The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.

De kleipijp als bodemvondst, Jubileumuitgave PKN 1988, Hoofdstuk Enkhuizen en Hoorn, F. Tymstra

Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by Stichting PKN, 2017-05-25 18:07:55

De kleipijp als bodemvondst Enkhuizen en Hoorn

De kleipijp als bodemvondst, Jubileumuitgave PKN 1988, Hoofdstuk Enkhuizen en Hoorn, F. Tymstra

'J-z _

DEK LEI PIJ PAL S BOD E M V 0 N D S T.
Beknopt overzicht van tien jaar onderzoek naar de belangrijkste pijpenmakerscentra

in de 17e en 18e eeuw.

Onder redaktie van F. Tymstra en J. van der Meulen.

Uitgegeven door de Pij pelagische Kring Nederland.
Correspondentie adres: Utrechtse Jaagpad 115, 2314 AT Leiden.

September 1988.
Oplage: 300 exemplaren.

Deze uitgave kwam tot stand door de belangeloze medewerking van:

- Al-Druk Drukwerk, Weesp
- W. Kraak, Diemen

- F.E. Tymstra en J. Tymstra, Zaandam.

ENKHUIZEN EN HOORN.

door F. Tymstra

INLEIDING.
Nadat Vasco da Gama in 1498 de zeeweg naar Voorindië ontdekte, werd Portugal de leveran-
cier van Indische specerijen in Europa. Vanuit Lissabon werden de produkten naar Antwerpen
verscheept, en vandaar vervoerd naar Noord- en Midden Europa. In de loop van de 16e eeuw
ontwikkelde zich de handel van Hollanders en Zeeuwen rechtstreeks op Lissabon. Evenals
andere havensteden bezaten Enkhuizen en Hoorn een actieve handelsvloot, die behalve spece-
rijer: ook tabak importeerde. In 1580 was het tabaksgebruik in Enkhuizen al in zwang geraakt.
Dat valt op te maken uit de "Biddaghskeure" die dat jaar werd uitgevaardigd.
De drang om een eigen zeeweg naar Indië te vinden werd steeds groter, aangezien men niet
meer afhankelijk wilde zijn van de handelsbeperkingen die Philips 11 de Nederlandse schippers
en kooplieden bij tijd en wijle oplegde. Al spoedig sloegen rijke kooplieden de handen ineen,
hetgeen resulteerde in de oprichting van de Compagnie van Verre. Deze Compagnie zond vier
schepen onder leiding van Houtman naar Indië en in 1597 keerden zij na het vinden van een
nieuwe zeeweg succesvol en volbeladen terug. Doordat er met de specerijenhandel grote win-
sten te maken waren, werden er al spoedig nieuwe Compagnieën opgericht. In 1602 werd onder
leiding van Van Oldebarnevelt besloten tot de oprichting van de Verenigde Oostindische
Compagnie. Daarmee kon men de onderlinge concurrentie tussen de Compagnieën tegengaan.
In de V.O.c. bezaten zowel Enkhuizen als Hoorn een kamer, waaruit afgeleid kan worden dat
de handel in beide plaatsen floreerde. De wereld voor de Enkhuizer en Hoornse schippers lag
wijd open.

DE PIJPENNIJVERHEID.
Toen de Engelsen in 1585 onder leiding van Robert Dudley, Graaf van Leicester, in ons land
neerstreken was het tabaksgebruik reeds bekend. Hoewel er op dit moment nog geen duidelijk
archivalisch bewijs voorhanden is, mag men aannemen dat, net zoals bij andere steden, de eer-
ste pijpenmakers van Engelse afkomst waren. Het onderzoek naar pijpenmakers wordt bemoei-
lijkt door het feit dat ze niet verenigd waren in een pijpenmakers- of pottenbakkersgilde. Uit
de schaarse gegevens, dikwijls bij toeval ontdekt, kunnen we opmaken dat zowel in Enkhuizen
als in Hoorn pijpenmakers gewerkt hebben. Wanneer de eerste zich gevestigd heeft is niet
bekend, evenmin het aantal pijpenmakers in de beide steden. Onderstaande jaartallen geven
slechts het jaar weer waarin zij in een of ander archiefstuk vermeld worden.

ENKHUIZEN.
1627 - Zacharias Lepie, pijpenmaker, neemt Francois Malim als leerling in dienst
1662 - Jan Heijeksz, pijpenmaker, erft van Heije Jansz. pijpenmaker te Hoorn.

HOORN.
1635 - Jan J eliss, pottenbakker, misschien ook pijpenmaker met het merk I.I
1642 - Piet er Gerridtz, pijpenmaker, later ook pottenbakker met het merk P.G
1642 - Doorn Litteraer, pijpenmaker, wonende op het Achterom
1662 - Heije Jansz., pijpenmaker, ernstig ziek, regelt zijn erfgoederen, waaronder enige tonnen

pIJpen.

Uit bovenstaande is op te maken dat de relatie tussen pijpenmaker en pottenbakker in Hoorn

- 44-

aanwezig was. Maar ook Enkhuizen heeft in dezelfde periode pottenbakkers gekend. Bodem-
vondsten uit de omgeving van beide steden tonen veelvuldig pijpen met glazuurvlekken, opge-
lopen tijdens het bakken van aardewerk en pijpen in dezelfde oven. Zelfs het glazuren van de
gehele pijp is in deze streek niet vreemd. Het bekendst zijn de volledig groen geglazuurde
]onas/Walter Raleighpijpen, die hetzij schaarser ook in geel glazuur voorkomen. Van andere
plaatsen weten we dat pijpenmakers met een kleine produktie de pijpen bij de pottenbakkers
lieten bakken. Voor dit gebied is het niet uitgesloten dat de pijpenmaker en de pottenbakker
één en dezelfde persoon waren. De pijpenmakerijen zijn klein van omvang geweest, meestal
kleine bedrijfjes aan huis waarin de pijpenmaker met zijn gezin en een knecht het werk ver-
richtten. De verdiensten waren niet hoog; lang niet alle pijpenmakers waren schuldenvrij . In
het koop- en verkoopgebeuren ging het vaak om kleine transacties. Hoewel er na 1662 nog pij-
pen gemaakt werden, kunnen we aannemen dat het hoogtepunt voorbij was. De betere jaren
lagen tussen 1625 en 1650.

HET VERSPREIDINGSGEBIED.
Aan de hand van de bodemvondsten kunnen we een indruk krijgen van het afzetgebied, ook
al ontbreken gegevens uit het archief. De Enkhuizer en Hoornse pijpen worden rondom beide
plaatsen veelvuldig gevonden, maar ook in andere Noordhollandse plaatsen, zoals Graft, de
Rijp, Edam. In en om Amsterdam komen ze minder voor. Al deze plaatsen waren toen gemak-
kelijk per schip te bereiken, waaruit we kunnen afleiden dat het vervoer over water een belang-
rijk gegeven is voor het verspreidingsgebied. Dat wordt nog eens bevestigd door het vinden van
pijpen met het merk LP in de stad Zwolle. Deze pijpen zullen ongetwijfeld de oversteek over
de Zuiderzee hebben gemaakt. We kunnen spreken van een lokale markt, omdat in andere
delen van het land deze pijpen sporadisch voorkomen.
In 1614 werd de Noordse Compagnie opgericht. Naast andere steden hadden Enkhuizen en
Hoorn ook een kamer in deze handelsonderneming, die zich o.a. toelegde op de walvisvaart.
Toen in 1979 en 1980 opgravingen gedaan werden bij het vroegere plaatsje Smeerenburg op
Amsterdameiland, bleek bij één van de voormalige traankokerijen veel pijpenmateriaal afkom-
stig uit Enkhuizen en Hoorn. De pijpen, in Holland gekocht, werden door de zeelieden meege-
nomen.

TYPE EN MERKEN.
De hierna beschreven pijpen worden als Enkhuizer of Hoornse makelij bestempeld. De verfij-
ning om aan te kunnen geven welke pijp uit welke stad komt is nog niet mogelijk. Toeschrij-
ving van de modellen berust louter op het frekwent voorkomen van deze pijpen in de regio, als
het ontbreken ervan in andere pijpenmakerscentra.
Het meest voorkomende type heeft een dubbelconische ketel. Ze komen in verschillende groot-
ten voor, waarbij opgemerkt mag worden dat de kleinste modellen tot de vroegste pijpen uit
Nederland behoren (afb. 1 en 2). De datering ligt tussen 1610 en 1625. Het grotere type, dat
veelvuldig voorkomt behoudt de grondvorm (afb. 4, 9, 17). Deze pijpen werden tussen 1625 en
1650 vervaardigd. Het merendeel van de pijpen is ongeglaasd. Vaak is langs de ketelrand een
slordige- of onvolledige radering aangebracht en ontbreekt een merk op de hiel. De afwerking is
aan de matige kant, hoewel ook goede produkten voorkomen. De meest voorkomende merken
zijn: de roos, de fleur de lis in een ruitvorm, LP., P.G. en I.I. Opvallend zijn de punten die tus-
sen de initialen van de pijpenmaker zijn aangebracht.
Soms zien we deze merken op een ander type staan, waaruit blijkt dat verschillende modellen
naast elkaar gefabriceerd werden (afb. 15, 16).
Er werden ook pijpen gemaakt met een opliggende steelversiering. De versiering onderscheidt

- 45 -

zich van die van andere centra door de dikke graveerlijnen in de vorm aangebracht. Meestal
werden bloemmotieven gebruikt (afb. 19, 20). De pijp, afgebeeld onder nr. 21 is gemerkt met
de letters TM in een parelrand, de ketel is gelijk aan de pijpen onder de nrs. 19 en 20.
Vrij veel voorkomend is een pijp met een leeuwekop aan beide zijden van de ketel (afb. 22).
Het gaat hier om een lokaal produkt, mogelijk uit Enkhuizen of Hoorn. Zeker is dat uit een
van beide plaatsen de J onas/Walter Raleighpijpen afkomstig zijn met de volgende kenmerken:
de ketel heeft de dubbelconische grondvorm behouden. Het mannengezicht heeft een smal,
puntig baardje en een omhoogstaande snor. De gravering van het gezicht is goed te noemen, in
tegenstelling tot de draak/slang/vis. Op dat deel van de pijp is de gravering zwak. Op de steel
staat meestal vermeld IONAS of IONIS met het jaartal 1633. De letters N en S staan in spiegel-
schrift (afb. 23 a, b, c en 24). Er zijn varianten in de mallen bekend. Groengeglazuurde exem-
plaren zijn geen zeldzaamheid.
Het is bekend, dat pijpenmakers naast tabakspijpen ook andere artikelen maakten. Pijpaarden
beeldjes, haarkrullers en presentatiepijpen zijn er voorbeelden van. Heel bijzonder is de vondst
van een pijpaarden figuur, voorstellende een schip. Aan de bovenkant en aan de achterzijde van
het schip is een opening aanwezig. Het geheel is rijk bestempeld met het merk van de pijpen-
maker (afb. 25 a, b, c). Indien men aan de achterzijde van het schip een steel aanbrengt, zou
het als pijp dienst kunnen doen, echter dit is maar een veronderstelling. Interessanter is het
merk zelf, een staande leeuw in een ovaal in plaats van een cirkel. Verrassend was de vondst
van een tweetal pijpen met precies het zelfde merk, één in Edam en één in Enkhuizen. Daar het
schip in Bovenkarspel gevonden is, mag men aannemen dat het evenals de pijpen om een lokaal
produkt gaat.

LITERATUUR.

* Brongers, G.A., Pijpen en tabak, 1964
* Duco, D.H., De kleipijp in de zeventiende eeuwse Nederlanden. B.A.R. series 106, deel II,

1981

* Hacquebord, Louwrens, Smeerenburg, proefschrift 1984
* Meulen, J. van der en L. Hacquebord, Pijpvondsten op Amsterdameiland (Spitsbergen),

Pijpelogische Kring Nederland (P.K.N.) nr. 12, 1981

* Steendijk, Toon, Archiefdocumenten over een 17e eeuwse pijpmaker en het tabaksverbruik

in West-Friesland in die tijd, P.K.N., nr. 19, 1982
- Tabaksbelastingen en pijpmakers in de 17e eeuw te Hoorn, P.K.N., nr. 20, 1983

* Haan, Ron de, Een vondst die stof doet opwaaien, P.K.N., nr. 24, 1984
* Tymstra, F., Het testament van de Hoornse pijpenmaker Heije Jansz., P.K.N., nr. 40, 1988.

ILLUSTRATIES.
- R.J. de Haan, F. Tymstra

Met dank aan: J. Boon, ].A. den Das, R. v.Dongen, R.J. de Haan, K. Faas, Archeologische
Dienst Westfries Museum in Hoorn, Sj. Jong, W. Krook.

- 46 -

la 2

1b

34 5

67 8
9

10 ® 11
11

- 47 -

13 14 15

16 ~ 17

.~ \!dj

(@ 18

\'---_~O.~~i.~,,;,~o ,,~ ,

~Qo~~~~~-oQ

19

20
- 48 -

21 11

®.. 22

23a 23c

rovue

25a 25b
26
25c
- 49 -


Click to View FlipBook Version
Previous Book
De kleipijp als bodemvondst Deventer
Next Book
De kleipijp als bodemvondst Gorinchem