The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.

Het einde van het periodiek systeem?

Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by info, 2023-12-13 05:00:41

394-Superzware elementen

Het einde van het periodiek systeem?

Superzware elementen Het einde van het periodiek systeem? Zo’n honderd jaar geleden leek het periodiek systeem nog een beetje op een gatenkaas en miste het laatste deel. Sterker nog, veel wetenschappers dachten dat er na uranium (element 92) geen andere elementen meer zouden komen. Maar de twintigste eeuw zat vol verrassingen en een reeks briljante wetenschappers was in staat om die nog ‘missende’ elementen op te sporen, zij het misschien maar met één atoom tegelijk. Hoe verder je komt in het periodiek systeem, hoe mysterieuzer het wordt. Vanaf element 83 worden alle elementen steeds radioactiever en de elementen na uranium komen allemaal niet in de natuur voor. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat wanneer je op aarde een atoom van een superzwaar element maakt, dat het enige atoom van dat element in het hele universum is. Maar wat zijn superzware elementen eigenlijk? Hoe maak je ze en waarom? En kunnen we nóg verder dan de tot nu toe bekende 118 elementen? Daniël Linzel #394 Editie 101 september 2023


2 | Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 Superzware elementen zijn officieel de transactiniden, ofwel de atomen die ná de actiniden komen in het periodiek systeem: van rutherfordium (104) tot oganesson (118). Deze elementen komen in de natuur niet voor omdat ze zeer instabiel zijn. Om te begrijpen waarom is een blik op de atoomkern nodig. Atomen bestaan uit drie onderdelen: protonen, neutronen en elektronen. Elektronen zijn zo’n 1800 keer kleiner dan protonen en neutronen, negatief geladen en zitten in een ‘schil’ (ook wel een orbitaal genoemd) om de kern heen. In de kern van een atoom bevinden zich de kerndeeltjes of nucleonen: positief geladen protonen en neutrale neutronen. Hoe weet je in die verzameling van deeltjes met welk atoom je te maken hebt? Wetenschappers hebben afgesproken om de protonen als richtlijn te nemen. In het periodiek systeem zijn alle atomen dus geordend op de hoeveelheid protonen: één proton is altijd waterstof, twintig protonen is altijd calcium en honderd protonen is altijd fermium. Daarbij kan het aantal neutronen wél verschillen. Bijvoorbeeld: koolstof (C) heeft zes protonen, maar in de natuur bestaan er drie versies van koolstof die we isotopen noemen: hetzelfde aantal protonen, maar een verschillend aantal neutronen. Koolstof kan namelijk zes, zeven of acht neutronen hebben. Dat geven we aan door de nucleonen bij elkaar op te tellen, dus: C-12 (6+6), C-13 (6+7) en C-14 (6+8). Magneten De nucleonen worden bij elkaar gehouden Superzware elementen Daniël Linzel Kernsplijting van uranium. Je schiet een neutron in U-235 wat U-236 wordt (1 neutron meer). Die isotoop is instabiel en splijt vanzelf uit elkaar, hier in Kr-92, Ba-141 en drie neutronen. In sommige gevallen gebeurt kernsplijting spontaan. Een schematische voorstelling van een atoomkern, met rood de positieve protonen en blauw de neutrale neutronen. In werkelijkheid liggen de deeltjes zó dicht bij elkaar dat ze elkaar lijken te overlappen. Het einde van het periodiek systeem? De laatste rij van het periodiek systeem bevat allerlei bijzondere namen, en tot 2016 hadden vier van die elementen nog geen officiële naam. Wat is er bekend over deze zogenoemde superzware elementen en wat kun je ermee? door de zogenoemde sterke kernkracht. Die is tot een bepaald punt sterker dan de afstotende kracht tussen de positief geladen protonen (denk aan magneten die je met dezelfde pool tegen elkaar aan probeert te drukken). IJzer-56 is het meest stabiel, daarna neemt de stabiliteit van de atoomkernen langzaam af. Anders gezegd neemt de reactiviteit van de atomen toe. Atomen lichter dan ijzer kun je makkelijker combineren (kernfusie) en atomen zwaarder dan ijzer kunnen makkelijker uit elkaar vallen (kernsplijting). Dit laatste is vooral het geval bij de actiniden en zwaardere atomen: de vele protonen stoten elkaar steeds meer af. Kernsplijting kan daardoor spontaan gebeuren, bijvoorbeeld bij het zwaarste in de natuur voorkomende atoom uranium-238 met 92 protonen. Dat is dan ook meteen het moeilijke aan het maken van superzware elementen: die hebben van nature zoveel protonen dat ze heel graag uit elkaar willen vallen in stabielere atomen. Als je ze maakt, blijven ze vaak maar heel kort bestaan. Dat maakt het moeilijk om ze te analyseren. Desalniettemin zijn er voorspellingen dat sommige atoomkernen veel langer kunnen bestaan dan we nu zien. Het gaat dan niet om miljoenen jaren, maar sommige superzware atomen zouden toch zeker tientallen uren tot tientallen dagen moeten overleven (zie kader ‘Eiland van stabiliteit’). Kernfusie Maar hoe maak je superzware elementen? De enige manier die daar tot nu toe geschikt voor is, is kernfusie: het samensmelten van twee lichtere atoomkernen tot een zwaardere variant. Dat samensmelten is al-


Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 | 3 Z 20 40 60 80 100 20 40 60 80 100 120 140 160 N Z = N 10−8 s 10−6 s 10−4 s 10−2 s 1 s 100 s 104 s 106 s 1 yr 100 yr 104 yr 106 yr 108 yr 1010 yr 1012 yr 1014 yr no data stable leen niet zo eenvoudig als het klinkt. Net als bij de eerder genoemde magneten, hebben alle atoomkernen een bepaalde barrière (de coulombkracht) die er normaal gesproken voor zorgt dat twee kernen elkaar als biljartballen afstoten wanneer ze te dicht bij elkaar komen. Om toch tot kernfusie te komen, moet je zorgen dat de atomen zo dicht bij elkaar zijn dat ze als het ware overlappen. Daar heb je een deeltjesversneller voor nodig (zie p. 6). Deeltjesversnellers heb je in allerlei soorten en maten, maar het idee is steeds hetzelfde: het ene atoom pin je vast en het andere atoom versnel je met een heel snel wisselend elektrisch veld tot ongeveer 10% van de snelheid van het licht in de richting u Eiland van Stabiliteit Het ‘eiland van stabiliteit’ is een concept dat uit de jaren zestig stamt. Het model beweerde dat elementen 114 tot 120 zouden bestaan en relatief stabiel zouden zijn als ze ongeveer 184 neutronen hebben. Met stabiel wordt hier niet bedoeld dat de elementen niet radioactief zijn, maar dat de elementen niet spontaan uit elkaar vallen (spontane kernsplijting). Volgens het model bestaat de kern van een atoom uit schillen, net als het geval is voor elektronen om een atoom. Als die schillen gevuld zijn met het juiste aantal protonen (Z) en neutronen (N), zouden ze stabiel moeten zijn. Die juiste aantallen noem je de ‘magische getallen’. De reeks magische getallen voor neutronen en protonen is 2, 8, 20, 28, 50, 82 en 126. De volgende in de reeks voor protonen zou 114 en voor neutronen 184 moeten zijn, maar waar wetenschappers tegenaan lopen is dat ze niet genoeg neutronen in superzware elementen kunnen krijgen om bij dat magische getal van 184 te komen. Maar ze komen steeds dichterbij en zien dan inderdaad dat de elementen stabieler worden, wat het bestaan van het eiland van stabiliteit lijkt aan te tonen. van het vastgepinde atoom. Dit is een heel precies werkje: schiet je te langzaam, dan ketsen de atomen van elkaar af zonder reactie; schiet je te snel, dan heb je kans dat het andere atoom uit elkaar spat. Wat er vaak gebeurt in die heel korte tijd dat de atomen tegen elkaar aan komen, is dat ze een paar rondjes om elkaar heen draaien en dan weer uit elkaar gaan zonder te fuseren. Maar soms smelten ze wél samen: een nieuw atoom! Als dat gelukt is, moet je ze met elektromagneten scheiden van de andere deeltjes die niet hebben gereageerd. Pas dan kun je ze gaan onderzoeken om te kijken of wat je hebt gemaakt ook echt een nieuw element is. De ontdekking van een superzwaar element bevestigen is ook geen kinderspel. Vooral toen het onderzoeksveld net begon, had niemand een idee van hoe de superzware elementen eruit zagen, wat hun eigenschappen waren, hoe ze reageerden. Onderzoekers hadden geen vergelijkingsmateriaal. Daarnaast zijn de hoeveelheden van het nieuwe element vaak ongelofelijk klein. Zo moest het GSI Helmholtzzentrum für Schwerionenforschung in Darmstadt, Duitsland, een week lang zinkatomen op loodatomen schieten om één enkel atoom copernicium (112) te creëren. Daarbij komt ook nog dat alle elementen vanaf uranium radioactief zijn en dus verdwijnen terwijl je ermee in je handen staat. Nu gaf die radioactiviteit de onderzoekers wel een houvast: zie je na een experiment een radioactief patroon dat niet overeenkomt met al bekende patronen (de vervalreeks), dan is de kans groot dat het experiment is gelukt. Tegenwoordig zijn dat soort kenmerken natuurlijk wel bekend, dus kun je die gebruiken om het maken van (bekende) superzware elementen te bevestigen. Als je nieuwe elementen wilt maken dan is in ieder geval het eerste deel van de vervalreeks onbekend, maar kan het na het eerste verval overeenkomen met een bekend radioactief atoom. Wat heb je eraan? Wat heb je aan superzware elementen? Waar gebruik je ze voor? Dat is een lastige vraag. Het is altijd mogelijk dat er wel een toepassing bestaat, maar omdat er nog vrij weinig bekend is over de eigenschappen van superzware elementen is het voor de meeste daarvan moeilijk te zeggen waar je ze voor kunt inzetten. Zolang je slechts kleine hoeveelheden kunt maken, zullen toepassingen ook nog lang uitblijven. Maar er zijn al wel een paar voorbeelden van de mogelijkheden. Zo wordt element 95, americium-241, al een tijdlang gebruikt in ionisatierookmelders. Die maken gebruik van het radioactieve karakter van americium, dat zogenoemde alfadeeltjes uitstraalt. Alfadeeltjes zijn heliumkernen met twee neutronen en twee protonen, maar zonder elektronen, die je makkelijk kunt tegenhouden. Dankzij die alfadeeltjes loopt er een stroompje door zo’n detector, maar op het moment dat er rook in de detector komt, worden die deeltjes tegengehouden, stopt het stroompje en zal de detector alarm slaan.


4 | Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 93 Neptunium 96 Curium 95 Americium 97 Berkelium 94 Plutonium Recent onderzoek heeft ook gekeken naar element 100, fermium. Ook hier gaat het weer om het radioactieve karakter van het element. Van twee van de fermiumisotopen kun je picogrammen (1×10-12 gram, een biljoenste) maken. Ondanks de extreem kleine hoeveelheid zou je de isotopen uiteindelijk kunnen gebruiken in de ontwikkeling van moleculen in de radiofarmaceutische chemie. Maar op dit moment is er nog volop onderzoek aan de gang naar de mogelijkheden Verder heeft plutonium (element 94) al een behoorlijke ‘impact’ gemaakt. Plutonium was namelijk het hoofdbestanddeel voor de atoombom (zie achterkant). Maar onschuldigere toepassingen zijn ook aan de orde: NASA werkt bijvoorbeeld met plutonium-238, een isotoop dat je niet voor bommen kunt gebruiken. Het straalt alfadeeltjes uit, heeft een halfwaardetijd van 88 jaar en heeft een hoge energiedichtheid, wat het geschikt maakt als warmtebron voor ruimteschepen. Het radioactieve element zit vast in een keramisch materiaal, plutoniumoxide, en de hitte wordt omgezet in elektrische energie om de computers en andere onderdelen van het ruimteschip te bedienen. Waar het voornamelijk om gaat bij onderzoek aan superzware elementen is dat het inzicht geeft in de fundamentele aspecten en beperkingen van dat soort atomen. Want als je begrijpt hoe ze werken, dan kun je ze waarschijnlijk ook manipuleren. Je zou dan bijvoorbeeld zelf je eigen atomen kunnen ontwerpen om ze bepaalde eigenschappen mee te geven. Er zijn in de geschiedenis veel voorbeelden van ontdekkingen die heel fundamenteel waren, maar uiteindelijk tot iets heel praktisch leidden wat de ontdekker helemaal niet had verwacht. Denk bijvoorbeeld aan de ontdekking van DNA. Dat was in de jaren vijftig een fundamentele ontdekking, maar heeft tot veel praktische toepassingen geleid zoals genetische modificatie of het vinden van genetische afwijkingen. Onderzoek vandaag de dag Omdat onderzoek naar superzware elementen moeilijk en vooral zeer duur is, zijn er niet veel groepen op de wereld die zich hiermee bezig houden. Een van de grote onderzoeksinstituten is al voorbij gekomen, het GSI in Duitsland. Bij het GSI zijn in de jaren negentig de elementen darmstadtium (110), roentgenium (111), en copernicium (112) voor het eerst gemaakt. Maar na de ontdekkingen van elementen 113-118 door andere onderzoekers is het instituut voorlopig van het zoeken naar nieuwe elementen afgestapt. Wat bleek namelijk: voor elk proton dat je aan een kern wil toevoegen om een nieuw element te maken, lijkt de productiesnelheid van die elementen met ongeveer een factor drie omlaag te gaan. Om dan element 119 of 120 te maken zouden ze op z’n minst een jaar lang een target moeten bestralen en dat kost bakken met geld. Ze willen eerst een beter idee krijgen van hoe ze die elementen zouden kunnen maken en willen een krachtigere accelerator ontwikkelen om het later weer te proberen. GSI kijkt daarom liever eerst naar de elementen die al zijn ontdekt om die beter te begrijpen. Zo proberen ze de chemische eigenschappen van alle (tot nu toe bekende) elementen te bestuderen. Ook onderzoeken ze de vorm van atoomkernen. Veel van de kernen die je met kernfusie maakt zijn niet rond zoals normale, stabiele kernen, maar hebben de vorm van een rugbybal. De GSI-wetenschappers willen weten waarom dat zo is, wat het voor de stabiliteit betekent en theoretische beschrijvingen maken die verklaren wat ze in de praktijk zien. Een ander project zoekt naar manieren om 1940 1944 1941 1944 1949 E.M. McMillan en H. Abelsona G. T. Seaborg, Ralph A. James en Albert Ghiorso G. T. Seaborg, R. A. James, O. Morgan en A. Ghiorso G. Thompson, A. Ghiorso en G. T. Seaborg (University of California, Berkeley) Glenn T. Seaborg, Arthur C. Wahl, W. Kennedy en E.M. McMillan Glenn T. Seaborg


Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 | 5 98 Californium 101 Mendelevium 102 Nobelium 100 Fermium 103 Lawrencium 104 Rutherfordium 99 Einsteinium 1950 1953 1961 1952 1966 1969 S. G. Thompson, K. Street, Jr., A. Ghiorso en G. T. Seaborg (University of California, Berkeley) A. Ghiorso, T. Sikkeland, E. Larsh en M. Latimer (Berkeley Radiation Laboratory) E. D. Donets, V. A. Shchegolev en V. A. Ermakov (JINR in Dubna) A. Ghiorso et al. (Berkeley Radiation Laboratory) en I. Zvara et al. (JINR in Dubna) A. Ghiorso et al. (Argonne Laboratory, Los Alamos Laboratory en University of California, Berkeley) A. Ghiorso et al. (Argonne Laboratory, Los Alamos Laboratory en University of California, Berkeley) A. Ghiorso, G. Harvey, G. R. Choppin, S. G. Thompson en G. T. Seaborg (Berkeley Radiation Laboratory) Foto van de 60-inch cyclotron (een ronde deeltjesversneller) in het Lawrence Stralingslaboratorium van de Universiteit van Californië, Berkeley, in augustus 1939. Het metalen frame links is de enorme elektromagneet van de machine. De platte vacuümkamer waarin de deeltjes worden versneld bevindt zich in de smalle ruimte tussen de 60 inch (152 centimeter) poolstukken van de magneet. Rechts bevindt zich de beamline die de deeltjes analyseert die het resultaat zijn van de botsingen. Edwin McMillan ontdekte neptunium (1940) en Glenn Seaborg plutonium (1941) met dit apparaat. A. Ghiorso E. Lawrence Ernest Rutherford


6 | Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 meer neutronen in een element te krijgen. Zoals hierboven beschreven vormen neutronen een soort ‘buffer’ voor de protonen in een kern. Wat bleek is dat hoe meer neutronen een kern van een superzwaar element heeft, hoe langer de halfwaardetijd wordt (hoe minder snel het atoom uit elkaar valt). Zo maakten ze copernicium-277 (165 neutronen) dat een halfwaardetijd heeft van minder dan een milliseconde. Maar stop je er acht neutronen meer in, dan wordt de halfwaardetijd 30-60 seconden: tienduizend keer langer. Dus, zo gaat de redenering, als je meer neutronen toevoegt, dan is de kans groot dat je stabielere isotopen krijgt. De toekomst Andere plekken waar met superzware elementen wordt gewerkt zijn onder andere het Rikagaku Kenkyusho (Riken) instituut in Wako, Japan en het Joint Institute for Nuclear Research (JINR) in Dubna, Rusland. In 2004 ontdekte een team van Riken element 113 en bevestigde de vondst in 2005 en 2012. Toen de ontdekking in 2015 officieel werd erkend gaven ze het de naam nihonium, naar het woord Nihon, dat ‘Japan’ betekent. Dit is het enige element dat in Riken is ontdekt, maar de onderzoekers daar zijn al jaren bezig om een nieuw element te produceren door vanadium in curium te schieten. Ondertussen hebben ze vooral nieuwe isotopen gemaakt, zij het geen superzware elementen. In Dubna zijn veel elementen ontdekt (zie tijdlijn), waaronder bohrium, flerovium, moscovium, livermorium, tennessine en oganesson. Ook hebben ze een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontdekking van elementen 102-105 en element 113. Het instituut is nu bezig met een apparaat dat veel meer (bekende) superzware atomen moet gaan produceren. Ze hebben een accelerator ontworpen, de Super Heavy Element Factory, die tien keer zoveel van Het (voor nu) complete periodiek systeem der elementen. Officieel beginnen de superzware elementen bij nummer 104, rutherfordium. Een lineaire deeltjesversneller. Het deeltje dat je afschiet (ionenbron) komt in de buis. De oscillator zorgt dat op het juiste moment het elektrische veld van teken verwisselt en dat versnelt het ion tot het uiteindelijk het doel raakt. 105 Dubnium 107 Bohrium 108 Hassium 109 Meitnerium 110 Darmstadtium 111 Roentgenium 106 Seaborgium 1970 1981 1982 1974 1984 1994 A. Ghiorso et al. (Berkeley Radiation Laboratory) en V. A. Druin et al. (JINR in Dubna) G. Münzenberg, P. Armbruster et al. (GSI in Darmstadt) G. Münzenberg, P. Armbruster et al. (GSI in Darmstadt) S. Hofmann et al. (GSI in Darmstadt) A. Ghiorso et al. (Berkeley Radiation Laboratory) G.Münzenberg et al. (GSI in Darmstadt) G. Münzenberg G. Seaborg (1996) SHUTTERSTOCK


Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 | 7 u De namen van de superzware elementen De superzware elementen hebben allemaal bijzondere namen. Veelal zijn de namen gegeven ter ere van beroemde wetenschappers (zie tijdlijn) of plekken die veel hebben bijgedragen aan de zoektocht naar de nieuwe elementen. Het recht om de naam te geven kreeg je als de internationale unie van pure en toegepaste chemie / natuurkunde (IUPAC/IUPAP) jou aanwees als officiële ontdekker. Dat heeft voor heel wat internationale ruzies gezorgd, vooral ten tijde van de Koude Oorlog, toen er veel spanning heerste tussen de VS en Rusland. Onderzoeksinstituten JINR en Berkeley waren erg aan elkaar gewaagd en twijfelden aan elkaars resultaten. Hierdoor hadden sommige elementen in verschillende landen andere namen: 102 was flerovium (nu 114), 104 dubnium (nu 105), 105 joliotium (naar de man van Marie Curie), 106 was rutherfordium (nu 104), 107 nielsbohrium en 108 hahnium. een element kan maken dan standaardacceleratoren en hopen dat op te voeren tot honderd keer meer. Dat betekent dat je veel meer materiaal produceert en dus ook beter kunt bekijken wat de eigenschappen van dat materiaal zijn. Vorig jaar publiceerden ze over hun eerste (succesvolle) experiment waarbij ze moscovium maakten met de grootste opbrengst voor superzware elementen ooit gezien. Zo zijn er nog een aantal plekken waar onderzoek naar superzware elementen blijft gebeuren, maar de laatste noemenswaardige is toch wel het Berkeley Lab aan de University of California Berkeley. Daar zijn maar liefst zestien elementen ontdekt (zie tijdlijn), wat in 1941 begon met plutonium en eindigde met seaborgium in 1974. Hoewel er op het moment geen groot programma draait, is er wel continu onderzoek gedaan naar superzware elementen en gaan er zelfs geluiden op dat ze binnenkort toch weer naar nieuwe elementen willen zoeken. Of er binnenkort nog een nieuw element wordt ontdekt – en tot hoever het periodiek systeem precies reikt – valt niet te zeggen. Er zijn nog veel onzekerheden, maar stukje bij beetje beginnen we de allerkleinste bouwstenen van ons universum beter te begrijpen. Hier zie je de ionbronnen, oftewel het startpunt, van de Duitse lineaire accelerator aan het GSI. 112 Copernicium 116 Livermorium 115 Moscovium 118 Oganesson 113 Nihonium 117 Tennessine 114 Flerovium 2000 2002 2003 1996 2003-2004 1999 S. Hofmann et al. (GSI in Darmstadt) Y. Oganessian et al. (JINR in Dubna) Y. Oganessian et al. (JINR in Dubna) Y. Oganessian et al. (JINR in Dubna) en K. Morita et al. (RIKEN in Wako, Japan) Y. Oganessian et al. (JINR in Dubna) Y. Oganessian et al. (JINR in Dubna) Y. Oganessian et al. (JINR in Dubna) G.N. Flyorov S. Hofmann R. Livermore Y. Oganessian 2009 J. HOSAN/GSI HELMHOLZZENTRUM FÜR SCHWERIONENFORSCHUNG GMBH


8 | Chemische Feitelijkheden 394 | 2023 Superzware elementen Plutoniumbom. Aan de University of California, Berkeley, maakten onderzoekers rond 1941 het element plutonium door waterstofkernen met twee neutronen te schieten op uranium-238. Daaruit ontstond neptunium-238 wat door bètaverval veranderde in plutonium-238. Het was ten tijde van de tweede wereldoorlog en de Amerikaanse overheid zette het Manhattan Project op om er een atoombom van te maken. De betrokken wetenschappers maakten toen een ander isotoop: plutonium-239, dat splijt als je er een neutron op schiet. Dat zorgt voor een hoogenergetische kettingreactie: bij het splijten van plutonium komen namelijk meer neutronen vrij, waardoor de plutoniumkernen eromheen óók splijten en vervolgens weer neutronen uitzenden, et cetera. De eerste test, met codenaam Trinity, bevatte 6,2 kg plutonium. Daarvan ontplofte slechts 20% en dat zorgde al voor een explosie ter grootte van zo’n 20 miljoen kg TNT. Voor op school 1 Wat is een isotoop? 2 Titanium heeft vijf stabiele isotopen. Hoeveel protonen heeft Ti-48? En hoeveel neutronen? 3 Wat is het verschil tussen kernsplijting en kernfusie? 4 Waarom zijn zwaardere elementen minder stabiel? 5 Waarom is het zo moeilijk om de ontdekking van een nieuw element te bevestigen? 6 Wat denk jij: is het nuttig om nieuwe elementen te proberen te maken? Waarom? 7 Als jij een nieuw element zou ontdekken, hoe zou je het dan noemen? 8 Welke elementen zou jij op elkaar schieten als je element 120 wil maken? Editie Superzware elementen editie 101 | nummer 394 | september 2023 www.chemischefeitelijkheden.nl Coverbeeld: Binnenkant van de deeltjesversneller van het GSI in Duitsland. Credit: G. Otto, GSI Helmholtzzentrum für Schwerionenforschung Met dank aan: Michael Block, hoofd onderzoeksafdeling voor de fysica van superzware elementen aan het GSI Colofon Over Chemische Feitelijkheden Chemische Feitelijkheden is een actuele encyclopedie over moleculen, mensen, materialen en milieu. Het is een losbladige uitgave van de KNCV en verschijnt driemaal per jaar met in totaal tien onderwerpen. Redactie Esther Thole (hoofdredacteur), Daniël Linzel (tekst en vragen) Vormgeving & Opmaak Content Innovators Uitgever KNCV Media Postbus 249, 2260 AE Leidschendam Abonnementen 088-2266 680 [email protected] Wij hanteren de opzegregels uit het verbintenissenrecht. Wij gaan ervan uit dat Chemische Feitelijkheden altijd wordt ontvangen uit hoofde van het beroep. Hierdoor wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd, tenzij twee maanden vóór de einddatum een opzegging is ontvangen. Een abonnement op Chemische Feitelijkheden geeft via de website toegang tot tien nieuwe edities per jaar en het totale onlinearchief. Daarnaast ontvangen abonnees in drie zendingen per jaar de losbladige edities. Tarieven (2023) Voor particulieren: onlinetoegang met inlogcode en papieren editie kost €102,50* incl. btw; leden van de KNCV (of een van de secties), KVCV en NVON krijgen €10 korting. Voor bedrijven en (onderwijs)instellingen: onbeperkt toegang tot de digitale edities op basis van IP-adres en papieren editie in drievoud kost €295* excl. btw. Losse nummers kosten €9,95* per stuk en zijn te bestellen bij Mijntijdschrift.com. *Bij betaling per factuur wordt €2,95 administratiekosten in rekening gebracht. Meer weten? • Chapman, K. (2019). Superheavy: Making and Braking the Periodic Table. Bloomsbury. • Crash Course Chemistry, aflevering 1, 38 en 39: youtube. com/playlist?list=PL8dPuuaLjXtPHzzYuWy6fYEaX9mQQ8oGr • Chemische Feitelijkheden: Kernenergie (nr 217, 2005) chemischefeitelijkheden.nl/artikelen/kernenergie • Francesco Neve (2022) Chemistry of superheavy transition metals, J. Coord. Chem., 75:17-18, 2287-2307, DOI: 10.1080/00958972.2022.2084394 • Oganessian, Y.T. et al. (2022) First experiment at the Super Heavy Element Factory: High cross section of 288Mc in the 243Am + 48Ca reaction and identification of the new isotope 264Lr, Phys. Rev. C. 106, DOI: 10.1103/ PhysRevC.106.L031301 SHUTTERSTOCK


Click to View FlipBook Version