The words you are searching are inside this book. To get more targeted content, please make full-text search by clicking here.
Discover the best professional documents and content resources in AnyFlip Document Base.
Search
Published by xantia18i, 2022-10-09 09:17:12

Kerst in de Middeleeuwen (BK1)

Kerst in de Middeleeuwen (BK1)

Oorsprong en symboliek van Kerst

Waarin elementen van heidense midwinterrituelen opgaan in de zich ontwikkelende liturgie van Kerstmis.

Naarmate de Europese winter dieper wordt, zakt de zon tot
dicht bij de zuidelijke horizon waar hij een paar dagen lijkt stil te
staan, voordat hij langzaam weer opkomt om de lente in te
luiden.

Oude volkeren waren natuurlijk op de hoogte van dit
fenomeen en de Romeinen noemden het, uit hun woorden voor
'zon' en 'stilstaan', solstitium, de bron van ons woord
'zonnewende'.
Volgens de Juliaanse kalender, het systeem van maanden en
dagen dat we nog steeds gebruiken (voor het eerst bedacht in 46 voor Christus op bevel van Julius Caesar),
werd de winterzonnewende oorspronkelijk gedateerd op 25 december.
Alle religies en filosofieën zijn gebaseerd op analogieën. Het aantal van dergelijke analogieën moet
oneindig zijn. Maar het meest voor de hand liggende blijft dat tussen de zon en God; of liever, één soort God:
iemand die, net als de zon, een universele bron en instandhouder van het leven is, en zonder wie alles zwart
en koud is. De analogie is zo duidelijk dat het, net als de zonnewende, algemeen werd opgemerkt door oude
volkeren, en de aanbidding van de zon als God is bijgevolg een gemeenplaats van oude religie.

In de Romeinse wereld was de belangrijkste vorm ervan de cultus van de 'Onoverwonnen Zon', een
hoeksteen van het Mithraïsme. Het was een van de twee officiële godsdiensten in het Romeinse Rijk tot ca.

300 n.Chr., toen de opkomst van het christendom in Rome het mithraïsme afzwakte. Het
bleef daarna een belangrijke godsdienst in het West- en Oost-Romeinse Rijk.

In 274 – en wanneer anders dan op 25 december? – verklaarde een keizer Aurelianus
Sol Invictus de officiële zonnegod van het latere Romeinse Rijk en een beschermheilige
van soldaten. Het Mithraïsme werd uiteindelijk niet de keizerlijke religie. Na veel
onzekerheid zou de overwinning naar zijn belangrijkste rivaal, het christendom, gaan.

Maar rond het jaar 300 moest het christendom het nog diplomatiek aanpakken. Het
was toen dat de kerk besloot een feest te creëren voor de geboorte van Christus (Latijn:
nativitas). (Een dergelijk feest is niet opgenomen in lijsten van feesten uit de derde eeuw, en het nieuwe feest
wordt voor het eerst opgetekend in een document van 336.)
Noch Lucas, noch iemand anders had de echte datum vastgelegd; en het was bekend dat keizers – was
Christus niet ook een keizer? –hun verjaardagen konden vieren op ‘n willekeurig gekozen data. Zo was het,
daar zijn de meeste moderne geleerden het erover eens, dat 25 december de datum van Kerstmis werd: het
was symbolisch geschikt en vertegenwoordigde de strategische 'hoge grond' van de heidense kalender.

De timing van de geboorte van Kerstmis wijst op de reden ervoor. Toen het christendom het rijk overnam,
moest het dringend zijn eigen doctrines definiëren. Bovenal moet het beslissen wie Christus was. Was hij een
gewone man? Of God? Geleidelijk werd er aan ‘n officiële definitie gewerkt.

Op het Concilie van Nicea in 325 werd in de religieuze doctrine officieel overeengekomen dat Christus
zowel mens als God was. De tegenstand bleef echter bestaan, wat tot op een alternatieve uitleg leidde:
Christus had God kunnen worden, bijvoorbeeld bij zijn doop.

Een volgend Concilie in Efeze in 431 zei dat Jezus God was vanaf de geboorte. Beide doctrines hadden
gevolgen voor de nativitas van Christus. Als de held van de evangeliën werkelijk God was, werd zijn aardse
geschiedenis van het allergrootste belang, van begin tot eind. En wat het begin betreft, Efeze plaatste dit
stevig bij zijn geboorte. Efeze bevestigde ook een bepaald beeld van Jezus' moeder. De foetus die ze droeg
was niet zomaar een baby, het was God zelf. Deze vrouw, zo impliceerde de Efeze-beslissing, had eigenlijk
het voorrecht gehad om God in zichzelf te dragen. De titel van Maria als 'Moeder van God (theotokos); in

tegenstelling tot louter 'Moeder van Christus' werd het een kenmerk van de orthodoxie in de vijfde eeuw.
Het kan geen toeval zijn dat deze gebeurtenissen gelijktijdig plaatsvonden met de oorsprong en verspreiding
van het Feest van de Geboorte van Christus. Het wordt voor het eerst genoemd (in 336) net na Nicea. De
eerste vermelding van de viering dateert van rond 400, in Bethlehem, waarbij er ook al van een kribbe sprake
is. De eerste vermelding van een kribbe buiten Bethlehem is opgetekend in Rome tussen 432 en 440, kort na
Efeze, en in een kerk, de eerste van vele die gewijd zijn aan Maria; Santa Maria Maggiore.

Een terugblik op het verhaal tot dusver zal dus laten zien dat Kerstmis is ontstaan uit de samenvoeging van
twee elementen, een oud en een nieuw: een oude erkenning van de zonnewende en van het belang ervan;
en de christelijke doctrine dat God mens was geworden. Deze twee elementen, oud en nieuw, vormen vanaf
dat moment constante factoren in de geschiedenis van het feest, al het andere - van kerstbomen tot
kerststallen en kerstliederen - en hun interactie, is daar in een of andere vorm een afgeleide van.

Omdat de bijna-verdwijning van de zon, al eeuwenlang een bekend feit van het leven was - waren er
midwinterriten en -vieringen lang vóór het Mithraïsme, laat staan voor het Christendom. Van deze vieringen
hebben er drie in het bijzonder betrekking op de geschiedenis van Kerstmis. Een daarvan was de Saturnalia,
een primitief Romeins winterfeest voor Saturnus, wiens naam (verwant aan het werkwoord sero, satum: ik
zaai (zaad)) duidt op zijn oorspronkelijke taak en verering. De Saturnalia dateren van vóór de Juliaanse
kalender, maar staan in die kalender als een reeks dagen eind december.

De tweede van de drie waren de Kalends, een nieuw feest dat werd georganiseerd om de administratieve
behoeften van het rijk te dienen: hoge functionarissen, benoemd voor één jaar, traden op dezelfde dag aan,
vastgesteld op de Kalends (of eerste dag) van januari.

Het derde feest dat Kerstmis beïnvloedde, was meer schimmig: vooral omdat het buiten de noordelijke
grens van het rijk lag, en we zijn afhankelijk van latere, christelijke bronnen voor beschrijvingen ervan. Maar
Yule (of Geol in het Oud-Engels, Jol in het Oud-Noors) moet hebben bestaan, al was het maar omdat het
Finse woord voor 'feest' een lening is van het Noors uit een lang voorchristelijk tijdperk.

En Yule werd al in het dertiende-eeuwse Frankrijk vermeld: hoewel vanwege religieuze overwegingen
Pasen het belangrijkste feest van het christelijke jaar maken, heeft Kerstmis dat in Noord-Europa, en hoe
meer hoe noordelijker je gaat hoe groter, het die status heeft.

Toen dus in het begin van de vierde eeuw Kerstmis de strategische datum van 25 december innam, was er
veel competitie. Nu is het een vaststaand feit dat een dominant feest de neiging heeft om kenmerken van de
minder dominante te adopteren. Kalends had dat tegen de vierde eeuw gedaan met de Saturnalia. Kerstmis
deed het nu voor beide en voegde Yule eraan toe toen, aan het einde van de zesde eeuw, de kerk van paus
Gregorius de Grote serieus haar grenzen begon te verleggen onder de Germaanse volkeren. Omdat alle drie
de oude feesten enkele kenmerken gemeen hadden en aangezien ze allemaal direct of indirect hebben
bijgedragen aan het karakter van Kerstmis, is het niet altijd eenvoudig om te verklaren welke kerstpraktijken,
sociaal of magisch/symbolisch, van welke voorganger kwamen. Maar een paar overeenkomsten springen in
het oog.

Aan de sociale kant waren er bij alle drie de oude vieringen banketten en een daarmee gepaard gaande
geest van sociale harmonie. Op de Saturnalia waren bijvoorbeeld geen straffen of gevechten toegestaan, en
superieuren dienden ondergeschikten (een gewoonte die in het moderne Britse leger op eerste kerstdag
behouden bleef).

Het geven van geschenken op het midwinterfeest begon vrijwel zeker meer als een magische dan als een
sociale gewoonte. Saturnalia-cadeaus bevatten ook wassen poppen die aan kinderen gegeven werden.
Tegenwoordig een charmant gebruik, maar met een macaber verleden: zelfs tijdgenoten dachten dat dit

waarschijnlijk een overblijfsel was van offers van kinderen, om het zaaien te zegenen. Een meer
waarschijnlijke voorouder van het kerstcadeau, de strena van Kalends, had een iets minder sinistere
achtergrond. In historische tijden was de strena, of nieuwjaarsgeschenk, een teken van geluk voor het jaar en
bestond uit vijgen, honing, gebak of (meestal) munten, gemaakt voor een nieuwe heerser in zijn ambtsjaar.

Aan de magische of symbolische kant, nogmaals, sommige kenmerken waren gemeenschappelijk voor alle
drie de feesten. Allen probeerden de terugkeer van de zon van de vegetatie aan te moedigen. Allen hadden
de kenmerkende spits toelopende, piramide-achtige symbolen; en Yule, in het
goed beboste noorden, had ook zijn boomstam, waaraan in de middeleeuwen
nog steeds magische krachten werd toegekend. Wat de vegetatie betreft, was de
decoratie van gebouwen met groenblijvende planten gebruikelijk bij alle drie de
feesten, waarbij de laurier in het zuiden overheerste, en naaldbomen in het
noorden, waaronder een Yule-boom, zoals we nog zullen zien.

Yule heeft waarschijnlijk het gebruik van dat buitenbeentje, de altijd groene
maretak, geërfd van de druïdische religie, waarvan de riten uitvoerig door Plinius beschreven zijn in de eerste
eeuw a.d. Tenslotte was het ritueel bakken van speciale cakes en taarten waarschijnlijk aanwezig in de
Saturnalia en zeker in Yule, waar een soort taart werd gebakken dat op een everzwijn leek, een beest dat zelf
vaak werd gegeten - misschien oorspronkelijk geofferd - op het feest.

Van deze vroege midwintervieringen heb ik alleen die kenmerken genoemd waarvan de sporen herkenbaar
zijn in of nabij hun christelijke opvolger. Andere kenmerken stierven weg (om onbekende redenen),
waardoor hun schaarse overblijfselen alleen als een voer voor historici van religie dienen. In Keltische
gebieden van het Romeinse Rijk bijvoorbeeld, omvatte Kalends travestie tussen mannen en vrouwen en
dansen met dierenmaskers die deden denken aan de uit de archeologie bekende Keltische 'gehoornde god'.
(Travestie in 'Yeull' zou de Aberdeen Kerk in 1618 nog steeds verontrusten.) Nogmaals, in de Germaanse en
sommige Keltische gebieden zou 's nachts tijden Kalends een maaltijd buiten worden gezet voor vrouwelijke
goden. Scandinavische bronnen zeggen hetzelfde voor Yule, terwijl de engelse monnink Bede's bewering dat
de Angelsaksische bevolking de belangrijkste nacht van Yule, Modraniht ('Nacht van de Moeders') noemden,
op dezelfde hongerige dames kan duiden.

Hoe zit het met het nieuwe element, of het eigenlijke 'kerst'. Het woord 'Kerstmis' komt uit het
Middelengels voor 'Christus mis', en de vroege geschiedenis van het feest, gegeven zijn Schriftuurlijke en
theologische achtergrond, is grotendeels een kwestie van de mis en de aangrenzende liturgie. Kerstmis was
lang afwijkend door het hebben van drie missen (nu nog steeds, maar ook Pasen kent u drie missen): om
middernacht, zonsopgang (of hanenkraai), en overdag. De mis die het meest kenmerkend is voor Kerstmis is
die om middernacht. Men geloofde dat Christus niet alleen op de donkerste datum van de winter werd
geboren, maar op het donkerste moment. De keuze had symbolische waarde, maar putte ook kracht uit
woorden in het boek der Wijsheid (18:14):

Terwijl een zachte stilte alle dingen in zijn greep hield en de nacht halverwege zijn loop was, sprong het
almachtige woord uit de hemel, van de koninklijke troon, in het midden van het land dat gedoemd was.

We weten dat rond 400 na Christus de middernachtmis in Bethlehem werd opgedragen (uit de eerste
vermelding), waarschijnlijk gevolgd door een ochtendmis in Jeruzalem; en dat, gedeeltelijk door imitatie, het
drievoudige patroon tegen het midden van de vijfde eeuw in Rome werd vastgelegd. Vanuit Rome
verspreidde het zich geleidelijk naar de westerse kerk als geheel.

Al in de vijfde eeuw begon Kerstmis de kalender aan weerszijden ervan te beïnvloeden. Advent bestond al
rond 500, zij het eerst onder de naam 'de Quadragesima (veertig dagen') van St. Maarten' - als een periode

van boete of vreugde (niemand was of weet zeker welke: de puriteinse Galliër gaf de voorkeur aan de eerste,
het Saturnaliaanse Rome gaf voorkeur aan de tweede).

Het feest van Sint-Nicolaas, in de Advent periode, kreeg een levendige middeleeuwse carrière op zich, maar
had weinig met Kerstmis te maken tot aan de Reformatie toen protestanten, die de katholieke heiligendagen
op gingen ruimen toch Sint-Nicolaas wilden houden, en hem dus verbonden aan Kerstmis, en hem
klaarstoomden voor zijn toekomstige rol als Santa Claus in de Angelsaksische wereld

De heiligen Stefanus, Johannes de Evangelist en de Onschuldigen (de kindslachtoffers van Herodes), als
'metgezellen van Christus', werden tegen het einde van de vijfde eeuw in de drie dagen na Kerstmis
toegevoegd, terwijl de onstuitbare Kalends, (1 januari), na veel aarzeling werden toegewezen aan de
besnijdenis van Jezus, die de onderwerping van Christus aan de wet voorstelt (het stukje voorhuid heeft zijn
eigen geschiedenis omdat dit het enig stoffelijke relikwie van Jezus zou zijn ná zijn Hemelvaart)

Het eind van de kerstperiode werd slordig gedeeld door Driekoningen en Lichtmis. Hoe de Wijzen van
Driekoningen in het bezit kwamen van 6 januari (de Egyptische winterzonnewende en dus de vroegste
oostelijke datum voor Kerstmis); hoe ze van Wijzen in Koningen veranderden, met hun eigen namen,
karakters en kleuren - één was zwart, volgens een legende die minstens zo oud is als de achtste eeuw; en
hoe hun vermeende relikwieën in 1167 in Keulen belandden; dit alles maakt het een lang en ingewikkeld
verhaal.

Wat Lichtmis betreft, mogelijk is het de vervanging van een heidense ceremonie, die nu in de Kerstcyclus
wordt toegewezen aan de 'Reiniging van de Maagd Maria' - een gebeurtenis die de onderwerping van Maria
aan de Joodse wet betekent (een wet die in dit geval verband houdt met oude taboes over bevallen
vrouwen).

Er zijn dus twee elementen, oude gebruiken en nieuwe interpretaties, die het middeleeuws kerstfeest van
de antieke wereld heeft geërfd. Het verhaal van het middeleeuwse feest is dat van hun wederzijds effect. De
effecten waren niet gelijkwaardig, maar laten we eerst naar het oudste element kijken.

Het eerste van al zijn kenmerken was het banket. Kroniekschrijvers
vertellen ons altijd waar een koning of heerser 'Kerst vierde'. Hoewel
zulke literaire mannen meestal niet over het voedsel schreven, wordt
die lacune opgevuld zodra de rekeningboeken op het toneel
verschijnen. We weten bijvoorbeeld van een koninklijk kerstfeest in
1377, onder Richard II, waar achtentwintig ossen en driehonderd
schapen werden gegeten. Bescheidener kerstdiners zijn minder
gedocumenteerd, maar altijd was het Yule-zwijn - ofwel het eigenlijke
dier of een taart in zijn vorm - er het middelpunt van. Recepten
vermelden in grote hoeveelheden kleinere vogels en wild. Het is waar dat middeleeuwse Europeanen soms
de hongerdood stierven. Maar als ze aten, aten ze bovenmatig wat weer leidde tot satire.

Advent was bedoeld als een tijd van boetedoening en vasten, voorafgaand aan de Kerstperiode. Maar
boetedoening en vasten paste niet altijd in de robuustere tradities van de midwinterfeesten, en een anoniem
veertiende-eeuws verhalend gedicht beschrijft de adventsmaaltijd van een ridder in heel andere
bewoordingen. Het omvatte 'verschillende soepen of stoofschotels, twee porties van elk', daarna
'verschillende soorten vis: gebakken in brood; gegrild; gekookt; gestoofd en gekruid; en allemaal met saus'.
Hierna boden de bedienden hem wijn aan om hem te helpen gemakkelijker van zijn 'boete' te genieten.

Deze kleine satire komt uit het verhaal Sir Gawain en de Groene Ridder. Sir Gawain gaat eigenlijk helemaal
over het Kerstseizoen, en was waarschijnlijk gecomponeerd om voorgelezen te worden. Folkloristen hebben

in zijn vreemde verhaal inderdaad sporen gelezen van zonne- en vruchtbaarheidsceremonies die passen bij
midwinter (waarom is Gawains tegenhanger bijvoorbeeld groen?). Ongeacht wat daarvan waar is, alleen al
het feit dat het gedicht geschreven is, en zijn eigen toespelingen op feest, maakt duidelijk dat het kerstfeest
meer betekende dan eten. Vrienden ontmoetten elkaar in goede sfeer, dansten en zongen. Met nieuwjaar
(als 'Nowel opnieuw werd uitgeroepen') werden er geschenken gegeven: de ‘yeresgive’, die ook vermeld
wordt in Sir Gawain en geeft aan dat de Romeinse strena nog niet was veranderd in het kerstcadeau.

Maar iets van een echte kerst in de vijftiende eeuw kan worden gelezen in een brief uit de “Paston Letters”
op kerstavond 1459. Een goede vriend (Sir John Fastolf) was net overleden. John Paston liet zijn vrouw
Margaret een buurvrouw, die de vorige kerst weduwe was geworden, vragen welk effect haar verlies had
gehad op haar vieringen. De buurvrouw antwoordde;

... er waren geen vermommingen, noch harpen, noch luiten, noch zingen, en geen luide sporten, en haar
bezoekers mochten alleen spelen aan de tafels (bordspellen), schaken en kaarten, niets anders.

Ten slotte de vraag van de groene versiering . Verwijzend naar pre-Tudor-tijden zei de Tudor-antiquair John
Stow dat 'het huis van elke man en ook zijn parochiekerk was versierd met hulst, klimop en wat er verder in
dit seizoen van het jaar ook groen was'. Er is alle reden om aan te nemen dat deze praktijken zowel algemeen
als oud zijn. Het vraagstuk van de boom is complexer.

Het laatmiddeleeuwse Duitsland kende een kerst-piramide, een constructie
van groenblijvende planten met een ster erop; en een kerstavondspel van Adam
en Eva met een dennenboom als 'paradijsboom', met appels erop. Een
kopergravure van Lucas Cranach de Oudere in 1509 laat zien dat tegen die tijd
iets als een kerstboom uit deze gebruiken was voortgekomen; en andere
voorbeelden uit de zestiende-eeuwse Elzas laten zien dat het gebruik
gemeengoed was geworden. Een eenvoudige groenblijvende boom was
niettemin ook al te zien in middeleeuwse Kerstmis, evenals in 'Yule' ervoor. Zo
laat ook een voorbeeld een rekening van 1444 zien:

...een boom wordt op een standaard stevig in de grond opgezet in het midden
van de straat vol hulst en klimop, voor het vermaak van de mensen met Kerstmis.

Sinds 1444 is er veel veranderd en zelfs uit de tijd van onze grootouders zijn veel gebruiken spoorloos
verdwenen, des te opvallender is het dat oude midwintergebruiken hardnekkigheid voort blijven bestaan,
sommige al duizenden jaren. Het middeleeuwse kerstfeest kende echter geen eigen specifieke gebruiken; in
ieder geval geen die verschilt van die van de gebruiken waarop het zich baseerde – zoals gebak, bordspellen,
muziek of literatuur.

Maar hoe zit het met het nieuwe, specifiek christelijke element in Kerstmis? Op het eerste gezicht lijkt het
onderhevig aan dezelfde traagheid. De liturgie, de kern ervan, werd rond 600 A.D. op zijn plaats gezet. Het
veranderde nauwelijks - tenzij we kleine details ook als verandering zien; zoals de heropleving van het
Romeinse gebruik door laatmiddeleeuwse Duitse keizers, waarbij de keizer zelf het middernachtevangelie
voorlas: 'Er ging een decreet van Caesar uit'.

Een nadere beschouwing spreekt dit echter tegen. Gedurende de middeleeuwen was het christelijke
kerstfeest in opmars, op twee manieren: negatief en positief.

De negatieve was in zijn Confrontatie met zijn heidense rivalen. De confrontatie omvatte een tweeledige
strategie: openlijke vijandigheid en aanpassing. Als deze onderling in tegenspraak lijken, komt dat deels
omdat 'de middeleeuwse kerk' geen eenheid vormde. Bisschoppen waren op sommige momenten of
plaatsen meer zuiver in de leer en ijveriger dan op andere momenten of plaatsen. Vanuit de meer puriteinse

benadering door de kerk werden heidense midwinterpraktijken, door concilies of door afzonderlijke
bisschoppen veroordeeld. Misschien wel de meest onthullende van dergelijke teksten is er een in de laatste
categorie, een brief van de heilige Bonifatius, aartsbisschop van Mainz, aan paus Zacharias, in 742. Om de
brief te begrijpen moet men bedenken dat Bonifatius, een monnik en een missionaris, in Engeland geboren
was. Hij had het christendom geleerd in een regio, die pas een eeuw voor zijn geboorte was bekeerd door
soortgelijke monnik-missionarissen. Zij hingen een zuiver-theologisch christendom aan en het was deze
theologisch, puristische religie die Bonifatius zijn Duitse bekeerlingen had gebracht. De laatsten gingen zoals
het hoort als pelgrims naar de tombes van de apostelen in Rome. En toen het 1 januari werd, wat zagen ze
tot hun verbijstering? Bonifatius' verontwaardigde protest geeft het antwoord. Ze zien (schreef hij) 'zingen
en dansen in de straten in heidense stijl; heidense toejuichingen en heiligschennende liederen; banketten bij
dag en nacht', en, het meest laakbare van alles, 'het dragen en verkopen door vrouwen van joodse amuletten
en heidense artefacten, en de weigering van huisbewoners om 'gereedschap of iets anders nuttigs uit te
lenen'.

Paus Zacharias antwoordde dat hij en andere pausen deze dingen al eeuwenlang veroordeelden. Hij zou
het opnieuw proberen. Maar veel effect had het niet, toen Goethe in 1788 naar het Romeinse carnaval keek,
had de geest van Saturnalia wraak genomen op deze noordelijke Duitse puriteinen. Bij de groteske
karikaturen in de Carnaval zat ook een puriteinse zendeling.

Dit was Confrontatie. Aan de andere kant was er de Aanpassing. Lezers van de door de
Engelse monnik Bede geschreven kerkelijke geschiedenis kennen de brief van Gregorius
de Grote aan Sint-Augustinus van Canterbury (I, ca.20) waarin de Paus, een Romein in
hart en nieren, zijn Engelse missionaris opdroeg zich aan te passen aan de heidense
instellingen in plaats die te bestrijden.

De middeleeuwse kerkgeschiedenis kan vanuit die invalshoek daarvoor een voorbeeld zijn en ook bij
Kerstmis is dat zichtbaar. De datum zelf van het feest impliceerde immers een symbolische aanpassing van
de oude Sol Invictus. Andere heidense gebruiken van de midwinter, die als ‘simpele magie' beschouwd
mogen worden, leenden zich natuurlijk voor allegorische interpretatie. Zo betekende altijd-groen;
eeuwigheid, de spits toelopende piramide-achtige symbolen; het komende licht van Christus, enzovoort.

Heidense dansen zijn moeilijker te verklaren, zoals we zullen zien. Banketten hebben een duidelijk
historisch verband met de religie waarin de liefde van-en-voor God, en dus de 'heilige communie' tot uiting
komt. Wat betreft geschenken, de drie Wijzen met hun gebruikelijke strenae voor een nieuwe heerser (goud
voor de koning, zoals Hendrik III van Engeland zijn onderdanen meer dan eens herinnerde met Nieuwjaar),
eindigden als het concept voor kerstcadeaus.

Er was inderdaad nauwelijks een heidens gebruik dat niet op de een of andere manier kon worden
getransformeerd en in het christendom kon worden ingepast. Een goed voorbeeld is te zien in het eerste
bewaard gebleven bewijs van Noorse kerstgebeden, uit het begin van de twaalfde eeuw. Er worden
verschillende weldaden gevraagd aan Christus en de Maagd: van Christus, algemene 'gunst'; van de Maagd
'dat de vruchtbaarheid mag toenemen'. Martin Nilsson, de Zweedse historicus, las deze eigenaardigheid als
een overblijfsel van een eerdere smeekbedes aan heidense goden, aan Odin, de oude beschermheilige van
Yule, en aan de 'Moeders' die Bede heeft vermeld, als vruchtbaarheidsgodinnen. Frejya had er heel goed
tussen kunnen zitten. Wat we weten over Frejya's vruchtbaarheidssymboliek komt op ons over als grof. De
christelijke transformatie polijstte dat. Want Maria baarde zonder hulp van ’n man maar van God zelf. De
ultieme vruchtbaarheidsgedachte.

Christelijke Kerstmis was zich toen in een rommelige wijze aan het ontwikkelen, doordat kerkleiders op
diverse manieren met de bestaande heidense gebruiken omgingen; afwijzen, tolereren, adapteren en

adopteren. Maar uiteindelijk was het niet het heidendom dat bepalend was. De centrale gedachte achter de
nieuwe Kerst in de middeleeuwen was de menswording van God, geïncarneerd als het kind in de stal.

Op laatmiddeleeuwse afbeeldingen van de geboorte van Christus lijkt het kind
een lichtpuntje dat zijn stralen onuitputtelijk naar alle hoeken straalt. En zo
functioneerde de kerstliturgie. Het was een combinatie van woorden,
voorwerpen, beelden, handelingen en zang; in elk van deze aspecten breidt het
zich uit.

Naast de voorgeschreven woorden van de liturgie was er ruimte voor een
preek. Een blik op bewaard gebleven kerstpreken onthult een constant proces
van verkenning en ontdekking, door predikers, van nieuwe verbanden in
kerstthema's. De drie missen werden bijvoorbeeld verbonden met andere
drievoudige thema's. Een veertiende-eeuwse bisschop van Rochester verbindt ze met drie tijdperken van de
menselijke geschiedenis. Een meer invloedrijk thema koppelde ze aan drie betekenissen van de geboorte.
Deze waren;

• de eeuwige generatie van de wereld uit de Vader (middernacht: de Engelenmis);
• de historische geboorte van Jezus (dageraad: de Herdersmis);
• de geboorte van Jezus in de harten van de mensen (uiteindelijk gekoppeld aan de dagmis, de 'Mis van

het Goddelijk Woord'). ‘

Zowel de leer van de Menswording als de groeiende wirwar van legendes rondom het kerstverhaal werden
onderzocht. Tijdens de verkenningen horen we soms bijna de stem van de predikant. Zo gaf de tijdgenoot
van Chaucer, John Myrc, zijn eigen verklaring waarom God ervoor koos om niet als een volwassen man, maar
als een kind te verschijnen. Het was om de liefde van de mensheid te winnen:

For whyll a chyld ys yeong and wythout synne, hit ys more amyable than hit ys aftyr, when he comyth to man-state

Zelfs in de literatuur toentertijd droeg de liturgie bij aan haar eigen ontwikkeling in tekst. Maar de liturgie
omvatte ook voorwerpen. Het belangrijkste object dat voortkwam uit de kerstliturgie was de kribbe. We
hebben gezien, in zowel Bethlehem als Rome - en andere bronnen zouden het bevestigen - dat in 1223
Franciscus van Assisi in Greccio de kribbe niet uitvond, wat wel eens suggereert wordt. Maar het is wel juist
om Franciscus en zijn beweging met de kribbe te associëren.

Franciscanen waren niet alleen evangelisch in de zin dat ze probeerden de evangelieboodschap te
verspreiden onder alle geledingen van de samenleving, vooral analfabeten. Hun stichter was de belangrijkste
exponent van een tendens, gekoppeld aan dat soort 'evangelisatie', en wijdverbreid in de kerk van de
dertiende eeuw (de eeuw waarin de paus 'plaatsvervanger van Christus' werd) om het religieuze denken te
richten op de tweede persoon van de drie-eenheid. Dit franciscaanse 'christocentrisme' moest zeker een
impuls geven aan de religieuze waardering van Kerstmis, waarvan het gebruik van kerststallen een onderdeel
was. We weten dat het zo was, zowel uit devotionele literatuur als uit de overblijfselen van echte kribben uit
de vijftiende eeuw.

Dezelfde Franciscaanse invloed is zichtbaar, vermengd met andere, in een meer verfijnd gebied van de
visualisatie van de liturgie, namelijk de afbeeldingen. Door de middeleeuwen heen geven illustraties en
altaarstukken, net als de preken, steeds diepere betekenis aan de eenvoudige kribbe, de figuren en
houdingen dienen als ‘n stille taal. Byzantijnse traditie, die doet denken aan voorchristelijke afbeeldingen van
de geboorte van Bacchus, plaatste de geboorte van Christus in een grot, waarmee de symboliek van de
duisternis werd voltooid en (waarschijnlijk) een model werd gegeven voor de grot
in Bethlehem. Westerse kunstenaars, vooral na Giotto, gaven de voorkeur aan
een schuur, waarin elke variatie in details weer een eigen interpretatie verraadt.
Een van de meest welsprekende, gebaseerd op een negende-eeuwse tekst die
zich vanaf de dertiende eeuw verder ontwikkelt, schetst de kribbe in de vorm van
een altaar, waarin zich het 'lichaam van Christus' bevindt.

Belangrijker nog is een cluster van afbeeldingen, afkomstig uit St. Bernards
leerboek voor meditaties voor monniken in de twaalfde eeuw, en die belangrijker
worden gemaakt door Franciscanen en andere mystici in de dertiende eeuw, die de geboorte zien als een
gebeurtenis die tegelijkertijd zowel menselijker als goddelijker is. Jezus komt uit zijn kribbe en ligt op stro op
de grond (humus: de wortel van het woord humilis, nederig). Zijn moeder komt uit haar bed en knielt in
aanbidding voor haar eigen zoon.

Het hoogtepunt kwam na 1380 met de verspreiding van de Openbaringen van
de heilige Brigitta van Zweden. Al dan niet omdat ze tijdens haar lange
weduwschap in Rome had gewoond (waar ze met de nieuwste inzichten kennis
maakte) gaf Bridget in een van haar visioenen een gedetailleerde beschrijving
van Jezus' geboorte. Vlak voor de geboorte had de Maagd haar schoenen,
mantel en sluier uitgetrokken en haar gouden haar losgelaten. Meteen daarna
aanbad ze haar eigen kind, wiens lichaam zo'n goddelijk licht uitstraalde dat het
licht van een kaars die door Joseph werd vastgehouden verloren ging. Deze
details zorgen voor een kleine artistieke revolutie, zichtbaar in kerststal
afbeeldingen in de vijftiende eeuw en later.

Afbeeldingen, zoals van de kribbe, breidden de visuele beelden van de liturgie
uit. Liturgische objecten, liturgische middeleeuwse kerstspelen werden
ontwikkeld en kregen meer theologische aandacht dan enig ander aspect. Wat zeker is, is dat de liturgie zelf
in het begin van de twaalfde eeuw quasi-dramatische scènes had voortgebracht – sopraan-'engelen' die van
boven het decor zongen, enzovoort. Pasen was leidend in deze proto-dramatische ontwikkelingen, maar
Kerstmis kwam vlak daarna. Met de groei van de stedelijke bevolking en de verspreiding van het onderwijs,
werden toneelstukken het hele kerkelijke jaar gespeeld en verplaatsen zich tegelijkertijd over de kerkmuur
het stadsplein op. Van de laatmiddeleeuwse 'Mystery Plays' die zo ontstonden, behield de kerstcyclus (de
daarin prominente Driekoningen) zijn ereplaats.

En tot slot de gezangen. Het meest opvallende middeleeuwse
kenmerk van het moderne kerstfeest is het kerstlied, de 'Carol’ wat
oorspronkelijk stond voor een soort dans met woorden. Een
analyse van de woorden van vroege Engelse kerstliederen onthult
wat voor soort dans het was: een leider zong een couplet, en een
kring van dansers het refrein. De kerstliederen behoorden tot de
voorchristelijke gebruiken. In de late middeleeuwen waren de
dansen vaak onzedelijk van karakter. Een biograaf van Thomas
Becket, die in 1497 schreef, achtte het een verdienste van de jonge

heilige dat hij 'karolles and songes dissolute' (ongepaste liederen) had vermeden; en enkele overgebleven
teksten van heidense kerstliederen illustreren dat.

De metamorfose van het kerstlied was opnieuw het werk van geïnspireerde pastorale geestelijken, die
vrijelijk gebruik maakten van Latijnse liturgische verzen. Dertiende-eeuwse Italiaanse franciscanen als
Jacopone da Todi waren ook op dit gebied pioniers. Hun nieuwe genre van religieuze liederen in de volkstaal
inspireerde hun noorderburen. Speciaal de veertiende-eeuwse Duitse Dominicanen brachten met dit nieuwe
genre tot grote hoogte. Onder deze bedelmonniken ontstond in dezelfde eeuw (waarschijnlijk eerst in
Ierland) de traditie van het schrijven van kerstliederen in het Engels, die nooit is gestopt. Sporen van de
voorchristelijke kerstliederen zijn bewaard gebleven in vroege Engelse kerstliederen: de hulst en de klimop,
bijvoorbeeld, vertegenwoordigden ooit het mannelijke en vrouwelijke principe, in vroege
vruchtbaarheidsovertuigingen. Dergelijke ideeën, losgerukt uit hun voorchristelijke context, kregen een plek
in het puur christelijk genre. Schrijvers gebruikten niet alleen het kerstverhaal en muziektradities zoals het
slaapliedje, maar ook Latijnse hymnen, een genre met zijn eigen oorsprong, bij populaire liederen. Onder hun
erkenningen voor hymnen zijn hun "potjeslatijn”, waar het Latijn en de volkstaal door elkaar heen wordt
gebruikt. Dit engelse kwatrijn uit een vijftiende-eeuwse bewerking van een twaalfde-eeuws Latijns gezang is
typerend:

An angell of counsell now ys bore Off a mayde, as Y sayd betore,
To saw [save] all that was forlore.
Sol de Stella.

Sol de Stella: de zon (Christus) van een ster (Maria). De oude symboliek blijft bestaan, centraal in het
oneindige web van analogieën. Als we de verschillende elementen van Kerstmis, oud en nieuw, bekijken, zien
we één thema dat overal doorloopt. Een dreiging wordt overwonnen. Dood en pikzwart staan voor de deur,
maar worden op de een of andere manier, op magische of wonderbaarlijke wijze, verslagen. De dreiging is
dus een onmisbaar onderdeel.

Wat kan tenslotte altijd-groen vegetatie symboliseren, terwijl de meeste bladeren in de winter afsterven?
Of wat symboliseren kaarsen, als de winternachten niet koud en donker zouden zijn? Het oude feest, laten
we niet vergeten, was niet alleen dat van Sol, maar van Sol Invictus: het lovende attribuut 'onoverwonnen'
laat na zijn strijd met het duister het optimisme van Kerstmis na.

Maar natuurlijk wordt dit het beste beschreven waar men het zou verwachten, in het evangelie voor de
dagmis, Cristes Messe, (van Johannes 1:5):

'En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis begreep het niet’.


Click to View FlipBook Version