het ORGEL
Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici
04 Nederlands grootste Ibach-orgel herboren (II)
14 De orgelkoraalkunst van Buxtehude (II)
22 Nogmaals het Van Straten-orgel
Jaargang 109 (2013) nummer 3
colofon Cover:
Detail kas van
Nummer 3 jaargang 109 (2013)
Het Orgel Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en het Ibach-orgel
Kerkmusici, voor het eerst verschenen in 1886. De Koninklijke Vereniging
van Organisten en Kerkmusici is in 2009 opgericht op christelijke grondslag. te Bergen op Zoom
Doelstelling: de behartiging en bevordering van de orgelcultuur en de
kerkmuziek. Foto: Jan Smelik
Leden van verdienste
Kees Hoeksma (erevoorzitter) - Piet Kee - Rein van der Kluit (erevoorzitter)
Overleden: Hendrik Andriessen - Klaas Bolt - Adriaan Engels - Dirk Andries
Flentrop - Jaap de Haan (erevoorzitter) - Cor Kee - Albert de Klerk - Ewald
Kooiman - Gustav Leonhardt - Willem Mudde - Adriaan C. Schuurman - Willem
Vogel
Bestuur KVOK
Frits Zwart (voorzitter), Hans Beek (1ste secretaris), Ad Krijger (2de secretaris),
Cor Rooijackers (penningmeester), Maarten Diepenbroek, Jack Gardeniers,
Willeke Den Hertog-Smits, Olga de Kort-Koulikova en Jeroen Pijpers
Adres secretariaat: Hans Beek - Klipper 49 - 9801 MT Zuidhorn - 0594 507876
[email protected]
Adres penningmeester: Cor Rooijackers - Professor Schermerhornlaan 91 -
5707 KG Helmond - 0492 548488 - [email protected]
Ledenadministratie KVOK
Harco Clevering - Jabbingelaan 21 - 9591 AL Onstwedde - 0599 331890 -
[email protected]
Bankrekeningen KVOK
Nederland POSTBANK 10 20 03 - ABN AMRO 45 48 03 184
IBAN no. NL17ABNA0454803184 / SWIFT-BIC code ABNANL2A
België Bank van de Post 000-3258201-68
Duitsland Oldenburgische Landesbank 710 87159 01 (Bankleitzahl 280 200 50)
Website
wwww.kvok.nl
Lidmaatschap KVOK
Men kan zich als lid opgeven bij de ledenadministratie. Leden kunnen zich
abonneren op de verenigingstijdschriften Het Orgel, Muziek&Liturgie en het
actualiteitenblad NotaBene (zie hieronder). Ze krijgen tevens de ZomerAgenda
(eenmaal per jaar een overzicht van orgelconcerten in de zomer) toegezonden.
Het lidmaatschap loopt parallel aan het kalenderjaar en wordt automatisch
verlengd indien niet één maand voor de vervaldatum is opgezegd.
Abonnementsvormen tijdschriften KVOK
Leden van de KVOK kunnen uit de volgende abonnementsvormen kiezen:
Muziek&Liturgie + NotaBene € 50 (Europa € 60, buiten Europa € 65)
Het Orgel + NotaBene € 60 (Europa € 70, buiten Europa € 75)
Muziek&Liturgie + Het Orgel + NotaBene € 75 (Europa € 90, buiten Europa
€ 95)
Contributie
Informatie over de contributie en de tijdschriften waarop leden zich kunnen
abonneren kunt u vinden op de website van de KVOK. Ook kunt u contact
opnemen met de penningmeester.
Redactie Het Orgel
hoofdredacteur Jan Smelik - H. van Steenwijckstraat 10 - 8331 KK Steenwijk
0521 521276 - [email protected]
redacteuren Jan Hage (orgelmuziek)
René Verwer (orgelmuziek)
Jan R. Luth (kerkmuziek)
Cees van der Poel (orgelbouw)
Geert Jan Pottjewijd ([email protected])
De deadline voor inzending van de kopij voor Het Orgel is op de vijftiende dag
van de oneven maanden.
Corrector
Roel te Velde - Vianen
Vertalingen samenvattingen
Op de website www.hetorgel.nl staan samenvattingen van de artikelen die in
Het Orgel verschenen zijn. Vertalers: Dale Carr (Engels), Christian Michel
(Duits) en Willemijn Roodbergen (Frans)
Vormgeving
Jan en Gerda Smelik - Steenwijk
Druk
Drukkerij Verloop - Ablasserdam
Website
www.hetorgel.nl
Advertenties
Bureau Van Vliet B.V., Postbus 20, 2040 AA Zandvoort - 023-5714745.
Contactpersoon Sharon de Vries ([email protected]).
Website: www.bureauvanvliet.com
© KVOK 2013
ISSN 0166-0101
2 HET ORGEL 2013 | nummer 3
INHOUD
04 Nederlands grootste Ibach-orgel 04
herboren
Het hoofdorgel van de St.-Gertrudiskerk te
Bergen op Zoom. Deel 2
Peter van Dijk (m.m.v. Cor Ardesch)
14 De orgelkoraalkunst van Buxtehude
Deel 2: Nun freut euch, lieben Christen gmein
(BuxWV 210)
Albert Clement
22 Nogmaals het Van Straten-orgel 14
Een afwijkende mening
Koos van de Linde
30 Orgelbouwnieuws
Lisse, St.-Agathakerk
Utrecht, St.-Catharinakathedraal (koororgel)
Zuidhorn, Hervormde Kerk
40 Ingezonden
42 Besprekingen 22
3HET ORGEL 2013 | nummer 3
Nederlands grootste
Het hoofdorgel van de St.-Gertrudiskerk te Bergen op Zoom
Deel 2
Foto: Jan Smelik
HET INSTRUMENT
Ibach-orgel herboren
Peter van Dijk (m.m.v. Cor Ardesch) In het eerste deel van dit artikel zijn van het Ibach-orgel (1864) in de St.-
Gertrudiskerk te Bergen op Zoom de ontstaansgeschiedenis en de lotgevallen tot eind twintigste eeuw geschetst.
Cor Ardesch verwoordde – als een ‘preambulum’ op dit tweede deel – enkele klankimpressies.
De totstandkoming van het driemanuaals Ibach-orgel vormde een mijlpaal in de negentiende-eeuwse emancipatie
van de rooms-katholieke orgelbouwcultuur, waarin de oriëntatie doelbewust de landsgrenzen overschreed. Zo
kwam het Bergse kerkbestuur voor de opdracht tot de bouw van een representatief nieuw orgel via Brussel in
Duitsland terecht.
Bij de uiterst rigoureuze verbouwing van 1914/15 (Gebr. Vermeu- van de al even voormalige Bergse St.-Josephkerk sloot daar heel ac-
len) bleven feitelijk slechts het front, de orgelkast (weliswaar minder ceptabel bij aan, maar de Vermeulen-tongwerken (Trompet 8’ en
diep gemaakt), de windvoorziening (grotendeels) en een deel van het Bazuin 16’) en de vulstemmen (zelfs de nog deels uit Ibach-pijpwerk
pijpwerk (zij het verschoven en drastisch geherintoneerd) bewaard. bestaande Mixtuur) vormden ieder ‘eigen’ klankwerelden die zich,
Het resultaat was een eigentijds tweemanuaals orgel met kegelladen, respectievelijk moeizaam en in het geheel niet, voegden in grond-
pneumatische tracturen en een vrijstaande speeltafel. stemmen-ensembles. Het was bovendien duidelijk dat die verschil-
In de jaren 1965-1972 werd de dispositie ingrijpend ‘gemoderniseerd’. lende klankwerelden niet op overtuigende wijze onder één ‘noemer’
Na de overplaatsing van het instrument naar zijn huidige locatie in gebracht zouden kunnen worden. En een ‘vlees-noch-vis-orgel’ stond
1988 werden de technische opzet (pneumatiek) en het klankbeeld in Bergen op Zoom – zeer terecht – niet op het verlanglijstje. Daarom
steeds meer als onbevredigend ervaren. Organist Hans Smout zette verviel de conserverings-optie.
energiek en doelgericht de voorbereidingen tot een restauratie in
gang. Het reconstrueren van de toestand-1915 (1922) was – vooral op
Jan Jongepier stelde in 1997 een rapport over het orgel op. Dit bood grond van de nog aanwezige technische aanleg (windladen, tractu-
reeds zodanige perspectieven voor een eerherstel van het Ibach-orgel ren en speeltafel) van de Vermeulen-verbouwing – een tweede optie.
dat men in Bergen op Zoom besloot dit spoor verder te volgen en Jon- Maar in 1965-1972 was – al dan niet in ‘etappes’ – veel pijpwerk
gepier werd tot adviseur benoemd. In 2001 schreef hij, na uitgebreid verwijderd of van functie veranderd. Een samenvatting van de werk-
nader onderzoek, een restauratieplan. In 2002 werd Rogér van Dijk zaamheden aan de hand van de dispositie van 1922 treft u aan in over-
als co-adviseur aangesteld. zicht 1 op pagina 6.
De in 1915 na ‘aanpassingen’ hergebruikte Ibach-registers werden in
DRIE OPTIES 1965-1972 weliswaar in hun bestaande vorm en klank gehandhaafd,
Als het orgel in de toestand-1915/1922 bewaard was gebleven, zou maar van de zes registers uit 1915/1922 verdwenen er vier. Boven-
een conserverende restauratie in de rede hebben gelegen. Maar dat dien ‘sneuvelden’ de Violine 4’ en de Quintbas 102/3’, waarvan het
was door de wijzigingen uit 1965-1972 niet aan de orde. Nu waren er pijpwerk respectievelijk vrijwel geheel (zij het vermaakt) en deels nog
in principe drie mogelijke restauratie-uitgangspunten. van Ibach was.
Eén en ander impliceerde dat voor een herstel van de toe-
Het eerste was het aanvaarden van het orgel in zijn gegroeide toe- stand-1915/1922 maar liefst tien van de vijfentwintig registers geheel
stand en deze – al dan niet met een aantal ‘correcties’ – te handhaven. of gedeeltelijk zouden moeten worden gereconstrueerd, waarvan zes
Ware het klankbeeld overtuigend geweest, dan zou dit – met inbegrip in de ‘gedaante’ van door Vermeulen gewijzigd Ibach-pijpwerk. En dat
van de op zichzelf goed functionerende pneumatiek – een serieuze laatste was, gelet op het feit dat het Ibach-pijpwerk in 1915 evident
optie zijn. Maar het klankbeeld was allesbehalve overtuigend. De la- aan klankkwaliteit had ingeboet, een weinig aantrekkelijk vooruit-
biale grondstemmen klonken weliswaar sonoor en waren bijzonder zicht.
‘mischungsfähig’, de Schalmei 8’ uit het voormalige Pels-orgel (1930) Hoe ‘historisch’ interessant de verbouwing door Vermeulen ook
5HET ORGEL 2013 | nummer 3
moge zijn, het gegeven dat het Ibach-orgel een voor Nederland uniek het imposante orgel-oeuvre van de firma Ibach helaas slechts weinig
instrument was geweest en het die ‘status’ in 1915 had verloren, was – zelfs geen enkel ander driemanuaals orgel – bewaard is gebleven.
een laatste overweging bij de afwijzing van een reconstructie van de Het welslagen van een Ibach-reconstructie zou Bergen op Zoom niet
toestand-1915/1922. alleen ‘met stip’ op de Nederlandse orgellandkaart zetten, maar ook
een belangrijke verrijking van het Europese orgelbezit inhouden. Op
De derde optie, een reconstructie van het Ibach-orgel, bleef over. Dit grond van het restauratieplan van 2001 bleek dit een ‘haalbare kaart’
was evenwel de optie met de meeste ‘complicaties’, onder meer omdat te zijn. En daarop werd ‘ingezet’.
de technische aanleg grotendeels verloren is gegaan en er van niet alle Zoals gemeld waren de orgelkast en de windvoorziening grotendeels
te reconstrueren registers nog Ibach-voorbeelden voorhanden zijn. bewaard gebleven. Voorts bleek de nog aanwezige hoeveelheid Ibach-
Maar het was tevens een zeer ‘uitdagende’ optie, ook al omdat van pijpwerk verrassend groot. Van de 41 klinkende registers uit 1864 wa-
ren er weliswaar 17 geheel verdwenen, maar waren er 24, variërend
Overzicht 1 Overzicht 2
dispositie 1922 werkzaamheden 1965-1972 dispositie 1864 situatie 2008
Manuaal I Hoofdmanuaal vrijwel compleet bewaard
Principal 16 vt deels bewaard
Prestant 16’ gehandhaafd Quintatön 16 vt vrijwel compleet bewaard
Principal 8 vt vrijwel compleet bewaard
Bourdon 16’ gedeeltelijk hergebruikt op het Pedaal Grossgedäckt 8 vt geheel verdwenen
Gemshorn 8 vt deels bewaard
als Gedekt 8’.Vervangen door een Viola di Gamba 8 vt vrijwel compleet bewaard
Octav 4 vt voor een klein deel bewaard
Kromhoorn 16’ (vanaf c) Hohlflaut 4 vt grotendeels bewaard
Quint 22/3 vt vrijwel compleet bewaard
Prestant 8’ gehandhaafd Octav 2 vt 2 vt deels bewaard
Scharff 5 sterk 4 vt geheel verdwenen
Holpijp 8’ gehandhaafd Cornet 4 sterk geheel verdwenen
Trompete 8 vt
Flûte harmonique 8’ verwijderd.Vervangen door een deels bewaard
Tweede manuaal vrijwel compleet bewaard
Quintadeen 8’ Bordun 16 vt deels bewaard
Principal 8 vt geheel verdwenen
Violoncel 8’ verwijderd, vervangen door een Rohrflaut 8 vt voor een klein deel bewaard
Bassethorn 8 vt geheel verdwenen
Cymbel 2 sterk Octav 4 vt vrijwel compleet bewaard
Flautdolce 4 vt geheel verdwenen
Octaaf 4’ gehandhaafd Flautino 2 vt geheel verdwenen
Mixtuur 3 sterk 1 vt
Fluit 4’ gehandhaafd Fagot-Oboë 8 vt voor een klein deel bewaard
voor een belangrijk deel bewaard
Quint 22/3’ gehandhaafd (maar met een tertskoor tot Derde manuaal geheel verdwenen
Sesquialter uitgebreid) Salicional 8 vt voor een klein deel bewaard
Octaaf 2’ gehandhaafd Flaut-Angelica 8 vt geheel verdwenen
Mixtuur 5 sterk in gewijzigde vorm gehandhaafd Dolce 8 vt geheel verdwenen
Trompet 8’ gehandhaafd Quintatön 8 vt drie pijpen bewaard
Flaut-travers 4 vt geheel verdwenen
Manuaal II (zwelkast verwijderd) Viola 4 vt
Flageolet 2 vt vrijwel compleet bewaard
Prestant 8’ gehandhaafd Cromorne 8 vt vrijwel compleet bewaard
voor een klein deel bewaard
Roerfluit 8’ gehandhaafd Pedaal deels bewaard
Principal 16 vt geheel verdwenen
Viola di Gamba 8’ afgesneden, verschoven en aangevuld Subbass 16 vt geheel verdwenen
Violonbass 16 vt geheel verdwenen
tot een Prestant 4’ Octavbass 8 vt deels bewaard
Jubal 8 vt geheel verdwenen
Salicionaal 8’ enkele pijpen in gewijzigde vorm herge- Gedacktbass 8 vt geheel verdwenen
geheel verdwenen
bruikt in een Fluit 4’ Quintbass 51/3 vt
Octavbass 4 vt
Voix Céleste 8’ verwijderd, vervangen door een Posaunenbass 16 vt
Trompetenbass 8 vt
Scherp 3 sterk Claironbass 4 vt
Violine 4’ verwijderd.Vervangen door een
Quint 11/3’
Piccolo 2’ gehandhaafd (herdoopt tot Woudfluit 2’)
Fagot-Hobo 8’ verwijderd, vervangen door een
Schalmei 8’
Tremulant gehandhaafd
Pedaal gehandhaafd (herdoopt tot Prestant 16’)
Contrabas 16’ gehandhaafd
Subbas 16’ verwijderd, vervangen door een
Quintbas 102/3’ Gedekt 8’ (zie Manuaal I)
gehandhaafd
Octaafbas 8’ gehandhaafd
Bazuin 16’
6 HET ORGEL 2013 | nummer 3
van enkele pijpen tot vrijwel compleet, bewaard (zie overzicht 2). door Van Ingen. Maar al voor 1874 leverde Ibach pijpwerk aan Her-
De nog aanwezige orgeldelen en de beschikbare Ibach-voorbeelden manus Knipscheer II, met name tongwerken, en maakte laatstge-
bleken voldoende basis te zijn voor een herstel van de toestand-1864. noemde vermoedelijk af en toe gebruik van Ibach-frontontwerpen.
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg – thans Rijksdienst voor het De Veendamse orgelmaker Roelf Meijer genoot zijn orgelmakersop-
Cultureel Erfgoed (RCE) – stelde in 2003 naast de orgelkast al het leiding bij Ibach in Barmen. Meijers eerste orgel, in de Hervormde
overige nog aanwezige Ibach-materiaal ook onder rijksbescherming Kerk te Wildervank (1867, twee manualen en pedaal, 21 registers;
in het kader van de Monumentenwet. grotendeels bewaard), is in ieder geval voor een belangrijk deel in de
Ibach-werkplaats vervaardigd; dat geldt onder meer voor al het pijp-
OPDRACHT EN FONDSENWERVING werk. Daardoor leverde dit instrument belangrijke informatie op voor
Na een offerte-traject werd eind 2002 op voordracht van de advi- de Ibach-reconstructie in Bergen op Zoom.
seurs aan Verschueren Orgelbouw (Heythuysen) de toezegging van In de monografie Een magtig Toonwerk laat Rogér van Dijk alle toen
de opdracht voor de uitvoering van de reconstructie verstrekt. Die (2011) bekende Ibach-orgels in Nederland de revue passeren; van drie
toezegging zou geconcretiseerd worden zodra er voldoende financiële daarvan was alleen de vermelding in de Ibach-opuslijst bekend. Inmid-
middelen waren. In 2003 werd de Stichting Restauratie Ibach-orgel dels is hij op het spoor gekomen van één van die drie Nederlandse
Bergen op Zoom opgericht, die energiek de fondswerving ter hand Ibach-orgels, het onder opusnummer 193 tussen 1881 en 1885 voor
nam, met als resultaat dat in 2008 de concrete restauratie-opdracht een Amsterdams klooster gebouwde orgel (8 registers), thans (in ge-
kon worden verstrekt. demonteerde staat) in privé-bezit.
Ik volsta hier met de vermelding van de Nederlandse Ibach-orgels die
DE RESTAURATIE in het Bergse project zijn ‘betrokken’:
Behoudens de orgelkast en de (reeds in 1988 gerestaureerde) hoofd- – Deventer, rooms-katholieke St.-Lebuïnuskerk (1868; twee ma-
magazijnbalg demonteerde Verschueren het instrument in januari nualen en pedaal, 32 registers; in 1955 ingrijpend verbouwd, waar-
2009 en werden de orgeldelen naar Heythuysen getransporteerd. bij onder meer de tracturen werden geëlektrificeerd, maar ook veel
Daar hebben de orgelmaker en de adviseurs uitgebreide nadere in- Ibach-materiaal – windladen en pijpwerk – in vrij ‘gave’ vorm werd
ventarisatie-werkzaamheden verricht. De in Bergen op Zoom achter- gehandhaafd);
gebleven orgelkast werd grondig op sporen van de oorspronkelijke – Almelo, Grote Kerk (1873, in de bestaande Hinsz-kast uit 1754; drie
aanleg van het binnenwerk onderzocht. manualen en pedaal, 35 registers; in 1959 afgebroken, maar er bleef
Ibach-materiaal bewaard);
Op basis van deze inventarisatie werden alle bewaardgebleven Ibach- – Aartswoud, Hervormde Kerk (1885; twee manualen en pedaal, 15
pijpen op hun oorspronkelijke plaats teruggezet, waar nodig verlengd registers; geplaatst door A.M.T. van Ingen; vrijwel ‘ongerept’).
en weer van Ibach-steminrichtingen voorzien.
Voor de volledig te reconstrueren orgeldelen (claviatuur, windladen, De hier genoemde Duitse en Nederlandse orgels verschaften, zowel
mechanieken en diverse registers) werd intensief literatuuronderzoek wat betreft de technische aanleg, de claviatuur als het pijpwerk vrijwel
gedaan en brachten de adviseurs het nog overgebleven werk van alle benodigde gegevens. Voor slechts enkele elementen (zoals speel-
Ibach (periode 1856-1885) in Nederland en Duitsland in kaart. ventielen, zwelkast en drie registers) zouden orgels van ‘naburige’ or-
In Duitsland bleek nog een aantal kleinere Ibach-orgels bewaard te gelmakers en natuurlijk de onvolprezen ‘Töpfer’ (zie de literatuurop-
zijn, zij het geen van alle in ongewijzigde staat. Onderzoek aan de or- gave) tot voorbeelden moeten dienen.
gels – alle in Evangelische Kirchen – te Halver (1856), Hückeswagen Men kan slechts diep ontzag hebben voor het minutieuze speurwerk
(1857), Fleckenberg (1865), Wichlinghausen (1867) en Roggendorf van de adviseurs en de orgelmaker, waardoor een wedergeboorte van
(1867) leverde belangrijke informatie op (nadere gegevens zijn door het Bergse Ibach-orgel mogelijk werd.
Rogér van Dijk gepubliceerd in de – in het eerste deel van dit artikel Laten we de werkzaamheden per orgeldeel samenvatten.
kort besproken – monografie Een magtig Toonwerk). Het betreft hier
instrumenten die qua bouwjaar dicht in de buurt van het Bergse orgel ORGELKAST EN CLAVIATUUR
liggen. Deze orgels ‘verschaften’ belangrijke informatie over Ibachs Van meet af aan was duidelijk dat de orgelkast in zijn ‘verondiepte’
bouwwijze, ook over de makelij en de steminrichtingen van het pijp- vorm moest worden gehandhaafd. Wel werd de orgeltribune verste-
werk; in het orgel te Wichlinghausen kon bovendien in verschillende vigd (het Ibach-concept was nu eenmaal ‘gewichtiger’ dan de toe-
registers de intonatie-techniek van Ibach (met onder meer kleine stand-1915) en werd de trapopgang naar de rechterzijkant verplaatst
kernsteekjes) goed worden bestudeerd. (om binnen de ‘ingeperkte’ kastdiepte toch voldoende plaatsruimte te
scheppen voor het pedaalwerk).
De naam Ibach is op verschillende wijzen verbonden met de Neder-
landse orgelhistorie. De firma heeft diverse nieuwe orgels in Neder- De orgelkast werd waar nodig hersteld en gecompleteerd. De be-
land gebouwd. Met name tussen 1858 en 1873 geschiedde dat op ba- staande waslaag van de kast werd behoedzaam opgewreven. De ver-
sis van rechtstreekse contacten met de opdrachtgevers. dwenen kastdelen rond de claviatuur werden daarbij passend ‘herin-
Vanaf 1874 werd de firma in Nederland vertegenwoordigd door Adri- gevuld’. De frontpijpen – de grootste zijn van zink met een tinlaag
anus M.T. van Ingen (de voortzetter van de orgelmakerij Knipscheer); aan de voorzijde, de kleinere zijn van orgelmetaal – waren op enig
tussen 1881 en 1885 zijn diverse Ibach-orgels in Nederland geplaatst moment van een aluminiumverflaag voorzien. Voorzichtige afwassen
7HET ORGEL 2013 | nummer 3
daarvan bleek voldoende (de pijpen tonen thans een prachtig ‘belegen’ trede naar beneden te bewegen wordt zij geleidelijk geopend en door
patina), zodat slechts de labia opnieuw verguld behoefden te worden. ‘inhaken’ wordt zij in geopende toestand vastgezet. Helaas dient de
organist de trede – in tegenstelling tot de historische voorbeelden –
De claviatuur diende – met uitzondering van de schitterende orgel- naar binnen in te haken. Dat is bovendien ergonomisch onhandig. Dit
bank – integraal gereconstrueerd te worden. Voor de klavieren, de detail heeft nog de aandacht van de orgelmaker. Voor het overige is de
bakstukken en de registerbeschrifting dienden die te Hückeswagen als claviatuur prachtig gemaakt en zeer ‘organistvriendelijk’.
voorbeeld. De ordening van de registerknoppen in verticale rijen ter
weerszijden van de manualen, zoals zichtbaar op een fronttekening op WINDVOORZIENING
het ingebruiknemingsprogramma van 27-01-1864, werd als uitgangs- Van de Ibach-windvoorziening bleven de hoofdmagazijnbalg en twee
punt genomen en in analogie met de windladenopstelling ‘ingevuld’. regulateurbalgen (ook uitgevoerd als dubbelvouwige magazijnbalgen)
De spelling van de registernamen werd aan het keuringsrapport ont- bewaard. Deze delen waren reeds in 1988 gerestaureerd. Oorspron-
leend; deze wijkt hier en daar af van die in het ingebruiknemingspro- kelijk waren er – zo blijkt uit het ingebruiknemingsprogramma – vijf
gramma. regulateurbalgen, zonder twijfel één voor iedere windlade (het Pedaal
De trede voor de crescendokast werd uitgevoerd naar ‘contemporai- was op twee windladen opgesteld; zie onder). Deze situatie werd in ere
ne’ Duitse voorbeelden. In ‘ruststand’ (boven) is de kast dicht, door de hersteld. De windkanalisatie werd waar nodig vernieuwd op basis van
Dispositie van het Ibach-orgel in de St.-Gertrudiskerk te Bergen op Zoom
I Manual (C-g3) C-d’ in het front; C-f zink; C-fis3 1864
Principal 16 Fuss C-H gecombineerd met de Principal 16; g-fis1 1864
Quintatön 16 Fuss C-D en Fis-f in het front; C-F zink; C-fis3 1864
Principal 8 Fuss C-e’’ hout, vervolg metaal; C-fis3 1864
Grossgedakt 8 Fuss C-H gecombineerd met de Grossgedakt 8’; nieuw naar voorbeeld Aartswoud
Gemshorn 8 Fuss E-Gis en fis-g 1864
Viola di Gamba 8 Fuss C-f3 1864
Octav 4 Fuss C-F zink; fis2-fis3 1864; gecompleteerd naar voorbeeld Wichlinghausen
Hohlflaut 4 Fuss C-Dis, F-d3 en e3-f3 1864
Quint 22/3 Fuss C-fis3 1864
Octav 2 Fuss deels 1864, samenstelling gereconstrueerd. Samenstelling:
Scharff 5 fach
C 2 11/3 1 4/5 2/3
c1 4 22/3 2 13/5 11/3
c2 4 31/5 22/3 2 11/3
c3 8 51/3 4 31/5 22/3
Cornett 4 fach vanaf g; nieuw naar voorbeeld Deventer. Samenstelling:
g 4 22/3 2 13/5
Fagott 16 Fuss nieuw naar voorbeeld Deventer. C-H eiken stevels en ahorn koppen, vervolg metalen stevels en kop-
pen; messing traankelen en trechtervormige metalen bekers
Trompete 8 Fuss nieuw naar voorbeeld Deventer. Metalen stevels, koppen en bekers; messing scheepjeskelen
II Manual (C-g3) hout; c-d2 en f2-f31864
Bordun 16 Fuss C-dis in het front; C-Fis zink; C-fis3 1864
Principal 8 Fuss C-f hout; fis-g3 1864
Rohrflaut 8 Fuss C-G gecombineerd met de Principal 8’; nieuw naar voorbeeld Deventer
Bassethorn 8 Fuss negen pijpen 1864
Octav 4 Fuss nieuw naar voorbeeld Aartswoud; gis2-e3 Ibach-pijpwerk uit Almelo
Flautdolce 4 Fuss C-d3 en e3-f3 1864
Flautino 2 Fuss geheel nieuw. Samenstelling:
Mixtur 3 fach
C 1 2/3 1/2
cl 2 11/3 1
c3 4 22/3 2
Fagot-Oboë 8 Fuss nieuw naar voorbeeld Wildervank. Metalen stevels, koppen en bekers; C-h messing traankelen,
enge trechtervormige bekers met deksel; vervolg open snavelkelen, dubbelconus-bekers met
deksels
8 HET ORGEL 2013 | nummer 3
hetgeen nog zichtbaar was van de originele maatvoeringen en van de eveneens chromatische indeling. Van de oorspronkelijke crescendo-
bewaard gebleven Ibach-windvoorzieningen te Halver en Deventer. kast waren geen sporen meer aanwezig. Naar ‘contemporaine’ voor-
Ibach was kennelijk geen ‘liefhebber’ van tremulanten; ook dit aspect beelden is een eenvoudige kast met jaloezieën aan de voor- en de bo-
is gerespecteerd. venzijde vervaardigd.
Doordat de bestaande (gereduceerde) kastdiepte moest worden
WERKENOPSTELLING EN WINDLADEN gehandhaafd, was het niet mogelijk om de oorspronkelijke – meer
De Ibach-windladen waren in 1915 integraal verwijderd. Bovendien plaatsruimte vergende – opstelling van het Pedaal, op twee chroma-
was de opstelling van de werken – mede door de reductie van het tisch ingedeelde laden, wederom aan te brengen. Die opstelling be-
aantal manuaalwerken van drie naar twee – gewijzigd. helsde trouwens een niet meer exact vaststelbare Ibach-variant van
Maar in de orgelkast was de oorspronkelijke opstelling van Manuaal een lade voor de ‘jeux de fonds’ en een voor de ‘jeux de combinaison’.
I en II nog duidelijk terug te vinden, met name aan de hand van be- De orgelkast heeft, net als in de oorspronkelijke situatie, geen ach-
waard gebleven regelwerk: naast elkaar gepositioneerd op chroma- terwand, maar staat tegen de torenwand. In een nis in die torenwand
tisch ingedeelde windladen. Deze opstelling werd in ere hersteld. konden precies een C- en een Cis-lade voor het Pedaal (met een om-
Het ‘bovenwerkgedeelte’ van het front gaf aan dat de windlade van vang van C-d’) worden aangebracht. Vanwege de beperkte hoogte
Manuaal III dwars geplaatst moest zijn geweest, met een zonder twijfel van die nis werden het groot octaaf van de Principal 16’ en de Violon-
III Manual (C-g3) B en d-dis1 1864
Salicional 8 Fuss vanaf c; h-f3 1864
Flaut-Angelika 8 Fuss nieuw naar voorbeeld Dolce 4’ te Fleckenberg; f1-g3 Ibach-pijpwerk uit Almelo
Dolce 8 Fuss C-H hout; C-B 1864, vervolg nieuw naar voorbeeld Fleckenberg
Quintatön 8 Fuss nieuw naar voorbeeld Heddinghausen (Randebrock)
Flaut-travers 4 Fuss nieuw naar voorbeeld Fugara 4’ te Wichlinghausen
Viola 4 Fuss drie pijpen 1864
Flageolet 2 Fuss C-c3 met doorslaande tongen, vervolg labiaal. C-f3 Van Oeckelen 1864, gewijzigd door van Dam
Euphone 8 Fuss 1916. Trechtervormige bekers
Pedal (C-d1) hout; C-cis1 1864
Principal 16 Fuss hout; C-cis1 1864
Subbass 16 Fuss hout; f-h 1864
Violonbass 16 Fuss hout; C-H 1864
Octavbass 8 Fuss C-H zink; dubbele labia; nieuw
Jubal 8 Fuss hout; nieuw, conform de Subbas 16’
Gedacktbass 8 Fuss
C-H zink; conform de Octavbass 4’
Quintbass 51/3 Fuss C-F zink; Fis-f 1864
Octavbass 4 Fuss nieuw naar voorbeeld Deventer. Zinken stevels, ahorn koppen, beleerde loden kelen, grenen bekers
Posaunenbass 16 Fuss nieuw naar voorbeeld Deventer. Metalen stevels, koppen en bekers; messing scheepjeskelen
Trompetenbass 8 Fuss nieuw naar voorbeeld Deventer. Metalen stevels, koppen en bekers; messing scheepjeskelen
Claironbass 4 Fuss
Werktuiglijke registers
Coppel I & II Manual
Coppel II & III Manual
Coppel Pedal & I Manual
Sperrventil I Manual
Sperrventil II Manual
Sperrventil III Manual
Pedal Forte
Ventil
Calcantenglocke
Tacet
Crescendo III Manual (trede)
Windvoorziening: magazijnbalg (1864) met vijf regulateurbalgen (waarvan twee uit 1864).
Winddrukken: manualen 80 mm Wk, pedaal 90 mm Wk
Stemtoonhoogte: a1 = 440 Hz bij 16°C (1864)
Stemmingssysteem: evenredig zwevend
9HET ORGEL 2013 | nummer 3
Ventielen Manuaal I met aan de onderzijde de voorventielen
Foto: Peter van Dijk
bass 16’ elders in de kast op hulpladen geplaatst. materiaalkeuze. Op basis van deze uitgangspunten en van de werken-
De windladen zijn gemaakt naar het voorbeeld van de authentieke opstelling in Bergen op Zoom ontwierp en vervaardigde Verschue-
Ibach-exemplaren in Halver en Deventer. ren nieuwe tracturen. Deze functioneren zeer betrouwbaar en de
De pedaalkoppel is als zogenoemde ventielkoppel geconstrueerd; bij speelaard is aangenaam licht en toch exact.
inschakeling ervan ‘bedienen’ de pedaaltoetsen eigen ventielen in de
pedaalladen. PIJPWERK
Er werden wederom afsluiters aangebracht voor de manualen, naar Van 22 registers was voldoende Ibach-pijpwerk bewaard gebleven om
eigen ontwerp van Verschueren omdat er geen Ibach-voorbeelden ze – na terugplaatsing op hun oorspronkelijke ‘stek’ – volledig verant-
meer voorhanden zijn. Het Pedaal – waar vanwege de gewijzigde woord aan te kunnen vullen. Daaronder ook de Scharff van Manuaal I;
laden-opstelling de twee Ibachse afsluiters niet konden worden gere- aan de hand van de toetsinscripties (slagletters) op de bewaard geble-
construeerd – kreeg een afsluiter voor de ‘forte’-registers; de labiale ven pijpen kon de oorspronkelijke samenstelling – met een tertskoor
‘16-voeten’ en de Gedaktbass 8’ zijn niet gezamenlijk middels een af- – volledig worden teruggevonden. Naar toenmalig ‘Midden-Duits’
sluiter in- en uitschakelbaar. gebruik werd de Mixtur van Manuaal II niet van een tertskoor voor-
zien. Deze werd, conform de vermelding in het ingebruiknemings-
De ventielen van Manuaal I en van het groot octaaf van Manuaal II programma van 1864 vanuit eenvoets ligging geconcipieerd. Voor de
zijn van zogenoemde voorventielen voorzien. Eerst wordt het (klei- mensuratie van dit geheel nieuwe register en voor die van de eveneens
nere) voorventiel geopend en onmiddellijk, onhoorbaar kort daarna nieuwe Gedaktbass 8’ en Quintbass 51/3’ konden voldoende aankno-
het hoofdventiel. Daardoor wordt de windopzet van het hoofdventiel pingspunten worden gevonden bij bewaard gebleven Ibach-pijpwerk
verkleind en derhalve de toetsdruk voor de organist ‘verlicht’. Een in het Bergse orgel.
zowel in Duitsland als Nederland in de negentiende eeuw herhaalde- Voor de reconstructie van de fragmentarisch bewaard gebleven en
lijk toegepast principe. Uiteraard luistert de afregeling zeer nauw. Niet de overige geheel verdwenen registers konden, op drie na, passende
zelden letterlijk, want bij een – voor het controleren van de aan- en Ibach-voorbeelden worden gevonden: in Fleckenberg (1865), Wich-
afspraak van de toon zeer wezenlijk – ‘passief’ vingercontact met de linghausen (1867), Wildervank (1867), Deventer (1868) en Aarts-
toets gaan menigmaal de voorventielen al open, met als gevolg zachte woud (1885). In twee van die registers kon worden gebruikgemaakt
‘huilingen’. In Bergen op Zoom – gelukkig! – niet, en dat is een groot van bewaard gebleven Ibach-pijpwerk uit Almelo (1873; ter beschik-
compliment aan Verschueren. Bij het Ibach-orgel in Halver worden de king gesteld door Flentrop Orgelbouw).
in 1996 verwijderde voorventielen ‘los’ bewaard en in de hoofdwerk- Van drie registers – de Flaut-travers 4’ en de (doorslaande) Cromorne
lade van het Friedrich Meyer-orgel (1872) in de rooms-katholieke St.- (Euphone) 8’ van Manuaal III, alsmede de Jubal 8’ van het Pedaal –
Josephkerk te Utrecht is deze aanleg nog volledig aanwezig, hetgeen bleken geen Ibach-voorbeelden meer voorhanden te zijn. De Flaut-
een reconstructie in Bergen op Zoom mogelijk maakte. travers 4’ werd ontleend aan die van het Randebrock-orgel (1864) te
Heddinghausen.
MECHANIEKEN Voor het kiezen van een ‘zacht’ doorslaand tongwerk op Manuaal III
Voor de aanleg van de toets- en registermechanieken – zowel in Ber- is, dankzij de bereidwillige medewerking van verschillende collega-
gen op Zoom als in Deventer zijn de oorspronkelijke tracturen im- orgelmakers, een uitvoerige proefneming gedaan in het Bergse orgel
mers verdwenen – konden de orgels te Halver en Hückeswagen tot met diverse bestaande exemplaren van uiteenlopende herkomst. Dit
voorbeeld dienen, met name wat betreft constructieve principes en ‘concours’ werd ‘gewonnen’ door de C(h)alcodion 8’ die Petrus van
1 0 HET ORGEL 2013 | nummer 3
Oeckelen in 1864 voor het rugpositief van het Hinsz-orgel (1776) in labiale achtvoet op het Pedaal. Vanwege de uitspraakmogelijkheden
de Grote Kerk te Harlingen had vervaardigd. Dit register bleek bo- voor de dubbele labia werd het register op verhoogde pijpstokken ge-
vendien, door de reconstructie van de oorspronkelijke toestand van plaatst. Het resultaat is een fraai belijnde en heldere fluitklank, een
dit instrument, beschikbaar. Ze is als Euphone 8’ een tweede leven in duidelijke meerwaarde voor het labiale pedaalfundament.
Bergen op Zoom begonnen en voelt zich daar ‘zo te horen’ uitstekend
thuis. Wat de intonatie van de labiale registers betreft werden de (grove)
Van het register Jubal 8’ waren aanvankelijk slechts beschrijvingen kernsteken uit 1915 noodgedwongen gehandhaafd. Verwijderen er-
bekend, samen te vatten als: een ‘intensief’ klinkend fluitregister met van zou zonder enige twijfel een ongewenste klinkende variant van
dubbele labia. Omdat dit een nogal ‘magere’ basis voor een recon- het ‘kind-en-badwater’-gezegde hebben opgeleverd. De intonatie van
structie was, werd in eerste instantie besloten dit register niet te re- het nieuwe labiale pijpwerk werd geënt op de werkwijze van Ibach
construeren, maar in plaats daarvan Manuaal I uit te breiden met een (met fijne kernsteekjes). Desondanks presenteert het klankbeeld zich
Fagott 16’ (naar analogie van het Ibach-orgel te Deventer). als een volstrekt overuigende eenheid, ook al kan worden vermoed
Dit besluit is gehandhaafd voor wat betreft de uitbreiding met een – dat met name de bewaard gebleven prestantregisters oorspronkelijk
uiteraard aan die te Deventer ontleende – Fagott, maar de vondst van een iets ‘snijdender’ aanspraak hebben gehad.
een fragment van een Jubal-register bij de restanten van het in 1979 De vijf grotendeels bewaard gebleven Ibach-tongwerken in Deventer
afgebroken Sonreck-orgel (1875) uit de Propsteikirche te Kempen waren maatgevend voor de Bergse reconstructie van de lingualen op
maakte ook een klankvoorstelling mogelijk. Nadat de orgelmaker, uit- Manuaal I en Pedaal, zowel wat betreft factuur, mensuratie als klank-
gaande van de mensuratie van de Flaut-Angelika 8’ (Manuaal III), een geving. De Fagot-Oboë 8’ van Manuaal II werd ontleend aan die te
aantal ‘succesvolle’ proefpijpen had gemaakt, kon worden besloten Wildervank. De Deventer en Wildervankse tongwerkenensembles to-
de Jubal 8’ toch ook te reconstrueren, als een zeer wenselijke derde nen een opmerkelijke gevarieerde factuur.
De grootste pijpen van de Principalbaß zijn voorzien van een demontabel labium. Detail van een pijp van de Posaunenbass 16’. Bijzonder is de beleerde loden keel en
Foto uit Een magtig Toonwerk (Bergen op Zoom 2011) de gedraaide kop van ahornhout. Foto uit Een magtig Toonwerk (Bergen op Zoom 2011)
1 1HET ORGEL 2013 | nummer 3
Te koop: Mechanisch 2-klaviersorgel
met vrij pedaal
Dispositie: Huidige vraagprijs:
€ 30.000
Hoofdwerk: (C-f3)
• Roerfluit 8 ‘
• Prestant 4 ‘
• Mixtuur 3 sterk
Nevenwerk: (C-f3)
• Gedekt 8 ‘
• Roerfluit 4 ‘
• Nasard 2 2/3 ‘
Pedaal (C-f1)
• Bourdon 16 ‘
Afmetingen: Kerkcentrum de Triangel
• Hoogte: 404 cm Parkwijklaan 5, 1326 AX Almere
• Breedte: 236 cm
• Diepte: 150 cm 036 - 537 24 90
(incl. pedaal) [email protected]
Het instrument valt nog
binnen de garantie.
Binnenkort komt beschikbaar:
Het Flentroporgel (1961, mechanisch) van de Vijverwegkerk in Bloemendaal.
Het instrument bevat 26 sprekende stemmen en verkeert in uitstekende staat van onderhoud.
DISPOSITIE
Hoofdwerk Rugwerk Pedaal
Quintadena 16’ Holpijp 8’ Subbas 16’
Prestant 8’ Quintadena 8’ Gedekt 8’
Roerfluit 8’ Prestant 4’ Octaafbas 8’
Spitsgamba 8’ Roerfluit 4’ Octaaf 4’
Octaaf 4’ Gemshoorn 2’ Mixtuur 5 sterk
Fluit 4’ Quint 1 1/3’ Fagot 16’
Quint 2 2/3’ Scherp 3 sterk Schalmei 4’
Octaaf 2’ Sesquialter 2 sterk
Mixtuur 5-6 sterk Kromhoorn 8’
Trompet 8’ Tremulant
Belangstellenden kunnen contact opnemen met H.L.Schippers,
telefoon 023 - 5277101;
email: [email protected]
1 2 HET ORGEL 2013 | nummer 3
Rogér van Dijk en Jan Jongepier (Beiträge zur Geschichte und Heimatkunde des Wuppertals Band 28).
Joachim Dorfmüller, ‘Een Nederlander in het dal van de Wupper – Leven
BESLUIT en werk van Jan Albertus van Eijken’, de Mixtuur, 31 (juni 1980) 2-8.
Dankzij deze minutieus voorbereide en uitgevoerde restauratie is niet Peter van Dijk, ‘Het historische orgel in Nederland 1815-1870’, in: Het
alleen Nederlands grootste Ibach-orgel herboren, maar is ook een be- Historische Orgel in Nederland 1840-1849 (Amsterdam 2002) 7-39.
langrijke mijlpaal gezet in de omgang met ons negentiende-eeuwse Peter van Dijk, ‘Die Nikolai-Orgel im europäischen Perspektiv’, in: Die
orgelbezit. Door de zo getrouw mogelijke reconstructie (zonder ‘aan- Buchholz-Orgel in St. Nikolai zu Stralsund: Festschrift zur Wiedereinwei-
passinkjes’ terwille van een – vermeend – groter scala aan orgellitera- hung im Oktober 2006 (Stralsund 2006).
tuur) kunnen organisten anno nu zich inleven in de klankenwereld van Rogér van Dijk, Ton van Eck, Het Friedrich Meyer-orgel in de Rooms-katho-
waaruit Duitse midden-negentiende-eeuwse componisten hun orgel- lieke kerk van de Heilige Joseph in Utrecht (Utrecht 2010).
werken schreven. En dat is van vitaal belang bij het uitvoeren van die Ton van Eck, ‘Vernieuwingen in de orgelbouw’, in: Het Historische Orgel in
werken in de geest van hun componisten. Nederland 1865-1872 (Amsterdam 2004) 7-37.
De unieke klanken van het Ibach-orgel inspireren daarnaast ook bij Het Historische Orgel in Nederland. 15 delen (Amsterdam 1997-2010). In
het uitvoeren van achttiende-eeuwse of twintigste- en eenentwin- het bijzonder de beschrijving van het Ibach-orgel te Bergen op Zoom in
tigste-eeuwse muziek. Janno den Engelsman laat dat op zijn cd (zie deel 1858-1865 (Amsterdam 2003) 298-303.
Literatuur en bronnen) overtuigend horen in Bachs Passacaglia (met Édouard G.J. Gregoir, Historique de la facture et des facteurs d’orgues avec
registraties geïnspireerd door een uitgave van dit werk door J.G. Töp- la Bibliographie Musicale (Antwerpen 1865, facsimile-editie: Amsterdam
fer) en Daan Manneke’s Spatium (2010). Unieke klanken blijken altijd 1972, bezorgd door Ghislain Potvlieghe).
weer nieuwe ‘vergezichten’ te openen. [Z.a.], Instrumenten in de Sint Gertrudiskerk Bergen op Zoom ([Bergen op
Jan Jongepier – die door zijn overlijden in 2011 helaas de voltooïng Zoom 1988).
van dit project niet meer heeft mogen meemaken – schreef in 2005: Frans Jespers, ‘C.J. Rogier, maker van orgels en kerkelijke meubelementen’,
‘Het zal een een instrument van een vorstelijke allure en uniek voor de Mixtuur 30 (februari 1980) 754-771; met een aanvulling in: De Mixtuur 31
Europa zijn.’ Deze profetische woorden zijn volstrekt bewaarheid! (juni 1980) 8.
Frans Jespers, Repertorium van orgels en orgelmakers in Noord-Brabant tot
LITERATUUR EN BRONNEN omstreeks 1900 (‘s-Hertogenbosch 1983).
F. Jespers, ‘Orgelberichten uit ‘De Godsdienstvriend’’, de Mixtuur 45 (april
Giesela Beer, Orgelbau Ibach Barmen 1794-1904. Keulen 1975 (Beiträge 1984) 587-596.
zur Rheinischen Musikgeschichte Band 107). Ewald Kooiman, ‘De Parijse orgelwereld omstreeks het midden van de 19e
Han Bos, De orgels van de Grote of Sint-Gertrudiskerk te Bergen op Zoom eeuw en Adolph Hesse (1844)’, Het Orgel 77/3 (maart 1981) 69-82.
(Elburg [1996]) (Publicatie no. 44 van de Stichting tot behoud van het Ne- M.H. Van ‘t Kruijs, Verzameling van Disposities der verschillende Orgels in
derlandse Orgel). Nederland (Rotterdam 1885, facsimile-editie Amsterdam 1962, bezorgd
Ad van den Bulck, Adriaan van Roode, Hans Smout, Willem Vermeulen, door Herman S.J. Zandt).
Frans Witjes (red.), Een magtig Toonwerk. Geschiedenis en restauratie van Arjen J. Looyenga, ‘Het Nederlandse orgelfront in de 19e eeuw’, in: Het
het Ibach-orgel te Bergen op Zoom (Bergen op Zoom 2011). Historische Orgel in Nederland 1872-1878 (Amsterdam 2005) 7-41.
Joachim Dorfmüller, 300 Jahre Orgelbau im Wuppertal (Wuppertal 1980) F.L. Schubert, Die Orgel, ihr Bau, ihre Geschichte und Behandlung (Leip-
zig 1867). Vertaling en eigen inleiding: J.G. Bastiaans, Het Orgel. Naar het
Hoogduitsch van F.L. Schubert (Haarlem 1868).
Achim Seip, ‘Die Dreymann-Orgeln der Stadt Brüssel’, in: Mededelingen
van het Centraal Orgelarchief 1985 Jubilee-book 1975-1983, 181-192.
Achim Seip, Die Orgelbauwerkstatt Dreymann in Mainz (Lauffen 1993).
Ad van Sleuwen en Peter Korz (ed.), Loret-symposium 22-23 september
1989 Reusel (‘s-Hertogenbosch 1989).
Johann Gottlob Töpfer, Lehrbuch der Orgelbaukunst; nach den besten Me-
thoden älterer und neuerer in ihrem Fach ausgezeichneter Orgelbaumeister
und nach mathematischen und physikalischen Gesetzen (Weimar 1855).
Internet en andere bronnen
Orgeldatabase Piet Bron: www.orgbase.nl (geraadpleegd op 10-01-2013).
Website: www.ibach.de (geraadpleegd op 10-01-2013).
Bergen op Zoom – NL – Grote of St.-Gertrudiskerk – Janno den Engelsman.
CD Tuliprecords.nl Ture 185010 (1912).
Aanvullende informatie van Han Bos (Bergen op Zoom), Rogér van Dijk
(De Bilt), Hans Smout (Bergen op Zoom) en Johan Zoutendijk (Verschue-
ren Orgelbouw), waarvoor hartelijk dank.
1 3HET ORGEL 2013 | nummer 3
De orgelkoraalkuns
Deel 2: Nun freut euch lieben Christen gmein (BWV 210)
Albert Clement In het vorige nummer van Het Orgel publiceerde ik het eerste deel van deze bijdrage over de
orgelkoraalkunst van Dieterich Buxtehude. Daarin werd een lans gebroken voor studie van de koraalteksten die
Buxtehude voor zijn orgelcomposities gebruikte.
In dit tweede deel zal ik zoals aangekondigd ingaan op zijn beroemde koraalfantasie Nun freut euch lieben Christen
gmein (BuxWV 210), die door Bach op jonge leeftijd werd gekopieerd. Twee in andere bronnen ontbrekende maten
blijken in de door Bach aangereikte bron wel te zijn overgeleverd.
NUN FREUT EUCH LIEBEN CHRISTEN GMEIN: DE COMPOSITIE op deze plaats zou ik eerst de structuur en andere kenmerken van
Dat deze compositie van Buxtehude een bijzondere plaats in zijn Buxtehudes compositie ter sprake willen brengen.
orgeloeuvre bezet, wist niet alleen de jonge Bach. Musicologen uit onze In de koraalfantasie Nun freut euch lieben Christen gmein (BuxWV 210)
tijd hebben zich er in zodanig lovende bewoordingen over uitgelaten kan op grond van wisselingen in textuur, motiefgebruik en metrum
dat aan de fantasie van de lezer weinig wordt overgelaten. Kerala een aantal secties worden onderscheiden. Diverse musicologen heb-
Snyder vermeldde het werk al in (de eerste editie van) haar befaamde ben een analyse van de compositie gepresenteerd waarin deze struc-
Buxtehude-monografie als diens ‘grandest chorale fantasia’.1) De tuur aan de orde komt.5) Indien we de te onderscheiden secties tot
organist Harald Vogel, die alle orgelwerken van Buxtehude op cd uitgangspunt van onze verkenningen nemen en deze in een overzicht
vastlegde, noemde deze koraalfantasie ‘a compendium of Northern van de compositie met vermelding van maatsoort, maten en koraal-
German organ style and the very summit of Hanseatic organ artistry’.2) regels opnemen, ontstaat het beeld zoals in figuur I is weergegeven.
Buxtehudes koraalfantasie is gebaseerd op een koraal waarvan de
betekenis binnen lutherse kring nauwelijks kan worden overschat. Sectie I, begin
Vanaf de zestiende eeuw hebben theologen het lied altijd hogelijk
gewaardeerd;3) dertig jaar geleden concludeerde de Zwitserse speci- Uit dit overzicht wordt duidelijk dat de koraalregels 1 en 2 opmerkelijk
alist Markus Jenny zelfs ‘Diese ist ohne Zweifel die originellste aller weinig aandacht krijgen. Zij klinken slechts eenmaal, beide sterk ge-
Liedschöpfungen Luthers.’4) Op het lied zal ik hieronder nader ingaan; ornamenteerd in de bovenstem, en na deze eerste 12,5 maten (sectie
1) Kerala J. Snyder, Dieterich Buxtehude. Organist in Lübeck (New York / London 5) Vgl. Snyder, Buxtehude, 259vv.
1987) 259.
2) Harald Vogel, Dietrich Buxtehude – Complete Organ Works [MDG 314 1438-2
(7 CDs)], booklet Compositions / Instruments 55.
3) Vgl. Eduard Emil Koch, Geschichte des Kirchenlieds und Kirchengesangs der
christlichen, insbesondere der deutschen evangelischen Kirche, Band VIII (Stuttgart
1876; Nachdruck Hildesheim / New York 1973) 3vv.
4) Markus Jenny, Luther, Zwingli, Calvin in ihren Liedern (Zürich 1983) 85.
1 4 HET ORGEL 2013 | nummer 3
DE MUZIEK
st van Buxtehude
I) dienen maar liefst nog ruim 243 maten te volgen. Dit is te meer Daarentegen treedt regel 3 in sectie II sterk op de voorgrond. Eerst
opmerkelijk indien men zich realiseert dat alle zeven koraalregels van klinkt deze regel duidelijk in de tenor, in halve noten (maat 13vv.) ge-
het originele lied exact dezelfde lengte hebben, met elk exact hetzelfde speeld door de linkerhand. Er volgen twee inzetten in de bovenstem,
aantal noten (8). Twee koraalregels uit een totaal van zeven zouden achtereenvolgens beginnend op g1 (maat 17vv.) en d2 (maat 24vv.), op
daarvan circa 28,5 procent uitmaken, maar in deze compositie houdt hun beurt gevolgd door twee verdere inzetten in de bas, beginnend op
Buxtehude zich met deze twee regels in slechts circa 5 procent van het d0 (maat 30vv.) en G (maat 39vv.).
totaal aantal maten bezig, wat een enorme reductie van hun belang
inhoudt. Sectie IIIa, begin
Sectie II
Sectie III valt in twee kleinere secties uiteen. In sectie IIIa (maat 45-
Figuur I. Overzicht van de structuur van Nun freut euch lieben Christen gmein (BuxWV 210)
Sectie maatsoort maten maataantal koraalfrase
1+2 [elk eenmaal]
I C 1-12.5 12.5 3 [vijfmaal]
4 [met uitputtende herhaling van de eerste
II 12.5-44 31.5
vier noten, geïncorporeerd in een motief]
IIIa/b 45-[69]-84.5 38.5 5 [vijfmaal]
5 [met intensieve herhaling van de eerste vier noten]
6 [manualiter gigue]
6 [tweemaal]
IV 84.5-110 25.5 7 [laatste 5 noten; zesmaal]
(7) [toonladders, echo’s, herhaalde motieven
V 3/2 111-132 22 [finale]
VI 12/8 133-150 18
VII C 151-168 18
VIII 169-195 27
IXa/b 196-240 45
X 3/4 241-258 18
1 5HET ORGEL 2013 | nummer 3
69), welke manualiter is geconcipieerd, worden de eerste vier noten sectie sluit af met een figuratie van de complete vierde koraalregel in
van koraalregel 4 geïncorporeerd in een motief dat – in combinatie de bovenstem, hoofdzakelijk ondersteund door akkoorden in de on-
met een consequent daarboven geplaatst contrasubject (met daarin derstemmen, waarin het pedaal nu terugkeert (maat 80-85).
een deels chromatisch dalende beweging) – in elke maat van deze sec-
tie in een concerterend echospel tussen rugwerk en hoofdwerk ver- Sectie IV, begin
schijnt (in totaal 22 maal) totdat uiteindelijk de complete koraalregel
in maat 67-69 klinkt.6)
Sectie IIIb, tweede helft
In sectie IIIb verschijnen de laatste vier noten meermalen onversierd, Een duidelijke verandering van affect treedt op in sectie IV (maat
gevolgd door een syncopisch echospel met de twee laatste noten (een 85vv.). Hierin treft men een duidelijk herkenbare vijfde regel aan, wel-
stijgende secunde vormend) van deze koraalregel (maat 74-79); de ke vijfmaal in een beweging van halven wordt gepresenteerd – zoals
koraalregel 3 in sectie II – met inzetten die afwisselend starten op g en
6) Hier dient te worden opgemerkt dat de telling van de maten in de meeste d. Na het uitbundige karakter van sectie III, met de vele herhalingen,
edities onjuist is en ten onrechte leidt tot een werk van slechts 256 (i.p.v. 258) syncopen en beweging in zestienden, weet de luisteraar zich nu ge-
maten. Ook in latere analyses is van dit onjuiste aantal maten uitgegaan. Deze confronteerd met rustig dalende lijnen in de begeleidende stemmen,
fout gaat terug op een door uitgevers abusievelijk gemaakte ‘correctie’ van het consequent in achtsten geschreven en voorzien van vele parallelle
handschrift van J.G. Walther, waarin de maten 63 en 64 herhaald worden: dit tertsen en sexten. Het karakter is geheel anders dan dat van de vorige
gegeven werd door hen als vergissing beschouwd en de twee maten werden sectie(s): hier is sprake van een zeer gelijkmatige, vloeiende en rustige
derhalve door hen geschrapt. In werkelijkheid betreft het hier evenwel de textuur.
muzikale voorbereiding van de afsluiting van het langdurige echospel uit deze Niet onopgemerkt mag blijven dat de eerste vier noten en de tweede
sectie. Het in 2006 teruggevonden handschrift van de jonge Bach laat zien dat hij vier noten van deze koraalregel door Buxtehude ritmisch identiek zijn
dit beter heeft begrepen dan latere uitgevers van dit werk. gemaakt: in beide helften van de regel hebben de tweede en derde
noot het ritme ‘lang – kort’.
1 6 HET ORGEL 2013 | nummer 3
Sectie V Sectie VIII bevat een karakteristieke, dalende chromatische lijn (de
zogeheten passus duriusculus) die in alle stemmen optreedt en door-
gaans wordt gevolgd door de laatste vijf noten van koraalregel 7 in een
andere stem, maar soms ook tegelijkertijd klinkend (maat 185-188).
Sectie IX
Sectie V staat in 3/2-maat. Tertsen en sexten spelen opnieuw een be- In sectie IX is de laatste koraalregel niet meer als entiteit aanwezig.
langrijke rol, maar deze sectie heeft hoofdzakelijk akkoorden in de la- Na de eerste twaalf maten volgt een manualiter gedeelte waarin een
gere stemmen – alleen de bovenstem bevat in enkele maten achtsten. motief in achtsten, afgeleid van de eerste drie noten van koraalregel 7,
De eerste vier noten van koraalregel 5 worden gepresenteerd als een gevolgd door een rust, in parallelle tertsen in de bovenstemmen tegen-
motief dat de gehele sectie domineert. Het klinkt als zodanig in alle over stijgende toonladderfiguren in zestienden in de onderstem wordt
stemmen; alleen in de bovenstem is dit motief veelal geornamenteerd. gesteld. Rechter- en linkerhand wisselen elkaar constant af op rug- en
Het affect van deze sectie is – mede ten gevolge van de veelvuldig hoofdwerk, zodat opnieuw een ‘echospel’ optreedt.7) Vanaf maat 222
optredende stijgende kwart, het majeurkarakter en het gebruik van de verandert de sfeer geleidelijk: het dalende motief uit de bovenstemmen
exclamatio als retorische figuur – duidelijk vreugdevol. wordt afgelost door stijgende motiviek tegenover zestienden die nu
dalen en in maat 231 keert het pedaal terug, gevolgd door een fees-
Sectie VI, begin telijk klinkende guirlande van zestienden in de bovenstem vanaf maat
235, waardoor een affect van vreugde wordt bereikt.
Sectie VI is in 12/8-maat geschreven. Het is een manualiter gigue
waarin driemaal drie fugatische inzetten aanwezig zijn, gebaseerd op Sectie X
koraalregel 6. De laatste inzet in de bovenstem besluit met de (in ge-
punteerde achtsten) duidelijk klinkende laatste vijf noten van koraal-
regel 6.
Sectie VII, begin
In sectie VII, gecomponeerd in 4/4-maat, weerklinkt koraalregel 6 De finale in 3/4-maat vervolgt niet alleen in deze sfeer, maar versterkt
(met gealtereerde tweede noot) in het pedaal terwijl de bovenstemmen het vreugdevol karakter uit de voorafgaande maten ook aanzienlijk
de manuaalwisselingen en echospel – beide opnieuw geïntroduceerd door de vele tertsen en kwarten in de melodische lijnen, verwijzingen
in sectie VI – vervolgen. naar de laatste vijf noten uit koraalregel 7, een duidelijk geprononceerd
fanfare-motief in het pedaal en een excursie naar het – met name in
Sectie VIII, fragment ongelijkzwevende stemming – stralende C majeur in maat 242vv. al-
vorens in maat 253 de tonica G te bereiken.
7) De herhaling wordt gespeeld op het hoofdwerk, evenals in sectie IIIa, zodat qua
sterkte de facto eerder van een bekrachtiging dan een echo sprake is, al staat het
Rückpositiv van het Noord-Duitse ‘Werkprinzip’ bekend om een sterke, heldere en
penetrante klank.
1 7HET ORGEL 2013 | nummer 3
1. Nun freut euch, lieben Christen gmein, NUN FREUT EUCH LIEBEN CHRISTEN GMEIN: HET KORAAL
Und laßt uns fröhlich springen, In de moderne literatuur is gesuggereerd dat de melodie van het koraal
Daß wir getrost und all in ein in feite zou zijn afgeleid van een reeds bestaande melodie,8) maar deze
Mit Lust und Liebe singen, opvatting is gebleken onjuist te zijn. Martin Luther zelf moet worden
Was Gott an uns gewendet hat beschouwd als de schepper van deze melodie, die – overeenkomstig het
Und seine süße Wundertat. persoonlijk karakter van de liedtekst (zie onder) – het karakter van een
Gar teur hat ers erworben. sololied heeft. Het kerklied werd al spoedig zeer populair als gemeente-
lied en werd nog tijdens Luthers leven met niet minder dan drie andere
2. Dem Teufel ich gefangen lag, wijzen gepubliceerd – sommige van de hand van Luther zelf omdat hij
Im Tod war ich verloren. deze meer geschikt achtte voor gemeentezang.9) Maar uiteindelijk was
Mein Sünd mich quälet Nacht und Tag, het de oorspronkelijke wijs die het sterkst met het lied verbonden bleef;
Darin ich war geboren. het was ook deze melodie die Buxtehude in zijn koraalfantasie gebruikte.
Ich fiel auch immer tiefer drein, Hieronder volgt deze in de versie volgens de eerste gedrukte bron, een
Es war kein Guts am Leben mein. Liedblatt uit 1524.10)
Die Sünd hat mich besessen.
‘Nun freut euch lieben Christen gmein’, ooit treffend beschreven als ‘die
3. Mein gute Werk, die galten nicht, erste Blüte im evangelischen Liedergarten’,11) lag ook Luther zelf na aan
Es war mit ihn verdorben. het hart en kan niet anders beschouwd worden dan als diens hoogst
Der frei Will hasset Gotts Gericht, persoonlijke, poëtisch vervatte geloofsbelijdenis.12) De tekst staat in een
Er war zum Gut erstorben. apart kader hiernaast afgedrukt.13)
Die Angst mich zu verzweifeln treib,
Daß nichts denn Sterben bei mir bleib. In 1533 werd het koraal als gemeentelied gepubliceerd en bij deze gele-
Zur Höllen mußt ich sinken. genheid verscheen het met het volgende opschrift:14) ‘Ein fein geistlich
Lied, wie der Sünder zur Gnade kommt.’ De kerngedachte van Luthers
4. Da jammert Gott in Ewigkeit lied keert constant terug in zijn werk. Zo schrijft de reformator in de
Mein Elend übermaßen, ‘Vorrhede’ van de bekende bundel Geystliche Lieder (Leipzig 1545) die
Er dacht an sein Barmherzigkeit, als Das Babstsche Gesangbuch bekend is geworden:15)
Er wollt mir helfen lassen.
Er wandt zu mir das Vaterherz, 8) Vgl. Snyder, Buxtehude, 261, en Markus Jenny, Luthers Geistliche Lieder und
Es war bei ihm fürwahr kein Scherz, Kirchengesänge. Vollständige Neuedition in Ergänzung zu Band 35 der Weimarer
Er ließ sein Bestes kosten. Ausgabe [= Archiv zur Weimarer Ausgabe der Werke Martin Luthers, Band 4]
(Köln / Wien 1985) 56.
5. Er sprach zu seinem lieben Sohn: 9) Vgl. Jenny, Luthers Geistliche Lieder, 56-58.
Die Zeit ist hie zurbarmen, 10) Jenny, Luthers Geistliche Lieder, 154.
Fahr hin, meins Herzens werte Kron, 11) Zie Koch, Geschichte des Kirchenlieds VIII, 3.
Und sei das Heil der Armen, 12) Vgl. Jenny, Luthers Geistliche Lieder, 57; Johannes Kulp, Die Lieder unserer
Und hilf ihm aus der Sünden Not. Kirche. Eine Handreichung zum Evangelischen Kirchengesangbuch [= Handbuch
Erwürg für ihn den bittern Tod, zum Evangelischen Kirchengesangbuch, Sonderband] 368.
Und laß ihn mit dir leben. 13) Ik geef deze hier ter wille van de leesbaarheid weer in moderne spelling zoals
deze bijv. te vinden is in Jenny, Luther, Zwingli, 83vv.; zie voor de oorspronkelijke
6. Der Sohn dem Vater ghorsam ward, schrijfwijze Jenny, Luthers Geistliche Lieder, 154-157.
Er kam zu mir auf Erden 14) Jenny, Luther, Zwingli,155.
Von einer Jungfrau rein und zart. 15) Ter wille van de leesbaarheid geef ik de tekst hier in hedendaags Duits weer.
Er sollt mein Bruder werden. Zie voor de originele schrijfwijze bijvoorbeeld de facsimile-editie Das Babstsche
Gar heimlich führt er sein Gewalt,
Er ging in meiner armen Gstalt,
Den Teufel wollt er fangen.
7. Er sprach zu mir: ‘Halt dich an mich,
Es soll dir jetzt gelingen.
Ich geb mich selber ganz für dich,
Da will ich für dich ringen;
Denn ich bin dein und du bist mein,
Und wo ich bleib, da sollst du sein,
Uns soll der Feind nicht scheiden.
8. Vergießen wird er mir mein Blut,
Dazu mein Leben rauben,
Das leid ich alles dir zu gut,
Das halt mit festem Glauben.
Den Tod verschlingt das Leben mein,
Mein Unschuld trägt die Sünde dein,
Da bist Du selig worden.
9. Gen Himmel zu dem Vater mein
Fahr ich von diesem Leben.
Da will ich sein der Meister dein.
Den Geist will ich dir geben,
Der dich in Trübnis trösten soll
Und lernen mich erkennen wohl
Und in der Wahrheit leiten.
10.Was ich getan hab und gelehrt,
Das sollst du tun und lehren,
Damit das Reich Gottes werd gemehrt
Zu Lob und seinen Ehren.
Und hüt dich vor der Menschen Satz,
Davon verdirbt der edle Schatz,
Das laß ich dir zu Letze.
1 8 HET ORGEL 2013 | nummer 3
Maarten Luther begeleidt op de luit de zang van twee van zijn kinderen, reikte argumenten blijken evenwel gering in aantal en om meer redenen
waarvan één een liedboekje in de hand houdt. Het tafereeltje maakt onderdeel niet overtuigend.17) Daarnaast blijven vele specifieke kenmerken van dit
uit van het standbeeld dat in 1882 door Rudolf Siemering ontworpen werd en werk onbesproken. Zou het kunnen dat dat Buxtehude niet in de eerste
op het marktplein in Eisleben staat. Foto: Jan Smelik plaats aan strofe 1 dacht toen hij zijn koraalfantasie concipieerde, maar
dat hij besloot om een ander deel uit het lied tot uitgangspunt voor zijn
compositie te nemen? Geen enkele auteur stelt zich deze vraag, maar het
lijkt mij dat we dat nu net wel zouden moeten doen.
Wanneer men de gehele liedtekst in ogenschouw neemt, blijkt de eerste
strofe niets meer dan een algemene inleiding te zijn. Meer dan een eeuw
geleden stelde de bekende theoloog Friedrich Spitta (broer van Philipp
Spitta, op zijn beurt bekend als Bach-biograaf en uitgever van orgelwer-
ken van Buxtehude): ‘Von Str. 2-10 erzählt der Dichter, im Tone einer
geistlichen Ballade, die Geschichte seines Elends und seiner Erlösung.’18)
Hij verzuimt niet daarbij het ‘hart’ van Luthers leer te vermelden: ‘Gott
hat unser Herz und Mut fröhlich gemacht durch seinen lieben Sohn, wel-
chen er für uns gegeben hat…’ (vergelijk het hierboven gegeven citaat
uit de bundel Geystliche Lieder).19) We vinden deze kern terug in Luthers
lied ‘Nun freut euch...’, en wel in strofe 7, zoal ook andere auteurs heb-
ben opgemerkt.20) Het is vanaf hier dat Christus zelf wordt geciteerd:
‘Er sprach zu mir: ‘Halt dich an mich, es soll dir jetzt gelingen’ […]’. De
volgende regels zijn theologisch gezien de belangrijkste van het gehele
lied, met name de regels ‘Ich geb mich selber ganz für dich’ – vgl. Ro-
meinen 8:32; Johannes 3:16 – en ‘Denn ich bin Dein, und du bist mein’,
‘[…] Singet dem Herrn alle Welt. Denn Gott hat unser Herz und Mut 17) Volgens Kerala Snyder (en anderen) zou de ‘chromatic countermelody’ in sectie
fröhlich gemacht durch seinen lieben Sohn, welchen er für uns gegeben VIII duidelijk aan de laatste regel van strofe 1 refereren, met de woorden ‘gar teur’
hat zur Erlösung von Sünde, Tod und Teufel. Wer solches mit Ernst glau- als verwijzing naar Christus’ kruisiging (Snyder, Buxtehude, 260). Ze meent ook dat
bet, der kann’s nicht lassen, er muß fröhlich und mit Lust davon singen ‘the ‘sweet wonderful deed’ mentioned in the sixth line may [...] have suggested the
und sagen, daß es andere auch hören und dazu kommen.’ composition of section VI (mm. 133-150) as a gigue fugue’, hoewel dit niet verder
door haar wordt uitgelegd. Arnfried Edler ziet de voorstellingen van ‘fröhlich
De verzoeningsleer – de offerdood van Gods Zoon maakt diens verzoe- Springen’ en de ‘süße Wundertat’ gecombineerd in de gigue, aangezien dit een dans
ning met de mensheid zichtbaar – is de centrale boodschap die Luthers is – en daarmee een verwijzing naar het ‘fröhlich Springen’, terwijl de woorden
lied bevat, en een ieder die daarin gelooft kan niet anders dan zich ver- van deze regel in strofe 1 de ‘süße Wundertat’ vermelden: zie Arnfried Edler,
blijden en ervan zingen, zoals de eerste strofe proclameert. ‘Buxtehude und die norddeutsche Choralphantasie’, Dietrich Buxtehude und die
europäische Musik seiner Zeit. Bericht über das Lübecker Symposion 1987 [=Kieler
De nu prangende vraag is of de koraalfantasie van Buxtehude iets van dit Schriften zur Musikwissenschaft, herausgegeben von Friedhelm Krummacher
alles reflecteert. Of, zoals Martin Ruhnke het met betrekking tot de ko- und Heinrich W. Schwab, Band XXXV ] 275-288, hier 284.
raalcantates van deze componist formuleerde: ‘Hier stellt sich die Frage, Matthias Schneider schrijft het volgende over maat 11: ‘Die Oberstimme pausiert
wieweit die Bearbeitung von Choralmelodie und -harmonie auf den Text mitten in der Zeile und pointiert durch die nachfolgende Tonwiederholung den
zurückzuführen ist und sich durch ihn legitimiert. Die Alternative wären Abwärts-Sprung (a’-e’) – das ‘Springen’, von dem der Text spricht […]’: Matthias
Bearbeitungen, die nur um der Abwechslung willen variieren.’16) Schneider, Buxtehudes Choralfantasien. Textdeutung oder ‘phantastischer Stil’?, 100.
Wat evenwel niet door Schneider wordt vermeld, is dat een vergelijkbare korte
NUN FREUT EUCH LIEBEN CHRISTEN GMEIN: pauze optreedt aan het eind van regel 1 in maat 5. Het feit dat de derde regel met
BUXTEHUDES MUZIKALE UITLEG VAN DE TEKST het bijbehorend contrasubject op diverse manualen aanwezig is, duidt volgens
Diverse auteurs hebben relaties tussen tekst en muziek in Buxtehudes Schneider op de woorden ‘all in ein’ (blz. 101); de vele herhalingen in sectie IV
koraalfantasie Nun freut euch lieben Christen gmein gesuggereerd waarbij refereren aan het ‘mit Lust und Liebe Singen’, aldus Schneider, wanneer we deze
zonder uitzondering naar strofe 1 wordt verwezen. De daarvoor aange- echo’s interpreteren als geïnspireerd door ‘den plastischen Effekt venezianischer
Mehrchörigkeit’ (blz. 103). De dalende lijnen in de volgende sectie zouden verwijzen
Gesangbuch von 1545 [= Documenta Musicologica. Erste Reihe: Druckschriften- naar de frase ‘was Gott an uns gewendet hat’ (blz. 104) en de 12/8-maat van de
Faksimiles XXXVIII], herausgegeben von Konrad Ameln (Kassel etc. 1988). gigue zou zijn geïnspireerd door de ‘süße wunderthat’ (blz. 105), zoals ook Edler
16) Martin Ruhnke, ‘Figur und Affekt in Buxtehudes Choralkantaten’, Dietrich suggereerde (zie boven). De chromatische lijn in sectie 8, een passus duriusculus,
Buxtehude und die europäische Musik seiner Zeit. Bericht über das Lübecker zou hier volgens Schneider als een muzikaal symbool fungeren voor ‘den
Symposion 1987 [=Kieler Schriften zur Musikwissenschaft, herausgegeben Leidensaffekt, auf den die letzte Choralzeile anspielt: “Gar theur hat ers erworben”’
von Friedhelm Krummacher und Heinrich W. Schwab, Band XXXV ] 84-100, hier – waarmee hij zich (zonder daarnaar te verwijzen) blijkt aan te sluiten bij Snyder,
88. die evenwel niet de vergissing maakte, retorische figuren en symbolen met elkaar te
verwarren.
18) Friedrich Spitta, ‘Ein feste Burg is unser Gott’. Die Lieder Luthers in ihrer
Bedeutung für das evangelische Kirchenlied (Göttingen 1905) 221-222.
19) Spitta, ‘Ein feste Burg’, 223.
20) Voorbeelden zijn Wilhelm Stapel, Luthers Lieder und Gedichte. Mit Einleitung
und Erläuterungen (Stuttgart 1950) 206; Patrice Veith, Das Kirchenlied in de
Reformation Martin Luthers. Eine thematische und semantische Untersuchung
(Stuttgart 1986) passim.
1 9HET ORGEL 2013 | nummer 3
gebaseerd op Hooglied 6:3.21) Begin van Buxtehudes Nun freut euch, lieben Christen gmein (BuxWV 210) in
Het theologisch gewicht van deze strofe kan Buxtehude onmogelijk zijn het afschrift dat Johann Seb. Bach maakte. Helaas is het afschrift niet volledig
ontgaan, alleen al niet wanneer men beseft welk belang men in zijn tijd overgeleverd; er ontbreken waarschijnlijk drie bladzijden
aan deze bijbelse teksten hechtte. Zo citeerden August Pfeiffer (1640-
1698) en Heinrich Müller (1631-1675) – twee gezaghebbende theo- Uit: Maarten Luther, Von der Freiheit eines Christenmenschen (WA 7, 1898):
logen die met Lübeck verbonden waren – deze regels keer op keer in
hun preken. Buxtehude moet daarnaast een persoonlijke interesse in Zum zwölften. Nicht allein gibt der Glaube soviel, das die Seele dem
het Hooglied hebben gehad, blijkend uit zijn vele vocale werken waarin göttlichen Wort gleich wird, aller Gnaden voll, frei und selig, sondern
dit bijbelboek een rol speelt, inclusief de Membra Jesu Nostri. Het idee vereinigt auch die Seele mit Christo wie eine Braut mit ihrem Bräutigam.
van Christus als Bruidegom was ook prominent aanwezig in Buxtehu- Aus welcher Ehe folget, wie St. Paulus sagt, daß Christus und die Seele
des Die Hochzeit des Lamms (1678): de titelpagina vermeldt expliciet de ein Leib werden; so werden auch beider Güter, Fall, Unfall und alle Dinge
‘Seelen=Bräutigam Christo’.22) gemeinsam, so daß, was Christus hat, das ist eigen der gläubigen Seele;
Auteurs die een relatie tussen de koraalfantasie van Buxtehude en strofe was die Seele hat, wird eigen Christi. So hat Christus alle Güter und
1 bepleitten, wezen daarbij op de opvallende passus duriusculus uit sec- Seligkeit: die sind der Seele eigen; so hat die Seele alle Untugend und Sünde
tie VIII en de woorden ‘gar teur’ uit strofe 1. Bij bestudering van de volle- auf sich: die werden Christi eigen. Hier erhebt sich nun der fröhliche
dige koraaltekst blijkt evenwel dat meer strofen een negatieve tekstidee Wechsel und Streit. Dieweil Christus ist Gott und Mensch, welcher noch nie
in de laatste regel bevatten, en dat strofe 7 er daar één van is. Sterker: het gesündigt hat, und seine Frömmigkeit unüberwindlich, ewig und allmächtig
blijkt dat deze strofe – en uitsluitend deze strofe – en Buxtehudes ko- ist, so er denn der gläubigen Seele Sünde durch ihren Brautring, das ist der
raalfantasie perfect op elkaar aansluiten. Dit inzicht tot leidraad nemend Glaube, sich selbst zu eigen macht und nicht anders tut, als hätte er sie getan,
kan het volgende worden opgemerkt. so müssen die Sünden in ihm verschlungen und ersäuft werden. Denn
Na een inleidend statement (‘Er sprach zu mir: ‘Halt dich an mich, Es soll seine unüberwindliche Gerechtigkeit ist allen Sünden zu stark. Also
dir jetzt gelingen’’) – in de compositie kort gehouden door Buxtehude wird die Seele von allen ihren Sünden nur durch ihren Malschatz, das ist des
(zie figuur 1 hierboven) – wordt vervolgens veel aandacht geschonken Glaubens halber, ledig und frei und begabt mit der ewigen Gerechtigkeit ihres
aan de – qua tekstinhoud belangrijke – derde koraalregel (‘Ich geb mir Bräutigams Christi. Ist nun das nicht eine fröhliche Wirtschaft, da der reiche,
selber ganz für dich’). Buxtehude gebruikt hiervoor meer dan dertig ma- edle, fromme Bräutigam Christus das arme, verachtete, böse Hürlein zur Ehe
ten, en de koraalregel wordt op duidelijke wijze niet minder dan vijfmaal nimmt und sie entledigt von allem Übel, zieret mit allen Gütern? So ist’s nicht
gepresenteerd. Daarop hoort men de opmerkelijke sectie III met de her- möglich, daß die Sünden sie verdammen, denn sie liegen nun auf Christo und
haalde motieven. Het affect van deze sectie kan worden begrepen als sind in ihm verschlungen. So hat sie so eine reiche Gerechtigkeit in ihrem
illustratie van de regel ‘da will ich für dich ringen’. Zij die iets van Luther Bräutigam, daß sie abermals wider alle Sünden bestehn kann, ob sie schon auf
weten zullen daarbij onmiddellijk denken aan zijn concept van de ‘fröhli- ihr lägen. Davon sagt Paulus I. Kor. 15 [57]: ‘Gott sei Lob und Dank, der uns
che Wechsel und Streit’ zoals beschreven in zijn traktaat Von der Freyheit hat gegeben eine solche Überwindung in Christo Jesu, in welcher verschlungen
eines Christenmenschen.23) Met de ‘vrolijke ruil’ bedoelde Luther dat de ist der Tod mit der Sünde.’
bruidegom Christus de gelovige ziel in ruil voor dat geloof vrijmaakt van
zonden en daarmee de dood overwint.
Sectie IV, met de afdalende melodische lijnen, is gelardeerd met tert-
sen en sexten. Koraalregel 5 ‘Denn ich bin dein, und du bist mein’ (vgl.
Hooglied 6:3) wordt vijfmaal gepresenteerd. Niet onopgemerkt mag
hierbij blijven dat het – door Buxtehude gemanipuleerde – ritme van
deze cantus-firmus-frase nu exact aansluit op het ritme van de tekst:
‘Denn ICH bin dein / und DU bist mein’! Deze unio mystica-gedachte
lijkt voor Buxtehude ook de aanleiding te zijn geweest om in 3/2-maat
te vervolgen, daarbij de tertsen en sexten handhavend. Ik verwijs in dit
verband naar de bevindingen van Isabella van Elferen met betrekking tot
de Membra Jesu Nostri, waarover zij opmerkt: ‘Die süßen Terzparallelen
[…] weisen darauf hin, daß die Versöhnung in der Liebesvereinigung mit
21) ‘Mein Freund is mein, und ich bin sein […]’.
22) Een facsimile van de titelpagina van het libretto geeft Snyder, Buxtehude, 61 (in
de latere editie uit 2007 bevindt deze zich op bladzijde 59).
23) Dit was het derde van Luthers belangrijke hervormingstractaten uit 1520,
verschenen na zijn An den christlichen Adel deutscher Nation (augustus 1520) en
Von der Babylonischen Gefangenschaft der Kirche (oktober 1520). Het tractaat
gaat in detail in op Luthers dogma van rechtvaardiging door genade.
2 0 HET ORGEL 2013 | nummer 3
Gedenkplaat in de Marienkirche te Lübeck ter herinnering aan het bezoek dat klinkt de complete zevende regel tweemaal in het pedaal. De vierde noot
Johann Seb. Bach in 1705 aan Lübeck bracht om daar Dieterich Buxtehude te is hierbij gepunteerd, daardoor naadloos (als zogeheten ‘Halteton’ – een
horen. Foto: Jan Smelik principe dat ook door Bach vaak wordt toegepast bij tekstwoorden zo-
als halten, bleiben, schlafen, etc.) passend bij de woorden ‘Und wo ich
Jesus volkommen geworden ist.’24) Dit is exact wat regel 5 in de tekst, en BLEIB, da sollst du sein’.
Buxtehude bijgevolg, als componist van rang, in de muziek uitdrukt.25) De laatste frase waarschuwt voor de vijand. Het woord ‘Feind’ leent zich
Het herhaalde motief van vier noten lijkt daarbij ideëel de tekst ‘Denn uiteraard uitstekend tot een verklanking via de passus duriusculus, die
ich bin dein’ keer op keer te proclameren en aldus als retorische stijlfi- hier dan ook daadwerkelijk optreedt. Sectie IX lijkt zo de strijd tegen
guur (namelijk de repetitio) op effectieve wijze in te prenten.26) het gevaar van de vijand in muziek te schilderen en is daardoor niet on-
De impliciet gegeven voorstellingen van Christus als Lam (regel 3) en vergelijkbaar met sectie III, die eveneens leek te zijn geïnspireerd door
Bruidegom (regel 5) volgend, lijkt in regel 6 het beeld op te doemen van de voorstelling van een strijd (regel 4) – maar de uiteindelijke gedachte
Christus als Herder die zijn kudde maant, in zijn nabijheid te blijven: ‘Und is er een van overwinning: ‘Uns soll der Feind nicht scheiden’. Deze idee
wo ich bleib, da sollst du sein’. En opnieuw lijkt de verandering van affect van triomf lijkt muzikaal zeer passend te worden gerepresenteerd in de
tot een verandering van maatsoort te hebben geleid: de luisteraar wordt bijzonder feestelijke, besluitende finale in 3/4-maat met onder meer de
getrakteerd op een gigue in 12/8-maat met driemaal drie inzetten. vele tertssprongen in de bovenstemmen, de uitwijking naar het stralen-
In de volgende sectie, waarin Buxtehude terugkeert tot de 4/4-maat, de C majeur en de fanfare-motieven in de bas.
24) Isabella van Elferen, Von Laura zum himmlischen Bräutigam. Der BESLUIT
petrarkistische Diskurs in Dichtung und Musik des deutschen Barock (diss. Utrecht In deze bijdrage heb ik getracht aan te tonen dat verdieping in de ach-
2003) 206. tergronden van Dieterich Buxtehudes orgelkoraalkunst enige aandacht
waard is. Nadere studie zou tot het inzicht kunnen leiden dat hij op dit
25) Ook Bach verklankt de idee van de liefde tussen Christus en de menselijke gebied wordt gewaardeerd als de componist van rang die hij was: een
ziel door middel van tertsen en sexten. Zie bijv. Albert Clement, ‘O Jesu, du edle man met een uitzonderlijke kennis van zijn metier, waartoe begrip van
Gabe’. Studien zum Verhältnis von Text und Musik in den Choralpartiten und den bijbelse teksten en kerkliederen behoorde. Het respecteren van koraal-
Kanonischen Veränderungen von Johann Sebastian Bach (diss. Utrecht 1989) 215, teksten was niet meer dan zijn plicht als kerkmusicus, zoals dit ook de
265 en Van Elferen, Von Laura zum himmlischen Bräutigam, passim. plicht was van de gemeente, aldus August Pfeiffer. In zijn in 1695 in Lü-
beck en Rostock verschenen Apostolische Christen=Schule merkte deze
26) Dit principe treft men eveneens vaak aan bij Bach, ook in zijn orgelwerken. Vgl. invloedrijke theoloog in zijn tweede preek voor de vijfde zondag na Epi-
Clement, ‘O Jesu, du edle Gabe’, 193-194. (Het moge overigens duidelijk zijn dat fanieën hierover onder meer op:
een verondersteld gebruik van strofe 1 hier tot een onzinnig resultaat zou leiden,
namelijk tot een nietszeggende herhaling van de woorden ‘Was Gott an uns’.) Allein durch den Kirchen=Gesang/ oder geistliche Lieder/ (wo nicht
auff die blosse Melodey/ sonder[n] auff die geistreichen Texte zu sehen)
geschicht [geschieht] dem Teuffel Wehe (1. Sam. XVI.23) […]27)
In deze ongetwijfeld door Buxtehude gedeelde opvatting zou niemand
minder dan Johann Sebastian Bach – die overigens ook in bezit was van
dit geschrift van Pfeiffer – als componist en docent het voorbeeld van
de door hem bewonderde meester uit Lübeck volgen. En zou deze oude
plicht ook in onze tijd niet meer aandacht verdienen van musicologen,
die dergelijke werken in edities toegankelijk maken, en van organisten,
die muziek als deze in de geest van de componist trachten uit te voeren?
De hierboven gegeven analyse van BuxWV 210 berust op een bijdrage die ik in 2007
leverde aan het International Buxtehude Symposium, georganiseerd door Ton Koop-
man en Christoph Wolff aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Het ligt in
de bedoeling een aantal van deze voordrachten (in het Engels) te publiceren in een
bundel met Proceedings, die ik op dit moment met Christoph Wolff voorbereid. Mijn
analyse van deze compositie verscheen vorig jaar ook in een artikel over ‘Oorspron-
kelijkheid in de muziek van Dieterich Buxtheude’ in het Liber plurium vocum voor Ro-
kus de Groot onder redactie van S. van Maas, C. Hulshof en P. Oldenhave (Universiteit
van Amsterdam 2012) 234-250.
27) August Pfeiffer, Apostolische Christen=Schule (Lübeck / Rostock 1695) 280.
2 1HET ORGEL 2013 | nummer 3
HET INSTRUMENT
Nogmaals het
Van Straten-orgel
Een afwijkende mening
Koos van de Linde In tegenstelling tot de plannen om het origineel weer speelbaar te maken, vind ik de bouw van een
reconstructie van het voormalige Utrechtse NicolaÏ-orgel in de toestand van 1479 een uitstekend initiatief. Anders
dan bij experimenten met het origineel heeft men bij een replica de vrijheid, hypothesen uit te proberen, daarover te
discussiëren en zodoende verder te komen. Tot zo'n discussie hoop ik met dit artikel een eerste aanzet te geven, daar
ik op een aantal punten door onderzoek aan het origineel tot andere conclusies gekomen ben dan Wim Diepenhorst
en nog altijd geen reden zie de interpretatie die Jan van Biezen en ik in 1995 publiceerden (Het Nederlandse orgel in
de Renaissance en Barok, 58-59, 712-715) wezenlijk te herzien.
ENKELE SPECIFIEKE PUNTEN VOORAF toeschrijft,1) gaat hij van de pedaalomvang FGA-f0 uit. Daardoor past
Voordat ik op mijn twijfels over het algemene concept inga, lijkt het de omvang van de getransmitteerde tonen niet meer bij het pedaal.
mij nuttig om op een aantal aspecten van dit instrument en de vijftien- Dientengevolge neemt hij een transmissie voor het Bovenwerk aan. In
de-eeuwse Nederlandse orgels in het algemeen uitvoeriger in te gaan. dat geval zijn de 12 extra armpjes niet meer te verklaren. Hun omvang
Waar het het NicolaÏ-orgel betreft, zal ik stilzwijgend uitgaan van onze past niet meer bij die van het Pedaal, terwijl een koppel Blokwerk/
interpretatie van de dispositie om achteraf te verantwoorden waarom Bovenwerk volledig zinloos zou zijn. Daarmee zou namelijk op een
ik deze correcter acht dan de door Diepenhorst veronderstelde. omslachtige manier hetzelfde bereikt worden als bij directe bespeling
van het hoofdwerksmanuaal.
• De oude pedaalkoppel Volledigheidshalve dient nog vermeld te worden dat de wellen voor
In figuur 1 (zie pag. 24) is de originele aanleg van het hoofdwerkswel- Gs, B2) en fs0 ook in het midden nog van een extra armpjes voorzien
lenbord weergegeven met de originele positie daarvan in de enigszins zijn, waarvoor we tot nu toe nog geen verklaring hebben. Ik zie echter
geschematiseerd weergegeven orgelkast. Daarbij valt op dat de wellen geen aanleiding om de verklaring voor de andere armpjes op grond
voor de oorspronkelijke tonen F-e0 van het blokwerksmanuaal nog daarvan in twijfel te trekken zolang daarvoor geen betere verklaring
van extra wellenarmpjes voorzien waren voor de in figuur 1 oranje gevonden wordt.
weergegeven abstracten. Daar het hier precies de omvang van de
twaalf in het pedaal getransmitteerde tonen betreft, mag men aan- • De reden om bij de verbouwing van 1547 de transmissie op te heffen
nemen dat deze wellenarmpjes voor een pedaalkoppel dienden. Een Diepenhorst schijnt de uitschakeling van de 12 afzonderlijk speelbare
andere verklaring daarvoor is moeilijk te bedenken.
Hier doet zich het eerste probleem met het concept-Diepenhorst 1) W. Diepenhorst, ‘Het nieuwe Van Straten-orgel van het Orgelpark’, Timbres 11
voor. Daar hij de pedaalsporen in de onderkast aan Peter Gerritsz (2012) 23.
2) In dit artikel wordt de Duitse nomenclatuur gebruikt.
2 2 HET ORGEL 2013 | nummer 3
cancellen in 1547 als indirecte bevestiging van zijn theorie van een bo- • Manuaaltransmissies in vroege orgels
venwerkstransmissie te beschouwen: voor het nieuwe Bovenwerk wa- Terwijl pedaaltransmissies tenminste uit de zestiende en zeventiende
ren deze immers niet meer nodig. In het geval van een pedaaltransmissie eeuw bekend zijn, ontbreekt voor transmissies van het ene manuaal
is er echter een even goede reden om ze op te heffen. In de nieuwe situ- op het andere zowel in schriftelijke bronnen als bij resten van andere
atie dienden de betreffende cancellen voor de toetsen d0-cs1 op 16’ basis orgels dan het NicolaÏ-orgel elk spoor. Zelfs voor het idee dat men het
of D-cs0 op 8’ basis, in beide gevallen een weinig zinvolle omvang voor laagste octaaf van een register van het Positief ergens anders in het or-
een pedaal anno 1547. gel zou hebben ondergebracht, ontbreekt elke aanwijzing. Dat formu-
leringen als ‘bourdonnen […] luydende met den positive’ niet in deze
• De omvang FGA-f0 in het licht van de functie van het pedaal in 1479 zin op te vatten zijn, blijkt uit het Antwerpse contract van 1505 met
In verscheidene contracten uit de bouwtijd van het oorspronkelijke Ni- Daniël van der Distelen. Daar wordt van zulke bourdonnen gezegd:
colaÏ-orgel is sprake van ‘bourdonnen’.3) Deze dienden kennelijk voor ‘ende die sal men sluyten alsmen wilt’.7) Hieruit blijkt dat ze een afzon-
het spelen van bourdontonen en men mag aannemen dat ze met een derlijk register vormden en geen uitbreiding van een ander register.
pedaal in verband gebracht moeten worden. De afwezigheid van manuaaltransmissies is ook niet verwonderlijk als
Blijkens contracten bestonden zulke rijen bourdonnen meestal uit 10 en we bedenken dat een manuaal in deze tijd eigenlijk steeds een zelfstan-
soms uit 12 tonen. 10 tonen zijn gemakkelijk in verband te brengen met dig werk met een eigen plaats in de orgelkast vertegenwoordigt. Voor
de omvang FGA-e0. Het aantal van 12 tonen lijkt op een volledig octaaf, een pedaal geldt dat niet.
zoals F-e0, te duiden.4) Typisch voor bourdonnen is kennelijk, dat geen Ook technisch leidt zo’n transmissie tot onaangenaam gecompliceer-
enkele toets dubbel voorkomt. Dit zou voor het spelen van bourdonto- de constructies. Ik weet niet hoe men dat bij het Van Straten-orgel
nen ook een overbodige luxe geweest zijn.5) In dit licht is een omvang opgelost heeft, maar om de Doof uit te schakelen moet men naast de
FGA-f0, zoals Diepenhorst aanneemt, minder waarschijnlijk voor een afsluiter voor de betreffende bovenwerkslade ook nog een gelijktijdig
pedaal anno 1479. Het is wezenlijk beter voorstelbaar als aangehangen daarmee werkend koppelmechaniek inbouwen om het laagste octaaf
pedaal in 1547, dat niet langer voor bourdonnen dient. Verscheidene uit te schakelen.
gregoriaanse melodieën6) overschrijden deze omvang niet.
• De octaafbreedte van de klavieren
3) O.a. ‘s-Hertogenbosch 1498 (Hendrik van den Houwe) en Antwerpen 1505 Op basis van het wellenbord zou men voor de octaafbreedte van het
(Daniël van der Distelen jr.). Zie voor een uitvoeriger uiteenzetting: Van Biezen, oude NicolaÏ-orgel tot een maat van ca. 224 mm komen. Deze wijde
Nederlandse orgel, 38-39. deling komt waarschijnlijk voort uit het principe, de wellen voor twee
opeenvolgende toetsen op dezelfde rij te leggen. De afstand tussen de
4) In het Antwerpse contract met Daniël van der Distelen, dat een F-orgel betreft, stijlen van de klavieropening laat voor de klavieren echter zo’n maat
is geen andere zinnige omvang dan F-e0 te bedenken. niet toe. Zelfs wanneer men (zoals Diepenhorst) ervan uitgaat dat
5) Vele Italiaanse Contrabassi en Spaanse Contras uit later tijd hebben op de wind- 7) Zie ook Van Biezen, Nederlandse orgel, 39.
lade nog altijd geen dubbel voorkomende tonen.
2 3HET ORGEL 2013 | nummer 3
6) ‘Veni creator’, ‘Regina coeli’, enz.; in gangbare transposities (zoals bij Swee-
linck) bovendien ‘Christe qui lux es et dies’, ‘Da pacem’, enz.
CG: c1 gs0 e0 d0 fs0 b0 d1 e1 fs1 gs1 b1 c2 d2 e2 fs2 gs2 b2 c0 B G F A H cs0 c3 h2 a2 g2 f2 ds2 cs2 h1 a1 g1 f1 ds1 h0 g0 ds0 f0 a0 cs1
P,p: ds0 H G F A cs0 ? sv2 sv1 d0 B Fs Gs c0 e0
P,m: ds0 H G F A cs0 f0 g0 a0 h0 cs1 ds1 f1 g1 a1 h1 cs2 ds2 E D HH C Ds f2 e2 d2 c2 b1 gs1 fs1 e1 d1 c1 b0 gs0 fs0 d0 B Fs Gs c0 e0
mechaniek sperventielen
de pedaalabstracten waaieren bij deze
variant licht uit vanaf de geleiding boven
het bovenklavier
omvang manuaal OW
omvang manuaal HW
CG = toets bij Cornelis Gerritsz ppeeddaaaalltkroapnpsmelissie
P,p = pedaaltoets bij Peter Gerritsz
P,m = manuaaltoets bij Peter Gerritsz variant: manuaal OW in ligging C
Figuur 1: mechaniek Hoofdwerk en Pedaal (kasstructuur vereenvoudigd)
er geen bakstukken waren, komt men op krap 190 mm. Men kan de • De ligging van de klavieren ten opzichte van elkaar
octaafmaat van het klavier derhalve niet van het wellenbord aflezen, Er zijn aanwijzingen dat wanneer het Hoofdwerk bij de orgels uit de
zoals hij beweert.8) Dit is geen uniek verschijnsel, daarvan zijn er tal- Van Covelens-school en de instrumenten van Galtus en Germer van
loze voorbeelden. Het meest relevante is in ons geval waarschijnlijk Hagerbeer een octaaf meer had dan de andere werken, de klavieren
dat van de Hooglandse kerk te Leiden.9) Ook daar is de octaafbreedte symmetrisch en derhalve verschoven werden aangebracht.11) De f van
op een bewaard deel van het oude wellenbord veel groter dan deze bij de andere klavieren lag dan gelijk met de c van het Hoofdwerk. Zou
de klavieren geweest kan zijn. dit bij het NicolaÏ-orgel ook het geval zijn geweest?
Wanneer de deling van het wellenbord echter geen directe relatie tot Zoals ook in de bespreking door Auke H. Vlagsma beschreven12),
die van de klavieren heeft en de abstacten hoe dan ook moesten uit- loopt de tractuur van het bovenwerk door 31 gaatjes in de blokwerk-
waaieren, is het ook niet nodig aan te nemen dat er geen bakstukken lade, die tussen de cancellen voor de laagste tonen in de middentoren
waren. Die vinden we reeds in het Alkmaarse koororgel (1511) en ze zijn aangebracht. De afstand van het eerste tot het laatste gaatje is
zijn voor het goed dertig jaar oudere Nicolai-orgel eveneens denkbaar. groter dan de breedte van het bovenwerksklavier bij de omvang H-f2,
In dat geval waren de oude klavieren niet wezenlijk breder dan de hui- zodat de abstracten moeten uitwaaieren.
dige Müller-klavieren. Beide hebben 26 ondertoetsen. Figuur 1 gaat Als we dit klavier zo aanbrengen dat de eerste en de laatste abstract
van bakstukken en een octaafbreedte van 170 mm uit.10) Ik kan dit ongeveer even schuin lopen, komt de f van het bovenwerksklavier
echter evenmin bewijzen als Diepenhorst zijn bredere klavieren. (Ik zal boven de d van het Hoofdwerk te liggen,13) een weinig aantrekkelijke
de maat van 190 mm in het vervolg aanduiden als ‘brede’ en die van gedachte! Ik zal deze ligging met D aanduiden.
170 als ‘smalle’ octaafmaat.) Als we het klavier echter zo leggen, dat de sterkst naar links en de
8) Zie Diepenhorst, Het nieuwe Van Straten-orgel, 23. 11) Zie o.a. Koos van de Linde, ‘Organs in Sweelinck’s time’, in: Sweelinck Studies,
9) Zie ook Van Biezen, Nederlandse orgel, 649. Proceedings of the Sweelinck Symposium Utrecht 1999 (Utrecht 2002) 204-205.
10) Zoals in Alkmaar, koororgel en Amsterdam, kleine orgel Nieuwe Kerk
12) Auke H. Vlagsma (m.m.v. Cees van der Poel en Sietze de Vries), ‘De kopie van
2 4 HET ORGEL 2013 | nummer 3 het Peter Gerritsz-orgel in het Orgelpark, Het Orgel 109/2 (2013) 19.
13) Dit geldt, evenals het volgende, voor beide octaafmaten.
sterkst naar rechts lopende abstract (resp. e0 en e2)
ongeveer dezelfde schuinte hebben, dan komt de f
van het Bovenwerk boven de c van het Hoofdwerk
te liggen. Ook blijkt zo de gemiddelde schuinte van
de abstracten het kleinst te zijn. Deze ligging leidt
tevens tot de best mogelijke symmetrie; links steekt
het hoofdwerksklavier 4 ondertoetsen uit, rechts
3. Het behoort dus tot de reële mogelijkheden dat
het bovenwerksklavier inderdaad op deze manier
verschoven heeft gelegen. Ik zal deze ligging met
C aanduiden.
Men mag de redenering echter niet omkeren en als
argument tegen een mogelijke ‘normale’ ligging
(corresponderende toetsen boven elkaar) gebrui-
ken. Verdere verplaatsing van de gaatjes richting
discant blijkt in deze ligging voor de schuinst lo-
pende abstracten geen wezenlijke verbetering op
te leveren,14) omdat men tussen de cancellen voor Grafiek 1: aandeel 8'en 51/3 in blokwerken
de tussenvelden belandt en voor elk gaatje een hele
cancel verspringen moet. Daarom is het niet gegarandeerd dat Peter Gerritsz bij een ‘normaal’ liggend klavier andere gaatjes benut zou hebben.
• De verhouding Hoofdwerk-Bovenwerk
Als we de disposities van de vroege Nederlandse orgels met bovenwerken15) nader bekijken, valt op dat de laagste toon van de Doof (basisrij) min-
stens een octaaf hoger klinkt dan de laagste toon van het blokwerk. Bij de renaissance-orgels uit de Van Covelens-school blijkt dit niet anders te
zijn. Het eerste instrument uit deze traditie dat dit patroon doorbreekt, is bij mijn weten het Utrechtse Domorgel (1571) van Peter Jansz. de Swart,
waar het bovenwerk op 8’ begon en het blokwerk op 12’.
Op grond daarvan zou het door Diepenhorst aangenomen concept een uitzondering geweest zijn. Men moet zich bij de verdediging daarvan be-
helpen met de ad hoc-hypothese dat de vergelijkingsorgels alle groter zijn dan het NicolaÏ-orgel.
• De omvang vanaf F in de Utrechtse school
Op F beginnende bovenwerken waren geen uitzondering in de vijftiende eeuw. Als we omgebouwde orgels buiten beschouwing laten,16) ontbre-
ken vrijwel stelselmatig Fs en Gs, zoals ook in de
zestiende eeuw nog het geval is. Bijzonder relevant
in verband met het NicolaÏ-orgel is het orgel van de
Jacobikerk te Utrecht, gebouwd door Gerrit Petersz
in 1504-1509. Het Bovenwerk begon hier op FGA,
zonder Fs en Gs. Dit 30 jaar jongere zestienvoets
instrument was wezenlijk groter en prestigieuzer
dan het achtvoets orgel van de NicolaÏkerk en ge-
zien de omvang tot g2a2 i.p.v. f2 ook moderner. Dat
het ontbreken van Fs en Gs op een manuaalwerk
geen modern fenomeen maar gevestigde traditie
was, blijkt uit talloze oudere voorbeelden, die tot
voor 1450 teruggaan.
Als de hypothese van een bovenwerkstransmissie
klopt, zou het Bovenwerk van het Nicolai-orgel
wel Fs en Gs gehad moeten hebben. Hoe is dit met
het ontbreken van deze toetsen in het nieuwere Ja-
cobi-orgel te rijmen? Men kan moeilijk aannemen
Grafiek 2: aandeel kwintkoren in blokwerken
14) In beide gevallen zou de meest schuin verlopende abstract ca. 4° zijdelings uit het lood moeten staan. Dit is overigens nog zeer aanvaardbaar, zelfs wanneer men incal-
culeert dat de abstracten ook nog schuin naar achteren verlopen.
15) Zie Van Biezen, Nederlandse orgel, 40-60 en 114-131. Uiteraard zijn alleen de omvangen die niet tussen vierkante haken staan, relevant. Waar interpretatie in het spel is,
zie ik ook na herhaald nalezen van de bronnen geen reden om deze te herzien.
16) Zoals het orgel in ‘s-Hertogenbosch, waar de aanwezige Gs het gevolg was van de aanpassing van een H-orgel in G-stemming tot een F-orgel in C-stemming.
2 5HET ORGEL 2013 | nummer 3
dat Gerrit Petersz ten opzichte van zijn vader een stap terug deed in strument kennen.17) Voor zover we weten, begint de Positie altijd ge-
de ontwikkeling. Hij mag dan conservatief geweest zijn, reactionair lijk met de Doof en dat is ook begrijpelijk als we bedenken dat deze
was hij niet. laatste als afsplitsing van het totale plenum ontstaan is (vandaar ook
Een bijkomend probleem is in het NicolaÏ-orgel het feit dat het Pedaal de naam). Over Cimbels hebben we minder gegevens, maar ook daar
in het concept-Diepenhorst geen Fs en Gs gehad zou moeten hebben. is er geen enkele aanwijzing dat ze pas hogerop begonnen. De Cimbel
Dit zet de schriftelijke evidentie op zijn kop. Terwijl een chromatisch in de door Anonymus III beschreven dispositie in het manuscript van
volledig bourdonnenoctaaf af en toe voorkwam, is er nauwelijks of Arnaut van Zwolle,18) die (terecht) model heeft gestaan voor het Van
geen evidentie voor een volledig basoctaaf vanaf F bij bovenwerken Straten-orgel, begint in ieder geval op de laagste toets, zij het op F-B
bij niet-omgebouwde orgels. slechts als hoge kwint, die aansluit op de samenstelling van de Positie.
• De omvang van de oude bovenwerksladen van het NicolaÏ-orgel Het in de ‘Impressies’19) vermelde problematische gebruik van de Cim-
Blijkens de gaatjes in de blokwerkslade voor de doorvoering van de bel hangt ongetwijfeld met de beperkte omvang ervan samen.
tractuur van het bovenwerk hadden de laden daarvan de omvang H-f2
(al of niet met cs0). Dit betekent dat de Positie en de Cimbel niet de HET ALGEMENE CONCEPT
volle door Diepenhorst veronderstelde omvang van de Doof kunnen Eén van de belangrijkste uitgangspunten is kennelijk de hypothese dat
hebben. Daar de Doof in dit concept op de bovenwerkslade pas op f0 de transmissie niet het Pedaal betrof, maar het Bovenwerk. Als aan-
begint, heeft Diepenhorst besloten de windlade voor dit register ook wijzing worden alleen de pedaalsporen expliciet genoemd.20)
pas op die toets te laten beginnen. Gevolg daarvan is, dat ook de Cim- Een deel van de problemen die het uitganspunt van Diepenhorst met
bel, die op dezelfde lade staat, pas op die toon kan beginnen. Daardoor zich meebrengt, is in het voorgaande al aan de orde geweest. Voor de
hebben de drie registers elk een andere omvang: de Doof begint op F, overzichtelijkheid volgt hier een korte samenvatting:
de Positie op H en de Cimbel op f0. Dit laatste was niet nodig geweest: 1. De sporen van de oude pedaalkoppel zijn niet langer als zodanig te
men had de Doof-lade ook normaal op H kunnen laten beginnen. Dat verklaren. Zoals we reeds gezien hebben, ontbreekt echter een plausi-
had echter met zich meegebracht dat er in de ligging H-e0 drie ventie- bel alternatief.
len per toets waren geweest met alle gevolgen voor het toucher en de 2. Door de bekende omvang van de bovenwerksladen kunnen de
afregeling. Heeft men daar om deze reden van afgezien? Positie en de Cimbel niet op de laagste toets beginnen. Zoals reeds
Dit alles heeft geleid tot een situatie die we van geen enkel ander in- opgemerkt, kennen we dit van geen enkel ander relevant instrument.
In het Van Straten-orgel is dit nog erger gemaakt door de Cimbel ook
BAROK TOT IN DETAIL nog op een andere toon te laten beginnen dan de Positie.
3. Transmissies van pijpen uit het Hoofdwerk voor het Positief/Bo-
Henk Klop Baroque Keyboard Instruments venwerk zijn uit bronnen of sporen aan andere bewaarde instrumen-
Paleisweg 6 • 3886 LC Garderen • The Netherlands ten niet bekend.
PHONE +31 (0)577 461 512 • FAX +31 (0)577 461 787 4. De reeds genoemde discrepantie tussen de omvang van het Pe-
daal zonder Fs en Gs en het chromatisch op F beginnende Bovenwerk.
WEB www.klop.info • E-MAIL [email protected] Deze zou men nog eerder omgekeerd verwachten.
5. Een Positief/Bovenwerk dat op dezelfde voethoogte gebaseerd is
2 6 HET ORGEL 2013 | nummer 3 als het Hoofdwerk is uit geen ander instrument bekend.
6. Een Pedaal met vrij tegen de achterwand van de kast opgestelde
pijpen evenmin. Dit lijkt eerder karakteristiek voor (vooral negentien-
de- en twintigste-eeuwse) verbouwingen.
De punten 1-4 zijn de ernstigste. Zonder plausibele alternatieve ver-
klaring dient punt 1 op zichzelf al als een falsificatie van de theorie
van Diepenhorst. Punt 5 zou nog enigszins met de eerder genoemde
‘kleine orgel-hypothese’ te redden zijn en alleen punt 6 is te elimineren
door de bourdonnen in de onderkast onder te brengen.
Al deze problemen vallen echter weg als we aannemen dat de trans-
missie voor het oorspronkelijke Pedaal diende en het bovenwerkskla-
vier uitsluitend de omvang van de eigen windladen had:
1. De transmissie-cancellen dienden dan voor het Pedaal en de extra
armpjes voor een koppel van het blokwerk aan het Pedaal. Zonder
17) De plausibele parallel met ‘s-Hertogenbosch betreft uitsluitend de dispositie en
constructie met twee windladen, niet de omvang van die laden! Bij alle in het ma-
nuscript van Henri Arnaut van Zwolle beschreven instrumenten begint de Positie
steeds op de laagste toets.
18) Zie o.a. van Biezen, Nederlandse orgel, 34-35.
19) Vlagsma, ‘De kopie van het Peter Gerritsz-orgel’, 25.
20) Diepenhorst, ‘Het nieuwe Van Straten-orgel’, 23.
koppel klonken op het Pedaal alleen de twee basisrijen en met koppel moet men aan de baszijde met twee abstracten door beide klavieren
het complete blokwerk. Zo’n koppel is zinvol omdat er geen andere heen.
manier is om het complete blokwerk met de voeten te bespelen. Waarom het gebied buiten de klavierstijlen vrij moest blijven, blijft
2. De Doof, die bij ons een 4’ is, kan normaal in het front staan en helaas onduidelijk. Was daar reeds vroeger een doorgang gepland zo-
past daar ook precies bij een omvang zonder cs0. Alle registers hebben als we die aan de zuidzijde kennen uit de situatie van 1547? Het blijft
dezelfde omvang. speculatie. Als tegenargument tegen onze theorie kan dit probleem
3. Pedaaltransmissies zijn uit de zestiende en zeventiende eeuw be- niet dienen. Juist de twee abstracten die aan de discantzijde door de
kend en zijn derhalve ook in 1479 niet ondenkbaar. klavieren heen lopen, bewijzen dat men uit ditzelfde fenomeen in de
4. Van discrepantie in omvangen is geen sprake meer. De pedaalspo- bas geen te diepzinnige conclusies mag trekken.
ren in de onderkast schrijven we toe aan Cornelis Gerritsz en zoals we
reeds gezien hebben, is dit ook alleszins plausibel. SAMENSTELLING VAN HET BLOKWERK
5. De toonhoogteverhouding tussen de beide manuaalwerken is Zoals ook al blijkt uit de opmerkingen over de ‘grommende’ lage
conform hetgeen we van andere orgels kennen. kwinten in de ‘Impressies’, is de samenstelling van het blokwerk niet
6. Van open opgestelde pedaalpijpen is geen sprake meer. onproblematisch. Evenals in het geval van het totale concept, ver-
toont het een aantal kenmerken die geen of weinig parallellen vinden
EVENTUELE AANWIJZINGEN MANUAALTRANSMISSIE in andere orgels uit die tijd. Om daarvan een indruk te geven, zal ik het
Daar het in de wetenschap een goede zaak is, zich ook met eventuele blokwerk met dat van de volgende in het traktaat van Henri Arnaut
tegenargumenten tegen de eigen theorie bezig te houden, zal ik in het van Zwolle beschreven orgels vergelijken:22)
onderstaande proberen te achterhalen welke feiten Diepenhorst naast 1. Salins: het tweede van drie kennelijk conservatieve orgels, be-
de reeds besproken pedaalsporen in de onderkast als aanwijzingen schreven op f. 131v.
voor een manuaaltransmissie en een bovenwerk vanaf F kan hebben 2. HA3: het derde op deze pagina beschreven orgel, met de laagste
gezien. blokwerksamenstelling.
Daartoe bekijken we nog een keer figuur 1 en negeren daarbij even de 3. Dijon: het door Anonymus III (2e helft van de vijftiende eeuw) als
door mij ingetekende ‘normale’ ligging van het bovenwerksklavier. We oud betitelde orgel in een kerk in Dijon.
zien dat de rood ingetekende abstracten van de bourdonnen groten- 4. Anon. III, het reeds in verband met de Cimbel vermelde, kenne-
deels door de toetsen van het hoofdwerksklavier heen moeten lopen lijk moderne orgel, dat op f. 133v-134r eveneens door Anonymus III
om ze met pedaaltoetsen te kunnen verbinden. Als we ze op dezelfde beschreven wordt. Ter wille van een betere vergelijkbaarheid met het
manier schuin zouden laten lopen als de abstracten van het Hoofd- NicolaÏ-orgel wordt de omvang anders dan bij Van Biezen als FGA-f3
werk (groen ingetekend), dan zouden ze zelfs ruim binnen de grenzen op 8’ basis weergegeven.
van het klavier blijven en eventueel ook op manuaaltoetsen kunnen
worden aangesloten. Als we nu het bovenwerksklavier in ligging D De vergelijking leert het volgende:
met drie ondertoetsen FGA uitbreiden, steekt het hoofdwerksklavier – De directe kwint van de basisrij –hier 51/3’– is uit slechts weinig
aan beide zijden twee ondertoetsen uit. Heeft Diepenhorst de elegante blokwerksamenstellingen bekend. Bij de bovengenoemde orgels tref-
symmetrie van deze situatie in combinatie met de positie van de ab- fen we deze op enige schaal van betekenis uitsluitend bij de conserva-
stracten voor de bourdonnen als bijkomende aanwijzing gezien voor tieve instrumenten HA3 en Salins aan.
een manuaaltransmissie? – Hoewel sterker van samenstelling dan dat van het Nicolai-orgel,
Men kan niet ontkennen dat de theorie van Diepenhorst het enige on- vinden we in het blokwerk van het in ca. 1450 als oud betitelde or-
elegante punt van onze interpretatie ondervangt. Waarom ging Peter gel in Dijon geen enkel 51/3’ koor. Ook in het gigantische orgel van
Gerritsz met zijn pedaalabstracten dwars door de toetsen van ten- Halberstadt kwamen blijkens Praetorius’ beschrijving tenminste op fs0
minste het hoofdwerksklavier heen? Zelfs wanneer ze daar loodrecht nog geen kwinten op de basisrij voor.
doorheen lopen moet men boven de klavieren een geleiding aanbren- – In het moderne Anon. III verschijnt zelfs de 22/3’ pas op e2. De 51/3’
gen, daar anders hangers voorgeprogrammeerd zijn. Wanneer men is beperkt tot de hoogste twee toetsen (e3 en f3).
het verloop van de koppel-abstracten en de bourdonnen-abstracten – Waar op zichzelf nog lage kwinten (51/3’) vanaf f0 denkbaar zijn,
bekijkt, valt op dat Peter Gerritsz één of andere reden had om met de is geen enkel ander voorbeeld bekend, waarin deze sterker bezet zijn
gehele tractuur niet wezenlijk voorbij de buitenkanten van de klavier- dan de basisrij (zie grafiek 1 op pag. 25), zeker niet in de absurde mate
stijlen te komen. In dat geval had hij geen andere keuze dan door de waarin dat op e1 en f1 het geval is.
klavieren heen te gaan. De minst problematische oplossing was dan, – Eveneens is geen enkel voorbeeld bekend waarbij de kwintrijen
om het bovenwerksklavier zoals in figuur 1 aangeduid, in ‘normale’ over het grootste deel van de omvang in de meerderheid zijn (zie gra-
ligging aan te brengen. Men houdt dan precies het gebied waar de fiek 2 op pag. 25). Zelfs in HA3 en Salins maken de octaafkoren op
bourdonnen-abstracten lopen, vrij.21) Aan de discant-zijde lukt dit in hun zwakste punt 58% en in de discant ca. tweederde van het totaal uit
de door mij geschetste situatie niet. De geschetste variant met klavier en bij Alkmaar moeten we ons bedenken dat de relatief sterk vertegen-
in ligging C is alleen mogelijk bij de smalle octaafmaat. In dat geval
22) Henri Arnaut de Zwolle, [verhandeling over orgelbouw, Dijon, ca. 1440, met
21) De getekende situatie gaat uit van de smalle octaafmaat, maar ook bij de aanvullingen uit de 2e helft van de 15e eeuw], Paris, Bibliothèque Nationale ms.
brede blijft het kritische gebied nog juist vrij. Lat. 7295. Facs. Parijs 1932, edd. G. Le Cerf & E.-R. Labande.
2 7HET ORGEL 2013 | nummer 3
J.L.van den Heuvel woordigde kwinten uitsluitend 22/3’ en 11/3’ koren zijn.
– Eveneens zeer onwaarschijnlijk op grond van andere bekende
Orgelbouw BV blokwerksamenstellingen is het feit dat deze 51/3’ rijen in de hogere
liggingen even sterk bezet zijn als de hogere koren. Bij alle schriftelijk
Amstelwijckweg 44 bewaarde samenstellingen zijn vanaf f0 de hogere koren sterker verte-
3316 BB Dordrecht genwoordigd.
tel.: 078 6179540 – Meer in het algemeen zijn samenstellingen waarin in de discant alle
e-mail: [email protected] koren even sterk vertegenwoordigd zijn, onbekend. Zo’n samenstelling
website: www.vandenheuvel-orgelbouw.nl is volledig atypisch voor wat we van mixturen voor ca. 1600 kennen.
Het moge waar zijn, dat in het bewaarde rooster soms onwaarschijnlijk
nieuwbouw en restauratie wijde pijpen passen, of men dit blindelings als aanwijzing voor de thans
onderhoud en stemmen gereconstrueerde samenstelling mag zien, is hoogst dubieus:
gebruikte orgels en opslag – Ditzelfde rooster heeft (zonder sporen van een opdik met eventueel
kleinere boringen) ook in het renaissanceorgel van 1547 dienst gedaan.
orgelmakerij Hier zouden de lage kwinten in een 16’ plenum vanaf d1 als 102/3’ ge-
diend hebben. Dit is in fundamentele tegenspraak met de esthetiek van
Bakker Timmenga b.v. de renaissanceorgels, waar men zich nadrukkelijk tegen ‘grobe Quin-
ten’ afzet. Schlick23) zegt dat ze het werk ‘rüch und grob / gut schwey-
Kleine Kerkstraat 25 nisch’ maken en beschrijft precies de dissonante effecten die wellicht
8911 DL Leeuwarden ook aan de opmerking ‘Akkoorden klinken bijna te modern’ van Cees
van der Poel en Sietze de Vries ten grondslag liggen.24)
(058) 212 96 87 – Dat ook Cornelis Gerritsz van deze esthetiek uitging, bewijst het
www.bakker-timmenga.nl 8’ rugwerksplenum, dat pas vanaf c2 één enkel 22/3’ koor bevat (ten
opzichte van de basisrij een octaaf hoger dan de veronderstelde 102/3’
Zuidbroek Hervormde Kerk in het blokwerk!). Ook Schlick is geen al te groot liefhebber van duo-
H.H. Freytag – F.C. Snitger 1795 decimen: ‘… das [dissonanten veroorzaken] thůnt nit allein die negsten
[=directe] quinten […] sonder auch die andern ein octaff höher ein du-
Restauratie 2006-2007 odecima / wiewol nit so vil oder hart als die negsten / sein sie doch zü
meyden wie klein die sein / so man sie hört…’.25) Kennelijk mochten
kwinten pas optreden als ze hoog genoeg waren om in de totaalklank
niet meer als zodanig waargenomen te worden.
– Bij het blokwerk van het wezenlijk grotere Utrechtse Domorgel
blijkt in later tijd de eerste 51/3’ op g1 te beginnen, een kwart hoger dan
de 102/3’ bij Diepenhorst.26)
– Daar 102/3’ kwinten de samenklank in de ons bekende renaissan-
cemuziek in hoge mate vertroebelen, zouden ze het blokwerk voor de
uitvoering van deze muziek onbruikbaar hebben gemaakt. Dat Cornelis
Gerritsz dit als overtuigd vertegenwoordiger van de nieuwe richting zo
gelaten had, kan men zich redelijkerwijs niet voorstellen. Dat hij een
dusdanig extreem contrast met het rugwerksplenum zo gelaten had,
evenmin.
– Dat hij de lage kwinten verwijderd heeft en de boringen afgeplakt,
is eveneens niet zeer plausibel. Op andere plaatsen (onder meer bij de
cancellen ter weerszijden van de middentoren) heeft hij buiten gebruik
gestelde boringen dichtgepropt.
Men moet zich dan ook afvragen of deze situatie niet uit later tijd
stamde. De pijpen stonden in deze ligging dusdanig ruim dat dit niet
onmogelijk geacht moet worden. Daar kennelijk ook bij Heerman in
1688 het blokwerk nog tot 12 sterk bezet was, zou hij daarvoor verant-
23) Arnolt Schlick, Spiegel der Orgelmacher und Organisten (Mainz, 1511; facs.
Buren, 1980) f. 12v-13r.
24) Vlagsma, ‘De kopie van het Peter Gerritsz-orgel’, 25.
25) Schlick, Spiegel, f. 12v-13r.
26) Zie Van Biezen, Nederlandse orgel, 680-682.
2 8 HET ORGEL 2013 | nummer 3
woordelijk kunnen zijn, maar wellicht ligt de ama-
teur Van Montfoort (1686) nog meer voor de hand.
Dat zou verklaren waarom Heerman het blokwerk
twee jaar later als onbruikbaar kwalificeert en van
samenstelling verandert.
Ook dit zijn helaas schoolvoorbeelden van ad
hoc-hypotheses, maar deze zijn nog altijd wezen-
lijk minder onwaarschijnlijk dan een plenum met
102/3’-koren bij Cornelis Gerritsz. Het is beter denk-
baar voor de extreem luide begeleiding van de Hol-
landse gemeentezang in de late zeventiende eeuw
dan voor de uitvoering van renaissancepolyfonie.
Of het werkelijk wetenschappelijk is, aangetroffen
roosterboringen en daarin passende bestaande pij-
pen uit andere koren zonder enige reserve als aan-
wijzing voor een originele situatie serieus te nemen,
acht ik hoogst twijfelachtig. Als een aangetroffen Grafiek 3: verdeling van de labiumbreedtes van de binnenpijpen van het blokwerk
situatie tot resultaten leidt die haaks staan op alles
wat uit andere bronnen bekend is, kan men zich niet aan de opgave bouwjaar van het NicolaÏ-orgel. Het overtuigendste en meest relevante
onttrekken, de stilzwijgende uitgangspunten van het onderzoek aan is een contract voor een nieuw orgel in Lucca met dubbele boventoetsen
een kritische toetsing te onderwerpen. Enkele van deze uitgangspunten voor ds/es en gs/as.27) Dit betekent echter nog lang niet dat hier sprake
waren kennelijk de volgende: is van een middentoonstemming. De te grote tertsen die we nog bij
– Alle koren van het oorspronkelijke blokwerk hadden dezelfde men- Schlick expliciet beschreven vinden, dienden kennelijk niet zozeer de
suur. mogelijkheden van enharmonische verwisseling (in noodgevallen),
– Het bewaarde rooster is nog het ongewijzigde van 1479. maar kwamen in de eerste plaats voort uit de wens, ook nog over
– De voetlengtes en de diameters de voetspitsen van de weinige be- relatief goede kwinten te beschikken. Dubbele boventoetsen houden
waarde pijpen zijn representatief voor die van de verdwenen exempla- derhalve niet automatisch in, dat de betreffende tertsen ook volledig
ren. rein waren.
De laatste veronderstelling lijkt redelijk, de eerste en vooral de tweede Waar het kennelijk om nieuwe ontwikkelingen gaat, kan men de af-
zijn daarentegen minder evident. Wij zijn destijds op grond van de his- stand in tijd en vooral in plaats niet eenvoudig negeren. Daarom is het
torisch absurde resultaten tot de conclusie gekomen dat pijpen passen de vraag of men in Utrecht anno 1479 überhaupt al anders dan pytha-
ons bij dit blokwerk niet verder brengt. Wellicht is het een verdienste goreïsch (in de variant met wolfskwint h-fs) gestemd heeft. Is het toeval
van de studiekopie dat dit nu ook hoorbaar is. dat uit geen enkele noordelijke bron voor Schlick (1511) enige aanwij-
zing voor een tertsengeoriënteerde temperatuur bekend is?
VARIABELE MENSURERING VAN DE BINNENPIJPEN De eerste bron voor de zuivere middentoonstemming dateert uit 1570
Diepenhorst stelt, dat er bij de binnenpijpen van het blokwerk drie la- (Zarlino) en de vroegste aanwijzing ten noorden van de Alpen is een
biumbreedtes te onderscheiden zijn. Als we de verdeling van de labi- brief van Abraham Verheyen aan Simon Stevin uit het begin van de ze-
umbreedtes van de circa 23 oude pijpen met goed meetbaar labium in ventiende eeuw. Dat is bijna 130 jaar na de bouw van het NicolaÏ-orgel.
grafiek 3 bekijken, zien we echter een tamelijk gelijkmatige verdeling Zelfs voor Cornelis Gerritsz in 1547 is deze stemming derhalve nog niet
zonder significante pieken rond de veronderstelde waarden van 3/4, aan de orde.
4/5 en 5/6 van de diameter. De beide eerste liggen in een tamelijk con-
tinu gebied. De laatste ligt daarbuiten en wordt slechts door één pijp INSTRUMENT VOOR PASSENDE LITERATUUR
bij benadering vertegenwoordigd. Er is daarom statistisch geen enkele Zoals we gezien hebben, wijkt het Van Straten-orgel in belangrijke op-
aanleiding voor de veronderstelde differentiatie. Gezien het relatief zichten af van wat we uit andere bronnen weten en ook gedeeltelijk
kleine aantal pijpen is dit het normale beeld voor wat slordig gelabieer- van wat we uit het origineel kunnen aflezen. In het licht hiervan is de
de pijpen, waarvan de labiumbreedtes mogelijk als 3/4 van de diameter zin: ‘Improvisatie lijkt de meest geschikte manier om de mogelijkheden
bedoeld waren. af te tasten,’28) veelzeggend. Improviserend kan men zich aan alle eigen-
aardigheden van een instrument aanpassen en wordt in de eerste plaats
MIDDENTOONSTEMMING de speler op de proef gesteld. Wanneer men passende literatuur speelt,
Hoewel het klopt dat er vanaf het einde van de vijftiende eeuw aanwij- moet ook het instrument zijn geschiktheid voor die muziek bewijzen.
zingen zijn voor ‘terzbezogene’ temperaturen, wil dit geenszins zeggen Uit wat daarbij moeizaam gaat, kunnen we voor een volgende studie-
dat een middentoonstemming voor de reconstructie van een orgel uit kopie het meeste leren.
1479 ook maar enigszins plausibel is.
Als we ons beperken tot concrete bronnen, dan vinden we de eerste 27) Zie: F. J. Ratte, Die Temperatur der Clavierinstrumente (Kassel 1991) 181.
aanwijzingen voor zo’n stemmingswijze inderdaad juist rond het 28) Vlagsma, ‘De kopie van het Peter Gerritsz-orgel’, 25.
2 9HET ORGEL 2013 | nummer 3
Dispositie van het Adema-orgel in de Agathakerk te Lisse
Tenzij anders vermeld is het pijpwerk van orgelmetaal,cilindrisch en open,en dateerthetuit1913/14.Hetlabiaalpijpwerkisvoorzienvanslagletters
met,naast de toonaanduiding,soms Duitse benamingen.Dit houdt in dat het is toegeleverd.De variatie in labiumvorm duidt op diverse herkomst. In
die tijd bestelde Adema zijn labiaalpijpen soms bij Gustav Bier in Giengen and der Brenz. De frontpijpen zijn van Franssen uit Roermond. De
tongwerken zijn van Belgische of Franse makelij. De registernamen met een * zijn de combinatieregisters die door de bijbehorende treden
worden ingeschakeld.
Groot Orgel (C-g3)
Principaal 16’ C-G transmissie van de Bourdon 16’; Gis- in het front, vanaf fis op de lade; alle pijpen met expressions, geperste labia
Bourdon 16’ gedekt;C-h hout,grenen;c1-g3 metaal,zonder bovenlabium (stoomfluitjes),zijbaarden
Praestant 8’ C-c front, vanaf cis op de lade; alle pijpen met expressions, spits geritste bovenlabia,rondgeritste onderlabia,t/m F2 zij-
baarden.De discant is de Octaaf 2 van het Reciet expressief
Salicionaal 8’ C-c front, vanaf cis op de lade; alle pijpen met expressions,geperste labia;freins tot h,c2-g3 zijbaarden
Violon 8’ in 1962 ingekort tot Nasard 22/3’ en in 2011 weer verlengd tot Violon; alle pijpen op de lade; spits geritste bovenlabia,
ronde onderlabia;alle pijpen met expressions;C-H rolbaarden,c-h1 kastbaarden,c2-g3 zijbaarden
Fluit harmoniek 8’ C-Hhout,grenen;cmetaal,gedekt(inscriptie:Fluit4’):cis-e1 reëlelengte,f1-g3 metdubbelecorpuslengteenoverblazend;spits
geritste bovenlabia,rond geritste onderlabia;cis- h
expressions,c1-g3stemkrullen
Holpijp 8’ 1962;gedekt,op afzonderlijke elektropneumatische lade;C-H hout,grenen,c-g3metaal,spits gedrukte labia,zijbaarden
Octaaf 4’ 1962;geheel op lade,spotted metal,spits geritste bovenlabia,rond-geritste ondeabia:C-h1 expressions,c2-fis2 stemkrul,g2-g3
op lengte
Roerfluit 4’ 1962;C- f2 roergedekt,zijbaarden;fis2-g3 open,conisch;bijgedrukte labia
Doublet 2’* spotted metal;spits geritste bovenlabia,rondgeritste onderlabia;C-V expressions,fis1-g3 op lengte
Mixtuur 2-5 sterk* 2011;hoog tingehalte,salicionaalmensuur:spits gedrukte labia;expressions tot 1/4’;samenstelling:
C 22/3 2
co 4 22/3 2
c1 51/3 4 22/3 2
c2 8 51/3 4 22/3 2
Cornet 5 sterk* vanaf c1;spotted metal;8’-koor gedekt,overige koren open;spits geritste bovenlabia.Samenstelling:
c1 8 4 22/3 2 13/5
Trompet 8’* Franse factuur;C-H enkele kop met kraag;c-g3 met kop en ring;fis2-g3 dubbele bekerlengte
Reciet expressief (C-g3) C-H opgeworpen labia;c-g3 geperste labia;C-g3 expressions;C-F zijbaarden
Vioolprestant 8’ spits geritste bovenlabia;C-g3 expressions;C-H rolbaarden,c-f1 freins,fis1-g3 zijbaarden
Viola di Gamba 8’ vanaf c,spits geritste labia,expressions
Vox Coelestis 8’ C-G gecombineerd metViola di Gamba,Gis-g3 2011,expressions;rond geritste labia
Aeoline 8’ gedekt;C-H hout,grenen,c-g3 orgelmetaal,zonder bovenlabia
Bourdon 8’ spits geritste labia;C-g2 expressions gis2-g3 op lengte
Viola 4’ C-Fis gedekt,G-h open,c1-g3 overblazend;G-g3 stemkrul
Fluit Harmoniek 4’ in 1952 ingekorte Aeoline;C-H reëele lengte,c-g3 dubbele corpuslengte en overblazend,geperste labia,C-V stemkrul,fis1-g3
Piccolo Harm.2’* op lengte
1952;C-H 22/3’roergedekt,c-f 22/3’open met expressions;vanaf fis 2 sterk:22/3’– 13/5’;spitsgeritste bovenlabia,rond geritste
Sesquialter 1-2 sterk* onderlabia;tot 1/4’lengte met stemkrul
Franse factuur,geheel orgelmetaal.fis2-g3 dubbele bekerlengte
Trompet Harm 8’* Franse factuur;C-h trechtervormige bekers en traanvormige kelen,c1-g3 hobobekers met wijd uitlopend bovenstuk en Bertou-
Fagot-Hobo 8’* nèche kelen;C-H stevels,koppen en kelen 1975;bekers waarvan de grootste met sifon 2011
rond 1900;geplaatst in 1993;Belgische factuur (Devos) met enkele kop met kraag;Bertounèche kelen
Vox Humana 8’*
Pedaal (C-f1) grenen
Contrabas 16’ gedekt;grenen
Subbas 16’
3 0 HET ORGEL 2013 | nummer 3
ORGELBOUWNIEUWS
LISSE, ST.-AGATHAKERK Pedaal (C-d1)
Op zaterdag 15 augustus 1914 werd in de St.-Agathakerk te Lisse (ge- Contrabas 16’
bouwd in 1902/1903) een nieuw orgel van de firma P.J. Adema & Zo- Subbas 16’
nen te Amsterdam in gebruik genomen. Joseph Thissen uit Roermond Openbas 8’
ontwierp de kas van het nieuwe instrument, dat een Van Assendelft- Violoncello 8’
orgel verving. De dispositie luidde: Bazuin 16’
Groot orgel (I, C-g3) Reciet expressief (II, C-g3) Uit een nota van mei 1943 blijkt dat Hubert Schreurs van Adama’s
Principaal 16’ Prestant 8’ Kerkorgelbouw de Violon 8’ wijzigde in een Nasard 22/3’ en de Salici-
Bourdon 16’ Viola di gamba 8’ onaal 8’ veranderde in één met een wijdere mensuur. Zeven jaar later
Prestant 8’ Voix céleste 8’ leverde Scheurs een omvangrijk voorstel in voor groot onderhoud,
Salicionaal 8’ Holpijp 8’ dat in de daarop volgende jaren gerealiseerd werd. De Fagot-Hobo 8’
Violon 8’ Aeoline 8’ werd een octaaf opgeschoven tot een viervoets registers met toevoe-
Fluit harmoniek 8’ Viola 4’ ging van twaalf labiaalpijpjes. De Octaaf 4’, die naar het oordeel van
Octaaf 4’ Fluit harmoniek 4’ Scheurs te dunne wanden had, werd van c-g³ vervangen door C-g²
Roerfluit 4’ Octaaf 2’ van de Octaaf 2’ van het Reciet. Ter vervanging van deze Octaaf 2’
Doublet 2’ Trompet harmoniek 8’ kortte Scheurs de Aeoline 8’ in tot en Flageolet harmoniek 2’. Tevens
Mixtuur II-IV st. Fagot-Hobo 8’ voegde hij een Sesquialter 1-2 st. in fluitmensuur toe. In november
Cornet V disc. 1955 werd het pedaalregister Violoncello 8’ verbouwd tot een Open-
Trompet 8’ fluit 4’. Een jaar later werd een nieuwe windmachine geplaatst. Het
Openbas 8’ C-a in het front,opgesoldeerde spitsbooglabia;houten rolbaarden ais-f1 op de lade;spits geritste bovenlabia,rond geritste on-
derlabia,expressions
Violoncel 8’ C-dis in het front, opgesoldeerde spitsbooglabia; e-f1 op de lade, spitsgeritste bovenlabia, rond geritste onderlabia, expres-
sions
Gedekt 8’ gedekt; C-f in 2011 geplaatst gebruikt pijpwerk; C-H grenen, c-f orgelmetaal; fis-f1 in 1962 geplaatst pijpwerk, spits geritste
bovenlabia,rond geritste onderlabia
Openfluit 4’ C-H zink,c-f1 orgelmetaal,expressions,spits geritste bovenlabia,rond geritste onderlabia
Bazuin 16’ Franse factuur;C-h zinken bekers,c1-f1 metalen bekers;C-h enkele kop met kraag;c1-f1 dubbele verzonken kop.
Trombone 8’* Franse factuur;1962;C-f transmissie van Bazuin,fis,-f’spotted metal;dubbele kop
Klaroen 4’* Franse factuur;1962;C-f transmissie van Bazuin/Trombone,fis-f1 spotted metal;dubbele kop
Werktuiglijke registers
Registerdrukkers en combinatietreden: Combinatietreden Balanstreden:
Comb.Reg.1 Expression
1+11 Oct.grave II Comb.Reg.II Reg.crescendo
Comb.Reg.Ped.
P+I Oct.grave 1+11
P+ II Oct.aigue 1+11
Tremolo II Oct.aigue P+11
Drukknoppen en combinatietreden
> (setzer een positie vooruit)
< (setzer een positie achteruit)
Elektronische setzercombinatie met 99 kanalen,waarvan ieder kanaal 64 combinaties bevat,die elk verdeeld zijn in 8 groepen (A t/m H) van 8 combi-
naties (1 t/m 8),te bedienen
Toonhoogte:a1 = 435 Hz
Stemming:evenredig zwevende temperatuur
3 1HET ORGEL 2013 | nummer 3
Foto: Ton van Eck reerd was, konden ook plannen ontwikkeld worden voor de restau-
ratie van het orgel dat in de loop der jaren achteruit was gegaan. In
Reciet kreeg naast de Sesquialter een Piccolo 2’ erbij, het Groot Orgel 2004 stelde Henk Verhoef een rapport op. Ton van Eck nam het ad-
een Nasard 22/3’ (ingekorte Violon 8’). Ook werd de samenstelling viseurschap over namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad. Rudi
van de Mixtuur gewijzigd. van Straten trad op als orgeldeskundige namens de Rijksdienst voor
In 1962 kreeg het orgel een nieuwe speeltafel en werd de tractuur het Cultureel Erfgoed. Toen onverwacht snel subsidie voor het restau-
geëlektrificeerd. Deze elektrificatie bood gelegenheid het orgel uit te ratieplan beschikbaar kwam in de BRIM-achterstandsregeling Rrwr
breiden met behulp van supplementlades waarop pijpen van nieuwe 2007, kon de opdracht tot restauratie op 22 december 2008 gegeven
registers geplaatst konden worden. Het Groot Orgel werd uitgebreid worden aan Adema’s Kerkorgelbouw. Het gerestaureerde orgel werd
met een Holpijp 8’, het Reciet met een Larigot 11/3’ en een Scherp 4 in februari 2011 opgeleverd. De officiële inspeling was op zaterdag 23
st. Door middel van transmissies werd het Pedaal uitgebreid met vijf juni 2011.
registers. De Bazuin 16’ kreeg een eigen lade en 24 extra tonen voor
een transmissie als Trombone 8’ en Klaroen 4’. Op de vrijgekomen Restauratiewerkzaamheden
plaats van de Bazuin kwam een Ruispijp 2 st. Aan de Subbas werd De orgelkassen zijn grondig gereinigd en opnieuw in de boenwas ge-
een supplementlade toegevoegd van 12 tonen voor een transmissie zet. De frontpijpen zijn gereinigd met zachte zeep, waar nodig weer
als Gedekt 8’. Uit de Subbas 16’ creëerde Schreurs een Majorbas 32’, opgevormd en gepoetst zodat het patina behouden is gebleven. De ja-
met een akoestisch groot octaaf. In de jaren zeventig werd de Fagot- loezieën van de crescendokast zijn gereinigd, gevlakt en voorzien van
Hobo weer hersteld als achtvoets register. In 1985 onderging het or- nieuw vilt. Alle houtwerk is geschilderd in de voor Adema kenmer-
gel schoonmaak en herstel door Antoine Scheurs. Een aantal jaren kende rode kleur. Door het aanbrengen van een luik in de loopplank
daarna voegde hij een Vox humana 8’ op een supplementlade aan het van het Reciet is het Reciet weer toegankelijk via de normale ingang
Reciet toe. Bovendien werd de Violoncello 8’ van het Pedaal gerecon- onderin de rechter orgelkast.
strueerd en de Ruispijp 2 st. vervangen door een Openfluit 4’. De hoofdbalg is nagezien, aan de binnenzijde met nieuw papier be-
plakt en opnieuw beleerd. De regulateurbalgen van het Groot Orgel
Toen aan het begin van de eenentwintigste eeuw de kerk gerestau- en het Reciet zijn in het atelier van de orgelmaker geheel gerestau-
reerd. De banden aan de binnenzijden zijn overgezet met nieuw Ieer
3 2 HET ORGEL 2013 | nummer 3 en de hoeken en neuzen op de zwikkels aan de buitenzijde vernieuwd.
Adema verving de mechanische balanskleppen door een nieuwe, vrij
hangende klep op de bodem van de balg met een balansarm voor de
regulatie. De balgen zijn voorzien van dubbel Ieer. De coulissen zijn
ontroest en weer zwart gelakt. De scheuren in het reservoir zijn op-
gevuld waarna het geheel in de originele kleur groen is afgewerkt. De
compresseurbalg uit 1964 is verwijderd.
De windkanalen zijn gereinigd en nagezien op scheurvorming, de
verstekken zijn verlijmd en opnieuw beleerd. Voor de voeding van de
relais van het Groot Orgel zijn, conform de oorspronkelijke aanleg,
nieuwe, zwart geschilderde kartonnen conducten vervaardigd met
beleerde verstekken. De bestaande conducten zijn nagezien en op-
nieuw zwart geschilderd. Voor de supplementlade van de Holpijp 8' is
een nieuw kartonnen conduct vervaardigd. Voor de pedaalwindladen
van de Contrabas 16' en de Bazuin 16' zijn nieuwe kanalen vervaar-
digd uit massief obèche.
De windladen van Groot Orgel en Reciet zijn uit het orgel genomen
en in het atelier van de orgelmaker geheel gerestaureerd. Het cancel-
lenraam is opnieuw verlijmd, er zijn extra doken aangebracht om de
constructie te verstevigen. De onder- en bovenzijde van het raamwerk
zijn gevlakt, waarna aan de bovenzijde nieuw leer is aangebracht. De
pijpstokken zijn gereinigd. De stok van de Mixtuur kreeg een nieuw
dekstuk naar de originele maatvoering. Onder de voetjes in het lade-
interieur zijn leren ringen aangebracht ter voorkoming van hinderlijke
bijgeluiden. De membraanlatten zijn voorzien van nieuwe membranen
van dun geschaafd rundleder, de kleinere zijn van spaltleder. De regis-
terkasten zijn volledig gedemonteerd en nagezien, schijven, stangen
en moeren zijn vernieuwd.
De roosters van de lade van het Groot Orgel zijn in kleinere delen
opgedeeld. Voor de gereconstrueerde Mixtuur is een nieuw rooster
vervaardigd. De roosters zijn verstevigd met eiken bruggen. De re- Na montage is de in de loop der tijd veranderde intonatie terughou-
lais zijn gedemonteerd en schoongemaakt, nieuwe schijven met vilt dend waar mogelijk en doortastend waar noodzakelijk, nagelopen en
en Ieer op nieuwe stangen aangebracht. De magneten kregen nieuwe geëgaliseerd. Uitgangspunt daarbij was de klank die P.J. Adema & Zo-
regels. Ook de membranen op de voorrelais zijn vervangen. De wind- nen aan het orgel gaven bij de bouw in 1914. Ten slotte werd het werk
lade van de Bazuin 16’ met transmissies is grondig gereinigd en kreeg gestemd op de toonhoogte van 1914, a1 = 435 Hz, in de evenredig
een nieuwe windinlaat voor het nieuwe kanaal. zwevende temperatuur. De winddruk van hoofdbalg, Pedaal en relais
bedraagt 112 mm Wk, voor het Hoofdwerk 85 mm Wk en voor het
Nadat besloten was een deel van de gegroeide situatie met de later Reciet 94 mm Wk.
toegevoegde Sesquialter en de Vox humana op het Reciet te handha-
ven, werd hiervoor de volgende constructie toegepast. Adema breid- Bronnen: tekst grotendeels overgenomen uit Ton van Eck & Victor
de de windlade van het Reciet aan de achterzijde uit met twee register- Timmer, Orgels van de rooms-katholieke parochie te Lisse. (Uitgave
cancellen. Deze zijn los vervaardigd en tegen de windlade geschroefd, ter gelegeheid van de restauratie van het Adema-orgel in de St.-Aga-
de pijpstokken sluiten op de oorspronkelijke stok van de Fagot-Hobo thakerk te Lisse) (Lisse 2012); mededelingen van Ronald van Baekel
8’. Net als de hoofdlade is deze uitbreiding uitgevoerd als voetjeslade. (Adema’s Kerkorgelbouw).
De oorspronkelijke membraanlatten en registerkast zijn verlengd en
er zijn nieuwe eiken roosters gemaakt. UTRECHT, ST.-CATHARINAKATHEDRAAL (KOORORGEL)
Na de demontage bleek dat de stokken van de Recietlade in de bas alle Op 17 juni 2012 heeft de Utrechtse St.-Catharinakathedraal met een
waren verboord tijdens de plaatsing van het orgel in 1913, omdat het concert door Wouter van Belle, Paul Houdijk en Gerard Beemster een
oppervlak van de lade groter was dan dat van de crescendokast. Daar- Engels koororgel in gebruik genomen. Het instrument is afkomstig uit
door spraken de meeste pijpen in de bas nooit behoorlijk uit. Dit euvel Veendam en is in 1852 gemaakt door Daniel Gray.
is verholpen door de pijpstokken in de bas met behoud van zoveel mo- Daniel Gray (alternatieve spelling: Grey) geldt in de literatuur als een
gelijk materiaal te voorzien van nieuwe dekstukken en verboringen, ‘minor builder’ en er is (dus) maar weinig over hem bekend of gepubli-
zodat een ruimere plaatsing en betere uitspraak voor de betreffende ceerd.1) Of er een familierelatie bestaat met de grondleggers en leden
pijpen mogelijk werd. van het bekende orgelmakersgeslacht dat vanaf 1842 opereert onder
Voor de Subbas 16’, Cello 8’, Gedekt 8’ en Openfluit 4’ van het Pedaal de naam Gray & Davison, is niet bekend.2)
is een nieuwe kegellade gemaakt. Het afgevoerde groot octaaf van In Engelse volkstellingen in de jaren 1841, 1851, 1861, 1871 en 1881
de Subbas bleef op zijn plaats. De transmissie Subbas 16’/Gedekt 8’ lijkt het bij het voorkomen van de naam van orgelbouwer Daniel
is ongedaan gemaakt; door aanvulling van twaalf houten pijpen uit (1851: David) Gray (1841: Grey) steeds om dezelfde persoon te gaan.3)
voorraad van de orgelmaker en zes nieuwe metalen pijpen werd de Deze orgelmaker schatte zijn geboortejaar tussen 1811 en 1813 en de
Gedekt 8’ een zelfstandig pedaalregister. opgegeven geboorteplaats is het district Southwark in Londen. In de
Het speeltafelmeubel, in de stijl van het orgel en daterend uit circa volkstelling van 1891 komt de aanduiding ‘Organ Builder’ in combi-
1920 en afkomstig uit de voorraad van de orgelmaker, is hersteld. Het natie met spellingsvarianten van de naam niet meer voor.
zichtbare interieur van de speeltafel is geheel in stijl vernieuwd waarbij De jaren rond 1851, de periode waarin het koororgel van de kathe-
het elektrische-zwakstroom-gedeelte van de tractuur is omgebouwd draal moet zijn gemaakt, lijkt een hoogtepunt in Grays werkzame le-
naar een digitaal systeem dat functioneert op 24 volt. ven. Op dat moment voegt Gray de opmerking ‘Employing 2 Men’
Het metalen pijpwerk is grondig gereinigd en schade hersteld. De hou- (twee man in dienst) toe bij de opgave van zijn beroep. Zijn werkplaats
ten pijpen zijn nagezien op scheurvorming en waar nodig verlijmd. Op is dan al minimaal tien jaar gevestigd op 6th Ely Place, St. George’s
de stoppen is nieuw vilt en Ieer aangebracht. De lepels, krukken en Road, Southwark. Ook in 1860 werkt Gray (nog?) vanaf dit adres,
tongen van de tongwerken zijn gepolijst, de loden koppen zijn gerei- maar de in 1861 opgegeven verblijfplaats duidt op een langer verblijf
nigd en ingevet. Door de nieuwe tongen houden de tongwerken van ten noordoosten van Londen. Weer later (1871) bevindt Gray zich aan
het Groot Orgel en het Reciet nu beter stemming dan voorheen. de westkant van het land. Wellicht is dit de periode dat hij werkt aan
De oorspronkelijke dispositie van het Groot Orgel is hersteld door het orgel van Leaton.4) Een jaar na de volkstelling zou Gray in dezelfde
toevoeging van de Salicionaal 8’ en de Violon 8’, de Holpijp 8’ is ge- omgeving een orgel restaureren (Eaton Constantine, 1862).5)
handhaafd. Het in de loop van de tijd vernieuwde pijpwerk van de Oc- Hoewel een volledig overzicht van Grays oeuvre ontbreekt, valt op
taaf 4’ en Roerfluit 4’ is eveneens gebleven. De restaurateur herstelde dat alle tot nu toe bekende orgels gemaakt of geplaatst zijn in kleine
de samenstelling van de Mixtuur in salicionaal-mensuur en 90 procent
tin. De Aeoline 8’ is nieuw gemaakt aan de hand van de teruggevon- 1) James Boeringer, Organa Britannica, Organs in Great Britain 1660-1860, deel 1
den pijpen in de Flageolet Harmoniek 2’. De oorspronkelijke combi- (Londen en Toronto 1983) 80.
natie van het groot octaaf met dat van de Viola di Gamba 8’ is her-
steld door middel van een pneumatisch, vanuit de hoofdlade bediend 2) Boeringer, Organa Britannica, 112.
transmissieapparaat waarop het groot octaaf van de Viola di Gamba 3) www.ukcensusonline.com, geraadpleegd 20 januari 2013.
8’ is geplaatst. De stokken van de Sesquialter zijn voorzien van nieuwe
dekstukken; ook is een nieuw rooster gemaakt. Voor de Fagot-Hobo 4) Boeringer, Organa Britannica, 112.
zijn twaalf nieuwe metalen bekers vervaardigd, de grootste voorzien 5) BIOS Reporter, Januari 1988, te raadplegen op http://www.npor.org.uk/Repor-
van een sifon. ter/jan88.pdf (13/04/2013).
3 3HET ORGEL 2013 | nummer 3
kerken op het Engelse platteland.6) Veel van dit soort orgels lijken het Foto: Wouter van Belle
lot van het orgel voor de Baptist Church in Clare (Suffolk, Gray 1842- Foto: Wouter van Belle
1843) te (hebben) ondergaan. Dit orgel is verplaatst naar Wheatacre
(Norfolk) en rond 1965 blijkt dat het is ‘omgeruild voor een harmo-
nium door die wat kleine man uit Norwich die het altijd stemde.’7)
Dat Grays werk niet beperkt bleef tot orgelbouw voor kerken, blijkt
uit de werkzaamheden aan een salondraaiorgel, een cilinderdraaior-
gel. Dit orgeltype kon trouwens - uiteraard met toepasselijk reper-
toire - ook in kerken staan. Het ‘large chamber barrel-organ (...).
Incomplete’ waaraan Grays naam verbonden is, bevond zich in 1970
in Parijs.8)
Dat Gray in 1840 nog traditioneel Engelse orgels bouwde, blijkt onder
meer uit het instrument dat in 2012 te koop werd aangeboden door
Holmes and Swift (Fakenham, Norfolk).9) Dit instrument heeft de vol-
gende dispositie:
Manual (GG-f3)
Stopped Diapason B 8’
Open Diapason 8’ (af c)
Stopped Diapason 8’ (af c)
Dulciana 8’
Principal 4’
Flute 4’
Fifteenth 2’
Pedaal (GG-H) aangehangen
Geschiedenis van het Utrechtse orgel10)
Uit een inscriptie in de orgelkas blijkt dat het instrument in 1852 door
D[aniel] Gray gemaakt is.
Al in de negentiende eeuw moet er het één en ander aan het zich nu
in Utrecht bevindende orgel gewijzigd zijn. Het moment waarop de
Gamba 8’ wordt toegevoegd aan de Swell is niet bekend, maar aan-
genomen wordt dat dit nog voor de werkzaamheden van Frederick
Tucker is gebeurd. Evenmin is bekend hoe de Gamba technisch is inge-
voegd: is de lade uitgebreid, vermaakt, of is een ouder register komen
te vervallen?
Frederick Tucker uit Plymouth breidt het orgel op een onbekend mo-
ment uit met een vrij pedaal (Bourdon 16’) en een pedaalkoppeling.
Als dit dezelfde Tucker is die in 1860 nabij Plymouth geboren werd,
zal deze uitbreiding pas na 1890 hebben plaatsgevonden.
Rond 1965 wordt het pedaalklavier (van Tucker?) uitgebreid van C-d1
naar C-e1. Taco Boersma haalt het orgel naar Nederland, waarna F. R.
Feenstra Orgelrestauratie (Grootegast) het instrument in 1989 restau-
reert. Bij die gelegenheid wordt onder meer de lade van het Great uit-
gebreid om een Mixture II te kunnen plaatsen en de Gamba 8’ maakt
6) Zie bijvoorbeeld http://www.npor.org.uk/Reporter/oct83/e1083.htm
(13/04/2013).
7) BIOS Reporter oktober 1983 http://npor.emma.cam.ac.uk/Reporter/oct83/
e1083.htm en lemma ‘Wheatacre’ in http://www.npor.org.uk/ (13/04/2013).
8) Lyndesay G. Langwill en Noel Boston, Church and Chamber Barrel-Organs (...)
(Edinburgh 1970) 54, 110.
9) http://www.organrestoration.co.uk/for-sale.html (13/04/2013).
10) Grotendeels overgenomen uit Het Historische Orgel in Nederland, 1850-1858
(Amsterdam 2002) 153-154.
3 4 HET ORGEL 2013 | nummer 3
plaats voor een Oboe 8’ (Hill, ca. 1870). Metalen niet-sprekende uitgangsgezind was dat hij het register Lieblich Gedackt onmiddellijk
frontpijpen vervangen bovendien de houten exemplaren. Het instru- overnam. Waarschijnlijk is ook dit register een aanpassing uit later tijd
ment krijgt een plek in de Gereformeerde Kerk (vrijg.) te Veendam. is, al dan niet ter vervanging van een ouder register.
Als deze gemeente samen met de Christelijke Gereformeerde Kerk Het 1852-concept lijkt daarmee toch traditioneler dan het nu over-
van Veendam-Wildervank in 2010 het kerkgebouw De Kandelaar komt. Mogelijk hebben ook de klavieromvang, tractuur en verdeling
in Veendam betrekt, komt het Gray-orgel van de vrijgemaakt-gere- van de registers over twee manualen er in het verleden anders uitge-
formeerde kerk vrij. Het orgel verhuist naar de Utrechtse kathedraal, zien.
want daar was er al jarenlang de wens om een orgel te kunnen bespe- Omdat dit orgel een overblijfsel is van een orgelbouwer met een be-
len in de directe nabijheid van het koor. Het orgel is geplaatst in het scheiden oeuvre, zou een technisch en historisch onderzoek naar dit
noordertransept, op een podium. Nieuwe verlichting is aangebracht orgel ook voor de Angelsaksiche wereld zeer relevant zijn.
bij de lessenaar, de eiken kas is donker gebeitst om tot een betere JAAP-JAN STEENSMA
aansluiting bij het overige kerkmeubilair te komen en de labia van de
frontpijpen zijn verguld. Waar nodig zijn de conducten die de grotere Bronnen
pijpen de lades afvoeren gerestaureerd. De laden van Great en Swell James Boeringer, Organa Britannica, Organs in Great Britain 1660-
liggen achter elkaar, het grotere pedaalpijpwerk staat links en rechts in 1860, deel 1 (Londen en Toronto 1983); Peter van Dijk (red.), Het
de kas, het kleinere erachter. Historische Orgel in Nederland, 1850-1858 (Amsterdam 2002);
Bij de overplaatsing was geen adviseur betrokken en enkele vragen Lyndesay G. Langwill en Noel Boston, Church and Chamber Barrel-
over de historie, de oorspronkelijke technische aanleg en de dispositie, Organs (...) (Edinburgh 1970); Nicholas Thistlethwaite, The Making of
blijven op korte termijn waarschijnlijk onbeantwoord. the Victorian Organ (Cambridge 1990).
Vanaf circa 1850 maakt de Engelse orgelbouw een enorme ont- Met dank aan Wouter van Belle (Utrecht), Fokke-R. Feenstra
wikkeling door, onder invloed van onder andere de Engelse Bach- (Grootegast). Edmund Holmes (Fakenham) en Nicholas Thistlethwaite
Renaissance en het daarmee hand in hand gaan van een oriëntatie op (Oxford).
de orgelbouw van het vasteland. Eén van de praktische uitwerkingen
is het gebruikelijk worden van een klavieromvang vanaf C. In de be- ZUIDHORN, HERVORMDE KERK
scheiden dispositie van het Gray-orgel in de kathedraal, is het register Het orgel in de Hervormde Kerk van Zuidhorn werd gemaakt door de
Lieblich Gedackt heel opvallend, want dit register is in 1852 nog maar orgelmakers Frans Caspar Schnitger jr. en Heinrich Hermann Freytag
kort bekend in Engeland: het komt voor het eerst voor op het orgel in compagnie. Het is gebouwd in de jaren 1792-1793 en werd op 1
dat de Duitse orgelmaker Edmund Schulze had opgesteld tijdens de april 1793 in gebruik genomen.
Wereldtentoonstelling van 1851. Dit instrument is niet het eerste in deze kerk. Bronnen geven aan dat
Het lijkt niet aannemelijk dat ‘minor builder’ Gray zo flexibel en voor- de kerk al in 1578 over een orgel beschikte. Over dit instrument is
helaas verder niets bekend. Wel is er iets bekend over het instrument
Dispositie Gray-orgel in de St.-Catharinakathedraal, Utrecht dat vervangen werd door het huidige. Er is nog een contract uit 1663
bewaard gebleven waaruit blijkt dat er een overeenkomst was met or-
Great (C-g3) C-H gecombineerd met Stopped gelmaker Hendrick Huis.
Open Diapason 8’ Diapason Het is niet duidelijk waar het orgel gestaan heeft in de kerk of hoe het
Hout, bas gedekt, discant open eruitzag.
Stopped Diapason 8’ Aan het eind van de achttiende eeuw verkeert het orgel van Huis in
Open Flute 4’ (1989, C: 2’, 11/3, c1: 22/3, 2) een zodanig slechte staat dat het moet worden gerestaureerd. Er is he-
Mixture II laas niets van deze restauratie terechtgekomen. Uiteindelijk ontstond
een nieuw idee: het laten maken van een nieuw orgel.
Swell (C-g3) C-H hout, rest metaal met mahonie
Lieblich Gedackt 8’ stoppen, na 1852 Frans Caspar Schnitger jr., een kleinzoon van de beroemde Arp Schnit-
ger, zette na de dood van Hinsz in 1785 deze orgelmakerij voort. In
Principal 4’ (Hill 1870, geplaatst in 1989 ter 1788 kwam het tot een compagnonschap met orgelmaker Heinrich
Oboe 8’ vervanging van Gamba 8’) Hermann Freytag. Deze compagnons bouwden in 1792 hun eerste in-
strument in de kerk van Bierum. Het orgel van Zuidhorn voltooiden
Pedal (C-e1) (na 1890?) ze een jaar later.
Bourdon 16’ Het contract dat deze compagnons sloten met de kerkvoogdij van
Zuidhorn is bewaard gebleven. Daarin is te lezen dat de frontpijpen
koppeling Great-Swell, Pedal-Great, zweltrede (inhaak) gemaakt dienden te worden van zuiver Engels tin, de overige pijpen
van goed metaal. Het hout moest droog wagenschot zijn. De onderste
a1 = 440 Hz, gelijkzwevend gestemd toetsen van het klavier werden belegd met ivoor, de boventoetsen zijn
magazijnbalg, winddruk 76 mm van ebbenhout. Uit ruimtegebrek werden de drie spaanbalgen op zol-
3 5HET ORGEL 2013 | nummer 3
der geplaatst, zij werden in werking gesteld door aan touwen te trek- orgel omgebouwd moest worden van een eenklaviers naar een twee-
ken. De prijs van dit nieuwe instrument bedroeg ƒ 2.550. De orgelma- klaviers orgel. Het Schnitger/Freytag-orgel werd in technische en ar-
kers namen het oude orgel van Huis over voor ƒ 75. Het resterende tistieke zin omgevormd naar een eigentijds instrument. Alle mechani-
bedrag moest in drie termijnen worden betaald. sche onderdelen werden verwijderd en vervangen door een pneuma-
Er is in het contract van Schnitger/Freytag steeds sprake van een tische tractuur en bijbehorende kegelladen. De oude claviatuur werd
nieuw orgel. De oorspronkelijke dispositie volgens de schrijfwijze van verwijderd, maar men liet de oude lessenaarsbak wel zitten, evenals de
het contract is: registerknoppen met opschriften. Aan de rechterkant, gezien vanuit
de kerk, werd een gat in de orgelkas gezaagd en een nieuwe speeltafel
‘Bestek van een geheel nieuw Orgel, in de kerk van Zuidhorn op Order geplaatst.
der H. heeren Kerkvoogden, den H.W.G. heer M. Clant, Heere van Vanaf dat moment is het een tweeklaviers orgel, waarbij de oude re-
Hankema.&.&.&.&. en den H.E.G. Heer W. Siccama, Burgermeester gisters verdeeld waren over Hoofdwerk en Nevenwerk.
der Stad Groningen &.&.&. door F.C. Snitger en H.H. Freijtag in De oorspronkelijke Trompet 8’ werd vervangen door een zinken
Comp, hier onder gespecificeerd. exemplaar, de Mixtuur en Nassat werden verwijderd. De Viola di
Gamba en de magazijnbalg uit 1878 werden gehandhaafd.
Ar. 1. De frontpijpen werden met zinkverf bespoten. Het pijpwerk op de
Zal een nieuwe Sleep=Windlaad, van goed droog wagenschott wor- lade werd opgeschoven zodat het orgel een halve toon boven nor-
den gemaakt, verdeelt in lang Octaaf van groot C tot driegestreept d, maal klonk. Tevens werd het pijpwerk voorzien van expressions. Van-
in allen 51 claves met volgende 12 Stemmen. wege de nieuwe pneumatische tractuur werd de winddruk opnieuw
verhoogd. Voor de Octaaf 2’ gebruikte Van Dam uit eigen voorraad
1. Praestant 8 voet engelsch Thinn enkele pijpen om dit register te completeren.
2. Bourdon 16 voet Verder werden er nieuwe registers geplaatst op het tweede manuaal,
3. Holpijp 8 voet namelijk een Violon 8’ en een Aeoline 8’.
4. Speelfluit 4 voet De uitbreiding van het klavier werd mogelijk gemaakt door het plaat-
5. Octaaf 4 voet sen van gebruikt pijpwerk voor dis3-g3.
6. Nassat 3 voet
Dispositie
7. Gedakt=fluit 4 voet orgel in de Hervormde Kerk te Zuidhorn
8. Octaaf 2 voet
9. Woudfluit 2 voet Manuaal (C- d3)
10. Sexquialter 2 sterk
11. Mixtuur 4.5.6 sterk Bourdon 16’ 1793
12. Trompet 8 voet’
Praestant 8’ 1793
Het orgel wordt op 28 en 29 maart 1793 gekeurd door organist J.H.
Tammen, organist van de Academiekerk te Groningen. Deze is bijzon- Holpijp 8’ 1793
der lovend over het door Schnitger/Freytag geleverde resultaat.
Octaaf 4’ 1793
In 1877 repareerde en wijzigde orgelmaker Petrus van Oeckelen het
instrument. Hierbij werden de drie spaanbalgen vervangen door een Speelfluit 4’ 1793
magazijnbalg, die evenals de oude balgen ook op zolder gesitueerd
werd. Verder werd de kanalisatie gewijzigd, werden de speel- en re- Gedakt Fluit 4’ 1793
gistermechanieken en claviatuur hersteld, en werd de orgelkas in rij-
tuigenzwart geschilderd met gouden bies. Tevens werd bij deze gele- Nassat 3’ 2012
genheid de dispositie gewijzigd, waarbij de Sexquialter plaats moest
maken voor een Viola di Gamba 8’; de samenstelling van de Mixtuur Octaaf 2’ 1793/1924
werd gewijzigd in 2-4 sterk.
De nieuwe loden registerplaatjes werden aangebracht over de oude Woudfluit 2’ 1793
van papier. Ook volgde een volledige herintonatie op hogere wind-
druk dan voorheen en kreeg het instrument een moderne gelijkzwe- Sexquialter 2 sterk 2012
vende stemming.
Mixtuur B/D 3-6 sterk 2012
De grootste ingreep in de geschiedenis van het orgel vond plaats in de
jaren 1923-1924 toen orgelmakerij Van Dam (IV) uit Leeuwarden de Trompet B/D 8’ 2012
opdracht kreeg het orgel te verbeteren. Tijdens de vergadering van
kerkvoogdij op 7 november 1922 werd het besluit genomen dat het Pedaal (C-d1)
aangehangen
3 6 HET ORGEL 2013 | nummer 3
Werktuigelijke registers
Tremulant
Windlosser
Toonhoogte: a1 = 465 Hz bij 180 C
Winddruk: 68 mm Wk
Stemming: Kellner
Drie spaanbalgen (2012)
Foto: Kees Kugel
Foto: Kees Kugel
3 7HET ORGEL 2013 | nummer 3
Sound
craftmanship
Zuidergracht 17 3763 LS Soest The Netherlands
Tel. +31 (0)35 - 601 25 92 Fax +31 (0)35 - 603 11 50
Er zijn orgels…. én er bestaan VAN PLANK TOT KLANK
orgels van Steendam.
Nieuwbouw, restauratie en onderhoud.
Jarenlang vakmanschap en liefde voor het vak Ambachtelijk uitgevoerd.
laten de kwaliteit van onze handgemaakte orgels
tot grote hoogten stijgen. De Steendamorgels BAG Orgelmakers b.v. Telefoon 053 4322072
worden tot 9 meter hoogte in eigen atelier afge- De Ossenboer 20 Email [email protected]
bouwd, dus het plaatsen en afmonteren in uw 7547 SJ Enschede
kerk gaat veel sneller en bezorgt aanmerkelijk
minder overlast. En… het is op die manier nog
een stuk voordeliger ook! Duurzame, eersteklas
materialen en een doordachte constructie geven
elk Steendamorgel precies die kwaliteit en
draagkrachtige toon, waar u naar zoekt.
Op maat gemaakt en exact volgens uw wensen.
Wij hebben een coöperatieve samenwerking met
een team ervaren Tsjechische orgelbouwers.
Onze orgels zijn in heel Nederland en in diverse
buurlanden te vinden.
Tevens hebben wij tweedehands orgels die
aangepast kunnen worden aan uw situatie.
Wij geven zelfs 15 jaar garantie. Een orgel van
Steendam klinkt naar een nadere kennismaking.
Belt u ons voor een geheel vrijblijvende afspraak
of kijk op onze uitgebreide website.
www.orgelmakerijsteendam.nl
Westerdijkstraat 21, 9983 PR Roodeschool
tel. 0595-412261
3 8 HET ORGEL 2013 | nummer 3
De situatie van 1924: In 1973 maakte adviseur Klaas Bolt een restauratierapport. Het zou
echter wegens het ontbreken van de benodigde gelden nog jaren du-
Manuaal I C-g3 1793 ren voordat met de restauratie begonnen werd. Adviseur Aart van
Prestant 8’ 1793 Beek bracht namens de landelijke Orgelcommissie van de Hervormde
Bourdon 16’ 1793 Kerk een Voorlopig Rapport uit. Ook dit rapport bleef zonder gevol-
Holpijp 8’ 1924 gen.
Violon 8’ 1793 Als in 1995 organist Kees Kugel zijn bezorgdheid toont aan de Kerk-
Octaaf 4’ 1793 voogdij over het functioneren van het orgel, wordt er gehandeld met
Fluit 4’ 1793/1924 daden. Stef Tuinstra wordt aangetrokken als adviseur. Het zal nog tot
Octaaf 2’ 1924 2009 duren voordat de kerk subsidie ontvangt van het Rijk. Een jaar
Trompet 8’ nadat de toekenning van de subsidie een feit is, wordt aan orgelmake-
rij Mense Ruiter de opdracht gegeven het instrument te restaureren/
Manuaal II C-g3 1878 reconstrueren.
Viola di Gamba 8’ 1793 (transmissie Holpijp HW)
Holfluit 8’ 1924 (transmissie Violon HW) Het orgel is gereconstrueerd naar het voorbeeld van de Schnitger/
Violon 8’ 1924 Freytag-orgels van Bierum en Bellingwolde. Er zijn behalve nieuwe
Aeoline 8’ 1793 klavieren voor Hoofdwerk en Pedaal, ook nieuwe speel- en regis-
Speelfluit 4’ 1793 termechanieken en wellenborden geplaatst. Nieuw is de windlade,
Woudfluit 2’ evenals de gehele windvoorziening en de registers Nassat, Mixtuur,
Sexquialter en Trompet. Ook is er onderzoek gedaan naar de mogelijk
Pedaal C-f1 oorspronkelijke kleurstelling van het instrument.
Subbas 16’ (transmissie Bourdon HW)
Bourdon 8’ (transmissie Holpijp HW) Vrijdag 15 juni 2012 heeft de officiële inspeling van het gerestaureer-
Vaste combinaties de orgel plaatsgevonden door middel van een concert, gegeven door
PP/P/MF/F/T/O de adviseur.
Koppels Man II-I / Sub II-I / Super I / Ped-I / Ped-II HENK DE VRIES
Bronnen: Rapport Klaas Bolt/Stef Tuinstra, (1973/1997); Rapport-
toevoegingen Stef Tuinstra (2003-2007); mededelingen Stef Tuinstra;
Het Historische Orgel, deel 1790-1818 (Amsterdam 1999) 83-85; Kees
Kugel, Zyne werken wyzen zyne kunde aan (Groningen 2012); G.H.
Broekhuyzen Senior, Orgelbeschrijvingen, deel 2 (Amsterdam 1986)
909.
Orgelmakerij Van der Gutten bv
nieuwbouw | restauratie | onderhoud
Hoofdweg 99 | 9684 CC Finsterwolde
tel 0597 - 33 14 72 | 06 - 22 90 94 79 | fax 0597 - 33 15 27
www.orgelmakerij.nl | [email protected]
3 9HET ORGEL 2013 | nummer 3
Klaus Beckmann uit Herten (D) stuurde de redactie onderstaande Blütezeit und Verfall (Mainz 2009, 385-389) analyseerde ik Buxtehudes
reactie naar aanleiding van het artikel 'De orgelkoraalkunst bij Te Deum opnieuw en deed een even eenvoudige als verrassende ont-
Buxtehude', deel 1 van Albert Clement. dekking: aan Versus III: Te Martyrum ligt een cantus planus (semibre-
ves, minimae) ten grondslag, waarvan de melodie (c.q. het toonhoog-
Bij Buxtehudes Te Deum en Albert Clements betoog in Het Orgel teverloop) – vooral in het tweede halfvers – überhaupt niet overeen-
(2013/2, pag. 36 vv.) wil ik graag een aantal aanvullingen geven: komt met de oudkerkelijke versie van de negende regel Te Martyrum
candidatus | * laudat exercitus (zie notenvoorbeeld 1).
(1) Wat de overlevering van Buxtehudes orgelwerken betreft, hoort het Buxtehude componeerde echter in zijn orgelvers het tweede halfvers
Te Deum, naast de d-moll Toccata, tot de bekendste probleemgevallen. tweedelig (zie notenvoorbeeld 2).
Zoals vaak voorkomt bij Buxtehude, is de situatie met betrekking tot Het is duidelijk dat de koraal- en mensurale versies, het gregoriaans en
de bronnen niet gunstig: de (tabulatuur-)autograaf ontbreekt, een Buxtehudes composities onverenigbaar zijn.
door Spitta (voortaan: Sp) in 1876 gebruikte muziekafschrift is sinds (a) Oplossing van dit raadsel biedt de tiende regel, waar het lettergre-
de Tweede Wereldoorlog spoorloos verdwenen, alle edities baseren penaantal en het toonhoogteverloop van het Latijnse koraal nauwkeu-
zich op de rond 1715 ontstane notentekst (Berlin P 801) van Johann rig overeenkomen met de cantus planus die Buxtehude presenteert (zie
Gottfried Walther (voortaan: JGW). Het afschrift dat Johannes Ringk notenvoorbeeld 3). De conclusie spreekt voor zich.
omstreeks 1730 maakte, bevat enkel het Praeludium. (b) Deze vondst plaatst echter vraagtekens bij de betrouwbaarheid van
de tekstoverlevering. Hoe komt een aantoonbaar verkeerde versregel-
(2) De volgorde Te Deum – Te Martyrum – Tu devicto – Pleni sunt die incipit (Te Martyrum) in de brontekst? Want nog altijd geldt JGW als
Sp en JGW geven, komt niet overeen met het gregoriaans (Te Deum – de grootste en belangrijkste verzameling, juist van Buxtehudes koraal-
Pleni sunt – Te Martyrum – Tu devicto). Dit is reeds in 1943 door Ethan gebonden orgelmuziek, omdat hij naar eigen zeggen briefcontact had
Rosenkilde Larsens in het Deense Medlemsblad for Dansk Organist- og met Buxtehudes vriend A. Werckmeister.
Kantorsamfund opgemerkt. Tegen de overgeleverde bronnen in speel- (c) Heeft de wijziging van de tekst, respectievelijk de nieuwe, echte
den moedige organisten sinds de jaren zeventig het werk in Noord- identiteit (regel 10, niet regel 9 als tekstbasis voor orgelvers III) beteke-
Duitsland conform de gregoriaanse volgorde. Een editie met de oor- nis voor de gehele structuur, de functie en uitvoeringspraktijk van de
spronkelijke volgorde van de vier orgelverzen (I: Te Deum, II: Pleni compositie? Het enig juiste antwoord verkrijgt men door tekstanalyse:
sunt, III: Te Martyrum en IV: Tu devicto) kwam met de verschijning van de regels 7 en 8 hebben in het Latijnse origineel geen gezegde, maar
de zesde druk van mijn Buxtehude-uitgave (Breitkopf) beschikbaar. moeten in samenhang met regel 9 gelezen worden om überhaupt be-
Daarna hebben de editoren Chr. Albrecht (Bärenreiter) en M. Belotti tekenis te hebben: 7: Der ruhmreiche Chor der Apostel, 8: die löbliche
(Broude) mijn beslissing overgenomen (laatstgenoemde zonder onder- Zahl der Propheten, 9: die im himmlischen Glanz strahlende Schar der
bouwing). Märtyrer lobt Dich. Het gaat dus om een driedelig, op zichzelf staan-
de samenstelling, waarvan de structuur door de (Latijnse) interpunc-
(3) In het kader van mijn boek Die Norddeutsche Schule, Orgelmusik tie dubbele punt – dubbele punt – punt logisch onderstreept wordt.
im protestantischen Norddeutschland zwischen 1517 und 1755, Teil II, Duidelijk onderscheiden van de drieregelige 7-8-9 biedt de aansluiten-
4 0 HET ORGEL 2013 | nummer 3 de tiende regel – Dich bekennt die heilige
Kirche weltweit. – een nieuwe gedachte,
zodat men het enkel met Buxtehude eens
kan zijn en hem er zelfs om kan bewon-
deren, hoe doelmatig en passend hij met
de bewerking van de tiende regel Te per
orbem terrarum als Versus III het gebruik
van het orgel effectief en zinrijk ingezet
heeft binnen het grote geheel.
(d) Daarmee is de volgende, waarschijn-
lijk historische, alternatim-uitvoering van
Buxtehudes Te Deum logisch en aanne-
melijk:
INGEZONDEN
[orgel:] PRAELUDIUM. Maat 1-43 als ‘virtuose Glanzstücke für ein [...] auf Repräsentation bedachtes
Großbürgertum’, welke gegoede burgerij de kunst bepaalde, hetgeen
[orgel:] VERSUS I / Te Deum laudamus... confitemur. Maat 44-94 opnieuw tot heftige kritiek van de zijde van het piëtisme leidde (zie:
Der nordelbische Organist, Bärenreiter 1982, 244).
[koor:] • In æternum • Tibi omnes • Tibi Cherubim (b) Buxtehudes opening van het Te Deum, het Praeludium, begint in
driekwartsmaat. Als men bedenkt dat preludia gewoonlijk in een
• Sanctus ... Zebaoth. binaire maatsoort (C of 4/4) stonden, is dit gegeven dermate opvallend
dat daarvoor een bijzondere reden geweest moet zijn: voorwerp van de
[orgel:] VERSUS II / Pleni sunt... tuæ. Maat 95-202 tekst is de drie-enige God, en deze Drie-eenheid moest klaarblijkelijk
door de ternaire maatsoort tot uitdrukking gebracht, hoorbaar
[koor:] • Te gloriosus • Te Prophetarum gemaakt worden. Hoewel aan het Praeludium geen tekst of cantus
firmus ten grondslag ligt en er evenmin een werktitel is, kan men stellen
• Te Martyrum ... exercitus. dat het incipit van de eerste tekstregel – Te Deum laudamus – als soort
overkoepelend motto de inhoud van de hele cyclus vertolkt
[orgel:] VERSUS III / Te per orbem terrarum... Ecclesia. Maat 203-224 (c) Buxtehudes Versus I en Versus III zijn cantus firmus-bewerkingen
zoals we die kennen van Samuel Scheidt (Tabulatura Nova, Hamburg
[koor:] • Patrem • Venerandum • Sanctum 1624) met purè & et absque colore – onversierd – gepresenteerde ko-
raalcitaten. Versus II representeert daarentegen de moderne concer-
• Tu Rex • Tu Patris • Tu ad... uterum. terende stijl van de koraalfantasie. Afsluitend biedt Versus IV de Ars
contrapuncti in hoogste perfectie, namelijk cum 4 subjectis, en wel bij
[orgel:] VERSUS IV / Tu devicto... cælorum. Maat 225-268 de tekst Tu devicto mortis aculeo [...] / Nachdem der Stachel des Todes
besiegt ist, hast du [...]. Opmerkelijk genoeg komt het viervoudig cont-
[koor:] • Tu ad dexteram • Te ergo rapunt overeen met Buxtehudes Tombeau voor zijn vader Johann over
Mit Fried und Freud ich fahr dahin (Lübeck 1674). Of en, zo ja, op welke
• Æterna fac • Salvum fac • ... ... in æternum. wijze de door Buxtehude gekozen stijlen bij zijn vier orgelverzen als
interpretatie-instrumenten van de teksten dienden, zou nog nauwkeu-
(4) Sp en JGW geven als titel boven VERSUS IV Tu devicto het merk- rig onderzocht moeten worden.
waardige (onzin) bijschrift cum et subjectis (‘met en subjecten’). Spitta (d) Het ‘Ethos der Kirchenmusik’ dat Michael Praetorius in zijn
interpreteert het teken dat weergegeven wordt het woordje ‘en’ als het Syntagma musicum (Tom. I, Epistola dedicatoria) onder woorden
cijfer 3, omdat naar zijn mening in de compositie bij de cantus planus bracht, krijgt naar mijn mening veel te weinig aandacht. De beide
drie subjecten gevoegd zijn. In de toenmalige theorie werden cantus ‘zuilen’ van de liturgie (kerkdienst) zijn volgens Praetorius Concio &
en subjectum niet als categorieën beschouwd, maar sprak men in het Cantio, preek (woord) en lied (gezang, kerklied, kerkmuziek, vocaal en
algemeen slechts van subjecten of contrapunten (en hier dus: viervou- instrumentaal). Beide zijn niet alleen even belangrijk, maar beïnvloeden
dig contrapunt). Het bijschrift moet dan ook cum 4 subjectis luiden. elkaar ook wederzijds – Concio als Cantio (bijvoorbeeld liedteksten)
Spitta zelf geeft een gedetailleerde beschrijving van het teken dat hij en tegelijk Cantio als Concio (bijvoorbeeld koraalfantasie = muzikale
als Latijnse woord ‘et’ (‘en’) las: de letter e word met een zwierige haal preek over een kerklied).
verlengd en vervolgens door een schuine streep van linksboven naar Dat Buxtehude Versus I-IV aan specifieke tekstelementen koppelt,
rechtsbeneden ongeveer in het midden doorsneden. Deze beschrijving documenteert de morele houding, het roepingsbewustzijn, van de
levert precies het cijfer 4, en wel de Arabische, oud-Duitse vorm ervan componist als ‘prediker in tonen’. Cantio is Concio, de organist van
op, waarbij de linkerpoot schuingeschreven is en daarmee het cijfer de Marienkirche gaf door middel van zijn muziek gestalte aan de lof
van boven afsluit: ‘4’; de latere, open vorm van het cijfer heeft links Gods. In Ordo (‘Gij [God] hebt alles geschapen naar maat, getal en ge-
en rechts twee verticale streepjes: ‘4’. Ik heb Spitta’s foutieve inter- wicht’, Wijsheid van Salomo 11, 21) en in de Ars weerspiegelt zich de
pretatie al in 1972 gecorrigeerd en op grond van Spitta’s beschrijving heerlijkheid van de Schepper. Evenzo prijzen schepselen die in de kunst
van het teken aangetoond dat het antieke cijfer 4 bedoeld werd (cum werkzaam zijn in hun werken de Schepper. ‘Van God, voor God’ is een
4 subjectis – Buxtehude, Sämtliche Orgelwerke, Breitkopf 6622, 161). fundamenteel reformatorisch uitgangspunt.
Helaas wordt in recente literatuur (Snyder, Belotti) nog steeds over ‘3 KLAUS BECKMANN (vertaling: Jan Smelik)
Subjectis’ gesproken.
4 1HET ORGEL 2013 | nummer 3
(5) In hoeverre is het Te Deum van Buxtehude ‘een onbetwistbaar
voorbeeld van een tekstgerelateerde orgelcompositie’? Clement
antwoordt dat de Lübeckse meester uit de gehele hymne persoonlijk
vier specifieke regels uitgekozen en getoonzet heeft, waarmee
Buxtehude aantoonde veel inzicht te hebben in de tekst. Dit moet ons
op onze beurt ertoe brengen eveneens zorgvuldig en weloverwogen de
literaire bronnen te onderzoeken.
(a) Is uit de doelgerichte tekstkeuze van Buxtehude een tendens af
te leiden, mogelijk een theologische? Hierbij zou ook bedacht moe-
ten worden dat Arnfried Edler de Te Deum-composities typeerde
John R. Near, Widor – A Life beyond John R. Near - Widor Ménestrel en Courrier Musical.
the Toccata Na Rollin Smith (monografieën over Franck, Widor (1844-1937) leidde een lang en ac-
Rochester: University of Rochester Vierne en Saint-Saëns) en James Frazier tief leven: hij werd geboren toen Mendels-
Press 2011 (Duruflé) is de Amerikaanse auteur John sohn en Chopin nog rondliepen, in de jaren
Gebonden, 588 blz. R. Near de volgende die – na een gedegen tachtig musiceerde hij met Franz Liszt en
ISBN-13: 978-1-58046-369-0 studie van dertig jaar – publiceert over een bezocht hij Bayreuth.
ISSN: 1071-9989 orgelcomponist uit de Franse (post)roman- Weer vijftig jaar later maakte hij Olivier
Prijs: € 75 tiek. Sinds Fenner Douglass (Cavaillé-Coll Messiaen nog mee als één van zijn laatste
Bestellen: www.urpress.com and the Musicians, 1980) en Orpha Ochse compositieleerlingen. Ten tijde van de pre-
(Organists and Organ Playing in Nineteenth- mière van Le Sacre du Printemps was hij
The Genius of Cavaillé-Coll Century France and Belgium, 1994) hebben als componist al passé, maar maakte zich
Fugue State Films 2012 talloze Amerikaanse en Engelse auteurs verdienstelijk als ‘secrétaire perpétuel de
(FSFDVD007) zich gespecialiseerd in de Franse orgel- l’Académie des Beaux-Arts’, oprichter van
dvd 1: The Genius of Cavaillé-Coll kunst. In 1997 publiceerde Ben van Oosten de Casa Velásquez in Madrid en als direc-
(Three-Part Documentary) zijn biografie Charles-Marie Widor – Vater teur van het Amerikaans conservatorium
dvd 2:The Organs of Cavaillé-Coll der Orgelsymphonie (Verlag Peter Ewers, te Fontainebleau (een zomeracademie voor
(Demonstrations and Music) Paderborn), die als enige mededinger van Amerikaanse studenten).
dvd 3: Après Cavaillé-Coll deze uitgave kan worden beschouwd. Op oudjaarsdag 1869 overleed Lefébure-
(Demonstrations and Music) Zijn huidige bekendheid dankt Widor bijna Wély op 52-jarige leeftijd. Cavaillé-Coll
cd 1 en 2: The Sounds of Cavaillé- uitsluitend aan zijn tien orgelsymfonieën. stelde direct aan de pastoor van Saint-
Coll (Music) Van de 87 opusnummers en talloze losse Sulpice voor om de briljante, pas 25-jarige
Prijs: € 94,95 werken zijn er evenwel slechts zes aan het Widor, leerling van Lemmens, te benoe-
Bestellen: orgel als solo-instrument gewijd, voorts vijf men. Gezien zijn leeftijd werd het een tij-
www.fuguestatefilms.co.uk in combinatie met orkest (en koor) en nog delijke benoeming, en zo is Widor 64 jaar
enkele begeleidingspartijen. In het boek ‘organiste provisoire’ geweest van Cavaillés
4 2 HET ORGEL 2013 | nummer 3 wordt gesuggereerd dat vooral Cavaillé- meesterwerk. Alleen Albert de Klerk heeft
Coll zijn jonge protégé heeft gestimuleerd het record van het organistschap aan één
tot het schrijven van orgelwerken. Andere kerk met enkele maanden ‘gebroken’.
organisten als Fauré en Gounod hebben
niets voor hun instrument nagelaten; tij- Near verdeelt zijn boek in vijf hoofdstuk-
dens liturgische vieringen werd immers al- ken: Widor’s Ancestry, Musical Education
leen geïmproviseerd. and Heritage (1844-1863), The First Crea-
Widor was in zijn tijd de gerespecteerde or- tive Period (1864-1879), The Years of Mas-
ganist van de Saint-Sulpice, orgel- en later tery (1880-1894), The Twilight of Widor’s
compositiedocent aan het Parijse conser- Compositial Career (1895-1909) en Mr.
vatorium, maar voor de doorsnee-Parijse Widor, Member of the Institute of France
concertbezoeker was hij de componist (1910-1937).
van het ballet La Korrigane (138 keer uit- In de bijlage vindt men een selectie van ti-
gevoerd), de opera’s Maître Ambros en Les tels van zijn artikelen, een volledige opus-
Pêcheurs de Saint-Jean, Conte d’Avril, talloze lijst en een chronologie.
liederen, kamermuziek, soloconcerten en Ook het notenapparaat is achter in het
gelegenheidswerken. boek ondergebracht, wat als zeer onhandig
Hij was een begenadigd auteur en criticus wordt ervaren. Het plaatsen van voetnoten
in meer dan 225 artikelen, verschenen in onder aan de pagina (zoals bij het boek van
periodieken als Estafette, Piano Soleil, Le Van Oosten) leest prettiger. Een bibliogra-
BESPREKINGEN
fie, index en een fotokatern (35 afbeeldin- dels 67 jaar oud. Widors kritiek op Franck reconstructie. Deze uitgave kan men be-
gen) besluiten het boek. als componist en orgeldocent is meer dan schouwen als een voorlopige inventaris van
Al gauw wordt duidelijk dat waar Van Oos- bekend. Zijn pupil Vierne wees hij meer dan wat tot nu toe is bereikt.
ten zich – na een inleiding en beschrijving eens terecht. De vernieuwde interesse in het werk van de
van Widor als organist, leraar, als mens, es- De auteur geeft een boeiende beschrijving Parijse orgelmaker resulteerde halverwege
sayist en Bach-interpreet – voornamelijk van de Parijse muziekwereld tussen 1860 de jaren tachtig ondermeer in de Motette-
richt op de orgelwerken die Widor naliet en 1937, voor een groot deel gebaseerd cassette L’Orgue Cavaillé-Coll: zeven lp’s,
(grofweg de helft van zijn boek, inclusief op de Souvenirs Autobiographiques, die de waarbij 28 authentieke instrumenten wer-
analyses, notenvoorbeelden, latere uitga- meester in 1934-1935 liet dicteren (overi- den bespeeld door vijf organisten. De re-
ven etc. ), Near meer doelde op de ‘alge- gens heeft Van Oosten ook van deze be- dactie van dit project lag in handen van
mene’ musicus Widor, precies zoals hij in langrijke bron kunnen gebruikmaken). Kurt Lueders en Gregor Klein. Onbekende
de titel ‘A life beyond the Toccata’ aangeeft. Near is er niet aan toe gekomen te onder- negentiende-eeuwse muziek vormde een
Hij gaf onlangs alle orgelsymfonieën uit in zoeken waarom Widors orkestrale werken belangrijk deel van het gespeelde reper-
de serie Recent Researches in the Music of en kamermuziek niet de tand des tijds heb- toire.
the Nineteenth and Early Twenteenth Cen- ben overleefd. De trend dat Franse organisten te pas en te
tury (Volume 11-20), compleet met historie Zijn invloed op Vierne en Tournemire (de onpas hun instrumenten konden laten om-
en analyses. Symphonie Romane kan als opmaat tot bouwen en/of uitbreiden is inmiddels fors
Beide auteurs laten de jaren van ‘eerste cre- L’Orgue mystique worden beschouwd) was afgenomen. Orgels zoals die in de Parijse
atieve periode’ en ‘meesterschap’ gelijktij- immens. Veel orkestwerken en kamermu- Madeleine, Ste.-Clotilde, Ste.-Trinité en St.-
dig oplopen. Zeer diplomatiek noemt Van ziek van zowel Vierne als Tournemire zijn Vincent-de-Paul waren niet in de Motette-
Oosten de compositiejaren 1900-1937 ‘Die inmiddels op cd verschenen, maar menig cassette opgenomen en zal men in de hui-
späte Periode’. Slechts weinig organisten lezer zal toch ook zeer benieuwd zijn naar dige dvd-box ook niet aantreffen. Restau-
kennen de Suite Latine (1927) en de Trois de klank van La Korrigane of Conte d’Avril. raties in de St.-Sernin te Toulouse, Fonda-
Nouvelles Pièces (1934), ook Bach’s Me- Of moeten we daarvoor tot 2037 wachten? tion Royaumont, Notre-Dame te Epernay,
mento (1925) staat zelden op de lessenaar. Een indrukwekkend en lezenswaardig kathedralen in Saint-Brieuc en Orléans (en
Near beschrijft Widor als een graag geziene boek! de Haarlemse Philharmonie) weerspiegelen
gast van de Parijse elite en de salons, als RENÉ VERWER een hernieuwde interesse. Opmerkelijk is
internationaal ambassadeur van de Franse wel dat de documentatie over Cavaillé-Coll
kunst met veel waardevolle connecties. Zo The Genius of Cavaillé-Coll en de Franse orgelschool vaak in handen
gaf hij de première van zijn Symphonie Ro- Het Engelse Fugue State Films bracht eind is van Engelse, Amerikaanse en Duitse or-
mane in de Berlijnse Gedächtniskirche en 2012 een box met drie dvd’s en twee cd’s ganisten en musicologen (Douglass, Smith,
droeg hij zeven jaar later de Sinfonia sacra uit, getiteld The Genius of Cavaillé-Coll. De Eschbach, Ochse, Klein, Busch).
op aan de Akademie für Schöne Künste in box bevat een uitgebreide documentaire Tot de initiatiefnemers en presentatoren
Berlijn. over de beroemde orgelmaker en er wor- van dit project behoorden Gerard Brooks
Hij concerteerde en dirigeerde in veel Eu- den 17 orgels – van 6½ tot 100 registers (Westminster Methodist Central Hall, Lon-
ropese landen, tot aan Rusland toe. Als in- – door elf organisten gedemonstreerd en den), Kurt Lueders, Carolyn Shuster-Four-
speler van nieuwe orgels was hij in tegen- bespeeld. nier, David-Noël Hudson (alle drie als orga-
stelling tot Guilmant exclusief aan de firma Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw nist en/of musicoloog in Parijs werkzaam)
Cavaillé-Coll verbonden. werden restauraties van Cavaillé-Coll- en Ronald Ebrecht (Wesleyan University/
Toch was hij niet bij eenieder geliefd. Oud orgels – na decennialang ontluisterende USA). Van Franse zijde werkten de organis-
zeer leidde ertoe dat Gabriel Fauré, zijn ingrepen – op een meer piëteitvolle wijze ten Michel Bouvard (St.-Sernin, Toulouse),
eeuwige rivaal, als directeur van het Pa- uitgevoerd, waarbij men steeds vaker de Jean-Pierre Griveau (Ste.-Croix, Orléans),
rijse conservatorium in 1911 niet Widors oorspronkelijke staat als uitgangspunt Olivier Latry (Notre-Dame, Parijs), Eric
protégé Vierne als orgelleraar benoemde, nam. Soms was er sprake van een volledige Lebrun (St.-Antoine-des-Quinze-Vingts,
maar zijn oude studievriend Gigout, inmid- Parijs), Thomas Monnet (St.-Maurice,
4 3HET ORGEL 2013 | nummer 3
Kurt Lueders legt de werking van de
Barkermachine uit.
Fragment uit de documentaire The genius of
Cavaillé-Coll (Fugue State Films, 2012)
Courbevoie), Pierre Pincemaille (Saint- chines, dubbele laden, klankontwikkeling geplaatste salonorgels, waarvan één zelfs
Denis, basiliek) en Daniel Roth (St.-Sulpice, en registratiemogelijkheden worden boei- op 32’-basis, zijn in deze box opgenomen.
Parijs) mee. end uiteengezet, zelfs het verschil in klan- Het huisorgel van Widor, gemaakt door
Het project is grondig en zeer educatief op- keffect tussen een Plein-jeu harmonique en Cavaillé-Colls zoon Gabriel, staat alweer
gezet. Op de eerste dvd wordt in drie delen klassieke vulstemmen komt meermaals aan dertig jaar in een kerk in de buurt van Dijon.
de ontwikkeling van de Franse orgelbouw de orde. De in Frankrijk door Lemmens op Ebrecht behandelt de maatschappelijke
in een brede historische context geplaatst. gang gebrachte Bach-renaissance loopt als kant van de orgelontwikkelingen, zoals de
Brooks demonstreert de overgang van de een rode draad door het verhaal. Zijn leer- groei van Parijs tot ‘Europese hoofdstad’.
klassieke tijd naar de romantiek middels het lingen Guilmant en Widor bepleitten later Hij licht tevens de karaktertrekken van Ca-
Jean-Pierre Cavaillé-orgel in Saint-Guilhem- de terugkeer van klassieke vulstemmen om vaillé-Coll (‘een bijzonder samengaan van
le-Désert (1789), het Abbey-orgel in de Bach-werken beter te kunnen uitvoeren integriteit en ambitie’) toe. Ook vertelt hij
Chapelle de la Légion d’Honneur de Saint- (de niet-repeterende Plein-jeu harmonique over het faillissement in 1892 en het project
Denis (1827) en een vroeg Cavaillé-Coll- met zijn in aantal toenemende koren ac- voor de St.-Pieter in Rome. Een niet onbe-
orgel in Bédarieux (1843). Het door vader centueerde de sopraanfunctie, waardoor langrijke persoon in zijn verhaal is voorts
en broers CavailIé-Coll gebouwde orgel polyfonie niet optimaal realiseerbaar was). Eugénie de Montijo, gemalin van keizer Na-
in de basiliek van Saint-Denis (1840) mar- Reeds in 1851 introduceerde Cavaillé-Coll poléon III, een zeer katholieke gravin van
keerde het definitieve keerpunt in de Franse in een salonorgel voor de zangeres Pauline Spaanse afkomst. Zij was de stimulator van
orgelbouw. Dat Cavaillé-Coll (voorlopig) Viardot een pedaalomvang tot f1, waardoor veelvuldige kerkenbouw, waarvan Cavaillé-
niet afzag van de klassieke orgelklank mag Bachs Toccata in F kon worden uitgevoerd Coll op grote schaal heeft kunnen profi-
blijken uit het Plein- en Grand-Jeu in Saint- (in die tijd was een omvang tot d1 gebrui- teren. De hausse van zijn activiteiten was
Omer (1855). Het Poïkilorgue (1832), een kelijk). na het beëindigen van het Second Empire
voorloper van het harmonium, waarmee Het fenomeen salonorgel komt uitgebreid (1871) voorbij. De orgelkunst maakte zoals
de onbekende orgelmakersfamilie furore bij aan de orde (Shuster-Fournier promo- bekend een enorme ontwikkeling door. Het
Rossini maakte en dat leidde tot de entree veerde in 1991 op de seculiere orgels van instrument van Saint-Denis (1840) was bij
van de jonge Aristide in Parijs, wordt door Cavaillé-Coll). De muzikale soirées hebben de ingebruikname een monument op de
Lueders kundig bespeeld. Cavaillé-Coll een zekere naam verschaft, grens van twee tijdperken, maar onverge-
In de negentiende eeuw zien we een enor- want enkele salonorgels werden wekelijks lijkbaar met dat van de Saint-Ouen te Rou-
me vooruitgang op het gebied van indu- door bekende organisten bespeeld. Het or- en, vijftig jaar later gemaakt. Pincemaille
strie, handel en sociaal verkeer. Illustratief gel was in Frankrijk blijkbaar geen exclusief verklaart de merkwaardige pedaalomvang
is de opmerking, dat de jonge Cavaillé-Coll kerkelijk instrument: concerten in ateliers van FF-f0 aan de hand van het feit dat er in
in 1833 per postkoets van zijn toenmalige werden druk bezocht, uitvoeringen in ker- 1840 nauwelijks contemporaine orgelmu-
woonplaats Toulouse naar Parijs reisde ter- ken waren immers verboden. Parijs moest ziek bestond waardoor Cavaillé-Coll zich
wijl er aan het eind van zijn leven snelle tot 1878 wachten eer het eerste grote con- kon laten inspireren.
treinverbindingen waren. Uitvindingen op certorgel in het Trocadéro in gebruik werd De samenwerking met Franck, Widor en
gebied van windvoorzieningen, Barkerma- genomen. Drie inmiddels naar kerken over- Guilmant bepaalde vanaf de jaren zes-
4 4 HET ORGEL 2013 | nummer 3
4 5HET ORGEL 2013 | nummer 3
Jan van Gijn, Orgel studeren… tig mede het karakter van zijn orgels. Bij geslaagd. Er zijn in het gesproken woord
Hoe moet dat? Onderzoek naar het het feit dat het vroegtijdig overlijden van weinig missers te melden. Brooks noemt
studiegedrag van de organist in de Léfébure-Wély en Bach-stimulator Alexis het voormalige orgel in St.-Eustache een
non-professionele sector. Chauvet de weg baande voor de carrières schepping van Clicquot, Ebrecht verhaalt
Uitgave Orgelpraktijk Jan van Gijn, van Widor en Guilmant, staan weinigen stil. over de wekelijkse bezoeken van Marcel
2012. De concurrentiestrijd met Danjou, Dau- Dupré aan de Parijse werkplaats ten tijde
126 blz. blaine & Callinet en later Merklin, en de van de bouw van het orgel voor de St.-
Prijs: € 25 (plus verzendkosten) octrooiproblemen met Barker worden ook Ouen (hij was toen pas vier jaar oud!), en
Bestellen: niet onvermeld gelaten. Cavaillé-Coll zou, nadat het orgel voor het
[email protected] Paleis van Volksvlijt in Amsterdam was
Op de tweede dvd, ‘The Organs of Cavaillé- aangekocht nog zes stemmen hebben toe-
Coll’, verdeeld over de categorieën demon- gevoegd en een geheel nieuwe orgelkas!
straties en uitvoeringen, worden vijftien De twee cd’s vormen een fraaie aanvulling.
orgels in chronologische volgorde behan- Naast Boëly, Saint-Saëns, Lefébure-Wély,
deld. Hieronder bevinden zich bekende Guilmant, Vierne en Widor is veel onbe-
instrumenten als in Saint-Omer, Orléans, kende muziek opgenomen (Benoist, Chau-
Toulouse en Rouen, maar ook onbekende vet, Boëllmann en Salomé). Van Franck zijn
en/of kleine orgels, zoals de koororgels in in totaal zes van zijn grote werken opgeno-
de kathedraal te Orléans en in het Norman- men, die door Hudson majestueus worden
dische stadje Elbeuf, Saint-Louis-d’Antin vertolkt.
in Parijs (een mooi voorbeeld uit de mid- Samenvattend een document met prach-
denperiode), Bédarieux en Long, en de drie tig geluids- en beeldmateriaal, waarbij veel
(ex-)saloninstrumenten. De karakteristie- aandacht is besteed aan het pedaalspel, het
ken van elk instrument worden stijlvol ge- gebruik van de zwelkast(en) en de combi-
demonstreerd, waarna elk orgel in een of natiepedalen. Een booklet van 80 pagina’s
meer werken wordt bespeeld. bevat alle disposities, met prachtig fotoma-
Op de derde dvd, getiteld ‘Après (= Na) teriaal, de teksten en ondertitelingen zijn in
Cavaillé-Coll’, wordt het accent verlegd het Engels, Duits en Frans. Van harte aan-
naar de mogelijkheden in de twintigste bevolen zowel voor de ontdekker van de
eeuw. Griveau voert Duruflé en eigen werk orgelkunst van Cavaillé-Coll als voor inge-
uit op het onlangs gerestaureerde orgel in voerde kenners.
de kathedraal van Orléans, Michel Bouvard RENÉ VERWER
speelt variatiewerken van zijn grootvader
Jean Bouvard in Toulouse en Pincemaille, Jan van Gijn - Orgel studeren
Roth en Latry demonstreren en improvise- Dagboeken van schrijvers, musici en kunst-
ren uitgebreid in Saint-Denis, St.-Sulpice en schilders, herinneringen van politici en
Notre-Dame. Dit laatste orgel vormt eigen- acteurs, en brieven van wereldreizigers
lijk een vreemde eend in de bijt, want het is behoren niet voor niets tot de meest gele-
in de jaren zestig en zeventig uitgebreid en zen boeken. Ze verschaffen een schat aan
geëlektrificeerd. Het weglaten van orgels in informatie over de tijdsgeest, gebruiken,
Lyon en Caen zou men als kritiekpunt kun- tradities en denkbeelden van hun tijd, ge-
nen aanvoeren, maar de late symfonische ven aan critici en biografen voldoende stof
periode is verder goed vertegenwoordigd. tot psychologische analyse, en voorzien de
In de verdeling van de ruim vijfhonderd or- toekomstige generaties van collega’s en
gels over de diverse stijlperiodes komen de nieuwsgierige fans van levendige anekdo-
jaren zeventig met ‘slechts’ Long (1877) er tes. Opvallend genoeg is het bij muziekdo-
wat bekaaid af. centen in het algemeen, en orgelleraren in
Als documentaire waarde is deze box zeer
het bijzonder, doorgaans geen gewoonte zaken van het vaak vertoonde ‘onbewuste materie in de meest begrijpelijke en toegan-
geworden om hun dagelijkse beslomme- en automatische speelgedrag’ weet, en zich kelijke taal uit te legen, gebruikt Van Gijn
ringen en pedagogische vondsten in een een duidelijk beeld van alle denk- en speel- soms een vrij simplistische taal. Zo vertelt
boekvorm te gieten. Als beginnende docent processen kan vormen. Verder is het zonder hij bijvoorbeeld dat gedurende ‘het denk-
schrijf je nog wel de vooruitgang van je sta- meer wenselijk dat de docent in kwestie be- moment’ ‘de hersenen op volle toeren wer-
geleerlingen op, maar – als alle verplichte grijpt hoe een verkeerde speelhouding zich ken’, of dat ‘alles wat met vingers en voeten
kost – eindigt ook het stagelogboek bij het verhoudt tot het aanleren van verkeerde gebeurt in het hoofd van te voren is be-
behalen van een diploma. En wat als elke bewegingspatronen, en welke invloed dys- dacht’. Aangezien het boek voor zowel do-
muziekdocent nu wel eens een dagboek lexie in combinatie met faalangst op de centen als leerlingen geschreven is, kunnen
bijhield waarin hij zijn dagelijkse gesprek- speelprestaties van de leerling heeft. De dergelijke jip-en-janneke-zinnen tot exces-
ken met leerlingen, twijfels over methodes kennis van het verloop van denkprocessen sen van goedbedoelde uitleg gerekend wor-
en blijdschap over de geslaagde voorspeel- bij het omzetten van de innerlijke beleving den: de ingewikkelde leerprocessen vormen
middagen aan het papier toevertrouwde? naar het daadwerkelijke klankresultaat mag wellicht geen geheim meer voor docenten,
Er zijn ongetwijfeld docenten die dat daad- ook niet ontbreken. maar kunnen juist als een openbaring op
werkelijk doen, maar hoeveel komen er uit- Al deze onderwerpen worden besproken in een leerling overkomen. Soms is Van Gijns
eindelijk mee naar buiten? de dertien hoofdstukken, waarin naast de taalgebruik echter storend, zoals in het ver-
De organist en orgeldocent Jan van Gijn is theoretische uiteenzetting ook aandacht haal over de blinde leerling die steeds ‘mijn-
één van die zeldzame lesgevende musici. Hij aan de vragen van cursisten en concrete heer’ wordt genoemd: ‘mijnheer heeft ooit
durft het na 45 jaar docentschap wel. Zijn studieadviezen besteed wordt. Het boek een klavier gezien en weet dus hoe dit eruit
boek, of zoals hij het zelf liever noemt een beperkt zich uitsluitend tot de aan het speel- ziet’, ‘mijnheer wilde graag energie steken
‘rapport’, is het resultaat van zijn jarenlan- gedrag gerelateerde kwesties. Vingerzettin- in het koraalspel’, en zo voort. Het komt
ge ‘zoektocht naar mogelijke oplossingen’ gen komen alleen ter sprake in de relatie tot enigszins sarcastisch over, en dat is waar-
en ‘verklaringen van problemen die zich de ondersteuning van het geheugen en het schijnlijk toch niet de bedoeling.
tijdens de les, maar ook daarbuiten, open- registreren – vanwege het belang van het Buiten de taalkwesties zijn de verhalen over
baren’. Ondanks de vrij rigoureuze titel auditief wennen aan een plenumklank en de leerlingen zonder meer interessant om
Orgel studeren… hoe moet dat? is het geen het onderhouden van de goede verstand- te lezen. Ze beschrijven de beginsituatie,
handboek voor zelfstudie of een didacti- houding van een orgelstudent met zijn bu- het doel van orgellessen, de wensen van de
sche handleiding die voor elk probleem ren. Voor alle andere doelen is ‘het onder- leerlingen en de keuzebepaling met betrek-
een kant-en-klare ‘zo moet dat’-oplossing zoek niet bedoeld’. king tot wegen die tot het gewenste eind-
biedt. Elke zoektocht begint met het stellen Van Gijn snijdt vrij omvangrijke onderwer- resultaat zouden kunnen leiden. De docent
van vragen en vraagt van een onderzoe- pen aan, zoals geheugensystemen, instu- staat stil bij de afloop van de lessen en ver-
ker tenminste het vermogen de eventuele deringfasen, het begrip ‘herkennen’, het telt of het daadwerkelijk gelukt is de droom
antwoorden te herkennen en te begrijpen. improviseren, blindheid en de combinatie van een leerling te verwezenlijken.
Dat Van Gijn een docent met voldoende ‘dyslexie en faalangst’. Bij elk onderwerp Het ‘rapport’ van Jan van Gijn wordt afge-
inlevingsvermogen is, blijkt op de eerste put hij uit zijn eigen praktijkervaring en de sloten met een hulde aan de orgelstuden-
pagina’s, waar hij zijn uitgangspunten ken- vele observaties die gebaseerd zijn op ‘alge- ten die ‘van hun hobby iets goeds’ weten
baar maakt: ‘probleemoplossend bezig zijn mene lessituaties’. Als orgeldocent met veel te maken en ‘daar op verantwoorde wijze
tijdens en buiten de les’. Zijn onderzoek, dat ervaring hoopt hij dat zijn vragen de vragen mee om willen gaan’. Want zonder de dis-
hij voor de publicatie eerst aan zijn leerlin- zijn die elke docent zich vroeg of laat stelt, cipline en professionele werkhouding van
gen liet lezen, richt zich op ‘alle aspecten die en dat zijn antwoorden de onderzoekende leerlingen blijven de vele antwoorden die
relevant zijn voor het studeergedrag van de collega’s op weg naar hun antwoorden Van Gijn in zijn boek aanreikt, ongehoord
orgelstudent’. kunnen helpen. De oplossingen werden in en onbenut.
Vanaf de eerste bladzijden blijkt dat een zijn praktijk getoetst en werken voor hem OLGA DE KORT
orgeldocent die actief is in het non-profes- en zijn leerlingen. Voor iemand anders zou-
sionele onderwijs vooral een begripvolle den ze misschien anders werken maar het 4 7HET ORGEL 2013 | nummer 3
docent moet zijn. Plus een docent die reke- blijft interessant en leerzaam om over de
ning moet houden met het tijdsgebrek van praktijkervaring van een docent te lezen.
zijn leerlingen. Plus een docent die de oor- In zijn streven om zelfs de meest complexe
Detail Schnitger/Freytag-orgel in de Hervormde Kerk te Zuidhorn
Foto: Kees Kugel