The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici, 2022-03-10 04:58:45

HO 2022-2 maart

HO 2022-2 maart

Het Orgel
Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici

maart 2022 118/2

maart 2022

1

Colofon

Het Orgel
Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici,
voor het eerst verschenen op 1 maart 1886

Jaargang 118 nummer 2 - maart 2022

ISSN 0166-0101

Redactie Het Orgel
Hoofdredacteur: Jan Smelik
H. van Steenwijckstraat 10 - 8331 KK Steenwijk
[email protected]

Redacteuren: Jan Hage (orgelmuziek)
Jan R. Luth (kerkmuziek)
Cees van der Poel (orgelbouw)
Geert Jan Pottjewijd (website)
René Verwer (orgelmuziek)
Sietze de Vries (orgelbouw)

Corrector
Kees Kugel

Website In dit nummer
www.hetorgel.nl
Op deze site staan onder meer samenvattingen van de artikelen die in 03 Het Friedrich Leichel-orgel in de Lambertuskerk te Arum (I)
Het Orgel verschenen zijn. Er is ook een Engelse versie van deze site Geschiedenis, context en restauratie
(vertalingen: Dale Carr)
Theo Jellema
Vormgeving 14 Een eeuw geleden:
Jan en Gerda Smelik Van de salarisactie, van den examencursus en nog wat
16 De orgelmakers Jacobus François en Johannes Jacobus Moreau
Druk Auke H. Vlagsma
Vellendrukkerij BDU, Barneveld 26 Column: Podiumangst
Jos van der Kooy
Digitale editie 28 Nieuwe Franse orgelmuziek, een wegwijzer (I)
Na een eenmalige registratie hebben abonnees toegang tot de digitale editie van Het Jan Hage
Orgel op www.hetorgel.nl/tijdschriften 39 Recensies
Advertenties • Christopf Wolff, Bach - zijn meesterwerken en muzikale
Bureau Van Vliet BV, Wateringweg 129, 2031 EG Haarlem, 023 571 47 45
Contactpersoon: Luciène Paap ([email protected]) universum [ Jan R. Luth]
Website: www.bureauvanvliet.com • Stephen L. Pinel, The work-list of Henry Erben: organ builder
Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici
De Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici is in 2009 opgericht op in nineteenth-century New York [Cees van der Poel]
christelijke grondslag. Doelstelling: de behartiging en bevordering van de orgelcultuur • Orgelpark Research Reports, Vol. 1-6 [ Jan Smelik]
en de kerkmuziek 46 De Achterplaat:
Leden van verdienste Jan Keijzer – orgelbouwer uit het goede hout gesneden
Kees Hoeksma (erevoorzitter) - Wim Kloppenburg - Rein van der Kluit (erevoorzit- Jan van Gijn
ter). Overleden: Hendrik Andriessen - Klaas Bolt - Adriaan Engels - Dirk Andries
Flentrop - Jaap de Haan (erevoorzitter) - Cor Kee - Piet Kee - Albert de Klerk - Ewald Cover:
Kooiman - Gustav Leonhardt - Willem Mudde - Adriaan C. Schuurman - Willem Arum, Lambertuskerk, Friedrich Leichel-orgel
Vogel Foto: Jan Smelik
Bestuur KVOK
Peter Kranenburg (voorzitter), Hans Beek (secretaris), Rien Verwijs Het Orgel jaargang 118 nummer 2
(penningmeester), Jack Gardeniers, Bert den Hertog en Gerwin Hoekstra
Secretaris: Hans Beek - Klipper 49 - 9801 MT Zuidhorn - 0594 507876
[email protected]
Penningmeester: Rien Verwijs - [email protected]
Ledenadministratie KVOK
Men kan zich als KVOK -lid opgeven middels het aanmeldingformulier,
te vinden onder de rubriek ‘aanmelding’ op www.kvok.nl.
Opzeggingen en adreswijzigingen naar [email protected] of per post naar
de secretaris
Bankrekening KVOK
NL17 ABNA 045 480 3184 (BIC: ABNANL2A)
Abonnementsvormen tijdschriften KVOK
KVOK-leden kunnen uit de volgende abonnementsvormen kiezen:
Het Orgel € 73 (Europa € 90, buiten Europa € 96)
Muziek&Liturgie & Het Orgel € 94 (Europa € 111, buiten Europa € 116)
Lidmaatschappen/abonnementen lopen per kalenderjaar en worden

2©autKoVmOatKisc2h0v2e2rlengd. Opzeggen kan tot uiterlijk 1 december.

Het Friedrich Leichel-orgel
in de Lambertuskerk te Arum (I)

Geschiedenis, context en restauratie

Theo Jellema

In oktober 2021 voltooide Orgelmakerij Bakker & Timmenga de restauratie van het Friedrich Leichel-orgel in

de Lambertuskerk van Arum. Theo Jellema was als adviseur bij dit project betrokken. Ten behoeve van deze
restauratie deed hij grondig (archief)onderzoek naar de orgelgeschiedenis van Arum in het algemeen en het
Leichel-orgel en zijn geschiedenis in het bijzonder. Dit leverde een aantal interessante nieuwe gegevens op,
die in dit tweedelige artikel worden gepresenteerd. Bij de beschrijving van de geschiedenis van het orgel
plaatst Theo Jellema het instrument eveneens in de context van de Friese orgelcultuur. Uiteraard wordt de
recente restauratie beschreven [redactie].

Orgelbouw in Fryslân in de negentiende eeuw
Het maken van orgels voor Friese kerken was in de negentiende
eeuw vooral voorbehouden aan in Fryslân gevestigde orgelma-
kers. Een aantal van hen werkte vanuit Leeuwarden. Het zijn de
Van Dams (gedurende de hele eeuw), vader en zoon Van Gruisen
(tot 1841), Jan Adolf Hillebrandt (tot 1831), Willem Hardorff en
zijn schoonzoon Johan Ferdinand Kruse (vanaf 1844), de gebroe-
ders Adema (vanaf 1855) en de firma Bakker & Timmenga (vanaf
1880). Vanuit Wiuwert werkten vanaf vermoedelijk 1810 tot 1851
vader en zoon Radersma, vanuit Bolsward van 1836 tot 1893 de
Ypma’s. In 1866 bouwden de gebroeders Noorman, timmerlieden te
Noordwolde, één orgel. 

Behalve een grote hoeveelheid instrumenten van deze Friese or-
gelbouwers werden in Fryslân ook orgels geplaatst van niet-Friese
en buitenlandse orgelbouwers. Ongeveer in het midden van de ne-
gentiende eeuw bouwde de in Zwolle gevestigde Johann Christoff
Scheuer orgels in Fryslân, later werd dit ook gedaan door vader en
zonen Van Oeckelen uit het Groningse Harendermolen, nog weer
later door Jan Proper uit Kampen. Scheuer, de Van Oeckelens en
Proper komen we verschillende malen in Fryslân tegen. 

Van marginale betekenis, omdat ze hier maar één orgel bouw-
den, zijn Heinrich Hermann Freytag (Groningen), C.F.A. Naber
(Deventer) en de gebroeders Lohman (Groningen). Michael Maar-
schalkerweerd (Utrecht) komen we in Fryslân tweemaal tegen,
maar in de negentiende eeuw slechts één keer.

Reparatiewerkzaamheden en leverantie van gebruikte orgels door
orgelmakers van buiten Fryslân laat ik hier buiten beschouwing.
Dikwijls is het onzeker of die orgelmakers een nieuw orgel maak-
ten of dat zij een gebruikt instrument leverden. Zeker wanneer de

maart 2022 3

orgels er niet meer zijn, is er reden om voorzichtig te zijn met wat 2e Dat het abstractuur en Regeerwerk zonder eene wiskunstige
men hierover in krantenberichten of andere bronnen leest. Met of Mechanische berekening zoodanig is samengesteld dat het-
vragen omgeven zijn in dit verband de Friese werkzaamheden van zelve nimmer een evenredige bespeeling der clavier toetzen enz.
Pereboom & Leijser uit Maastricht en François Loret uit Vlaande- kan opleveren.
ren. Hetzelfde geldt voor Jan van Gelder, die in 1875 in Lollum een 3e De windladen zijn in eene verkeerde rigting geplaatst, zoo
orgel leverde dat in De Standaard per advertentie werd aangeboden. dat die voor het onderclavier behoorde onder te liggen, en die
Dat orgel wordt vaak beschouwd als een instrument van Van Gel- van het bovenclavier boven, zulks is eerstens dienstbaar voor het
der, maar het zal niet nieuw geweest zijn. geluid, en ten anderen bespaart zulks een uitgestrekte afleiding
der wind na de prestantpijpen.
Er is maar één buiten Nederland gevestigde orgelmaker die voor 4e De blaasbalken behoorden ook in een tegenovergestelde rich-
Fryslân in de negentiende eeuw meerdere orgels maakte: Friedrich ting geplaatst te zijn ten einde meer vastheid aan de wind te be-
Gerhardt Leichel (1824-1890). Hij bouwde in 1885 het instrument vorderen en eene bekorting aan de canalen van ten minsten drie
in de Lambertuskerk van Arum. Dit was zijn vierde orgel voor Frys- Ned: Ellen te winnen.
lân. Het verving een instrument van Dirk Sjoerds Ypma uit 1840, Deze vier opgenoemde Hoofzaken zijn genoegzaam om met het
dat hoognodig aan vervanging toe was. gebrekkige en onvolkomene van het werk bekend te worden, een
meer stukswijze opnoeming en uiteenzetting der onderdeelen
Arumer orgelgeschiedenis tot 1885 van het werk zoude eene nuttelooze omslagtigheid zijn. En het
belang van Heeren kerkvoogden vordert tog ten sterksten, in het
Het Bader-orgel geval met dit Orgel om hetzelve in de meest mogelijke Deugd-
In zijn dispositieverzameling1 vermeldt Knock dat Tobias en Coen- zaamheid te herscheppen, de bevordering en bewerking toe te
raad Bader in 1668 een orgel voor Arum bouwden, waaraan enige vertrouwen aan de regtschapenheid en goede wil van zoodanige
jaren later door een minder goede orgelbouwer een rugpositief deskundige, aan wien met regt een volledige kennis en be-
werd toegevoegd. Meermalen is er later op gewezen dat Coenraad kwaamheid door ondervinding gerekend kan worden toegekend,
Bader in 1667 stierf en Tobias vermoedelijk een jaar eerder. Auke en daarvoor zullen de navolgende bepalingen genoegzaam zijn.
H. Vlagsma stelt op grond van een secundaire bron dat dit instru- Vervolgens zet Van Dam uiteen wat er volgens hem moet gebeuren
ment in 1666-1667 gebouwd is.2 om een goed orgel te verkrijgen:
• demontage van het hele binnenwerk zodat aan alle onderdelen
Jan Harmens repareerde het orgel in 1719 en L.J. en J. van Dam gewerkt kan worden
werkten eraan in 1824. Bij een kerkbrand op 12 februari 1836 werd • frontpijpen uitnemen, sommige repareren, andere vernieuwen, al-
het instrument vernietigd. les daarna beter bevestigen
• windladen uitnemen, reparaties uitvoeren, vervolgens na onder-
Het Ypma-orgel linge verwisseling van plaats weer monteren
Tijdens die nachtelijke kerkbrand hadden de Arumers geprobeerd • abstractuur en regeerwerk vernieuwen
het orgel te redden. Ze waren erin geslaagd een deel van het pijp- • beleg van de ondertoetsen van de manualen met koperen nagels
werk in veiligheid te brengen. Die pijpen werden door Ypma in het bevestigen; nieuwe klavierkoppel aanbrengen
nieuwe orgel opgenomen. Op 3 oktober 1840 werd het Ypma- • balgen “in een omgekeerde richting” leggen, kanalisatie verbeteren,
orgel gekeurd door H.H. Reidsma, schoolmeester en organist te balgbelasting verzwaren
IJsbrechtum. Reidsma, die vaker optrad als keurmeester van orgels, • reparatie binnenpijpwerk, vernieuwing conducten (nodig gewor-
toonde zich zonder voorbehoud tevreden over het instrument.3 den door verplaatsing windladen)
• onderdelen inbouwen, “aan zijne juiste aard” intoneren, gelijk-
Zijn keuringsrapport bevat negen punten. Daarin constateert hij zwevend stemmen.
dat alles volgens bestek gemaakt is, dat de aanspraak van de pijpen, Vermoedelijk hebben deze aanwijzingen als bestek gediend voor
de stemming en gelijkzwevende temperatuur, de blaasbalgen en de de werkzaamheden van Willem Hardorff in 1846. Hij werkte aan
wind goed zijn, dat de kanalen dicht zijn en dat er geen doorspraak het orgel van 6 maart tot en met 26 oktober en ontving daarvoor
is. Reidsma mist maar één ding: een klavierdeksel, maar, zo schrijft 1860 gulden. Zijn werk wordt gespecificeerd als “vernieuwing, ge-
hij: “het Bestek maakte daarvan geene melding.” heele omzetting, en verbetering, aan het kerkOrgel”.
Hoelang het resultaat van Hardorffs werk tot tevredenheid
Dat er toch wel wat meer op het orgel aan te merken geweest zou gestemd heeft, is niet bekend, maar het staat vast dat al in het vol-
zijn, blijkt al gauw, want in 1844 zijn er zoveel klachten over het gende decennium vernieuwing van het orgel ter sprake kwam. Uit
instrument dat Van Dam wordt gevraagd het te inspecteren. Zijn archiefstukken blijkt dat er toen contacten waren met (of interesse
oordeel valt vernietigend uit. Op 20 augustus 1844 rapporteert hij was van) Van Oeckelen, de gebroeders Adema en Knipscheer.
“na een gehouden en naauwkeurig onderzoek”: De onvermoeibare Van Oeckelen-promotor Jonkheer Mr Samuel
Wolther Trip (1804-1886) schreef in juni 1859 een brief aan de
De Algemeene bevinding van het orgel levert alle kenmerken burgemeester van de gemeente Wonseradeel, waarvan Arum des-
dat ondervindelijke kennis en bekwaamheid aan den maker tijds deel uitmaakte. Uit die brief blijkt dat Van Oeckelen tijdens
hebben ontbroken, zoowel ten opzichte van de inrigting als de zijn bezoek aan het orgel vastgesteld had dat het pijpwerk “in een
daarstelling en bewerking. ellendigen toestand” verkeerde. Dat gold ook voor de kanalen. Het
De meest in het oog lopende gebreken zijn.
1e Dat de prestant pijpen algemeen van te zwak metaal, en voor
een groot deel van te dunnen platen zijn gemaakt om zich in
goede vorming staande te houden, en de soldering hoogst gebrek-
kig is en geene vaste vereeniging heeft.

4 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

“effect van het geluid” was zwak en het orgel was windziek. Wilde veranderd: de Mixtuur, die aanvankelijk nog het plenum zou be-
men de toestand van het instrument verbeteren zodat het “evengoed kronen, was komen te vervallen. In plaats daarvan werd nu naast de
als nieuw” zou zijn, dan zou dat 3060 gulden kosten. Trompet 8’, die gebruikelijk was op een hoofdwerk, nog een Fagot
16’ gedisponeerd. Het bovenwerk kreeg zeven stemmen, het pedaal
Zoals altijd gaf Trip hoog op van de kwaliteiten van Van Oecke- vijf.
len “en Zijne drie volwassene Zoonen”:
Een variant van deze dispositie bood op het hoofdwerk Mixtuur
Dezen kan ik niet genoeg aanbevelen, zoo ten aanzien van noch Fagot 16’, maar in plaats daarvan een Violon 8’ en reduceerde
Zijne groote onbaatzuchtigheid als ten aanzien van Zijn voor- het vrij pedaal tot vier stemmen.
treffelijk werk. Het zij verre van mij, dat ik het goede van an-
dere orgelmakers niet zoude erkennen, doch bij vergelijking is In de dispositiefantasieën van de Adema’s komen we het hoogst
het verschil zeer groot. De kracht en welluidendheid van Zijne ongebruikelijke register Pyramidefluit 2’ tegen. Het is onmogelijk
orgels is onovertrefbaar, en daarbij wordt hij door niemand eve- te bepalen waar zij de inspiratie daarvoor opdeden. In Fryslân kun-
naard in tongwerken en vooral in die met doorslaande tongen. nen ze het register alleen zijn tegengekomen in het Naber-orgel
Trip bracht het werk van Van Oeckelen in het naburige Harlingen van Makkum (1848). Daar was het, zoals altijd wanneer Naber het
ter sprake, “dat men kan onderzoeken; zoo wel het nieuwe orgel in de bouwde, een viervoet.
Westerkerk, als het vergroote en verbeterde orgel in de Doopsgezinde
kerk” . Deze beide Van Oeckelen-projecten dateerden uit 1857. Waar in het Adema-bestek uit 1859 de prijzen zouden moeten
Misschien hadden de jonkheer en de burgemeester elkaar bij de in- staan ( “zal moeten kosten…..” ), zijn geen bedragen ingevuld. De
gebruikneming van een van die orgels ontmoet en refereerde Trip in al genoemde brief van 3 augustus verschaft echter informatie over
de slotalinea van zijn schrijven daaraan: de prijzen. De grotere variant moet 3500 gulden kosten, met vrij
Met veel genoegen heb ik nader Kennis met u gemaakt. Ik heb pedaal 1165 gulden meer, de kleinere variant 3150 gulden, met vrij
ook te Harlingen mij bijzonder geamuseerd, niet het minste aan pedaal 1050 gulden meer.
het diner.
Over zijn bemoeienis met de Arumer orgelkwestie zal Trip zich In alle plannen van 1857 en 1859 zouden de kas en de hoofd-
minder hebben geamuseerd, want die liep op niets uit. werklade van het Ypma-orgel worden overgenomen. (Uit de brief
Van 3 augustus 1859 dateert een vanuit Leeuwarden geschreven van Trip, waarin deze zich baseerde op een waarneming van Van
brief van de gebroeders Adema, die een vervolg is op een schrijven Oeckelen, kunnen we opmaken dat de bovenwerklade waarschijn-
uit 1857, waarin verschillende varianten van een bestek beschreven lijk ouder was). De betimmering rond de pedaallade was niet bij de
worden. Op het moment dat de Adema’s de opdracht in Arum in prijs inbegrepen.
de wacht probeerden te slepen, waren ze nieuwkomers op de orgel-
bouwmarkt. In 1858 verliet hun eerste Friese orgel, gebouwd voor De aanzienlijke prijsstijging in twee jaar tijd verdedigden de
St.-Nicolaasga, de Leeuwarder werkplaats. De broers lieten in de Adema’s expliciet, al doen ze het voorkomen alsof die prijsverho-
alinea waarmee ze hun brief uit 1859 besloten geen enkel misver- ging alleen bij het pedaal opvalt:
stand bestaan over hun ambities:
“Het zal u waarschijnlijk bevreemden, dat dit pedaal met vier
stemmen hooger genoteerd is, dan dat van voor twee jaar bijna
overeenkomstig aan dit, de reden hiervan is dat het Eik wagen-
schot de eerste soort, alleen door orgelmakers gebruikt worden-
de, bijna de helft is gestegen in prijs”.
Alle inspanningen ten spijt sleepten de Adema’s de fel begeerde op-
dracht niet in de wacht.

Mogten wij het geluk hebben deze belangrijke reparatie te Arum Als derde orgelmaker was Hermanus Knipscheer II in beeld, de
uit te voeren, zoude het ons een naam vestigen, die onuitwis- meest productieve van deze orgelmakersfamilie die gedurende drie
baar is, althans wij zouden ons meer dan ooit hiertoe beijveren. generaties actief was. De Harlinger organist Van der Dussen ver-
De verschillen tussen de voorstellen van 1857 en die van twee jaar schafte positieve informatie over hem en beschreef hem als “heel
later geven een boeiend beeld van een ontwikkeling in het denken solied in Moreel als in werk”.
over de ‘ideale’ dispositie. In het “Bestek en Dispositie waarna zal
worden veranderd, vergroot en gedeeltelijk vernieuwd, het Orgel in Resultaat van deze aanprijzing was dat Knipscheer in 1864 naar
de Hervormde Kerk te Arum” van 1857 wordt eerst de “Tegenwoor- Arum werd geroepen. Hij voerde werkzaamheden aan het orgel
dige Dispositie” genoemd en dan de gewenste nieuwe, die tien stem- uit die 1825 gulden kostten. Er zijn een paar korte brieven van zijn
men op het hoofdwerk en zes op het bovenwerk zou bevatten. Het hand bewaard gebleven die betrekking hebben op het vervoer van
nieuwe orgel werd geoffreerd voor 1690 gulden, en honderd gulden de onderdelen van het orgel van Amsterdam naar Arum. Op 20
meer wanneer de houten bourdonpijpen uit het oude orgel vervan- april 1864 schreef hij:
gen zouden worden, en een onbekend bedrag minder wanneer het
oude pijpwerk voor de prijs van het metaal verkocht zou worden. Mijnheer!
Indien aan het orgel een vrij pedaal van vier stemmen zou worden Bij deze heb ik de eer Ued te informeren alsdat ik aanstaande
toegevoegd, zouden de kosten 980 gulden bedragen. dingsdag den 26e dezer te Arum zal komen ten einde het Orgel
De tekst van het bestek van 1859 is grotendeels gelijkluidend aan uit elkander te nemen.
die van 1857. Soms is die korter en staat er: “van eenige Artikels, zal Vrijdag den 22e verzend ik van hier per harlinger beurtman de
men kunnen verwijzen, na het Bestek, ingeleverd in de jare 1857.” kisten, verzoekende Ued dezelve te laten afhalen en in de kerk te
De nieuwe dispositie in dit bestek had, net als twee jaar eerder doen bezorgen.
was voorzien, in het hoofdwerk tien stemmen, maar er was wel iets Met achting heb ik de eer te zijn
Uedelen dienaar H.Knipscheer Jr.

maart 2022 5

Vier maanden later was het werk kennelijk klaar, want op 17 sep-
tember werd gemeld

alsdat ik het Kerkorgel maandag aanstaande (19 dezer) met
de Bolswarder schuit zal verzenden. Een knecht van mij gaat
met het schip mede, om bij de ontscheping te zijn. Mag ik Ued
nu verzoeken dingsdag eene schuit te zenden naar Bolsward ten
einde het Orgel te halen. De schipper zeide mij dat hij dingsdag
wel dacht daar te zijn.

Wat Knipscheer voor dat bedrag tot stand bracht, is niet duidelijk, kunt u vinden op de website van Het Orgel bij de samenvatting van
maar hij slaagde er niet in een duurzaam resultaat te bereiken. Begin dit artikel.) Pas door het bestek in deze vorm als uitgangspunt voor
jaren tachtig zette in Arum een ontwikkeling in die uiteindelijk tot de werkzaamheden te nemen, kon het nieuwe instrument een echt
nieuwbouw zou leiden. Leichel-orgel worden. De keuring van het voltooide orgel vond
eind november 1885 plaats. Een verbazend korte levertijd!
Nieuwbouw – opdracht aan Friedrich Leichel
Uit de correspondentie met de orgelmakers, uit de artikelen 15
Voor het nieuw te maken orgel leverden de kerkvoogden een be- en 18 van het definitieve bestek, maar ook uit sporen aan de hui-
stek. Wie dat voor hen gemaakt heeft, is onbekend. Dat het bestek dige kas die op verandering van een oudere situatie wijzen, blijkt
er was, weten we omdat de orgelmakers die in de race waren om dat voor het nieuwe instrument gebruik gemaakt werd van de
het orgel te gaan maken er melding van maakten. Het betrof de in Ypma-kas en in grote lijnen ook het Ypma-front. Leichel maakte
Leeuwarden gevestigde Van Dam, Roelof Meijer uit Veendam en voor Arum wel nieuwe vleugelstukken. Hij wijzigde ook het aantal
Friedrich Leichel. kleinere frontpijpen. Het inwendige van het Ypma-orgel werd een
paar jaar later geplaatst in de Gereformeerde Kerk van Leens. Daar
In zijn schrijven van 27 februari 1884 wierf Meijer om de gunsten voorzag Leichel het van een nieuwe kas en een nieuw front.4
van de opdrachtgever. Hij benadrukte dat de Arumers zo vaak als
ze willen naar Veendam mochten komen “wijl Veendam niet zoo Friedrich Leichel en Ehrenfried Leichel en hun werkgebied
ver van U verwijderd is”. Ze konden zich dan een beeld vormen van Het is niet uitzonderlijk dat uit één familie meerdere orgelbouwers
“de soliditeit van het werk, daar hoofdzakelijk de Windladen als die voortkomen, zo ook bij de familie Leichel uit het Rijnland. De be-
geheel klaar zijn men niet meer kan zien van welke Materialen ze langrijkste representanten waren de broers Friedrich Leichel (1824-
inwendig zijn vervaardigd”. Meijers aanneemsom was 4800 gulden. 1890) en Ehrenfried Leichel (1829-1905).
Dat bedrag kon na inname van het oude orgel met 700 gulden wor-
den gereduceerd. De Leichel-kenner Jaap Brouwer heeft uitvoerig over deze orgel-
makersfamilie gepubliceerd.5 Recent onderzoek leidt af en toe tot
Van Dam beloofde een ‘uitmuntend Orgel’ dat na inneming van nieuwe gegevens. Zo ontdekte Jacqueline Vreeken6 dat Ehrenfried
het binnenwerk van het oude instrument 4360 gulden moest kos- niet op 18 januari 1828 geboren werd, zoals tot nog toe werd aan-
ten. Voor 1000 gulden meer kon hij een nieuwe kas en nieuw front genomen, maar op 18 januari 1829. Verder ontkrachtte zij de opvat-
leveren. “Met recht zou men dan kunnen zeggen: wij hebben een orgel ting dat Ehrenfried en Friedrich vanuit Duisburg hebben samen-
dat klint (sic) als een klok.” gewerkt. In die stad was alleen Ehrenfried gevestigd vanaf 1860 of
1861 tot aan zijn verhuizing naar Arnhem in 1884.
Leichel bood zijn orgel aan voor 4710 gulden; wanneer hij het
oude orgel zou overnemen, werd het 600 gulden goedkoper. Friedrich vestigde zich in 1860 of 1861 in Düsseldorf, maar ver-
huisde zijn bedrijf in 1885 naar Lochem. Hij heeft zich tijdens de
Het bedrijf dat het verst van Arum vandaan lag, was dus 250 werkzaamheden in Arum ook met de verhuizing bezig moeten hou-
gulden goedkoper dan Van Dam, het prijsverschil met Meijer was den. Als het contract wordt ondertekend, bevindt het bedrijf zich
verwaarloosbaar. Waarom de keuze van de kerkvoogden op Leichel nog in Düsseldorf. Op het naamplaatje boven de lessenaar van het
viel, blijkt niet uit bewaard gebleven archiefstukken. Arumer orgel staat Lochem.
We kunnen vaststellen dat offrerende orgelbouwers niet klakkeloos
het bestek volgden dat onder auspiciën van de kerkvoogden was Verscheidene kranten namen in augustus 1885 de advertentie op
opgesteld. Van Dam permitteerde zich enige vrijheid. Hij schreef waarin zijn nieuwe adres gemeld werd.
de kerkvoogden dat hij voor zijn aanbieding het bestek wel had
gevolgd maar dat hij had “gemeend tot sommige artikelen meer duur- Zowel Brouwer als Jan Jongepier7 hebben opgemerkt dat de
zame grondstoffen te moeten gebruiken, mede om de soliditeit onzer broers alleen zo nu en dan samenwerkten. Hoe die samenwerking
firma te handhaven.” precies gestalte kreeg en wat de rolverdeling tussen de broers was,
weten we niet. Naar buiten toe presenteerden de vestigingen in
In de overeenkomst met Leichel, ondertekend op 8 februari Düsseldorf en Arnhem zich regelmatig als één bedrijf: F. Leichel
1884, stond wel dat het orgel zou worden vervaardigd “geheel vol- und Söhne, Orgelfabrikanten te Dusseldorp en Arnhem. Strikt geno-
gens het bestek en de voorwaarden, daarbij door Heeren Kerkvoogden men is door deze formulering Friedrichs broer Ehrenfried niet in
overlegd en gesteld”, maar voordat Leichel in Arum aan het werk beeld. Na de dood van de beide broers werden hun bedrijven nog
ging, voelde ook hij behoefte het bestek naar zijn hand te zetten. voortgezet door hun zonen, maar op kleinere schaal.
De op 6 mei 1884 ondertekende versie van het bestek is wél be-
waard gebleven. De voorpagina vermeldde: “Bestek en voorwaarden De bouw van het orgel van Arum zal nog grotendeels in Düs-
van een Orgel in de Hervormde Kerk te Arum; ontworpen en aan- seldorf hebben plaatsgevonden. Vier inscripties in de balgen
genomen door de Heeren F. Leichel en Zn.” (De tekst van dit bestek

6 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Leichel prijs Van Dam prijs Van Oeckelen prijs Hardorff prijs
II/14 ƒ 3000
1878 Pingjum II/10 ƒ 1600 1856 Sandfirden I/7 ƒ 1446 1869 Blijham I/9 ƒ 2500 1865 Deinum

1883 Augustinusga II/12 2500 1882 Cornjum I/10 2840 1876 Burum I/8 2000

1884 Kootstertille II/13 2850 1878 Terwispel II/14 3580 1876 Stadskanaal II/15 3275

1885 Arum IIP/22 4710* 1870 Blije II/17 4000

*gereduceerd tot 4110 gulden na inname oude orgel
De prijzen van de Friese Leichel-orgels, vergeleken met een aantal instrumenten van Van Dam, Van Oeckelen en Hardorff

vermelden deze vestigingsplaats. Behalve de firmanaam Friedrich Friedrich Leichel was in staat zich te positioneren op de Friese
Leichel und Söhne Orgelbaumeister komen we ook de naam van markt. Dat zijn instrumenten nogal gunstig geprijsd waren, zal hem
Herman Leichel tegen; hij demonstreert zijn talenkennis door de hebben geholpen. Hij kon wat dat betreft de concurrentie met be-
toevoeging facteurs fabrikant de Orgues. drijven in het noorden aangaan, zoals het overzicht in het kader op
deze pagina laat zien. De prijs per register lag bij Leichel dus tussen
Het werkgebied van Friedrich Leichel was uitgestrekt. Het reikte 160 en 219 gulden, bij Van Dam tussen 206 en 284 gulden,  bij Van
tot in het voor hem tamelijk ver weg gelegen Fryslân, Groningen Oeckelen tussen 218 en 277 gulden, bij het Hardorff-orgel van Dei-
en de kop van Noord-Holland. Het is niet bekend of hij zich in het num bedroeg die 214 gulden. Opmerkelijk is dat bij Leichels eerste
Nederlands kon uitdrukken. Uit de formuleringen in het bestek orgel de prijs per register heel veel lager was dan bij de drie instru-
voor het Pingjumer orgel (1878) kan wel afgeleid worden dat het menten uit de jaren tachtig. Het lijkt alsof de orgelmaker zich zo in
bestek in het Duits moet zijn opgesteld en dat een orgel-leek het Fryslân heeft ‘ingekocht’.
vervolgens in erg slecht Nederlands vertaalde. Latere bestekken, zo-
als die voor Kootstertille en Arum, zijn in doorgaans goed Neder- Als we Pingjum buiten beschouwing laten, beweegt Leichels re-
lands opgesteld. gisterprijs zich tussen 208 en 219 gulden. De concurrerende prijzen

De ingebruikneming

De Leeuwarder Courant van 3 december 1885 berichtte over de ingebruikneming op zondag 29 november:

Te Arum is j.l. Zondag voormiddag het nieuwe orgel, uit de fabriek van de heeren F. Leichel en Zoons te Lochem, in-
gewijd. De heer W. Mekking, pred., sprak daarbij eene toepasselijke rede naar aanleiding van 2 Kronijken 5, vers 13
en 14. Krachtig en lieflijk waren de tonen, die aan het speeltuig ontlokt werden, en ontegenzeggelijk zijn er zeer vele
eenig schoone registers in, die door het uitstekend orgelspel van den heer B. Posthumus, van Wommels, goed uit-
kwamen. Weet men niet wat het meest te bewonderen, de lieflijkheid der solo-stemmen of de krachtige intonatie en
de accurate aanspraak van allen, onze bewondering moet ook te kennen gegeven worden over den vollen, ronden
en diepen toon der krachtige pedaalstemmen.
Met den hoogsten lof werd er dan ook over dit werk, wat geluid, intonatie en prompte aanspraak, alsook wat so-
liede bewerking betreft, gesproken door den heer J. Worp, van Groningen, die de goedheid had het voor heeren kerk-
voogden te examineren. Een woord van lof verdient zeer zeker ook de heer A. Rauwerda voor zijn verdienstelijk verf-
werk, waardoor de oude orgelkast met nieuw snijwerk een waar sieraad is geworden. Dit uitstekend werk is door de
heeren Leichel en Zoons voor zeer matigen prijs geleverd.
In den namiddag werd er eene orgeluitvoering gegeven, waarbij men nog meer de gelegenheid had de schoonhe-
den van het orgel en de vaardigheid van den heer B. Posthumus te bewonderen.
Bij deze gelegenheden was eene zeer talrijke schare opgekomen.

Naar aanleiding van de ingebruikneming van het Arumer orgel werden ettelijke krantenkolommen gevuld. Op de zondag-
avond van de orgelingebruikneming ontstond niets minder dan een dorpsoproer, waarover kranten in heel Nederland een
bericht opnamen. In De Tijd van 10 december 1885 stond te lezen:

Eenige dagen geleden had te Arum, in Friesland, bij gelegenheid van de inwijding van een nieuw orgel in het Ned.
Herv. kerkgebouw, een dorpsfeest plaats. 's Morgens begonnen, werd het 's avonds door mannen en vrouwen op de
bovenzaal van den heer M. voortgezet. Nu begonnen evenwel de poppen te dansen. Een orthodox lidmaat begon te
smalen op de toespraak van de dominé, die, evenals de meeste lidmaten, liberaal is. Een twist volgde, die ten laat-
ste in handtastelijkheden overging. Het was een vrij woest tooneel: een paar honderd menschen, mannen en vrou-
wen, raasden en tierden door elkander. Eindelijk slaagden dominé en de burgemeester er in, de orde te herstellen,
en toen .... bleef men nog tot drie uur in den nacht tamelijk vredig bijeen.

maart 2022 7

De dispositie van het orgel van Pingjum

De oorspronkelijke dispositie van het Leichel-orgel van Pingjum
(1878) wordt in de literatuur niet correct vermeld. De juiste
gegevens volgen hieronder. Ze zijn van belang voor een
correcte analyse van Leichels dispositie-ideeën.
Het contract voor de bouw van het Pingjumer instrument
is bewaard gebleven. Daarin staan als hoofdwerkregisters:
Prestant 8', Gedakt 16', Viola di Gamba 8’, Holpijp 8', Octaaf 4',
Quint 3', en als bovenwerkregisters: Salicionaal 8', Gedackt 8',
Roerfluit 4', Gemshoorn 2'
In de huidige situatie heeft het orgel ook een Octaaf 2' op
het hoofdwerk. Die is er altijd geweest. Dat is te zien aan de
inscriptie (‘Chwatal’). Het is ook logisch: de Quint 3' zou zonder
dit register geen bestaansrecht hebben.
De Gemshoorn heeft een afwijkende inscriptie en staat op een
toegevoegd pneumatisch laatje. Die zal er dus in afwijking
van het contract oorspronkelijk niet geweest zijn. Niets in het
orgel wijst op de plaatsverandering van de Viola di Gamba in
1948, waarvan Het Historische Orgel in Nederland, 1878-1886
(Amsterdam 2006, 40) melding maakt.
Ik ga uit van de volgende oorspronkelijke dispositie:
Hoofdwerk: Prestant 8', Gedakt 16', Holpijp 8', Octaaf 4',
Quint 3', Octaaf 2'
Bovenwerk: Holpijp 8', Salicionaal 8', Viola di Gamba 8',
Roerfluit 4'
Pedaal aangehangen

Pingjum, Hervormde Kerk, F. Leichel-orgel (1878)
(foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

van Leichel hingen misschien ook samen met zijn materiaalgebruik, Het hoofdwerk
vooral de toepassing van grenen en vuren voor onderdelen als pijp- De hoofdwerkdispositie is in Arum: Bourdon 16’, Prestant 8’, Hol-
stokken, roosters, dammen, balgen, kanalen en houten pijpen. Van pijp 8’, Viola di Gamba 8’, Octaaf 4’, Fluit 4’, Quint 3’, Octaaf 2’,
Dam, bijvoorbeeld, maakte al deze onderdelen van eiken. Mixtuur, Cornet, Trompet 8’. De prestantenfamilie is dus vertegen-
woordigd door 8’ 4’ 3’ 2’ en Mixtuur, de fluitenfamilie door 16’  8’
Dat Leichel moest reizen en orgelonderdelen moest (laten) ver- 4’ en Cornet, er is één strijker en één tongwerk.
voeren als hij in Fryslân een orgel bouwde, lijkt hem voor de Friese
klanten toch geen dure orgelmaker te hebben gemaakt. Voor de Wanneer we vergelijken met hoofdwerkdisposities bij de familie
reis (of reizen?) Kootstertille naar Düsseldorf en vice versa werd 50 Van Dam of bij Hardorff uit dezelfde tijd, valt op dat de Friezen in
gulden berekend. Dat is 1,7 procent van de bouwsom. de jaren tachtig geen Mixtuur meer disponeerden; Leichel deed dat
in 1885 wel.
Leichel zal in de degelijkheid van zijn orgels hebben geloofd;
in contracten werd de garantietermijn op 20 jaar bepaald en Al snel na het midden van de eeuw bestond bij Van Dam de
een “deskundige van wege Heeren Kerkvoogden” mocht het orgel klankkroon uit een Quint 3’ en een Octaaf 2’, waaraan geen Mix-
“beproeven”. tuur was toegevoegd. Hardorff voorzag zijn grote orgels in Menal-
dum (1861) en Easterein (1870) op het hoofdwerk nog van een
Het Arumer orgel vergeleken Cornet én een Mixtuur, maar daarna geeft hij, net als Van Dam, de
met Friese orgels uit dezelfde tijd voorkeur aan de Cornet. (Heel uitzonderlijk en a-typisch is dat het
Hardorff-orgel in Baijum uit 1878 geen Cornet maar wel een Mix-
De dispositie tuur heeft.) Het is opvallend dat op orgels die Van Dam bouwde
Het eerste waar orgelkenners en -liefhebbers zich op richten als ze voor kerken buiten Fryslân, de Mixtuur langer in de dispositie werd
zich een beeld willen vormen van een orgel, is de dispositie. Maar opgenomen (Nieuwe Niedorp 1877, Raamsdonk en Raamsdonks-
meer dan een globale kennismaking met een orgel is dat niet.  Als veer 1881, Zierikzee 1887), zelfs op eenklaviers instrumenten.
we op die globale manier de Leichel-orgels naast de orgels van
Friese orgelbouwers zetten, zien we overeenkomsten en verschil- De prestantenpiramide vindt bij Leichels orgel haar bekroning
len. Ik beperk me hier tot de orgels met hoofdwerk en bovenwerk dus heel traditioneel in de Mixtuur. Door de samenstelling van
(dwarswerk, onderpositief of nevenwerk).  Leichels Mixtuur (met vanaf f1 22/3’ als hoogste koor) draagt het
register niet zoveel bij aan de brilliance van de klank maar wel aan
de grandeur. De mixturen die Van Dam bouwde tot in de jaren
veertig, waren overigens ook al niet meer op brilliance maar meer
op deftigheid gericht. Evenals bij de late Hinsz-orgels speelde de

8 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Augustinusga, Hervormde Kerk, F. Leichel-orgel (1883) Kootstertille, Hervormde Kerk, F. Leichel-orgel (1884)
(foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

lage terts bij deze Van Dam-mixturen een belangrijke rol. Bij de worden. Dat is ook geval op de instrumenten van Leichel: bij drie
mixturen van Leichel zijn alleen octaaf- en kwintkoren aanwezig. kleinere instrumenten vinden we op het hoofdwerk geen strijker,
De fluitenfamilie is bij Leichel en bij de Friezen even ruim bedeeld. het grote orgel van Arum heeft er wel één: de Viola di Gamba, die
Maar de bijdrage die de 8’-fluit aan het Arumer hoofdwerkpa- hier een Violon-achtig karakter heeft.
let levert, is een andere dan de gebruikelijke op orgels van Friese
bouwers. Leichel noemt het register weliswaar ‘Holpijp’, maar de Zoals alle orgelbouwers disponeerde Leichel de Trompet 8’ als
factuur is anders. In werkelijkheid hebben we te maken met een hoofdwerk-tongwerk.
Holfluit 8’ (op de grootste metalen pijp staat dan ook Hohlflöte).
De pijpen zijn open en hebben een wijde mensuur en een licht ge- Het bovenwerk
bogen opsnede. De toon is vol. Minder dan in de klassieke traditie In de negentiende-eeuwse Friese orgelbouw zijn als regel op het bo-
lijkt het register ‘slechts’ bedoeld om aan verschillende combinaties venwerk (of nevenwerk, dwarswerk of onderpositief ) steeds regis-
meer grond te geven. Solistisch gebruikt of in combinatie met een ters in de 8’-, 4’- en 2’-ligging geplaatst. Afhankelijk van de grootte
8’ op het bovenwerk, heeft het een grote poëzie. van het instrument waren er twee of drie achtvoeten aanwezig en
een of twee viervoeten. De 2’-ligging had steeds maar één vertegen-
Leichels Cornet begint op g, een kwart lager dus dan in Fryslân woordiger. Bij de grootste instrumenten kon aan dit ensemble een
(en daarbuiten) gebruikelijk was. Het register heeft ook een min- tongwerk (heel soms twee) en/of een 3’ en/of een carillon worden
der gangbare samenstelling: 8’- 4’- 22/3’ -13/5’. In Arum staat het re- toegevoegd. 
gister op de lade direct achter de Prestant 8’. Friese orgelmakers uit
de negentiende eeuw plaatsten het altijd verder naar achteren. Pas heel laat in de eeuw ontbreekt de tweevoet soms. In het oeu-
De 8’-strijker ontbreekt zelden op negentiende-eeuwse orgels. Op vre van Van Dam en dat van Bakker & Timmenga zien we in de
eenklaviers orgels zien we dan dat achtvoetsregisters vertegenwoor- jaren negentig een paar keer de bovenwerkbezetting 8’-8’-4’ (Wons,
digd zijn door Prestant, Holpijp en (meestal) Viola di Gamba. Op Bakker & Timmenga, 1891; Dedgum, Van Dam, 1893) en een-
kleine en middelgrote tweeklaviers orgels vinden we de Prestant maal bij Bakker & Timmenga 8’-8’-8’-4’-4’ (Leeuwarden, Noor-
en de Holpijp op het hoofdwerk, waarbij de strijker dan op het derkerk, 1895). Bij Van Oeckelen komt eenmaal 8’-8’-8’-8’-4’-4’
bovenwerk geplaatst is (en vaak vergezeld gaat van een tweede; het voor (Schettens, 1891). Een heel vroege maar bijna 25 jaar lang niet
tweetal Salicionaal en Viola di Gamba). Pas bij de grotere tweekla- nagevolgde representant van dit idee treffen we aan bij het Adema-
viers disposities kon op het hoofdwerk nóg een 8’-strijker geplaatst orgel in 1867 (Heerenveen, Rooms-Katholieke Kerk, 8’-8’-8’-4’). 

De vier Friese Leichel-orgels zijn gebouwd tussen 1878 en 1885.
Het zijn tweeklaviers orgels; in Pingjum en Arum (het eerste en
vierde) met hoofd- en bovenwerk, in Augustinusga en Kootstertille

maart 2022 9

(het tweede en derde) met hoofdwerk- en onderpositief. Leichel verbreedde de Ypma-kas en camoufleerde de verbreding
Van die vier heeft alleen het orgel in Kootstertille een door grote vleugelstukken met daarachter groen doek
V.l.n.r. de pedaalregisters Koraalbas 4' (1940), Prestantbas 16', Bazuin 16'
2’-register op het tweede werk, bij de andere drie zijn er alleen
acht- en viervoeten. Bij Leichel zien we dus eerder tweevoets-loze Het Orgel jaargang 118 nummer 2
bovenwerken (of andere ‘tweede werken’) dan bij Van Dam en de in
1880 startende Bakker & Timmenga.

Het lijkt tekenend voor de Duits-romantische oriëntatie dat zelfs
in Arum, waar voor een 2’ op het bovenwerk zowel geld als plaats
was, dit register niet is gedisponeerd.

De ‘tweede werk’-disposities uit de periode 1890-1920 laten
zien dat het ontbreken van de tweevoet daarin weliswaar een
karakteristiek fenomeen is aan het eind van de negentiende eeuw,
maar in de eerste decennia van de twintigste eeuw werd dit niet de
normale praktijk.
De bovenwerkdispositie waarmee het Arumer orgel werd opgele-
verd, was: Lieflijk gedekt 8’, Fluit travers 8’, Salicionaal 8’, Prestant
4’, Roerfluit 4’, Clarinette 8’. Voor Friese oren moet de Fluit travers
8’ bijzonder zijn geweest; in de Friese orgelbouw werd alleen de
Fluit travers 4’ gedisponeerd. 

Na de restauratie van 1940 wijdden A.P. Oosterhof en E.J. Pen-
ning in het Leeuwarder Nieuwsblad van 21 juni van dat jaar een
artikel aan het orgel. Ze vermeldden daarin ook de dispositie van
voor die restauratie. Daarin komt op het bovenwerk niet de in het
contract vermelde Salicionaal 8’ voor maar de Viola di Gamba 8’.
De volgorde waarin Oosterhof en Penning de registers optekenden,
toont aan dat ze de namen noteerden zoals ze die tegenkwamen op
de registerknoppen. Dat maakt het aannemelijk dat het register in-
derdaad zo heette.

Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat men er in 1885 niet
zo zwaar aan tilde of het register ‘Salicionaal’ of ‘Viola di Gamba’
heette. Hoofdzaak was dat het een strijkende stem in de achtvoet-
ligging zou zijn. Al in het bestek wordt blijk gegeven van enige
ruimdenkendheid; er staat immers: “Salicionaal 8  Dit register moet
gemaakt worden als Viola di Gamba in ’t Manuaal”.
Het pedaal
Een vrij pedaal was in de Friese orgelbouw niet gangbaar, noch in
de negentiende eeuw noch in de eeuwen daarvoor. Wanneer negen-
tiende-eeuwse orgels daarmee uitgerust werden, was vrijwel altijd
S.W. Velds de man die daartoe de aanzet gaf. Hij was van 1823 tot
1861 organist van de Martinikerk in Sneek en werkzaam als orgel­
adviseur avant la date. Als hij bij de bouw van een orgel betrokken
was, maakte hij het bestek en nodigde hij verschillende orgelmakers
uit een offerte te maken. Altijd pleitte hij voor het aanbrengen van
een vrij pedaal.

Wanneer de negentiende-eeuwse Friese orgels al een vrij pedaal
hadden, dan waren de labialen altijd vertegenwoordigd in de 16’-,
8’- en 4’-ligging. Tongwerken konden voorkomen als 8’ of als 16’ of
ook beide.

Friedrich Leichel kleurt zijn pedaal donkerder. De vijf registers
van het vrij pedaal in Arum zijn twee labiale zestienvoeten, twee
labiale achtvoeten en een zestienvoets-tongwerk. Waar hij dus de
bovenwerkdispositie ‘aftopte’ door geen tweevoet te plaatsen, deed
hij in het pedaal hetzelfde door af te zien van de viervoet. In afwij-
king van de Friese traditie maar in overeenstemming met de Duitse
gewoonten maakte hij alle labiaalregisters van het pedaal van hout.
Factuur
Het feit dat zich in het Leichel-orgel een klankwereld ontvouwt
die minder klassiek is dan die van negentiende-eeuwse Friese

10

De naam van Chwatal op een keel van de Bazuin 16' orgelmakers, voedt de verwachting dat het pijpwerk in alle opzich-
ten moderner van factuur is. Dat is maar gedeeltelijk waar. Waar
maart 2022 vanaf de jaren vijftig bij Van Dam en bij Hardorff steeds meer la-
biaalpijpen een stemkrul krijgen en ook de expression zijn intrede
doet, zien we bij Leichel een heel ander beeld: expressions zijn er
alleen in de Viola di Gamba van het hoofdwerk (van de bovenwerk-
strijker weten we het niet omdat die in 1940 is verwijderd). De
prestantregisters hebben bij de grote pijpen stemkrullen, de kleinere
zijn op lengte afgesneden.

De tongwerken die Leichel in Arum bouwde, Trompet 8’, Clari-
nette 8’ en Bazuin 16’, waren geen noviteiten. De factuur ervan was
anders dan de Friese traditie dicteerde, maar ook in Fryslân maak-
ten tradities soms plaats voor nieuwe ontwikkelingen. Zo heeft
Leichels Trompet metalen stevels, terwijl de Van Dams en Hardorff
die altijd van hout maakten. Maar de later gestarte bedrijven van
Adema en Bakker & Timmenga maken ze in metaal.

De Clarinette kreeg doorslaande tongen zoals gebruikelijk was;
opslaande klarinetten worden later bij Bakker & Timmenga ge-
disponeerd. Het meest afwijkend van de bekende bouwwijze is de
Bazuin van het pedaal. Men kan moeilijk van een ‘bazuin-traditie’
spreken in een provincie waarin het vrij pedaal zeldzaam is. Wan-
neer er wel een vrij pedaal was, kon het tongwerk nog gereserveerd
zijn, zoals bij het Van Dam-orgel in Mantgum in 1879. Die heel be-
scheiden traditie kent opslaande bazuinen. In Arum is het register
doorslaand.

Maker pijpwerk
Vermoedelijk is al het pijpwerk van het orgel van Arum geleverd
door het toeleveringsbedrijf Chwatal uit Merseburg. Dit vermoe-
den wordt gevoed door het Leichel-orgel van Pingjum, dat vlakbij
Arum ligt, en waar het pijpwerk grotendeels van dezelfde factuur is
als dat in Arum. Maar in Pingjum staat op de grootste pijp van elk
register de aanduiding ‘Chwatal Merseburg’. In Arum komen we die
naamsvermelding alleen tegen op een tongwerk (zie foto). Op de
labiaalpijpen vinden we daar geen signatuur van het toeleverings-
bedrijf. De grootste pijp van elk register heeft een met fijne pen in-
gekraste registernaam. Alle toonletters (zonder octaafaanduiding)
zijn in slagletters uitgevoerd. Er zijn veel kernsteken, maar die zijn
heel klein.

Tremulant
In de dispositie die Leichel voor Arum ontwierp, komt geen tre-
mulant voor. De Friese orgelmakers disponeerden het register wel.
Leichel volgde hier de late Duitse traditie, waarin de tremulant uit-
sluitend samen met de Vox Humana zijn diensten bewees. Als dat
register er niet was bleef ook de tremulant achterwege.

De windladen
De Van Dams en Willem Hardorff, de twee meest actieve Friese or-
gelmakers in de tweede helft van de negentiende eeuw, gingen ver-
schillende wegen waar het gaat om de opzet van de hoofdwerk­laden
van hun instrumenten. De klassieke symmetrische cancelvolgorde
verliet Van Dam in de jaren vijftig bij het hoofdwerk (en bij één-
klaviers orgels) ten gunste van een ordening waarbij de pijpen (of
het grootste deel daarvan) chromatisch werden opgesteld. Het ligt
voor de hand deze opzet in verband te brengen met de in die peri-
ode gangbaar geworden plaatsing van de claviatuur aan de zijkant
van het orgel. Die plaatsing betekende immers constructief al een
afscheid van de symmetrie. Het duurde even voordat de Van Dams
deze consequentie trokken: het orgel in Leeuwarden-Huizum uit
1849, een heel vroeg werk van de derde Van Dam-generatie, krijgt

11

Bespelers en gebruik van het orgel

De Arumer kerkvoogden zijn ongetwijfeld trots geweest op het Leichel-orgel, misschien omdat het door een buitenlandse orgelbouwer
was gemaakt, maar zeker ook omdat het veel groter was dan een doorsnee dorpsorgel. Er werden dan ook eisen gesteld aan de vaste bespe-
lers. Hun bekwaamheid moest bewezen zijn. Er werden advertenties geplaatst als de post van organist vacant was.
Vanouds werd het organistschap in Fryslân vaak met het vervullen van andere plichten gecombineerd. Zo bestond er, vooral in de dorpen
maar bijvoorbeeld ook in de stad Sneek, de gecombineerde functie schoolmeester-organist of koster-organist. Ook in Arum bestonden
combinaties. Krantenadvertenties informeren daarover, maar ook over het organistentraktement en soms over de functie-eisen.
Een goede indruk geven de advertenties tussen de voltooiing van het Leichel-orgel en de eeuwwisseling. Uit die advertenties blijkt dat
in Arum de visie op het combineren van functies (en daarmee de geboden vergoeding) zo nu en dan veranderde. Opvallend is dat de
combinatie schoolmeester-organist kennelijk niet voorkwam. Wel vraagt men enige malen een koster-organist. De kerkvoogden lijken
beducht organisten door het kosterswerk af te schrikken, want ze vermelden erbij dat aan het kosterschap “slechts luttele werkzaamheden
verbonden zijn”. Voor het leiden van ‘Zanggezelschappen’ kan een toelage worden verstrekt.
In één advertentie wordt het kosterschap niet genoemd, maar wordt het takenpakket van de organist wel stevig opgetuigd. De functio-
naris moet “des winters dienst doen bij de Bijbeloefeningen”, een koor en een kinderkoor leiden, “enkele geringe administratieve werkzaam-
heden verrichten” en bij voorkeur moet hij ook ‘degelijk’ muziekonderwijs geven. Waar het de kerkelijke oriëntatie betreft wordt vaak
vermeld dat de “vrijzinnige richting vereischte is”. Het traktement is uiteraard gerelateerd aan het takenpakket. Het varieert van 300 tot
500 gulden.
Vermoedelijk is H.J. de Vries de eerste organist van het nieuwe orgel. In ieder geval was hij in 1887 al in functie. Hij concerteert dan op
‘2e Paaschdag’. In dat jaar plaatsten de kerkvoogden een advertentie waarin ze uiting gaven aan hun tevredenheid met het instrument en
de bouwer prezen. Opmerkelijk is het dat deze advertentie pas zo lang na de voltooiing van het orgel verscheen en dat de dispositie ervan
volledig werd vermeld. De Vries wordt erin genoemd als ‘onzen talentvollen Organist’ “die ook altijd bereid is, het aan Belangstellenden te
doen hooren.” Deze musicus maakte later een grote stap in zijn carrière: hij werd in 1893 organist van het juist voltooide drieklaviers Van
Dam-orgel in de Grote Kerk in Enschede, het grootste orgel van de Leeuwarder firma.
Waarschijnlijk trad in dat jaar de uit Veendam afkomstige J.F. Bos als zijn opvolger aan. Hij bleef tot 1900, het jaar waarin hij zijn positie
verbeterde door organist te worden van de Grote Kerk in Leeuwarden. Op 4 juli 1900 schreef hij een brief aan de kerkvoogden van Arum
waarin hij hen bedankte voor het eervol ontslag en voor ‘de goede tijd in uw midden’. In 1896 werd het spel van Bos ter gelegenheid van
de ingebruikneming van het nieuwe orgel van Norg geprezen. Het zal geen toeval zijn dat dat orgel door de firma Leichel was gebouwd.
Aardig is dat we iets weten van de sollicitatieprocedure in 1900. De kerkvoogden plaatsten een advertentie en er moest een proefspel ko-
men. Niet alleen in de noordelijke provincies bestond interesse voor de organistenfunctie. Omdat de roem van de sollicitanten hun niet
altijd vooruitgesneld was, moesten van sommigen referenties worden gevraagd. Een paar referentiebrieven, gericht aan de predikant ds.
W. Hekking, zijn bewaard gebleven. Sommige daarvan bevatten kleurrijke informatie. Zo kwam men over een van de sollicitanten het
volgende aan de weet: “Tot voor weinige maanden oefende hij het vak van vleeschhouwer uit. (..) Wat zijne muzikale bekwaamheden betreft,
weten wij alleen dat hij harmonium speelt. Kerkorganist is hij voor zoo verre ons bekend is nimmer geweest en bespeelt hij ook geen andere
instrumenten, misschien een weinig piano. Of hij een man van initiatief is betwijfelen wij en zouden dit eerder van zijne vrouw zeggen, die
wakker is voor twee.”
Als beoordelaar van het proefspel, waarvoor de ex-‘vleeschhouwer’ niet zal zijn uitgenodigd, benaderde men de zeven jaar eerder van
Arum naar Enschede vertrokken H.J. de Vries. Men liet De Vries weten dat hij voor zijn optreden als examinator 25 gulden zou ontvan-
gen. In een vriendelijk briefje antwoordde De Vries dat hij door naar Arum te komen 15 gulden aan inkomsten zou derven doordat hij
dan in Enschede een aantal lessen niet kon geven. Hij vroeg daarom 40 gulden. Mocht dat teveel zijn, dan kon hij niet komen, maar ‘in-
tusschen even goede vrienden’.
Het vergelijkend examen, waaraan vier kandidaten deelnemen, leidt tot de benoeming van Wubbenus Jacobs, die van grote betekenis
werd voor het dorp en de omgeving. Hij dirigeerde koren en korpsen, gaf lessen op orgel, piano en viool, gaf orgelconcerten en com-
poneerde. Regelmatig duikt zijn naam op in aankondigingen van concerten. In 1907 bedankte hij als kapelmeester van het Bolswarder
Stedelijk Muziekcorps ‘wegens drukke werkzaamheden’. In 1910 vermeldde een advertentie in de Leeuwarder Courant dat hij op zoek was
naar tweedehands muziekinstrumenten (een ‘4-snarige contrabas met stok’ en verschillende slaginstrumenten). Uit dezelfde krant komt
men te weten dat hij voor de muziekvereniging Caecilia in Wommels componeerde (de twee stukken waarvan sprake is, worden in het
ene bericht aangeduid als ‘zingspelen’, in het andere als ‘operettes’). Er zijn van hem twee concerten (in samenwerking met andere musici)
in de Arumer kerk bekend, die beide een liefdadig doel hadden. Op 1 maart 1912 trad hij op met twee zangeressen en een violist in een
concert ten bate van de kas van de plaatselijke afdeling van het Groene Kruis. Op 6 november 1914 musiceerde hij met koor en met een
vocale solist ten bate van de Commissie voor de Belgische vluchtelingen. Op het programma stond onder meer het lied ‘De Vlaamsche
Leeuw’. “Bij de uitvoering van dit lied vergaten de Belgen dat ze waren gekomen om te luisteren,” meldt de krant, “ze vielen bij het refrein met
vuur mee in.” Op 1 december 1921 kwam Wubbenus Jacobs ‘s avonds na een repetitie van het muziekkorps van Kimswerd bij noodweer
onder een tram terecht en overleed. Het Arumer muziekkorps draagt later zijn naam.
Zijn opvolger, B.H.Vastenhout, is organist tot 1925. Zo heeft het Leichel-orgel in veertig jaar vier organisten gehad. In groot contrast
daarmee staat de volgende periode: de in 1925 benoemde Lucie Suierveld-Bruinsma blijft tot 1980 op haar post. Als ‘haar’ orgel op 21
juni 1940 na restauratiewerkzaamheden weer in gebruik genomen wordt, prijst de krant haar optreden als organiste, zangeres, dichteres
en declamatrice.

12 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

zijkantbespeling maar desondanks nog een symmetrische cancel- Walcker-orgel in de Dom van Riga uit 1884, toen het grootste me-
volgorde. Onmiddellijk na de bouw van dit instrument werd de chanische orgel ooit, met 124 stemmen op vier klavieren en pedaal,
asymmetrie norm met als opmerkelijke uitzondering het eenklaviers kreeg manuaalomvangen van C tot f3. De gewoonte van de firma
orgel in Cornjum dat in 1882 wordt gebouwd met claviatuur opzij Bakker & Timmenga om steeds klavieren tot f3 te maken, mag in de
en symmetrische cancelvolgorde. Hardorff en later ook Bakker & Friese traditie een trendbreuk zijn, zij getuigt in relatie tot de kerke-
Timmenga bleven trouw aan de symmetrische pijpopstelling in het lijke speelpraktijk van realiteitszin.  
hoofdwerk.
Keuring door Jan Worp
Het bovenwerkpijpwerk bleef bij alle bouwers symmetrisch (pira-
midaal) opgesteld op één lade die centraal boven de hoofdwerklade Op 30 november 1885 bracht de Groninger Martini-organist Jan
lag. Maar de Van Dams gebruikten ook een andere oplossing: door Worp schriftelijk verslag uit van de keuring van het orgel. Hij stelde
de asymmetrische opstelling van het pijpwerk van het hoofdwerk vast dat alles volgens bestek was gemaakt; de afwerking was solide
ontstond binnen in de kas aan één kant (altijd de claviatuurkant) en netjes, ieder register was geïntoneerd “naar zijn aard”, het volle
veel ruimte. Daar kon een beperkt aantal registers op een kleine lade werk klonk krachtig en vol. Jammer vond Worp wel het dat er wei-
geplaatst worden. Zo werd het Van Dam-dwarswerk geboren. nig ruimte was “tusschen de pedaalpijpen en den orgelkast”, maar de
orgelmaker en de organist zouden daaraan wel kunnen “gewennen”.
Leichel volgt de oude traditie. Het pijpwerk van het hoofdwerk
staat in Arum opgesteld op een c- en een cis-lade. De cancelvolg- Noten
orde is CDEFisGisB //e3...(hele tonen)...c // cis ...(hele tonen)...f3 //
HAGFDisCis. 1 Nicolaas Arnoldi Knock, Dispositiën der merkwaardigste Kerk-Orgelen (Gro-
ningen 1788, facsimile-uitgave Herman S.J. Zandt, Amsterdam 1972) 12.
De bovenwerklade ligt centraal boven in de kas. De opstelling
van het pijpwerk daarop is piramidaal. 2 Auke H. Vlagsma, De Friese orgels tussen 1500 en 1750 (Leeuwarden 2002)
237, 241. De secundaire bron betreft: G.A. Wumkes, Stads- en dorpskroniek van
Het pedaal is opgesteld achter het hoofdwerk, daarvan geschei- Friesland. Deel 1: 1700-1800 (1930) 99.
den door een looppad.
3 Het rijke archief van de Hervormde Gemeente te Arum bevindt zich bij TRE-
Het is zeker dat wat het pedaal betreft de huidige situatie in SOAR in Leeuwarden. Alle gegevens en citaten die het Ypma-orgel en het
Arum in detail verschilt van wat Leichel voor ogen stond, maar het Leichel-orgel betreffen, zijn ontleend aan de daar aanwezige stukken.
pedaalpijpwerk heeft altijd daar gestaan.
4 Ten onrechte wordt in Het Historische Orgel in Nederland, 1878-1886 (Amster-
Klavieromvang dam 2006, blz. 336) het front van Arum beschouwd als een ontwerp van Lei-
Opmerkelijk is dat Leichel de manualen voorzag van de omvang van chel uit 1885. Het front van het orgel in Leens wordt in Het Historische Orgel
C tot f3. Dat is een traditioneel element in zijn instrumenten. Ken- in Nederland, 1819-1840 (Amsterdam 2001, 390) per abuis een ontwerp van
nelijk werd niet van hem gevraagd zich aan te passen aan wat in Ypma uit 1840 genoemd. In de tekst die op Leens betrekking heeft, staat ook
Fryslân al in de jaren vijftig gewoonte was geworden: manuaalom- foutief ‘Ehrenfried Leichel’ vermeld; dit moet ‘Friedrich Leichel’ zijn, zoals wel
vangen van C tot g3 in de orgels van Van Dam en Hardorff. Een niet correct vermeld wordt bij de gegevens over Arum.
te beantwoorden vraag (die men misschien helemaal niet moet wil-
len stellen) is die naar de zin van zo’n royale omvang bij dorpsorgels, 5 Jaap Brouwer, ‘De orgelmakers Leichel’, De Orgelvriend, juni-oktober 2007.
waarop de organist slechts uit koraalboeken speelde.  6 Jacqueline Vreeken, Dichterbij dan verwacht (z.p. 2018).
7 Jan Jongepier, Een schoone voorraad waarlyk (Leeuwarden 2004) 160.
De verwondering over de omvang tot g3 stijgt bij vergelijking
van de omvang op sommige vorstelijke orgels elders. Zelfs het Foto's: Jan Smelik tenzij anders vermeld

maart 2022 13

Van de salarisactie,
van den examencursus en nog wat

Een eeuw geleden hield de Nederlandsche Organisten Vereeniging (NOV) een intensieve actie ten einde
de salariëring van organisten te verbeteren. Initiator van en motor achter deze actie was de Rotterdamse
organist en drukker Cornelis Immig jr (zie over de actie: Jan Smelik, ‘Orgelgebruik in de protestantse
kerkdienst tussen 1886 en 1938. Deel 5: de positie van de organist’, Het Orgel, jrg 115/6 - 2021).
Begin 1922 werd bij wijze van proef voor een aantal provincies een paar organisten van naam aangezocht
om de salarisactie uit te voeren. In het maartnummer van 1922 lezen we dat twee NOV-bestuursleden, de
Rotterdamse organist J.H. Besselaar en zijn stadsgenoot A. Brom jr., dit deden in de provincie Zeeland. Het
NOV-bestuur vroeg hen daarom om in het noorden des lands vakorganisten te vragen dezelfde actie uit te
voeren:

“Iets wat ook al schijnt te gelukken. Want, op Besselaars ver-
zoek zijn Paardekooper en Steenhuis begonnen ieder voor
zich te verzamelen 2 collega’s elk, die op hun beurt de salaris-
verbetering in hunne landouwen, ter hand te nemen. Zodat
we nu in Groningen hebben de Heeren Steenhuis, Huizinga
en Opten en voor Friesland de Heeren Paardekooper, Alt en
Spoelstra. Uit hun brieven blijken ernst, opgewektheid en
lust om belangeloos en kameraadschappelijk de belangen der
vakgenooten te gaan behartigen. De vakbroeders in Friesland
en Groningen worden nu verzocht zich met hen in verbin-
ding te stellen, hun, indien gevraagd, alle mogelijke gegevens
en inlichtingen te verstrekken, i.e.w. alles te doen wat van hen
redelijkerwijze verlangd wordt om de plannen te doen slagen.
Hun taak zal zijn niet alleen de salarissen te verbeteren, maar
ook propaganda voor de N.O.V. te voeren, niet-leden op te
wekken zich als N.O.V. lid te laten inschrijven, kortom alles
wat den bloei der N.O.V. kan bevorderen. Natuurlijk kost
dat veel tijd, veel geduld, nog meer kopzorg bij dit veelzins
ondankbare werk, maar wanneer de medewerking daar alge-
meen is, zullen de vakbroeders in de andere provincies zich
geprikkeld voelen en zorgen dat elke provincie, straks elk
,,district” een kranige vertegenwoordiging krijgt.

Van gebrek aan medewerking, in het algemeen, moge hier met
een enkel voorbeeld worden gewaagd. In zekere Gemeente was
het salaris van den organist bedroevend laag. Natuurlijk ,,be-
werkte” Besselaar het desbetreffend kerkbestuur met toezen-
ding van drukwerk, brieven en briefkaarten, die echter alle on-
beantwoord bleven. Tenslotte verzocht B. hoffelijk om eenig
bericht, ook al zou men het salaris van den organist niet willen

J.H. Besselaar (1874-1951) achter zijn orgel van Grote Kerk te Rotterdam Het Orgel jaargang 118 nummer 2
foto uit de jaren dertig (collectie Stadsarchief Rotterdam)

14

Een eeuw geleden

verhoogen. Aanhouden was reeds hierom noodzakelijk, omdat de het en energieke voorbeeld van Besselaar zullen volgen door hun
betrokkene ons roerende smeekbrieven had geschreven, in moeilij- waardeering voor de N.O.V. en haar streven het spel in het algemeen
ke geldelijke omstandigheden verkeerde en met den grootsten aan- te verheffen, op deze wijze te laten blijken. Op een van de vele
drang verzocht al ’t mogelijke in ’t werk te stellen. Ziehier echter het lichtzijden van het plan wil ik nog even den nadruk leggen. Hoevele
stortbad in den vmm van een brief van het betrokken kerkbestuur: waarlijk onvermogende jongelui met groote muzikale begaafdheden
zijn verstopt, ongemerkt gebleven, omdat zij zich de weelde van
,,In antwoord op uw circulaire van …’21 deelen wij U beleefd welonderlegd onderwijs niet konden veroorloven? Hier wordt hen
mede dat het salaris van den organist onzer gemeente door hemzelf in tweeërlei opzicht reddende hand uitgestoken.
voldoende wordt geacht, zoodat wij op dezen grond geen termen
kunnen vinden dit salaris te herzien.” Natuurlijk zullen er egoïsten zijn die zich in hunne welbetaalde
lessen zullen zien bedreigd, en vreezen dat deze kostelooze cursus-
Ware dit ontwijkende, teleurstellende antwoord in Immigs han- sen hun bedrijf zullen schaden: men bedenke dat iets dergelijks tot
den gekomen; hij zou stellig en organist en kerkbestuur met wat de uitzonderingen zal behooren en dat verstandig toegepast altru-
krachttermen hebben terneergeslagen; wij waren verslagen en zou- ïsme alleen de wereld kan – en zal! – redden.
den dezen twee-gezichten-hebbende-organist en diens lakschheid BROM”
openlijk in het maandblad aan de kaak stellen indien we de zaak er
mee konden dienen.

Maar nu, voor heden genoeg over de salarisactie en ’n enkel woord
besteed aan het andere plan van Besselaar: de examencursus. Zijn
ervaring bij het afnemen der examens voor diploma en getuigschrift
heeft hem er toe geleid plannen te beramen de voorbereiding beter
te doen slagen. Deze is door de bank slecht, en over ’t geheel on-
voldoende. Om daarin verbetering te brengen wil hij aan hen die
daartoe niet in staat zijn, tegen zeer geringen betaling, les geven en
laten geven, lessen geheel toegespitst op de N.O.V.-examen voor het
diploma. Het Bestuur heeft goedgevonden dat hij met Rotterdam
begon en een proef nam, en nu zullen financieel zwakken, die toch
begaafd zijn, bij hem dezen cursus kunnen volgen. De kosten zijn
voorloopig bepaald op slechts tien gulden per kwartaal, die in de
N.O.V.-kas gestort moeten worden. Van de voorwaarden volgen er
hier enkele.
De gegadigden moeten:
a. lid zijn van de N.O.V.,
b. een eenvoudig examen afleggen waaruit blijkt dat zij den cursus
met vrucht kunnen volgen en dat het te geven onderwijs aan hen
besteed zal zijn,
c. per drie maanden, bij vooruitbetaling, tien gulden storten bij den
Penningmeester der Ned. Org. Vereen.;
d. toestaan dat een onderzoek worde ingesteld naar de vraag of zij in
staat zijn duurdere lessen elders te volgen;
e. de lessen trouw volgen. Vacanties worden er gegeven 6 weken des
zomers, met Paschen, Pinksteren en Kerstmis telkens 14 dagen;
f. leer- en lesboeken zelf bekostigen;
g. zich voor tenminste 1 jaar verbinden.
Het is, ook hier, de uitdrukkelijke bedoeling dat deze pogingen
elders zullen worden ondernomen, en dat organisten van beteekenis

maart 2022 15

De orgelmakers Jacobus François

Hoewel Jacobus François Moreau wel in Holland Auke H. Vlagsma

woonde en werkte, heb ik bij mijn promotiestudie Haije, haar broer, kwam bij hen wonen en werken tijdens de bouw
Het ‘‘Hollandse” orgel in de periode van 1670 tot van het orgel in de St.-Janskerk in Gouda.4 Het ligt dus voor de
1730 (Alphen aan den Rijn 1992) geen aandacht hand dat Jacobus Moreau het orgelmaken bij zijn schoonvader
aan zijn werk besteed. Alleen het ontwerp van de Louis I had geleerd.
kassen van zijn orgel in de Goudse St.-Janskerk heb
ik daar besproken. De oorzaak dat hij niet onder het Hij en Isabella kregen twee zonen en een dochter: Johannes, Jo-
begrip ‘Hollandse’ orgelmaker viel, is zijn Vlaamse seph en Clara. Johannes Jacobus werd op 16 oktober 1729 in Rot-
leerschool. Omdat ik wel nieuwsgierig was naar zijn terdam gedoopt en trouwde op 29 augustus 1756 met zijn stadge-
afkomst, heb ik bij het onderzoek in de archieven note Jacoba van Wallendaal.5 Hij werkte als gezel bij zijn vader en
wel gegevens genoteerd die ik van zijn werkzaam- volgde hem op toen die op 9 oktober 1751 overleed.
heden vond. De afgelopen decennia is er ook steeds
meer bekend geworden door de restauratie van Uit de notariële acte van het testament, dat werd opgemaakt op
enige Moreau-orgels maar ook over de orgels van 6 oktober 1751, blijkt dat Jacobus toen al ziek was. Het testament
de Vlaamse orgelmakers De La Haije. Een belang- werd door de notaris uitgevoerd op 27 oktober 1751.6 Jacobus
rijk gegeven is dat Jacobus François Moreau deel François Moreau bleef zijn hele leven in Rotterdam tegenover de
uitmaakte van de familie De La Haije. Ook was van St.-Laurenskerk wonen.7 Het echtpaar was katholiek, wat kennelijk
deze orgelmakers nog maar weinig gepubliceerd. geen bezwaar was, daar hij de meeste opdrachten kreeg van andere
Daarom heb ik nader onderzoek gedaan om een geloofsgemeenschappen.
goed beeld te krijgen van hun werk. Over hun per-
soonlijke omstandigheden was het nodige bekend, Isabella de la Haije overleed in 1792 en werd in Antwerpen
maar tot op heden was er geen complete werken- begraven.8
lijst. Dit artikel biedt u voor het eerst deze (chronolo-
gische) werkenlijst, waarbij ik tevens informatie geef Zoon Johannes Jacobus Moreau zette in 1751 de orgelmake-
over de uitgevoerde werkzaamheden. De lijst bevat rij van zijn vader in Rotterdam voort en vertrok in 1764 om nog
niet de onderhouds- en stemwerkzaamheden van onbekende redenen naar Middelburg. Daar was hij gevestigd in
de Moreaus. de Vlissingsche Straat en adverteerde met orgels en klavecimbels
’tegen een civiele prijs’.9 Het is niet te achterhalen waar en wanneer
Persoonlijke omstandigheden Johannes is overleden. Dit heeft vermoedelijk te maken met het
Jacobus François Moreau was een van de vele personen met deze bombardement van Middelburg in de Tweede Wereldoorlog waar-
achternaam die geboren waren in Frankrijk en in België. Het is bij de meeste archieven verloren gingen.
echter ondoenlijk om de geboorteplaats te achterhalen. Volgens 1717 Middelburg, Lutherse Kerk
A.J. Gierveld is Jacobus François Moreau in 1684 geboren. Sinds In 1717 verving Jacobus Moreau van het in 1706 door Johannes en
1718 woonde hij in Rotterdam en op 7 september 1724 trouwde Andries Duyschot gebouwde orgel de discant van de Trompet 8’
hij in Gent met zijn nicht Isabella Philippa de la Haije.1 In de acte door een Vox humana 8’ voor een bedrag van 13 gulden 6 stuivers
wordt zijn woonplaats vermeld als ex ’s-Gravenhage. Voor het hu- en 8 penningen.10
welijk werd dispensatie wegens verwantschap verleend.2 1721-1723 Rotterdam Oosterkerk
De Rotterdamse St.-Laurenskerk bezat een klein orgel uit 1532
De vader van Isabelle was de orgelmaker Louis I de la Haije, waaraan gewerkt was door Hans Goltfusz, Apollonius Bosch en
die uit Chièvres in Henegouwen afkomstig was, zich vóór 1699 Johannes Duyschot. In 1720 werd door de kerkmeesters en burge-
in Gent vestigde en daar omstreeks 1746 overleed.3 Louis II de la meesters besloten om het over te brengen naar de in 1680 gebouw-
de Oosterkerk. Het werk werd opgedragen aan Jacobus Moreau
volgens een bestek van 24 december 1720 voor een bedrag van
1200 gulden. Het werk hield in dat er in nieuwe kassen een orgel
met hoofdwerk, rugwerk en pedaal moest worden gemaakt met ge-
bruik van bestaand pijpwerk.

De kassen, die werden ontworpen en gebouwd door de beeld-
houwer François van Douwen, vormen een uniek geheel bin-
nen het Hollandse orgelpatrimonium. Bij de grote kas met het
hoofdwerk en het bovenwerk heeft de middentoren een opzetstuk

16 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

en Johannes Jacobus Moreau

voor het bovenwerk met hele kleine pijpen, de zijtorens zijn in
de hoogte gedeeld. De tussenvelden zijn op de Hollandse wijze
verdeeld met de aangrijpingspunten op de deellijn van de zijto-
rens en bevatten grotere aantallen kleinere pijpen met overlengte
zoals in Vlaanderen gebruikelijk was. Er zijn ook nog smalle zij-
velden met extreem lange pijpen. Het rugwerk is Vlaams geori-
ënteerd met overhoekse ronde zijtorens en een kleine middento-
ren. De balustrade wordt ondersteund door fraai gebeeldhouwde
schijnconsoles.

Toen in 1722 de kassen gereed waren, kwam men tot de ontdek-
king dat die wat groter waren uitgevallen dan gepland en dat er nog
vier registers extra geplaatst konden worden: een Prestant 8’ op het
hoofdwerk, een Holpijp 8’ en een Trompet 8’ op het rugwerk en
een Bourdon 16’ op het pedaal. Op 13 januari 1722 schreef Mo-
reau hiervoor een aanvulling en maakte een begroting met een be-
drag van 800 gulden.11 De uiteindelijke dispositie zou worden:

hoofdwerk rugwerk
Prestant 8’ (was disc.) Prestant 4’
Holpijp 8’ Holpijp 8’
Octaaf 4’ (was Pr. 4’) Fluit 4’
Fluit 4’ Quintfluit 22/3’
Octaaf 2’ Octaaf 2’
Quintfluit 11/3’ Sexquialter III
Sufflet 1’ Mixtuur II
Mixtuur III Scherp II
Scherp II Trompet 8’ bas/disc.
Cornet V disc.
Trompet 8’
Clairon 4’

pedaal
Bourdon 16’
Prestant 8’
Octaaf 4’
Quint 22/3’
Trompet 8’

Voor het rugwerk moest een nieuwe lade worden gemaakt en twee
laden voor het pedaal en ook twee nieuwe balgen. De toonomvang
werd volledig en ‘tot sieraad’ zouden twee nieuwe klavieren worden
gemaakt. Toen op 24 mei 1729 de oude orgelkas te koop werd aan-
geboden is die voor 43 gulden door Moreau gekocht.
Het orgel werd hierna door Jacobus onderhouden en na zijn
overlijden door Johannes. Die kreeg in 1764 onenigheid met de
kerkrentmeester omdat hij zich niet aan zijn verplichtingen hield.
Hij kreeg twee weken de tijd, maar dat had ook geen effect dus

Rotterdam, Oosterkerk, Moreau-orgel (foto uit 1933, Stadsarchief Rotterdam)

maart 2022 17

werd hij van zijn diensten ontslagen.
Johannes Moreau’s opvolger hier was Andries Wolfferts die het

instrument voor 100 gulden per jaar onderhield. Hij breidde het
orgel in 1773 uit met een bovenwerk.12 Er volgden reparaties door
J.C. Friedrichs in 1818 en Abraham Meere in 1828, waarbij respec-
tievelijk nieuwe koppelingen en klavieren werden aangebracht. In
1844/1845 voerde Jonathan Bätz een grote restauratie uit die 1900
gulden kostte. Daarna was het orgel bij Bätz in onderhoud voor
100 gulden per jaar.

In 1877 bouwde Johan Frederik Witte een geheel nieuw instru-
ment, waarvan het hoofdwerk bewaard is gebleven.

In 1933 werd dit orgel door Willem van Leeuwen overgebracht
naar de Prinsekerk en van een nieuw tweede klavier en pedaal voor-
zien en elektro-pneumatische tractuur.13

1722 Brielle St.-Catharinakerk
In de Grote Kerk van Brielle stond een orgel van Nicolaas Nie-
hof dat gebouwd was in 1563/1564 met hoofdwerk, rugwerk en
borstwerk. Jacobus Moreau kreeg op 4 april 1722 de opdracht het
instrument te verbouwen voor een bedrag van 525 gulden. Helaas
is niet bekend wat deze werkzaamheden waren, alleen dat de front-
pijpen zouden worden gefoelied tegelijk met het schilderwerk aan
de kassen.

1723-1725 Rotterdam, Remonstrantse kerk
In de Remonstrantse Kerk van Rotterdam was het kleine orgel van
de Jacobikerk in Utrecht opgesteld, dat daar in 1664 was geplaatst
door Nicolaas Verhagen en in 1682 vernieuwd door Apollonius
Bosch. Daarna bestond het uit een hoofdwerk en een bovenwerk.14
In 1723 voerde Jacobus Moreau een grote revisie uit voor 1775
gulden en het werk werd gekeurd door Nicolaas Woordhouder. Er
is geen contract bewaard gebleven. Vervolgens onderhielden vader
en zoon Moreau het orgel tot 1751 voor 33 gulden per jaar.15

1724-1726 Rotterdam, St.-Laurenskerk Rotterdam, St.-Laurenskerk, Goltfusz-orgel. Ets (uitsnede) uit 1758 van Jan Punt
In 1724 begon Jacobus Moreau met de verbouwing van het grote naar een tekening van Paulus van Lienden (Rijksmuseum, Amsterdam)
orgel in de St.-Laurenskerk. Dit orgel was gebouwd door Hans
Goltfusz in de jaren 1642-1646. Toen Moreau het orgel in 1724 die lek waren. De twee laden moesten gedemonteerd worden en
bezichtigde, was de klavieromvang CDE-c3 en het pedaal had de opnieuw gelijmd en de balgen en windkanalen dienden met nieuw
omvang van CDE-d1. Zijn opdracht omvatte de volgende werk- leer te worden beplakt. Verder moesten alle pijpen nagekeken wor-
zaamheden. Er moesten nieuwe laden komen voor het rugwerk om den en als het nodig was gerepareerd.
ook de Cis en Dis te kunnen plaatsen en de pedaalladen zouden
worden uitgebreid met twee cancellen voor Cis en Dis. Op het bo- Voor de Prestant 8’ moesten er pijpen worden bijgemaakt en de
venwerk moesten de Trompet 8’ en de Vox Humana 8’ in een an- frontpijpen zouden worden gefoelied. Er diende een nieuw manu-
dere mensuur worden gemaakt en de tremulant vernieuwd.16 Het aalklavier te worden gemaakt met toetsen van wit ivoor en zwart
bestek van 25 januari 1724 staat op de website www.hetorgel.nl.17 ebbenhout. De aannemer kon rekenen op de hulp van een bal-
Vervolgens werd het orgel door de Moreau’s onderhouden tot gentreder, een timmermansknecht en gratis vuur en licht. Moreau
1764. bracht nog enig meerwerk in rekening voor 46 gulden plus 14 stui-
vers en plaatste een nieuw voetklavier voor 15 gulden, een boekje
1725 Steenbergen, Hervormde Kerk bladgoud voor 14 stuivers. Verder kwam het balgentreden voor
In de Brabantse plaats Steenbergen stond een klein orgel, dat in zijn rekening, waarvoor hij nog 31 gulden ontving. De dispositie
1674 gehuurd werd van de pas aangestelde organist Tinckens die was op dat moment:
uit Breda afkomstig was. Dit eenmanualige orgel werd in 1695 manuaal (C-c3)
hersteld door Jacobus Zeemans, in 1701 door Stephanus Hei- Prestant 8’
denreich en in 1708 nog eens door Zeemans. Jacobus Moreau Holpijp 8’
vernieuwde het in 1725 voor 750 gulden van 40 groten. Hiervan Octaaf 4’
is het contract bewaard gebleven en door Vente in Bouwstenen Fluit 4’
gepubliceerd.18 Quint 22/3’
Superoctaaf 2’
De werkzaamheden kwamen op het volgende neer. Het orgel
moest geheel gedemonteerd worden en de ontdekte gebreken
hersteld. Dit had vooral te maken met de windladen en de balgen

18 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Bennebroek, Hervormde Kerk, Bongaerd/Moreau-orgel. 1726 IJsselstein, St.-Nicolaaskerk
(Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) In de hervormde St.-Nicolaaskerk te IJsselstein stond een or-
gel van onbekende herkomst, waarvan voor het eerst melding
Gemshoorn 2’ wordt gemaakt in de kerkmeestersrekening van 1658. Het werd in
Superoctaaf 1’ 1694/1695 vergroot door de orgelmaker Jonker van Montfoort
Sexquialter II uit Culemborg.22 Van dit orgel vernieuwde Jacob François Moreau
Cornet VI disc. in 1726 de drie balgen voor 150 gulden. Dit was op initiatief van
Trompet 8’ de pas aangestelde organist Willem van Dam, die uit Oudewater
kwam. Van Dam liet zelf de balgen, toen ze gereed waren, vanuit
Voor de keuring was Benjamin Bouchart de organist van de Waalse Rotterdam vervoeren en verleende onderdak aan de orgelmaker
kerk in Middelburg uitgenodigd, deze kwam op 15 juli 1725 en hij toen die ze kwam installeren.23 Het bewuste orgel werd in 1750
constateerde dat alles volgens het bestek was uitgevoerd. vervangen door een nieuwbouworgel van Heinrich Hartman Bätz.
In 1963/1964 is het instrument gerestaureerd door Flentrop, Helaas zijn op 10 augustus 1911 de kerk en dit orgel door brand
waarbij de dispositie werd hersteld zoals Moreau die had opgele- verwoest.24
verd.19 Dit is het enige orgel van zijn hand waarvan de Trompet 8’
bewaard is gebleven.20 1729 Dordrecht, Grote Kerk
Vanaf 1729 betaalde de kerkrentmeester van de drie hervormde
1725 Haarlem, St.-Bavokerk Dordtse kerken tien jaar lang ieder jaar 47 gulden en 10 stuivers
De werkzaamheden in Haarlem zijn door Hans van Nieuwkoop uit aan Jacobus François Moreau voor onderhoud van het Van
genoteerd in zijn proefschrift van 1988. Hij vond in de thesauriers- Hagen-orgel in de Grote Kerk. Vervolgens was er de reparatie van
rekeningen dat op 27 november 1725 ’Frans van Moro’ 25 gulden dit orgel die 475 gulden heeft gekost, maar helaas is niet meer na te
ontving ’voor vermaken en verstellen’ (=stemmen) van het orgel in gaan wat de werkzaamheden inhielden, omdat de rekeningen van
de Grote Kerk. Dit betrof vermoedelijk het door Jacobus van Ha- 1711 tot en met 1730 niet meer aanwezig zijn. Daarna ontvingen
gerbeer verbouwde grote orgel van Peter Gerritsz.21 de orgelmakers 80 gulden per jaar voor onderhoud van de orgels in
de Grote Kerk en de Augustijnenkerk tot 1751.25 Dit is volgens een
contract per 10 jaar vastgelegd.

1731 Den Haag, De Hofkapel
Jacobus Moreau kreeg op 1 maart 1731 een bedrag van 442 gulden
uitbetaald voor het leveren van nieuwe balgen. In 1741 voerde hij
nog een niet nader genoemde reparatie uit voor 152 gulden.26

1731 Bennebroek, Hervormde kerk
In de dorpskerk van Bennebroek stond een klein orgel dat in 1687
was gekocht van de Amsterdamse organist Gijsbert Bongaerd. In
1720 besloot de ambachtsvrouwe van Bennebroek, Adriana Con-
stantia Sohier de Vermandois, een imposante nieuwe kas te laten
bouwen naar een ontwerp van de Haagse beeldhouwer Egidius
Schoenmaeckers. Dit orgeltje werd door Moreau verbouwd vol-
gens een bestek van 16 oktober 1731 (zie www.hetorgel.nl).27
Het werk hield in dat de dispositie als volgt werd:

1. Prestant 4’
2. Holpijp 8’
3. Super Octaef 2’
4. Spitsfluijt of Gemshoorn 2’ gedekt
5. Mixtuur II op 1’
6. Sexquialter bas 22/3’, discant II 22/3’ + 13/5’
Tremulant

Er waren vier balgen van 21/2 bij 41/2 voet waarvan drie met twee
vouwen en de vierde met één vouw, waar een vouw moest worden
bijgemaakt. Verder moesten de balgen een grotere opgang krijgen
door een plank onder de treden weg te halen. De stemming zou
worden uitgevoerd met acht zuivere tertsen, dus de middentoon.
Verder moest de lade worden nagekeken en eventueel de veren
worden vernieuwd en de pijpen uitgestoft, het klavier worden ge-
steld, de tractuur nagekeken en de windkanalen en de balgen wind-
dicht gemaakt. Het werk zou in twee maanden worden uitgevoerd
voor de aanneemsom van 300 gulden, in twee termijnen te betalen.
De keuring moest worden uitgevoerd door Aeneas Veldcamps.

maart 2022 19

1733/1734 Gorinchem, St.-Janskerk door Jacob Cools was verbeterd en uitgebreid moest worden
In de St.-Janskerk van Gorinchem was een orgel aanwezig dat Ste­ gemoderniseerd.
phanus Cousijns uit Den Bosch in 1665 had gebouwd. Jacobus
Moreau voerde in 1734 een grote onderhoudsbeurt uit voor 250 De werkzaamheden kwamen op het volgende neer. De tongwer-
gulden. Het orgel werd gedemonteerd om het schoon te maken ken moesten worden herzien en op een sterke en soepele aanspraak
en de defecten te herstellen, de balgen werden opnieuw beleerd.28 gebracht en van nieuwe metalen stevels worden voorzien in plaats
Helaas is het orgel met de kas verdwenen bij de nieuwbouw door van de houten. Er zouden registers worden bijgemaakt: op het
C.G.F. Witte in 1853.29 Er is nog wel een kas van Cousijns te be- hoofdwerk een Quintadeen 8’ en op het rugwerk een Gemshoorn
wonderen in de Hervormde Kerk te Woudrichem van het orgel, 2’. Op het hoofdwerk werd de Mixtuur met twee of drie van de
dat hij in 1680 bouwde voor de Kloosterkerk in Den Haag. laagste koren van de Scherp uitgebreid, die moest plaats maken
voor een Quint 22/3’ in de bas en een Nasat 22/3’ in de discant.
1733-1736 Gouda, St.-Janskerk Bovendien moesten er delingen worden aangebracht voor de bas
Van dit meesterstuk is gelukkig het complete bestek bewaard ge- en de discant bij de Trompet 8’ van het hoofdwerk en de Krom-
bleven, dat u integraal aantreft op de website van dit blad. hoorn van het positief. De vijf balgen moesten worden gerepareerd
Er werden acht balgen gemaakt van 9 bij 6 voet en het pedaal zou en met leer, francijn en lijm worden hersteld, zodat ze eenparig
op vier laden worden opgesteld om voldoende wind bij de pijpen te wind zullen verschaffen en het probleem van de schokken zal zijn
krijgen. De klavieren moesten met schroeven kunnen worden bij- opgelost.
gesteld en de registertrekkers vastgezet worden in kepen. Aan kop-
pelingen zou er een drukkoppel worden aangebracht tussen hoofd De toonhoogte moest op de koortoon worden gebracht door bij
en rugwerk en het pedaal kreeg een koppel aan het hoofdwerk. alle registers twee nieuwe pijpen te maken voor C en Cis en de ove-
Het klavierbeleg zou van schildpadschild moeten worden gemaakt rige op te schuiven. Er moesten verder nieuwe pijpen worden ge-
en de boventoetsen van ivoor. maakt voor de Trompet 8’ in de discant van c1 tot c3 en een nieuwe
Vox Humana. De Cornet werd naast de opschuiving nog extra met
De keuring vond plaats op 24 april 1736 door de keurmeesters drie pijpen wijder gemaakt. Bij de stemming moest weer de mid-
Nicolaas Woordhouder, Aeneas Veldcamps, Gerhard Witvogel en dentoon worden gehanteerd. Om het orgel een beter aanzicht te
Jacobus van der Bruggen. Op 1 mei ging de magistraat met de ople- geven zouden de frontpijpen worden gefolied en de labia verguld.
vering akkoord.
1744 Rotterdam, St.-Rosaliakerk
Voor meer informatie verwijs ik naar een boekje over het Mo- In de katholieke kerk St.-Rosalia in de Leeuwenstraat in Rotterdam
reau-orgel dat over niet al te lange tijd door de kerkvoogdij van de bouwde Jacobus François Moreau een orgel ter vervanging van
St.-Janskerk zal worden uitgegeven en waaraan ik heb meegewerkt. een bestaand instrument. Dit orgel werd in 1778 verkocht aan de
rooms-katholieke statie te Zoeterwoude, waar de dispositie geno-
1735/1736 Hulst, St.-Willibrorduskerk teerd werd door de Friese organoloog Nicolaas Arnoldi Knock.31
In de door de hervormden gebruikte kerk van Hulst stond een
orgel uit 1610 van Louis Isoré uit Antwerpen met klavieromvang manuaal
C-a2. Dit instrument was in 1735 aan een grote reparatie toe. Er Praestant 8’
werd een orgelmaker uitgenodigd om een inventarisatie en een of- Holpijp 8’
ferte te maken van de nodige werkzaamheden. Deze niet met name Quintadeen 8’
genoemde vakman maakte twee memories met een aanneemsom Octaaf 4’
van 1250 gulden, maar kreeg de opdracht niet. De werkzaamhe- Fluit 4’
den kwamen neer op het vernieuwen van de drie balgen inclusief Quint 3’
de windkanalen en het realiseren van de toonomvang C-c3. Daar- Super octaaf 2’
voor moesten de laden worden uitgebreid en de registers worden Cornet IV
aangevuld met ongeveer 200 pijpen. Ook moest de frontprestant Sexquialter II
worden vernieuwd en een nieuwe Trompet 8’ worden gemaakt Mixtuur III
met bekers van tin of blik en nog een Vox humana van tin. Jacobus Trompet 8’ bas/discant
Moreau nam het werk aan voor 183 gulden 6 stuivers en 8 pen- Tremulant
ningen en ontving aan meerwerk nog 6 gulden 13 stuivers en 4
penningen.30 Ik denk dat Moreau alleen maar de windvoorziening In 1844/1845 plaatste de Amsterdamse orgelmaker Leonardus
kan hebben vernieuwd, gezien de aanneemsom die in IJsselstein in van den Brink het instrument over naar een nieuw gebouwde kerk.
1726 voor drie nieuwe balgen al 150 gulden was. Daarbij werden de Quintadeen en de Cornet vervangen door een
Bourdon 16’ discant en een Viola di Gamba 8’.
Verder worden we door J.H. Kluiver ingelicht over werkzaam-
heden in 1764 aan dit orgel door Louis II de la Haije, de zwager Toen in 1886 het besluit werd genomen om Lodewijk Ypma een
van Jacobus en de oom van Johannes Moreau. Hij maakte nieuwe nieuw orgel te laten bouwen, werd het Moreau-orgel verkocht aan
windladen om de toonomvang uit te kunnen breiden en een nieu- de hervormde gemeente van Ierseke om het daar op te stellen in
we Trompet en Vox Humana te maken. Johannes is in datzelfde de St.-Odulphuskerk. Het werd door Ypma geplaatst en werd in
jaar naar Middelburg verhuisd. Mogelijk hebben ze samengewerkt. gebruik genomen op 30 april 1888. Na jarenlang onderhoud door
Zeeuwse orgelmakers werd het in 1929 gerestaureerd en gewijzigd
1738 Goes, Maria Magdalenakerk door Valckx & Van Kouteren uit Rotterdam. Daarbij werden de
Dankzij het archiefonderzoek van J.H. Kluiver in 1972 en 1973 in Trompet en de Tremulant vervangen en kreeg de kas een nieuw
Zeeland is het contract van Jacobus François Moreau met de magi- uiterlijk. Helaas werd het orgel in 1940 vernietigd tijdens beschie-
straat van Goes gepubliceerd in zijn reeks Historische Orgels in Zee- tingen vanaf Franse schepen op de Westerschelde waarbij ook een
land. Het betrof het Deakens-orgel van 1643 dat van 1709-1711 groot deel van het centrum van Ierseke werd verwoest.32

20 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Yerseke, Odulphuskerk, Moreau-orgel, oorspronkelijk gebouwd voor de St.-Rosa- Wilnis, Hervormde Kerk, Moreau-orgel, oorspronkelijk gebouwd voor de Katho-
liekerk te Rotterdam. Foto uit 1906 (Beeldbank Zeeland) lieke Kerk te Kralingen (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

1747 Middelburg, Waalse Kerk Octaaf 4’
In de door de plaatselijke timmerman Willem de Meester gebouw- Fluit 4’
de kas bouwde Jacobus François Moreau een nieuw orgel met de Quint 3’
volgende dispositie.33 Super octaaf 2’
Cornet III
manuaal (C-c3) Mixtuur II-III
Praestant 8’
Holpijp 8’ Inmiddels is bekend dat het orgel in 1842 binnen de kerk ver-
Octaaf 4’ plaatst is door Luitjen Jacob van Dam en is uitgebreid. In 1877
Fluit 4’ werd het verkocht aan de Hervormde Kerk te Wilnis, waar J. de
Octaaf 2’ Koff & Zoon in 1926 een nieuw orgel in de oude kas bouwden
Cornet IV disc. met behoud van de frontpijpen.
Quint 3’ bas/disc.
Quint 11/2’ 1752 Dordrecht, Grote Kerk en Augustijnenkerk
Mixtuur II-III Na de dood van zijn vader nam Johannes Jacobus Moreau het on-
Trompet 8’, bas/discant derhoud van beide orgels aan voor 80 gulden voor een tien jaar du-
Tremulant rend contract. In 1761 werd het bedrag 70 gulden en in 1762 tot
1765 betrof het alleen nog maar de Augustijnenkerk, omdat D.A.
Er was een aangehangen pedaal (C-c1) Bauermeister de organist van de Grote Kerk zijn eigen orgel onder-
hield. In 1763 beleerde Johannes van dit orgel de balgen opnieuw
ca. 1750 Kralingen, Katholieke Kerk voor 37 gulden en 16 stuivers.35 Vanaf 1766 was Jacobus Robbers
Ook dit orgeltje is bekend door Nicolaas Arnoldi Knock met de voor 70 gulden met het onderhoud van beide orgels belast.36
volgende registers, daarna is het uit beeld verdwenen34.
1753 Oosterhout, Rooms-Katholieke schuilkerk
manuaal Nieuwbouw door Johannes Jacobus Moreau voor 2000 gulden in
Praestant 8’ disc. een kas van de Antwerpse beeldhouwer W. Dübblens, die uiteraard
Praestant 4’ ook het snijwerk maakte.37 Dit orgel had de volgende dispositie:
Holpijp 8’

maart 2022 21

manuaal (C-c3)
Praestant 8’
Cornet V disc., vanaf cis1
Holpijp 8’
Octaaf 4’
Fluit gedekt 4’
Nasat 3’
Octaaf 2’
Klijn fluijt 2’
Flageolet 1’
Sesquialter II
Mixtuur III
Trompet 8’, bas/discant
Vox humana 8’
Tremulant

pedaal (C-d1)

In 1810 kregen de katholieken de monumentale St.-Janskerk toe- Oosterhout, Hervormde Kerk, Moreau-orgel, oorspronkelijk gebouwd voor de katho-
gewezen. Ze verlieten de schuilkerk. De hervormden kregen een lieke schuilkerk te Oosterhout (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
nieuw kerkgebouw, waarin Cornelis van Oeckelen uit Breda het
Moreau-orgel uit de voormalige schuilkerk plaatste. Hij adviseerde Gameren, Gereformeerde Kerk, Moreau-orgel, oorspronkelijk gebouwd voor de En-
een Bourdon 16’ toe te voegen, maar dit register is bij de restauratie gelse Presbyteriaanse Kerk te Rotterdam (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
van 1972 verwijderd.38

In 1901 verbouwde Michael Maarschalkerweerd uit Utrecht
het instrument, waarbij de Klijn fluit en de Flageolet werden ver-
vangen door een Roerfluit 8’ en een Viola di gamba 8’ . Ook de
Trompet 8’ werd vernieuwd. Het is archivalisch niet vast te stellen,
maar aannemelijk is dat bij deze gelegenheid de kas voorzien werd
van een onderbouw om een zijkantbespeling voor twee klavieren
mogelijk te maken. De registers werden in twee groepen verdeeld,
waarvoor de cancellen in de Moreau-lade werden gescheiden en
van een tweede windkast werden voorzien. De toonhoogte werd
gewijzigd. De windvoorziening werd vanaf die tijd verzorgd door
een magazijnbalg. Geheel passend in het beeld van die tijd werd er
aan het pijpwerk gewerkt om stemkrullen, expressions en insnij-
dingen te kunnen maken. Hierbij werden pijpen opgeschoven en
ingekort en de tongwerken kregen metalen stevels.

In 1970 begonnen de orgelmakers Gebroeders Van Vulpen met
Lambert Erné als adviseur aan een restauratie en een reconstructie
van de kas. Het orgel werd weer een eenklaviers instrument met
het klavier in de achterwand en met een geheel nieuwe mechaniek.
De claviatuur en het pedaalklavier werden gekopieerd van het Mo-
reau-orgel in de St.-Maartenskerk te Baarland. De oude toonhoog-
te werd hersteld en de pijpen op de bewaard gebleven oorspronke-
lijke stokken en op de juiste plaatsen gezet. Alle wijzingen aan het
pijpwerk werden ongedaan gemaakt en ook werden de pijpen ver-
lengd. Een bijzonderheid vormen de stokken van de Mixtuur en de
Sesquialter, waarvan iedere pijp zijn wind rechtstreeks uit de cancel
krijgt zonder horizontale verboringen.

Er werden zes nieuwe registers vervaardigd: Klijnfluijt 2’, Flage-
olet 1’, Sesquialter, Mixtuur, Trompet 8’ en Vox Humana 8’. De kas
werd opnieuw geschilderd en de frontpijpen van tinfoelie voorzien
plus bladgoud op de labia. Het orgel werd in 1971 opgeleverd door
Hans Erné, na het overlijden van zijn vader Lambert.

1753 Rotterdam, Engels Presbyteriaanse kerk, nieuwbouw
In de Engelse Presbyteriaanse kerk bouwde Johannes Moreau in
1753 een eenklaviers orgel voor een bedrag van 1650 gulden. De
dispositie was:

22 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

1758 Rotterdam, Waalse Kerk
Volgens M.A. Vente voorzag Johannes Jacobus het orgel van de
Waalse Kerk in Rotterdam in 1758 van een bovenwerk. Dit is niet
meer na te gaan, want in de resoluties van de burgemeesters staat
alleen maar beschreven dat het orgel nodig moest worden gerepa-
reerd en dat de kosten werden getaxeerd op 1822 gulden. Er wordt
niet over een bovenwerk gesproken en zelfs de naam van de orgel-
maker komt niet ter sprake. Het bedrag is echter wel voldoende om
een lade met pijpwerk met 6 registers en een klavier met bijbeho-
rende tractuur te kunnen plaatsen. Het eenklaviers orgel van elf
stemmen met een pedaal van zes was in 1705 gebouwd door Jaco-
bus Cool uit Dordrecht en kostte 1800 gulden exclusief de kas. De
kas leverde Reijer Boekenstein.39

In 1865 bouwde de firma J. Bätz & Co. een nieuw instrument en
werd het oude verkocht aan de Hervormde Kerk te Numansdorp.
Daar is alleen de kas nog aanwezig omdat bij de plaatsing door de
orgelmakers Van den Haspel en Schölgens en Van der Weide uit
Rotterdam het gehele orgel is vervangen door een nieuw werk.40

Baarland, Dorpskerk, Moreau-orgel 1763 Breda, Katholieke Kerk aan de Nieuwstraat
(foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) In de katholieke schuilkerk aan de Nieuwstraat kreeg Johannes
Moreau opdracht voor de opdracht om het gehele orgel winddicht
te maken en de mechaniek bij te stellen. Alle pijpwerk moest van
de lade af en worden schoongemaakt en hersteld. De lade moest
worden losgenomen en schoongemaakt.
Wat de registers betreft komt alleen de Trompet ter sprake, want er
moest een nieuwe C worden gemaakt en de overige pijpen werden
een halve toon opgeschoven. De grote bekers moesten met haken
aan een rek worden bevestigd. De opdracht werd verstrekt op 24
januari 1763, de aanneemsom was 70 gulden, op 28 september was
het werk opgeleverd en betaald.41

manuaal (C-c3) [jaartal onbekend] Baarland, St.-Maartenskerk (Dorpskerk)
Prestant 4’ In het aan de Schelde gelegen dorpje Baarland op Zuid-Beveland
Prestant 8’ disc. is sinds 1786 in de Hervormde Kerk een tweeklaviers huisorgel
Holpijp 8’ van Johannes Jacobus Moreau aanwezig. Het werd gekocht op een
Gedekte Quint 3’ bas advertentie in de Amsterdamsche Courant (13 mei 1783) van de
Cornet III disc. orgelmaker Johannes Pieter Künckel uit Rotterdam die het ook
Roerfluit 4’ in Baarland plaatste. Hij verving de balg in de onderkas door drie
Mixtuur spaanbalgen in een kas achter het orgel. Deze zijn in 1932/1933
Trompet 8’ bas/disc. vervangen door een magazijnbalg die nog aanwezig is. De disposi-
Tremulant tie was oorspronkelijk:
Ventiel
Er is veel aandacht besteed aan de uitvoering van het orgel zelf, bovenmanuaal (C-d3) ondermanuaal (C-d3)
maar ook aan de rococokas. Het orgel stond oorspronkelijk op een Praestant 8’disc. Holpijp 8’
onderkas, maar die is in 1879 verdwenen toen het werd verkocht Bordon 8’ Fluijt 4’
aan de christelijk afgescheiden gemeente te Gorinchem waar het Praestant 4’ Klijnfluijt 2’
zijkantbespeling kreeg. Daar werd ook de Mixtuur vervangen door Roerfluijt 4’ Cornet III disc.
een Viola 8’ en de Trompet door een Duliciaan 8’, vanwege hoogte- Quint 3’ Quint 3’ II
gebrek in de kas. In 1920 werd het instrument weer verkocht, nu Octaaf 2’ Dulciaan 8’
aan de Gereformeerde Kerk van Gameren. In 1937/1938 werden
door De Koff de spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg en pedaal aangehangen
het klavier werd als pianomodel uitgevoerd. koppeling bovenklavier aan onder bas/disc.
In 1988 restaureerde Sebastian Blank uit Herwijnen het orgel met
Klaas Bolt als adviseur. Het pijpwerk werd hersteld, de windlade Tegenwoordig is de Quint weer enkel, de pijpen van de Bordon
gerestaureerd, het klavier vervangen, de registertractuur vernieuwd. zijn op C na vernieuwd en de Dulciaan 8’ is een tongwerk van
Er werd een nieuwe Mixtuur gemaakt op de plaats van de Viola 8’. Flentrop uit 2009, ter vervanging van een Viola di Gamba uit
De toonhoogte bleek oorspronkelijk 415 Hz. geweest te zijn. 1932/1933 van J.H. Giesen te Goes. Het is een heel mooi orgel
met een zeldzaam fraaie klank. Het prestantenkoor op het boven-
klavier is scherp omlijnd. De fluiten zijn zangrijk en de Cornet en
de Quint op het onderklavier zijn duidelijk. Van de Holpijp is het

maart 2022 23

groot octaaf van eikenhout en staat aan beide kanten van de windla- [jaartal onbekend] Middelburg, Doopsgezinde Kerk
de. Oospronkelijk was het tongwerk een Kromhoorn 8’, maar die is In de Doopsgezinde Kerk van Middelburg staat een orgel van Bak-
in 1905 vervangen door een Trompet 8’, die op zijn beurt door Van ker & Timmenga, dat de firma in 1890 bouwde in een neorenais-
Giesen werd vervangen door de Viola di Gamba 4’. sancekas, ontworpen door de Haagse architect Klaas Stoffels. De
orgelmakers gebruikten het pijpwerk van een bestaand tweeklaviers
De kas is geheel van eikenhout, in de onderkas zijn het pilasters huisorgel dat in 1833 voor 260 gulden was gekocht van Johannes
met een oorhanger, in de bovenkas doorgaande stijlen. Het front Bos uit Goes. Dat orgel werd toen geplaatst door orgelmaker Fre-
van de bovenkas bestaat uit bijna vlakke zijtorens met snijwerk in de derik van de Weele, die een register toevoegde en een aangehangen
vorm van een kapiteel, een halfronde middentoren en op ongeveer pedaalklavier.45 Vader en/of zoon Moreau moeten dit orgel hebben
tweederde van de hoogte gedeelde tussenvelden. Een dergelijk front gebouwd, want er zijn nog vijf registers pijpwerk van hun hand
met vlakke zijvelden in plaats van torens werd ook toegepast door aanwezig.46 De dispositie was:
Louis II de la I Haije bij het orgel dat hij in 1729 in Geraardsb­ ergen
bouwde. Het enige vormverschil is de middentoren die bij De la bovenklavier (C-e3) onderklavier (C-e3)
Haije driehoekig is. Dit geeft nog eens aan dat Moreau uit de school Prestant disc. 8’ Holpijp 8
van de La Haije komt. Al het snijwerk aan oorhangers, bloemen- Holpijp 8’ Fluit 4’
mandjes op de voetlijst en acanthuslofwerk met schelpmotief in de Prestant 4’ Woudfluit 2’
blinderingen is geheel in de Lodewijk XIV stijl. Roerfluit 4’
Octaaf 2’
Het bovenklavier heeft een mechaniek dat rechtstreeks is ver- Cornet III
bonden met de wellen van het wellenbord. Het onderklavier heeft Kromhoorn 8’
balanstoetsen die via een hefboom op de wellen van de onderste lade
werken. De ondertoetsen van beide klavieren zijn van ebbenhout Vervolgens brachten Prenniger en Mennes in 1841 wijzigingen
en de boventoetsen van ivoor. Tussen de klavieren bevindt zich een aan. In 1850 bouwden Kam en Van der Meulen een nieuwe kas, die
gedeelde drukkoppel, die kan worden bediend met twee messing in 1857 van nieuwe klavieren werd voorzien. Dit orgel bestond tot
knopjes, de registerknoppen zijn van palissanderhout. De klavierbak 1890 toen de firma Bakker & Timmenga een nieuw orgel in een ei-
is mooi geprofileerd en de namen van de registers zijn geschilderd. gentijdse kas bouwde met nieuwe laden en mechaniek en een deel
Boven het klavier is een muzieklessenaar aangebracht met een ajour- van het pijpwerk overnam.47 De dispositie ziet er dan als volgt uit,
gesneden medaillon met de letters ‘J.J.M’. De boventoetsen van het de cursiefgedrukte stemmen zijn van Moreau.
pedaalklavier hebben de vorm van een omkrullend acanthusblad.42
hoofdwerk (C-f3) bovenwerk (C-f3)
[jaartal onbekend] Ezinge, Torenstraatkerk (Hervormde Kerk) Bourdon 16’ Gemshoorn 8’
De Hervormde Kerk van Ezinge bezit een orgel met pijpwerk van Prestant 8’ Viola di Gamba 8’
Moreau. Het werd in het midden van de achttiende eeuw gebouwd Holpijp 8’ Holpijp 8’
als balustradeorgel met achterkantbespeling voor een mij onbekende Octaaf 4’ Salicet 4’
kerk. In Ezinge werd het in 1868 geleverd door de firma P. van Oec- Roerfluit 4’ Fluit 4’
kelen, op een nieuwe galerij geplaatst en voorzien van een onderkas Quint 3’ Woudfluit 2’
en vleugelstukken. Het orgel verving daar een in 1793 door F.C. Octaaf 2’ Aeoline 8’
Schnitger en H.H. Freytag geplaatst kabinetorgel. De oorspronke- Trompet bas/disc.
lijke negen registergaten boven het klavier zijn nog zichtbaar.43 Er
is geen pedaalklavier en zijn twee in bas en discant verdeelde slepen pedaal (C-c1)
nog vrij. Bourdon 16’ transmissie

In 2012 vond een restauratie plaats door Mense Ruiter Orgelma- Besluit
kers met Stef Tuinstra als adviseur. Bij deze gelegenheid zijn de oude Jacobus Moreau was de orgelmaker die een drieklaviers orgel met
kleuren weer aangebracht, de kas in mahonie-imitatie en het snij- pedaal bouwde in Gouda. Hij had zijn opleiding gehad in de
werk verguld.44 De dispositie is sinds 2012: Vlaamse orgelbouw maar wist zich aan de Hollandse eisen aan te
passen. Dit kwam niet alleen omdat hij begon met reparatiewerk-
manuaal (C-c3) zaamheden en verbouwingen, maar ook omdat hij reageerde op de
Praestant 8’ verzoeken van Hollandse organisten. Vanaf het begin in Nederland
Viola di Gamba 8’ had hij contact met de vooraanstaande organist Nicolaas Woord-
Fluit 4’ houder van de St.-Laurenskerk, die ook dikwijls als keurmeester
Violon 8’ disc. optrad. Dat Moreau uit een andere traditie kwam, is vooral hoor-
Woudfluit 2’ baar bij zijn tongwerken. Het zijn niet alleen de mensuren van de
Quint 3’ pijpen maar het is ook de bouw van de windladen met de windkast
Octaaf 4’ in het midden van de lade. Bij onze orgels staan de tongwerken aan
Holpijp 8’ het eind van de lade boven de windkast waar de druk het hoogst is.
Cornet III disc. Het gevolg van het te zacht klinken van de tongwerken is geweest
Mixtuur II-III bas/disc. dat in de negentiende eeuw de meeste zijn vervangen. Er is nog
slechts één originele Trompet 8’ aanwezig, in de Hervormde Kerk
Het gecursiveerde pijpwerk is vermoedelijk van Moreau. De wind- van Steenderen. Het mensurenbeeld van Moreau is bij de pres-
voorziening, een magazijnbalg met een schepbalg, is in 1910 aange- tanten niet erg afwijkend van dat van de Hollandse orgelmakers,
bracht door Jan Doornbos uit Groningen. De Mixtuur is van Mense
Ruiter ter vervanging van een Flageolet uit 1958 die door J. van der
Bliek uit Leeuwarden was geplaatst.

24 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Onderhoudswerkzaamheden en stemmen 17 GA Rotterdam, ANHG (toeg. 25), KM 4, p. 102-103.
18 M.A. Vente , Bouwstenen I (Utrecht 1965) 208-209.
1719-1723 Middelburg, Evang. Lutherse Kerk 19 F. Jespers, Repertorium van orgels en orgelmakers in Noord-Bra-
1724-1751 Rotterdam, oud-katholieke kerk ’Soli
Deo Gloria’ bant tot omstreeks 1900 (’s-Hertogenbosch 1983) 281.
1730-1749 Dordrecht, Grote Kerk en 20 Mededeling van Dick den Hertog, Gouda, bevestigd door de
Augustijnenkerk, voor 80 gulden
1742-1751 Hulst, St.-Willibrorduskerk (voor 5 heer Zoutendijk van Verschueren Orgelbouw.
gulden,16 st.,8 p) 21 H. van Nieuwkoop, Haarlemse orgelkunst van 1400 tot heden
1743-1753 Dordrecht, Waalse kerk (voor 25
gulden) (Utrecht 1988) 130.
1750-1761 idem (voor 70 gulden) 22 GA IJsselstein, Oud archief, inv.no. 415, rekeningen kerkmees-
1763-1762 Oosterhout, katholieke St.-Jan,
1759-1766 Arnemuiden, Hervormde Kerk ters St. Nicolaaskerk 1694-1695.
1762-1765 Dordrecht, Augustijnekerk (voor 35 23 GA IJsselstein, Oud Archief, inv. no. 415, kerkmeestersrekening
gulden)
1763 Zierikzee, St.-Lievensmonsterkerk 1726.
24 G. Oost, De orgelmakers Bätz (Alphen aan den Rijn 1977) 373.
alleen bij de fluiten en tongwerken zijn verschillen te constateren. 25 GA Dordrecht, Archief kerkvoogdij Hervormde gemeente, inv.
Van zijn zoon Johannes heb ik geen goed beeld omdat hij slechts
no. 677
kleine orgels bouwde en een bovenwerk bij het Cools-orgel in de 26 Herman de Kler, Zeven eeuwen orgels in Den Haag (Alphen aan
Waalse kerk te Rotterdam.
Voor de jonge generatie orgelonderzoekers publiceer ik op de web- den Rijn 1987) 62.
site www.hetorgel.nl de tooninscripties die op de pijpen staan van 27 Jaap den Hertog & Hermand de Kler, De geschiedenis van het
het Moreau-orgel in de St.-Janskerk van Gouda.
orgel in de dorpskerk te Bennebroek (z.p. z.j.) 18-19.
Noten 28 GA Gorichem, Oud-archief inv.no. 621 (rekening kerkmeesters
1 A.J. Gierveld, Het Nederlandse huisorgel in de 17e en 18e eeuw
(Utrecht 1977) 229. 1733/’34. Het archief werd door mij bezocht in 1986.
2 C.C. Vlam en M.A. Vente, Bouwstenen voor een geschiedenis der 29 J. Jongepier, Langs Nederlandse orgels, Noord-Holland, Zuid-
toonkunst in de Nederlanden 2 (Amsterdam 1971) 298.
3 https://www.inventarisOnroerendErfgoed.be.net/perso- Holland, Utrecht (Baarn 1977) 47.
nen/8042, geraadpleegd 05-01ó-2021. De juiste Sterfdatum 30 J.H. Kluiver, Historische orgels in Zeeland. III: Schouwen en
van Louis is een mededeling van P. Roose.
4 Gouda,Archief der Hervormde gemeente, Resoluties van kerk- Duiveland, Tholen, Zeeuwsch-Vlaanderen (Middelburg 1976)
meesters 1724-1744; Vlam en Vente, Bouwstenen 2, 121. 148-149.
5 Internet, Openarchieven, zoeken op Moreau, ingezien op 31 N. Arnoldi Knock, Dispositien der merkwaardigste Kerk-orgelen
22-11-2020. (Groningen 1788, Amsterdam 1972) 61.
6 GA Rotterdam, NA 2836, fol. 393-399 en fol. 464-473. 32 J. Eckhardt en V. Timmer, ‘Over een verloren gegaan Moreau-
7 Vlam en Vente, Bouwstenen 2, 298-299. orgel en een orgeltocht op Tholen in 1908’, Stichting tot Behoud
8 Gierveld , Het Nederlandse huisorgel, 229. van het Nederlandse Orgel, publicatie no. 71, juli 2009.
9 Gierveld, Het Nederlandse huisorgel, 231. 33 Kluiver, Historische orgels in Zeeland, II, 82-83.
10 J.H. Kluiver, Historische orgels in Zeeland, II: Walcheren (Mid- 34 Knock, Dispositien, 56.
delburg 1974) 50. 35 GA Dordrecht, ibidem, inv. no. 701-711.
11 GA Rotterdam, Archief Hervormde gemeente, Kerkmeesters 36 GA Dordrecht, ibidem, inv. no. 712.
inv.no. 4, fol. 72-73. 37 Jespers, Repertorium van orgels en orgelmakers in Noord-Bra-
12 www.orgels-en-kerken.nl/index/rotterdam-prinsekerk-orgel. bant, 232.
htm, ingezien op 23-01-2021 38 J. Jongepier, ‘Het orgel in de Hervormde kerk te Oosterhout’,
13 T. Brouwer, De Prinsekerk te Rotterdam 1933-1983 (z.p. z.j.). Het Orgel 68 (1972) 152-153.
14 J. Hess, Dispositien der merkwaardigste kerk-orgelen (Gouda 39 Vlam & Vente, ,Bouwstenen 2, 153-154
1774, Buren 1980) 66. 40 M.A. Vente, ‘Rotterdam-orgelstad’, Overdruk uit Akademieda-
15 GA Rotterdam, Remonstrants Hervormde gemeente, inv.no. gen XIX, KNAW Amsterdam 1967, p. 54
248, jaren 1723. en 1725. 41 F. Jespers, ‘Vlaamse verwikkelingen in Breda’, De Mixtuur no.
16 GA Rotterdam, ANHG (toeg 25), KM 2, p. 269-270; A.H. 49 (maart 1985) 756-757.
Vlagsma, Het ’Hollandse’ orgel in de periode van 1670 tot 1730 42 J.H. Kluiver, Historische orgels in Zeeland, I: Middelburg (Mid-
(Alphen aan den Rijn1992) 69. delburg 1973) 76-79.
43 Het Groninger Orgelbezit van Adorp tot Zijldijk, deel II Wester-
kwartier (Stichting Groningen Orgelland 1995) 64-65.
44 www.orgelnieuws.nl/moreau-orgel-de-kerk-van-ezinge-geres-
taureerd, geraadpleegd 10-10-2020
45 Internet, Orgelbouw in Zeeland, Middelburg (voormalig)
Doopsgezinde kerk, geraadpleegd, 28-11-2020.
46 http://www.orgelsinzeeland.nl/nieuws _middelburg_dgk.htm,
geraadpleegd 19-10-2020
47 https://www.orgelsite.nl/middelburg-doopsgezinde-kerk, ge-
raadpleegd 29-10-2020

maart 2022 25

Podiumangst

Jos van der Kooy

Naar aanleiding van mijn vorige column ‘Het concertseizoen in Leeuwarden – later het Leeuwarder Conservatorium. Mijn
studenten hadden het opeens vaak over de overeenkomsten tus-
voorbereiden’ noemde hoofdredacteur Jan Smelik als onderwerp sen topsport en musiceren. Collega docent Anco Ezinga had dit
‘podiumangst’, gerelateerd aan de musiceerpraktijk van professio- in een vroeg stadium opgepikt en meteen aan de orde gesteld in
nele organisten en amateurorganisten. In overleg kwamen we tot de methodieklessen die hij voor alle orgelstudenten op ons insti-
het inzicht dat het goed zou zijn hierover een afzonderlijk artikel tuut verzorgde.
te schrijven. Dat artikel komt later. In de beperkte omvang van In de eerste maanden van 1989 las ik er veel over. Dat had een on-
deze column wil ik alvast iets over schrijven over podiumangst, voorzien en bizar gevolg: toen in de lente de orgelconcerten weer
waarbij ik me beperk tot wat mijzelf al spelend overkwam en op gang kwamen, kreeg ik behoorlijk last van podiumangst. Tot op
overkomt. Ervaringen als docent bewaar ik voor het aangekon- dat moment had ik, achtendertig jaar oud, er nauwelijks last van
digde artikel. gehad. Nu ik het opschrijf herinner ik me dat ik direct in gesprek
Ik denk dat nagenoeg alle vocalisten en instrumentalisten met ging met vrienden die mij al jarenlang goed kenden. Ik heb het
podiumangst te maken hebben. Ontkenning daarvan berust niet weggestopt en dat is achteraf gezien mijn redding geweest.
meer op stoerdoenerij dan op feiten. Plankenkoorts bij musici is Door het lezen van boeken en de dialoog met studenten was ik
vermoedelijk tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw onvol- mij bewust geworden van de vanzelfsprekendheid van het ver-
doende bespreekbaar geweest. Het idee was dat je je er niet op schijnsel podiumangst. Ik kwam tot het inzicht dat het de nor-
moest focussen, dan zou het alleen maar erger worden. maalste zaak van de wereld was. Mijn spanning bij optredens ver-
In de topsport stond het al langer op de agenda. Sportlieden moe- dween even onverwacht als die gekomen was, nog in de herfst van
ten immers net als musici op een van te voren vastgesteld moment hetzelfde jaar. Achteraf gezien was het noodzakelijk dat ik door
pieken. Niet je dag hebben is gewoon geen optie. Begeleiding deze fase ging. Ik werd er weerbaarder door en het had een posi-
door gespecialiseerde psychologen werd in de sport gebruikelijk. tieve invloed op mijn functioneren als docent. Eigenlijk kwam
Er verschenen publicaties van sportpsychologen. In de tweede het maar net op tijd: in het voorjaar van 1990 werd ik stadsorga-
helft van de jaren tachtig kreeg ik dit in het het vizier. Destijds nist van Haarlem. De nieuw opgedane ervaringen en inzichten
was ik hoofdvakdocent aan de Muziek Pedagogische Academie

26 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Column

van het voorgaande jaar zou ik hard nodig hebben om in die van kerkdiensten en spelen zich vervolgens handig door een vie-
functie overeind te blijven. ring heen. Ze vergoelijken dat met de misvatting dat het spel dan
Van de jaren tachtig in de vorige eeuw maken we een sprong naar spontaan is. Mijn ervaring is dat inspiratie komt als je de dienst
de jaren twintig van deze eeuw. Soms loopt een concert bij lange goed hebt voorbereid. Ik doe dan wél andere dingen dan die ik te-
na niet zo goed als je zou willen. Het is dan zaak dat je de oorza- voren bedacht heb. Door de voorbereiding heb je de antenne ge-
ken opspoort om herhaling te voorkomen. Het helpt nooit het richt op dat wat komt en sta je open voor inspiratie. Als je gewend
orgel, de registranten of het weer de schuld te geven. Het meest bent aan die wat nonchalante aanpak van diensten, bestaat het
efficiënt is te speuren naar wat er bij jezelf misging. In recente risico dat je tijdens een concert podiumangst ervaart. Je stelt dan
jaren overkwam het me twee keer, op orgels die ik vaker had andere eisen aan jezelf dan bij een kerkdienst, dat voelt onwennig
bespeeld. en dat gevoel kan leiden tot stress tijdens een concert. Ik vermoed
Bij het ene concert ontstonden er missers in het pedaal die ook dat ik betrekkelijk weinig last van podiumangst heb gehad omdat
ongerechtigheden in de manuaalpartijen veroorzaakten. Ik had ik diensten van meet af aan grondig heb voorbereid.
twee dagen op het orgel gestudeerd, de voorbereidingen thuis Ik wil u nog één ding op het hart drukken: laat u zich niet in-
waren grondig geweest, een hotelovernachting creëerde optimale timideren door vervelend gedrag van concertbezoekers en colle-
rust en focus. Het geheel was dus goed gepland en georganiseerd. ga’s, na afloop en zelfs voorafgaand aan een kerkdienst of concert.
Terugkijkend realiseerde ik me dat ik zoveel tijd besteed had aan Concurrentie en rivaliteit is gezond, ook in onze tak van sport,
het uitzoeken van registraties dat ik te weinig had kunnen spelen. zolang het fair play is. Wat absoluut niet door de beugel kan zijn
Met het pedaal van dat overigens schitterende orgel had ik elk dingen als de na afloop quasi vriendelijk gestelde vraag “Hoe
jaar moeite, soms overkomt het me dat een claviatuur mij niet vond je zelf dat het ging?” en bekenden die duidelijk zichtbaar in
ligt. Dat ligt niet aan het orgel maar aan mij. Een eerstejaars stu- je buurt rondhangen zonder je aan te spreken.
dent was registrant. Belangrijk was om meteen met hem te be- En wat te denken van lieden die een discussie met je aangaan over
spreken waarom een en ander misging. Daardoor leerde hij dat een van je interpretaties op grond van hun eigen onwrikbare in-
averij bespreekbaar is en dat docenten niet onfeilbaar zijn. zichten over uitvoeringspraktijken? Ik kan u verzekeren dat men-
Een ander concert had wat gebreken doordat ik me bij het be- sen die er echt veel vanaf weten niet grossieren in zekerheden,
denken van het programma niet gerealiseerd had dat de klavieren want die bestaan namelijk niet. Echte kenners twijfelen, en zelfs
slechts tot c3 liepen. Ik kende het orgel en had daarom de disposi- aan hun kennis twijfelen ze nog.
tie niet gecheckt. Wel had ik twee dagen grondig ingespeeld, maar Zo nu en dan raak je verzeild in een nazit waar een ieder over van
op het moment van uitvoeren speelde de omvang me toch parten. alles en nog wat praat, behalve over het concert dat zojuist gege-
Ook dat heb ik op de terugreis met de registranten besproken. ven is. Deze vormen van gedrag zijn walgelijk, immers, als uitvoe-
De dag na beide concerten had ik er een naar gevoel over. Dat rend kunstenaar ben je meteen na afloop van een optreden heel
moet je toelaten, maar voor de tweede helft van de middag kwetsbaar, dat weten velen uit eigen ervaring en daarvan maken
moet je er echt overheen zijn, anders leidt het tot problemen ze misbruik om jou onzeker te maken.
bij een volgend optreden. Als sporter en als musicus moet je le- Zie je kwetsbaarheid onder ogen, verzwijg podiumangst niet en
ren je over teleurstellingen heen te zetten, binnen een beperkt relativeer teleurstellingen. Als je een kerkdienst of concert naar
tijdsbestek. Een nieuw evenement staat vaak snel voor de deur! eer en geweten hebt voorbereid en je vindt dat je goed hebt ge-
Je zet je er niet overheen door te suggereren dat er niets aan de speeld, geniet dan van dat positieve gevoel. En als het gezeik van
hand is. En al helemaal niet door te roepen dat het publiek het betweters begint, moet je maar denken aan deze uitspraak van
toch niet gehoord heeft. Dat getuigt bovendien van weinig res- Franz Liszt:
pect voor toehoorders, een respect dat een basisvoorwaarde is “Een kunstenaar staat niet voor zijn publiek als een beklaagde voor
voor succesvolle optredens. Een nuchtere analyse is de beste ga- zijn rechters, maar als een profeet voor zijn volk!”
rantie voor een geslaagd vervolg.

Podiumangst kan een gevolg zijn van de manier waarop je stu-
deert. Studeren vind ik een grotere kunst dan uitvoeren. In het
aangekondigde artikel zal ik dan ook ingaan op studiemethoden
en het effect daarvan op uitvoeringen. Eén ding stel ik nu al aan
de orde. Sommige organisten zijn nonchalant in de voorbereiding

maart 2022 27

Nieuwe Franse orgelmuziek

een wegwijzer (I)

Jan Hage

Dit jaar, 2022, is een César Franck-jaar. Herdacht wordt dat deze componist 200 jaar geleden werd geboren.
De aard en kwaliteit van zijn orgelwerken openden destijds ongebaande wegen en zetten een nieuwe stan-
daard, zijn invloed was zo groot dat hij wordt beschouwd als de vader van de moderne Franse orgelschool.
Hij stond aan het begin van een bloeiperiode met componisten als Guilmant, Widor, Vierne, Tournemire,
Dupré, Duruflé en Messiaen, van wie de orgelwerken nog altijd wereldwijd veelvuldig worden uitgevoerd. In
deze artikelenserie staat de vraag centraal hoe het nu, anno 2022, met het componeren van orgelmuziek in
Frankrijk gesteld is. Wordt er nog voor orgel gecomponeerd of is het instrument passé? En zo ja, wat wordt
er dan geschreven en hoe verhoudt zich dat tot de traditie? Aan de hand van het werk van een aantal com-
ponisten die op dit moment actief zijn, beantwoord ik deze vragen, waarbij tegelijk een dwarsdoorsnede van
het hedendaagse componeren voor orgel in Frankrijk geboden wordt. En dat, zeg ik maar meteen, is niet
mis! Wie even rondkijkt ziet dat de lijn vanaf Franck ononderbroken verdergaat; er is zelfs een grote groep
productieve componisten, ook jonge, die orgelwerken van hoog niveau afleveren.

Opvallend is dat het vrijwel allemaal organisten zijn die voor het or- perfect, maar ook zeer deskundig op het gebied van compositie, har-
gel componeren. De hoge standaard die het componeren voor orgel monie en contrapunt. De Franse orgelschool zou de beste ter wereld
in Frankrijk na Franck bereikte, heeft ongetwijfeld te maken met de moeten zijn, was de ambitie van Widor, Dupré, en ook nu beijvert
grote ambities die zich in Frankrijk in de loop van de negentiende het Conservatoire de Paris zich om die status te behouden.
eeuw ontwikkelden binnen de orgelcultuur. Bepalend was daarbij de
rol van Aristide Cavaillé-Coll. Hij had oog voor de in Frankrijk toe- Het is daarom niet verwonderlijk dat ook het componeren voor
nemende belangstelling voor de muziek van Bach en de symfonische het eigen instrument tot de activiteiten van veel organisten be-
muziek waarvan Beethoven de grote figuur was. Hij paste het orgel- hoorde. Het was geen verplichting, maar werd indirect wel gestimu-
type dat hij bouwde aan deze tendens aan, en zorgde er tegelijk voor leerd als mogelijkheid de eigen creativiteit te uiten en bij te dragen
dat organisten, naar voorbeeld van bijvoorbeeld de Duits geschool- aan een hoogstaande orgelcultuur. Dat waren in Francks tijd werken
de Lemmens, zowel qua spel als repertoirekeuze en improvisatie op waarin de polyfone Bach-traditie nieuw leven werd ingeblazen,
het hoogste niveau werden opgeleid om zijn orgels te kunnen bespe- of symfonische werken (de orgelsymfonie!), waarin men aanslui-
len. De ideale organist was een alleskunner, technisch en muzikaal ting zocht bij de hoogste standaard in de muziekwereld. In navol-
ging van Franck oriënteerden veel componerende organisten zich
Geluidsopnamen breed en componeerden voor diverse instrumenten en bezettingen,
en werden ook buiten de orgelwereld als componist min of meer
In dit artikel wordt vaak verwezen naar uitvoeringen van serieus genomen. Dat laatste is zeker ook in de huidige situatie het
composities, waarvan de meeste te vinden zijn op You- geval. Het onderscheid tussen componerende organisten en ‘echte’
Tube. Bij de samenvatting van het artikel op de website componisten zoals we dat in Nederland kennen, is in Frankrijk veel
van Het Orgel zijn de links naar deze geluidsopnamen te minder aan de orde. Componeren is een vak waar een gespeciali-
vinden. Wanneer u dit nummer in de digitale (flipbook-)edi- seerde conservatoriumstudie aan ten grondslag ligt, en die hebben
tie leest, dan kunt u in het artikel op de onderstreepte link deze componisten stuk voor stuk gevolgd. Daarbij moet wel gezegd
(geluidsopname [nr.]) klikken. worden dat een conservatoriumstudie in Frankrijk een minder om-
vangrijk pakket heeft dan hier. De orgelstudie bijvoorbeeld heeft
geen uitgebreid pakket aan theoretische vakken, daar zijn weer apar-
te studies voor. Zo is het mogelijk (voor getalenteerde studenten)

28 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

verschillende studies te doen en met een Prémier Prix orgelrepertoire. Zijn ideale orgel was dat van de Nôtre-Dame in Parijs, aangevuld
af te sluiten. met extra (vul)stemmen en mogelijkheden, een orgel van de toekomst. Geïn-
spireerd door de liturgie, theologie en muziek van de Afrikaanse kerken, vooral
Voor deze artikelenserie heb ik gekozen voor een die in Ethiopië, schiep hij een eigen muzikale wereld vol theologie, symboliek,
tiental componisten behorend tot de jongere genera- exotiek, verwijzingen naar Afrikaanse cultuur en natuur en allerlei verborgen
ties. Ze behaalden allen verschillende ‘Prix’ aan het persoonlijke zaken. De composities zijn vaak zeer complex en gelaagd en zeker
Parijse conservatorium en componeerden muziek voor de twee grote werken (op. 8 en op. 15) zijn van een overweldigende kleurrijke
verschillende bezettingen. Hun muziek wordt uitge- pracht. De Afrikaanse muziek is geïntegreerd in een symfonische geheel, vol
bracht bij bekende uitgeverijen en uitgevoerd door ge- exotische elementen als incantatoire recitativische melodiek. De voor veel niet-
renommeerde solisten en ensembles. Sommigen, zoals westerse muziek karakteristieke pentatoniek vormt de basis van door hemzelf
Thierry Escaich en Jean-Baptiste Robin, hebben inmid- ontworpen modi. Notenvoorbeeld 1 laat een karakteristieke passage zien: op elk
dels internationaal een grote reputatie verworven. In van de manualen en het pedaal klinken ostinato-achtige passages, gevarieerde her-
2005 was er voor het eerst uitvoerig aandacht voor de halingen, ritmisch divers grijpen ze harmonisch in elkaar, opvallend is de exotisch
jongste generaties Franse orgelcomponisten. Een eerste aandoende pentatoniek.
overzicht van het werk van een aantal van hem werd
vastgelegd op de cd ‘Neuf Jeunes Organistes Compo- Ook experimenteert hij met klank en registraties met een voorkeur voor ver
siteurs par eux-mêmes’ in 2005 op het orgel van het weg liggende boventonen als septième en neuvième die een verveemdend effect
Conservatoire de Paris.1 opleveren. Zo creëert hij met melanges van evenredigzwevend gestemde registers
en reine enkelvoudige vulstemmen waarmee dezelfde tonen worden gespeeld,
Ik richt me uitsluitend op de werken voor orgelsolo, mysterieus vibrerende klanken (notenvoorbeeld 2 op het G.O. klinkt louter een
al zal om contextuele redenen ook wel eens een ander 22/3’, het akkoord klinkt dus een oktaaf en een kwint hoger . Het akkoord op het
werk aan de orde komen. Naast enkele muziekvoorbeel- Récit is gereigstreerd met 2’+ 22/3’, het klinkend resultaat staat in beide gevallen
den geef ik ook waar mogelijk de links naar uitvoerin- in kleine nootjes aangegeven. Dezelfde samenklank, gespeeld met de combina-
gen (vooral op YouTube), zodat dit artikel tevens als tie van gelijkzwevend gestemde registers en reine vulstemmen zorgt voor een
luistergids kan functioneren. Tenslotte kunnen woor- vibrerend effect). De Ethiopische kerkmuziek was voor hem geen spielerei, maar
den de luisterervaring zelf nooit recht doen. was door zijn diepgaande studie en identificatie ermee deel van hemzelf gewor-
den. Zijn werken moeten volgens Florentz niet beschouwd worden als absolute
Vetrekpunt Florentz muziek maar als een vorm van liturgie. Met de grote betekenis van het christelijk
De componisten in dit artikel volgden een generatie op geloof als voedingsbodem, de exotiek, de toepassing van vogelzang heeft Florentz
die vooral in het derde kwart van de twintigste eeuw
naast Messiaen actief waren, zoals Xavier Darasse, Gil- Notenvoorbeeld 1 - Jean-Louis Florentz, Debout sur le soleil, op.8 (1990)
bert Amy en Jean-Pierre Leguay, die een meer avant-
gardistischer idioom hanteerden. Daarnaast was er
Pierre Cochereau, die vooral met zijn improvisaties de
symfonische traditie voortzette en grote invloed uit-
oefende, een andere bekende grootheid, Jean Guillou,
zat daar stilistisch ergens tussenin. Vervolgens betrad
Jean-Louis Florentz het toneel. Om enigszins orde te
scheppen in de reeks van componisten heb ik voor dit
deel van artikelenserie hem als referentiepunt gekozen:
Daaraan heb ik vier componisten ‘opgehangen’, die in
mijn optiek op de een of andere manier met hem in
verband te brengen zijn, omdat men bij hem studeerde,
zijn invloed in een compositie te vinden is of omdat de
componist een vergelijkbaar traject is toegedaan.

Aan Florentz is dertien jaar geleden in Het Orgel al
een artikel gewijd.2 In het kort: Jean-Louis Florentz
(1947-2004) kan worden beschouwd als de belangrijk-
ste Franse orgelcomponist na Messiaen.3 Met zijn vier
orgelwerken: Laudes op. 5 (1983-1985, geluidsopname
1), Debout sur le Soleil op. 8 (1990, geluidsopname 2),
La Croix du Sud op. 15 (1999-2000, geluidsopname
3) en Prélude de L’Enfant noir op. 17 (2001-2002, ge-
luidsopname 4) stelde hij een nieuwe mijlpaal in het

maart 2022 29

Notenvoorbeeld 2 - Jean-Louis Florentz, Les Laudes, p.5 (1985) meer dan wie ook gemeen met zijn leraar Messiaen.
Valéry Aubertin (foto: http://valeryaubertin.fr/) Toch studeerde hij niet lang bij hem, juist misschien
omdat de overeenkomsten te groot waren; zelf ver-
klaarde hij dat Messiaen toen teveel bezig was met seri-
ële muziek, iets waar hij zelf niets van moest hebben.

De vier componisten die ik in dit kader in dit deel
aan de orde stel zijn Valéry Aubertin, Jean-Baptiste
Robin, Jean-Charles Gandrille en Grégoire Rolland.

Valéry Aubertin
Valéry Aubertin (1970)4 studeerde van 1995-1997
bij Florentz. Van diens invloed is echter niet zoveel te
merken; Aubertin is een zeer onafhankelijke figuur die,
wars van modes, status en publieke erkenning, in een
zelfgekozen isolement een geheel eigen klankwereld
heeft ontwikkeld. Hij laat zich inspireren door andere
kunstvormen zoals literatuur en beeldende kunst en
verdiept zich daarbij grondig in de mogelijkheden een
bepaald basaal en voor hem wezenlijk idee in mu-
ziek te vatten. Inspiratiebronnen zijn bijvoorbeeld
Kandinsky (Improvisation-Kandinsky 1914, 1993),
Vincent van Gogh (Vincent van Gogh, Les fresques,
Lamento, 1991), gedichten van Paul Eluard (in Six
Notations), Paul Celan (Première Sonate 2000-2001),
Dante’s Divina Comedia (Passage de l’oubli, 2020)
in combinatie met sculpturen van Rodin (4e Sonate,
2001-2003), Michelangelo (Ma l’ombra sol, 2008),
Thomas Bernard (5e Sonate, 2016). Zijn oeuvre voor
orgel bestaat uit het Livre ouvert, Six Notations (1991-
1992) en een tweede Livre bestaande uit een vijftal
sonates. Het Livre ouvert is een soort work in progress,
waarvan de delen geordend zijn in drie groepen: 1.
Messe, spiritueel van karakter, 2. Sons-Espace-Temps-
Couleurs, waarin visioenen en verbeelding hun plaats
hebben en 3. Le Temps déborde, waarin poëzie en de
verklanking van het verborgen innerlijk leven centraal
staan. De muziek wordt vaak gedragen door lange

Notenvoorbeeld 3 - Valery Aubertin, Vincent van Gogh, Les fresques, Lamento (1991) Het Orgel jaargang 118 nummer 2

30

Notenvoorbeeld 4 - Valéry Aubertin, Vincent van Gogh, Les fresques, Lamento (1991)

harmonische lijnen die zich constant verplaatsen en Notenvoorbeeld 5 - Valéry Aubertin, 5eSonate (2016)
verraadt een symfonische, soms aan het Duitse expres- Notenvoorbeeld 6 - Valéry Aubertin, 5eSonate (2016)
sionisme verwante esthetiek.

Een van de bekendste werken is Vincent van Gogh,
Les fresques, Lamento uit het Livre ouvert, behorend
tot categorie 2. Sons-Espace-Temps-Couleurs, een
mooi voorbeeld van Aubertins wijze van compone-
ren (geluidsopname 5). Hij probeert de indruk en
emoties van een viertal schilderijen van Van Gogh op
een geheel eigen en doordachte wijze in een composi-
tie te vatten. Het gaat om De kerk van Auvers sur Oise
(1890), De sterrennacht (1889), Pijnbomen tegen een
rode lucht met zonsondergang (november 1889) en
Korenveld met kraaien (juli 1890). Dit ‘Poème symp-
honique’ bestaat uit verschillende secties die in elkaar
overgaan. Het begint met frases van sombere lage
akkoorden, waartegen springerige motieven, trillers
en snelle signaaltjes klinken, verwijzend naar de Kerk
van Auvers. De onrust die alle schilderijen kenmerkt,
neemt vervolgens toe terwijl de harmonische basis
door blijft bewegen (notenvoorbeeld 3). Een toccata-
achtig gedeelte is gelieerd aan de ‘draaiende’ pijnbo-
men en sterren. Ten slotte klinken in een verstilde
passage de geluiden van de kraaien in de verte (no-
tenvoorbeeld 4). Het werk is geen verklanking van de
schilderijen als zodanig, maar is ermee verbonden op
een psychologisch niveau. Tevens is het een persoonlij-
ke poging om eenzelfde gedachte te vertolken als waar-
van Van Goghs werk doortrokken is: de emotionele en
vaak getroubleerde kijk op de menselijke existentie.

Confrontatie met het eenzame ego in een desolate
wereld was de voedingsbodem van Ma l’Ombra Sol
(2008) waarin een eenstemmige melodie uitgroeit tot
een emotionele climax, waarna een onbestemd slot
volgt (geluidsopname 6).

In tegenstelling tot vele andere componisten zoals
Florentz, componeert Aubertin het liefst niet voor
grote moderne instrumenten. De cd waarop hij ei-
gen werken speelt, is bijvoorbeeld opgenomen op het
Valentin-Riepp-Callinet-orgel van de Nôtre-Dame de
Gray, een historisch instrument met alle beperkingen

maart 2022 31

Jean-Baptiste Robin (foto: Jacques Baguenier) van dien, omdat de kwaliteit van de klank hem beviel.
De laatste, vijfde Sonate is uit 2016. Het eerste deel,
Notenvoorbeeld 7 - Jean-Baptiste Robin, Regard vers l’Aïr (2001) ‘Marbres’, is een hommage aan Florentz. De massieve,
kleurrijke akkoorden roepen de associatie met de titel
Notenvoorbeeld 8 - Jean-Baptiste Robin, Chant du Ténéré (2019) (marmer) op, en worden afgewisseld met contrasteren-
de lichtere passages (notenvoorbeeld 5). Het tweede
32 deel ‘Aucun arbre te consolera’ is ingegeven door een
tekst van Thomas Bernard. Dalende melodische lijnen
drukken een sombere gelatenheid uit, onderbroken
door een vertwijfelde uitbarsting. Het slotdeel, ‘Mou-
vement perpetuel’, kent een hectische ritmiek, die na
reeksen snelle chromatische toonladderfiguren oplost
in het niets (notenvoorbeeld 6).

Jean-Baptiste Robin
Een van de begaafdste Franse organisten van dit mo-
ment is Jean-Baptiste Robin (1976),5 aanvankelijk or-
ganist van de kathedraal te Poitiers, thans van de Cha-
pelle Royale van het paleis te Versailles. Hij studeerde
behalve aan het Conservatoire te Parijs ook compositie
bij George Benjamin in Londen. Robin componeerde
een dertigtal werken, voor orkest, orgelsolo en kleine
bezettingen. Zijn Distances werd in opdracht gecom-
poneerd en uitgevoerd door het binnen de hedendaag-
se muziek prestigieuze Ensemble Intercontemporain
o.l.v. Pierre Boulez (geluidsopname 7). Dit werk is,
wellicht met het oog op de esthetiek die de opdracht-
gever voorstond, relatief modernistisch. Latere werken
zijn soms opvallend traditioneel qua idioom.

Evenals Florentz vond ook Robin in Regard vers
l’Aïr (Songe méditatief, geluidsopname 8) inspiratie in
Afrika, namelijk het Air-gebergte in Nigeria. Ook daar
de evocatie van het landschap, exotische incantaties en
ritmisch, ongebruikelijke registraties met vulstemmen.
Een passage als in notenvoorbeeld 7 lijkt zo uit een
werk van Florentz weggelopen met de om enkele inter-
vallen cirkelende vrij bewegende melodie in linker- en
rechterhand, en de ostinatobeweging in het pedaal,
alles pentatonisch. Ook in Chanson de Ténéré (2019,
geluidsopname 9), gecomponeerd ter nagedachtenis
van Florentz, staat een Afrikaans thema centraal; dit-
maal een beroemde gelijknamige acacia die eenzaam

Het Orgel jaargang 118 nummer 2

stond in de Saharawoestijn. Het is een energiek werk Notenvoorbeeld 9 - Jean-Baptiste Robin, Trois Solos (2010)
gebaseerd op repeterende tonen waartegen een ‘een-
zame’ melodie klinkt (notenvoorbeeld 8). Het wordt
besloten met passages vol vurige Strawinskiaanse on-
regelmatige ritmiek. Tegelijkertijd staat deze muziek
ver van Florentz af. Het exotische element is vooral
picturaal; religie speelt geen rol. Het meer diatoni-
sche klankbeeld, de minder uitgesproken melodiek en
de veel geringere complexiteit en gelaagdheid dragen
ertoe bij dat de muziek niet de overweldigende, diep-
gravende mystieke passie uitstraalt van diens werken,
en meer het karakter van een dankbaar speel- en luis-
terstuk heeft.

Robin is vooral een gewiekste klanktovenaar. Zijn
orkestwerken – luister eens naar Crop circles (2012, ge-
luidsopname 10) – zijn adembenemende voorbeelden
van een virtuoze schrijwijze gecombineerd met geraf-
fineerde orkestratiekunst. Eenzelfde soort behendig-
heid maar dan met de veel beperktere mogelijkheden
van het orgel vinden we ook in Cercles Réfléchissants
(2007-2008, geluidsopname 11 deel 1, deel 2, deel 3,
deel 4, deel 5, deel 6, deel 7), waarin hij gebruik maakt
van eigen symmetrisch geconstrueerde modi, bijge-
naamd ‘réfléchissants’.

Een andere geslaagde compositie is Trois Éléments
d’un Songe (2003, geluidsopname 12 deel 1 en deel 3),
ook weer een voor hem karakteristieke combinatie van
structurele elementen, poëzie en muzikale acrobatiek.
Zijn Trois Solos (2010, geluidsopname 13 solo 1, solo 2,
solo 3) zijn geschreven vanuit het klassiek-Franse orgel
en kunnen zowel op orgels in middentoon als gelijk-
zwevende stemming worden gespeeld. Zoals de titel al
aangeeft zijn ze (grotendeels) eenstemmig en hebben
ze baat bij een karakteristieke registratie. Hoewel het
tempo in sommige delen hoog oploopt, is de moeilijk-
heidsgraad beperkt, wat, in combinatie met de beper-
kingen (en rijkdom) van menig historisch orgel, ook in
Nederland mogelijkheden opent (notenvoorbeeld 9).

De op de bekende pinksterhymne gebaseerde Cinq
Versets sur le ‘Veni Creator’ (2012, geluidsopname 14
verset 1, verset 2, verset 3, verset 4, verset 5) heeft alle
tot nu toe genoemde stilistische eigenschappen. Het
is effectvolle concertante muziek met constructief ge-
bruik van thema en modi, poëzie (luister eens naar het
betoverende eerste deel), ostinati en dansante passages,
felle onregelmatige ritmiek (notenvoorbeeld 10). Het
stuk is technisch veeleisend maar zonder dat halsbre-
kende toeren worden gevergd.

In recente werken, zoals La lame des heures (2019,
geluidsopname 15) en Zenith (2020) voor orkest en
The Hands of Time (2018, geluidsopname 16) en La
Destruction du Temps (2020) voor orgel, houdt Robin
zich bezig met het fenomeen ‘tijd’ in allerlei verschij-
ningsvormen. Herkenbaar in mysterieus voorttikkende
tot obsessief hamerende momenten is de boodschap fi-
losofisch of dramatisch existentieel, waar de tijdgebon-
den mens het aflegt tegen de oneindigheid.

Jean-Charles Gandrille Notenvoorbeeld 10 - Jean-Baptiste Robin, Cinq Versets sur le ‘Veni Creator’ (2012)
Een heel andere figuur is Jean-Charles Gandrille
(1982).6 Zijn muziek ademt een ombekommerde, 33

maart 2022

Jean-Charles Grandrille (foto: YouTube)

aanstekelijke musiceervreugde, die tot uiting komt in Notenvoorbeeld 11 - Jean-Charles Grandrille, Reflets (2006)
werken in verschillende stijlen en soms speelse bezet-
tingen zoals elektrische cello en orgel (Dies Irae, dies
illa, 2011), vibrafoon en orgel (Irisation, 2012), accor-
deon en orgel (Love never ends, 2016), Vision Céleste
(voor Doudouk, kéna , koor en orgel). Luister in dat
verband eens naar eens naar Louez le Seigneur au son
de la trompe (2017-2018) voor 14 trompes de chasse,
koor en orgel (geluidsopname 17), een van zijn vele
kerkmuziekwerken.
Gandrille studeerde enige tijd bij Florentz en droeg
zijn misschien wel belangrijkste orgelwerk Reflets
(2006, geluidsopname 18) aan hem op. Het heeft qua
muzikale inhoud veel ingredienten van Florentz’ stijl
in zich. Een ‘verhaal’ echter, bij Florentz doordrongen
van een christelijk getuigenis, ontbreekt. Na een stra-
lende passsage met gearpeggieeerde akkoorden volgt
een incantatoir recitatief boven een lang aangehou-
den samenklank. Daarna volgt een speels ostinato met
bezwerende melodische figuren in de rechterhand en
het pedaal (notenvoorbeeld 11). Met als titel ‘Obstina-
tion’ volgt een nieuwe dans, opzwepend en eindigend
in reusachtige acclamatorische akkoorden. Dan is er
vogelzang, de troglodyte musicien laat zich horen boven
een laag akkoord, vervreemdend geregistreerd met
4’en 22/3’ en tremulant. Zo weggelopen uit Florentz’
Laudes zijn dan de akkoorden die op verschillende
klavieren worden herhaald. Nog een levendige dans en
het werk eindigt sereen met het recitatief waarmee het
begon.

Gandrille is ook niet vies van uitstapjes naar lichte
muziek en minimal music. Je suis la lumière du monde
(2017, geluidsopname 19) is een joyeuze compositie
die met zijn repeterende akkoorden invloed vertoont
uit de popmuziek, verbonden met een meer symfo-
nische stijl. De dansante ostinati van Florentz zijn

34 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Grégoire Rolland Grégoire Rolland (foto: https://www.gregoire-rolland.com)

Notenvoorbeeld 12 - Jean-Charles Grandrille, Après une lecture de Reich (2017) hier omgebogen naar lichtere muziek. Die vinden we
onder andere in enkele orgelwerken à quatre mains,
maart 2022 zoals Variations sur At Les (2019, geluidsopname 20);
At Les is een minimalistisch nummer van Carl Craig.
Minimal music vinden we in Après une lecture de Reich
(2017, met Reich is de componist Steve Reich bedoeld,
geluidsopname 21, notenvoorbeeld 12), en Looped
Dances (2019, geluidsopname 22). Voor één bespeler
is Pièces minimalistes (2010-2013, geluidsopname 23),
bedoeld voor liturgisch gebruik.

Gandrille is een van de weinige componisten die zich
bedienen van de techniek van de minimal muziek. Niet
zoals in Nederland Jan Welmers dat deed, die deze naar
zijn hand zette en naar een hoger plan tilde, maar als
letterlijke adaptie naar het orgel.
Grégoire Rolland
Grégoire Rolland,7 geboren in 1989 is de jongste van
de componisten die hier aan de orde komen. Wat hem
verbindt met Florentz is zijn belangstelling voor niet-
westerse cultuur, in zijn geval de Aziatische. Belangrijk
daarin is het ritueel en de oosterse spiritualiteit waarin
voor het ego geen plaats is. Een andere inspiratiebron
is het gregoriaans, waarvan zijn cd ‘Les Sacrements’,8
waarin gregoriaans afgewisseld wordt met orgelmuziek,
getuige is.
In zijn eerste orgelwerk, Mes rêves n’ont qu’un unique
nom... (2008, geluidsopname 24), presenteert Rolland
meteen zijn eigen stijl. De ritualistische herhalingen
van Florentz kunnen, zoals bij Gandrille, zich ontwik-
kelen richting minimal muziek of popmuziek, maar
ook richting de meditatieve, vaak kale muziek zoals bij
Rolland. De oosterse benadering leidt tot meditatieve,
ritualistische muziek, statisch, met veel herhalingen.
Alles wordt in grote blokken naast elkaar gezet, ook de

35

Op zoek naar een cadeautje voor een organist?
Geef een proefabonnement op

Het ORGEL

Over de mogelijkheden, zie:
https://www.kvok.nl/proefabonnement

stuur een e-mail naar:
[email protected]

Notenvoorbeeld 13 - Grégoire Rolland, Omoï (2011)

Notenvoorbeeld 14 - Grégoire Rolland, Luminous Bells (2014)

36 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

extraverte delen vertonen niet of nauwelijks dramati- Notenvoorbeeld 15 - Grégoire Rolland, Cinq Images sur le Choral ‘Vom Himmel hoch’ (2013)
sche ontwikkeling. Paradoxaal genoeg imponeert deze
muziek juist in haar ongenaakbare afstandelijkheid.

Oosterse invloed is nog sterker aanwezig in Omoï
(geluidsopname 25) dat hij in 2011 schreef ter nage-
dachtenis aan de slachtoffers van de tsunami in dat jaar
in Japan. Het is gebaseerd op een Japans lied (noten-
voorbeeld 13). Hetzelfde geldt voor Luminous Bells
(geluidsopname 26), geschreven voor het orgel van de
kathedraal in Bourges en zijn titularis Olivier Salan-
dini. Klokachtige geluiden, een reciterende oosters-
aandoende melodie en iriserende samenstellingen van
hoge geluiden aan het slot (notenvoorbeeld 14).

In Trois tableaux musicaux d’après le Dies Irae (2010,
geluidsopname 27) en Cinq Images sur le Choral ‘Vom
Himmel hoch’ (2013, geluidsopname 28) past hij een
vergelijkbare kale werkwijze toe, nu aan de hand van
gregoriaans en een koraalmelodie. Statische secties,
gevarieerde herhalingen van motieven die aan het Flo-
rentz-recitatief doen denken, verstilde meditatieve pas-
sages en turbulente toccata’s à la Messiaen, maar met
een veel statischer karakter door gelijkblijvende har-
moniek. Notenvoorbeeld 15 toont een deel uit de Vom
Himmel hoch-bewerking. Duidelijk is hoe het begin
van de koraalmelodie hier wordt verwerkt, in mantra-
achtige motiefherhalingen waaraan steeds meer tonen
worden toegevoegd, zodat een web van klanken ont-
staat, bewegend en bewegingloos tegelijk.

Met zijn Suite liturgique (2019-2020) won Rol-
land de eerste prijs tijdens het compositieconcours
van de Stephansdom in Wenen in 2020. De delen zijn
‘L’Introït’, ‘Offertoire’, ‘Communion’ en ‘Final’. De
ritualische stijl met de vele herhalingen van motieven
en samenklankopeenvolgingen en de bezwerende me-
lodiek voegt zich naadloos in het patroon van de wes-
terse liturgie. Elementen uit de muziek van Florentz
zijn hier duidelijk aanwezig, en knap geïntegreerd in de
eigen oosterse stijlopvatting. Het eerste deel, ‘Introïtus’,
doet met zijn akkoordherhalingen op verschillende
klavieren, de typerende septiemakkoorden en exoti-
sche variatietechnieken denken aan het eerste deel van
Florentz’ Laudes . In het laatste deel, ‘Final’, komen alle
elementen uit de voorgaande delen samen in een uit-
bundige en virtuoze afsluiting (notenvoorbeeld 16).

Noten

1 Éditions Hortus HOR037, 2005.
2 Ronald Stolk, ‘Muziek in was en goud. Het organistisch univer-

sum van Jean-Louis Florentz’, Het Orgel 104/1 (2009) 10-21.
3 De belangrijkste literatuur is van de hand van Michel Bourcier,

die ook enkele werken van hem heeft opgenomen. Hij schreef
het zeer uitvoerige Jean-Louis Florentz et l’orgue. Essai analy-
tique et exégétique. L’univers florentzien et Une tétralogie pour
l’orgue (2018).
4 www.valeryaubertin.com
5 https://jbrobin.com
6 www.jeancharlesgandrille.com
7 www.gregoire-rolland.com
8 Éditions Hortus 195 (2022).

Notenvoorbeeld 16 - Grégoire Rolland, Suite liturgique (2019-2020)

maart 2022 37

© Ina Mortsiefer

BUXTEHUDE
ORGAN

COMPETITION
2022

kwaliteit en vakmanschap, van boomstam tot kerkorgel

23 SEP. — 01 OCT. 2022 ook gespecialiseerd in het onderhouden van uw kerkorgel !

6th International Organ Competition held in J.L. van den Heuvel-Orgelbouw bv
Lübeck, Mölln and Hamburg, organised by the Amstelwijckweg 44 3316 BB Dordrecht T 078-6179540
University of Music Lübeck and the University vandenheuvel-orgelbouw.nl [email protected]
of Music and Theatre Hamburg (Germany)
Flentrop Orgelbouw B.V.orgel-vd heuvel 180409.indd 109-04-18 09:50
Application deadline 1st of June 2022
Westzijde 57, 1506 EC Zaandam
Prizes 1st prize 8,000 euros,
2nd prize 5,000 euros and 3rd prize 3,000 euros 075-6168651 - [email protected] - www.flentrop.nl

International jury Franz Danksagmüller, Voor grote restauraties en
Johannes Unger, Wolfgang Zerer (preliminary nieuwbouwprojecten maar
round), Edoardo Bellotti, Bine Bryndorf, Pieter ook voor kleinere projecten,
van Dijk, Arvid Gast, Jon Laukvik (chair), Jean- huisorgels en kistorgels
Baptiste Robin, Krzysztof Urbaniak, Andreas kunt u bij ons terecht.
Fischer (semifinals Hamburg/Mölln), Matthias
Neumann (3rd round), Claus Fischer (music Ook voor het behoud van
journalist, 3rd round) uw orgel middels goed en
regelmatig onderhoud is uw
Information and registration forms instrument bij ons in goede
www.buxtehude-orgelwettbewerb.de handen.

Contact [email protected] foto: Dannevig Foto
Op de foto’s een greep uit recent werk:
- Dypvåg (zuidoost Noorwegen): nieuw orgel in Schnitger-stijl - 2019 (boven)
- Birmingham, conservatorium: nieuw orgel in noordeuropese barokstijl - 2020
- Corvey, abdij (werelderfgoed): restauratie orgel van Andreas Schneider - 1681
- Londen, Royal College of Music: nieuw studie-/concertorgel - 2018

www.mh-luebeck.de

38 18.01.22 15:16 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

MHL_Anzeige_Buxtehude_HO_eng_88,5x267_220119.indd 1

Recensies

Christoph Wolff, Bach - zijn tripelcanon voor zes stemmen, BWV 1076. opmerkelijk dat van Bach geen enkele au-
meesterwerken en muzikale In de beschrijving van de oplossing van deze tograaf bewaard is gebleven uit de periode
universum gecodeerde canon wijst Wolff op de beteke- voor zijn achttiende jaar. Uit de beschrij-
Utrecht: Bijleveld Utrecht 2021 nis van de uitdrukking “canon triplex inver- ving van Wolff krijgt de lezer een goed in-
462 blz. sus”. Het gaat hier om twee perspectieven zicht in dit waardevolle bestand, dat op pa-
ISBN 978 90 6131 797.5 van het schilderij: hoe de kijker de canon gina 36 van het boek in een overzicht wordt
Prijs: € 39,90 leest en hoe Bach dat doet. Dit betekent weergegeven.
Bestellen: www.bijleveldbooks.nl dat de canonische tegenstemmen moeten Hoofdstuk 2 is gewijd aan “drie unieke stu-
worden afgeleid van hun afzonderlijke me- dieboeken voor klavier”: het Orgel-Büchlein,
Recensent: Jan R. Luth lodische omkeringen. Daarmee is ook de het Wohltemperierte Klavier en de Aufrich-
In 2000 verscheen de Nederlandse vertaling betekenis van het schilderij duidelijk: Bach tige Anleitung, die bestaat uit 15 tweestem-
van de door Christoph Wolff geschreven presenteert zich hier als de meester van de mige Inventionen en 15 driestemmige Sin-
bio­grafie van Johann Sebastian Bach. Dat contrapuntische meerstemmigheid. Deze fonia’s. Toen Bach uit Köthen naar Leipzig
was een biografie in de klassieke zin van het typering loopt als een rode draad door verhuisde, was hij zich volgens Wolff be-
woord: Wolff beschreef in chronologische Wolffs boek en keert terug in de epiloog. wust van een manco: hij had, in tegenstel-
volgorde het leven en de composities van Onder de titel “Ontsluiering van een mu- ling tot de meeste van zijn collega’s, geen
Bach. zikaal universum” gaat Wolff in op wat hij universitaire opleiding. Daarom moest hij
noemt “het meest veronachtzaamde deel zichzelf bewijzen en nam hij al gecompo-
Opnieuw schreef Wolff een biografie, in van Bachs necrologie”. Daarmee bedoelt hij neerde werken kritisch door en zo ontston-
2021 in het Nederlands gepubliceerd, maar de lijst met publicaties die halverwege de ne- den deze drie boeken met didactische titels.
die is totaal anders opgezet. Het boek heeft crologie is te vinden. Die necrologie is op- Deze drie verzamelingen hadden geen band
acht hoofdstukken die in- en uitgeleid wor- gesteld door Carl Philipp Emanuel en diens met Weimar en Köthen en stonden los van
den door een proloog en een epiloog. In elk Berlijnse collega Johann Friedrich Agricola, het traditionele repertoire. In alle drie stond
hoofdstuk bespreekt Wolff een aantal wer- leerling van Johann Sebastian Bach verza- vindingrijk onderricht centraal en daarmee
ken dat tot hetzelfde genre behoort. melde zelf werken van zijn voorgeslacht, in voldeden ze aan de pedagogische eisen van
het bijzonder uit de zeventiende eeuw, zo- de Thomasschule. Wolff meent dat ze bij-
In de proloog staat het werk centraal dat als composities van Johann Christoph en droegen aan zijn benoeming in Leipzig. De
afgebeeld is op het bekende portret dat Johann Michael Bach. Een aantal daarvan verzameling orgelkoralen kreeg nu de titel
Hausmann in 1748 van Bach maakte: de is overgeleverd in de uit 27 werken bestaan- Orgel-Büchlein.
de verzameling die bekend staat als het Alt-
Bachisches Archiv. De catalogus in de necro- Het werk aan het Wohltemperierte Kla-
logie is volgens Wolff niet volledig, maar is vier was lang voor 1720 begonnen, maar nu
opgesteld aan de hand van de boekenkast maakte Bach een nette kopie. De Aufrichtige
in Bachs werkkamer. Bachs muzikale nala- Anleitung bevat 2-en 3-stemmige werken uit
tenschap volgens de door Carl Philipp op- het Klavier-Büchlein voor Wilhelm Friede-
gestelde lijst bestaat uit twee delen: 1. ge- mann. De namen van de vormen verander-
publiceerde werken, 2. manuscripten. Veel de Bach: “Praeambulum” werd “Inventio”,
werken zijn niet gedrukt en verloren gegaan, “Fantasia” werd “Sinfonia”.
niet alleen omdat Bach die in Weimar en
Köthen moest achterlaten, maar ook bij de Voordat Bach het Orgel-Büchlein samen-
verdeling van diens nalatenschap. Later in stelde was nooit eerder zo’n ambitieuze ver-
het boek oppert Wolff de mogelijkheid dat zameling korte koraalvoorspelen versche-
Bach tijdens de tijdelijke verhuizing in ver- nen. Bach koos de ongebruikelijke titel als
band met de verbouw van de Thomasschule tegenhanger van het Franse “Livre d’Orgue”,
in 1731 zijn jeugdwerken heeft weggegooid. waarvan hij drie in bezit had: dat van Rai-
Dat is goed mogelijk: zijn zoon Carl Philipp son, de Grigny en Du Mage. Wolff wijst erop
Emanuel deed dat ook in 1772 bij de inven- dat de koraalvoorspelen en hun lengte van
tarisatie van zijn bezit. In ieder geval is het te voren waren gepland en ziet als bewijs
daarvoor dat een aanzienlijk aantal bladzij-
den leeg zijn gebleven. Het bijzondere van

maart 2022 39

deze orgelkoralen is dat de melodie de kiem dat het Wohltemperierte Klavier Bachs eerste het Preludium en Fuga in a BWV 551. In-
levert voor het compositorisch ontwerp of werk van grote betekenis was door het ge- teressant is de overeenkomst tussen Bachs
fungeert als begeleidend motief, als verwij- bruik van de majeur-mineur-tonaliteit, van eerste en langste klavecimbeltoccata BWV
zing naar tekstinhoud. Dat verschillende nieuwe vormen van vrije en gebonden com- 912 en de opening van het Preludium in
koralen een dubbele titel hebben en dus posities en door het onbegrensde gebruik D voor orgel, BWV 532. Aan de hand van
passen bij twee verschillende teksten, zoals van toonsoorten. dit voorbeeld probeert Wolff het verschil
Gott durch deine Güte/Gottes Sohn ist kom- Net als van een aantal werken in het tussen werken voor klavecimbel en orgel,
men BWV 600, is voor Wolff aanleiding tot Wohltemperierte Klavier zijn van de Aufrich- tussen manualiter en pedaliter duidelijk te
de conclusie dat de relatie tussen noten en tige Anleitung vroege versies te vinden in het maken. Niet helder is in hoeverre Wolff op
tekst dus niet specifiek is. Bij andere koraal- Klavier-Büchlein voor Wilhelm Friedemann basis hiervan restricties in het repertoire
voorspelen is dat soms wel het geval zoals in uit 1720. De Anleitung werd voltooid vóór wil aanbrengen. Het onderscheid manuali-
Das alte Jahr vergangen ist, BWV 614, waar april 1723. Van dit boek zijn zowel werk- als ter en pedaliter neemt immers niet weg dat
Bach in de derde regel bij de woorden “zulk nette versies bewaard. Elk werk is geschre- verschillende van die vroege manualiter-
groot gevaar” een stijgend chromatisch te- ven op twee bladzijden, zodat omslaan niet toccata’s heel goed op het orgel klinken, zo-
trachord schrijft als lamentatiefiguur. Wolff nodig was. Een Inventio leert hoe de gebrui- als BWV 913. Het is dan ook de vraag of dit
ziet het Orgel-Büchlein als Bachs demon- ker op goede ideeën kan komen. Door de onderscheid het orgelrepertoire zou moeten
stratie van muzikale vindingrijkheid. De fantasia’s “Sinfonia” te noemen, legde Bach beperken. Overigens toont Wolff dat Bach
vele lege bladzijden brengen hem tot de in- het accent op hun con-
teressante veronderstelling dat Bach met de trapuntische bouw,
gevulde bladzijden zijn doel had bereikt en waarin drie afzonder- Wolff toont aan dat Bach zich vrij snel
zoveel gedemonstreerd had dat het tijd werd lijke stemmen de sa- afkeerde van de toccata en zich richtte op
voor iets anders. menklank vormen. populaire vormen zoals de suite,
Ze zijn bedoeld als de sonate en het concert
In het Wohltemperierte Klavier gebruikt demonstratie van de
Bach alle toonsoorten. Wolff wijst in dit mogelijkheden van de
verband op de nieuwe stemmingen, zoals contrapuntische poly-
die van Werckmeister, die “wohltemperiert” fonie. Ook in technisch opzicht waren deze zich vrij snel afkeerde van de toccata en zich
genoemd worden. Het jaar van ontstaan is werken vernieuwend, omdat het gebruik richtte op populaire vormen zoals de suite,
onbekend omdat er geen werkmanuscript van de duim noodzakelijk was; tot dan de sonate en het concert.
bewaard is gebleven. Volgens Gerber werk- toe werd die alleen in akkoorden gebruikt. Vanzelfsprekend krijgen in dit hoofdstuk
te Bach eraan uit verveling en er wordt in Wolff gaat helaas niet in op de gegevens die het door Johann Christoph Bach samenge-
de literatuur soms een verbinding gelegd Carl Philipp Emanuel over dit onderwerp stelde Möllerische Manuscipt en het Andreas
met zijn tijd in de cel in Weimar. Dat is wel naar voren heeft gebracht. De Inventionen Bach-Buch aandacht. Ze bestaan voor een
plausibel omdat Bach volgens Carl Philipp en Sinfonia werden volgens Gerber door belangrijk deel uit composities die Johann
Emanuel nooit de gewoonte had gedurende Bach gebruikt als lesmateriaal. De conclusie Christoph van zijn jongere broer Johann Se-
het componeren “zijn klavier te raadplegen”. van Wolf is dat deze drie leerboeken de groei bastian ontving; de meeste van vóór 1710.
Bach was echter niet de eerste die werken van Bachs originaliteit demonstreren, even- De daarin voorkomende suites worden door
voor moderne stemmingen componeerde. als zijn technisch meesterschap en intellec- Wolff globaal beschreven. En hij laat zien
Matthe­son componeerde eerder al 24 stuk- tuele controle. hoe uit Bachs laatste bundel met partita’s uit
ken in alle toonsoorten en nog eerder Jo- 1725 de Clavier-Übung I ontstond.
hann Caspar Ferdinand Fischer in zijn Aria- Hoofdstuk 3 is gewijd aan de belangrijke Solowerken voor viool en cello krijgen in
dne Musica (1702/1713), maar zonder de instrumentale vormen Toccata, Suite, Sona- dit hoofdstuk ook aandacht. Eén daarvan is
toonsoorten e, Fis, gis en bes. Terecht wijst te en Concert. Hoewel het componeren van Suite 6 voor een vijfsnarig instrument met
Wolff erop dat tot ver in de achttiende eeuw ensemblemuziek of vocale muziek afhing toegevoegde e-snaar, de violoncello piccolo of
de middentoonstemming standaard was. van zijn positie, bleef het componeren van viola pomposa, die door Bach is “uitgevon-
Dit is een onderwerp waaraan meer aan- klaviermuziek altijd de kern van zijn muzi- den” en destijds ook wel Bassetgen werd ge-
dacht in het boek had kunnen worden be- kale leven, hoewel het bespelen van de alt- noemd. Volgens Carl Philipp kende Bach
steed. In ieder geval wijst hij erop dat het viool ook een geliefde bezigheid was. Dat is alle snaar- en klavierinstrumenten, waaron-
onbekend is welke variant van het “wohl- veel minder bekend omdat Bach vooral ver- der ook het Lautenclavier, een klavecimbel
temperierte” systeem Bach gebruikte. Het maard was als organist en klavecinist. Zo be- met darmsnaren.
is alleen bekend dat hij zijn klavecimbel zo heerste hij al op dertienjarige leeftijd Buxte- Karakteristiek voor de benadering van
stemde dat alle toonsoorten goed klonken. hudes koraalfantasie Nun freut euch, lieben Bachs muziek in dit boek is de opmerking
Volgens Kirnberger stemde Bach de tertsen Christen g’mein en in 1717 wijst Matthe- van Wolff dat Bach de besproken solower-
hoog. son op “de vermaarde organist uit Weimar”. ken voorzag “van zijn alomtegenwoordige
Wolff vermeldt verschillende belangrijke contrapuntische handtekening”. Dat is ook
Waardevol is de constatering van Wolff optredens van Bach als organist en orgel­ het geval in de niet in de necroloog vermel-
dat in het Wohltemperierte Klavier de prelu- adviseur en laat zien dat Bachs vroege toc- de zes sonates voor klavier en viool BWV
dia en fugae weliswaar in dezelfde toonsoort cata’s het Noord-Duitse model volgen, naar 1014-1019, die Bach omstreeks 1725 com-
staan, maar niet bij elkaar horen. Het ging voorbeelden van Buxtehude, Bruhns en poneerde. Bach heeft ze nog kort voor zijn
Bach om het contrast tussen twee compo- Reincken. Illustraties daarvan zijn de Toc- overlijden gewijzigd, hoewel ze toen al twin-
sities. Illustratief is in dit verband het Kla- cata (Preludium) en Fuga in E BWV 566 en tig jaar oud waren. In de langzame delen zijn
vier-Büchlein voor Wilhelm Friedemann,
dat alleen de preludia bevat. Wolff laat zien

40 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

deze werken het meest vooruitstrevend. Elk de catechismuskoralen nam hij bewust op in patroon van zes maten in de bas op vijf ver-
deel heeft er twee en alle zijn contrapuntisch de titel als samenvatting van de orgelkunst schillende toonhoogten.
opgezet. en als didactische leerschool voor kenners en
liefhebbers. In Clavier Übung III vinden we De Clavier Übung III is moeilijk en com-
In de bespreking van orgelwerken wijst gezangen die los staan van de kerkelijke ka- plex volgens Bachs vriend en collega Georg
Wolff erop dat de Achtzehn Choräle koraal- lender. In die zin vormen ze een tegenstel- Andreas Sorge en Wolff ziet dit als de reden
trio’s bevatten van vóór 1714. Dat is niet al- ling tot de Achtzehn Choräle en de Schübler waarom Bach zelf de publicatie moest beta-
leen van belang voor de datering, maar toont Choräle. Wolff is van mening dat de koraal- len. Deze complexe benadering komt later
ook dat Bach al vroeg bezig was met trio’s. voorspelen in de Clavier Übung III niet voor tot volle bloei in de Kunst der Fuge en de
de liturgie zijn bedoeld; daarvoor zijn ze te Missa in b.
Het bijzondere van de triosonates voor lang. Eerder moeten ze beschouwd worden Hoofdstuk 6 is gewijd aan “Een grote litur-
orgel (ca. 1730) wordt in dit hoofdstuk dui- als losstaande werken voor een concert of als gische cyclus over de Messias”. Daarin wor-
delijk belicht. Voor wat betreft de techni- musica sub communione. Casper Honders den de passionen en oratoria besproken. Hij
sche eisen hadden ze geen precedent en bo- heeft er indertijd op gewezen dat dit ook wijst erop dat Bach in de passionen recht
vendien was het een nieuw genre voor orgel kan gelden voor de Achtzehn Choräle. doet aan het verschil in de evangeliën, he-
dat door Bach werd geïntroduceerd. Wolff laas zonder dat hij een specifieke relatie
noemt Bachs instrumentale collecties uit ja- Interessant is Wolffs waarneming dat de legt. Wanneer hij dat wel had gedaan, was
ren 1720 - de solowerken voor viool en cel- Clavier Übung III een goed beeld geeft van de lezer duidelijk geworden dat het verschil
lo, de Brandenburgse Concerten, de sonates een orgelrecital, dat bij Bach doorgaans tussen de Matthäus Passion en de Johannes
voor clavecimbel en de orgelsonates - een twee uren of langer duurde. Hij wijst er ook Passion gelegen is in het feit dat het lijdens-
meesterlijke reeks. op dat de preludes en fuga’s destijds in een verhaal in het evangelie van Mattheus past
Onder de titel “Bachs meest ambitieuze pro- plenumregistratie werden uitgevoerd, waar- bij de crucifix als Christusbeeld en het evan-
ject” behandelt Wolff Bachs jaargangen ko- bij hij zich baseert op Forkel. Daartussen gelie van Johannes bij het oudste Christus-
raalcantates. Hij wijst erop dat Bach nooit klinken de koraalgebonden werken die re- beeld: Pantocrator, de wereldheerser. Dat is
zo productief is geweest. De eerste jaargang gistratievaardigheid konden tonen. Zo be- de reden waarom de Johannes Passion begint
van 1724/1725 stond in tien maanden op schouwd is Clavier Übung III een thema- met Psalm 8 Herr, unser Herrscher. Het is
papier. Hij laat zien dat de cantates de neer- tisch opgezet recital. Net als in de tweede fascinerend dat Wolff een samenhang laat
slag zijn van preken. Die zijn inmiddels ver- cyclus koraalcantates gebruikt Bach hier zien tussen de in dit hoofdstuk besproken
stomd, terwijl de cantates doorklinken. Het alleen melodieën uit de vroege zestiende werken, in het bijzonder voor wat betreft
bijzondere van deze cantates wordt geïllu- eeuw. Deel III is het omvangrijkste deel van het Christus-beeld. De Johannes Passion be-
streerd door een meer gedetailleerde bespre- de hele Clavier-Übung. gint met Christus-Koning (heerser over al-
king van enkele voorbeelden. Over Bachs les, Christus Pantocrator) en eindigt met de
tweede cyclus merkt Wolff op dat daarin Onder de voorbeelden die Wolff be- lofprijzing Ich will dich preisen ewiglich; het
overwegend zestiende-eeuwse melodieën spreekt is het imitatieve Wir gläuben all an Himmelfahrts-Oratorium begint met Lo-
worden gebruikt en dat de kerktoonsoorten einen Gott, BWV 680. Dit werk wordt door bet Gott in seinen Reichen; het Weihnachts-
waarin ze staan bepalend waren voor de har- Wolff beschouwd als uniek onder Bachs Oratorium sluit af met Herrscher des Him-
monie. Bach maakt gebruik van de plagale werken: de cantus firmus is verhuld en de mels en in het Oster-Oratorium klinkt Der
cadens, waarbij de subdominant direct op- gebruikte melodie is het fuga-subject van Löwe von Juda kommt siegend gezogen, een
lost in de tonica en hij benadrukt Bachs fas- de drie bovenstemmen. De dorische can-
cinatie voor lutherse koralen. Hoewel de tus firmus is door Bach omgewerkt tot een
tweede cyclus niet compleet is, is hij toch
monumentaal. Als mogelijke reden waarom Wir glauben all an einem Gott (BWV 680)
die niet is voltooid noemt Wolff dat de aan- uit de oorspronkelijke uitgave van het Dritter Theil der Clavier Übung uit 1739
voer van teksten stil viel.

Hoofdstuk 5 is gewijd aan Clavier-Übung
1-4. Wolff ziet deze collectie als de meest
vernieuwende, stilistisch meest gevarieerde,
technisch meest geavanceerde collectie kla-
viermuziek uit de eerste helft van de acht-
tiende eeuw, een nog steeds onovertroffen
mijlpaal in de klavier- en orgelmuziek. Het
project omvatte vijftien jaren. Als doel van
deze reeks noemt Wolff zelfpromotie en sta-
tusverhoging. “Clavier Übung” is een verta-
ling van “exercitium” en had een academi-
sche en muziekwetenschappelijke bijklank.

Ik beperk me tot het gedeelte over Cla-
vier Übung III, die nog regelmatig “grote or-
gelmis” wordt genoemd. Die bestaat, aldus
Wolff, uit orgelmuziek die Bach al in bezit
had en in 1739 publiceerde. De namen van

maart 2022 41

pendant van Der Held aus Juda siegt mit Daarom vroeg hij Altnikol om BWV 666
Macht uit de Johannes Passion. en 667 te kopiëren, terwijl BWV 668 in de
In hoofdstuk 8 richt Wolff zich op de maak was; dat is de lange versie van het uit
Kunst der Fuge, de Goldbergvariaties, het negen maten bestaande Wenn wir in höch-
Musikalisches Opfer en de Mis in b. Hij laat sten Noten sein uit het Orgel-Büchlein (BWV
zien dat zoals de Kunst der Fuge het hoog- 641). Deze lange versie werd onder de oor-
tepunt is van het instrumentale contrapunt, spronkelijke titel postuum ook opgenomen
de Hohe Messe de uiterste top is van Bachs in de Kunst der Fuge (1751). De legende
vocale kunst. dat Bach dit koraal op zijn sterfbed gedic-
Waarom Bach deze grote mis componeer- teerd zou hebben is dan ook onaannemelijk:
de is onbekend. Een mis is in ieder geval een de lange versie bestond al en de onbekende
tijdloos genre. Maar Bach verbindt daarin vriend van wie sprake is bij zijn sterfbed kan
ook momenten uit de geschiedenis. Wolff il- het op het pedaalklavecimbel voorgespeeld
lustreert dit aan de hand van het Credo uit hebben. Toen Bach het hoorde kan hij wij-
deze mis: het heeft een gregoriaanse melodie zigingen hebben geciteerd. Hij lijkt zijn
die het geloof van het vroege christendom vriend te hebben gevraagd de tekst te ver-
representeert; de zestiende eeuwse polyfo- anderen in Vor deinem Thron…. Die laatste
nie weerspiegelt vernieuwing van het geloof versie is in de nette kopie van de achttien ko-
in de Reformatie en de basso continuo staat ralen toegevoegd, met de vermelding “Ano- Stephen L. Pinel, The Work-List
voor het geloof van de lutherse gemeen- nymus”. Daarmee geeft Wolff een verklaring of Henry Erben. Organ Builder
schap in Bachs tijd. van de legende die aandacht verdient. in Nineteenth-Century New York
Over een uitvoering van de Hohe Messe Villanova, Pennsylvania 2021 (OHS
zijn geen gegevens bekend. Wolff lanceert In de epiloog met de titel Praxis cum theoria Press)
de veronderstelling dat een van de vier delen – lijfspreuk van een geleerd musicus conclu- 624 pagina’s
in een lutherse dienst had kunnen klinken deert Wolff dat Bachs werken in haarscher- Prijs: $ 150.00
omdat in Bachs tijd in Leipzig hernieuw- pe contouren een meeslepend intellectueel Bestellen: https://ohscatalog.org
de belangstelling voor Latijnse kerkmuziek portret leveren van deze grootste geleerde
bestond. Tegelijk geeft hij toe dat deze mis onder de musici en dat hij met de verza- Recensent: Cees van der Poel
melingen die hij aan het einde van De Amerikaanse Organ Historical Society
zijn leven zorgvuldig reviseerde riep OHS Press in het leven met als doel
Bij het lezen wordt regelmatig en samenstelde, zoals de Achtzehn het bevorderen van de orgelwetenschap. De
de vraag opgeroepen of dit het Choräle, zijn muzikale erfenis voor- lijst met uitgaven bevat onder meer een aan-
bereidde. Het boek eindigt met het tal monografieën waaraan recent een kloek
beste boek over Bachs muziek thema waarmee het begon en schil- boekwerk werd toegevoegd, gewijd aan
en levensdoel is dert Bach als ultiem beoefenaar van het oeuvre van orgelmaker Henry Erben
het contrapunt tot in de perfectie. (1800–1884). De publicatie is de vrucht
van tientallen jaren onderzoek door Step-
te groot is voor de liturgie. Een uitvoering Het boek bevat heldere analyses die in ka- hen Pinel. Het opstellen van een Erben-
in een rooms-katholieke dienst is evenmin ders nader worden toegelicht. Zo wordt de werklijst is een monsterklus: een betrouw-
waarschijnlijk. Daarvoor geeft hij als plausi- vrij onoverzichtelijke geschiedenis van de bare schatting van het aantal instrumenten
bel argument dat de scheiding van het Osan- Markus Passion en van de Kunst der Fuge in dat de werkplaats van Erben verliet vanaf de
na en Benedictus van het Sanctus en de op- dit boek duidelijk beschreven. En door de jaren 1820 tot zijn dood komt boven 1.300.
splitsing van het Agnus Dei in twee delen in gekozen opzet – het beschrijven van genres In zijn voorwoord vergelijkt James Wall-
strijd is met de normen van de rooms-katho- per hoofdstuk – worden verbanden zicht- mann het belang van Henry Erben met
lieke ritus. baar die doorgaans onbelicht blijven. dat van de Europese grootheden Aristide
In het voorlaatste hoofdstuk komt het ver- Cavaillé-Coll, Henry Willis en Eberhard
haal rond het ontstaan van Vor deinen Thron Wolff schreef een verhandeling over een Friedrich Walcker, met wie Erben niet al-
tret ich hiermit ter sprake. Wolff wijst erop selectie van Bachs muziek, gebaseerd op leen kwantitatief maar ook kwalitatief kon
dat de Achtzehn Choräle bewerkingen zijn zijn enorme kennis van de bronnen en van wedijveren. Erbens vader aan vaderszijde
van eerdere versies. Dat betreft in het bij- de laatste ontwikkelingen in het Bach-on- emigreerde in 1751 van Duitsland naar
zonder de eerste vijftien van deze koralen derzoek. Bij het lezen wordt regelmatig de Amerika via Rotterdam. Op basis van deze
(BWV 651-665), genoteerd in Bachs eigen vraag opgeroepen of dit het beste boek over vertrekhaven beweerde kleinzoon Henry
handschrift uit de periode 1739-1742. Na Bachs muziek en levensdoel is. In ieder ge- dat hij van Nederlandse komaf was – met
1746/1747 nam Bach het werk aan deze ko- val maakt het boek duidelijk dat Bachs werk Nederlandse wortels maakte je meer sier.
ralen weer ter hand, maar had toen te maken uniek is. Hij schreef “ongebruikelijke melo-
met verdere verslechtering van zijn ogen. dieën die lijken op die van geen enkele andere
componist” ( Johann Friedrich Agricola).

42 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Henry kreeg het orgelmakersvak met de bedrijfsbranden. Pinel heeft
paplepel ingegoten: zijn vader Peter Erben met gebruikmaking van ver-
was musicus en orgelmaker. In 1816 ging dere archiefgegevens de lijs-
Henry werken bij Thomas Hall in Phila- ten geschoond en gecorri-
delphia; in 1824 associeerden meester en geerd. De hoofdstukken 2 tot
leerling, maar na drie jaar werd Erben eige- en met 17 zijn gevuld met de
naar en bleef Hall als voorman. In de laatste gevonden gegevens, gegroe-
jaren van zijn leven werkte Erben nog twee peerd op de manier die Er-
keer in compagnonschap: vanaf 1874 met ben zelf hanteerde: eerst de
William Wilson en vanaf 1880 (eveneens orgels van de stad New York,
kort) met zijn zoon Charles Erben. Char- dan die in de gelijknamige
staat en daarna die
op steeds grotere
Erbens handwerk was van grote afstand van New
klasse en ook artistiek stond hij in York. Aan het eind
hoog aanzien. volgen de instru-
menten buiten de
Verenigde Staten:
Canada (9), Co-
les verdween kort na de dood van zijn va- lombia (2), Cuba (3), Guate-
der van het toneel. In 1885 nam Lewis Har- mala (2), Mexico (1), Nieuw
rison de orgelmakerij over en verdween de Zeeland (1) en de West-Indi-
naam Erben. sche eilanden (4).

Henry Erben moet over een sterke wil en De hoeveelheid informatie Een appendix bevat reproducties van de
grote werkkracht hebben beschikt. Naast per orgel verschilt. In ieder werklijsten en catalogi van Erben zelf, een
zijn orgelmakerswerk profileerde hij zich geval wordt een beknopte tweede bijlage toont ongeveer 270 foto’s
op maatschappelijk vlak. Hij bekleedde po- historische beschrijving van in zwart/wit van gebouwen, (details van)
litieke functies die hem in het roerige New het kerkgebouw gegeven, in fronten en orgelinterieurs. Via deze laatste
York vijanden bezorgden. Maar liefst zes principe gevolgd door cita- categorie komt de lezer een en ander aan or-
keer legde brand zijn werkplaats en/of wo- ten uit archieven en (kran- geltechnische gegevens te weten, een type
ning geheel of gedeeltelijk in de as, niet zel- ten)publicaties uit de bouwtijd van het or- informatie waarop het boek zich verder niet
den was er verdenking van brandstichting. gel en latere wederwaardigheden. Na een richt. Een lijst met intekenaren en een gene-
Eenmaal werd hij op straat in elkaar gesla- bronnenlijst volgt een beschrijving van het rale index besluiten het geheel.
gen. Persoonlijke tragedie was er ook: vier instrument, soms in de vorm van een con- The work-list of Henry Erben is voor het
van zijn zes kinderen overleden tijdens zijn tracttekst; meestal is er een dispositie. Zeer grootste deel meer een bladerboek dan een
leven, zijn vrouw verloor Erben op relatief veel orgels van Erben bestaan niet meer, of leesboek. Het is belangrijk dat je snel in-
jonge leeftijd aan cholera. Hij stond bekend in zwaar veranderde vorm. Dat maakt de ci- zicht hebt in een pagina. De vormgeving is
om zijn harde manier van zakendoen en was taten uit de bouwtijd extra waardevol. Er- cruciaal en die is goed gelukt. De enorme
bij veel rechtszaken betrokken. bens handwerk was van grote klasse en ook hoeveelheid van verschillende soorten in-
In het eerste hoofdstuk zet Pinel verschil- artistiek stond hij in hoog aanzien. Terug- formatie wordt door middel van een royaal
lende publicaties over Erben op een rij. kerende complimenten betreffen zijn (voor pagina-ontwerp en een niet al te variërende
Vanaf 1910 is er met regelmaat over Erben Amerikaanse oren) ‘kleine’ prestantklank, typografie overzichtelijk gepresenteerd. Pa-
geschreven. De basis voor de grote werk- ‘fijne’ strijkersklank en evenwichtig geïnto- pier, druk- en bindwerk zijn van hoge kwali-
lijst van deze monografie bestaat uit de vijf neerde tongwerken. Erben richtte indivi- teit. Pinel, zijn fotografen Len Levasseur en
lijsten en de drie handelscatalogi die Er- duele registers meer op aansluiting bij het William T. Van Pelt en OHS Press hebben
ben zelf uitbracht. De eerste werklijst zag geheel dan op een sensationeel solokarak- een prestatie van jewelste geleverd.
het licht na de grote werkplaatsbrand van ter; zijn orgels klonken naar het oordeel van
1841. Erben wilde met de lijst, waarop 153 tijdgenoten groot en intens. (Om zelf een
kerken prijkten, voorkomen dat zijn klan- beeld te krijgen: het grootste goed bewaar-
dizie na de ramp zou afbrokkelen. De ca- de drieklaviers orgel van Erben is dat van de
talogi verschenen in de laatste tien jaar van rooms-katholieke St.-Patricks Old Cathe-
Erbens werkzaamheid, in 1874, 1877 en dral in New York (1868). Een actieve or-
1880. De lijsten wemelen van de fouten gelclub en organist beijveren zich voor het
en contradicties. Dat wekt geen verbazing, behoud van dit instrument. Via een website
er ging veel administratie verloren bij de is ook de klank van het orgel te beluisteren:
www.erbenorgan.com.)

maart 2022 43

Easter Monday
18th April to 1st May 2022

30+ Exclusive Concert Films | Masterclasses |
Expert Zoom Panels | Webinars | Q&A´s |
Presentations | Live Streams | and more

Confirmed among others:
• Olivier Latry, Paris
• Royal Birmingham Conservatory / UK
• Cathedral of Milan - ‚La Révolte des Orgues‘

conducted by Johannes Skudlik
• Beijing - National Grand Theatre - Shen Fanxiuu
• Vicenza - Teatro Olimpico - Wayne Marshall (ARTE Coop)
• Alexander Fiseisky / Moskau
• Martin Baker - Buckfast Abbey
• Bruckner Special: Hansjörg Albrecht

TICKETS io-of.org

ON SALE

FEBRUARY 2022

44 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Orgelpark Research Reports om film- en geluidsfragmenten in de pre- in het voorjaar van 2014 gehouden werden.
sentatie van de onderzoeksresultaten te De tien lezingen zijn in drie afdelingen on-
Het Orgelpark te Amsterdam heeft inmid- integreren. Tot op heden zijn er zes delen dergebracht: The Project, Temperament en
dels al meer dan vijftien jaar geleden zijn verschenen. Live Electronics.
deuren geopend. Het ontwikkelde zich al Orgelpark Research Report 1 bevat de In 2018 verscheen part 2 van Volume 5
spoedig tot een internationaal vermaard lezingen, die op 3 maart 2012 gehouden met uitgebreide documentatie van het
podium voor organisten en componisten. werden tijdens het Brucknerfestival in het Utopa-orgel door Hans Fidom en met bij-
Jaarlijks wordt een breed spectrum aan ac- Orgelpark. Herman Jeurissen gaf toen een dragen van Ibo Ortgies, Randall Harlow en
tiviteiten ontplooid, waaronder uiteraard lezing over ‘Anton Bruckner, de symfoni- Peter Williams.
concerten, variërend van orgelconcerten sche kathedralenbouwer’ en Peter Plany- Als voorlopig laatste deel verscheen in
tot concerten waar het orgel gecombineerd avsky over ‘Anton Bruckner, topimprovisa- 2020 de dissertatie Vormgevend gebruik van
wordt met andere kunstvormen (zoals film tor in een vlak muzikaal landschap’. klank en dynamiek van Klaas Hoek waarop
en dans). Er is aandacht voor de (orgel-) Research Report 2 bevat de oratie (‘Muziek hij in februari 2019 promoveerde tot ‘doc-
muziekcultuur vanaf de middeleeuwen tot als installatiekunst’) waarmee Fidom in mei tor in de Kunsten’ aan de Katholieke Uni-
heden. Voorbeelden die deze breedte illus­ 2011 zijn hoogleraarschap aan de VU Am- versiteit Leuven.
treren zijn enerzijds de bouw en plaatsing sterdam aanvaardde. De Research Reports 1, 2 en 6 zijn in het
van de replica van het Peter Gerritzs-orgel Het derde Research Report is de neerslag Nederlands geschreven, de overige in het
(1479) in 2012, en anderzijds het ‘ketting- van het onderzoeksproject rond impro- Engels. Van de Reports 1 tot en met 5 ver-
compositie’-project, dat in coronatijd ont- visatie uit de jaren 2008-2011. Veertien scheen eind vorig jaar een nieuwe (tweede
wikkeld werd en waaraan tien componisten organisten en wetenschappers behandelen of derde) editie. Een goede gelegenheid
meewerken. ‘musicological, musical and philosophical om er kennis mee te maken. Dit kan op
Behalve tot concertpodium heeft het Or- aspects’, zoals de ondertitel luidt. verschillende manieren. De Orgelpark Re-
gelpark zich ontwikkeld tot een fameus Medieval Organ Art. The Van Straten Organ search Reports zijn gemaakt om online te
kennis- en studiecentrum, dit in nauwe at the Orgelpark as a Historical Document lezen (www.orgelpark.nl); dat is de beste
samenwerking met de leerstoel Orgelkun- – zo luidt de titel van het vierde Research manier, want u kunt dan de geluids- en
de aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Report. Na de bouw van de replica van het filmfragmenten beluisteren en bekijken. Er
die het Orgelpark in 2010 instelde. Hans Peter Gerritsz-orgel, dat in 1479 voor de zijn ook pdf-versies beschikbaar, waarin de
Fidom is als hoogleraar aan deze leerstoel Nicolaïkerk te Utrecht gebouwd was, wer- geluidsvoorbeelden en de films ontbreken.
verbonden en verantwoordelijk voor de den in het Orgelpark in 2012 en 2013 drie Degenen die toch graag de Research Re-
wetenschappelijke activiteiten van het Or- colloquia gehouden. De lezingen die daar ports in de vorm van een traditioneel boek
gelpark. gegeven werden, zijn al dan niet uitgebreid willen lezen, kunnen een exemplaar aan-
In 2008 werd het Orgelpark Research of herzien gebundeld in dit vierde deel. vragen via [email protected]. In tegenstel-
Program gestart, waar wetenschappelijk Het Report bevat bovendien ruim een uur ling tot de online- en pdf-versies die gratis
onderzoek centraal staat, en vier jaar later muziek op het Van Straten-orgel, gespeeld te lezen zijn, dient voor de papieren versie
ontwikkelde men het Orgelpark Kennis- door onder anderen Harald Vogel. uiteraard betaald te worden.
programma, waarin ook de niet-professio- Op 21 maart 2018, de 333ste geboortedag Jan Smelik
nele muziekliefhebber betrokken wordt. van Johann Sebastian Bach, nam het Or-
Het Research Program omvat projectma- gelpark het Utopa Barokorgel in gebruik.
tig uitgevoerde onderzoeken naar vormen Naar uiterlijk, klank en techniek is het
van muziek en musiceren, waarbij het orgel instrument gebouwd zoals de achttien-
inspiratiebron is. De onderzoeksresulta- de-eeuwse orgelbouwer Zacharias Hil-
ten worden gepresenteerd in Orgelpark debrandt (een vriend van Bach) dat zou
Research Reports, die in samenwerking hebben kunnen doen in een zaal als die van
met VU University Press worden uitge- het Orgelpark. Het orgel biedt tevens een
geven. Het betreft elektronische boeken, 21ste-eeuwse toegang tot zijn 18de-eeuwse
een publicatievorm die het mogelijk maakt klankmateriaal, met behulp van speciaal
daartoe ontwikkelde digitale technologie.
In aanloop naar de bouw van het instru-
ment organiseerde het Orgelpark diverse
colloquia en symposia, waar uiteenlopende
aspecten betreffende het beoogde orgel
bestudeerd en bediscussieerd werden. Or-
gelpark Research Report Volume 5 part 1
bevat de lezingen die tijdens drie colloquia

maart 2022 45

Jan Keijzer

orgelbouwer uit het goede hout gesneden

Jan van Gijn

Op de achterkant van dit nummer staat het huispijporgel Steeds duidelijker tekenden de kerntaken in het orgelmakersbedrijf van
Ernst Leeflang zich af. Jan beheerde de werkplaats met alles wat daar
dat Jan Keijzer, medefirmant van het orgelbouwbedrijf Leeflang moest gebeuren: van de tekentafel tot het bouwen van windladen. Het
& Keijzer, rond 1960 ontwierp en bouwde voor zijn vrouw Ber- meubelmakersvak kwam Jan goed van pas. Ernst bemoeide zich nu het
tie. In 2020 verwierf het Nationaal Orgelmuseum dit instrument. meest met intoneren en stemmen op locatie. En echtgenote Jos Leef-
Het museum bezat van deze orgelbouwer al een groter instru- lang-Droog verzorgde de correspondentie en de administratie.
ment: het zogeheten Boon-orgel. En toen kwam de watersnoodramp in 1953. Dit was een vreselijk mo-
Geboren op de zware en degelijke kleigronden van het eiland ment voor de familie Keijzer. Nieuwe Tonge was ook wel de meest
Goeree Overflakkee bleek ook Jan Keijzer een degelijke jongen rampzalige plek van het eiland Flakkee waar zich de ramp voltrok. Vele
met een grote passie voor creatieve arbeid en duurzame materia- huizen vielen om en werden in de golven meegesleurd. Met aaneenge-
len. Zo vruchtbaar als deze kleigrond is, zo vruchtbaar bleek ook regen lakens en voorbij drijvende tonnen trachtte het gezin de dijk te
zijn productie in de orgelbouw. bereiken, een iets veiliger plek om te overleven. Hier heeft het gezin
Jan zag het levenslicht in 1930 in het dorpje Nieuwe Tonge en Keijzer grote trauma’s aan overgehouden. Broer Arie, de later bekende
was de oudste in een gezin van vier kinderen, drie zonen en één organist, heeft in 2001 een aangrijpende herdenkingscantate gecompo-
dochter. Jan Arie de orgelbouwer, daarna kwam broer Arie Jan, de neerd naar aanleiding van dit vreselijke gebeuren.
organist, de dochter werd de naam ‘Jeanette’ gegeven en de derde Het gezin Keijzer moest wederom het eiland verlaten en vond een
zoon werd Johan genoemd. woonplek op de Veluwe. Daar zouden dit soort rampen zich toch min-
Vader Keijzer had een schoenmakersbedrijf en was organist in der gauw voordoen. Dat was in 1954. Ernst Leeflang kocht in Apel-
zijn woonplaats. De crisisjaren noopten het gezin Keijzer het ei- doorn een pand aan de Langeweg dat de nieuwe werkplaats zou worden
land te verlaten. In Rotterdam waren meer kansen voor werkgele- van de firma Leeflang. Ook het gezin Keijzer vond in Apeldoorn zijn
genheid. Echter, het bombardement in 1940 dreef het gezin naar nieuwe domicilie.
een veiliger plek. Het werd dit keer Oud-Beijerland. Daar had va- In datzelfde jaar 1954 bouwde de Fa. Leeflang & Keijzer een groot huis-
der Keijzer een winkel in muziekinstrumenten en Jan volgde een orgel voor de heer Ankersmit in Bathmen. Het was Jans eerste ontwerp.
opleiding voor meubelmaker. Van vader Keijzer moest Jan maar Na een verplaatsing naar de woonboerderij van architect Gert Boon in
de orgelbouw ingaan, want, zo redeneerde hij, broer Arie bleek Hoog Buurlo, die de vormgeving aanpaste aan het interieur van zijn
zeer begaafd te zijn in het orgelspel en zo konden ze elkaar in la- huis, kwam het via de Stichting Het Gelders Huisorgel uiteindelijk te-
ter jaren mooi aanvullen. Dat bleek een juiste visie te zijn geweest. recht in het Nationaal Orgelmuseum te Elburg, alwaar het nu een pro-
En zo meldde Jan zich bij orgelbouwer Leeflang toen het gezin minente plek heeft gekregen met nog altijd de nogal eigenzinnige vorm-
Keijzer na de oorlog weer teruggekeerd was naar hun geboorte- geving van de vorige eigenaar Gert Boon.
grond Nieuwe Tonge. Een huiskamergesprek was al voldoende De banden met de beide families Leeflang en Keijzer werden nog eens
voor de aanstelling bij het bedrijf van Ernst Leeflang. Jan kreeg op geheel andere wijze bevestigd: Jan trouwde met de oudste dochter
daar algauw de leiding over de werkplaats en Ernst kon zodoende van Leeflang, Bertie. Het jonge gezin werd verrijkt met drie dochters,
het stem-en intonatiewerk verrichten. waarvan de jongste, Berteke, ook de muziek als professie koos. Zij is
In 1949 kwam een ambitieuze opdracht binnen bij de firma:het pianiste.
plaatsen van een nieuw orgel in de Grote Kerk te Middelhar- Jan volgde de trendmatige ontwikkelingen in de landelijke orgelbouw,
nis. Een thuiswedstrijd, want het bedrijf was ook gevestigd in zij het met een kritische blik en veel eigen innovatie. Van technische
Middelharnis. bouwwijze met onder andere de balg direct onder de windlade en de
Twee jaar later (1951) mocht Jan zich verheugen in een prachti- nogal eigenzinnige klankconcepten met hun zeer directe klankvorming
ge promotie: hij werd mede-eigenaar van de orgelfirma Leeflang. tot de historiserende nieuwbouw (o.a. Meentkerk te Huizen). Ook ver-
Het was juist in die periode dat het bedrijf geleidelijk overging op diepte Jan zich in het restauratiewerk en kreeg ambitieuze opdrachten
het bouwen van mechanische orgels, daarmee de trend van die (o.a. St.-Jan in Gouda). Jan Keijzer ontwikkelde een geheel nieuw front-
tijd volgend waarin sprake was van herwaardering voor de mecha- ontwerp met tertsopstelling in de frontpijpen, vele jaren beeldbepalend
nische sleepladesystemen. voor de Fa. Leeflang & Keijzer. Jan paste de gulden snede toe in tal van

46 Het Orgel jaargang 118 nummer 2

Achterplaat

Het ‘Boon’-orgel in het Nationaal Orgelmuseum (foto: Jan Smelik) Apeldoorn. Zo’n prachtige brede, zangrijke en diepe klank als dit
instrument heeft, dat maakt dit orgel uniek.
maatvoeringen. De zware kleigrond van Jans geboorteplek werd gereflecteerd in
In de jaren zeventig werden veel orgels gebouwd onder adviseur- zijn oerdegelijke wijze van ambachtelijk werk. Jan Keijzer werkte
schap van broer Arie, terwijl de jongste broer Johan was aangetrok- uitsluitend met eikenhout en was daarmee met recht een orgel-
ken voor het stem- en intonatiewerk. Ernst trok zich meer en meer bouwer uit het goede hout gesneden. Van de vroege ochtend tot
terug. Hij onderhield, samen met zijn vrouw Jos, vanuit het kantoor de late avond was Jan in de weer met z’n bedrijf, onder anderen
de contacten. bijgestaan door de onmisbare hulp van Jan Koelewijn, die het
Van dit vruchtbaar “keijzerlijk driemanschap” heb ik ook mogen stem-en intonatiewerk verzorgde. Een enorme werkdrift hadden
profiteren. Het orgel in de Immanuelkerk te Rotterdam-Alexander- beiden.
polder, waar ik toen organist was, is in 1969 door de drie gebroeders Eens gebeurde het dat het orgel in de Grote Kerk in Apeldoorn
ontstaan. op kerstavond grote problemen kreeg. Een telefoontje met een
In de jaren tachtig werd de portefeuille dunner, mede door de toen noodkreet mijnerzijds was voldoende voor Jan Koelewijn om in
al intredende ontkerkelijking. Het was ook de tijd dat Ernst en zijn actie te komen. Een kwartier later stond hij al voor me en na dit
vrouw afscheid namen van het bedrijf. Jan ging alleen verder met bezoek klonk het orgel weer als engelen in de kerstnacht. Om
drie werknemers. Mooie orgels dateren uit die periode. Zelf denk ik nooit te vergeten.
dan steeds terug aan het schitterende orgel in de Lutherse Kerk van Jan Keijzer was niet zakelijk. Tegen mij zei hij ooit eens: “Als ik
mijn jongens (zijn personeel) hun broodwinning kan geven, ben
ik tevreden. Meer hoeft niet”. Bij elke oplevering gaf hij iets extra’s
mee, vaak in de vorm van een toevoeging aan het nieuwe orgel.
Jan ontzag zichzelf niet. Met opoffering van z’n gezondheid ging
hij door met het dikwijls zware werk dat het orgelbouwersvak
met zich meebracht, ondanks ernstige klachten die hij toen al
had. Toen z’n laatste orgel op locatie stond en was overgedragen
aan de vrijgemaakt-gereformeerde kerk te Hilversum, stopte Jan
met orgels bouwen. Dat was in 1994. Orgelmakerij Gebroeders
Reil te Heerde nam het bedrijf over inclusief de ‘jongens’, zoals
Jan zijn werknemers steeds noemde.
Toen Jan in het Julianaziekenhuis was opgenomen wegens zijn
zoveelste kwaal, kwam ik bij hem op bezoek. Het was het jaar
2005. Zijn kamer keek uit op de imposante toren van de Grote
Kerk. Ik was toen bezig met de voorbereidingen van mijn 25-jarig
ambtsjubileum aan de Grote Kerk. Met vaderlijk gezag vroeg hij
mij: “En Jan, vertel mij eens, wat ga jij spelen op je jubileum? Toch
wel een mooi waardig stuk voor zo’n feest?” Ik zei toen: “Ik ga de
Passacaglia van Bach spelen, voor de dienst de variatiereeks en na de
dienst de fuga.” “Zo mag ik het horen, dat heeft mijn instemming,”
antwoordde Jan toen, kijkend naar die prachtige Grote Kerk-
toren, maar niet wetend dat hij enkele dagen daarna afscheid van
het leven moest nemen.
Met ditzelfde grootse Bachwerk deden we Jan uitgeleide tijdens
de begrafenisplechtigheid.

maart 2022 47

Huispijporgel dat Jan Keijzer rond 1960 ontwierp en bouwde voor zijn vrouw.
Het hout-inlegwerk op de orgeldeur stelt Orpheus en Euridice voor en is ontworpen

door de Apeldoornse kunstenaar Willem C. Kalfshoven (1907-1966)
Collectie Nationaal Orgelmuseum Elburg (foto: Jan Smelik)

48 Het Orgel jaargang 118 nummer 2


Click to View FlipBook Version