Frederik Peeraer
Juridisch argumenteren
Gompel&Svacina
Frederik Peeraer
Juridisch argumenteren
Oud-Turnhout / ’s-Hertogenbosch
Gompel&Svacina
2019
371 blz. – 24 cm
ISBN 978-94-6371-170-8
D/2019/14.401/73
NUR 820
© 2019 Frederik Peeraer en Gompel&Svacina
Alle rechten voorbehouden. Behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op
welke wijze ook, zonder de uitdrukkelijke, voorafgaande en schriftelijke toestemming van de auteur
en van de uitgever.
Al het mogelijke werd gedaan om de informatie in dit boek zo juist en actueel te maken als kan. Auteur
of uitgever kunnen niet verantwoordelijk worden gesteld voor mogelijke nadelen die lezers door even-
tuele onvolkomenheden in het boek zouden ondervinden.
Gompel&Svacina bvba
Uitgevers
Reebokweg 1, B-2360 Oud-Turnhout | [email protected]
Rietveldenweg 60, NL-5222 AS ’s-Hertogenbosch | [email protected]
www.gompel-svacina.eu
Inhoud
LIJST VAN TABELLEN EN FIGUREN 13
INLEIDING 15
DEEL I. REDENEREN 21
Inleiding 21
Titel I. Cognitieve achtergrond 22
Hoofdstuk 1. De mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten 22
Hoofdstuk 2. Systeem 1- en Systeem 2-denken 25
Afdeling 1. Algemeen kader 26
Afdeling 2. Ter verduidelijking: twee testen en een filmpje 30
Hoofdstuk 3. Het brein als verbandenleggende machine 33
Inleiding 33
Afdeling 1. Voorwaardelijke verbanden (als… dan…) 38
Afdeling 2. Via-verbanden (metonymieën) 38
Afdeling 3. Causale verbanden 41
Afdeling 4. Als-het-ware verbanden (metaforen) 47
Titel II. Bouwstenen van redeneringen 49
Hoofdstuk 1. Basisbegrippen 49
Hoofdstuk 2. Soorten voorwaarden 54
Hoofdstuk 3. Enkele symbolen 60
Hoofdstuk 4. Formalisering van natuurlijke taal 67
Afdeling 1. Het werkwoord ‘moeten’ 68
Afdeling 2. Het voegwoord ‘tenzij’ 69
Afdeling 3. De voegwoorden ‘mits’ en ‘vermits’ 72
6 Inhoud
Titel III. Soorten redeneringen 72
73
Hoofdstuk 1. Deductief redeneren 76
Hoofdstuk 2. Inductief redeneren 76
79
Afdeling 1. Omschrijving
Afdeling 2. Het (beperkte) nut van inductieve redeneringen 81
Afdeling 3. Inductie en het onderscheid tussen mededelende en dispo- 82
sitieve handelingen 89
Hoofdstuk 3. Abductief redeneren
Hoofdstuk 4. Verhouding tussen deductief, inductief en abductief
redeneren
Titel IV. Geldig en correct deductief redeneren 91
91
Hoofdstuk 1. Logica, en haar drie voornaamste soorten 91
Afdeling 1. Logica in het algemeen 93
Afdeling 2. Propositielogica 93
Afdeling 3. Predicatenlogica 96
Afdeling 4. Modale logica 100
101
Hoofdstuk 2. Modus ponens en modus tollens 103
Hoofdstuk 3. Twee diepgewortelde redeneerfouten 106
Hoofdstuk 4. Beperkingen van geldig redeneren
Hoofdstuk 5. Het welwillendheidsprincipe toegepast
Titel V. Structurele redeneerfouten 108
108
Hoofdstuk 1. Enkele kernbegrippen 110
Hoofdstuk 2. Enkele structurele redeneerfouten 110
111
Afdeling 1. Verankering 112
Afdeling 2. Framing effect 112
Afdeling 3. Bevestigingsbias (in de ruime zin) 113
115
Onderafdeling 1. Bevestigingsbias 116
Onderafdeling 2. Opvattingspersistentie 118
Onderafdeling 3. Just world belief 120
Onderafdeling 4. Geldigheid en geloofwaardigheid 120
Afdeling 4. Post (of cum) hoc, ergo propter hoc 122
Afdeling 5. Hindsight bias 122
Afdeling 6. Beschikbaarheidsheuristiek 125
Afdeling 7. Affectheuristiek 126
Afdeling 8. Representativiteitsheuristiek
Onderafdeling 1. Toepassing: regressie naar de mediaan
Onderafdeling 2. Toepassing: de drogreden van de gokker
Inhoud 7
Onderafdeling 3. Toepassing: de drogreden van de aanklager 127
Hoofdstuk 3. Waarom maken we structurele redeneerfouten? 134
DEEL II. ARGUMENTEREN 137
I nleiding: van geldig redeneren naar deugdelijk argumenteren 137
Titel I. Begripsomschrijving 139
139
Hoofdstuk 1. Het begrip ‘argumenteren’ 139
Afdeling 1. Vier kenmerken 142
Afdeling 2. Normatieve oefening 143
147
Hoofdstuk 2. De rol van voorwaardelijke uitspraken in argumentaties 147
Hoofdstuk 3. Argumenteren als communicatieve handeling 150
151
Afdeling 1. Communiceren: over samen-, mee- en tegenwerken 156
Afdeling 2. De context waarin argumentaties en betogen plaatsvinden
Onderafdeling 1. Discursieve context
Onderafdeling 2. Situationele context
Titel II. Opbouw van argumentaties 158
Hoofdstuk 1. Het betoog 158
Afdeling 1. Enkele begrippen en hun geschiedenis 159
Afdeling 2. Traditionele inhoud van de retorica 161
Onderafdeling 1. Inventio 161
Onderafdeling 2. Dispositio 163
§1. Exordium 163
164
§2. Narratio 164
165
§3. Propositio 167
168
§4. Partitio 168
169
§5. Argumentatio 171
172
§6. Digressio 172
173
§7. Peroratio 174
Onderafdeling 3. Elocutio 176
Onderafdeling 4. Memoria
Onderafdeling 5. Pronuntiatio
Hoofdstuk 2. Enkele concrete regels
Afdeling 1. Ontvouw je ideeën in een natuurlijke volgorde
Afdeling 2. Vertrek van betrouwbare premissen
Afdeling 3. Wees concreet en beknopt
8 Inhoud 177
179
Afdeling 4. Bouw op inhoud, niet op kleur
Afdeling 5. Gebruik consistente begrippen 180
181
Titel III. Deugdelijk argumenteren 182
Hoofdstuk 1. Wat is deugdelijk argumenteren? 184
Afdeling 1. Typologische benadering 186
Afdeling 2. Praktische benadering 186
Afdeling 3. Normatieve benadering 187
Hoofdstuk 2. Drie voorwaarden 187
Hoofdstuk 3. Tien regels voor een productief verloop 188
Afdeling 1. Vrijheidsregel 189
Afdeling 2. Bewijslastregel 190
Afdeling 3. Standpuntregel 191
Afdeling 4. Relevantieregel 191
Afdeling 5. Verzwegenpremisseregel 192
Afdeling 6. Uitgangspuntregel 192
Afdeling 7. Geldigheidsregel 193
Afdeling 8. Argumentatieschemaregel 193
Afdeling 9. Afsluitingsregel
Afdeling 10. Helderheidsregel 194
195
Titel IV. Argumentatieschema’s 196
Hoofdstuk 1. Argumenten op basis van bijzondere geplaatstheid 199
Hoofdstuk 2. Argumenten op basis van (inhoudelijke) deskundigheid 200
Hoofdstuk 3. Argumenten op basis van de persoon 200
Afdeling 1. Beledigende variant 203
Afdeling 2. Omstandigheidsvariant 205
Afdeling 3. Inconsistentievariant 206
Afdeling 4. Onbekwaamheidsvariant 208
Hoofdstuk 4. Argumenten op basis van gedeelde overtuiging 208
Hoofdstuk 5. Argumenten op basis van gevolgen 209
Afdeling 1. Algemeen 211
Afdeling 2. Hellend vlak 212
Afdeling 3. Argument ad baculum 214
Afdeling 4. Argument ad absurdum 216
Hoofdstuk 6. Argumenten op basis van regelmaat 221
Hoofdstuk 7. Argumenten op basis van gelijkenis 224
Hoofdstuk 8. Argumenten op basis van verschil
Hoofdstuk 9. Argumenten op basis van vertrouwen
Inhoud 9
Hoofdstuk 10. Argumenten op basis van regels 226
Afdeling 1. Gedragsregels 226
Afdeling 2. Waarderingsregels 227
Afdeling 3. Betekenisregels 227
231
Hoofdstuk 11. Argumenten op basis van testresultaten 231
Hoofdstuk 12. Argumenten op basis van gebrek aan informatie 234
Voorbeeldvraag argumentatieschema’s
Titel V. Enkele argumenten die vaak onterecht overtuigen: ‘drogredenen’ 235
Hoofdstuk 1. Bevestigende drogredenen 237
Afdeling 1. Drogredenen die betrekking hebben op een inferentieschema 237
Onderafdeling 1. Deductieve drogredenen 237
§1. Compositie 237
§2. Divisie 238
§3. Foutieve disjunctie 239
§4. Vals dilemma 239
§5. Vals compromis 240
§6. Non sequitur 241
Onderafdeling 2. Inductieve en abductieve drogredenen 242
§1. Overhaaste veralgemening 242
§2. Jumping to conclusions 244
Onderafdeling 3. Restcategorie: metalogische drogredenen 245
§1. Dicto simpliciter 245
§2. Cirkelredenering 245
§3. Impertinente argumenten 247
§4. Triviale argumenten 247
Afdeling 2. Drogredenen die betrekking hebben op de informatiebron 248
Afdeling 3. Drogredenen die betrekking hebben op de betekenis 249
Hoofdstuk 2. Weerleggende drogredenen 250
Afdeling 1. Ad lapidem 250
Afdeling 2. Vergiftigen van de bron 251
Afdeling 3. Overhaast tegenvoorbeeld 252
Hoofdstuk 3. Ontwijkende drogredenen 252
Afdeling 1. Verschuiving van het onderwerp: shifting ground 253
Afdeling 2. Verschuiving van de aandacht: rode haring 253
Afdeling 3. Meervoudige en complexe vragen 255
Afdeling 4. Relativisme 256
Overzichtsschema 257
10 Inhoud 258
Afsluitende oefeningen bij Deel II (zonder antwoordsleutel)
DEEL III. JURIDISCH ARGUMENTEREN 261
I nleiding: van argumenteren naar juridisch argumenteren 261
Titel I. Begripsomschrijving 263
Titel II. Juridische betogen (in het Belgische recht) 267
269
Hoofdstuk 1. Het betoog van de partijen 273
Hoofdstuk 2. Het betoog van de rechter 281
Hoofdstuk 3. Overtuigen en bewijzen: feiten in het recht 281
281
Afdeling 1. Het bewijs van de feiten
Onderafdeling 1. Basisbegrippen 285
Onderafdeling 2. Feitenfiltering: bewijzen gaat over meer dan waar- 289
heidsvinding alleen
Afdeling 2. De relevantie van de feiten
Titel III. Twee visies op de bronnen van het recht 293
Hoofdstuk 1. Proloog: 18de-eeuwse problemen 293
Hoofdstuk 2. De bronnen van het recht als piramide 296
Hoofdstuk 3. De opgang van de bronnen van het recht als netwerk 305
Titel IV. Juridische argumentatieschema’s 319
Vooraf: van interpreteren naar argumenteren 320
Hoofdstuk 1. Juridische argumenten op basis van gezag 325
Afdeling 1. Drie facetten van gezag 325
Onderafdeling 1. Traditie 325
Onderafdeling 2. Natuur 326
Onderafdeling 3. Deskundigheid 327
Afdeling 2. Onderliggende waarden 329
Hoofdstuk 2. Juridische argumenten op basis van regels 330
Afdeling 1. Betekenisregels 330
Onderafdeling 1. Twee facetten van betekenisregels 330
330
§1. Gebruikelijke betekenis 332
332
§2. Technische betekenis 333
Onderafdeling 2. Nut en beperkingen
Afdeling 2. Rechtsregels
Inhoud 11
Afdeling 3. Onderliggende waarden 334
Hoofdstuk 3. Juridische argumenten op basis van systematische over-
335
wegingen 336
Afdeling 1. Contextuele harmonisatie 337
Afdeling 2. Conceptuele consistentie 338
Afdeling 3. Systematische consistentie 338
341
Onderafdeling 1. Juridische argumenten op basis van gelijkenis 344
Onderafdeling 2. Juridische argumenten op basis van verschil 347
Afdeling 4. Coherentie van het systeem 347
Afdeling 5. Zuinigheid van het systeem 347
Afdeling 6. Onderliggende waarden 350
Hoofdstuk 4. Juridische argumenten op basis van doelstellingen 351
Hoofdstuk 5. Juridische argumenten op basis van waarden 351
Hoofdstuk 6. Juridische argumenten op basis van gevolgen 352
Afdeling 1. Dambreukargument 354
Afdeling 2. Absurditeitsbestrijdend argument 354
Afdeling 3. Onderliggende waarden 356
Hoofdstuk 7. Juridische argumenten op basis van intentie 358
Hoofdstuk 8. Juridische argumenten op basis van testresultaten
Hoofdstuk 9. Onderlinge verhouding 360
Afsluitende oefeningen bij Deel III (met en zonder antwoordsleutel)
BIBLIOGRAFIE 363
Lijst met tabellen en figuren
Tabellen
Tabel 1 – Causaliteit en correlatie: zes vergissingen en kritische vragen 46
Tabel 2 – Verhouding tussen voldoende en noodzakelijke voorwaarden 56
Tabel 3 – Overzicht voorwaardelijke uitspraken 65
Tabel 4 – Verhouding tussen de begrippen ‘contradictoir’, ‘contrair’ en ‘subcontrair’ 75
Tabel 5 – Gelijkenissen en verschillen tussen de drie redeneermethoden 90
Figuren
Figuur 1 – Visualisatie van de theorie van het drievuldige brein 23
Figuur 2 – Gezichtsuitdrukking 26
Figuur 3 – Voorbeeld van correlatie 42
Figuur 4 – Bijkomend voorbeeld van correlatie 42
Figuur 5 – Schematische weergave van een redenering 53
Figuur 6 – Visuele weergave relevante begrippen 54
Figuur 7 – Verhouding tussen voldoende en noodzakelijke voorwaarden 58
Figuur 8 – Verhouding ‘mens’ en ‘zoogdier’ 62
Figuur 9 – Onderlinge verhouding redeneermethoden 89
Figuur 10 – Deontisch vierkant 99
Figuur 11 – Visualisatie van Toulmins sjabloon 185
Figuur 12 – Overzichtsschema van de voornaamste drogredenen en enkele rede-
neerfouten 257
Figuur 13 – Aandeel van beslissingen ten gunste van de gevangene doorheen de dag 266
Figuur 14 – Piramide 304
Figuur 15 – Frontispice van Leviathan van Thomas Hobbes (1651) 304
Figuur 16 – Visualisatie van topisch redeneren 314
Figuur 17 – Netwerk 318
Figuur 18 – “Kaninchen und Ente” uit de af levering van 23 oktober 1892 van
Fliegende Blätter 321
Figuur 19 – Overzichtsschema interpretatieve argumenten 324
Inleiding
Doelstelling
Deze uitgave is een inleiding op de juridische argumentatieleer en is in het bijzonder
bedoeld als leidraad en achtergrondinformatie bij de hoorcolleges van het opleidingson-
derdeel ‘Juridische argumentatieleer’1, dat wordt gegeven in het eerste jaar van het
modeltraject van de bachelor Rechten aan de Universiteit Antwerpen.
Recht is een talige discipline. De kunst bestaat er voor juristen in om anderen te over-
tuigen van een bepaald standpunt. Er gaapt immers een grote kloof tussen gelijk hebben
en gelijk krijgen: het is niet omdat iemand het bij het rechte eind heeft, dat anderen daar
zomaar in meegaan. Om anderen te overtuigen is het noodzakelijk om in te zien dat
argumentaties niet voor zich spreken. Deze uitgave heeft dan ook tot doel om je kennis
te laten maken met de specifieke kenmerken van juridische argumentaties en betogen,
zodat je uiteindelijk de kwaliteit van je eigen juridische argumenten kan verbeteren en
de kwaliteit van andermans juridisch argumenten naar waarde kan schatten.
Daarmee vormt deze uitgave een bescheiden methodologisch kader voor positiefrechte-
lijke vakken. Om grip te krijgen op de complexe wereld van vandaag is het onontbeerlijk
om een groot aantal feiten te kennen en een steeds groeiend aantal technieken eigen
te maken. De talrijke vakken die daar terecht veel aandacht aan besteden, beschikken
echter vaak niet over de ruimte om het soort vragen te stellen waarop argumenten het
antwoord bieden. Deze uitgave is dan ook aanvulling op die andere vakken, zodat je
meer inzicht verwerft in dergelijke vragen.
Elk stuk van deze uitgave heeft eigen doelstellingen. Aan het begin van elk stuk worden die
expliciet vermeld, zodat je aan het einde van elk stuk zelf kan nagaan of je de behandelde
1. ht t ps:// w w w.u a nt wer p en.b e/p opup/opleid in gsond erd eel.a spx?cat a log n r =1 2 0 0R EC-
JAL&taal=nl&aj=2018
16 Inleiding
materie hebt begrepen. Dat is meer bepaald het geval als je vaststelt dat je in staat bent om in
eigen woorden de materie uit te leggen die bij die doelstelling hoort. Al die ‘kleinere’ doelstel-
lingen maken deel uit van de ‘grotere’, algemene doelstelling van dit opleidingsonderdeel.
Aanpak
Meerdere lagen
De informatie die deze uitgave aanreikt, bestaat uit meerdere lagen. De reden daarvoor
is dat niet alle informatie tot de leerstof behoort. Er moet dus een onderscheid worden
gemaakt tussen essentiële en bijkomende informatie. De essentiële informatie komt
ook in de hoorcolleges aan bod en behoort tot de leerstof: die informatie staat in de
‘normale’, niet-vetgedrukte randnummers. De bijkomende informatie komt normaliter
niet aan bod in de hoorcolleges en behoort niet tot de leerstof: die informatie staat ofwel
in grijze kaders, ofwel in de vetgedrukte randnummers (omdat je voor die leerstof moet
‘doorduwen’).
Waarom staat die dan toch in deze uitgave? De wereld van het argumenteren stopt niet aan
het einde van de leerstof. Deze uitgave is immers slechts een inleiding tot de juridische argu-
mentatieleer. De bijkomende informatie fungeert als een kruimelspoor: als je geïnteresseerd
bent om meer te weten over een bepaald thema, dan vind je meteen richtingwijzers in de
vorm van die extra uitleg.
Essentiële informatie kan je verder opdelen in hoofdlijnen en meer gedetailleerde tekst.
Meer gedetailleerde informatie tref je aan in kleine tekst zoals deze. Opgelet: deze tekst
is wel degelijk belangrijk en maakt dus ook deel uit van de leerstof! De reden waarom die
informatie anders wordt gepresenteerd, is om je te laten zien wat de basis is (namelijk de
grote tekst) en wat daarop voortbouwt (namelijk de kleine tekst). Pas als je de basis goed
beet hebt (‘grote tekst’), moet je je met de details bezighouden (‘kleine tekst’).
Om je te helpen de samenhang te begrijpen tussen verschillende onderdelen van de
uitgave, gebruikt dit boek een aantal symbolen. Een terugspoelknop ( ) toont waar
relevante informatie al aan bod is gekomen en een doorspoelsknop ( ) waar die infor-
matie nog aan bod zal komen.2 Een lampje ( ) wijst op inhoudelijke verbanden met
2. Soms verwijst de doorspoelknop naar andere uitgaven. Daarmee zie je de inhoudelijke ver-
banden die deze uitgaven hebben met andere vakken uit de rechtenopleiding.
Inleiding 17
andere delen van de uitgave. Zodra je in staat bent om zelf de verbanden te leggen die
in de tekst bij het lampje worden uitgewerkt, heb je de essentie van dit opleidingson-
derdeel begrepen.
Bijkomende informatie, die je dus niet hoeft te kennen, tref je aan ofwel in kaders met
bronnen aan het begin van een bepaald deel van de uitgave, ofwel in grijze kaders, ofwel
in vette randnummers. In de kaders met bronnen vind je algemene informatie over de
stof die in dat deel aan bod komt. Die informatie is bv. te vinden in geschreven bronnen
( ), in gesproken (en dus te beluisteren) bronnen ( ) of op allerhande websites ( ).
Omdat de informatie in geschreven bronnen niet steeds dezelfde moeilijkheidsgraad
heeft, worden geschreven bronnen verder onderverdeeld. Eén wandelaar ( ) geeft aan
dat de betrokken informatie ongeveer dezelfde inhoud behandelt als deze uitgave, maar
doorgaans op een andere manier. Deze bronnen zijn ideaal als je de essentie eens op een
andere manier wilt vernemen. Twee wandelaars ( ) wijzen erop dat de betrokken
informatie dieper gaat dan deze uitgave. Het gaat vaak om meer gedetailleerde, meer
technische of veel uitgebreidere analyses dan wat hier aan bod komt. Deze bronnen
zijn geschikt als je een stuk verder wenst te gaan (vandaar de wandelaars) en je honger
naar informatie nog niet gestild is. Drie wandelaars () duiden op bronnen voor
de onverzadigbare meerwaardezoeker. Vaak zijn dit bronnen in minder toegankelijke
talen die op een veel abstractere en complexere manier ingaan op de problematiek. Dit
type bronnen kan je het best links laten liggen tot je erg vertrouwd bent met de materie.
Dit zijn bronnen die je mogelijk pas wilt raadplegen in je verdere opleiding of carrière.
Oefeningen
Om je de mogelijkheid te bieden de verworven inzichten in de praktijk te brengen, kan
je bij de praktische onderdelen steeds meerdere oefeningen maken ( ). In deze uit-
gave tref je twee soorten oefeningen aan. Aan de ene kant zijn er oefeningen waarop
het antwoord relatief eenduidig is. Omdat die oefeningen (in principe) weinig toelich-
ting vergen, kunnen UA-s tudenten de bijbehorende antwoorden op Blackboard vinden.
Aan de andere kant zijn er oefeningen waar het antwoord af hangt van de gebruikte
argumentatie. Omdat de redenering bij die oefeningen belangrijker is dan het concrete
antwoord, is er geen uitgeschreven antwoord beschikbaar.
De oplossingen van de oefeningen waar een asterisk (*) voor staat, vinden UA-studenten
terug op Blackboard.
18 Inleiding
Lijst met gebruikte symbolen en iconen
In deze uitgave komen meerdere symbolen en iconen terug. Hierna vind je eerst de
gebruikte symbolen terug; nadien volgen de iconen. Alle iconen zijn terug te vinden op
www.f laticon.com.
Symbolen
Symbool Benaming Betekenis
Conjunctie ‘en’
∧ (Inclusieve) disjunctie ‘of’
∨ Exclusieve disjunctie ‘ofwel … ofwel’
⊻ Negatie ‘niet’
¬ Implicatie ‘als … dan …’
→ Replicatie ‘slechts als… dan …’
← Equivalentie ‘als en slechts als … dan …’
↔
Iconen
Icoon Betekenis Icoon gemaakt door
Extra (geschreven) bronnen Freepik
Interessant verband Freepik
Oefening Freepik
Verder in dit boek volgt meer informatie Smashicons
Eerder in dit boek is meer informatie aan bod gekomen Smashicons
Extra (te beluisteren) bronnen itim2101
Extra bronnen, terug te vinden op het internet Freepik
Moeilijkheidsgraad van de extra bron(nen) monkik
Opgepast: let op voor een valkuil Freepik
Inleiding 19
Opbouw
Deze uitgave bestaat uit drie grote delen. Hoewel de uiteindelijke doelstelling van deze
uitgave is om je vertrouwd te maken met de eigenheid van argumenteren in een juridi-
sche context, gaat enkel het laatste deel van deze uitgave daarover (Deel III). Vooraleer
we daar aan kunnen beginnen, moeten we het eerst hebben over argumenteren in het
algemeen (Deel II). Argumenteren is op sommige punten wat bijzonder als het in een
juridische context gebeurt, maar de essentie is (uiteraard) dezelfde als bij eender welke
andere vorm van argumenteren. Argumenteren gebeurt doorgaans evenwel niet in het
ijle. Vaak – laat ons hopen zo vaak mogelijk – zijn overtuigende argumenten opgebouwd
uit geldige redeneringen. Net omdat geldige redeneringen idealiter steeds noodzakelijk
zijn voor een overtuigend argument, vangt deze uitgave aan met een deel over redene-
ren (Deel I).
Deel I. Redeneren
Morrow & Weston 2016; Buekens & Demey 2017; Kahneman 2011; Kövecses
2010
Lakoff & Johnson 1980; Pinker 2014; Thaler 2015; Wynne & Udell 2013
Shettleworth 2010; Stanford Encyclopedia of Philosophy, v° Animal Cognition3,
2016; Stanford Encyclopedia of Philosophy, v° Cognitive Science4, 2014
Inleiding
1. De tijd dat de mens werd omschreven als een wezen dat, in tegenstelling tot die-
ren, rationeel is, ligt al lang achter ons. Vandaag is die klassieke zienswijze om twee
redenen achterhaald. Ten eerste is een dier minder ‘onredelijk’ dan men vaak denkt en
omgekeerd is een mens ook vaak minder rationeel dan verhoopt. De reden daarvoor is
dat de mechanismen die het gedrag van zowel mens als (ander) dier bepalen in essentie
dezelfde zijn. Die mechanismen hebben diepe evolutionaire wortels en kunnen sinds
de jaren vijftig op grote wetenschappelijke belangstelling rekenen. Sindsdien heeft de
wetenschap onophoudelijk aandacht voor kennisverwerving, de werking van het brein,
gedachten en intelligentie in het algemeen. Dat onderzoek wordt niet door één enkele
tak van de wetenschap beoefend, maar is een grote interdisciplinaire oefening die onder
andere filosofie, psychologie, artificiële intelligentie, neurowetenschappen, linguïstiek
en antropologie omvat.
Hierna komen enkele inzichten aan bod die de cognitieve wetenschappen de afgelopen
decennia hebben voortgebracht. Die inzichten zijn noodzakelijk om begrijpen waarom
mensen denken zoals ze denken, en waarom ze bepaalde fouten (blijven) maken.
3. https://plato.stanford.edu/entries/cognition-animal/#WhatAnimCogn
4. https://plato.stanford.edu/entries/cognitive-science/
22 Deel I. Redeneren
In dit deel leer je:
—— de voornaamste cognitieve verbanden van het menselijk denken kennen en het bij-
behorende onderscheid tussen Systeem 1- en Systeem 2-denken;
—— hoe een redenering opgebouwd is;
—— het onderscheid maken tussen inductief, deductief en abductief redeneren, en hoe
ze zich tot elkaar verhouden;
—— aan welke vereisten een redenering moet voldoen om geldig te zijn;
—— de voornaamste structurele denkfouten kennen (en hoe ermee om te gaan);
—— hoe die structurele denkfouten samenhangen met de vermelde cognitieve verbanden;
—— waarom we dergelijke denkfouten maken.
Titel I. Cognitieve achtergrond
Buekens & Demey 2017; Kahneman 2011; Kövecses 2010
Hoofdstuk 1. De mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten
2. Een aantrekkelijke manier om de evolutionaire wortels van onze manier van denken
uit te leggen, is aan de hand van de theorie van het zogenaamde ‘drievuldige brein’ (triune
brain)5. Volgens die theorie bestaat ons menselijk brein in werkelijkheid uit een drietal
lagen, die elk een afzonderlijk evolutionair stadium moeten voorstellen.
Zoals bij een archeologische site ligt de oudste laag het diepst en liggen de recentere
lagen er boven op. De oudste laag wordt in die theorie gevormd door het zogenaamde
‘reptielachtige brein’ (ook wel ‘basaal brein’ of ‘R-complex’). Die laag bevat de meest
basale structuren van het brein. Bij vogels en reptielen domineren twee van die basale
structuren, de hersenstam en het cerebellum, wat meteen ook de naam ‘reptielachtig
brein’ verklaart. Het gedrag dat gestuurd wordt door dat brein, is rigide, obsessief, com-
pulsief en paranoïde. Hetzelfde gedrag wordt keer op keer herhaald en dat deel van het
brein leert niet van fouten uit het verleden. Het ‘reptielachtige brein’ controleert spieren,
evenwicht en autonome functies, zoals ademhaling en hartslag. Dit deel van het brein is
steeds actief, ook wanneer we slapen. In Figuur 1 is dat het onderste deel van het brein.
5. http://www.kheper.net/topics/intelligence/MacLean.htm
Titel I. Cognitieve achtergrond 23
Neocortex
Cognition, language
sensory perception,
spatial reasoning
Mammalian brain
Emotion and feeling
Reptilian brain
Instincts
Figuur 1 – Visualisatie van de theorie van het drievuldige brein6
Een tweede laag van het brein wordt gevormd door het zogenaamde ‘limbische brein’
(ook wel ‘oude zoogdierenbrein’). Het komt overeen met het brein van de meeste zoog-
dieren, vooral met dat van zoogdieren die evolutionair gezien het vroegst zijn ontstaan.
De hersenstructuren die zich in dat deel van het brein bevinden, hebben andere functies
dan de hersenstructuren die zich in het reptielachtige brein bevinden en zijn betrokken
bij alles wat te maken heeft met geur, drijfveren en motivatie, emoties, tijdsbesef, ken-
nisverwerving en geheugen. Alles wat in dit emotionele systeem plaatsvindt, is ofwel
‘aangenaam’ of ‘onaangenaam’. In Figuur 1 is dat het middelste deel van het brein.
Een derde, evolutionair gezien nieuwste laag van het brein is het zogenaamde ‘neopal-
lium’ (ook wel ‘(neo)cortex’ of ‘recente zoogdierenbrein’). Het komt overeen met het brein
van primaten en dus ook met dat van de mens. Enkele bijzondere cognitieve functies
waarover bijna uitsluitend de mens beschikt (zoals inventiviteit en abstract redeneer-
vermogen), bevinden zich in deze hersenstructuren. Bij mensen neemt de neocortex
ongeveer twee derde van de totale hersenmassa in beslag. Andere dieren hebben even-
eens een neocortex, maar die is minder ontwikkeld. De neocortex is onderverdeeld in
een linker- en rechterhersenhelft. De linkerhersenhelft controleert de rechterkant van
het lichaam en is eerder lineair, rationeel en verbaal. De rechterhersenhelft controleert
dan weer de linkerkant van het lichaam en is eerder ruimtelijk, abstract, muzikaal en
artistiek. In Figuur 1 is dat het bovenste deel van het brein.
6. Af beelding af komstig van Designua/Shutterstock.com
24 Deel I. Redeneren
Deze theorie is geen wetenschappelijk nauwkeurige weergave van de samen-
stelling en evolutie van ons brein. Sommige vogels beschikken bijvoorbeeld over
indrukwekkende cognitieve vaardigheden: de wipsnavelkraai kan bijvoorbeeld
werktuigen maken (meer bepaald haken om te jagen) en de grijze roodstaart-
papegaai heeft een bijzonder vermogen om taal te hanteren. Daarnaast is
aangetoond dat structuren van het limbische systeem eveneens aanwezig zijn
bij hele resem gewervelden, en dus niet enkel bij vroege zoogdieren. Ook de
structuren van de neocortex zijn niet zo exclusief als men misschien zou ver-
moeden, aangezien die eveneens voorkomen bij de eerst ontstane zoogdieren.
Bij die zoogdieren zijn die structuren evenwel niet in dezelfde mate ontwikkeld
als bij mensen. De theorie van het drievuldige brein is niettemin een nuttig
vertrekpunt voor deze uitgave, waarvoor een rudimentaire schets volstaat.
Er zijn natuurlijk nog meer intelligente dieren. Benieuwd naar de intelligentie
van de raaf? Beluister dan zeker dit interview7. Benieuwd naar wat de toekomst
brengt voor het menselijk brein, en hoe de plannen van Elon Musk daarin pas-
sen? Lees dat zeker eens deze blog8.
3. Eén van de voordelen van de zonet geschetste theorie is dat ze het mogelijk maakt om
de illusie van de mens als rationele economische actor te doorprikken. Veel menselijke
gedragingen stroken niet met gedrag dat je zou verwachten van een rationele actor. De
reden is dat veel van ons gedrag gestuurd wordt door de meest basale delen van ons brein
(het ‘reptielen-’ en ‘limbische’ brein). Wanneer we rationeel denken tegen die achter-
grond plaatsen, wordt duidelijk dat onze evolutionaire voorgeschiedenis een belangrijke
schakel vormt in de keuzes die we maken en in de manier waarop we ons gedragen.
4. Om het verschil te duiden tussen wat mensen van vlees en bloed daadwerkelijk doen
en wat ze zouden doen als ze zuiver rationele actoren waren, maakt men in navolging
van Richard Thaler en Cass Sunstein een onderscheid tussen ‘Humans’ en ‘Econs’ (of
nog tussen de homo sapiens en de homo economicus). ‘Humans’ zijn echte mensen; ‘Econs’
zijn zuiver rationele actoren. Hoewel mensen niet irrationeel zijn, kunnen ze vaak hulp
gebruiken om een nauwkeurig oordeel te vellen en betere beslissingen te nemen. De
concrete situatie waarin mensen zich bevinden als ze beslissingen nemen zorgt er samen
met onze evolutionaire voorgeschiedenis voor dat we maar zelden echt vrij en onbeïn-
vloed keuzes kunnen maken. Daarmee is nog niet gezegd dat de ‘Econs’ niet zouden
7. https://www.nporadio1.nl/vroege-v ogels/onderwerpen/471729-hoe-s lim-i s-de-raaf
8. https://waitbutwhy.com/2017/04/neuralink.html
Titel I. Cognitieve achtergrond 25
bestaan. Integendeel: uiteindelijk blijkt het model van de homo economicus wel degelijk
goed in staat om gedrag te voorspellen van … chimpansees!
Onnoemelijk veel onderzoek heeft intussen aangetoond dat onze cogni-
tieve capaciteiten niet fundamenteel verschillen van die van vele andere
dieren. Sterker nog, op bepaalde punten moeten mensen de duimen leggen
voor (opnieuw) chimpansees. Zij kunnen niet alleen in bepaalde omstandig-
heden beter strategisch samenwerken9 dan mensen, zij hebben ook een beter
kortetermijngeheugen.10,11
5. Dat mensen en andere dieren niet in het ijle beslissingen nemen, zorgt ervoor dat
er op onze emoties en basale behoeften kan worden ingespeeld. Daardoor zijn we alle-
maal vatbaar voor manipulatie, niet alleen ten kwade, maar ook ten goede. Mensen
aansporen om bepaalde dingen te doen zonder dat ze zich ervan bewust zijn, is gekend
onder de Engelstalige term ‘nudging’. Denk maar aan het verspreiden van broodlucht in
de bakkerijafdeling van een supermarkt of het gebruik van af beeldingen van vliegen in
urinoirs om zo weinig mogelijk gespetter te veroorzaken.12
Hoofdstuk 2. Systeem 1- en Systeem 2-denken
Sloman 1996; Sloman 2002
Stanovich & West 2002
6. Waarom doen we wat we doen? Wat bepaalt ons gedrag? Vandaag lijken weten-
schappers het erover eens dat mensen in essentie op twee manieren kunnen nadenken
wanneer ze informatie verwerken. Dit hoofdstuk licht eerst het algemeen kader bij die
9. https://gizmodo.com/chimps-are-better-at-strategic-reasoning-than-humans-ar-1586313605
10. https://www.youtube.com/watch?v=zsXP8qeFF6A
11. Voor meer informatie, zie Wynne & Udell 2013; Shettleworth 2010 en Stanford Encyclopedia
of Philosophy, v° Animal Cognition, 2016.
12. Zie uitgebreid over ‘nudging’ Thaler & Sunstein 2008; concrete voorbeelden tref je onder meer
aan in de video’s van Darren Brown (zie o.a. https://www.youtube.com/watch?v=Cb1I7Ld-
7Cc0). Zeker in politieke campagnes voor verkiezingen doen politieke partijen talloze dingen
om het stemgedrag van kiezers te beïnvloeden. Lees daarover dit artikel: https://www.vrt.be/
vrtnws/nl/2019/05/23/hoe-politieke-p artijen-de-k iezer-w illen-sturen/
26 Deel I. Redeneren
twee manieren toe en verduidelijkt dat kader vervolgens aan de hand van enkele con-
crete testen.
Afdeling 1. Algemeen kader
Dit algemeen kader is in grote mate schatplichtig aan Kahneman 2011, 19 e.v.
7. Om te begrijpen wat er in je hoofd omgaat als je op automatische piloot nadenkt,
volstaat het om naar figuur 2 te kijken.
Figuur 2 – Gezichtsuitdrukking13
Wat je ervaart als je naar dat gezicht kijkt, is een combinatie van wat we kijken en
intuïtief denken zouden kunnen noemen. Je hebt net zo snel door dat je kijkt naar het
gezicht van een man als dat de man niet echt blij is. Je hebt niet de intentie gehad om
zijn gemoedsgesteldheid na te gaan en je reactie op de af beelding voelt niet aan alsof
je een inspanning hebt verricht. Het overkwam je eigenlijk. Dit is een voorbeeld van
‘snel’ denken.
Vergelijk dat met deze opdracht: 13 x 28
Je weet onmiddellijk dat dit een rekenoefening is, en dat je die wellicht kan oplossen (al
dan niet met papier). Een concrete oplossing schiet je niet meteen te binnen, maar je
kan snel inschatten dat 80 en 10.000 weinig plausibele resultaten zijn. Je voelt aan dat
je een keuze hebt om de rekensom al dan niet te maken. Als je die oefening maakt, door-
loop je een aantal stappen. Eerst heb je uit je geheugen het cognitieve rekenprogramma
13. Af beelding af komstig van Azret Ayubov/Shutterstock.com
Titel I. Cognitieve achtergrond 27
opgehaald dat je in de lagere school hebt geleerd, om het nadien toe te passen. De bere-
kening uitvoeren gaat niet vanzelf. Het vasthouden van de informatie die je in elke
stap nodig had om gaandeweg tot de oplossing te komen, kost je moeite. Het proces is
mentale arbeid en verloopt weloverwogen, met de nodige inspanning en geordend. Een
dergelijk proces kunnen we ‘traag’ denken noemen.
8. Al meerdere decennia doen psychologen onderzoek naar de twee manieren van
denken die opgeroepen worden door de af beelding en de rekensom. De twee snelhe-
den die het menselijke brein heeft, namelijk ‘snel’ bij gezichtsherkenning en ‘traag’ bij
de rekensom, kaderen binnen twee omvattende systemen van informatievergaring en
-verwerking, ‘Systeem 1’ en ‘Systeem 2’. Je kan ze voorstellen als twee personages met
hun eigen karakter, vaardigheden en beperkingen. (Die personificatie is natuurlijk niet
helemaal accuraat, maar helpt om het idee duidelijk te maken.)
Systeem 2 (‘traag’, ‘rationeel’, ‘analytisch’ denken) identificeren we maar al te graag met
onszelf, namelijk als de bewuste, redenerende persoon die opvattingen en overtuigingen
heeft, keuzes maakt en nadenkt over wat hij vervolgens zal doen. Systeem 1 (‘snel’ en
‘intuitief’ denken) is echter het hoofdpersonage in het verhaal. Hij bepaalt de actie en
bestaat uit moeiteloze indrukken en gevoelens die schuilgaan onder overdachte redene-
ringen. Systeem 1 laat overal ballonnetjes op en maakt van de meest diverse indrukken
allerhande ideeën. Om die ideeën te ordenen, schiet Systeem 1 tekort. Het veel loggere,
moeizamer werkende Systeem 2 moet dan actief ingrijpen en Systeem 1 tot de orde
roepen, om zo orde in de chaos te brengen.
Systeem 1 werkt snel en op automatische piloot, zelfs ref lexmatig, met weinig tot geen
inspanning en zonder dat je echt controle hebt over wat er gebeurt. In toenemende mate
van complexiteit vind je hierna enkele voorbeelden van activiteiten die doorgaans wor-
den toegeschreven aan Systeem 1:
—— Opmerken dat één object verder van je is verwijderd dan een ander;
—— Je richten naar de bron van een plots geluid;
—— De zin aanvullen: ‘Na regen komt …’;
—— Vijandigheid opmerken in iemands stem;
—— Antwoorden op de vraag: hoeveel is 2+2?;
—— Alleen als je een schaakgrootmeester bent: een goede volgende zet vinden in een
schaakspel;
—— Eenvoudige zinnen begrijpen.
9. Het gros van onze handelingen en gedragingen wordt gestuurd door Systeem
1-denken. De vaardigheden die ermee verbanden houden, bevinden zich veeleer in het
28 Deel I. Redeneren
reptielen- en limbische brein. We delen die dus met andere dieren. We worden immers
voorbereid geboren om de wereld rondom ons op te merken, voorwerpen te herkennen,
onszelf proberen te oriënteren, verliezen te vermijden en angst te hebben voor bijvoor-
beeld slangen.
Dat we die vaardigheden ook aantreffen bij cognitief minder ontwikkelde diersoorten,
betekent evenwel niet dat Systeem 1 tot weinig in staat is. Door training kan je ook met
Systeem 1 veel bereiken. Wat aanvankelijk veel moeite en aandacht kost (en dus een vorm
van Systeem 2-denken is), kan door studie, oefening en herhaling meer en meer een
automatisme worden (en dus een vorm van Systeem 1-denken worden). Dat geldt niet
alleen voor intellectuele bezigheden, maar ook voor andere gedragingen. Om die reden
moet een jonge peuter (dreumes) focussen om stappen te kunnen zetten, terwijl dat
een volwassene geen enkele cognitieve inspanning kost. Een dergelijke ‘inslijting’ heeft
echter ook nadelen. Hoe meer automatisch en vanzelfsprekend een bepaalde gedach-
tegang voor iemand wordt, des te moeilijker is het voor die persoon om te beseffen dat
anderen veel meer tijd, moeite en energie moeten investeren om die gedachtegang te
kunnen volgen, laat staan te begrijpen. Volgens Steven Pinker is de kennisvloek (curse of
knowledge) één van de voornaamste redenen waarom sommige experten er niet in slagen
hun inzichten toegankelijk te maken voor anderen.14 Denk aan maar hoe moeilijk het
voor ouders is om jonge chauffeurs wegwijs te maken in het autorijden: de handelingen
die je moet verrichten om met een wagen te rijden zijn voor hen zo vanzelfsprekend dat
ze het vaak niet beter kunnen uitleggen dan: ‘gewoon gas geven en koppeling lossen’.
Langetermijnpotentiëring – Hoe gaat een dergelijke ‘inslijting’ nu concreet in
het werk? Ons centraal zenuwstelsel (de hersenen en het ruggenmerg) bevatten
vele miljarden zenuwcellen of neuronen. Sommige zenuwcellen zijn met elkaar
verbonden, zodat signalen kunnen worden doorgegeven. Wanneer die verbonden
zenuwcellen gelijktijdig geactiveerd worden, dan wordt die verbinding versterkt.
Men vermoedt dat de sterkte van die verbinding cruciaal is voor het opslaan van
informatie: hoe sterker de verbinding, des te meer/sterker wordt informatie
bewaard (en onthouden). Het versterken van die verbinding noemt men ook wel
‘langetermijnpotentiëring’ (zie Lynch 2004).
10. Systeem 2 werkt traag, vereist inzet, motivatie en het toepassen van vroeger
geleerde regels. Hoewel het activiteiten van de meest uiteenlopende aard bevat, hebben
14. Pinker 2014, 57 e.v.; de term ‘curse of knowledge’ is bedacht door Camerer et al. 1989, 1232 e.v.
Titel I. Cognitieve achtergrond 29
die activiteiten toch steeds één ding gemeenschappelijk: ze vereisen aandacht en worden
onderbroken als de aandacht verslapt. Hier zijn enkele voorbeelden:
—— Focussen op de stem van je gesprekspartner in een rumoerig café;
—— In een menigte zoeken naar een vrouw met een rode jas;
—— In je geheugen graven om een verrassend geluid te identificeren;
—— Tellen hoeveel keer de letter ‘e’ voorkomt in een zin;
—— Vergelijken welk van de twee smartphones de beste prijs/kwaliteitsverhouding heeft;
—— Je belastingbrief invullen.
Zowel het Nederlands als het Engels draagt sporen van het feit dat we niet onein-
dig aandachtig kunnen zijn. De uitdrukking ‘aandacht besteden’ (to pay attention)
geeft aan dat onze hoeveelheid aandacht beperkt is. Op een gegeven moment is
al onze aandacht besteed, waardoor we niet even nauwkeurig een bijkomende
inspannende taak kunnen uitvoeren. Denk bijvoorbeeld maar aan de combinatie
van het studeren van een cursus met het inhalen van een voertuig op een drukke
baan. Elk op zich vereist al je aandacht, zodat de simultane uitvoering van beide
handelingen wellicht niet vlekkeloos verloopt.
11. Onze cognitieve vaardigheden zijn de afgelopen honderdduizenden jaren nagenoeg
niet gewijzigd. De behoefte om complexe redeneertaken uit te voeren, is daarentegen
aanzienlijk toegenomen. Als je dat combineert met het feit dat onze hoeveelheid aan-
dacht beperkt is, begrijp je dat we moeten opletten wanneer we informatie vergaren.
Ons Systeem 1 heeft de neiging om een goed en sappig verhaal te maken van alles wat
binnenkomt, maar dat verhaal strookt niet noodzakelijk met de werkelijkheid. Wan-
neer informatie in korte stukken wordt aangeleverd (denk maar aan een twitterpost of
een facebookbericht), is het des te eenvoudiger voor Systeem 1 om daar een coherente
boodschap uit te puren. Aarzel dus zeker niet om Systeem 2 te activeren en kritisch na
te gaan of je die informatie wel mag vertrouwen.
Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat Systeem 1 samenvalt met emo-
ties en Systeem 2 met de rede. Dat is niet correct (zie Buekens & Demey 2017,
66). Onze emoties kunnen ook worden beheerst en beheerd door Systeem 2. We
kunnen immers tot op zekere hoogte actief kiezen hoe we reageren op iets dat
emoties bij ons losmaakt. Omgekeerd doet Systeem 1 meer dan emoties bevat-
ten. Met voldoende oefening kan je met bepaalde inzichten dermate vertrouwd
zijn dat het je geen moeite meer kost om ze boven te halen en toe te passen.
Vanaf dat punt maken ze dan ook deel uit van je Systeem 1-denken.
30 Deel I. Redeneren
12. Juridisch argumenteren is bij uitstek een activiteit die kadert binnen Systeem 2.
Problemen ontstaan wanneer Systeem 1 ons denkproces dirigeert of beïnvloedt zonder
dat we dat beseffen. Dat toont ook aan waarom het nuttig is om in een uitgave juridi-
sche argumentatieleer stil te staan bij het onderscheid tussen Systeem 1- en Systeem
2-denken. Inzicht in de manier waarop Systeem 1 functioneert, helpt om te begrijpen
waarom we welbepaalde redeneerfouten maken. Inzicht in de manier waarop Systeem
2 functioneert, helpt dan weer om die fouten te herkennen en ze (hopelijk) te kunnen
vermijden. Het onderscheid tussen beide systeem kan verklaren waarom mensen, waar-
onder juristen, vaak ondermaats presteren bij bepaalde redeneertaken.
Afdeling 2. Ter verduidelijking: twee testen en een filmpje
13. De verhouding tussen Systeem 1- en Systeem 2-denken kan worden toegelicht aan
de hand van de zogenaamde ‘Cognitive Ref lection Test’15 (CRT) van Shane Frederick
(Frederick 2005). Die test bestaat uit drie simpele vragen:
—— Een basebalknuppel en een bal kosten samen $ 1,10. De knuppel kost $ 1,00 meer dan
de bal. Hoeveel kost de bal? _____ cent
—— Als een machine 5 minuten nodig heeft om 5 apparaten te maken, hoe lang doen 100
machines er dan over om 100 apparaten te maken? ____ minuten
—— In een meer drijft een veld waterlelies. Elke dag wordt dat veld dubbel zo groot. Als
het 48 dagen duurt vooraleer het veld het hele meer bedekt, hoeveel dagen duurt het
dan vooraleer de helft van het meer is bedekt?
Probeer de vragen snel te beantwoorden, telkens binnen de vijf à tien seconden. Ga
vervolgens na of je onmiddellijke antwoord ook effectief klopt.16 De kans is groot dat je
intuïtieve antwoord (‘Systeem 1’) niet correct blijkt te zijn als er wat langer over nadenkt
en als je dus Systeem 2 activeert.
14. Een andere test is een van ’s werelds meest bekende redeneertesten: de ‘Wason
Selectie Test’17 (WST).
De hiernavolgende uitleg over de WST is in grote mate schatplichtig aan Bue-
kens & Demey 2017, 20 e.v.
15. https://en.wikipedia.org/wiki/Cognitive_ref lection_test
16. Correct antwoord op vraag 1: 5 cent (0,05 $); vraag 2: 5 minuten; vraag 3: 47 dagen. Systeem
1-denken stuurt aan op 10 cent (vraag 1), 100 minuten (vraag 2) en 24 dagen (vraag 3).
17. https://en.wikipedia.org/wiki/Wason_selection_task