochter. Dat was een
drama, gelukkig zijn alle anderen gered. De mensen werden ondergebracht op dorp bij
bewoners, er werden kleding en spullen verzameld want ze hadden niets meer. Waar een dorp
zich dan een hechte gemeenschap kan tonen. Na de ergste schrik werd aan Kees gevraagd om
met de Confiance naar Tien Gemeten te varen en familie op te halen van een familie uit
Rhoon. Het schip werd binnen de kortste keren als een evacuatie schip ingeruimd, inclusief
een arts en zuster aan boord. Iemand had grote pannen erwtensoep klaar gemaakt en ze
vertrokken.
Op het Haringvliet aangekomen mochten ze niet verder en moesten ze zich melden in
Middelharnis bij de dienst van het ministerie. Daar zouden ze beslissen waar hij met zijn boot
naar toe kon varen. Kees wilde niet onder een commando varen, dat heeft hij nog nooit
gedaan, hij bleef zijn eigen baas.
64
Er kwam veel werk voor de schippers, de straten moesten worden gerepareerd en de huizen,
die aan de dijken en in de polders schade hadden gekregen, moesten ook weer hersteld
worden. Dat werd een drukte van belang voor de aannemers, maar ook voor de zandschippers.
Bedrijven met dijkwerkers hadden veel werk om de dijken te herstellen. De boeren en
tuinders hadden veel werk om de landerijen en boomgaarden weer op orde te krijgen.
Zo als gewoon, kwam alles weer op zijn pootjes terecht en ging het leven door op het dorp.
Het vertrouwde leven in Rhoon was wel veranderd, de boerenstand ging wat van zijn inbreng
in de gemeenteraad en kerk verliezen de tuinders kregen meer invloed.
Ook de nieuwe bewoners namen het heft in handen, zodoende veranderde er veel in de
gemeentepolitiek en omgang met de bewoners. Veel mannen uit Rhoon kregen werk in de
Rotterdamse haven, op de scheepswerven en in de industrie.
De economie kwam in een versnelling, er werd gebouwd, nieuwe winkels en winkelcentra
kwamen in de dorpen en steden, er werden veel nieuwe woningen gebouwd en in Rhoon
kwam weer een nieuwe woonwijk, dus meer Rotterdammers.
Het gezin van Kees kreeg een nieuwe woning in Poortugaal, de kinderen moesten ook naar
een andere school. Dat was wennen, maar de kinderen hadden het daar prima naar haar zin.
Willem Arie wilde de schepen aan zijn zonen verkopen en juni 1954 werden Kees, Arie en
Wijnand scheepseigenaar. Willem Arie bleef wel de verkoop houden van wat in Rhoon
geleverd werd, dan had hij ook nog een inkomen. Nu waren de broers eigen baas maar ze
moesten bij de afnemers, in Zuidland en Oud-Beijerland, ook zelf achter hun geld aan. Dat
viel niet altijd mee. De afnemers waren ook toen al niet scheutig, sommige wachten wel een
half jaar om de rekening te voldoen. Vooral in Zuidland was het wachten op je geld lang. Zij
konden niet anders want ze moesten ook
lang op hun geld wachten. Het zand
werd geleverd aan Provinciale Staten,
die hadden het nodig om de dijken en
wegen te herstellen of te vernieuwen.
Als Kees weer een keer zonder knecht
was dan moest Stef mee varen. Dat was
wel een gedoe, dan moest er een
huishoudster worden gezocht.
Dat werd een oudere vrouw, maar het
bleek snel dat zij niet met kinderen om
kon gaan. Toen kwam er een jonge
vrouw die de harten won van de
kinderen Lodder. Dat was Mien, zij
wilde gaan trouwen met haar verloofde Martien en tot die tijd kwam zij om de kinderen te
verzorgen terwijl Stef meevoer op de Confiance.
Liena zat ondertussen op de mulo maar, er was een kans dat Stef weer naar het ziekenhuis zou
moeten voor nog weer een operatie. Liena zou dan met haar veertiende jaar van school
moeten om bij haar vader als knecht te gaan varen. Goede raad was duur, maar omdat Stef op
dat moment goed gezond was werd zij toch maar wel opgenomen. Ze wilde wel eerst naar de
bruiloft van Mien en Martien voor dat zij naar het ziekenhuis ging. Het is een zware operatie
geworden en daarna nog naar het sanatorium, het gezin was weer uit elkaar, haar dochter
moest van de mulo af en, veertien jaar oud, mee gaan varen. Ze mocht op een van haar eerste
reisjes aan het roer staan omdat Kees even naar de machinekamer moest. Trots stuurde zij, het
was heel hoog water, ze hoorde ineens een gerommel en gebonk. Kees was gelijk boven en in
de stuurhut. Wat bleek, het was bij Lage Zwaluwen, zij was over de strekdam gevaren en de
Confiance hobbelde er zo weer vanaf. Gelukkig was er geen schade. Hij had al genoeg kosten
gehad en dat moest terug verdiend worden.
65
Zaterdag dekwassen
Alle schepen in de
haven en
Solex liefhebbers op het Veer
66
en zondag rust
67
Voor en tegenwind
Gaat het tegen - wind, me vrind!
Laat een schipper U dan leren
te laveren:
Doe, alsof je er niet naar vroeg
om aan gindse kust te komen
maar zeil voort met wind en stromen…
En – ben je eenmaal ver genoeg,
wend dan over de and’re boeg!
Gaat het voor – de – wind, me vrind!
Leer van stuurlui dan, bij ’t zeilen
steeds te peilen:
’t water schijnt soms diep genoeg
en er staat allicht een baken.
Maar ’t is de kunst, weer vlot te raken
als of wind, of stroom, te vroeg
’t scheepjen op het droge joeg.
Voor of tegenwind, me - vrind!
Leer u werken – leer u wachten,
dag en nachten!
Haastig, komt altoos te vroeg,
neuswijs, zal het minste weten,
om, heeft altijd wat vergeten,
langzaam, komt nooit tijds genoeg…
Kies dan steeds de rechte boeg!
JP Heije
68