The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Fred Kulik, 2017-09-27 12:37:16

op zoek naar adriana

kerk van Sint Agnes. Mijn grootmoeder Ariaantje,
kleindochter van Adriana, is vier jaar wanneer deze
foto gemaakt wordt. Wie weet staat ze erbij?

47

48

Joh.C.Kieviet, de
schrijver van Dik Trom,
heeft over het leven
van Jacob Glas een
kinderboek geschreven:
Jaepie-Jaepie. De eerste
druk verscheen in 1897
Er staat een bronzen
standb­ eeld van Jacob
midden in de reuring op
de Werf. In zijn blikveld
staat het boothuis van
de nieuwe reddingsboot
van het station Egmond
aan Zee van de Konink­
lijke Nederlandse
Reddingsmaatschappij.
Als de boot uitgaat voor
een actie of een oefening
dan komt hij langs
Jaepie-Jaepie

Jacob Glas samen met
zijn vrouw Jobje Wijker
in 1905

49

Er bestaat zelfs
Jaepie-Jaepie Genever

In Egmond aan Zee is er
ook een straat genoemd
naar Jacob Glas: Jacob
Glasstraat (hier in 2015)

Jacob ligt begraven op de
algemene begraafplaats
in de duinen in Egmond
aan Zee

50

51

1851 — Adriana, Tijs en
hun kinderen

Voor hun levensonderhoud zijn Adriana en Tijs, net als al
hun familieleden, afhankelijk van de zeevisserij. Afhankelijk
van de getijden en van de juiste wind kan met de Bomschuit
uitgevaren en terug gekeerd worden op het strand. Egmond
heeft geen haventje, de boten varen met vloed het strand op.
Bomschuiten zijn plat geboomde schuiten zonder kiel die
zo op het strand getrokken konden worden. Bij eb valt de
boot op het strand droog en kan de vis ter plekke gesorteerd
en verkocht worden. Als het ’s nachts laagtij is dan gebeurt
de afslag ’s nachts! Met vloed wordt dan weer uitgevaren,
behalve als het zondag is.

Omdat de mannen met elkaar op zee zijn, en daar hun eigen
leven hebben, is er een sterke scheiding tussen de mannen-
en de vrouwenwereld. Stressvolle situaties op zee moeten
de mannen met elkaar het hoofd bieden. En stressvolle
situaties thuis, denk bijvoorbeeld aan ziekte, sterfte en levens­
bedreigende bevallingen, moeten de vrouwen zonder hun
mannen opvangen.

In de tweede helft van de 19e eeuw, in de periode dat Adriana
moeder wordt, ontdekken de vissers dat ze op de schrale
duingrond aardappels kunnen telen. Ze beschouwen de
duing­­ rond, net als de zee en het strand, als hun natuurlijk
eigendom. Vlak bij het dorp graven ze hun eigen aard­
appellandjes. Voor de vissersgezinnen wordt nu de aardappel,
aangevuld met vis en konijn, hun belangrijkste voedselbron.
Groente wordt niet gegeten.

52

Bomschuiten op het strand, oude ansicht Egmond
aan Zee, 1895

Op het aardappelveld, oude ansicht Egmond aan Zee, 1910.
Zo stel ik me voor dat Adriana ook op haar knieën
heeft gezeten

53

in de duinen heeft Adriana
een aardappellandje
door mul zand
en natte helm
loopt ze er heen
schoffelen, planten en wieden
een dagelijks terugkerende zorg
op haar knieën
voert ze strijd
tegen wind en onkruid
tegen ongedierte
als ze zwanger is
als het zwaar wordt
recht ze haar rug
ze krijgt dertien kinderen
zeven dochters en zes zoons
zeven van hen
vier jongens en drie meisjes
sterven jong

54

De kinderen van Adriana
Dekker en Tijs Glas

Cornelis Glas Elisabeth Glas
1856–1856 1857–1929

Pietertje Glas
1853–1941

Pieter Glas Pieter Glas
1851–1852 1859–1956

Pieter Glas
1851–1851

betovergrootmoeder Cornelis Glas
1861–1865

Adriana Dekker Tijs Glas
1829–1909 1824–1904
1850

Aafje Glas Antje Glas overgrootvader
1874–1953 1867–1867 Arie Glas
1863–1932
Cornelia Glas
1871–1942 Cornelia Glas
NN 1866–1866
1869

55

1863 — Geboorte van
mijn overgrootvader

In 1863 wordt Adriana’s achtste kind geboren, Arie Glas, mijn
overgrootvader. Hij is de eerste uit het gezin van Adriana en Tijs
die profiteert van het kinderwetje van Van Houten dat in 1874
wordt aangenomen. Voortaan mogen kinderen jonger dan twaalf
jaar niet meer werken, tenzij zij huis- of veldarbeid verrichten.
Arie is elf jaar en mag dus niet met zijn vader mee naar zee.
In plaats daarvan gaat hij naar school.

kracht naar kruis
daar vertrouwt Adriana op

die kracht ervaart ze
ze is streng
voor haar kinderen

ze moeten meewerken
van jongs af aan

ze moeten tegen een stootje kunnen
omdat het vissersleven dat van hen vraagt

Dit soort manden werden
gebruikt om na het rooien
aardappelen in te vervoeren.
Oude ansicht Egmond
aan Zee (1910)

56

57

1876 — Opening van de
Zuiderzeesluizen door
koning Willem III

Twee jaar na de geboorte van Arie wordt op 8 maart 1865
de eerste spade voor de aanleg van het Noordzeekanaal in
de grond gestoken. In de afgegraven duinen worden huisjes
gebouwd. Zo ontstaat Oud IJmuiden. Op 1 november 1876 zijn
de Zuiderzeesluizen klaar en wordt het kanaal door koning
Willem III geopend. Arie is dan dertien jaar en zijn toekomstige
vrouw, Neeltje Koper, is twaalf jaar.

Neeltje is de tweede dochter van Elisabeth Wijker en
Cornelis Koper. Zij is zes jaar oud als haar vader in 1870 sterft.
Moeder Elisabeth Wijker hertrouwt in 1882 met Jan Wijker.

Jan Wijker is weduwnaar van Maartje Gul (1826-1866).
Na Maartjes dood hertrouwt hij nog in datzelfde jaar met
Kniertje Schol (1831-1874). Kniertje is de weduwe van Jacob
Stam. Als Kniertje ook sterft blijft Jan Wijker met zijn
kinderen uit beide huwelijken achter en trouwt in 1882 voor
de derde keer, nu met Elisabeth Koper-Wijker, de moeder
van Neeltje.

Zoals zoveel kinderen in Egmond aan Zee groeit ook Neeltje
op in een samengesteld vissersgezin. In 1888 trouwt ze met
Arie Glas.

58

Arie Glas
(mijn overgrootvader)

59

Neeltje Glas-Koper
(mijn overgrootmoeder)

60

De kinderen van
Arie Glas en Neeltje Koper

Elisabeth Glas Ariaantje Glas
1890–1959 1891–1895

Neeltje Glas
1894–1986

Tijs Glas
1888–1968

overgrootvader Neeltje Koper
Arie Glas 1888 1864–1935
1863–1932

Maartje Glas Cornelis Glas
1904–1995 1895–1896

Cornelis Glas
1899–1926

Arie Glas grootmoeder
1903–1953 Ariaantje Glas

1896–1980

61

1894 — De kerststorm
van 23 december

Op zondag 23 december 1894 raast een zware noordwester­
storm over Nederland. De storm overvalt de bomschuiten en
richt veel schade aan. Ook in Egmond aan Zee. Deze kerst­
storm geeft de Egmonders de nekslag. Bomschuiten die op
het strand geparkeerd lagen worden vernietigd en dertien
Egmondse vissers blijven op zee, hun weduwen en wezen
onver­zorgd achterlatend. In De Oudkatholiek staat een maand
na de storm:

“nergens in ons land wordt zoveel
ellende en hongergeleden als te Egmond
door de gezinnen der wakkere vissschers”

In de Alkmaarsche courant verschijnt in 1895, in het jaar na
de storm, een artikel over Het verval der Visscherij te Egmond.
Door de aanleg van de haven van IJmuiden vestigen zich geen
nieuwe rederijen in Egmond. In IJmuiden kan men kiezen
wanneer uitgevaren wordt. In Egmond moet gewacht worden
totdat de wind en het getij gunstig zijn. Bovendien kan in
IJmuiden de vis onmiddellijk per spoor worden verzonden.
Een groot voordeel dat Egmond mist.

In datzelfde jaar, in 1895, sterft het derde kind van Arie en
Neeltje, hun dochter Ariaantje (1891-1895). Ze is vier jaar. Een
jaar later, in 1896 sterft hun vierde kind, Cornelis (1895-1896).
In het jaar waarin Cornelis sterft, in 1896, wordt ook mijn oma
geboren. Zij wordt Ariaantje genoemd, naar haar overleden
oudere zusje.

62

twee jaar na de kerststorm
in het jaar na de dood
van kleindochter Ariaantje
en van kleinzoon Cornelis
wordt weer een kleindochter geboren
mijn oma
het is 16 december 1896
ze krijgt de naam Ariaantje
net als haar gestorven zusje
wordt ze naar haar grootmoeder vernoemd
Dat mijn oma dezelfde naam heeft als haar oudere zusje zal
ze wel geweten hebben. Maar ik heb haar er nooit over
horen vertellen.

63

1899 — IJmuiden

Na de opening van het Noordzeekanaal ontdekken de reders
en vissers dat de haven van IJmuiden een beschutte en veilige
ligplaats biedt voor hun schepen. In 1896, als mijn oma geboren
wordt, kan vanuit de nieuwe vissershaven in IJmuiden met
stoomtrawlers uitgevaren worden. In Egmond aan Zee breekt
voor de strandvissers en hun gezinnen, en dus ook voor Arie
en Neeltje, een zware tijd aan. De strandvissers kunnen met
hun bomschuiten de concurrentie met de nieuwe loggers en
stoomtrawlers in IJmuiden niet aan. In 1899 wordt de spoorlijn
tussen Haarlem en IJmuiden geopend: de Vislijn. Er komen
kunstijsfabrieken in IJmuiden. Op vers ijs bewaard is de vis nog
langer houdbaar en kan per spoor nog verder vervoerd worden.
Het betekent het einde van de strandvisserij in Egmond
aan Zee.

Na de geboorte van mijn oma Jaantje krijgen Arie en
Neeltje nog drie kinderen. In 1900, vier jaar voor de geboorte
van hun jongste dochter Maartje (voor mij tante Marie),
worden de laatste bomschuiten in Egmond aan Zee verkocht.
De Egmondse vissers, waaronder Arie, wijken daarna nood­
gedwongen uit naar IJmuiden en monsteren aan op de stoom­
trawlers. Ze zijn dan nog langere periodes weg van huis,
en ook de verdiensten zijn niet erg goed. In Egmond is het
honger en armoede. De vissers nemen grote risico’s en de
visserij kost velen van hen het leven.

de vis wordt duur betaald

Deze zin spreekt Kniertje uit in het toneelstuk Op Hoop
van Zegen. Dit stuk van Herman Heijermans gaat op
23 december 1900 in première. Het is de familie Glas op
het lijf geschreven.

64

Kunstijsfabriek IJmuiden, 1899

Het is de taak van de oudkatholieke pastoor om thuis in
Egmond aan Zee de nabestaanden te vertellen dat hun man,
vader of zoon nooit meer terug zal komen. De wandelingen van
de pastoor door het dorp worden door iedereen met angstige
ogen gevolgd. Wie is er dit keer aan de beurt? Het is een zwaar
bestaan voor de weduwen van de omgekomen vissers. Rond
1900 ontstaan er in Egmond aan Zee veel kleine winkeltjes
waarmee deze vissersweduwen wat geld proberen te verdienen
voor hun gezin.

Mijn oma is elf jaar wanneer Arie en Neeltje met hun kinderen
naar IJmuiden verhuizen. Ze gaan in de Bloemstraat wonen,
vlakbij de vissershaven.

65

Tijs Glas Adriana Dekker
1824–1904 1829–1909

1850

Klaas Zwart Elisabeth Glas Arie Glas Neeltje Koper
1857–1891 1857–1929 1863–1932 1864–1935

1881 1888

Cornelis Zwart Tijs Zwart Jansje Zwart
1883–? 1884–1900 1889–1892

Klaas Wijker
1856–1933

1897

Jansje Wijker Jan Konijn Ariaantje Glas David Hendrik
1898–1990 1898–1961 van de Velde
1896–1980 1896–1947
1924
1924

Lies Konijn Hendrika Cornelia
1927 van de Velde
1927–1996
66

Intermezzo II

Elisabeth Glas —
dochter van Adriana
en Tijs

Elisabeth Glas (1857-1929), de oudere zus van Arie, is de groot­­
moeder van Lies. Elisabeth trouwt in 1881 met visser Klaas
Zwart. Klaas keert in december 1891 niet terug van zee.
Vermoed wordt dat hij voor of op 22 december 1891 verdronken
is. Elisabeth is vierendertig jaar en blijft achter met drie kleine
kinderen: Cornelis is acht jaar, Tijs is zeven jaar en Jansje is
dan twee jaar. Een jaar na de vermissing van haar vader sterft
Jansje. Jansje Zwart wordt drie jaar.

Omdat er geen getuigen zijn van zijn dood moet Elisabeth vijf
jaar wachten of haar man misschien niet alsnog terugkomt.
Pas daarna kan ze erkend worden als weduwe. In het Noord-
Hollands archief staat over Klaas Zwart:

“Op 9 december 1891 is hij visser a/b van de Sch 164 en
er is sindsdien niets van hem vernomen; bij vonnis van
de arrondissement rechtbank Alkmaar dd 4 juni 1896,
geregistreerd Alkmaar dd 2 nov 1896.”

Pas dan, op 2 november 1896 is Elisabeth officieel de weduwe
van Klaas Zwart.

67

Op 6 februari 1897 hertrouwt weduwe Elisabeth. Adriana is één
van de getuigen bij het huwelijk van haar dochter Elisabeth met
weduwnaar Klaas Wijker. Zijn eerste vrouw, Maartje Heere,
stierf op vierendertigjarige leeftijd. Klaas Wijker en Maartje
Heere hebben twee kinderen, Trijntje en Pieter. Trijntje sterft in
haar eerste levensjaar. Klaas Wijker blijft achter met één zoon,
Pieter Wijker, die dan vijf jaar oud is.

In de huwelijksakte van Elisabeth en Klaas Wijker staat
vermeld dat de bruid en de moeder van de bruid niet konden
lezen en schrijven. Elisabeth ging dus niet naar school.
Zo kunnen we weten dat Arie het eerste kind is uit het gezin
van Adriana en Tijs dat naar school ging.

Elisabeth Glas en Klaas Wijker krijgen op 12 september
1898 samen nog een dochter. Zij krijgt dezelfde naam als het
gestorven dochtertje uit het eerste huwelijk van Elisabeth met
Klaas Zwart. Elisabeth is tweeënveertig jaar als dochter Jansje
Wijker geboren wordt. Jansje wordt later de moeder van Lies.
Jansje heeft twee halfbroers, die stiefbroers van elkaar zijn.

De ene broer, Pieter Wijker, heeft dezelfde vader als
Jansje, maar een andere moeder. Tijs Zwart, de andere broer,
heeft dezelfde moeder als Jansje, maar een andere vader.
Elisabeth, Klaas, Tijs, Pieter en Jansje wonen met elkaar in
de Noorderstraat.

In het Noord-Hollands archief staat dat Tijs op vijftienjarige
leeftijd op 12 januari in de Bergstraat is overleden, ’s avonds
om 19.00 uur. Jansje is dan twee jaar, en halfbroer Pieter is acht
jaar. Tijs woont in de Noorderstraat en sterft in de Bergstraat.
Bij grootmoeder Adriana thuis misschien? Had hij een besmet­
te­lijke infectieziekte opgelopen? Cholera, tyfus of tuberculose?
Waardoor hij niet meer thuis kon blijven? Of een wondje dat
besmet was geraakt, waardoor hij een tetanus kreeg?

68

Lies typeert het gezin waarin haar moeder Jansje opgroeide
als een typisch vissersgezin. Ze bedoelt daarmee: een
samengesteld gezin, met alles wat daarbij hoort. Over het
sterfbed van haar grootmoeder Elisabeth vertelt Lies:

“Mijn grootmoeder was stervende
ze riep steeds om Klaas
dan kwam haar man Klaas naar haar bed
en dan schreeuwde ze
niet jij
niet jij
jij niet!!
Ze riep om die andere Klaas
haar eerste liefde
dat was zo pijnlijk
voor mijn grootvader
voor mijn moeder
voor ons allemaal”

69

1899 — Adriana’s innerlijk
kompas

God heeft ons geen makkelijke reis beloofd
maar wel een behouden thuiskomst
diep in haar ziel gegrift
vormt deze vissersmentaliteit
Adriana’s innerlijk kompas
vissersgeneraties lang
van oud naar jong
wordt dit vertrouwen doorgegeven
hier koerst ze op
haar hele leven
in dit geloof
draagt ze haar lot
en dat van haar kinderen
en kleinkinderen
eigen gevoelens
spreekt ze niet uit

70

1900 — Adriana is nu
zeventig jaar

in haar oude vissershuisje
ontfermt ze zich over de ziek geworden Tijs Zwart
kleinzoon uit het eerste huwelijk van dochter Elisabeth

hij is vijftien jaar
acht jaar eerder keerde zijn vader niet terug van zee

God heeft ons geen makkelijke reis beloofd
maar wel een behouden thuiskomst
in dit vertrouwen zorgt ze voor hem

haar stoel staat naast de bedstee
veel zegt ze niet

als Tijs pijn heeft
blijft ze bij hem

ze waakt over hem
onvermoeibaar

wat gaat er door haar heen?

stil gaat ze verder met haar breiwerkje
haar handen blijven gaan
zoals altijd

ze herkent
de naderende dood

71

voor haar geen reden
om bang te zijn
als het zover is
legt ze haar handen
in haar schoot
ze buigt haar hoofd
ze aanvaardt
ze geeft Tijs uit handen
hij sterft in haar kalme overgave
in haar vissershuisje in de Bergstraat
in de Musschenbuurt
aan de voet van de vuurtoren
in Egmond aan Zee
het is 12 januari 1900

De daken van de huizen van de
lager gelegen Musschenbuurt aan
de voet van de vuurtoren, oude
ansicht Egmond aan Zee, 1905.
Eén van de ooms van Lies is hier
vuurtorenwachter geweest

72

73

1904 — Adriana wordt
weduwe

vier jaar na de dood van kleinzoon Tijs
zit Adriana aan het ziekbed
van haar man Tijs
hij sterft op 5 april 1904
Adriana is vierenzeventig jaar
weduwe
stiefmoeder van één kind
moeder van dertien kinderen
grootmoeder van tweeënveertig kleinkinderen
overgrootmoeder van éénendertig achterkleinkinderen
ze overleeft haar man
zeven van haar kinderen
vijftien kleinkinderen
en drie achterkleinkinderen

74

1909 — Adriana’s dood

wanneer Adriana aan het einde van haar leven
nog eenmaal langs de vloedlijn loopt
en voelt hoe de golfjes
haar voeten omspoelen
in het eeuwige ritme
van het komen en gaan van het tij
hoe de zee stroomt en stroomt
telkens anders, telkens nieuw
en toch steeds hetzelfde
ziet ze om

ziet ze hoe haar leven
zich heeft ontvouwd
ze heeft er vrede mee
ze is bijna tachtig jaar

de lente begint

in haar vissershuisje in de Bergstraat
wacht Adriana op de komst van de pastoor
ze denkt aan haar gestorven kinderen
en haar kleinkinderen
aan kleinzoon Tijs
en aan haar man Tijs
aan allen die haar zijn voorgegaan

in het bijzijn van haar naaste familie
ontvangt ze het sacrament van de stervenden
ze voelt zich gerust in de uitgesproken gebeden
op woensdagmiddag één en twintig april 1909
sterft ze in de oudkatholieke woorden
die haar zo vertrouwd zijn

75

Panoramafoto van het gehele dorp vanaf de van
Speyk-vuurtoren, oude ansicht Egmond aan Zee, 1904.
Het voorste stuk is een gezicht op de Musschenbuurt.
Het witte huis geheel links is het begin van de Bergstraat
aan de westkant (de zeekant)

76

In dit straatje woont Adriana. Ze is vierenzeventig
jaar als deze foto gemaakt wordt. Op de foto is
ook de oudkatholieke kerk St. Agnes in de Voorstraat
te zien. Adriana is diepgelovig. Deze kerk is een
belangrijke plek voor haar

77

2015 — Vijf generaties later

Marieke met de oorbelletjes van
haar bet-bet-overgrootmoeder Adriana,
Schiermonnikoog, herfst 2015

Adriana is altijd ongeletterd gebleven
ze heeft nooit de kans gekregen
te leren lezen en schrijven
er bestaan geen brieven of foto’s van haar
ook haar graf konden we niet meer terugvinden
wat wel van haar gebleven is
zijn de gouden vissersoorringetjes
die nu gedragen worden door haar
achter-achter-achter-kleindochter Marieke

78

Deel III
Als de ziele luistert

Als de Ziele luistert
Spreek’et al een taal dat leeft,
’T lyzigste gefluister
Ook een taal en teeken heeft:
Blaren van de boomen
Kouten met malkaer gezwind,
Baren in de stroomen
Klappen luide en welgezind,
Wind en wee en wolken
Wegelen van Gods heiligen voet,
Talen ende tolken
’T diep verdoken Woord zo zoet;
Als de Ziele luistert!

Guido Gezelle, 1859

79

Als de ziele luistert spreek’et al een taal dat leeft is de eerste regel
uit een gedicht van Guido Gezelle (1830-1899). Het gedicht gaat
over bezieling en over de ervaring van mystiek als onderdeel
van het bestaan. In Als de ziele luistert is niets betekenisloos.
Guido Gezelle was, net als Jozef Israëls en Nicolaas Beets,
een tijdgenoot van Adriana.

voorouders die je niet gekend hebt
gebeurtenissen in vroeger tijd
waar je geen weet van hebt

ze hebben er toe geleid dat jij er nu bent

je hebt je plaats in het geheel

en ook straks je kinderen
en nog weer later je kleinkinderen

Tijdlijnen van toen naar nu komen
samen in Als de ziele luistert

Adriana kwam uit de 19e eeuw. Nu is kinderarbeid verboden,
maar toen Adriana geboren werd was kinderarbeid heel
gewoon. De vissersgezinnen in Egmond waren erg arm, en
iedereen werkte mee. Vaak was er honger. Vissersjongens
gingen rond hun tiende jaar met hun vader mee naar zee.
Vissersmeisjes, zoals Adriana, werden nettenboetster en
leerden al heel jong de netten te repareren. Vaak al vanaf dat
ze acht jaar waren. Mijn oma heeft me daar vroeger ook wel
over verteld. Hoe zij als klein meisje in de duinen de netten
hielp repareren. Voor de vrouwen uit haar tijd betekende even
breien dat je even kon kletsen en ontspannen. Breien en kletsen

80

hoorden bij elkaar. In 1947, vijf jaar voor ik geboren werd, stierf
de vader van mijn moeder, een opa die ik nooit gekend heb.
Mijn oma ging terug naar IJmuiden om voor haar zieke oudere
zus Elisabeth te zorgen. Na het overlijden van haar zuster
werd ze eind jaren vijftig huishoudster bij pastoor Jan Visser
in de oudkatholieke Sint Willibrordus parochie in Arnhem.
Ze woonde bij hem in de pastorie. Ik heb daar gelogeerd.
Als ik daar was kreeg ik ook altijd iets om handen. Het begon
met punniken. En later werd dat haken, breien en borduren.
Bij haar moesten je handen gaan, en dus ook die van mij. Ze had
altijd wel een handwerkje voor me klaarliggen. Nu, zoveel
jaren later, begrijp ik hoe dit wortelde in haar achtergrond.

Ik vond het wel spannend om in de pastorie te logeren. Ik
herinner me dat er een gang was tussen de pastorie en de kerk.
Door die gang kon je vanuit het woonhuis de kerk inlopen.
Ik vond het leuk om mijn oma te helpen met het afstoffen van
de kerkbanken en het altaar en om voor de kerkdienst alles
klaar te zetten. Tijdens de viering mocht ik boven in de kerk
naast het orgel zitten. De hostie kreeg ik niet, omdat ik niet in
de oudkatholieke kerk gedoopt was. Dat vond ik toen wel heel
erg jammer. Net als mijn betovergrootmoeder was mijn oma
echt oudkatholiek. Dat betekende dat ze niet geloofde in de
pauselijke onfeilbaarheid, en dat ze niet geloofde dat de paus
van Rome, als opvolger van Petrus, onfeilbare uitspraken kon
doen over geloofszaken. En ze geloofde ook niet dat iedere
gelovige verplicht was om uitspraken van de Paus in geloof te
aanvaarden.

Als kind doe je je eerste levenservaringen op bij je ouders en
in je familie. Ook je eerste geloofservaringen. Gewoonten
en patronen worden doorgegeven. Bewust en voor een deel
soms ook onbewust. In de familie van mijn moeder werden de
meisjes opgevoed in het geloof van hun moeder en de jongens
in het geloof van hun vader. Omdat de opa die ik nooit gekend

81

Schets van Jozef Israëls,
Het breistertje (in De Kinderen der Zee)

82

heb Nederlands Hervormd was en mijn oma oudkatholiek,
kreeg mijn moeder haar geloofsopvoeding in de oudkatholieke
kerk. Daar werd niet moeilijk over gedaan. Voor mij een
vormende ervaring.

Mijn moeder over haar liefde voor boeken

Relaties tussen ouders en kinderen zijn vaak subtiel en
soms moeilijk te doorgronden. In een toespraak die mijn
moeder op 9 juli 1992 in Spijkenisse hield bij haar afscheid
als bibliothecaresse van Angelus Merula zei zij daarover
het volgende:

“Er zijn twee perioden in het leven van de mens. De eerste,
waarin invloeden van buitenaf zich aan hem opdringen. De
tweede, waarin hij die invloeden kiest, die bij zijn karakter
passen. Ik ben opgegroeid als enig kind van ouders die vonden
dat ze hun kind voor alles niet mochten verwennen en bovenal
een goede opvoeding moesten geven. Daar hadden ze alles
voor over, tot op de laatste cent. Ik mocht naar de H.B.S.,
wat omstreeks de oorlogsjaren nog tot de uitzonderingen
hoorde, vooral voor een meisje. Na de H.B.S.-tijd volgde
een opleiding tot apothekersassistente en een baan. Niet dat
ik dat zo geweldig vond, maar mijn ouders vonden dat een
net beroep voor een meisje. Daar had je naar te luisteren.
Dat was heel gewoon in die tijd. Ik was altijd al een leeskind.
Voor mijn moeder was lezen je tijd verdoen. Lezen mocht, als ik
tegelijkertijd ook maar iets nuttigs deed, breien bijvoorbeeld.
Maar in de loop der jaren ontdekte ik dat ik het best gedijde bij
boeken. Wanneer ik met anderen over boeken en schrijvers kon
praten, voelde ik me het lekkerst. Wanneer ik boeken om mij
heen had waar ik in kon grasduinen, was ik in mijn element.
En toen Angelus Merula in 1974 iemand voor de bibliotheek
zocht ben ik eropaf gestapt. Daar lag nu een kans. Voor mij brak

83

toen de tweede periode aan, waarin ik voor invloeden koos,
die naar ik dacht, bij mijn karakter pasten. Ik koos dus voor
de bibliotheek van Angelus Merula.”

Met een gedicht van Herman Gorter geeft ze daarna aan hoe
thuis ze zich voelde in de bibliotheek:

’t is vol van schatten hier, en ik behoef
maar even van mijn tafel op te staan
’t hoofd in de schemer, naar een hoek te gaan
waar ik iets opdelf en blader en proef

Ze zegt: “Het klinkt ouderwets, maar het geeft het gevoel
precies weer. Ik onderging het net zo. Bladeren en proeven,
dat heb ik hier kunnen doen. Volop. Vanaf de eerste dag.
Het gevoel van rust dat dat gaf. Wanneer ik iets wilde weten
en vond. En soms ook niet vond. Maar me altijd wel op een
spoor ernaar toe zette.”

Over je verbonden voelen

Mijn moeder gaf haar liefde voor boeken aan mij door. Ik leerde
al jong wat lezen me kon brengen. Ik deed mijn boek open en ik
stapte in een andere wereld. Binnen een paar seconden raakte
ik in vele andere levens verzeild en kon ik, in mijn verbeelding,
al die levens meebeleven.

Toen ik zeven jaar was woonden we in Castricum. Mijn moeder
schreef in een column in De Heraut over de Kinderboekenweek
van 1959:

“Kinderen, ook de groteren, houden van voorlezen. Lees ze
iets goed voor. Het blijft hen bij. Ze houden er een goede
herinnering aan over.”

84

Voor het naar bed gaan werden Ariënne en ik in die tijd ‘s
avonds vaak voorgelezen door mijn vader (Jan Peter was hier
niet bij, want hij was nog niet geboren). We zaten dan met zijn
vieren op de bank. Mijn moeder luisterde mee. Ik herinner me
uit die voorleestijd vooral De Ark, een dik boek met allemaal
verschillende verhalen uit de wereldliteratuur. De oude Griekse
mythe van Amor en Psyché ben ik nooit vergeten, net zomin
als het verhaal van De Geest in de Fles, en De Landloper en
Het Stinkdiertje. Terugkijkend naar mijn eerste kindertijd heeft
dat voorlezen mij mede gevormd tot de geestelijk verzorger
die ik later geworden ben. Als kind kun je de diepere lagen
en betekenissen in een verhaal niet altijd begrijpen, maar het
wezenlijke ervan voel je wel aan. Voor mij is dat misschien
wel een sleutelervaring geweest.

Later, toen ik in het ziekenhuis werkte en ik geïnterviewd
werd over mijn identiteit als humanistisch geestelijk verzorger,
was één van de vragen: wat is jouw motto in je werk? Ik noemde,
zonder daarover te hoeven nadenken, de eerdergenoemde
dichtregel van Guido Gezelle: Als de ziele luistert spreekt het
al(heelal) een taal dat leeft.

Er zijn dingen die onuitsprekelijk zijn, dingen van het leven
en ervaringen waar woorden tekortschieten. Daar gaat het
gedicht voor mij over. Het raakt aan mystiek als onderdeel van
ons bestaan, aan het geheim van leven en sterven dat je niet
kent, maar dat je alleen maar vermoedt. Het gedicht doet me
voelen dat het er is, maar wat het is, dat weet ik niet. Ik voel het
aanwezig, maar de inhoud ervan ken ik niet. “Zien, soms even”,
zegt Huub Oosterhuis daarover.

Van jongs af aan sluimerde er een verlangen naar dit soort
teksten. Wie weet ben ik wel geboren met een geest die daar
graag in rondzwerft. Waar komen we vandaan? Wat doen we
hier? Ik geloof dat je elkaar niet altijd fysiek ontmoet hoeft te

85

hebben om een band te voelen. Je kunt ook een band ervaren
met een grootmoeder of grootvader, of een nog veel verdere
voorouder die je nooit gekend hebt. Misschien werkt dat wel
hetzelfde als met personages in een boek. Ook met hen kun je
je verbonden voelen. Geestelijk zijn er immers geen grenzen?
Deernis met kwetsbare mensen kan iets in je teweegbrengen.
De spiegeling van jouw eigen individuele levenslot in gedichten
en verhalen kan een band met anderen scheppen, kan steun
bieden als het leven je tegenzit, kan troost geven en je leven de
moeite waard maken.

Verbeelding, vertrouwen, geloof, en kunst… voor mij liggen ze
dicht bij elkaar.

Als je aan zee zit, weet je dat er ergens
wel weer land is, al zie je dat niet

In mijn verbeelding zag ik mijn betovergrootmoeder
Adriana aan zee zitten als een door het leven wijs geworden,
diepgelovige en nuchtere vissersvrouw. Een vissersvrouw
die door de jaren heen vertrouwd was geraakt met de
ondoorg­ rondelijkheid en de gevaren van de zee. De zee die
het leven van de vissersgezinnen kon verwoesten, maar
die hen tegelijkertijd ook de vis gaf die ze voor voor hun
levensonderhoud zo heel erg nodig hadden.

Toen ik in de stamboom ontdekte dat zeven kinderen jong
stierven, en ik me er bewust van werd hoe hard het leven voor
haar geweest was, vroeg ik me af waarin Adriana toch steeds
opnieuw haar geestelijke veerkracht vond. Hoe droeg ze haar
angst- en verlieservaringen? En haar verdriet? Dat ik me juist
dit allemaal heb afgevraagd is misschien niet zo verwonderlijk.
Het thema van leven, sterven en dood, het aanwezig blijven
en mee helpen dragen bij lijden, het zoeken naar bronnen
en wegen om te kunnen aanvaarden en hernieuwde kracht te

86

vinden was immers achttien jaar lang een dagelijks onderdeel
en centraal aandachtspunt in mijn werk en in mijn identiteit
van geestelijk verzorger in een ziekenhuis. Hoewel ik afscheid
genomen heb van deze identiteit kom ik in het schrijven
over de geschiedenis van de vissersoorringetjes van Adriana,
bijna ondanks mijzelf, opnieuw toch weer op deze zelfde
aandachtspunten uit. In mijn werk was de de overtocht met of
zonder overkant vaak onderwerp van gesprek.

Adriana groeide op in een oudkatholiek geloof waarin er
een diep vertrouwen was in een uiteindelijk goede afloop.
Dit vertrouwen werd van generatie op generatie doorgegeven.
Het droeg ook mijn oma en haar zussen door moeilijke
momenten in hun leven heen. Op momenten van verslagenheid
en van verdriet herhaalden ze deze woorden voor elkaar:

We hebben ons hoofd maar te buigen

Het hoofd buigen was voor deze sterke vrouwen een
vanzelfsprekend onderdeel geworden van rechtop
kunnen staan.

God heeft ons geen gemakkelijke reis beloofd.
Maar wel een behouden thuiskomst

Drie sleutelzinnen in hun leven.
Ze vonden hier troost in… en kracht… veerkracht…

Als je aan zee zit, weet je dat er ergens
wel weer land is, al zie je dat niet

87

Anneke Kulik-Bakker

88

BIJLAGE

De laatste uren van
de Catharina Duyvis
(IJM 60) en schipper
Arie Glas

In het onderzoek naar Adriana en haar kinderen en klein­
kinderen stuitte ik op Etmaal vechten vergeefs voor Catharina
Duyvis. Een verhaal dat op zaterdag 7 maart 1953 in De Tijd
stond. Ik vond het indrukwekkend en hartverscheurend om
te lezen.

De trawler Catharina Duyvis is in de bekende 1 februaristorm
van 1953, de storm die ook de watersnoodramp in Zeeland
veroorzaakte, voor de kust van Egmond aan Zee vergaan.
Aan boord waren zestien bemanningsleden, waarvan niemand
de ramp overleefd heeft. Schipper van de Catharina Duyvis
was Arie Glas, een jongere broer van mijn oma. Ik herinnerde
me dat mijn vader me weleens verteld had dat hij, voor hij
met mijn moeder trouwde, samen met Arie Glas op visvangst
was geweest. Ik stuurde hem het verhaal over de laatste uren
van de Catharina Duyvis door met de vraag: “Ben jij op ditzelfde
schip vroeger niet een keer meegevaren met Arie Glas?”
Mijn vader antwoordde: “Ja, ik ben met dit schip en voor
mij ome Arie in de zomer van 1949 twee weken mee geweest
op visvangst. Als je lid van de familie wilde worden moest
je minstens een keer met een trawler mee zijn geweest.
Wat gezegd wordt over hoe het ging met het radiocontact op

89

De Catharina Duyvis (IJM 60) van
schipper Arie Glas

zee is precies zoals ik het me herinner. Het feit dat ik als een
soort verstekeling aan boord was, de rederij mocht er namelijk
niets van weten, is achteraf gezien eigenlijk onverantwoord
geweest. Stel je voor dat er iets zou zijn gebeurd. Maar iemand
als Arie Glas was een zeeman, schipper op z’n schip. Hij
bepaalde gewoon of iets kon of niet. Het aantal slaapplaatsen,
kooien noemen ze dat aan boord, was precies voldoende voor
de bemanning. Ik moest slapen in de kooi van een dienstdoend
bemanningslid. Wanneer zijn dienst erop zat werd hij afgelost
door een ander. Dat gebeurde vaak ’s nachts en dan moest ik
van de ene kooi naar de andere verhuizen. Iedereen hield in
de tijd tijdens de reis z’n kleren aan. Ook ’s nachts te kooi. Dus
fris was anders. Ik herinner me ook nog dat elke dag om 12.00
uur iedereen naar de brug kwam om een oorlam te drinken.
Aan boord bij Arie Glas was dat, als ik me goed herinner, een
cognacje. Dat ging ook allemaal uit één en hetzelfde glas.”

90

Van de stoomtrawler Catharina Duyvis werd gezegd dat het een
sterk schip was, één van IJmuidens beste en sterkste trawlers.
Op zaterdagmiddag 31 januari bevond het schip zich op 18 mijl
van de veilige haven IJmuiden. Schipper Arie Glas had om drie
uur radiocontact en melde dat er niks loos was.
“Er staat wat zee en er is een flinke bries, maar we gaan d’r
door.” Er was op dat moment nog voor 24 uur kolen aan boord,
ruim voldoende om thuis te komen, maar niet voldoende om
op zee een storm af te wachten, te steken op zee. “Het waait,

Artikel uit De Tijd

91

ja, maar we gaan d’r door.” Drie uur later zette hij het schip
recht op de golven: het was gaan orkanen en de schipper was
gedwongen toch te steken. Door de enorme zeegang waren de
ruiten uit de brug geslagen. ’s Avonds om acht uur melde hij
zich weer en in zijn stem klonk angst door. Hij bleef anderhalf
uur in de lucht. “Mijn ruiten zijn stuk gegooid. Ik kan niemand
verstaan. Ze zijn op de brug aan het timmeren, want de
boel moet dicht.” Hij waarschuwde de schepen in de buurt:
“Het stinkt hier. Komt hier niet op aan, blijf liggen waar je
bent en houd je vast, want het stinkt hier. De zee en de lucht
zijn één geworden, en het is allemaal wit schuim wat ik om
me heen zie. Blijf waar je bent, want het stinkt hier.”

Het schip trok langzaam weg van de kust. Zondagmiddag om
één uur was de schipper er weer. Het schip bevond zich op 40
mijl noordwest van IJmuiden. In het kwartier dat de kapitein
in de lucht was heeft hij niet veel meer gezegd. Hij herhaalde
zijn boodschap: “Kom niet in mijn buurt want het stinkt hier.”
Na een “tot vanmiddag een uur of vier, vijf” brak hij af.
Dat is het laatste wat vernomen is. Anderhalf jaar later werd
het scheepswrak gelokaliseerd. Het was ruim 16 km uit de
kust dwars van Egmond aan Zee vergaan.

IJmuider Vissersmonument

In 1955 kreeg IJmuiden een Vissersmonument. Op de kop van
de haven staat een drie meter hoog bronzen beeld van een
visser met stormlantaarn in de hand. Zijn blik is strak naar de
zee gericht. Directe aanleiding was onder andere het vergaan
van de 43 meter lange stoomtrawler IJM 60 Catharina Duyvis
met zestien opvarenden in de februaristorm van 1953.
Tijdens de onthullingsplechtigheid verwoordde burgemeester
Kwint de betekenis van het monument als volgt:

92



“Dit monument werd opgericht om de nagedachtenis van de
omgekomen vissers te eren en om een plaats van herdenking
te bieden aan hun nabestaanden en aan de gehele burgerij.
Van dit voetstuk rijst op een mannenfiguur, gegoten in brons,
naar het model van beeldhouwer H.M. Wezelaar. Een dood­
gewone visserman, breeduit staande in waterlaarzen, zijn
oliejas opbollend in de wind die altijd over IJmuiden is. De
rechterhand gestrekt en dragende een stormlantaarn, uitziende
over de zee en van nu af aan bij dag en nacht, jaar in jaar uit de
dodenwacht houdende over die vissers, die eens deze haven
uitvoeren, maar daarin nimmer terugkeerden. Moge hun ziel
in het eeuwige leven een veilige haven hebben gevonden in
het Huis des Vaders, waarvan geschreven staat dat daarin vele
woningen zijn.”

94

95

Gebruikte bronnen

(sd), opgehaald van buitenbeeldinbeeld.nl
Bakker, Jan (2016, november), Het Boek Riet (A. Kulik-Bakker, Red.),
Schalkhaar, A&FP
Beets, N. (1901), De Kinderen Der Zee, Schetsen naar het leven aan onze Hollandsche
stranden door Jozef Israels. Gedichten van Nicolaas Beets (vijfde druk),
Leiden, A.W.Sijthoff
De Ark (1956), (Annie M.G. Schmidt, Samensteller) N.V. Amsterdamse Boek
en Courantmij
Dordrechts Museum (2015), Holland op z’n mooist
Etmaal vergeefs vechten voor Catharina Duyvis (1953, maart 7), De Tijd
Gomes, R. (sd), Opgehaald van www.genealogieonline.nl/genealogie-gomes
Heijermans, Herman (2015), Op Hoop van Zegen (eerste druk), (K. d. Groote,
Red.) Lalito
Jung, Carl Gustav (2003), Archetypen (negende druk),
(P. d. Vries-Ek, Vert.) Lemniscaat
Kievit, Joh. C. (1897), Jaepie-Jaepie, (tweede druk), P.Kluitman
Konijn, E. (1972), Oude Ansichten van de Egmonden, Uitgeverij Pirola
Museum van Egmond (sd), opgehaald van www.museumvanegmond.nl
Noord-Hollands Archief (sd), opgehaald van www.noord-hollandsarchief.nl
Stichting Historisch Egmond (sd), opgehaald van www.historischegmond.nl

96


Click to View FlipBook Version